Het bestaan van een hiërarchie binnen de jeugdbeschermingsmaatregelen?

Yente Neelen
“Wanneer de nood het hoogst is, is de redding van het jeugdrecht helaas niet nabij.”“Therapie jonge criminelen op de lange baan geschoven”, “Geen plaats in instelling en dus blijven meisjes in cel”,…[1] Wie vandaag de dag de problematiek rond de jeugdbeschermingsmaatregelen bij jongeren die een misdrijf omschreven feit (MOF- jongeren) plegen niet onder ogen kan of wil zien, moet dringend wakker geschud worden. Het jeugdrecht valt steeds opnieuw ten prooi aan de publieke opinie.

Het bestaan van een hiërarchie binnen de jeugdbeschermingsmaatregelen?

“Wanneer de nood het hoogst is, is de redding van het jeugdrecht helaas niet nabij.”

“Therapie jonge criminelen op de lange baan geschoven”, “Geen plaats in instelling en dus blijven meisjes in cel”,…[1] Wie vandaag de dag de problematiek rond de jeugdbeschermingsmaatregelen bij jongeren die een misdrijf omschreven feit (MOF- jongeren) plegen niet onder ogen kan of wil zien, moet dringend wakker geschud worden. Het jeugdrecht valt steeds opnieuw ten prooi aan de publieke opinie. Deze zet immers de jeugddelinquentie en voornamelijk de aanpak ervan te gepasten tijde op een negatieve manier in de verf waardoor de bevolking zich niet kan ontdoen van de indruk dat jeugdcriminaliteit een stijgend fenomeen is. Het ontbreken van wetenschappelijk en statistisch cijfermateriaal zorgt voor een vertekend beeld omtrent jeugddelinquentie. De overheid, de sociale en institutionele instellingen zullen reageren op het stellen van ongewenst gedrag omdat zij dit gedrag als last ervaren. Het is dit gevoel van ‘moral panic’ waarin de huidige jeugdwet tot stand kwam.

Let’s celebrate: het jeugdbeschermingsrecht bestaat 50 jaar!

Het begrip jeugd is een term van alle tijden. Jeugdcriminaliteit daarentegen vormt een fenomeen van de 19e eeuw. Wie denkt dat een hervorming ontstaat uit een plotse gebeurtenis, heeft het mis. Historische analyse toont aan dat hervormingen steeds gepaard gaan met een aantal maatschappelijke en sociale ontwikkelingen. Als gevolg van het onder de aandacht brengen van jeugddelinquentie als fenomeen ontstonden de eerste jeugdwetten. Ondanks jarenlange kritieken op het jeugdbeschermingsrecht en omwille van de ontwikkelingen binnen een sanctie- en herstelmodel koos de wetgever van 2006 toch voor het behoud van een jeugdbeschermingsrecht.

In 2015 bestaat de Jeugdbeschermingswet vijftig jaar, reden te meer om dit te vieren!? Deze ‘verjaardag’ leek het ideale moment om een onderzoek naar de huidige aanpak van jeugddelinquentie te doen.

Het jeugdrecht wordt immers geteisterd door steeds terugkerende problemen. Deze problemen berusten op de afwezigheid van een duidelijke finaliteit, een tekort aan middelen en een verlammende bevoegdheidsverdeling. De bevoegde jeugdrechters beschikken over een hele waaier aan mogelijke jeugd(beschermings)maatregelen. Om een ‘rang’orde in het uitgebreide maatregelenpakket te scheppen, werd het herstelrechtelijk aanbod ingevoerd, kregen de constructieve alternatieven zoals de leerprojecten en de gemeenschapsdienst een wettelijke basis en moest de plaatsing dienen als last resort. Aan de hand van een historische en theoretische analyse van het huidige jeugdrecht en de empirische evaluatie ervan in de Antwerpse praktijk was het de bedoeling om inzicht te verwerven in de hiërarchie binnen de jeugd(beschermings)maatregelen en aldus in de aanpak van jeugddelinquentie als zodanig.

Van top tot bottom

Het herstelmodel komt op als derde model naast een beschermings- en sanctiemodel. Omtrent de autonomie van het herstelrecht en de invulling van bepaalde herstelrechtelijke aspecten bestaat er heel wat discussie. Een te sterke formaliseringstendens houdt immers het gevaar voor instrumentalisering van het herstelrecht in. Dit weerspiegelt zich in de praktijk. De jeugdrechters blijken niet voldoende vertrouwd met het herstelrechtelijk aanbod. Zij achten deze afhandeling enkel mogelijk in bepaalde dossiers waar het gaat om bepaalde jongeren en welbepaalde feiten zoals bijvoorbeeld vandalisme in een school. Een school is dan de perfecte ‘pedagogische’ instelling om aan herstel te doen. Daarbij is het slachtoffer niet altijd bereid mee te werken daar het hele herstelproces heel veel vraagt van het slachtoffer en arbeidsintensief is. Ook de principes van vrijwilligheid, vertrouwelijkheid en neutraliteit blijven niet vrij van kritiek. De jongeren zullen bij een herstelrechtelijk aanbod hun verantwoordelijkheid moeten opnemen hoewel zij krachtens een jeugdbeschermingsrecht niet verantwoordelijk worden geacht voor de gepleegde feiten. Nochtans kan het herstelrechtelijk aanbod een betekenisvolle omkering in het leven van de jongeren tot stand brengen.

In tweede instantie moet de jeugdrechter de voorkeur geven aan de ambulante maatregelen. De ambulante maatregelen zijn autonome en volwaardige maatregelen. Het betreft de gemeenschapsdiensten, de leerprojecten en andere ambulante maatregelen. Zij hebben de responsabilisering van de minderjarige dader en het aanscherpen van zijn verantwoordelijkheidszin tot doel. Deze maatregelen belichamen de eigenlijke hiërarchie. Zij spitsen zich toe op de minderjarigen en hun problemen.

