Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

DE RECHTSVORDERING VAN RECHTSPERSONEN TER VERDEDIGING VAN ALGEMENE BELANGEN Aan poten en hoeven gebonden? De rechtsvordering van verenigingen ter verdediging van dierenwelzijn: een kritische toetsing

Vrije Universiteit Brussel
2025
Astrid
Pepermans
De mogelijkheid voor verenigingen om in rechte op te treden ter verdediging van algemene belangen – dat wil zeggen belangen die verband houden met hun statutair doel – vormt al jarenlang een bron van juridische en maatschappelijke discussie. Het vraagstuk werd recent opnieuw op scherp gesteld door het arrest van het Belgische Hof van Cassatie van 11 juni 2024, waarin de burgerlijke partijstelling van vzw Animal Rights onontvankelijk werd verklaard wegens een gebrek aan eigen belang in de zin van artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek. De vzw had zich, naar aanleiding van ernstige schendingen van dierenwelzijnswetgeving, burgerlijke partij gesteld in een strafprocedure tegen een slachthuis en diens zaakvoerder. Hoewel het Gentse Hof van beroep het jaar voordien nog had geoordeeld dat de vzw een eigen belang kon aantonen op basis van haar statutair doel, kwam het Hof van Cassatie tot een tegengestelde conclusie.

De vraag of, en onder welke voorwaarden, dergelijke rechtspersonen een rechtsvordering kunnen uitoefenen, raakt aan fundamentele beginselen van het procesrecht en aan de klassieke tweedeling tussen het private en publieke domein waarop het Belgisch recht steunt. Deze indeling onderscheidt enerzijds private belangen, die via de burgerlijke procedure worden verdedigd door titularissen van subjectieve rechten of hun gemachtigden, en anderzijds het publieke belang, waarvoor doorgaans het openbaar ministerie optreedt, meestal binnen het strafrecht.

Deze bijdrage beoogt een diepgaande analyse van de ontvankelijkheidsvoorwaarden die de Belgische rechtsorde hanteert voor rechtspersonen die algemene belangen in rechte willen verdedigen, met bijzondere aandacht voor dierenwelzijnsverenigingen. De uiteenzetting vertrekt dan ook vanuit de centrale onderzoeksvraag: Hoe verhoudt de invulling van het belang, de hoedanigheid en de (potentieel) geleden schade als ontvankelijkheidsvoorwaarden voor de rechtsvordering van rechtspersonen ter verdediging van de algemene belangen zich tot de behartiging van dierenwelzijn?

Al in de jaren 60 wees de koninklijk commissaris bij het ontwerp van het gerechtelijk wetboek op het ontbreken van een uitgewerkte theorie rond de rechtsvordering, met inbegrip van vorderingen ingesteld door rechtspersonen. Een eenduidige, coherente en systematische wettelijke regeling kwam er tot op heden niet. Een wisselvallige rechtsleer én rechtspraak is het gevolg.

Om de centrale onderzoeksvraag te beantwoorden, vat dit artikel aan met een verkenning van het juridisch en rechtsdogmatisch kader waarin de rechtsvordering, het belang, de hoedanigheid en de schade wordt geconceptualiseerd en geïnterpreteerd. Ook een overzicht van de historische en actuele positie van de rechtsvordering van rechtspersonen ter verdediging van algemene belangen is onontbeerlijk. Door de juridische en politieke premissen te onderzoeken waarop uiteenlopend invulling is gegeven aan de toepassingsvoorwaarden ervan, en door na te gaan hoe deze verschillende benaderingen zich tot op vandaag in de praktijk manifesteren, brengt dit artikel bestaande lacunes en begripsverwarring in kaart.

De focus wordt vervolgens, aan de hand van een veldstudie, toegespitst op de mogelijkheid voor verenigingen die milieubescherming en dierenwelzijn nastreven om als burgerlijke partij op te treden in strafzaken. Deze veldstudie, ingegeven door het arrest van 11 juni 2024, toont aan dat zelfs na de hervorming van artikel 17 Gerechtelijk Wetboek – waarmee de initiatiefnemers beoogden de juridische mist rond de rechtsvordering weg te nemen – nog steeds geen sluitende interpretatie bestaat over de ontvankelijkheidsvoorwaarden van de rechtsvordering van rechtspersonen.

