Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Het gebruik van lentivirale partikels in CAR-T-Celtherapie.

Erasmushogeschool Brussel
2026
Tiebe
Kestelyn
Deze bachelorproef onderzoekt het gebruik van lentivirale partikels voor de productie van CD70-gerichte CAR-T-cellen. CAR-T-celtherapie is een innovatieve vorm van immuuntherapie waarbij T-cellen van een patiënt genetisch worden aangepast om kankercellen gericht te herkennen en te vernietigen. Lentivirale partikels worden hierbij gebruikt als vector voor de overdracht van het CAR-gen naar de T-cellen.

In deze studie werd een productieproces voor lentivirale partikels opgezet in HEK293SF-3F6-cellen door transfectie met vier plasmiden (CAR, Gag/Pol, VSV-G en REV). De fysieke titer van de geproduceerde lentivirale partikels werd bepaald met behulp van een HIV-1 p24-ELISA. Daarnaast werd onderzocht welke omstandigheden voor de benzonasebehandeling het meest geschikt zijn om vrij DNA af te breken, en wat het effect hiervan is op de steriele filtratie van de virusoogst.

De geproduceerde lentivirale partikels behaalden fysieke titers tussen 1,47 × 10⁹ en 2,62 × 10⁹ partikels. De benzonasebehandeling bleek onder alle geteste omstandigheden effectief voor de afbraak van residueel DNA. Bij de steriele filtratie gaf de PES-filter de hoogste opbrengst, terwijl celluloseacetaatfilters nauwelijks lentivirale partikels doorlieten. Opvallend was dat de benzonasebehandeling leidde tot een lagere opbrengst na filtratie, wat afwijkt van bevindingen uit de literatuur. De resultaten dragen bij aan de verdere optimalisatie van productieprocessen voor lentivirale vectoren binnen CAR-T-celtherapie.
Meer lezen

Van educatie tot zelfzorg: de impact van verpleegkundige ontslagvoorbereiding op herstel bij patiënten na cardiochirurgie

Thomas More Hogeschool
2026
Wouter
Notelteirs
Van educatie tot zelfzorg: de impact van verpleegkundige ontslagvoorbereiding op herstel bij patiënten na cardiochirurgie

Een cardiochirurgische ingreep is voor veel patiënten een ingrijpende gebeurtenis die gepaard gaat met een intensief en kwetsbaar herstelproces. Waar de zorg tijdens de ziekenhuisopname nauwgezet georganiseerd is, blijkt de uiteindelijke overgang van het ziekenhuis naar de thuissituatie in de praktijk vaak een kritiek moment. Patiënten kampen na de operatie niet alleen met fysieke ongemakken zoals pijn, vermoeidheid en een beperkte mobiliteit, maar worden thuis ook geconfronteerd met onzekerheid en angst. Vragen over wat veilig is qua beweging, hoe wondzorg moet worden uitgevoerd of hoe de medicatie correct moet worden ingesteld, zorgen regelmatig voor twijfels. Zonder adequate ondersteuning kan deze onzekerheid leiden tot een moeizamer herstel, problemen met therapietrouw en in het slechtste geval zelfs tot vermijdbare complicaties of ongeplande heropnames.

Om te onderzoeken hoe deze overgang beter kan worden begeleid, richtte dit Evidence-Based Nursing (EBN) onderzoek zich op de vraag welke rol verpleegkundige educatie en ontslagvoorbereiding spelen in het herstel en de zelfzorg van volwassen patiënten na cardiochirurgie. Aan de hand van een systematische literatuurstudie van zestien recente wetenschappelijke studies – waaronder gerandomiseerde gecontroleerde studies en systematische reviews – werden de effecten van verpleegkundige interventies op fysiek, psychologisch en klinisch vlak in kaart gebracht.

Uit de resultaten blijkt overtuigend dat doelgerichte verpleegkundige begeleiding een cruciale succesfactor is. Vroegtijdige en gestructureerde patiënteneducatie vermindert angst- en depressiescores significant, verhoogt het inzicht in het ziektebeeld en leidt tot een hogere tevredenheid bij de patiënt. Op fysiek vlak draagt een goede voorbereiding bij aan een korter verblijf op de intensieve zorgen, betere ademhalingsparameters en een effectievere pijnbestrijding. Wanneer educatie bovendien wordt gecombineerd met een individueel afgestemd ontslagplan en een actieve opvolging na de hospitalisatie – bijvoorbeeld via telefonische contacten of naloopzorg – voelen patiënten zich aanzienlijk beter voorbereid op hun thuisherstel. Dit verhoogt de zogenaamde discharge readiness en dringt het aantal heropnames aantoonbaar terug.

Centraal in dit gehele proces staat het stimuleren van de zelfzorgcapaciteit. Zelfzorg gaat verder dan het opvolgen van medische voorschriften; het omvat de vaardigheden en het zelfvertrouwen (self-efficacy) die een patiënt nodig heeft om dagelijks de eigen gezondheid te bewaken en gepast te reageren op lichamelijke signalen. Omdat factoren zoals gezondheidsgeletterdheid (health literacy) sterk verschillen per persoon, werkt een standaardfolder of een eenmalig gesprek bij het afscheid niet. Informatie dient stapsgewijs, op maat en in begrijpelijke taal te worden aangeboden.

Dit onderzoek onderstreept dat verpleegkundigen de sleutelfiguur vormen in het overbruggen van de kloof tussen het ziekenhuis en de thuissituatie. Ontslagvoorbereiding mag niet worden beschouwd als een administratieve handeling op de dag van vertrek, maar als een doorlopend, gestandaardiseerd zorgpad dat reeds bij opname start en doorloopt tot in de eerstelijnszorg en hartrevalidatie. Door binnen verpleegkundige teams te streven naar een uniforme, evidence-based aanpak kan de continuïteit en kwaliteit van zorg naar een hoger niveau worden getild, met als ultiem doel dat patiënten met meer vertrouwen en veerkracht aan hun herstel bouwen.
Meer lezen

Anatomical variability in lower limb arteries

Universiteit Gent
2026
Laura
van der tol
  • Emma
    Deceuninck
Deze masterproef onderzocht de anatomische variabiliteit van de arteriën van het onderste lidmaat aan de hand van een systematische literatuurstudie van 56 wetenschappelijke publicaties. De focus lag op verschillen in vertakkingspatronen, arteriële diameter, bloedstroomsnelheid en tortuositeit. De resultaten tonen aan dat er een grote verscheidenheid aan classificatiesystemen bestaat voor arteriële vertakkingen, en dat gestandaardiseerde definities voor zowel vertakking als diameter als tortuositeit ontbreken. Daarnaast worden geslacht en etniciteit vaak onvoldoende gerapporteerd, wat de interpretatie van anatomische verschillen bemoeilijkt. Deze studie benadrukt de nood aan uniforme classificaties en meetmethoden om de vergelijkbaarheid van onderzoek te verbeteren en de veiligheid van vasculaire en chirurgische ingrepen te optimaliseren.
Meer lezen

Vrije bezoekuren op intensieve zorg: een analyse van effecten op patiënt, familie en zorgverleners met aanbevelingen voor de klinische praktijk.