Plaatsing moet dienst doen als last resort. Dit beginsel komt echter in de praktijk onder druk te staan door een aantal niet onontkoombare effecten zoals de herkwalificatie van de feiten en door de toepassing van plaatsing met het oog op een short sharp shock effect. Ook al zijn de jeugdrechters zich bewust van dit ultimum remedium en zijn ze het eens met de voorwaarden en procedures van de plaatsing dan nog zijn zij gebonden aan het beginsel van de beschikbaarheid. Met het principe van het beschikbaar aanbod heeft de wetgever de praktijk van een aanbodgestuurde beslissing naar een vraaggestuurde beslissing geformaliseerd. Tot slot vormt de bevoegdheidsverdeling een rode draad doorheen de plaatsingsproblematiek. Het zwaartepunt komt immers te liggen op de gesloten instellingen omdat langs de ene kant de private instellingen een eigen beleid voeren en ze niet zomaar alle jongeren toelaten en langs de andere kant de federale instelling dienst doet als ‘schokinstelling’. Met de Zesde Staatshervorming werd een defederalisering voorgesteld.

Exit hiërarchie binnen de beschermingsmaatregelen?

Er is maar sprake van een hiërarchie wanneer de bouwstenen nageleefd worden. Met andere woorden niet-hiërarchisch is geen hiërarchie. Aldus blijkt een hiërarchie binnen de jeugdbeschermingsmaatregelen niet noodzakelijk. Door ze hiërarchisch te bekijken, benadelen we de dader die geconfronteerd wordt met een onwillig slachtoffer. Het zou beter zijn om het herstelrechtelijk aanbod te plaatsen naast de constructieve afhandelingsmethodes en niet er boven waarbij een sensibiliseringsbeleid en een duidelijke normstelling een marginalisering van het herstelrechtelijk aanbod tegengaan.

We moeten blijven ijveren voor een duidelijke wetgeving waarin de nodige rechtswaarborgen worden opgenomen voor minderjarigen. Er is nood aan een andere benadering en aan een inzet voor kwaliteit. Het gebrek aan middelen is een oud gegeven waarvoor op heden nog steeds geen oplossing voorhanden schijnt te zijn. Dit brengt ons terug naar de oorsprong van het onderzoek.

[1] N. VANHECKE, “Kinderpsychiatrie dumpt meisje bij Justitiepaleis”, De Standaard, 17 maart 2015, www.destandaard.be; E. MEULEMAN, “Therapie jonge criminelen op lange baan geschoven”, De Standaard, 13 januari 2014, www.destandaard.be; J. BERNAERTS, “Geen plaats in instelling en dus blijven meisjes in cel.”, De Standaard, 25 juni 2015, www.destandaard.be

 

Bibliografie

BIBLIOGRAFIE

Wetgeving:

Verklaring voor de Rechten van het Kind van 20 november 1959.

Internationaal verdrag 20 november 1989 inzake de rechten van het kind opgemaakt te New-York, BS 17 januari 1992 (IVRK).

Europees verdrag 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome, BS 19 augustus 1955 (EVRM).

Loi du 3 juin 1840 décrétant l’établissement d’un pénitentiaire pour les jeunes délinquants, Pasin, 1840, 91.

Wet 28 mei 1888 nopens de bescherming der kinderen gebezigd in rondreizende beroepen, BS 30 mei 1888.

Wet 13 december 1889 betreffende den arbeid van vrouwen, jongelingen en kinderen in de nijverheidsgestichten, Verzameling van wetten en besluiten van België, 1889, nr. 122, 804-817.

Wet van 27 november 1891 tot beteugeling van de landloperij en de bedelarij, BS 3 december 1891.

Wet van 15 februari 1897 betreffende de beteugeling van de landloperij en bedelarij op het vlak van bejegening van jeugddelinquenten, BS 21 februari 1897.

Wet 15 mei 1912 betreffende de kinderbescherming, BS 15 mei 1912 (Kinderbeschermingswet).

Wet 19 mei 1914 tot invoering van de leerplicht.

Wet van 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, BS 19 augustus 1955.

Wet 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, BS 17 juli 1964.

Wet 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, BS 15 april 1965 (Jeugdbeschermingswet).

Bijzondere wet 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, BS 15 augustus 1980 (BWHI).

Bijzondere wet 8 augustus 1988, BS 13 augustus 1988.

Wet 19 januari 1990 tot verlaging van de leeftijd van de burgerlijke meerderjarigheid tot achttien jaar, BS 30 januari 1990.

Wet 24 december 1992 tot wijziging van de artikelen 36, 4° en 37 en tot opheffing van artikel 37bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming en tot invoering van artikel 43bis in dezelfde wet, BS 31 december 1992.

Wet 2 februari 1994 tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, BS 17 december 1994.

Wet 4 mei 1999 tot wijziging van de Wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, BS 2 juni 1999.

Wet 1 maart 2002 betreffende de voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, BS 1 maart 2002 (Everbergwet).

Wet 15 mei 2006 tot wijziging van de Wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het Wetboek van strafvordering, het Strafwetboek, het Burgerlijk Wetboek, de Nieuwe Gemeentewet en de Wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie, BS 2 juni 2006 (Jeugdwet).

Wet 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, BS 19 juli 2006 (Jeugdwet).

Wet van 31 juli 2009 tot wijziging van artikel 119 van het Gerechtelijk wetboek en van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, BS 18 augustus 2009.

Wet van 21 december 2009 tot hervorming van het Hof van Assisen, BS 11 januari 2010.

Wet van 21 december 2013 betreffende de wijziging van de inwerkingtreding van sommige artikelen van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, BS 30 december 2013.

Bijzondere Wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, BS 31 januari 2014.

Decreet 27 juni 1985 inzake bijzondere jeugdbijstand, BS 5 juli 1986.

Gecoördineerde decreten van de Vlaamse Gemeenschap 4 april 1990, BS 8 mei 1990.

Decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarigen in de integrale jeugdhulp, BS 4 oktober 2004.

Decreet van 7 maart 2008 betreffende de Bijzondere Jeugdbijstand, BS 15 april 2008.

Decreet 12 juli 2013 betreffende de Integrale Jeugdhulp, BS 13 september 2013.

K.B. 15 maart 1894 betreffende de oprichting van de Koninklijke commissies.

K.B. 9 oktober 1991 tot oprichting van de Nationale Commissie voor de hervorming van de wetgeving inzake jeugdbescherming, BS 9 november 1991.

K.B. 1 maart 2002 tot oprichting van een Centrum voor voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, BS 1 maart 2002.

K.B. 12 november 2009 tot oprichting van een gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, BS 18 november 2009.

Besluit van de Vlaamse Regering 4 april 1990 tot coördinatie van de decreten inzake bijzondere jeugdbijstand, BS 8 mei 1990.

Besluit van 16 januari 2009 van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand, BS 31 maart 2009.

