Hoe maak je erfgoed energiezuiniger zonder zijn verhaal uit te wissen?
Er staan in Gent ramen die al anderhalve eeuw wind, regen en twee wereldoorlogen doorstonden. Op de Bijlokesite, in het negentiende-eeuwse Materniteitsgebouw, sluiten ze nog altijd, al is het hout intussen hier en daar wat scheefgetrokken. Toch worden zulke ramen vandaag algemeen gezien als het zwakste onderdeel van een gebouw. Niet omdat ze lelijk zijn, maar omdat ze energie verliezen. De voor de hand liggende oplossing lijkt eenvoudig: vervang ze. Alleen is dat bij beschermd erfgoed vaak onmogelijk. En misschien, zo bleek uit mijn onderzoek, ook helemaal niet nodig.
Vlaanderen wil zijn gebouwen energiezuiniger maken, terwijl de erfgoedwetgeving net vraagt om historische elementen zoveel mogelijk te behouden. Oude ramen zitten klem tussen twee werelden: cultuurdrager én energielek. Beschermde en geïnventariseerde gebouwen krijgen daarom een vrijstelling van de gewone energienormen: de erfgoedwaarde primeert.
Handig, maar het laat een gat na: niemand weet goed hoeveel je aan zo'n raam kán verbeteren, en hoe. Achterzetramen, ingefreesde rubbers, en reproducties zijn technieken die al decennia worden toegepast "omdat men dat nu eenmaal zo doet", met verrassend weinig metingen over hun werkelijke luchtdichtheid. Restaurateurs beslissen op ervaring en traditie, zelden op cijfers.
Om dat gat te dichten kreeg ik, voor mijn masterproef aan de UGent binnen het Europese HeriTACE-project, iets zeldzaams in handen: een reeks identieke historische ramen van hetzelfde gebouw, waarop aannemer Denys verschillende restauratietechnieken mocht uitproberen. Met een drukkast - een toestel dat lucht door het raam perst en meet hoeveel ervan ontsnapt - bracht ik, volgens de Europese normen die ook voor nieuwe ramen gelden, de luchtdichtheid van elke variant in kaart, zowel op de werf als in een gecontroleerd atelier.
De vraag die ik wilde beantwoorden was eenvoudig: welke techniek dicht een historisch raam het best af? Het antwoord bleek interessanter. Het type dichting deed er namelijk veel minder toe dan verwacht. De grootste winst zat niet in het materiaal, maar in iets fundamentelers: de geometrie. Een vleugel die niet perfect vlak sluit, een dichting die op één plek onderbroken is of een paar millimeter contactverlies tussen hout en rubber volstaat om alle winst teniet te doen. Op één werf leverde een "verbeterd" raam zelfs slechtere resultaten op dan het onaangeroerde origineel: niet omdat het principe faalde, maar omdat de uitvoering net op de verkeerde plek een kier openliet.
Dat leidt tot de kernconclusie: luchtdichtheid van historisch schrijnwerk is geen materiaalprobleem, maar een ontwerp- en uitvoeringsprobleem. Wanneer aan drie voorwaarden voldaan was, zijnde een volledig gesloten afdichtingscontour, een geometrisch correct sluitend raam, en gecontroleerd gelijkmatig contact tussen dichting en hout, halveerde de luchtdoorlatendheid. De ramen klommen zo van luchtdichtheidsklasse 1 naar klasse 2, zonder dat er iets wezenlijks aan hun verschijning veranderde. Opmerkelijk: telkens een extra dichtingsrubber toevoegen hielp weinig. De eerste, goed geplaatste dichting deed bijna al het werk; elke volgende leverde steeds minder op.