Hogeschool UCLL
2026
Carmen
García Soler
Vanuit mijn stage op intensieve zorgen groeide mijn interesse in de impact van bezoekuren op patiënten, hun naasten en verpleegkundigen. Met dit onderzoek wilde ik verder gaan dan het in kaart brengen van de effecten van een flexibel bezoekbeleid en nagaan hoe wetenschappelijke evidentie daadwerkelijk kan worden vertaald naar de klinische praktijk. De combinatie van wetenschappelijke onderbouwing, praktijkgerichte aanbevelingen en een concreet implementatieplan maakt dat het onderzoek niet alleen relevant is voor de betrokken patiënt en familie, maar ook handvatten biedt aan verpleegkundigen en zorginstellingen die hun bezoekbeleid verder willen ontwikkelen. Ik hoop hiermee bij te dragen aan een zorgpraktijk waarin niet alleen de patiënt centraal staat, maar waarin ook naasten en zorgverleners een volwaardige plaats krijgen en verandering op een onderbouwde en duurzame manier wordt gerealiseerd.
Meer lezen

Noodsituaties bij endocriene en niet-endocriene aandoeningen

Universiteit Antwerpen
2026
Rhode
Mendonck
Deze scriptie biedt een korte samenvatting
van het geleverde onderzoek en toont de weg naar een
nieuw product dat gebruikt wordt voor patiënten met
bijnierschorsinsufficiëntie in levensbedreigende situaties.
Bijnierschorsinsufficiëntie is een endocriene ofwel
hormonale aandoening, die niet te genezen is.
Momenteel ondervindt elke patiënt met de aandoening
bijnierschorsinsufficiëntie angst en stress door de extra
complicaties, zoals een crisis, die komen kijken bij deze
ziekte. De hulpmiddelen die nu bestaan zijn te moeilijk
te hanteren en zorgen voor wantrouwen bij de patiënt.
Een verbetering van deze hulpmiddelen helpt niet alleen
fysiek maar vermindert ook de mentale klachten die hier
het gevolg van zijn.

Het doel is om de herkenbaarheid bij omstaanders te
vergroten en de angst bij alle betrokkenen te beperken.
Meer lezen

Anticoagulantia bij coronarografie en PCI

Hogeschool UCLL
2026
Charlotte
Pauwels
Mijn bachelorproef is ontstaan vanuit een probleem dat ik regelmatig tegenkwam tijdens mijn stages en in het werkveld. Er bestonden veel vragen en onduidelijkheden over het al dan niet onderbreken van anticoagulantia bij een coronarografie of PCI. Ook voor mij was het niet altijd duidelijk welke anticoagulantia moesten worden verdergezet en welke tijdelijk moesten worden onderbroken. Die praktijkgerichte uitdaging motiveerde mij om dit onderwerp grondig te onderzoeken.

Met deze bachelorproef wilde ik niet alleen mijn eigen kennis verdiepen, maar ook een wetenschappelijk onderbouwd antwoord bieden op een vraag waarmee veel zorgverleners binnen verschillende disciplines geconfronteerd worden. Mijn doel was om de bestaande onduidelijkheden te verduidelijken en een praktisch bruikbaar overzicht te creëren dat hulpverleners ondersteunt bij het nemen van onderbouwde beslissingen.

Ik ben ervan overtuigd dat deze bachelorproef een meerwaarde kan bieden binnen verschillende disciplines. Door de wetenschappelijke onderbouwing en de praktijkgerichte insteek kan ze bijdragen aan een veiliger en consistenter medicatiebeleid en zo uiteindelijk de kwaliteit van de patiëntenzorg verbeteren.

Deze wedstrijd leek mij dan ook de ideale kans om mijn onderzoek met een breder publiek te delen. Ik hoop dan ook dat dit onderzoek buiten mijn eigen opleiding en werkplek een bijdrage kan leveren in de praktijk. Dit leek mij de ideale kans om de kwaliteit van zorg te verbeteren.

De primaire doelgroep zijn verpleegkundigen en andere zorgverleners die betrokken zijn bij de voorbereiding en begeleiding van patiënten die een coronarografie of PCI ondergaan. Maar eveneens de patiënten zijn de doelgroep.
Het belangrijkste doel is om in kaart te brengen welke anticoagulantia volgens actuele richtlijnen vóór een coronarografie of PCI moeten worden onderbroken en welke kunnen worden verdergezet. Daarbij wordt gezocht naar een goede balans tussen het risico op bloedingen en het risico op trombose.
Mijn bachelorproef bracht meer duidelijkheid en een evidence-based overzicht van het perioperatieve beleid rond anticoagulantia. Daarnaast werden aanbevelingen voor het verpleegkundig werkveld opgesteld en betere patiënteneducatie.

Het project draagt bij aan persoonsgericht werken doordat er meer aandacht komt voor de individuele situatie en risico’s van elke patiënt. Het beleid rond anticoagulantia is namelijk niet voor iedere patiënt hetzelfde. De uiteindelijke beslissing moet worden afgestemd op onder andere het type anticoagulans en het individuele risico op een bloeding of trombose.
Door verpleegkundigen duidelijke en actuele informatie te geven, kunnen zij patiënten beter en gerichter voorbereiden op hun coronarografie of PCI. Dit vermindert onzekerheid en voorkomt dat medicatie onnodig wordt gestopt of juist niet wordt gestopt. In het project wordt beschreven dat dergelijke fouten kunnen leiden tot uitgestelde ingrepen, extra administratie, kosten en mogelijke complicaties.
Het maakt dus vooral een verschil voor de patiënt, omdat die een veiligere en meer afgestemde zorg krijgt. Daarnaast maakt het een verschil voor verpleegkundigen, omdat zij dankzij een duidelijk overzicht sneller en met meer zekerheid kunnen handelen. Ook voor het zorgproces is er een voordeel: minder fouten en minder onnodig uitgestelde ingrepen kunnen bijdragen aan efficiëntere zorg. Geannuleerde ingrepen brengen een grote kost met zich mee. Denk maar aan artsen en verpleegkundigen die klaar staan voor de ingreep, lege zalen, materiaal dat misschien al geopend is en nu niet gebruikt kunnen worden. Dit project maakt het verschil voor vele doelgroepen.

Dit project kan in de toekomst verder naar andere afdelingen en ziekenhuizen worden uitgebereid. Het is namelijk niet alleen belangijk binnen coronarografiën en PCI, maar eveneens ook belangrijk voor andere ingrepen en afdelingen. Een bredere kennis voor zowel patiënten als voor zorgverleners is belangrijk om de continuïteit van de zorg en de veiligheid van de patiënten te waarborgen.
Meer lezen

De invloed van een vaste mentor voor studenten en starters binnen het OK op retentie en duurzame inzetbaarheid.