Dit is niet alleen problematisch in de burgerlijke rechtspraak. Zoals de analyse in deze bijdrage aantoont, treden verenigingen ook in strafzaken op om dierenleed onder de aandacht van de rechter te brengen, met inconsistente rechtspraak als resultaat. Gezien de maatschappelijke urgentie en het toenemende draagvlak voor handhaving van dierenwelzijnswetgeving, is de nood aan een eenduidig wettelijk kader en aan rechtszekerheid des te groter. In dat opzicht overstijgt deze bijdrage de technisch-processuele discussie over ontvankelijkheid, en raakt ze ook aan fundamentelere vragen over wie er het best geplaatst is om dierenwelzijn te verdedigen in het gerecht, op welke manier dierenleed kan worden gesignaleerd, erkend en gecompenseerd, en welke belangen – vooral wanneer ze niet worden gestut door eigen subjectieve rechten – al dan niet een juridische stem verdienen.

Daarbij wordt ook stilgestaan bij de mogelijkheid van verdere wetgevende actie. Twee wetsvoorstellen van 16 september 2024 en van 11 oktober 2024 trachtten het hiaat in de toegang van dierenwelzijnsverenigingen tot de rechter op te vullen door in artikel 17 Gerechtelijk Wetboek een uitdrukkelijke rechtsvordering toe te kennen aan deze verenigingen. Dit roept de vraag op of het wenselijk is om opnieuw een bijzonder wettelijk regime in te voeren, dan wel of het tijd is om de conventionele, binaire fundamenten van de rechtsvordering in België te herzien, in het licht van belangen die vandaag nog te vaak noodgedwongen zonder juridisch klankbord blijven.
Meer lezen

Herstel boven straf: de Leuvense drugsopvolgingskamer en de nood aan uniforme wettelijke verankering

Hogeschool UCLL
2025
Sofie
Serré
Deze scriptie onderzoekt de juridische basis en structurele werking van de drugsopvolgingskamer (DOK) te Leuven, een relatief recent initiatief binnen het Belgische strafrechtsysteem dat herstelgerichte rechtspraak wil realiseren voor meerderjarige beklaagden met een ernstige verslavingsproblematiek. De DOK biedt een alternatief voor de klassieke strafvervolging waarbij gedragsverandering, maatschappelijke re-integratie en multidisciplinaire begeleiding centraal staan. De centrale onderzoeksvraag luidt: in welke mate is de huidige juridische basis van de DOK te Leuven voldoende, en is een expliciete wettelijke verankering wenselijk om de werking op een uniforme en transparante manier te garanderen?

De aanleiding voor dit onderzoek ligt in de vaststelling dat druggerelateerde criminaliteit vaak samenhangt met onderliggende problematieken zoals verslaving, sociale uitsluiting en psychische kwetsbaarheid. Klassieke bestraffingsmechanismen blijken in deze context vaak ontoereikend om recidive te voorkomen. De DOK tracht deze lacune te vullen door beklaagden de kans te bieden om, onder gerechtelijke opvolging en in samenwerking met justitieassistenten en zorgverleners, te werken aan hun herstel alvorens een definitieve veroordeling volgt.

Om de onderzoeksvraag te beantwoorden werd een kwalitatieve, multidisciplinaire methode toegepast. Het onderzoek combineert een diepgaande juridische analyse van relevante wetgeving en beleidsdocumenten met field research. Dat field research bestond uit observaties van zittingen van de Leuvense DOK en semigestructureerde interviews met rechters en parketmagistraten die betrokken zijn bij de werking van de DOK. Daarnaast werd een vergelijkende analyse gemaakt met de Gentse drugsbehandelingskamer, die al sinds 2008 operationeel is.