Eén techniek presteerde beter dan een losse dichting, zonder meteen het hele raam te verbergen: de "opdeklat”: een smal, geprofileerd houten latje dat tegen de contour van de raamvleugel wordt geschroefd, met aan de achterzijde een ingefreesde groef waarin een moderne rubberdichting schuilgaat. Het raam sluit er letterlijk tegenaan. Deze combinatie van oud hout en hedendaagse afdichting haalde in de proeven klasse 3. Dit is beter dan een enkele dichting, en met minder ingreep dan een volledig nieuw raam ervoor.
Toch is een opdeklat geen wondermiddel: het blijft een toevoeging van zichtbaar en niet authentiek materiaal, wat botst met het uitgangspunt dat authentieke substantie primeert. In dit onderzoek functioneerde de techniek dan ook vooral als experimenteel instrument om te begrijpen wélke mechanismen luchtdichtheid bepalen en (helaas) niet als pasklaar advies voor elke restauratie.
Dat brengt ons bij de populairste oplossing in de praktijk: een tweede, modern raam vóór (of achter) het bestaande plaatsen. Mijn metingen bevestigen dat dit technisch de beste resultaten geeft, met afstand. Niet omdat het zo knap ontworpen is, maar omdat het simpelweg niet afhankelijk is van de grillige geometrie van eeuwenoud hout. Het vormt een onafhankelijke tweede barrière, en is daardoor bijzonder robuust net wanneer perfect restaureren onmogelijk is.
Maar die winst heeft een prijs. Het voorzetraam verbetert niets aan het originele raam; het compenseert zijn tekortkomingen. Technisch een succes dus, maar het historische schrijnwerk verliest zijn functie en wordt decor. Bijkomend presteerde een gloednieuwe kopie van het raam, een reproductiemodel, geproduceerd met de precisie van vandaag, niet beter dan een zorgvuldig uitgevoerde restauratie. Het probleem zit niet in het hout, niet in het rubber en niet in het ontwerp. Het zit in de uitvoering en de controle daarop.
Vlaanderen telt ongeveer 90.000 beschermde of geïnventariseerde erfgoedobjecten. Europa staat bovendien voor een enorme renovatie-opgave: een groot deel van de gebouwen die we in 2050 nog gebruiken, staat er vandaag al. Standaardoplossingen uit de nieuwbouw werken daar niet. Nodig is geen striktere regelgeving, maar meer kennis: duidelijke richtlijnen, opleiding, en vooral de gewoonte om resultaten te méten in plaats van op vakmanschap te vertrouwen. Mijn thesis beschrijft ook enkele simpele methodes om zo’n controle uit te voeren, zonder dat daar ingewikkelde metingen voor nodig zijn.
Na mijn architectuuropleiding bleef ik zitten met twijfel, niet over de discipline, maar over mijn eigen positie erin. Te veel technische vragen bleven onbeantwoord. Deze tweede master, en deze scriptie, vormden de plek waar de architect die historische gebouwen wil begrijpen en de ingenieur die ze eerst wil meten, elkaar eindelijk troffen.
Want erfgoed gaat uiteindelijk niet alleen over het verleden. Het gaat over de vraag hoe gebouwen die al honderdvijftig jaar meegaan, ook de volgende honderdvijftig jaar kunnen blijven functioneren. Niet als museumstuk achter een plastic schil, maar als levende gebouwen, kier en al.
1. Agentschap Onroerend Erfgoed. (2017). Afwegingskader historisch schrijnwerk.
https://oar.onroerenderfgoed.be/publicaties/AKOE/3/AKOE003-001.pdf
2. Becker, R. (1979). Window air tightness and its inVluence on energy saving and minimum
required ventilation. Building and Environment, 14(3), 157–165.
https://doi.org/10.1016/0360-1323(79)90001-0
3. Bouwfysica, K., & Van Herpen, R. (2007). Luchtstroming in openingen.
4. Bureau voor Normalisatie. (2000). NBN EN 12114:2000 — Thermal performance of
buildings: Air permeability of building components — Laboratory test method.