Besluit van de Vlaamse Regering 21 mei 2010 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 tot uitvoering van het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand en het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003, BS 18 juni 2010.

Besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de Integrale Jeugdhulp, BS 1 maart 2014.

Ministeriële Omzendbrief 14 oktober 1994 betreffende de gerechtelijke jeugdbijstand voor minderjarigen in een problematische opvoedingssituatie, BS 4 februari 1995.

Ministeriële omzendbrief nr. 1/2006 betreffende de wetten van 15 mei 2006 en 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, BS 29 september 2006.

Ministeriële omzendbrief nr. 1/2007 betreffende de wetten van 15 mei 2006 en 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, BS 8 maart 2007.

Ontwerp van wet van 19 maart 1958 op de bescherming van minderjarigen, Parl.St. Kamer 1957- 1958, nr. 885-1.

Ontwerp van wet betreffende jeugdbescherming, Parl.St. Senaat 1964-65, nr. 153.

Ontwerp van bijzondere wet tot hervorming der instellingen, Parl.St. Kamer 1979-1980, nr. 627-10.

Wetsontwerp 29 november 2004 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, Parl.St. Kamer, nr. 51-1467/001, 17.

Voorstel tot wet van 22 juni 1960 op de jeugdbescherming, Parl.St. Kamer 1959-1960, nr. 567-1.

Wetsvoorstel tot invoering van een artikel 37bis in de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, Parl.St. Kamer 1992-93, nr. 48 699/4.

Voorontwerp van Wet van de Minister van Justitie Marc Verwilghen houdende antwoord op delinquent gedrag door minderjarigen, Parl.St. Kamer 2001-02, nr. 1964; bijlage bij TJK 2001, afl. 4.

Memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2004-05, nr. 51 1467/001.

Toelichting bij het Voorstel van bijzondere wet met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 2232/1, 54-56.

Inleidende uiteenzetting bij het wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd van minister van Justitie L. Onkelinx, Parl.St. 51/1467/012.

Kadernota betreffende de hervorming van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming van minister van Justitie L. Onkelinx, goedgekeurd in de ministerraad van de federale regering op 13 februari 2004, 14 p.

Samenwerkingsakkoord 13 december 2006 betreffende de organisatie en de financiering van het herstelrechtelijk aanbod (goedgekeurd bij wet 10 mei 2007) BS 13 Juli 2007.

Advies van de Raad van State, nr. 37.536/VR/2/V, Parl. St. Kamer, nr. 51-1467/001, 83-84.

Advies Raad van State 28 januari 2013, nr. 52.585/2, Parl.St. Kamer 2012-13, nr. 53-2712/1, 49.

 

 

Rechtspraak:

EHRM 29 februari 1988, Bouamar, Série A, nr. 129, J.L.M.B. 1988, 457, noot P. MARTENS en J.L.M.B. 2000, 14, noot P. HENRY.

Arbitragehof 30 juni 1988, nr. 66/88, BS 21 juli 1988.

Arbitragehof 19 december 1991, nr. 40/91, BS 17 januari 1992.

Arbitragehof 15 januari 1992, nr. 2/92, BS 28 februari 1992.

Arbitragehof 21 januari 1993, nr. 4/93, BS 4 februari 1993.

Arbitragehof 17 december 2003, nr. 166/2003, TJK 2004, afl. 2, 117.

Grondwettelijk Hof 13 maart 2008, nr. 49/2008, BS 14 april 2008.

Grondwettelijk Hof 13 maart 2008, nr. 50/2008, BS 14 april 2008.

Cass. 30 juni 1958, Pas. 1958, I, 1221.

Cass. 27 juli 2002, AR P040912F.

Gent 7 februari 2000, TJK 2000, 182.

 

Rechtsleer:

Tijdschriften: 

BALCAEN, L., ”De nieuwe jeugdwet: de grote sprong voorwaarts voor het herstelrecht?”, Suggnomè, Nieuwsbrief 2007, 3-4.

BECQ, S., “Het juridisch statuut van de pleegouders”, RW 1980-1981, 2038.

BOUVERNE, M., DE BIE, M. en ROOSE, R., “Over ouderstage, of: de maatschappelijke logica van een jeugdbeschermingssysteem”, Panopticon 2005, afl. 1, 42.

BOUVERNE, M. en DE BIE, M., “Moeten we de jeugdbescherming niet serieus nemen?”, Panopticon 2006, 4.

BRADT, L., VETTENBURG, V. en ROOSE, R., “Relevante derden binnen herstelbemiddeling en herstelgericht groepsoverleg: ondersteuning of instrumentalisering”, Panopticon 2007, afl. 1, 17.

BROUWERS, B., “Jeugdsanctierecht in Europa: is uithandengeving een evidentie?”, Jura Falconis 2007-2008, afl. 1, 3-38.

BULLENS, F., “Herstel en bemiddeling: spreken is goud?”, De orde van de dag 2003, afl. 22, 7.

CAPPON, L. en VANDER LAENEN, F. “Minderjarigen met een psychiatrische problematiek op de jeugdrechtbank: Hoe beslissen jeugdrechters?”, TJK 2010, afl. 4, 218- 225.

CARTUYVELS, Y., “Jeugdrecht in België: Wat is er veranderd?”, De orde van de dag 2000, afl. 11, oktober 2000, 11p.

CARTUYVELS, Y., “De grote etappes in het Belgische jeugdrecht: continuïteit, circulariteit of breuk?”, TJK 2001, afl. 4, 132- 157.

CHRISTIAENS, J., “De jeugddelinquent en zijn bescherming; Een historisch perspectief”, De orde van de dag 2000, afl. 11, 2000, 67.

CHRISTIAENS, J., “De hervorming van de Belgische jeugdbescherming: à la recherche du modèle perdu”, Panopticon 2005, afl. 1, 1- 14.

CHRISTIAENS, J., “De banalisering van de opsluiting van jongeren”, Panopticon 2010, afl. 1, 1-4.

CHRISTIAENS, J. en DUMORTIER, E., “Wanneer de nood het hoogst is, is de gevangenis nabij: over de afschaffing van artikel 53 en de invoering van de jeugdgevangenis”, TJK 2002, afl. 2, 1- 5.

CHRISTIAENS, J. en DUMORTIER, E., “Gemeenschapsdienst voor minderjarigen”, NJW 2004, afl. 57, 76.

CHRISTIAENS, J. en DUMORTIER, E., “De aanpak van jeugddelinquenten in tijden van onveiligheid”, De orde van de dag 2006, afl. 36, 7-13.