Hogeschool UCLL
2026
Sander
Ghysen
De retentie van verpleegkundigen is een aanzienlijk maatschappelijk probleem.
Gezien de grote tekorten in de zorg en het verloop van medewerkers is er nood aan
duurzame verandering. Het is cruciaal dat iedere student die aan een zorgopleiding
begint én iedere starter die ervoor kiest om in de zorgsector te beginnen, ook in de
zorgsector blijft.

Deze literatuurstudie vond zijn oorsprong in de perioperatieve setting. Men onderzocht
concreet of het toewijzen van een vaste mentor aan studenten en starters in het
operatiekwartier de retentie en duurzame inzetbaarheid bevordert. Deze
onderzoeksvraag werd vervolgens in breder persepectief geplaatst.

De algemene focus lag op het identificeren van manieren om optimale begeleiding
voor studenten en starters te faciliteren in eender welke werkcontext. Er werd gezocht
naar de meest kwaliteitsvolle bronnen in de database Cinahl, in de rapporten en policy
briefs van de EFN, in de publicaties van Zorgnet Icuro en door middel van Chat gpt. Na
selectie werden 6 bronnen weerhouden.

De literatuur geeft aan dat programma’s van mentorschap die voortdurende
ondersteuning en gestructureerde begeleiding bieden, de retentie verhogen en het
verloop verlagen. Er wordt aangeraden een dedicated mentor te voorzien die de
student op lange termijn begeleidt op basis van een vertrouwensrelatie. Daarnaast
wordt de student tijdens de werkuren (op korte termijn) best begeleid door
preceptoren.

Echter, een integrale aanpak is onontbeerlijk. Er is nood aan adequate
preceptortraining, een vermindering van de werkbelasting en monitoring van de
kwaliteit van mentorschap.

Optimale begeleiding is een verantwoordelijkheid van alle niveaus in de zorg, waarbij
iedere verantwoordelijke voldoende ondersteuning dient te krijgen. Ook is er vraag
naar investeringen vanuit de overheid. Voor de overheid zou het dan weer voordelig zijn
om langdurig zieke medewerkers terug naar de werkvloer te leiden door hun kennis en
ervaring slim in te zetten voor de begeleiding van studenten en starters.

Er werd tevens een bevraging gedaan in het werkveld (het operatiekwartier) om de
resultaten van de literatuurstudie beter te kunnen kaderen binnen de specifieke
setting. Naast antwoorden die de literatuur bevestigden, bracht dit ook nieuwe
inzichten naar voren. Zo is er volgens de personen uit de bevraging een verschil in
manier van begeleiden voor studenten of starters. In de literatuur werd dit nog niet
aangehaald. Hier zou dus meer onderzoek naar gedaan kunnen worden, met een meer
duidelijk onderscheid tussen beiden.

Aanbevelingen werden geformuleerd en gebundeld in de vorm van positieve punten en
verbeterpunten. Deze werden dan weer geconcretiseerd in het implementatieplan in bijlage.

Het besproken onderwerp blijkt een duidelijk relevant maatschappelijk probleem, waar de
literatuur zich uitgebreid over uitspreekt.
Meer lezen

Geïntegreerde zorg als normatief kompas: Beleidslogica’s en spanningen in België

KU Leuven
2026
Maartje
Reyniers
Geïntegreerde zorg is een belangrijk begrip in de Belgische gezondheidszorg en welzijnssector. Het verwijst naar een betere samenwerking tussen zorgverleners en organisaties, zodat mensen meer samenhang ervaren in hun zorg en ondersteuning. Het gaat daarbij niet alleen om medische zorg, maar ook om hulp in het dagelijks leven, zoals ondersteuning vanuit sociale en welzijnsdiensten. Hoewel er brede overeenstemming bestaat over het belang hiervan, vullen mensen die betrokken zijn bij het beleid dit begrip in de praktijk verschillend in. Deze studie onderzoekt hoe zij geïntegreerde zorg begrijpen, welke doelen zij belangrijk vinden en hoe zij omgaan met spanningen tussen die doelen.
Hiervoor werd eerst gekeken naar belangrijke beleidsdocumenten over geïntegreerde zorg, gevolgd door gesprekken met beleidsactoren op Vlaams en federaal niveau. Op basis daarvan werd onderzocht welke accenten zij leggen en hoe zij hun keuzes toelichten.
De resultaten tonen dat vaak dezelfde doelen terugkomen, zoals zorgkwaliteit, betaalbaarheid, gelijke toegang tot zorg en ziektepreventie. Toch verschillen betrokkenen in welke doelstellingen ze het belangrijkst vinden en hoe ze die interpreteren. Sommigen leggen meer nadruk op efficiënt gebruik van middelen, terwijl anderen vooral focussen op toegankelijkheid of de wensen van de patiënt. Deze verschillen brengen spanningen met zich mee. Zo kan efficiëntie botsen met persoonlijke zorg, en kan centrale aansturing moeilijk samengaan met lokale flexibiliteit. In de praktijk worden deze spanningen niet opgelost, maar wordt gezocht naar manieren om verschillende benaderingen te combineren.
Deze manier van werken hangt samen met hoe geïntegreerde zorg in deze studie wordt begrepen, namelijk niet als één vast model met duidelijke regels, maar als een soort “kompas”. Dat kompas geeft geen vaste antwoorden en schrijft ook niet voor hoe keuzes moeten worden gemaakt. In plaats daarvan helpt het beleidsactoren om hun eigen ideeën, prioriteiten en manier van kijken op geïntegreerde zorg expliciet te maken en in verhouding tot elkaar te plaatsen.
Door deze verschillen zichtbaar te maken, wordt het eenvoudiger om ze te bespreken en beter te begrijpen hoe ze zich tot elkaar verhouden. In sommige gevallen kunnen verschillende visies elkaar versterken of aanvullen. In andere situaties is het nodig om een evenwicht te zoeken tussen uiteenlopende accenten. Het kompas helpt zo vooral om dit gesprek te structureren en om tot een meer gedeelde, maar niet noodzakelijk uniforme invulling van geïntegreerde zorg te komen. Op die manier biedt deze studie nieuwe inzichten in de uitdagingen en mogelijkheden van geïntegreerde zorg in België en in hoe samenwerking tussen zorg en ondersteuning in de praktijk vorm krijgt.
Meer lezen

Verpleegkundige aandachtspunten bij gebruik van antipsychotica tijdens een zwangerschap

Thomas More Hogeschool
2026
Ramona
Westerveld
Deze bachelorproef onderzoekt welke verpleegkundige aandachtspunten belangrijk zijn bij de begeleiding van zwangere zorgvragers die antipsychotica gebruiken. Een zwangerschap in combinatie met een psychiatrische aandoening brengt een complex zorgvraagstuk met zich mee: zorgverleners moeten de mogelijke risico’s van medicatie afwegen tegen de risico’s van onbehandelde psychiatrische problematiek voor ouder en kind.

Aan de hand van een literatuurstudie werd onderzocht welke effecten antipsychotica tijdens de zwangerschap kunnen hebben en welke rol verpleegkundigen kunnen opnemen in de begeleiding. Uit de huidige wetenschappelijke literatuur blijkt geen duidelijk verhoogd risico op ernstige aangeboren afwijkingen. Wel worden verbanden beschreven met onder andere vroeggeboorte, een lager geboortegewicht en tijdelijke aanpassingsproblemen bij pasgeborenen. Tegelijk is het moeilijk om deze effecten rechtstreeks toe te schrijven aan de medicatie, omdat ook de onderliggende psychiatrische aandoening en andere factoren een belangrijke rol spelen.

De resultaten benadrukken het belang van een individuele en multidisciplinaire aanpak. Verpleegkundigen spelen daarbij een belangrijke rol in monitoring, educatie, ondersteuning en zorgcoördinatie. Zowel bij het verderzetten als bij het afbouwen of stopzetten van antipsychotica is een zorgvuldige opvolging van het psychische en lichamelijke welzijn van de zwangere zorgvrager essentieel.
Meer lezen

Wat nog gebaard moet worden

Hogeschool PXL
2026
Anne-Lise
Krekels
Vertrekkend vanuit een persoonlijke ervaring met chronische gynaecologische klachten en diagnoses waar weinig wetenschappelijke kennis over bestaat, ontwikkelt dit onderzoek zich als een autobiografische zoektocht waarin feministische theorie, mythologie en mijn eigen artistieke praktijk met elkaar vervlochten werden.
De centrale vraag binnen deze paper is hoe kan ik opnieuw vat krijgen een soort taal zodat ik de lichamelijke ervaring kan benoemen, die zich niet laat vatten binnen de taal van bestaande medische of patriarchale structuren. In deze zoektocht is de verhouding tussen lichaam, materie, geheugen en taal erg belangrijk. Door middel van een artistiek onderzoek met zelfontgonnen klei uit de Rupelstreek wordt onderzocht of materie kennis kan dragen, oproepen en transformeren.
Theoretisch vertrekt de paper vanuit denkers zoals Simone de Beauvoir, Hélène Cixous, Luce Irigaray, Julia Kristeva, Maurice Merleau-Ponty en Lauren Fournier. Concepten die worden aangehaald zijn: écriture féminine, het semiotische, embodied knowlegde en autotheory. Daarnaast zijn er een aantal mythologische figuren die onvermijdelijk een plekje opeiste in deze paper: Hecate, Ishtar en Diana; als symbolische personificatie.
Deze paper pretendeert geen sluitende definitie van vrouwelijkheid te formuleren, maar creëert een interne denkruimte wat zelfreflectie mogelijk maakt.
Meer lezen

Houding, de ruggengraat van ergonomie: De rol van (student)verpleegkundigen in de preventie van werkgerelateerde musculoskeletale aandoeningen in ziekenhuizen

Thomas More Hogeschool
2026
Lotte
Willio
Deze bachelorproef onderzoekt hoe (student)verpleegkundigen kunnen bijdragen aan de preventie van werkgerelateerde musculoskeletale aandoeningen (WMSD) door ergonomisch te handelen binnen de ziekenhuiscontext.

WMSD zijn lichamelijke klachten aan spieren, gewrichten en pezen die ontstaan door het werk, zoals rug-, nek- en schouderpijn. Ze komen opvallend vaak voor bij verpleegkundigen en zelfs al bij studenten, door een combinatie van fysieke belasting, psychosociale druk en organisatorische knelpunten.

Verpleegkundigen staan dicht bij de zorgvrager en voeren veel fysieke handelingen uit, maar ervaren daarbij vaak twijfel, tijdsdruk of een gebrek aan ondersteuning om ergonomisch te werken.

Deze bachelorproef brengt in kaart welke kennis, vaardigheden en hulpmiddelen zij nodig hebben om die belasting te verminderen. Uit de literatuur blijkt dat effectieve preventie steunt op educatie, ergonomische hulpmiddelen en een gedragen ergonomiecultuur op de werkvloer.

Op basis van deze inzichten werd een praktisch prototype ontwikkeld dat verpleegkundigen duidelijke handvatten biedt om ergonomie haalbaar en toepasbaar te maken. Het onderzoek toont dat vroege sensibilisering tijdens de opleiding en structurele ondersteuning essentieel zijn om zorgprofessionals duurzaam te beschermen.
Meer lezen

Kinderwens, fertiliteit en ouderschap voorbij de norm. Een belevingsonderzoek bij trans en non-binaire koppels binnen een cisgender heteronormatieve context.

Universiteit Gent
2026
Maximo
Meerschaut
Deze masterproef onderzocht de beleving van genderdiverse koppels aangaande hun kinderwens, fertiliteitstraject en ouderschap binnen een cisgender heteronormatieve context, afgestemd op beleidsprotocollen van fertiliteitscentra. Een fertiliteitsproblematiek is een koppelprobleem, echter blijft het koppelperspectief onderbelicht. Bijgevolg is het belangrijk om hun beleving te exploreren en te kaderen teneinde genderinclusieve en sensitieve (fertiliteits)zorg te kunnen verlenen en negatieve ervaringen vermeden worden. Dit onderzoek betreft kwalitatieve, semigestructureerde interviews met 18 genderdiverse en cisgender participanten. Via thematische analyse werden vier thema’s geïdentificeerd: kinderwens, het fertiliteitstraject, ouderschap en invloed van een cisgender heteronormatieve context. Bevindingen tonen aan dat een kinderwens vaak al vroeg ontstaat en dat beslissingen hierover onder (leef)tijdsdruk genomen moeten worden, waardoor het traject als intens en complex wordt ervaren. Communicatie binnen het koppel en met zorgverleners blijkt fundamenteel, maar genderinclusieve zorg is nog onvoldoende aanwezig. Beleid en juridische kaders sluiten onvoldoende aan bij de realiteit van genderdiverse koppels. De resultaten benadrukken de nood aan inclusieve, flexibele en psychosociale ondersteuning in fertiliteitszorg.
Meer lezen

Van blauwe plek tot rode vlag

Thomas More Hogeschool
2026
Fran
De Block
Kindermishandeling herkennen is niet altijd eenvoudig. Signalen kunnen lichamelijk, gedragsmatig of emotioneel zijn en zijn zelden op zichzelf doorslaggevend. Verpleegkundigen op spoed- en pediatrische afdelingen staan dicht bij kinderen en kunnen daardoor belangrijke signalen opmerken, maar botsen in de praktijk vaak op twijfel: wat betekent wat ik zie, hoe bespreek ik mijn bezorgdheid en welke stappen mag of moet ik zetten?

Deze bachelorproef brengt in kaart welke kennis en ondersteuning verpleegkundigen nodig hebben om die onzekerheid beter te hanteren. Daarbij gaat het niet alleen om het herkennen van signalen, maar ook om objectief observeren en rapporteren, communiceren met kind en ouders, samenwerken binnen het team en inzicht krijgen in het juridisch kader en de meldstructuur.

Vanuit die bevindingen werd een interactieve bijscholing uitgewerkt, samen met een praktisch document waarin de belangrijkste informatie overzichtelijk wordt gebundeld. Zo krijgen verpleegkundigen concrete houvast op momenten waarop iets niet klopt, zonder te verwachten dat zij meteen zekerheid hebben.

De kern van deze bachelorproef is dan ook eenvoudig: twijfel hoeft niet te verdwijnen, maar ze mag ook niet betekenen dat een belangrijk signaal verloren gaat.
Meer lezen

Determinaten van werkgerelateerde burn-out bij verpleegkundigen op kritieke diensten:een literatuurstudie

HOGENT
2026
Anouk
Domah
Deze bachelorproef onderzoekt welke factoren het ontstaan van werkgerelateerde burn-out bij verpleegkundigen op kritieke diensten beïnvloeden. Hiervoor werd een systematische literatuurstudie uitgevoerd in PubMed en Web of Science. Uit de resultaten blijkt dat burn-out ontstaat door een combinatie van factoren, waaronder een hoge werkdruk, personeelstekorten, onregelmatige werkuren, emotionele belasting en onvoldoende steun. Sociale steun, een positieve werkomgeving en toegankelijke leidinggevenden kunnen een beschermende rol spelen. Preventie moet daarom niet alleen gericht zijn op de individuele verpleegkundige, maar ook op structurele verbeteringen binnen de zorgorganisatie.
Meer lezen

Het onzichtbare gemis in spoedzorg

Thomas More Hogeschool
2026
Lauren
Claes
  • Caress
    Bruyndonckx
Deze bachelorproef onderzoekt welke factoren de patiënttevredenheid op de spoedgevallendienst beïnvloeden, met bijzondere aandacht voor wachttijden, overbevolking en communicatie. Daarnaast wordt nagegaan welke interventies de tevredenheid van patiënten kunnen verbeteren.

Uit de literatuur blijkt dat overbevolking op spoeddiensten wereldwijd een toenemend probleem vormt. Lange wachttijden leiden niet alleen tot frustratie en stress bij patiënten, maar verhogen ook de kans dat patiënten vertrekken zonder gezien te worden. Daarnaast zorgen personeelstekorten, beperkte beddencapaciteit en een hoge instroom van niet-dringende patiënten voor extra druk op de spoedgevallendienst.

De studie toont aan dat patiënttevredenheid niet uitsluitend afhangt van de objectieve wachttijd, maar vooral van de manier waarop patiënten deze wachttijd ervaren. Onvoldoende communicatie over wachttijden, triage en zorgprocessen zorgt voor onzekerheid, wantrouwen en een negatieve zorgervaring. Daartegenover staan duidelijke uitleg, empathische communicatie en persoonsgerichte zorg, die de tevredenheid aanzienlijk kunnen verhogen, zelfs wanneer de wachttijd zelf niet korter wordt. Verpleegkundigen spelen hierin een cruciale rol door patiënten te begeleiden, verwachtingen te managen en ondersteuning te bieden tijdens het wachten.

Binnen de bachelorproef werden verschillende interventies onderzocht. Effectieve maatregelen zijn onder andere duidelijke wachtrijsystemen, visuele informatie over wachttijden, informatieve video’s, verbeterde wachtomgevingen en extra aanspreekpunten voor patiënten. Ook technologische toepassingen, zoals zelfmeetkiosken en digitale dashboards, kunnen bijdragen aan een betere doorstroming en meer transparantie. Daarnaast benadrukt de studie het belang van een sterkere eerstelijnszorg om de druk op spoeddiensten te verminderen.

Op basis van de onderzoeksresultaten ontwikkelden wij het prototype “MyTurn”, een digitale applicatie voor patiënten op de spoedgevallendienst. Via deze app krijgen patiënten realtime informatie over wachttijden, uitleg over triage en inzicht in de actuele drukte op de dienst. De applicatie bevat daarnaast een digitale vragenlijst volgens de AMPLE-structuur om relevante gezondheidsinformatie vooraf te verzamelen. Het doel van MyTurn is niet om wachttijden effectief te verkorten, maar wel om frustratie, onzekerheid en stress te verminderen door transparante communicatie en betere betrokkenheid van de patiënt.

De conclusie van de bachelorproef is dat patiënttevredenheid op de spoedgevallendienst vooral bepaald wordt door de beleving van de patiënt. Heldere communicatie, empathische begeleiding en een persoonsgerichte aanpak blijken essentieel om de negatieve impact van wachttijden en drukte te beperken. Verpleegkundigen vormen hierbij een centrale schakel binnen kwaliteitsvolle en patiëntgerichte spoedzorg.
Meer lezen

Van inzicht naar actie.

Thomas More Hogeschool
2026
Luci
Mioc
  • Stien
    Ceulemans
Therapieontrouw bij medicatie komt vaak voor, maar de onderliggende oorzaken blijven in de dagelijkse zorgpraktijk dikwijls onopgemerkt. Deze bachelorproef onderzoekt hoe zorgverleners therapieontrouw beter kunnen herkennen, de oorzaak ervan kunnen achterhalen en gerichte interventies kunnen inzetten.

Op basis van wetenschappelijke literatuur werden praktische hulpmiddelen ontwikkeld die zorgverleners ondersteunen in dit proces. De oplossing bestaat uit een digitale applicatie, de Therapietrouw Assistent Tool (TAT), aangevuld met praktische steekkaarten . Deze hulpmiddelen helpen zorgverleners om signalen van therapieontrouw systematisch te analyseren en evidence-based interventies toe te passen.

Met deze bachelorproef wordt de brug geslagen tussen wetenschappelijke inzichten en de dagelijkse praktijk. Het doel is de therapietrouw, de kwaliteit van zorg en leven en de patiëntgerichte begeleiding te verbeteren. Want therapieontrouw is geen falen van de patiënt of bewoner, maar een signaal naar de zorgverleners om beter te ondersteunen!
Meer lezen

Postoperatieve pijnbehandeling na chirurgie met blokverdoving.

Hogeschool PXL
2026
Judith
Debacker
Mijn scriptie gaat over postoperatieve pijn na een orthopedische ingreep waarbij blokanesthesie is toegepast, ook wel reboundpijn genoemd. Ik heb de incidentie van pijn onderzocht en samen met artsen en anesthesisten een nieuw protocol samengesteld waarbij ik vooral de rol als verpleegkundige mee uitwerkte.
Meer lezen

The Metabolic Phenotype of Post-ICU Patients: Energy Metabolism After Critical Illness

Vrije Universiteit Brussel
2026
Eline
Verheyen
Na een opname op de intensieve zorg begint het herstel vaak pas echt. Toch weten we nog verrassend weinig over hoeveel energie deze patiënten nodig hebben en hoeveel energie uit hun voeding uiteindelijk werkelijk door het lichaam wordt opgenomen.

In mijn thesis onderzocht ik beide aspecten van de energiebalans. Ik combineerde systematische literatuurstudies met analyses van patiëntgegevens uit het UZ Brussel. Mijn resultaten tonen aan dat post-ICU-patiënten gemiddeld niet méér energie verbruiken in rust dan andere gehospitaliseerde patiënten, maar dat de verschillen tussen patiënten groot zijn. Dat maakt objectieve metingen belangrijk om de voeding af te stemmen op de individuele patiënt. Daarnaast bracht ik als eerste de beschikbare kennis over energieabsorptie bij post-ICU-patiënten in kaart en werkte ik mee aan de opstart van een prospectieve studie. Daarmee toont mijn thesis niet alleen aan waar de huidige kennis stopt, maar ook welke stappen nodig zijn om de voedingszorg voor deze patiëntengroep verder te verbeteren.
Meer lezen

ALS training in het Kanifing General Hospital in The Gambia

Hogeschool PXL
2026
Britt
Motten
  • Aude
    Nuyts
  • Nomie
    Haazen
Mijn scriptie in het kort gaat over het verbeteren van Advanced Life Support (ALS)-training voor verpleegkundigen in een ziekenhuis in een lage-inkomenscontext (Kanifing General Hospital in Gambia).

Het doel van het onderzoek is om te bekijken of een aangepaste ALS-training, gebaseerd op simulatiegericht leren en herhaalde oefening, een invloed heeft op de kennis, praktische vaardigheden en het zelfvertrouwen van verpleegkundigen bij reanimatie.

In de literatuurstudie werd onderzocht welke didactische methoden het meest effectief zijn voor ALS-opleidingen. Hieruit bleek dat vooral simulatiegebaseerd leren, gecombineerd met feedback en regelmatige herhaling, leidt tot betere leerresultaten en meer zelfvertrouwen. Daarnaast werd duidelijk dat kennis en vaardigheden snel afnemen zonder opfrissing.

Op basis van deze inzichten werd een contextgerichte ALS-training ontwikkeld en uitgevoerd in Kanifing General Hospital. De training werd aangepast aan de beperkte middelen in het ziekenhuis en bestond uit een korte theoretische sessie, praktische simulaties en visuele hulpmiddelen zoals een flowchart/poster.

Om het effect van de training te meten, werd gewerkt met een voor- en nameting bij verpleegkundigen uit de spoed-, medische en chirurgische afdelingen. De resultaten tonen een duidelijke verbetering in kennis en zelfvertrouwen, vooral bij het gebruik van de AED en het toepassen van ALS-protocollen.

De conclusie van de scriptie is dat een gestructureerde, contextgerichte en herhaalde ALS-training op basis van simulatie effectief is om de competentie van verpleegkundigen te verbeteren, zelfs in omgevingen met beperkte middelen.
Meer lezen

De meerwaarde van systematisch tandenpoetsen bij geïntubeerde patiënten op intensieve zorgen.

Hogeschool UCLL
2026
Yonne
Van der Vorst
Inleiding:
Ventilator-geassocieerde pneumonie (VAP) vormt een belangrijke complicatie bij geïntubeerde patiënten op de intensieve zorgen (IZ) en gaat gepaard met verhoogde morbiditeit, mortaliteit en zorgkosten (Simmons et al., 2024). Mondzorg speelt een cruciale rol in de preventie van deze infecties, maar in de klinische praktijk bestaat er variatie in de uitvoering ervan (Kelly et al., 2023).

Doelstelling:
Deze bachelorproef onderzoekt de meerwaarde van systematisch tandenpoetsen ten opzichte van het gebruik van swabs met een chloorhexidine oplossing 0,12% (CHX 0,12%) bij geïntubeerde patiënten. De centrale onderzoeksvraag is of tandenpoetsen effectiever is binnen evidence-based mondzorg en bij het reduceren van infectierisico’s.

Methodologie:
Er werd een literatuuronderzoek uitgevoerd waarbij recente wetenschappelijke artikels geanalyseerd werden. Geselecteerde studies werden kritisch beoordeeld op relevantie en kwaliteit, met focus op interventies binnen mondzorg en hun effect op klinische uitkomsten zoals VAP, beademingsduur en opnameduur.

Resultaten:
Uit de literatuur blijkt dat systematisch tandenpoetsen een essentiële interventie is binnen de mondzorg bij geïntubeerde patiënten. Mechanische reiniging met een zachte tandenborstel (met of zonder water of tandpasta) verwijdert tandplaque en bacteriële biofilm effectiever dan swabs met CHX 0,12% alleen, waardoor het risico op respiratoire infecties vermindert (Santos et al., 2024; Kelly et al., 2023). Dagelijks tandenpoetsen wordt geassocieerd met een lagere incidentie van ziekenhuisopgelopen pneumonie (HAP), een kortere beademingsduur en een verkorte opname op de IZ (Ehrenzeller & Klompas, 2024). Hoewel CHX 0,12% een antimicrobieel effect heeft, blijkt het als afzonderlijke interventie alleen onvoldoende effectief en worden mogelijke nadelen zoals mucosale irritatie en een verhoogde mortaliteit bij niet-cardio chirurgische IZ patiënten beschreven (Simmons et al., 2024). De combinatie van tandenpoetsen lijkt effectiever dan alleen het gebruik van CHX 0,12% met een swab (Sozkes & Sozkes, 2023; Vidal et al., 2017). Daarnaast tonen observaties op de IZ van Noorderhart Pelt aan dat de uitvoering van mondzorg in de praktijk varieert en dat tandenpoetsen niet consequent wordt toegepast, ondanks bestaande protocollen. Deze discrepantie tussen theorie en praktijk wordt ook beschreven door Kelly et al. (2023).

Conclusie:
Systematisch tandenpoetsen heeft een duidelijke meerwaarde ten opzichte van swabs met CHX 0,12% als afzonderlijke interventie binnen de mondzorg bij geïntubeerde patiënten. Mechanische biofilmverwijdering vormt een essentiële pijler van evidence-based mondzorg en draagt bij aan het verminderen van infectierisico’s, waaronder VAP, evenals aan betere klinische uitkomsten (Ehrenzeller & Klompas, 2024; Santos et al., 2024). CHX 0,12% swabs kunnen aanvullend gebruikt worden, maar blijkt onvoldoende effectief zonder mechanische reiniging en wordt bovendien geassocieerd met mogelijke nadelige effecten bij langdurig routinematig gebruik (Simmons et al., 2024). De combinatie van tandenpoetsen (met of zonder water of tandpasta) en een CHX 0,12% swab toont betere resultaten dan het gebruik van CHX 0,12% swabs alleen (Sozkes & Sozkes, 2023; Vidal et al., 2017). De resultaten benadrukken daarnaast de noodzaak van een uniforme implementatie van evidence-based mondzorgprotocollen binnen de klinische praktijk (Kelly et al., 2023). Aanbevolen wordt om tandenpoetsen systematisch als standaardinterventie toe te passen en verpleegkundigen verder te ondersteunen via opleiding, sensibilisering en duidelijke richtlijnen.
Meer lezen

Te klein voor woorden, niet voor pijn: Patiëntgerichte pijnzorg voor neonaten op de NICU en de impact op ouders en verpleegkundigen

Hogeschool UCLL
2026
Amber
Martin
Deze bachelorproef onderzoekt de impact van het niet-systematisch toepassen van niet-farmacologische pijninterventies bij neonaten op de NICU. Aan de hand van een literatuurstudie wordt nagegaan welke gevolgen dit heeft voor neonaten, ouders en zorgverleners. De resultaten tonen aan dat interventies zoals huid-op-huidcontact, orale sucrose, borstvoeding en gefaciliteerd instoppen pijn en stress bij neonaten kunnen verminderen. Daarnaast blijkt dat actieve ouderparticipatie de betrokkenheid en het welzijn van ouders bevordert, terwijl een gebrek aan ondersteuning en duidelijke richtlijnen kan leiden tot stress bij ouders en morele stress bij verpleegkundigen. Op basis van deze bevindingen werd het NeoTripleComfort Programma ontwikkeld, een praktijkgericht model dat focust op systematische comfortzorg, ouderparticipatie en ondersteuning van zorgverleners, met als doel de kwaliteit van neonatale pijnzorg op de NICU te verbeteren.
Meer lezen

Door dik en dun, voor dik en dun. Gewichtsstigma in de zorg: de rol van ergotherapie in inclusieve gezondheidszorg

Hogeschool PXL
2026
Katrien
Driesen
Personen met een hoger lichaamsgewicht worden in zorgcontexten regelmatig gereduceerd tot hun gewicht, eerder dan benaderd vanuit hun volledige gezondheidssituatie. Dit kan leiden tot stigmatisering, zorgvermijding en verminderde participatie. Gewichtsstigma wordt daarom steeds vaker erkend als een sociale determinant van gezondheid met een negatieve impact op zorgervaringen en gezondheidsuitkomsten.
Deze bachelorproef onderzoekt hoe ergotherapie kan bijdragen aan het verminderen van gewichtsstigma en het bevorderen van inclusieve participatie binnen een zorgcontext.
Meer lezen

Van abstracte data naar intuïtieve feedback: Het potentieel van Mixed Reality op de Meta Quest voor reanimatietraining binnen de geneeskunde.

HOGENT
2026
Dogukan
Uyanik
Traditionele reanimatietraining voor verpleegkundigen steunt vaak op externe 2D-interfaces voor feedback, wat leidt tot het split-attention effect. De hulpverlener moet hierbij de aandacht verdelen tussen de fysieke handeling op de reanimatiepop en een extern scherm, wat de cognitieve belasting verhoogt en de leercurve belemmert. Deze bachelorproef onderzoekt hoe Mixed Reality (MR) technologie dit proces kan optimaliseren door real-time, intuïtieve feedback direct in het gezichtsveld
van de gebruiker te projecteren. Het doel van dit onderzoek was de ontwikkeling van een Proof of Concept (PoC) op de Meta Quest 3, waarbij sensordata van een reanimatiepop in real-time wordt gevisualiseerd via een Unity-applicatie. Een significante technische barrière in dit proces was de gesloten aard van de beschikbare communicatieprotocollen. Hoewel de fabrikant eigen ecosystemen aanbiedt, ontbreekt een publiek toegankelijke en gedocumenteerde SDK die directe integratie met de Meta Quest 3 en de Unityomgeving mogelijk maakt. Daarnaast vormt de beperkte native ondersteuning voor Bluetooth Low Energy (BLE) binnen de standaard Unity-ontwikkelomgeving voor Android-gebaseerde headsets een extra hindernis.
Om dit probleem te overbruggen, is een diepgaand technisch onderzoek uitgevoerd
naar het communicatieprotocol van de pop. Door middel van reverse engineering
technieken waaronder het decompileren van officiële software en het analyseren van Bluetooth Low Energy (BLE) pakketjes via HCI snoop logs en Wireshark op een gerouteerd Android-toestel zijn de verborgen handshakes en datacharacteristics
ontcijferd. Het resultaat is een werkend prototype dat live sensordata (zoals compressiediepte en frequentie) vertaalt naar ruimtelijke visualisaties, waaronder een ghost avatar en een dynamisch reagerend hartmodel. De voorlopige resultaten van deze PoC tonen aan dat MR in staat is om de kloof tussen haptische ervaring en visuele feedback te dichten. Dit onderzoek legt hiermee de technische fundamenten voor een nieuwe generatie medische simulatietools die verpleegkundigen effectiever kunnen voorbereiden op kritieke levensreddende situaties.
Meer lezen

Medicatiefouten: een bedreiging voor patiëntveiligheid en kwaliteitsvolle zorg

Hogeschool UCLL
2026
Shalina
Swennen
Titel: Medicatiefouten binnen het ziekenhuis: een bedreiging voor patiëntveiligheid en kwaliteitsvolle zorg

Inleiding
Medicatiefouten behoren wereldwijd tot de meest voorkomende vermijdbare oorzaken van patiëntschade binnen ziekenhuizen. Ondanks bestaande veiligheidsmaatregelen blijven fouten optreden tijdens het medicatieproces, met mogelijk ernstige gevolgen voor patiënten, zorgverleners en zorgorganisaties. Het medicatieproces is een complex en foutgevoelig proces, waarbij verschillende zorgverleners betrokken zijn, zoals artsen, apothekers, verpleegkundigen en studenten in opleiding. In dit proces nemen verpleegkundigen en studenten verpleegkunde een cruciale rol op, aangezien zij
verantwoordelijk zijn voor het klaarzetten, bereiden, controleren, registreren en toedienen van medicatie. Als laatste veiligheidsbarrière vóór de medicatie de patiënt bereikt, spelen zij een sleutelrol in het detecteren en voorkomen van fouten.

Medicatiefouten kunnen zich voordoen in elke fase van het medicatieproces. Deze fouten zijn zelden het gevolg van één individuele handeling, ze ontstaan door een combinatie van persoonsgebonden en systeemgebonden factoren, zoals hoge werkdruk, onvoldoende ervaring, onderbrekingen en communicatieproblemen.
Vooral tijdens de fase van medicatietoediening, waarvoor verpleegkundigen en studenten in opleiding de eindverantwoordelijkheid dragen, kunnen fouten ernstige gevolgen hebben voor de patiënt. Stage ervaring en literatuuronderzoek tonen aan dat medicatieveiligheid een blijvend aandachtspunt vormt binnen de verpleegkundige praktijk. Dit onderstreept de nood aan een systematische en evidence-
based aanpak.
Meer lezen

De optimalisatie van het psychosociaal welzijn van verpleegkundestudenten op de klinische stageplaats.

Hogeschool UCLL
2026
Jules
Buyle
Het psychosociaal welzijn van verpleegkundestudenten tijdens klinische stages staat onder toenemende druk door hoge werkdruk, onduidelijke verwachtingen en wisselende teamculturen. Media‑getuigenissen en parlementaire vragen tonen dat negatieve stage-ervaringen geen uitzonderingen zijn, maar structurele problemen blootleggen. Tegelijkertijd bestaan er afdelingen waar studenten zich wél veilig, welkom en ondersteund voelen, wat bewijst dat kwaliteitsvolle begeleiding mogelijk is wanneer teams bewust investeren in een sterk leerklimaat.

Uit recente wetenschappelijke literatuur blijkt dat vier factoren het welzijn van studenten bepalen: kwalitatieve begeleiding, een veilig en pedagogisch leerklimaat, individuele veerkracht en structurele randvoorwaarden zoals werkdruk en toegankelijkheid van mentoren. Vooral een vaste, competente mentor blijkt cruciaal voor veiligheid, duidelijkheid en professionele groei.
Meer lezen

De rol van verpleegkundige interventies in de ambulante crisiszorg bij adolescenten na een suïcidepoging

HOGENT
2026
Marieke
Van der Eecken
Suïcide is de derde belangrijkste doodsoorzaak bij adolescenten tussen de 15 en 29 jaar oud. Daarnaast hebben deze adolescenten een verhoogd risico op een nieuwe suïcidepoging. Ondanks de groeiende aandacht voor ambulante crisiszorg, is er onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing voor verpleegkundige interventies gericht op detectie en secundaire preventie van suïcidaal gedrag bij deze doelgroep. Deze literatuurstudie onderzocht welke verpleegkundige interventies binnen de ambulante crisiszorg bijdragen aan de detectie en secundaire preventie van suïcidaal gedrag bij adolescenten na een suïcidepoging.
Meer lezen

Verpleegkundige interventies ter preventie van intubatie- geassocieerde pneumonie

HOGENT
2026
Sofie
Vossenberg
Ventilator-geassocieerde pneumonie (VAP) is één van de meest voorkomende complicaties bij invasief beademde patiënten op intensieve zorgen. VAP kan leiden tot verhoogde morbiditeit, mortaliteit en langere ziekenhuisopnames. Verpleegkundigen spelen een belangrijke rol in het voorkomen van deze complicatie door het toepassen van evidence-based preventieve interventies. Het doel van deze systematische literatuurstudie was te onderzoeken welke verpleegkundige interventies aanbevolen worden ter preventie van intubatie-geassocieerde pneumonie bij invasief beademde patiënten op intensieve zorgen.
Meer lezen

Kennis van bachelorstudenten verpleegkunde over de patiëntenrechtenwet

HOGENT
2026
Bente
Van Parys
Deze bachelorproef onderzocht het kennisniveau van bachelorstudenten verpleegkunde over patiëntenrechten en de vernieuwde patiëntenrechtenwet van 2024. Aan de hand van een online vragenlijst bij 43 studenten werd nagegaan hoeveel kennis studenten hebben over patiëntenrechten en hoe zij hun eigen kennis hierover inschatten. De resultaten tonen aan dat studenten over een matige kennis beschikken en dat hogere opleidingsjaren niet automatisch leiden tot meer kennis. Daarnaast bleek dat studenten hun eigen kennis niet altijd correct konden inschatten. Het onderzoek benadrukt het belang van blijvende aandacht voor patiëntenrechten binnen verpleegkundige opleidingen.
Meer lezen

Ervaringen van dove personen met communicatie in de gezondheidszorg

HOGENT
2026
Nina
D'hondt
Dit onderzoek had als doel de ervaringen van dove personen met communicatie en toegankelijkheid in de Vlaamse gezondheidszorg in kaart te brengen. De centrale onderzoeksvraag “Hoe ervaren dove personen in Vlaanderen de toegankelijkheid van de gezondheidszorg en de communicatie met zorgverleners?” kan op basis van de resultaten als volgt worden beantwoord.
Dove personen in Vlaanderen ervaren structurele en communicatieve drempels die hun toegang tot kwalitatieve gezondheidszorg bemoeilijken. Meer dan de helft van de respondenten (57,9%; n = 11) ondervindt communicatieproblemen tijdens zorgcontacten. Die drempels voor dove personen beginnen al voorafgaand aan de consultatie zelf. De telefonische bereikbaarheid van zorginstellingen zonder digitale alternatieven vormt hierbij de grootste hindernis (68,4%; n = 13). Daarnaast zorgen ook auditieve omroepsystemen in wachtzalen voor een barrière bij ruim de helft van de respondenten (52,6%; n = 10). Tot slot kampt 68,4% (n = 13) van de respondenten met een gebrekkige beschikbaarheid van tolken. Als gevolg hiervan wordt een deel van de zorg uitgesteld of vermeden, met negatieve gevolgen voor de gezondheid van de betrokkenen.
Een professionele tolk Vlaamse Gebarentaal is voor de meerderheid van de respondenten niet standaard aanwezig bij medische afspraken, waardoor zij een beroep moeten doen op naasten. Dit brengt ethische risico’s met zich mee en tast de autonomie en de privacy van de patiënt aan. Wanneer wel een professionele tolk aanwezig is, richt de zorgverlener zich bovendien vaak tot de tolk in plaats van tot de patiënt zelf.
Ondanks deze barrières toonden de meeste respondenten een actieve copingstrategie door expliciet om herhaling (57,9%; n = 11) of verduidelijking (52,6%; n = 10) te vragen. De gewenste verbeteringen zijn concreet en laagdrempelig. Het houden van direct oogcontact (78,9%; n = 15) en het actief nagaan of de informatie begrepen is (68,4%; n = 13) worden hier als de belangrijkste communicatietips bevonden.
Concluderend wijzen de bevindingen op een noodzaak aan veranderingen in de Vlaamse gezondheidszorg. Digitale communicatiekanalen, visuele oproepsystemen, vereenvoudigde tolkprocedures en een expliciete opleiding in dove-sensitieve communicatie zijn prioritaire stappen om de zorgkloof voor dove personen te dichten.
Meer lezen

Perioperatieve hypothermie bij volwassenen

HOGENT
2026
Melissa
Deij
Deze literatuurstudie onderzoekt welke verpleegkundige interventies beschreven worden om perioperatieve hypothermie te voorkomen bij volwassen patiënten die laparoscopische chirurgie ondergaan. Perioperatieve hypothermie is een frequent voorkomend probleem dat geassocieerd wordt met verschillende postoperatieve complicaties, zoals pijn, rillingen en infecties.

Op basis van zeven wetenschappelijke studies werden verschillende interventies geïdentificeerd, waaronder preoperatieve opwarming, actieve intraoperatieve opwarming, het gebruik van verwarmde vloeistoffen en temperatuurmonitoring. Daarnaast werd het belang van een multimodale aanpak benadrukt.

De resultaten suggereren dat deze interventies geassocieerd zijn met een betere temperatuurcontrole en gunstige klinische uitkomsten, zoals minder hypothermie, minder pijn en een kortere recoveryduur. Verder wordt het belang van een gestructureerd en evidence-based temperatuurmanagement binnen de perioperatieve zorg benadrukt.
Meer lezen