CIRCULAIRE AMBITIES, JURIDISCHE GRENZEN? EEN ANALYSE VAN DE NIEUWE BATTERIJENVERORDENING
Batterijen zijn niet meer weg te denken uit ons dagelijks leven. Van smartphones tot elektrische wagens: de vraag naar batterijen groeit razendsnel. Toch gaat de productie van batterijen gepaard met aanzienlijke milieuproblemen: voor elke nieuwe batterij zijn zeldzame grondstoffen nodig die via mijnbouw worden gewonnen en afgedankte batterijen bevatten gevaarlijke stoffen. De overgang naar een zogenaamde circulaire economie, waarbij materialen zo lang mogelijk in omloop blijven en afval tot een minimum wordt beperkt, is dan ook een centrale doelstelling van de Europese Unie. Om die overgang te sturen, vaardigde de EU in 2023 een nieuwe Batterijenverordening uit (Verordening (EU) 2023/1542). Deze masterproef onderzoekt in welke mate die verordening daadwerkelijk bijdraagt aan een circulaire batterijwaardeketen en welke juridische en praktische drempels een effectieve uitvoering in de weg staan. Daartoe werd eerst uitvoerig in kaart gebracht wat de EU verstaat onder circulaire economie, hoe dit concept in de loop van de tijd is geëvolueerd en welke juridische principes eruit voortvloeien. Op basis van wetenschappelijke literatuur en EU-beleidsdocumenten werden negen kernelementen van circulariteit omgezet naar concrete juridische toetsingscriteria. Vervolgens werd de Batterijenverordening aan deze criteria getoetst. De conclusie is genuanceerd. De verordening vormt onmiskenbaar een stap vooruit: de verschuiving van een richtlijn naar een rechtstreeks toepasselijke verordening, de introductie van het batterijpaspoort, de verruiming van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid naar industriële batterijen en elektrische voertuigen en de invoering van strikte recycling- en terugwinningsdoelstellingen zijn substantiële verbeteringen. Dit beeld werd bevestigd door verkennende interviews met Umicore (een batterijrecycler) en Bebat (een OPV), die de ambities van de verordening principieel ondersteunen. Toch vertoont de verordening ook belangrijke juridische tekortkomingen. Ten eerste worden enkele belangrijke eisen, zoals concrete prestatienormen en maximale koolstofvoetafdrukken, pas later uitgewerkt via uitvoeringsregelgeving. Daardoor weten bedrijven nog niet altijd precies waaraan zij zullen moeten voldoen. Bovendien bestaat het risico dat de circulaire ambitie van de verordening later wordt afgezwakt, afhankelijk van hoe streng die uitvoeringsregels uiteindelijk worden ingevuld. Ten tweede vallen batterijen voor elektrische voertuigen, nochtans de grootste en meest impactvolle categorie, niet onder de verplichting om batterijen verwijderbaar en vervangbaar te maken. Ten derde maakt de verordening hergebruik en herfabricage mogelijk, maar geeft zij deze opties geen juridische voorrang op recyclage. Dat wringt met het uitgangspunt dat producten en materialen zo lang mogelijk op hun hoogste waarde moeten worden behouden. Ten slotte ontbreekt een geharmoniseerd handhavingskader. Lidstaten mogen zelf bepalen welke sancties zij opleggen, waardoor het risico bestaat dat de verordening niet overal in de EU even streng wordt toegepast. Op basis van deze bevindingen worden concrete juridische verbeteringsvoorstellen geformuleerd: het opnemen van minimale materiële drempels in de verordening zelf, de uitbreiding van ontwerpverplichtingen naar EVbatterijen, de invoering van financiële prikkels voor waardebehoudende strategieën en een bindend coördinatiemechanisme met aanverwante EU-wetgeving. Dit onderzoek toont aan dat de Batterijenverordening een ambitieus maar juridisch onvolledig instrument is. De circulaire ambitie is reëel, maar de juridische uitwerking schiet op meerdere punten tekort om die ambitie volledig te verzilveren.
Meer lezen