DANCKAERTS, J., “Reflecties vanuit de praktijk van een jeugdrechter”, De orde van de dag 2006, afl. 36, 35-40.

DE BOCK, G., “Beschouwingen naar aanleiding van de nieuwe wet op de jeugdbescherming”, RW 1965- 1966, 225- 236.

DECLERCQ, R., “L’interprétation des articles 13 à 16 de la loi de 15 mai 1912 relatifs à la compétence du juge des enfants”, Ann. Dr., 1951, afl. 135, 141-149.

DECOCK, G., “Bescherming ‘à la française’: reflecties op de kadernota Onkelinx”, TJK 2004, afl. 2, 70.

DECOCK, G., “De nieuwe Wet op de Jeugdbescherming: elk wat wils?”, TJK 2006, afl. 4, 271-272.

DECOCK, G., “Het verbintenissenproject in de nieuwe Jeugdwet” (noot onder Antwerpen 15 november 2007), TJK 2009, 63.

DECOCK G., en DE WINTER, J., “De strafrechtelijke bescherming van minderjarigen: de bescherming nog niet voorbij”, TJK 2001, afl. 2, 58- 61.

DECOCK, G., en DE WINTER, J., “De jeugdbeschermingswetten van 2006: continuïteit of keerpunt?”, NC 2007, 7;

DEFRANCQ, R., VAN RUMST, S., en DECOCK, G., “De Jeugdwet heeft de grondwettelijke toets doorstaan”, TJK 2008, afl. 3- 4, 243- 250.

DEKLERCK, J., “Sluimerende perspectieven in de nieuwe jeugdwet?” Panopticon 2007, 30-31.

DEKOSTER, M., “Jongeren en criminaliteit; Een lange geschiedenis van de Middeleeuwen tot heden”,Tijdschrift voor de Criminologie 2010, afl. 3, 312.

DE MARTELAERE, G. en PEETERS, J., “Een experiment van alternatieve maatregelen aan de jeugdrechtbank te Mechelen”, Panopticon 1985, 34- 44.

DE RUYVER, B., “Alternatieve straffen: zijn er grenzen aan de creativiteit?”, Excerpta Criminologica 1993, 6.

DE SMET, B., “Het wetsontwerp-Onkelinx van 14 juli 2005. Kleine stappen in de richting van een jeugdsanctierecht”, RW 2005-06, afl. 11, 414-418.

DE SMET, B., “Het nieuwe jeugdrecht gewikt en gewogen door het Grondwettelijk Hof”, RW 2008-09, 132.

DE SMET, B, “De strafprocedure voor minderjarigen na de wetten van 15 mei 2006 en 13 juni 2006: Jeugdbeschermingsrecht met een vleugje jeugdsanctierecht”, RW 2006-07, afl. 8, 342-368.

DE SMET, B., “Leerprojecten voor minderjarigen”, OSS 2009, afl. 61, 6.

DE SMET, B., “Plaatsen van minderjarigen in een instelling”, OSS 2010, afl. 65, 3.

DE SMET, B., “Weigering van ouders om in te gaan op oproepingen van de jeugdrechter”, OSS 2010,  afl. 63, 125-126.

DEWAELE, G., en VANDAMME, W., “Naar een herstelrechtelijk jeugdsanctierecht in België.”, Panopticon 1999,161-164.

DEWEERDT, K. en PUT, J., “Veertig jaar jeugdbeschermingsrecht. Overzicht van rechtspraak: 1965- 2004”, NJW 2004, 826-843.

DE WREE, E., DE HERT, S., WOUTERS, G. en VAN HECKE, A., “Leerprojecten voor jongeren. Wat leren we zelf uit ons leerproject”, Panopticon 2011, 1- 9.

DUMORTIER, E., “Over het herstel (van het) recht voor kinderen”, Panopticon 2001, 505.

DUMORTIER, E., “De strijd om de jeugddelinquent”, Panopticon 2007, afl. 6, 1-4.

DUMORTIER, E. en BROLET, C., “Waarheen met het jeugdbeschermingsrecht? Over de (gevreesde) repressieve pendelbeweging en een fundamentele hervorming van de jeugdbescherming”, TJK 2003, afl. 3, 149-160.

DUMORTIER, E. en CHRISTIAENS, J., “De nieuwe Wet op de jeugdbescherming. Krijtlijnen van een ambigue hervorming”, TJK 2006, afl. 4, 273-280.

ELIAERTS, C., “Het ‘nieuwe realisme’ in het strafrecht en de criminele politiek”, Panopticon 1984, afl. 5, 1-9.

GEUDENS, H., “Reactie op kadernota van minister L. Onkelinx betreffende de hervorming van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming”, TJK 2004, afl.2, 72- 74.

GEUDENS, H., SCHELKENS W. en WALGRAVE, L., “A la recherche d’un droit sanctionnel restaurateur”, J.D.J. 1998, afl. 173, 4-7.

GEUDENS, H. en WALGRAVE, L., “De toepassing van de gemeenschapsdienst door de Belgische jeugdrechtbanken”, Panopticon, 1996, afl. 17, 499-520.

GEUDENS, H. en WALGRAVE, L., “Naar een herstelrechtelijke jeugdsanctierecht”, Panopticon 1999, 155.

GOEDSEELS, E., “Context van de nieuwe jeugdwet. Naar een toepassing van de nieuwe wet in de diverse gerechtelijke arrondissementen in Noord en Zuid”, Panopticon 2007, 24.

GOEDSEELS, E. en GILBERT, E., “Onderzoek naar de beslissingspraktijk van Belgische jeugdrechters”, TJK 2013, afl. 4, 343- 357.

GOEDSEELS, E., VANNESTE, C. en DETRY, I., “Gerechtelijke statistieken inzake jeugddelinquentie en jeugdbescherming: een (grote) stap vooruit”, Panopticon 2005, afl. 1, 56-69.

HANSON, K., “Over de uithandengeving (nog maar eens)”, TJK 2005, afl. 2, 54-58.

JANSSENS, F., “Pleidooi voor een herstelrechtelijk jeugdsanctierecht”, De orde van de Dag, 2000, afl. 11, 35-38.

JASPART, A., en VAN PRAET, S., “Les ‘parents démissionnaires’: Construction et déconstruction d’un concept au flou caractérisé”, JDJ 2009, 35.

KOOLS, L., “Geen nieuwe wijn in nieuwe vaten. Over de vernieuwde Wet op de jeugdbescherming”, De orde van de dag 2006, afl. 36, 19-21.

MAES, C., “Nog maar eens: Jeugdbescherming tegen wat zich verschuilt onder nieuwe benamingen”, TJK 2003, afl. 2, 57-67.

MATTIJS, J., “De civielrechtelijke bepalingen betreffende de minderjarigen in de nieuwe wet op de jeugdbescherming”, T.P.R. 1965, afl. 3, 315-316.

NAGELS, C., “De jongere, de delinquent en de sociale reactie op jeugddelinquentie”, De orde van de dag 2006, afl. 36, 29-33.

NUYTIENS, A., “De uithandengeving (art. 38 WJB): toepassing door de jeugdrechtbank”, Panopticon 2006, afl. 1, 77-80.

NUYTIENS, A., “Over mythes en ‘urban legends’: media en politici over (de aanpak van) ernstige jeugddelinquentie”, De orde van de dag 2006, afl. 36, 23-27.

NUYTIENS, A., “Rien ne va plus! Een kritische reflectie op de onverwachte (en ondoordachte?) facelift van de uithandengeving”, TJK 2006, afl. 4, 281-290.

PETERS, T., “Probleemoplossing en herstel als functies van de straf”, Panopticon 1996, 565.

PUT, J., “Het Grondwettelijk Hof over de nieuwe Jeugdwet”, Panopticon 2008, afl. 6, 55-57.

PUT, J. en DEWEERDT, K., “Het ‘Everbergarrest’. Het doel heiligt deoverwegingen?”, TJK 2004, afl. 2, 117-125.

PUT, J., en ROM, M., “Toetsing van de nieuwe Jeugdwet aan het internationaalrechtelijk kader”, Panopticon 2007, afl. 6, 60.

RACINE, A., “Bilan du tribunal pour enfants”, Rev. dr. pen. crim. 1936, 79-86.

SENAEVE, P., “De gevolgen van de verlaging van de burgerlijke meerderjarigheid voor de jeugdbeschermingsmaatregelen t.a.v. delinquente jongeren. Een mini-hervorming van de wet op de jeugdbescherming”, RW 1992-93, 981-985.

SMETS, J., “Het voorontwerp Gol betreffende de jeugdbescherming”, Panopticon 1984, 213-229.

SMETS, J., “Alternatieve sancties voor minderjarigen. Een theoretische situering”, Panopticon 1985, 526-537.

SMETS, J., “De Raad van State en de bevoegdheidsverdeling inzake jeugdbescherming”, Panopticon 1985, afl. 2, 176- 184.

SMETS, J. en CAPPELAERE, G., “De gerechtelijke jeugdbescherming na de wet van 2 februari 1994”, Panopticon 1995, 274-309 en 369-392. 105

SMETS, S. en  PUT, J., “Rechtspraak in het jeugdbeschermingsrecht: een juridisch- empirische analyse”, TJK 2014, 4.

VAN DER LAAN, P., “Experimenteren met alternatieve sancties voor jeugdigen”, Kind en adolescentie 1992, afl. 13, 36- 38.

VANDROMME, S., “En iedereen gaf elkaar de hand… de introductie van de herstelbemiddeling in het Wetboek van Strafvordering”, RW 2005-06, 1361-1370.

VAN EYLEN, L., “Hervorming jeugdrecht blijft dode letter”, De juristenkrant 2003, 1.

VANFRAECHEM, I. en WALGRAEVE, L., “Herstelgericht groepsoverleg voor jonge delinquenten in Vlaanderen. Verslag van een actie onderzoek”, Panopticon 2004, afl. 6, 27-46.

VAN GARSSE, L., “Op zoek naar herstelrecht: overweging na jaren bemiddelingswerk”, Panopticon 2001, 424- 425.

VAN HEULE, F., “De nieuwe wet op de jeugdbescherming”, RW 1967, 1635.

VANNESTE, F., “Het gezag van het strafrechtelijke gewijsde en het vermoeden van onschuld”, noot onder Cass. 22 januari 2004, RW 2005-06, 498.

VAN RUMST, S., “Herstelbemiddeling in de nieuwe Wet op de Jeugdbescherming. De wettelijke verankering van een pretoriaanse praktijk”, TJK 2006, afl. 4, 291-301.

VAN STEENKISTE, P. en ELIAERTS, C., “De wet van 2 februari 1994 betreffende jeugdbescherming. De moeizame geboorte van een nieuw jeugdrecht.”, RW 1994, 209.

VERHELLEN, E., “De herziening van de jeugdbeschermingswet mini, medium...en maxi?”, Panopticon 1995, 1-6.

VERHELLEN, E., “Het Verdrag inzake de rechten van het kind meerderjarig. Enkele beschouwingen over de implementatie in België”, TJK 2008, afl. 1, 11-40.

WALGRAVE, L., “La protection de la jeunesse. La recherche d’une raltion de confiance”, Rev.dr.pén.crim. 1973, alf. 10, 918-922.

WALGRAVE, L., “Herstelrecht en strafrecht; Duet of duel?”, Justitiële verkenningen 2007, 98 – 101.

WITTEBROOD, K. en NIEUWBEERTA, P., “Een kwart eeuw stijging in geregistreerde criminaliteit. Vooral meer registratie, nauwelijks meer criminaliteit”, TvC 2006, 227-242.

X., “Jeugdrecht grondig gewijzigd: samenvatting van de nieuwe wetgeving”, De orde van de dag 2006, afl. 36, 15-18. 

Boeken:

AERTSEN, I., “Herstelrechtelijke beweging. Achtergronden en regelgeving”, in L. KOOLS (ed.), Bemiddeling en herstel in de strafrechtsbedeling, Brugge, Die Keure, 2006, 6p.

BALLET, D., “De minderjarige en het strafrecht: een poging tot verheldering van zijn strafrechtelijke positie” in C. ELIAERTS, J. GERLO en E. VERHELLEN, Van jeugdbeschermingsrecht naar jeugdrecht?, Antwerpen, Kluwer, 1990, 157p.

BALTHAZAR, T., Jongeren en criminaliteit in Update in de criminologie 1, Mechelen, Kluwer, 2003, 260p.

BECCARIA, C., “Over misdaden en straffen”, in C. VAN DEN WYNGAERT, Strafrecht, Strafprocesrecht en Internationaal strafrecht, Antwerpen- Apeldoorn, Maklu, 2006, 10.

BERGHMANS, M., “Verantwoordelijkheid”, in G. DECOCK en J. PUT, Jeugdsanctierecht gewikt en gewogen; toetsing van beleid en praktijk aan de principes van het jeugdsanctierecht, Gent, Larcier, 2012, 29p.

BOUCKAERT, B., HEBBERECHT, P., VANDEBOSSCHE, D. en VAN DUN, F., liber amicorum Willy Calewaert; recht en criminaliteit, Antwerpen, Kluwer, 1984, 264p.

BRADT, L.,  RYNAERT, D. en BOUVERNE- DE BIE, M., “Herstelrecht in het licht van kinderrechten: een pedagogische benadering”, in E. CLAES, J. DEKLERCK, A. MARCHAL en J. PUT (eds.), Herstel en jeugd: nu in het (r)echt, Brugge, Die Keure, 2007, 63-66.

BURSSENS, D., DE GROOF, S., en HUYSMANS, H., Jeugdonderzoek belicht: Voorlopig syntheserapport van wetenschappelijk onderzoek naar Vlaamse kinderen en jongeren (2000-2004), Gent, Jeugdonderzoeksplatform, 2004, 209p.

CALUWE, N., De procesbekwaamheid van minderjarigen, Universitaire Instelling Antwerpen, Centrum voor beroepsvolmaking in de rechten, 341p.

CALUWE, N., “De gewijzigde positie van het openbaar ministerie” in J. PUT en M. ROM (eds.), Het nieuw Jeugdrecht, Gent, Larcier, 2007, 254p.

CHRISTIAENS, J., De geboorte van de jeugddelinquent in Criminologische Studies, Brussel, VUB Press, 1999, 430p.

CHRISTIAENS, J., “een alternatief voor het alternatief”, in C. ELIAERTS (red), Constructief sanctioneren van jeugddelinquenten, een commentaar bij vijf jaar werking BAS!, Brussel, VUB Press, 2002, 12.

CHRISTIAENSEN, S., Tussen klassieke en moderne criminele politiek. Leven en beleid van Jules Lejeune, Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2004, 124p.

CLAES, E. en PUT, J., “Een grondslagendebat”, in E. CLAES, J. DEKLERCK, A. MARCHAL en J. PUT (eds.), Herstel en jeugd: nu in het (r)echt, Brugge, Die Keure, 2007, 15p.

CLAES, E. en VANDROOGENBROECK, B., “Responsabilisering, macht en herstelrecht voor minderjarigen”, in E. CLAES, J. DEKLERCK, A. MARCHAL en J. PUT (eds.), Herstel en jeugd: nu in het (r)echt, Brugge, Die Keure, 2007, 12- 15 en 88.

DECLERCK. R., “Bevoegdheid, Algemeen”, in Commentaar strafrecht en strafvordering, Antwerpen, Kluwer, 1998, 10p.

DECOCK, G., “Gemeenschapsdienst en leerprojecten” in J. PUT en M. ROM (eds), Het Nieuwe Jeugdrecht, Gent, Larcier, 2007, 149.

DECOCK, G., Beschermen, straffen, herstellen: twintig jaar nadenken over het sanctioneren van jongeren, Gent, Larcier, 2011, 1p.

DECOCK, G., “Rechtswaarborgen”, in G. DECOCK en J. PUT, Jeugdsanctierecht gewikt en gewogen; Toetsing van beleid en praktijk aan de principes van het jeugdsanctierecht, Gent, Larcier, 2012, 37p.

DECOCK, G. en PUT, J., Jeugdsanctierecht gewikt en gewogen; Toetsing van beleid en praktijk aan de principes van het jeugdsanctierecht, Gent, Larcier, 2012, 115p.

DECOCK, G. en VANSTEENKISTE, P., Naar een jeugdsanctierecht, Gent, Mys & Breesh, 1995, 40p.

DECOCK, G. en VANSTEENKISTE, P., Herstel of sanctie: naar een jeugdsanctierecht met de integrale rapporten van Cornelis en Walgrave, Gent, Mys & Breesch, 1999, 326p.

DEFRANCQ, R. (ed.), Actualisatie Jeugdbescherming-Bijzondere Jeugbijstand, Gent, Centrum voor de rechten van het Kind, 104p.

DEKLERCK, J., FRANSSENS, M. en PUT J., Het beleid van de jeugdmagistraat, Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2010, 352p.

DE RUYVER, B., De strafrechtelijke politiek gevoerd onder de socialistische ministers van Justitie E. Vandervelde, P. Vermeylen en A. Vranckx, Antwerpen, Kluwer, 1988, 346p.

DE RUYVER, B., Grondige studie Strafrechtelijk Beleid, UGent, onuitg., 2013-2014.

DE SMET, B., Jeugdbeschermingsrecht in kort bestek in Recht in kort bestek 5, Antwerpen, Intersentia, 2005, 435p.

DE SMET, B., Verantwoordelijkheid en recht, Mechelen, Kluwer, 2008, 196p.

DE SMET, B., “Herziening van maatregelen van jeugdbescherming”, in Commentaar strafrecht en strafvordering, Mechelen, Kluwer, 2010, 131p.

DE SMET, B., Jeugdbeschermingsrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Intersentia, 2010, 415p.

D’HONDT, S., “Nieuwe en vernieuwde maatregelen: overzicht en algemene kenmerken”, in J. PUT en M. ROM (eds.), Het nieuw Jeugdrecht, Gent, Larcier, 2007, 48.

DUMORTIER, E., “BAS! En de rechten van jeugddelinquenten” in C. ELIAERTS (red.), Constructief sanctioneren van jeugddelinquenten, Brussel, VUB Press, 2002, 235p.

DUMORTIER, E., De jeugdrechter in twijfel. Onderzoek naar het ontstaan en de praktijk van de kinderrechter, Brussel, VUB Press, 2006, 85p.

DUMORTIER, E. en CHRISTIAENS, J., “De hervorming van de jeugdbescherming: tussen pendel en schijnbeweging?”, in R. DEFRANCQ (ed.), Actualisatie Jeugdbescherming- Bijzondere Jeugdbijstand, Gent, Centrum voor de rechten van het Kind, 2005, 10p.

ELIAERTS, C., “Zalven of slaan?” Het eeuwige pendelen tussen hulp en straf in de jeugdbescherming” in C. LIS en H. SOLY (eds.), Tussen dader en slachtoffer: Jongeren en criminaliteit in historisch perspectief, Brussel, VUB Press, 2001, 371p.