De onderzoeksresultaten tonen aan dat de DOK te Leuven momenteel opereert binnen een hybride juridisch kader. De wettelijke basis ligt hoofdzakelijk in artikel 190sexies van het Wetboek van Strafvordering, dat hersteltrajecten mogelijk maakt binnen het strafprocesrecht. Deze bepaling wordt in Leuven aangevuld met lokale samenwerkingsprotocollen tussen het parket, de rechtbank en hulpverleningsinstanties. Hierdoor blijft de concrete invulling grotendeels afhankelijk van lokale actoren, met als gevolg een aanzienlijke variabiliteit in aanpak, doelgroepselectie en opvolgingsstructuur tussen verschillende gerechtelijke arrondissementen.

Deze situatie creëert juridische knelpunten op het vlak van rechtszekerheid, transparantie en gelijke behandeling. De afwezigheid van een uniforme wettelijke regeling maakt de toepassing van de DOK afhankelijk van toevallige geografische factoren en de betrokkenheid van individuele actoren. De vergelijking met het model in Gent toont aan dat structurele elementen zoals vaste actoren, regelmatige zittingen en een geïntegreerde multidisciplinaire samenwerking essentieel zijn voor een effectieve werking. In Leuven belemmert het ontbreken van deze elementen de impact van het model.

Op basis van deze analyse concludeert de scriptie dat een expliciete wettelijke verankering van de DOK noodzakelijk is. Deze verankering zou moeten voorzien in duidelijke minimumnormen inzake organisatie, rechten en plichten van beklaagden, rolverdeling tussen actoren en samenwerking met de zorgsector.Tegelijkertijd moet er voldoende ruimte blijven voor lokale autonomie en contextspecifieke toepassing. Een hybride wettelijk model, ingebed in het Wetboek van Strafvordering, biedt hiervoor de meeste garanties. Enkel binnen een dergelijk rechtsstatelijk en transparant kader kan de DOK uitgroeien tot een duurzaam en gelijkwaardig alternatief binnen het Belgische strafrecht.
Meer lezen

De verruimde devolutieve werking: ook in meerpartijengeschillen?

Universiteit Gent
2024
Senne
Van Boven
Het eerste deel bevat een uiteenzetting van het hoger beroep en zijn gevolgen in het Belgisch, Frans en Nederlands procesrecht. In het tweede deel schuift de auteur een oplossing naar voor om de twee aanleggen in de burgerlijke procedure voor alle partijen - zowel eiser, als verweerder, als tussenkomende partijen - evenveel te waarborgen.
Meer lezen

Schikken en schuldig pleiten als belastingplichtige. Rechtsbescherming uit art. 6 EVRM bij het afsluiten van een minnelijke schikking of het erkennen van schuld bij het openbaar ministerie

KU Leuven
2018
Eva
Nackaerts
Deze masterscriptie onderzoekt of er voldoende rechtsbescherming aanwezig is voor de belastingplichtige verdachte die een minnelijke schikking afsluit of zijn schuld erkent bij het parket. Hierbij wordt er getoetst aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Meer lezen

De toepassing van de regelen inzake beroepsgeheim en privacybescherming bij de uitvoering van een medische expertise

Universiteit Gent
2018
Achille
Lemey
Deze scriptie handelt over de dilemma's die zich voordoen omtrent het beroepsgeheim en de privacybescherming bij de uitvoering van een medische expertise
Meer lezen

Plea bargaining in het Belgisch strafprocesrecht

Universiteit Hasselt
2016
Wouter
Maes
Toelichting van de nieuwe procedure tot voorafgaande erkenning tot schuld (VES) in België en in verhouding tot plea bargaining in het common law, meer bepaald in Engeland en Wales.
Meer lezen

De bevoegdheidsverdeling in het strafprocesrecht. Naar een defederalisering van justitie?

Universiteit Gent
2015
Jonas
Bel
Leurt de overheveling van het strafprocesrecht om de hoek?De discussie over een overheveling van justitie in het algemeen – en het strafprocesrecht in het bijzonder – was al levendig tijdens de onderhandelingen in 2010 en 2011. De politieke partijen – die later de communautaire meerderheid achter de regering-Di Rupo vormden – achtten de tijd toen nog niet rijp om een overheveling van justitie te negotiëren. Tot op vandaag is er van deze zevende staatshervorming nog niets in huis gekomen.
Meer lezen

De wijziging van de mini-instructie zoals vooropgesteld door het Justitieplan van minister Geens Gevolgen voor het ambt van de onderzoeksrechter

Hogeschool UCLL
2015
Kimberley
Leys
De verdwijning van het ambt van onderzoeksrechter?Bij het uitwerken van zijn Justitieplannen kreeg Minister van Justitie Koen Geens in 2015 de onderzoeksrechter in het vizier: om de werklast van deze rechters te verlagen, voorziet hij de verruiming van de mini-instructie, een rechtsfiguur die sedert 1998 in ons Belgisch strafprocesrecht de uitvoering van ingrijpende onderzoekshandelingen ook mogelijk maakt in het opsporingsonderzoek.[1]De evolutie van de mini-instructie, van zijn ontstaan tot zijn toekomstplannen vandaag, geeft perfect weer hoe het ambt van de onderzoeksrechter geëvolueerd is
Meer lezen

DE BETEKENIS VAN HET GESLACHT EN DE WOONPLAATS VOOR DE IDENTIFICATIE VAN DE PERSOON

Universiteit Gent
2014
Alexandra
Vanvooren
Winnaar Vlaamse Scriptieprijs
Het geslacht? De boom in! De woonplaats? De cloud in!Napoleon zou zich omdraaien in zijn graf.Exact 210 jaar geleden liet deze veelvuldig beschreven figuur de wetten van het Franse keizerrijk in boekvorm gieten. Het moet gezegd: de man had visie. Wat toen neergepend werd, bleek tijdsbestendig want twee eeuwen later gelden deze wetboeken nog in onze contreien. De tijdsgeest vandaag is echter lang niet meer wat hij oorspronkelijk was. En nog meer veranderingen staan te bonzen op de deur.
Meer lezen

Opsporing en vervolging in cyberspace

Universiteit Gent
2012
Kevin
Verhaeghe
De aanpak van cybercrime: vechten tegen de bierkaai?Onze hedendaagse maatschappij kan omschreven worden als een digitale maatschappij. Alle geledingen van onze maatschappij zijn doordrongen met informaticatechnologie. Deze digitale (r)evolutie heeft, naast een onnoemelijk aantal voordelen, echter ook een schaduwkant. De anonimiteit die het internet biedt heeft met name een aanzienlijk aantrekkingskracht op cybercriminelen. Meer en meer misdrijven beginnen een overgang te maken naar deze virtuele wereld.
Meer lezen

Staatsrechtelijke bevoegdheidsverdeling inzake justitie. Toepassing van rechtseconomische principes

Universiteit Gent
2011
Jurgen
Goossens
Naar een verantwoorde staatshbervorming inzake justitieEen efficiënte bevoegdheidsverdeling op het vlak van justitie is razend actueel in België. Het akkoord van de komende zesde staatshervorming gaat voor een deel in op gerechtelijke hervormingen, maar de hervormingen gaan helemaal niet ver genoeg en zijn niet voldoende gesteund op een grondige, wetenschappelijke efficiëntie-analyse. Hierna volgen echter beknopt de resultaten van een interessante thesis die de basis kunnen vormen voor een ultieme, justitiële staatshervorming.
Meer lezen

De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen voor ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht in het licht van de Belgische Genocidewetgeving

Odisee Hogeschool
2006
Alexis
Bossuyt
 
De Belgische Genocidewetgeving heeft zich de laatste jaren ontpopt tot een bijzonder controversieel stuk wetgeving. De strafbaarstelling van misdaden tegen het internationaal humanitair recht heeft in verschillende fasen vorm gekregen. Tot de wet van 5 augustus 2003 opteerde de Belgische wetgever voor een bijzondere strafwet, de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, ook ‘Genocidewet’ genoemd.
Meer lezen