5. Bureau voor Normalisatie. (2011). NBN EN 13829:2011 — Thermal performance of
buildings: Determination of air permeability of buildings — Fan pressurization method.
6. Bureau voor Normalisatie. (2016). NBN EN 1026:2016 — Windows and doors: Air
permeability — Test method.
7. Bureau voor Normalisatie. (2017). NBN EN 12207:2017 — Windows and doors: Air
permeability — Classi^ication.
8. Callebaut, V., & Rogge, W. (2024). Lucht- en waterdichtheid bij historisch schrijnwerk
(Masterproef). Universiteit Gent.
9. DEVENTER ProVielen. (n.d.). Dichtingen voor ramen. https://www.deventer-proVielen.nl/
10. Directie Cultureel Erfgoed van het Brussels Gewest. (2008). Houten schrijnwerk:
Onderhoudsboekje – Erfgoed en comfort verenigen. Erfgoed Brussel.
https://erfgoed.brussels/links/digitale-publicaties/pdf-versies/praktis…-
boekjes/houten-schrijnwerk
11. Deventer ProVielen. (z.d.-a). Tolerantiekaders. Geraadpleegd op 8/1/2026, van
https://www.deventer-proVielen.nl/oplossingen/tolerantiekaders
12. Deventer ProVielen. (z.d.-b). Dichtingen voor ramen. Geraadpleegd op 8/1/2026, van
https://www.deventer-proVielen.nl/producten/dichtingen-voor-ramen
13. EKI. (z.d.). Rubber pro^ielen. Geraadpleegd op 8/1/2026, van https://www.eki.nl/l/rubber-
proVielen
14. ERIKS. (z.d.). Rubber pro^ielen. Geraadpleegd op 8/1/2026, van
https://shop.eriks.nl/nl/afdichtingen-rubber-proVielen/
8715. EPB-PEDIA. (n.d.). Luchtdichtheid. https://www.vlaanderen.be/epb-
pedia/gebouw/luchtdichtheid
16. Gemeente Maastricht. (2011). Handboek voor de restauratiepraktijk: Restauratierichtlijnen
bij verbouw en onderhoud van monumenten.
https://www.gemeentemaastricht.nl/sites/default/Viles/2019-
07/1406202713handboek_restauratie_en_onderhoud_versie_8_september_2011.pdf
17. Klems, J. H. (1983). Methods of estimating air inViltration through windows. Energy and
Buildings, 5(4), 243–252.
18. Labrouche, V., & Prignon, M. (2025). Airtightness of traditional wooden windows and its
impact on the occupant and the building. Ongepubliceerd manuscript.
19. Monumentenwacht Vlaanderen. (2004). Onderhoud van houten buitenschrijnwerk.
https://drive.google.com/Vile/d/1uEyjrb5bOKygF3XZKu9z-C_Bw7QQgl-u/view
20. Provan, T. F., & Younger, J. D. (1986). Air inViltration characteristics of windows. Energy and
Buildings, 9, 281–292.
21. Van den Bossche, N., & Desanghere, B. (2022). Waarom buitenschrijnwerk belangrijk is voor
luchtdichtheid.
22. Vernimme, N. (2013). Energiezuinig leven in woningen met erfgoedwaarde. Onroerend
Erfgoed. https://www.onroerenderfgoed.be/publicaties/handleiding-energiezuinig-l…-
woningen-met-erfgoedwaarde
23. Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf. (2006). Onderhoud van
houten buitenschrijnwerk. WTCB-Contact, (10), 13–14.
24. Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf. (2012). Renovatie van
bestaande vensters: vervanging of andere oplossingen? WTCB-Contact, 2012(3), 9.
25. Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf. (2015). Technische
Voorlichting 255: Luchtdichtheid van gebouwen.
26. Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf. (2020). Erfgoed: een
diagnose 4.0 voor een betere benadering van renovaties. WTCB-Contact, 2020(3), 4–5.