ELIAERTS, C., Constructief sanctioneren van jeugddelinquenten. Een commentaar bij vijf jaar werking van BAS!, Brussel, VUB Press, 2002, 293 p.

ELIAERTS, C., Jongeren en Recht, Antwerpen, Intersentia, 2003, 150p.

ELIAERTS, C., Ernstige jeugddelinquentie: mythe of realiteit? , VUB Press, 2006, 14-16.

ELIAERTS, C., Jeugdcriminologie: achtergronden van jeugdcriminaliteit, Den Haag, Boom: juridische uitgevers, 2011, 13-22.

 

ELIAERTS, C., en BITOUNE, R., “Herstelrecht voor minderjarigen. Theorie en praktijk.” in L. DUPONT en F. HUTSEBAUT (eds.), Herstelrecht tussen toekomst en verleden, Liber Amicorum Tony Peters, Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2001, 227 -231.

 

GARSSE, L., “Herstel in de schaduw van het jeugdstrafrecht? Reflecties op een revisionistische benadering. Respons op Weijers” in E. CLAES, J. DEKLERCK, A. MARCHAL en J. PUT (eds.), Herstel en jeugd: nu in het (r)echt, Brugge, Die Keure, 2007, 127-140.

 

GAZAN, F., DE CRAIM, C. en TRAETS, E. (eds.), Jeugddelinquentie: op zoek naar passende antwoorden, Antwerpen, Maklu, 2010, 27p.          GEUDENS, H., SCHELKENS, W. en WALGRAVE, L., “Op zoek naar een herstelrechtelijk jeugdsanctierecht in België. Een denkoefening.”, in G. DECOCK en P. VANSTEENKISTE (eds.), Herstel of sanctie. Naar een jeugdsanctierecht, Gent, Mys & Breesh, 1999, 41-101.    

GEUDENS, H., “Complementariteit herstel, welzijn, justitie.”, in G. DECOCK en J. PUT, Jeugdsanctierecht gewikt en gewogen toetsing van beleid en praktijk aan de principes van het jeugdsanctierecht, Gent, Larcier, 2012, 85- 98.

GOEDSEELS, E., “Constructief sanctioneren met maximale kansen voor een herstelrechtelijk aanbod”, in G. DECOCK en J. PUT, Jeugdsanctierecht gewikt en gewogen; toetsing van beleid en praktijk aan de principes van het jeugdsanctierecht, Gent, Larcier, 2012, 55- 84.

GOEDSEELS, E., en WALGRAVE, L., “Herstelrecht voor jongeren” in P. GORIS en L. WALGRAVE, Van kattenkwaad en erger, Leuven, Garant, 2002, 175.

HENDERICKX, K., “Plaatsing in de gemeenschapsinstellingen en in de Grubbe te Everberg” in J. PUT en M. ROM (eds.), Het nieuwe Jeugdrecht, Gent, Larcier, 2007, 95-109.

LAUWAERT, K., Herstelrecht en procedurele waarborgen, Apeldoorn-Antwerpen, Maklu, 2009, 397p.

LIS, C. en SOLY, H., Tussen dader en slachtoffer; Jongeren en criminaliteit in historisch perspectief, Brussel, VUBPRES, 2001, 397p.

MEIJER, W. en VAN CROMBRUGGE, H., Pedagogiek en traditie, opvoeding en religie, Tielt, Lannoo, 2004, 17-18.

 

MERLEVEDE, S. en VANDER LAENEN, F., “Hulpverleningstrajecten van minderjarigen in jeugdrechtbankcontext”, in L. PAUWELS en G. VERMEULEN (eds.), Actuele ontwikkelingen inzake EU- justitiebeleid, cannabisbeleid, misdaad en straf, jongeren en jeugdzorg, internationale vrede, veiligheid en gerechtigheid, gewelddadig extremisme en private veiligheid en zelfregulering, Maklu, Gent,  2014, 265- 267.

NUYTIENS, A. , CHRISTIAENS, J. en ELIAERTS, C., Ernstige jeugddelinquenten gestraft? Praktijk van de uithandengeving, Gent, Academia Press, 2005, 322p.

ONKELINX, L., “Ontstaansgeschiedenis, krachtlijnen en beginselen van de nieuwe Jeugdwet” in J. PUT en M. ROM (eds.), Het nieuwe Jeugdrecht, Gent, Larcier, 2007, 9p.

PEETERS, J., Antisociale jongeren, Antwerpen, Garant, 2003,18.

PUT, J., “Het nieuwe Jeugdrecht: Een terugblik op de toekomst” in J. PUT en M. ROM, Het nieuwe Jeugdrecht, Larcier, Gent, 2007, 2p.

PUT, J., Handboek Jeugdbeschermingsrecht, Brugge, Die Keure, 2010, 592 p.

PUT, J. “De dialectiek van het jeugdrecht: beleid, praktijk en wetenschap. Synthese van het colloquium “Jeugddelinquentie: op zoek naar passende antwoorden”, in F. GAZAN, C. DE CRAIM en E. TRAETS, Jeugddelinquentie: op zoek naar passende antwoorden, Antwerpen, Maklu, 2010, 210- 240.

PUT, J. “Plaats en voorwaarden van opsluiting in het jeugdsanctierecht, in G. DECOCK en J. PUT, Jeugdsanctierecht gewikt en gewogen; toetsing van beleid en praktijk aan de principes van het jeugdsanctierecht, Gent, Larcier, 2012, 99- 115.

PUT, J. en ROM, M., Het nieuwe jeugdrecht, Gent, Larcier, 2007, 325p.

SENAEVE, P., Compendium van het Jeugdbeschermingsrecht, Leuven, Acco, 1998, 191p.

SENAEVE, P., PEETERS, J., en DECOCK, G., De hervorming van het jeugdbeschermingsrecht; commentaar op de wet van 2 februari 1994 en de gecoördineerde decreten van 4 april 1990, Leuven, Acco, 1994, 256p.

SMETS, J., Jeugdbeschermingsrecht in Algemene Praktische Rechtsverzameling (APR), Deurne, Kluwer, 1996, 821p.

ROOSE, R., Bijzondere jeugdzorg als opvoeder, Gent, Academia Press, 2006, 249-250.

TULKENS, F. en MOREAU, T., Droit de la jeunesse, Brussel, Larcier, 2000, 1143p.

TULKENS, F. en VAN DE KERCKHOVE, M., Introduction au droit pénal, Brussel, Story-Scientia, 1999, 669p.

VANDENBROECK, M. en VANFRAECHEM, I., “Bemiddeling en Hergo”, in J. PUT en M. ROM (eds.), Het nieuwe Jeugdrecht, Gent, Larcier, 2007, 147p.

VAN DEN WYNGAERT, C., Strafrecht en menselijke waardigheid. Essays over de grondslagen van het strafrecht, Antwerpen 2009, Maklu, 4-31.

VAN DEN WYNGAERT, C., Strafrecht en Strafprocesrecht – in hoofdlijnen, Antwerpen-Apeldoon, Maklu, 2009, 1286p.

VAN DER MUSSELE, E., “De gewijzigde positie van de advocaat” in J. PUT en M. ROM (eds.), Het Nieuwe Jeugdrecht, Gent, Larcier, 2007, 285- 287.

VANDER STEEN, K., “De gewijzigde positie van de jeugdrechter”, in J. PUT en M. ROM (eds.), Het nieuwe Jeugdrecht, Gent, Larcier, 2007, 265p.

VANFRAECHEM, I., Herstelgericht groepsoverleg, Brugge, die Keure, 2006, 18-20.

VANNESTE, C., en GOEDSEELS, E. en DETRY, I., De nieuwe statistiek van de jeugdparketten: een belichting van de eerste analyseresultaten vanuit verschillende invalshoeken, Gent, Academia Press, 2008, 153p.

VAN STOKKOM, B., “Steunnetwerken voor delinquente jongeren. Naar een bredere visie op ‘herstel’”, in E. CLAES, J. DEKLERCK, A. MARCHAL en J. PUT (eds.), Herstel en jeugd: nu in het (r)echt, Brugge, Die Keure, 2007, 44-46.

VAN WELZENIS, I., Jeugddelinquentie: Wat verstaan we eronder, waar komt het vandaan en wat doen we eraan?, Mechelen, Kluwer, 2003, 104p.

VERHELLEN, E., Jeugdbeschermingsrecht, Gent, Mys & Breesch, 1996, 663p.

VERHELLEN, E., Jeugdbescherming en jeugdbeschermingsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1988, 550p.

VERHELLEN, E. en CAPPELAERE, G., “Principe 1: de verantwoordelijkheid van het kind”, in G. DECOCK en P. VANSTEENKISTE (eds.), Naar een Jeugdsanctierecht, Gent, Mys & Breesch, 1995, 38p.

VERSTRAETEN, R., Handboek Strafvordering, Antwerpen-Apeldoorn, Maklu, 2007, 1193p.

WALGRAVE, L., Met het oog op herstel: bakens voor een constructief jeugdsanctierecht, Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2000, 29.

WALGRAVE, L., Restorative Justice, self-interest and responsible citizenship, Cullompton, Willan Publishing, 2008, 240p.

WEIJERS, I., “Herstel en jeugdstrafrecht – een revisionistische visie”, in E. CLAES, J. DEKLERCK, A. MARCHAL en J. PUT (eds.), Herstel en jeugd: nu in het (r)echt, Brugge, Die Keure, 2007, 123-126.

WILLEMSEN, J., DECLERQ F. en DAUTZENBERG, M., Het effect van alternatieve gerechtelijke maatregelen, Antwerpen, Maklu, 2006, 13- 14.

 

Internetsites:

Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie: http://nicc.fgov.be

 

Ondersteuningsstructuur Bijzondere Jeugdzorg: http://www.osbj.be

 

VANDEKERCKHOVE, A., Advies namens het Kinderrechtencommissariaat op het Wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, www.kinderrechten.be,Advies 2004-05/1, 11.

 

Overige:

Federale Regeringsverklaring, Parl.St. Kamer, 2003, B.Z., nr. 20/1, 69.

Commissieverslag, Parl.St. Senaat 2013-14, nr. 2232/5, 266.

X., Groenboek Zesde Staatshervorming, www.vlaanderen.be/nl/publicaties/detail/groenboek-zesde-staatshervorming, 29-39 ( p. 491-501 van de pdf-versie van het groenboek).

Regeringsverklaring van de Vlaamse Regering, Parl.St. Vl.Parl. 2014, nr. 31/1 en http://ebl.vlaanderen.be/publications/documents/607 , 9, 121.

GEUDENS, H., “Een huis in volle verbouwing. Bijzondere jeugdzorg in Vlaanderen: terugblik en toekomstbeeld.”, in het tijdschrift Weliswaar 2004, 11-13.

WAGEMANS, T., Een evaluatie van de Wetten van 15 mei 2006 en 13 juni 2006 tot wijziging van de Wet van 8 april 1965 met betrekking tot het jeugdrecht. Het nieuwe jeugdrecht: blijft de rechter op het juiste pad?, onuitgeg., Masterproef neergelegd tot het behalen van de Master in Rechtsgeleerdheid, Universiteit Gent, 2011-2012, 138p.

COOLS, S., “Geplaatste jongeren komen verkeerd terecht”, De Standaard, 16 december 2013, www.destandaard.be

VERHOEST, F., “Berecht minderjarige daders niet als volwassenen”, De Standaard, 18 december 2013, www.destandaard.be

MEULEMAN, E., “Therapie jonge criminelen op lange baan geschoven”, De Standaard, 13 januari 2014, www.destandaard.be

BEEL, V., “Leeftijdsgrens jonge criminelen altijd geforceerd”, De Standaard, 1 april 2014, www.destandaard.be

VANHECKE, N., “Jeugdhulp hoort niet in de cel”, De Standaard, 3 oktober 2014, www.destandaard.be

DELEPELEIRE, Y., “Rechter plaatst weer meisje in psychiatrie volwassenen”, De Standaard, 5 maart 2015, www.destandaard.be

VANHECKE, N., “Kinderpsychiatrie dumpt meisje bij Justitiepaleis”, De Standaard, 17 maart 2015, www.destandaard.be

VANHECKE, N., “Gloednieuwe jeugdinstelling”, De Standaard, 18 maart 2015, www.destandaard.be

ECKERT, M., “Psychiaters wisten dat 17- jarig meisje nergens terechtkon”, De Standaard, 19 maart 2015, www.destandaard.be

Universiteit of Hogeschool
Master of Laws
Publicatiejaar
2015
Kernwoorden
Share this on: