Op zoek naar zorg voor kinderen die getuige zijn van partnergeweld aan de hand van een SWOT- analyse van de Oost-Vlaamse convenant inzake partnergeweld

Veerle Levecke
Persbericht

Op zoek naar zorg voor kinderen die getuige zijn van partnergeweld aan de hand van een SWOT- analyse van de Oost-Vlaamse convenant inzake partnergeweld

Meer aandacht nodig voor kinderen uit gezinnen met partnergeweld

Bij partnergeweld gaat de meeste aandacht naar vrouwen. In tegenstelling tot wat de meeste ouders denken, zijn kinderen vaak wél getuige van het geweld tussen de ouders. Kinderen zijn stille en verborgen slachtoffers van partnergeweld waaraan tot recent weinig aandacht werd besteed. Nochtans kunnen deze kinderen gevolgen ondervinden op hun emotionele, psychische en fysische ontwikkeling. Een evaluatie van een convenant tussen de betrokken instanties in Oost-Vlaanderen geeft aan dat samenwerking loont, maar dat verschillende actoren nog moeten worden wakker geschud om meer aandacht te hebben voor de kinderen bij partnergeweld.

De aandacht voor partnergeweld neemt toe. Dat is positief, want spreken over geweld tussen partners was lang een taboe. De aandacht richt zich echter voornamelijk op vrouwen als slachtoffer van partnergeweld. Bij de kinderen gaat men ervan uit dat ze niets in de gaten hebben. Meestal weten de kinderen echter zeer goed wat er gaande is. Het is dan ook belangrijk dat er bij hulpverlening naar gezinnen waar er partnergeweld voorkomt niet enkel aandacht is voor het geweld tussen de partners, maar ook voor opvang van de kinderen.
Er zijn veel verschillende partijen betrokken bij hulpverlening bij partnergeweld, gaande van de politiemensen die in crisismomenten tussenbeide komen tot de centra geestelijke gezondheidszorg die de betrokken gezinnen (partners en hun kinderen) begeleiden. Om de samenwerking tussen de betrokken instanties te verbeteren, werd er onder impuls van het Oost-Vlaamse provinciebestuur het convenant ondertekend tussen de betrokkenen. Deze convenant werd ondertekend door politiezones, parket, hulpverleners (centra algemeen welzijnswerk, centra geestelijke gezondheidszorg), huisartsen, enzovoort. Via het convenant wil men partnergeweld kunnen stoppen door het inzetten van een mix van instanties en hulpverleners met elk hun specifieke taak. Daarnaast spelen ook scholen en de bijzondere jeugdzorg een belangrijke rol.
Veerle Levecke (Vrije Universiteit Brussel) sprak met alle betrokken instanties en onderzocht of deze samenwerking effectief een betere opvang van de kinderen teweegbracht. Ook ging ze na hoe de opvang van kinderen uit gezinnen met partnergeweld kan verbeteren.
Aangezien de zorg voor kinderen bij partnergeweld een complex probleem is, kunnen de verschillende diensten elk afzonderlijk weinig soelaas brengen. De diensten hebben immers uiteenlopende benaderingen van partnergeweld. Er ontwikkelden zich nieuwe vormen van samenwerking tussen opvangtehuizen, scholen, geestelijke gezondheidszorg, jeugdzorg en politie, met als doel problemen rond geweld op integrale wijze aan te pakken. Eén van de  voorbeelden van zo een samenwerkingsverband is het Oost-Vlaamse convenant rond partnergeweld.
Er zijn verschillende factoren die de samenwerking tussen verschillende diensten kunnen hinderen of bevorderen. Een belangrijke voorwaarde is dat de diensten mekaar kennen en ook erkennen. Door regelmatig overleg kan er een groepsidentiteit ontstaan. Binnen het convenant werden er ook afspraken gemaakt rond een gezamenlijke interventiemethode. In het algemeen zijn drie voorwaarden belangrijk voor de kwaliteit van de gezamenlijke acties: een goede uitgangssituatie creëren opdat elke partner op een significante manier kan deelnemen, de negatieve effecten van ongelijke macht verminderen, en een nieuw perspectief op het probleem ontwikkelen door het combineren van de verschillende standpunten.
Uit gesprekken met de betrokken instanties blijkt dat er een goede samenwerking is tussen de deelnemers aan het convenant. Uit de ervaring van de politie en het parket blijkt dat er over hun manier van werken nog heel wat misverstanden bestaan bij instanties die niet betrokken zijn bij het convenant. Er heerst het beeld bij sommige hulpverleners dat het parket enkel een dienst is die kinderen van hun ouders afneemt. Het parket kan dit vorderen, doch dit wordt in zeer uitzonderlijke maatregelen gevraagd. Van de politie heeft men vaak het beeld dat zij enkel repressief kunnen optreden, terwijl de politie ook mensen probeert te helpen door hen door te verwijzen naar de geschikte hulpverlening.
Gezien kinderen veel tijd doorbrengen op school is de school een belangrijke partner bij het opvangen van kinderen uit gezinnen met partnergeweld. Leerkrachten hebben dagelijks contact met hun leerlingen en merken dan ook vaak als eersten op dat er iets niet in orde is. Leerkrachten kunnen dit signaleren bij het Centrum LeerlingenBegeleiding (CLB), die de betrokken leerling helpen of doorverwijzen naar gespecialiseerde hulpverlening. Maar ook door begrip voor het bijvoorbeeld niet op tijd afwerken van huistaken kunnen leerlingen zich meer geborgen voelen op school. Anderzijds is de school ook een plaats waar er preventief kan gewerkt worden. In de lessen kan er gesproken worden hoe men conflicten probeert op te lossen, waardoor leerlingen leren dat geweld geen oplossing is.
De onderzoekster Veerle Levecke stelt voor om een parallel zorgcircuit op te zetten voor de kinderen uit gezinnen met partnergeweld, gelijklopend aan begeleiding voor de partners. Hierdoor wordt de veiligheid voor de kinderen gegarandeerd en verkleint de kans te verkleinen op een problematische ontwikkeling. In de Verenigde Staten en Nederland kent men een dergelijke aanpak. De zorg voor de kinderen is gericht op signaleren van problemen, screening, hulpverlening. Door aandacht te geven aan kinderen die zich niet goed voelen en na te gaan met wat hiervoor de reden kan zijn kan men kinderen uit gezinnen met partnergeweld opsporen. Daarna volgt screening, een onderzoek bij een psycholoog of een kinderpsychiater. Aan de hand van gesprekken en afnemen van psychologische testen kijken de kinderpsychiater en de psycholoog of de kinderen emotionele en/of psychologische problemen hebben. De kinderen kunnen geholpen worden door gesprekken met de psycholoog waarbij de kinderen hun negatieve ervaringen kunnen uiten en op een goede manier leren verwerken. Soms worden ook de ouders betrokken bij de begeleiding van de kinderen. In een dergelijk zorgcircuit zouden de volgende diensten kunnen betrokken worden: Comité voor Bijzondere Jeugdzorg, Centra voor Gezinsondersteuning en Kindondersteuning (CKG), kinderdagverblijven, scholen, diensten kinder- en jeugdpsychiatrie, Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg, Jongeren Adviescentra (JAC).

Bibliografie

Bibliografie
- Baarda, D.B., De Goede, M.P.M. & Theunissen, J. (2000). Kwalitatief onderzoek. Praktische handleiding voor het opzetten en uitvoeren van kwalitatief onderzoek. Educatieve Partners Nederland nv, Houten. 253 pp.
- Baeten, P. & Geurts E. (2002). In de schaduw van het geweld. Kinderen die getuigen zijn van geweld tussen hun ouders. SWP, Amsterdam.
- Baeten, P. & Geurts E. (2007). Kinderen in de keten. Meld- en hulptrajecten voor getuigen van huiselijk geweld. Nederlands Jeugdinstituut, Utrecht. 70 pp.
- Beeman, S.K. & Edleson, J.L. (2000). Collaborating on family safety: challenges for children’s and women’s advocates. Journal of Aggression, Maltreatment & Trauma, 3 (1), 345-358.
- Beeman, S.K., Hagemeister, A.K. & Edleson, J.L. (2001). Case assessment and service receipt in families experiencing both child maltreatment and woman battering. Journal of Interpersonal Violence, 16 (5), 437-458.
- Bildeau, A. (2000). Les conditions de qualité de la planification participative et de l’action en partenariat en santé publique. Le cas des priorités régionales 1995-1998 de Montréal-Centre. Programme de sciences humaines appliqués. Faculté des etudes supérieures. Université de Montréal, Montréal.
- Bildeau, A., Lapierre, S. & Marchand, Y. (2003). Le partenariat: comment ça marche? Mieux s’outiller pour réussir. Règie régionale de la santé et des services sociaux de Montréal-Centre-Direction de la santé publique, Montréal. http://www.santepub-mtl.qc.ca (geraadpleegd op 23 juli 2007).
- Carter, L.S., Weithorn, L.A. & Behrman, R.E. (1999). Domestic Violence: Analysis and recommendations. The future of Children, 9 (3), 4- 21.
- Dijkstra, S. (2001). Kinderen (v/m) die getuige zijn van geweld tussen hun ouders. Een basisverkenning van korte- en langetermijneffecten. Studie in opdracht van Ministerie van Justitie - Directie Preventie, Jeugd en Sancties. 69 pp. http://www.huiselijkgeweld.nl (geraadpleegd op 21 maart 2007).
- De Bellis, M. (2005). The psychobiology of neglect. Child Maltreatment, 10 (2), 150- 172.
- de Jong, P. (2004). Protocol Kindspoor. Meldtraject kinderen als getuige van huiselijk geweld. GGD Midden-Holland, Gouda. 6 pp. http://www.ggdzhn.nl/pool/1/documents/evaluatierapport%202004.pdf. (geraadpleegd op 24 juni 2007).
- Findlater, J.E. & Kelly, S. (1999). Reframing child safety in Michigan: building collaboration among domestic violence, family preservation, and child protection services. Child Maltreatment, 4 (2), 167-174.
- Gibbs, A. (1997). Focus Groups. Social Research Update, vol. 19. University of Surrey, Surrey, England. http://www.soc.surrey.ac.uk/sru/SRU19.html (geraadpleegd op 23 juli 2007).
- Groves, B. (1999). Mental health services for children who witness domestic violence. The Future of Children, 9 (3), 122-132.
- Kitzinger, J. (1995). Qualitative Research: Introducing focus groups. British Medical Journal, 311, 299-302.
- Krug, E.G., Dahlberg, L.L., Mercy, J.A., Zwi, A.B. & Lozano, R. (Eds.) (2002). World report on violence and health. World Health Organization, Geneva. 372 pp.
- Krueger, R.A. & Casey, M.A. (2000). Focus groups. A practical guide for applied research. Sage Publications, Inc (London). 215 pp.
- Lessard, G., Lavergne, C., Chamberland, C., Damant, D. & Turcotte, D. (2006). Conditions for resolving controversies between social actors in domestic violence and youth protection services: Toward innovative collaborative practices. Children and Youth Services Review, 28, 511- 534.
- Morgan, L. (1996). Focus Groups. Annual Review of Sociology, 22, 129-152.
- Public Safety Canada (2007). Children who live with violence: Best evidence to inform better practice. http://ww4.ps-sp.gc.ca/en/library/publications/children/violence/childr…. (geraadpleegd op 23 juli 2007).
- McHardy, L.W., Hofford, M., Schechter, S. & Edleson, J.L. (1999). Effective intervention in domestic violence & child maltreatment cases: guidelines for policy and practice. Recommendations from the National Council of Juvenile & Family Court Judges. The National Council of Juvenile and Family Court Judges, Reno (Nevada), 133 pp.
- Mind Tools (2002). SWOT analysis - understanding your strengths, weaknesses, opportunities and threats. http://www.mindtools.com/pages/article/newTMC_05 (geraadpleegd op 18 mei 2007).
- Osofsky, J.D., Rovaris, M., Hammer, J.H., Freeman, N. & Aucoin, K. (2004). Working with police to help children exposed violence. Journal of Community Psychology, 32 (5), 593-606.
- Schechter, S. & Edleson, J.L. (1994). In the Best Interest of Women and Children: A Call for Collaboration Between Child Welfare And Domestic Violence Constituencies. Briefing paper presented at the conference on Domestic Violence and Child Welfare: Integrating Policy and Practice for Families, Wingspread, Racine, Wisconsin, June 8-10, 1994.
- Solomon, E.P. (2005). The biology of trauma. Implications for treatment. Journal of Interpersonal Violence, 20 (1), 51- 60.
- Weber, A.D. (2004). Clinical perspectives on neurobiological effects of psychological trauma. Neuropsychology Review, 14 (2), 115- 129.

Universiteit of Hogeschool
Master in de Verpleegkunde
Publicatiejaar
2007
Kernwoorden
Share this on: