Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

De zorgvolmachtclausule in de huwelijkovereenkomst: een juridisch en praktijkgericht onderzoek naar de bescherming van echtgenoten bij wilsonbekwaamheid

Universiteit Hasselt
2026
Lisa
Winthaegen
Deze masterscriptie onderzoekt of de opname van een zorgvolmachtclausule in een huwelijksovereenkomst een meerwaarde kan bieden voor de bescherming van echtgenoten in geval van wilsonbekwaamheid, in het licht van artikel 12 van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (IVRPH). Het uitgangspunt van het onderzoek is de vaststelling dat het Belgische recht geen automatische vertegenwoordigingsbevoegdheid toekent aan echtgenoten wanneer één van hen wilsonbekwaam wordt. Hoewel het huwelijk rechten en plichten met zich meebrengt, biedt het huidige recht geen sluitende regeling voor situaties waarin één van de partners zijn of haar belangen niet langer zelfstandig kan behartigen. Het onderzoek heeft een interdisciplinair karakter en combineert een rechtsdogmatische analyse met een empirisch onderzoek. In het juridisch luik worden de begrippen wilsonbekwaamheid, handelingsonbekwaamheid, bewindvoering en huwelijksovereenkomst verduidelijkt. Daarnaast wordt het normatieve kader van artikel 12 IVRPH onderzocht, waarin autonomie, zelfbeschikking en gelijkheid voor de wet centraal staan. Vervolgens worden de bestaande beschermingsmechanismen binnen het Belgische recht geanalyseerd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen buitengerechtelijke bescherming via de zorgvolmacht en gerechtelijke bescherming via bewindvoering. Ook verschillende huwelijksvermogensrechtelijke instrumenten, zoals de rechterlijke machtiging en de overdracht van bestuursbevoegdheden, worden besproken.
Uit deze analyse blijkt dat geen van de bestaande instrumenten een alomvattende oplossing biedt voor situaties van wilsonbekwaamheid binnen het huwelijk. Bewindvoering is een ingrijpende en formele maatregel, terwijl de zorgvolmacht afhankelijk blijft van een voorafgaand initiatief van de betrokken persoon. De huwelijksvermogensrechtelijke instrumenten zijn bovendien beperkt in hun toepassingsgebied en vereisen doorgaans rechterlijke tussenkomst. Tegen deze achtergrond wordt in deze masterscriptie voorgesteld om een regeling van zorgvolmacht te integreren in de huwelijksovereenkomst. Daarbij gaat het niet noodzakelijk om één afzonderlijke clausule, maar eerder om een geheel van samenhangende bepalingen die echtgenoten vooraf toelaten elkaar aan te duiden als vertegenwoordiger in geval van toekomstige wilsonbekwaamheid.
De voorgestelde regeling wordt vervolgens getoetst aan artikel 12 IVRPH. Uit deze toetsing blijkt dat een dergelijke regeling in belangrijke mate aansluit bij de beginselen van autonomie en ondersteunende besluitvorming die in het verdrag centraal staan. De zorgvolmacht vertrekt immers van een voorafgaande wilsuiting van de betrokkene en laat toe dat deze zelf bepaalt wie hem of haar zal vertegenwoordigen en onder welke voorwaarden. Tegelijkertijd wordt benadrukt dat voldoende waarborgen noodzakelijk zijn om misbruik te voorkomen en om het evenwicht tussen bescherming en zelfbeschikking te bewaren.
Het empirisch onderzoek bestaat uit tien diepte-interviews met notarissen uit de provincie Limburg. De interviews tonen aan dat de zorgvolmacht in de praktijk steeds belangrijker wordt als instrument van toekomstige bescherming. De notarissen erkennen de voordelen van een geïntegreerde regeling binnen de huwelijksovereenkomst, onder meer op het vlak van rechtszekerheid, efficiëntie en autonomie. Tegelijk wijzen zij op het belang van maatwerk, duidelijke formuleringen en aandacht voor veranderende familiale omstandigheden.
De masterscriptie besluit dat de integratie van een zorgvolmachtclausule in de huwelijksovereenkomst een waardevolle aanvulling kan vormen binnen het Belgische recht. Zij kan bijdragen tot een meer autonomiegerichte en efficiënte bescherming van echtgenoten bij wilsonbekwaamheid en sluit aan bij de doelstellingen van artikel 12 IVRPH. Deze meerwaarde is echter niet absoluut en vereist een zorgvuldige juridische uitwerking met voldoende waarborgen tegen misbruik.
Meer lezen

Rekenen op meer. Een cognitieve taakanalyse van differentiatie voor sterke rekenaars.

Universiteit Antwerpen
2026
Maxime
Bultheel
Het Vlaamse onderwijslandschap wordt de laatste jaren geconfronteerd met een toenemende bezorgdheid over de rekenvaardigheden van sterke leerlingen. Tegelijkertijd worden leraren in het basisonderwijs geconfronteerd met een toenemende diversiteit binnen hun klasgroep. Zo wordt het uitdagender om tegemoet te komen aan de onderwijsnoden van sterke rekenaars. Om toekomstig onderpresteren, motivatieverlies en talentverlies te voorkomen, zijn interventies in het basisonderwijs van cruciaal belang. Uit onderzoek blijkt dat sterke rekenaars nood hebben aan aangepaste instructie die aansluit bij hun leerstatus en leerpotentieel. Dit plaatst leerkrachten voor didactische en organisatorische vraagstukken. Enerzijds moeten keuzes gemaakt worden die toelaten om sterke rekenaars van instructietijd te voorzien. Anderzijds rijst de vraag welke didactische kenmerken deze instructie idealiter moet bevatten.
Deze masterproef onderzocht hoe leraren de beschikbare instructietijd optimaal kunnen benutten om het leerproces van sterke rekenaars te ondersteunen. Het onderzoek werd uitgevoerd aan de hand van een cognitieve taakanalyse. Eerst werden interventies voor divergente differentiatie geïdentificeerd via een literatuurstudie en de e-learningmodules van Project TALENT. Vervolgens werden rekenlessen geobserveerd en gefilmd, waarna stimulated recall interviews werden afgenomen bij twee expertleerkrachten uit contrasterende expertisecontexten. De voorlopige bevindingen werden ten slotte verdiept en gevalideerd via een semigestructureerd interview met een inhoudsdeskundige.
De resultaten tonen aan dat effectieve differentiatie voor sterke rekenaars in de eerste plaats vertrekt vanuit een krachtige brede basiszorg. Doelgericht werken, afstemming tussen leerdoelen, leeractiviteiten en evaluatie, uitdagende denkactiviteiten en formatieve evaluatie blijken essentiële bouwstenen. Tegelijkertijd volstaat een brede basiszorg niet voor alle sterke rekenaars. Opvallend is echter dat plusdoelen, daarop afgestemde instructietijd en gerichte evaluatie voor sterke rekenaars in de geobserveerde praktijk nauwelijks werd teruggevonden. Differentiatie krijgt er voornamelijk vorm via compacten en zelfstandige verwerking van verrijkingsmateriaal. Compacten en verrijken blijken waardevolle aanvullende interventies, op voorwaarde dat zij aansluiten bij de leerstatus van leerlingen, dat instructietijd gegarandeerd wordt en dat leeractiviteiten vertrekken vanuit plusdoelen.
Meer lezen

Preserving Urban Identity

KU Leuven
2026
Madeline
Smid
Deze thesis onderzoekt hoe ruimtelijke herinneringen richting kunnen geven aan de transformatie van zowel institutioneel als beleefd erfgoed binnen de naoorlogse stedelijke wederopbouw. De focus ligt voornamelijk op Podil, een district in de Oekraïense hoofdstad Kyiv, waar de deelnemers vandaan komen. De thesis vertrekt vanuit de vaststelling dat binnen de naoorlogse wederopbouw van Oekraïne vaak de nadruk ligt op officieel erkend erfgoed, terwijl de alledaagse ruimtelijke herinneringen en levenservaringen van de inwoners het risico lopen over het hoofd te worden gezien.

De onderzoeksvraag luidt: Hoe kan ruimtelijke herinnering richting geven aan de transformatie van zowel institutioneel als beleefd erfgoed binnen de stedelijke wederopbouw na een conflict? Om deze vraag te beantwoorden, werd een participatieve aanpak ontwikkeld waarbij rechtstreeks werd samengewerkt met Oekraïense deelnemers uit hetzelfde stedelijke gebied in Kyiv. Aan de hand van een stapsgewijs proces van gesprekken en co-creatieve sessies combineerde het onderzoek memory talks, mentale kaarten, representatieve kaarten, tekeningen, maquettes en desktoponderzoek. Op deze manier werden de geleefde ervaringen en herinneringen van de deelnemers geleidelijk vertaald naar ruimtelijke representaties. Elke fase bouwde voort op de vorige en bracht nieuwe en meer gedetailleerde inzichten aan het licht. Gedurende het proces werd een dagboek bijgehouden waarin de ontwikkeling van de methodologie stap voor stap werd gedocumenteerd.

De bevindingen tonen aan dat stedelijke identiteit niet alleen wordt gedragen door monumenten, maar ook door alledaagse ruimtelijke structuren en zintuiglijke ervaringen. Op basis van de verschillende fasen van de methodologie werd een identiteitsgericht kader ontwikkeld dat bestaat uit vijf elementen: dagelijkse routine, groen ademen, connectiviteit, historische continuïteit en zintuiglijke rijkdom. Samen kunnen deze elementen de naoorlogse wederopbouw ondersteunen en bijdragen aan het behoud van de stedelijke identiteit.

Het kader werd toegepast op een geselecteerd gebied rond Hostynyi Dvir en de omliggende publieke ruimtes. De toepassing toonde aan hoe het identiteitsgerichte kader kan worden vertaald naar een ontwerp. In plaats van een vastomlijnd ontwerpvoorstel te formuleren, biedt de thesis een kwalitatieve methode om te herkennen welke ruimtelijke kwaliteiten bijdragen aan een gevoel van verbondenheid, collectief geheugen en stedelijke continuïteit. Hoewel het kader werd toegepast op een specifieke locatie, is het overdraagbaar en kan het op verschillende schaalniveaus en in uiteenlopende contexten worden gebruikt, van één gebouw tot een volledig district of een hele stad.

Deze thesis stelt dat naoorlogs herstel verder moet gaan dan het beschermen van officieel erkend erfgoed en dat participatieve benaderingen moeten worden ingezet om te ontdekken welke alledaagse ruimtelijke kwaliteiten eveneens het bewaren waard zijn. Ruimtelijke herinnering vormt daarbij de belangrijkste basis voor een wederopbouw die niet alleen gebouwen herstelt, maar ook de voorwaarden creëert voor het voortzetten van het stedelijke leven. Op die manier kan toekomstige wederopbouw evolueren naar een meer bottom-up praktijk, geworteld in de herinneringen, ervaringen en dagelijkse realiteit van de mensen die de stad bewonen.
Meer lezen

Voorbij het monsterbeeld: de haai als slachtoffer

HOGENT
2026
Marlies
Hemelinckx
Shark species are declining and anthropogenic pressures are on the rise.
This study investigates the occurrence and characteristics of anthropogenic injuries in bull sharks and oceanic blacktip sharks at Aliwal Shoal, Umkomaas, South Africa. The aim is to assess injury frequency, origin, type, anatomical distribution and seasonal variation, as well as the influence of photographic coverage on injury detection.
A total of 383 sharks were analysed, consisting of 53 bull sharks and 330 oceanic blacktip sharks. For bull sharks, 3,975 photographs were systematically reviewed, while 25,354 photographs were analysed for oceanic blacktip sharks. Data was collected using photographic records and classified according to injury presence, number, origin, type and body location. Seasonal patterns were derived from the month of observation and grouped into seasonal categories.
Anthropogenic injuries were recorded in both species, with a substantial proportion of individuals affected. Fishing-related injuries were the most frequent in both bull sharks and oceanic blacktip sharks, followed by vessel-related injuries. Most sharks exhibited a single injury, although multiple injuries per individual were also observed, particularly in oceanic blacktip sharks. Retained fishing gear and associated wounds were the most common injury type, while fins were the most frequently affected body region in both species.
Seasonal variation in newly observed injuries indicated differences in distribution across seasons, with relatively higher frequencies during warmer periods. Photographic analysis showed that a considerable proportion of sharks did not have full-body coverage, suggesting that some injuries may not have been detected and that reported values likely underestimate true occurrence.
Overall, the results demonstrate widespread anthropogenic interaction with sharks at Aliwal Shoal and highlight the importance of fisheries as the main source of injury, as well as the need for improved monitoring methods to better assess impacts on shark populations.
Meer lezen

Systematische substitutie van hoog risicochemicaliën in organische onderwijs-laboratoria aan Quy Nhon Universiteit

Universiteit Antwerpen
2026
Jenno
Vanassche
Deze scriptie onderzoekt hoe bestaande organische onderwijspractica aan de Quy Nhon University (Vietnam) veiliger en duurzamer kunnen worden herontworpen. Een bestaand Excel-gebaseerd risicoanalyse-instrument werd hiervoor uitgebreid met een functionele analyse van de chemicaliën en het gebruik van Hansen solubility parameters (HSP) voor solventselectie. Uit een screening van 98 experimenten werden de meest risicovolle proeven geselecteerd, waarna voor drie hoog-risico experimenten succesvol veiligere alternatieven werden voorgesteld en geëvalueerd. De studie toont aan dat gevaarlijke reagentia en solventen effectief vervangen kunnen worden, waarbij een optimale afweging wordt gemaakt tussen een lagere gevarenscore, materiaalefficiëntie (atoomeconomie), kostprijs en het behoud van de didactische waarde.
Meer lezen

Real-Time Remote AI Segmentation over 4G/5G Networks for Assistive Navigation on Custom Trails for Visually Impaired Persons (VIPS)

Vrije Universiteit Brussel
2026
Maarten
Dequanter
De scriptie onderzoekt of artificiële intelligentie en publieke 4G/5G-netwerken kunnen worden ingezet om blinde en slechtziende personen in real time te ondersteunen bij het volgen van wandelpaden. Een camera maakt beelden van de omgeving, waarna een AI-model het begaanbare pad herkent en omzet in eenvoudige richtingsinformatie, zoals links, rechts of rechtdoor. Daarbij wordt onderzocht of die beeldanalyse best lokaal op een klein toestel gebeurt of op een krachtige computer op afstand.

Uit de experimenten blijkt dat een energiezuinig toestel zoals een Raspberry Pi 5 onvoldoende snel is voor lokale real-time beeldsegmentatie, terwijl verwerking op een externe GPU via een publiek 5G-netwerk wel voldoende snel kan reageren. Tijdens veldmetingen werd een gemiddelde 5G-latency van ongeveer 24 ms gemeten en bleef de totale reactietijd bij geschikte instellingen onder ongeveer 200 ms, wat bruikbaar is voor begeleiding aan wandelsnelheid.

De scriptie ontwikkelt daarnaast een veilige en reproduceerbare testmethode met een digitaal park in Unreal Engine en vormde de technische basis voor de smartphone-app Stay On Trails en het vervolgproject BlindNavParks, dat steun kreeg van de Koning Boudewijnstichting.

Kort samengevat: de scriptie toont aan dat cloudondersteunde AI via bestaande 5G-netwerken technisch haalbaar is als basis voor betaalbare assistieve navigatie voor mensen met een visuele beperking.
Meer lezen

Naamgeving in het digitale tijdperk: Een kwalitatieve studie naar de rol van traditionele media, sociale media, apps in het keuzeproces van voornamen bij jonge ouders

Universiteit Antwerpen
2026
Marieke
Vanooteghem
Het kiezen van een voornaam is een betekenisvolle beslissing waar ouders veel tijd en moeite in steken. Eerder onderzoek toonde al de rol van traditionele media in naamgevingspraktijken aan, maar de invloed van sociale media en apps op dit proces blijft onderbelicht. Deze studie onderzoekt de rol van traditionele media, sociale media en apps in het beslissingsproces in de voornaamkeuze bij jonge ouders. Aan de hand van semigestructureerde diepte-interviews met 21 respondenten, waaronder tien koppels die samen geïnterviewd werden en één alleenstaande moeder, werd het naamgevingsproces in kaart gebracht volgens het fasenmodel van Aldrin (2014), dat loopt van de inspiratiefase tot de narratieve fase. De resultaten tonen aan dat media een rol spelen in verschillende fasen van het naamgevingsproces, al is dat niet in alle fasen het geval en verschilt de mate van invloed. De inspiratiefase vertoonde de sterkste media-betrokkenheid. Websites, en in het bijzonder de databank van Kind en Gezin, werden systematisch gebruikt, Instagram fungeerde als een belangrijke bron van zowel toevallige als gerichte blootstelling aan namen, en babynaam-apps hielpen koppels bij het opstellen van een eerste shortlist. In de vergelijkingsfase vervulden media-gerelateerde associaties een filterfunctie, terwijl media in de narratieve fase een betekenisgevende rol op zich namen. Een opmerkelijke bevinding was het opkomende gebruik van AI-tools bij enkele respondenten, wat wijst op een trend die verder onderzoek verdient. Deze bevindingen tonen aan dat het naamgevingsproces in het digitale tijdperk sterk verweven is geraakt met dagelijks mediagebruik, en roepen op tot verder onderzoek naar de rol van platformen zoals TikTok en AI-tools.
Meer lezen

Van Draagkracht naar Teamveerkracht

Hogeschool UCLL
2026
Marylène
Hoho
Onderzoek binnen een specifieke zorgcontext binnen de jeugdzorg over het effect van welzijn op de werkprestaties, draagkracht en veerkracht van de medewerkers en het volledige team.
Meer lezen

Innovatieve Thermische Responstesten voor Geothermische Boorvelden

KU Leuven
2026
Bart
Vandenhout
Geothermische warmtepompen kunnen gebouwen efficiënt en duurzaam verwarmen en koelen, maar de hoge kost van boringen blijft een belangrijke drempel. Om een boorveld correct te dimensioneren, wordt daarom vaak een thermische responstest uitgevoerd. Zo’n test meet hoe goed de bodem warmte kan opnemen en afgeven, maar duurt doorgaans meerdere dagen.

In deze thesis onderzocht ik hoe deze testen sneller en efficiënter kunnen. Daarvoor ontwierp en bouwde ik zelf een nieuw meettoestel dat twee verschillende soorten thermische responstesten kan uitvoeren. Met dit toestel voerde ik praktijktesten uit op een boorveld en vergeleek ik beide methodes rechtstreeks onder dezelfde omstandigheden. De klassieke methode met constant vermogen bleek daarbij het meest robuust en praktisch inzetbaar.

Daarnaast ontwikkelde ik een nauwkeuriger thermisch model waarmee ook de eerste uren van een meting kunnen worden benut. Hierdoor kon de benodigde testduur gemiddeld met tot 24% worden verkort. Snellere en betrouwbare metingen kunnen de kosten van geothermische projecten verlagen en zo bijdragen aan een bredere toepassing van duurzame verwarming en koeling.
Meer lezen

Van Kunst naar Kunstmatigheid. Het gebruik van literaire werken uit schaduwbibliotheken bij de training van generatieve AI-modellen in het licht van het Europese auteursrecht

KU Leuven
2026
Eva
Van Remoortel
De opkomst van grote taalmodellen, zoals OpenAI’s ChatGPT, zet het Europese auteursrecht onder druk door de grootschalige verwerking van beschermde literaire werken als trainingsdata. Uit recente Amerikaanse procedures tegen Meta en Anthropic bleek dat dergelijke trainingsdata miljoenen illegaal verspreide boekkopieën omvatten. Deze masterproef onderzoekt de juridische toelaatbaarheid van het gebruik van auteursrechtelijk beschermde literaire werken uit digitale schaduwbibliotheken, zoals Library Genesis, voor de training van commerciële generatieve AI-modellen binnen het huidige Europese auteursrechtelijke kader en of dit kader toereikend is.

Het onderzoek vertrekt vanuit een analyse van het Unierechtelijk normatieve kader, met bijzondere aandacht voor het reproductierecht, het gesloten systeem van wettelijke uitzonderingen en de commerciële TDM‑uitzondering van artikel 4 DSM‑richtlijn. Centraal staat de interpretatie van ‘rechtmatig toegankelijke werken’, een constitutief vereiste voor de toepasbaarheid van de TDM‑uitzondering. Tegen deze normatieve achtergrond kwalificeert het onderzoek schaduwbibliotheken als structureel inbreukmakende bronnen. Commerciële AI‑aanbieders die dergelijke bronnen gebruiken, kunnen zich bijgevolg niet beroepen op de commerciële TDM‑uitzondering. Zelfs indien AI‑training onder het begrip TDM zou vallen, blijft deze bronvereiste een absolute drempel.

Een rechtsvergelijkende analyse met de Amerikaanse fair use-doctrine toont een structureel verschil met het continentaal Europese gesloten systeem van uitzonderingen, maar ook een opvallende convergentie in uitkomst. De Amerikaanse schikking in Bartz v. Anthropic illustreert dat AI-aanbieders een enorm juridisch risico lopen bij het gebruik van trainingsdata uit schaduwbibliotheken.

De thesis onderzoekt vervolgens de effectiviteit van het Europese handhavingskader. Verschillende obstakels die de praktische afdwingbaarheid ondermijnen, komen aan bod. Hoewel de AI‑verordening aanvullende verplichtingen inzake transparantie en naleving auteursrecht introduceert, blijven deze voorlopig onvoldoende uitgewerkt om effectieve private handhaving te waarborgen.

De masterproef concludeert dat het gebruik van werken uit digitale schaduwbibliotheken voor AI‑training onverenigbaar is met het Europese auteursrecht. Hoewel het normatieve kader juridisch duidelijk is, schiet de praktische handhaving tekort. Een norm die niet afdwingbaar is, verliest onvermijdelijk haar regulerende kracht in een digitale economie die grenzen moeiteloos overschrijdt.
Meer lezen

Evaluatie en optimalisatie van DLC-scanmethode voor de bepaling van de radiochemische zuiverheid van technetium-99m-radiofarmaca: vergelijking met de “knip-en meetmethode”

Erasmushogeschool Brussel
2026
Fleur
Patteaux
In de nucleaire geneeskunde is de bepaling van de RCP essentieel voor de patuëntveiligheid en beeldkwaliteit. Deze studie evalueert of een geautomatiseerde TLC-scanner een betrouwbaar en efficiënt alternatief vormt voor de arbeidsintensieve "knip-en-meetmethode".

De studie beoogt de bruikbaarheid van een TLC-scanner als alternatief voor de conventionele methode te beoordelen en te onderzoeken of het optimaliseren van chromatografische condities meerwaarde biedt ten opzichte van de standaard SKP-richtlijnen voor zes specifieke Tc-99m-radiofarmaca (HDP,DMSA, MAG3, Pulmocis, Nanoscint en Myoview).

RCP-waarden werden parallel bepaald met de TLC-scanner en de knip-en meetmethode. Er werden experimenten uitgevoerd met geoptimaliseerde condities om de piekscheiding te verbeteren. Statistische analyse werd uitgevoerd met t-testen en een Bland-Altman-analyse om de bias en de grenzen van overeenstemming te bepalen.

De resultaten tonen aan dat de TLC-scanner betrouwbare RCP-waarden levert onder zowel SKP- als geoptimaliseerde condities, waarbij consistent aan de acceptatiecriteria wordt voldaan. Er werd geen statistisch significant verschil (p > 0,05) gevonden tussen de SKP- en de geoptimaliseerde methoden. Hoewel de RCP vergelijkbaar bleef, leidde optimalisatie tot scherpere pieken en een minder subjectieve interpretatie van de chromatogrammen. De Bland-Altman-analyse bevestigde een sterke correlatie met de knip-en-meetmethode met een verwaarloosbare bias.

De TLC-scanner is een valide, reproduceerbaar alternatief dat de efficiëntie, standaardisatie en stralingsbescherming in de routinepraktijk verhoogt. Hoewel de huidige protocollen robuust zijn, bieden geoptimaliseerde methoden duidelijke voordelen voor de dagelijkse interpretatie van de kwaliteitscontrole.
Meer lezen

Van inzicht naar actie.

Thomas More Hogeschool
2026
Luci
Mioc
  • Stien
    Ceulemans
Therapieontrouw bij medicatie komt vaak voor, maar de onderliggende oorzaken blijven in de dagelijkse zorgpraktijk dikwijls onopgemerkt. Deze bachelorproef onderzoekt hoe zorgverleners therapieontrouw beter kunnen herkennen, de oorzaak ervan kunnen achterhalen en gerichte interventies kunnen inzetten.

Op basis van wetenschappelijke literatuur werden praktische hulpmiddelen ontwikkeld die zorgverleners ondersteunen in dit proces. De oplossing bestaat uit een digitale applicatie, de Therapietrouw Assistent Tool (TAT), aangevuld met praktische steekkaarten . Deze hulpmiddelen helpen zorgverleners om signalen van therapieontrouw systematisch te analyseren en evidence-based interventies toe te passen.

Met deze bachelorproef wordt de brug geslagen tussen wetenschappelijke inzichten en de dagelijkse praktijk. Het doel is de therapietrouw, de kwaliteit van zorg en leven en de patiëntgerichte begeleiding te verbeteren. Want therapieontrouw is geen falen van de patiënt of bewoner, maar een signaal naar de zorgverleners om beter te ondersteunen!
Meer lezen

FROM SPATIAL ECOLOGY TO ECOSYSTEM IMPACT: LARGE GRAZERS IN HEATH AND DUNE LANDSCAPES LINKING MOVEMENT BEHAVIOUR, HABITAT SELECTION, AND VEGETATION DYNAMICS IN THE WESTHOEK AND KALMTHOUTSE HEIDE

Universiteit Gent
2026
Jobbe
Vermandere
Het inzetten van vrij rondlopende grote herbivoren vormt een hoeksteen van het natuurbeheer in Europa. De bedoeling is om via extensieve begrazing natuurlijke processen te herstellen, zoals het tegenhouden van snelle vegetatiesuccessie en het in stand houden van de structurele diversiteit van open landschappen. Hierdoor wordt dit type beheer ook wel procesbeheer genoemd. In voedselarme ecosystemen, zoals kustduinen en laaglandheiden, heeft de wijdverspreide stikstofdepositie en het wegvallen van historische verstoringen geleid tot een snelle structurele achteruitgang. Dit uit zich voornamelijk in de vestiging van sterk competitieve grassen en kruidachtigen (vergrassing of verruiging) en de vestiging van dicht struikgewas (verstruweling),
waardoor gespecialiseerde pioniersoorten worden verdrongen en de biodiversiteit afneemt. Hoewel begrazing voor natuurbeheer op grote schaal wordt ingezet om deze bedreigingen te verminderen, blijven de precieze ruimtelijke mechanismen waarmee deze dieren habitat selecteren en interageren met fysieke infrastructuur complex en contextgebonden. Deze studie evalueerde de ruimtelijke ecologie en het vermogen tot ecosysteembeïnvloeding van grote herbivoren in twee structureel verschillende landschappen: de kustduinen van de Westhoek (begraasd door een gemengde groep paardachtigen bestaande uit Konikpaarden en Shetlandpony’s en een kudde Schotse hooglanders) en de laaglandheide van de Kalmthoutse Heide (begraasd door een kudde Galloway-runderen). Om de kloof tussen de bewegingen van individuele dieren en successieveranderingen op landschapsschaal te overbruggen, maakte dit onderzoek gebruik van een meerledig
methodologisch kader dat was onderverdeeld in drie afzonderlijke werkpakketten (WP). Ten eerste
werd Continuous-Time Movement Modelling (ctmm) toegepast op GPS-telemetriegegevens om
het gebruik van ruimte met grensbeperkingen en ruimtelijke verzadiging in kaart te brengen (WP1).
Deze benadering corrigeerde wiskundig voor inherente temporele autocorrelatie en maakte gebruik
van Degrees of Freedom (DOF)-filtering om robuuste Autocorrelated Kernel Density Estimates
(AKDE) te extraheren. Ten tweede werden geïntegreerde Resource Selection Functions (iRSF)
ingezet om de habitatkeuze op kleine schaal en de onderliggende milieubeperkingen te evalueren
(WP2). De iRSF-modellen gebruikten specifiek het AKDE-gebied van elk dier als
beschikbaarheidsbasis, waardoor de habitatkeuze strikt werd geëvalueerd ten opzichte van het
toegankelijke landschap, terwijl tegelijkertijd rekening werd gehouden met continue variabelen
zoals topografie, afstand tot water en afstand tot antropogene infrastructuur (paden en hekken).
Ten slotte werden vegetatiehoogtekaarten met hoge resolutie uit 2020 en 2025 in de Westhoek
geanalyseerd om dit ruimtelijk gedrag te koppelen aan structurele landschapsveranderingen
(WP3). Door ruimtelijke pixels te categoriseren in vegetationele overgangstoestanden (Stabiel,
Regressie of Toename), werd de cumulatieve ruimtegebruiksintensiteit van de paarden
gemodelleerd tegen abiotische stressfactoren om de werkelijke drijvende krachten achter de
vegetatiedynamiek te bepalen.
De ruimtelijke modellen (WP1) brachten fundamentele verschillen in de ruimtelijke basisecologie
aan het licht, die worden bepaald door eigenschappen op soortniveau en de dynamiek binnen de
kudde. Uit de ruimtelijke tracking bleek dat noch de paardachtigen in de Westhoek (na de corridor
opening) noch de Galloway-runderen op de Kalmthoutse Heide biologisch verzadigd zijn. Hun
leefgebieden worden dus niet volledig bepaald door de fysieke grenzen van de reservaten, wat
wijst op actieve en doelgerichte ruimtelijke keuzes. De Galloway-runderen vertoonden relatief grote
seizoensgebonden schommelingen in de omvang van het leefgebied, wat wijst op dynamische
aanpassingen aan de beschikbaarheid van voedselbronnen. Omgekeerd vertoonden de
paardachtigen in de Westhoek het hele jaar door relatief stabiele leefgebieden, wat wijst op een
biologisch verschil waarbij paardachtigen minder gevoelig zijn voor seizoensgebonden fenologie.
De paardachtigen vertoonden echter wel significante seizoensgebonden verschuivingen in hun
kerngebieden, wat bevestigt dat, hoewel hun totale gebied stabiel blijft, hun interne foerageerfocus
dynamisch verschuift. Bovendien zorgde een lage interindividuele variatie voor een vrij
samenhangende kuddedynamiek bij de runderen, terwijl een hoge interindividuele variatie onder
de paardachtigen leidde tot duidelijke divergentie tussen subkuddes. Daarnaast evalueerde WP1
de impact van het herstel van de landschapsconnectiviteit in de Westhoek via de opening van een
corridor in de winter van 2022-2023. Hoewel de opening een aanzienlijke uitbreiding van de
absolute omvang van de leefgebieden van de paardachtigen veroorzaakte, werd deze uitbreiding
niet uniform door de hele groep overgenomen, wat benadrukt dat landschapsconnectiviteit wordt
gemedieerd door lokale locatietrouwheid en interne sociale structuren.
De evaluatie van de habitatkeuze op kleinschalig niveau (WP2) bevestigde deze verschillen op
soortniveau nog eens extra. Op de Kalmthoutse Heide fungeerden de runderen als biologische
filters: ze zochten actief habitat op met een begraasbare laag (bijvoorbeeld gras- of boomopslag)
en vermeden zuivere heidegebieden zonder begraasbare laag. Deze selectie was het sterkst
tijdens de voorjaarsgroei en werd geleidelijk breder naarmate het groeiseizoen ten einde liep. In
de Westhoek kozen paardachtigen onevenredig vaak voor open, grasrijke vegetatie boven dicht
struikgewas, hoewel morfologische verschillen de kleinere Shetlandpony's waarschijnlijk in staat
stelden om ijle vegetatie (bijv. Schaarsbegroeid) en laag struikgewas (Kruipwilg_laagstruweel)
gunstiger te exploiteren. Deze divergentie geeft aan dat kleinere paardachtigen niches kunnen
exploiteren die grotere paardachtigen negeren of waarin ze niet kunnen overleven door gebruik te
maken van andere biomechanische eigenschappen en kleinere beetgroottes, waardoor de totale
ecologische impact op het landschap wordt verbreed.
Naast de categorische vegetatie werd de ruimtelijke verspreiding aanzienlijk beïnvloed door
voortdurende abiotische en antropogene beperkingen. Nabijheid van water bleek in beide
reservaten geen beperkende factor te zijn; noch de paardachtigen, noch de runderen vertoonden
een afhankelijkheid van stilstaand oppervlaktewater, maar toonden ruimtelijke neutraliteit of actieve
vermijding. Topografisch gezien kozen de runderen (in de lente), de grotere Konik-paarden (in de
zomer en herfst) en de Shetlandpony (in de herfst) actief voor vlakker terrein, waarschijnlijk om de
metabolische bewegingskosten te minimaliseren. Hoewel de Shetlandpony deze voorkeur voor
vlakker terrein in de herfst deelde, week hij in de zomer af van de Koniks door topografisch neutraal
te blijven. Deze seizoensgebonden divergentie suggereert ofwel dat de kleinere lichaamsmassa
van de pony voor meer wendbaarheid zorgt, waardoor het relatieve metabolische nadeel van
voortbeweging op steilere hellingen afneemt, ofwel dat de solitaire pony door de Konik-kuddes of
de Schotse hooglander kudde competitief wordt verdrongen naar minder gunstige, steilere
topografie. Wat de menselijke infrastructuur betreft, dwongen de modellen een heroverweging af
van de visie van algemene antropogene vermijding. Terwijl de omheiningen van het reservaat
fungeerden als een ruimtelijke barrière voor de paardachtigen (in de lente en winter, voornamelijk
gedreven door de Shetlandpony), fungeerden ze als een ruimtelijk aantrekkingspunt voor de
Galloway-runderen in de lente. Gelijkaardig werkten de interne paden als ruimtelijke
aantrekkingspunten voor zowel de Shetlandpony als de Galloway-runderen. Dit toont aan dat grote
herbivoren, in plaats van menselijke infrastructuur universeel te vermijden, padennetwerken
potentieel kunnen gebruiken als navigatiecorridors, en omheiningen als structurele
oriëntatiepunten.
Terwijl WP1 en WP2 vaststelden hoe de paardachtigen in de Westhoek navigeren en hun habitat
selecteren, evalueert WP3 de wederzijdse ecologische impact: hoe de langdurige ruimtelijke
aanwezigheid van deze herbivoren actief het successietraject van de vegetatie in het reservaat
beïnvloedt. Door veranderingen in vegetatiehoogte te modelleren tegen de achtergrond van
cumulatieve ruimtegebruiksintensiteit en abiotische beperkingen, ontstaat een ruimtelijk verhaal
over de voordelen en beperkingen van top-downcontrole door grazers. De vegetatiemodellering
toonde aan dat een hoog cumulatief ruimtegebruik door paardachtigen fungeert als een effectieve
preventieve barrière tegen de initiële vorming en verspreiding van ruige vegetatie. De gegevens
definieerden echter tegelijkertijd de grenzen van deze top-down biologische controle. Zodra
houtige of ruige vegetatie de initiële herbivoriebarrière met succes doorbreekt, volstaat intens
ruimtegebruik niet meer om de terugtrekking ervan af te dwingen. Gedreven door een
synergetische combinatie van lokale nutriëntenafzetting, mechanische bodemverstoring en
verminderde concurrentie, kan intensief ruimtegebruik door paardachtigen zelfs de verticale groei
van gevestigd hoog struikgewas bevorderen. De ontmanteling van vegetatie in een laat, volwassen
stadium wordt uitsluitend aangedreven door bottom-up abiotische stressfactoren in plaats van top
down herbivorie. De diepte van het grondwater in het voorjaar had het meest uitgesproken effect
op de vegetatiedynamiek: het bepaalde de stabiliteit van pioniersmatrices, stimuleerde de
terugtrekking van ruige vegetatie en fungeerde als de belangrijkste natuurlijke stressfactor die de
voortdurende groei of aanwezigheid van laag en hoog struikgewas voorkwam. Bovendien werd de
dynamiek van ondieper gewortelde grassen en kruiden gedicteerd door hoge omgevingsstress,
waarbij deze matrices groeiden en afnamen in gebieden die gekenmerkt worden door diep
grondwater, steilere hellingen en een hoge blootstelling aan de zon.
Voor natuurbeheer biedt deze thesis duidelijke, op gegevens gebaseerde aanbevelingen met
betrekking tot het gebruik van vrij rondlopende grote herbivoren. Uiteindelijk toont deze studie aan
dat de impact van deze grote herbivoren als ecosysteemingenieurs niet uniform of absoluut is. De
ruimtelijke dynamiek bevestigt dat ruimtegebruik een effectief, gericht instrument kan zijn om
vroege successie te stoppen, open matrices in stand te houden en gedegradeerde habitats aan te
pakken. Omdat grazers echter geen gevestigd struikgewas kunnen ontmantelen, vereist het
terugdringen van volgroeide houtige begroeiing een strategische, dubbele beheersaanpak die
biologisch ruimtegebruik koppelt aan gerichte mechanische ingrepen. Bovendien benadrukt de
ruimtelijke divergentie van de Shetlandpony de cruciale waarde van morfologische diversiteit.
Specifiek geeft deze divergentie aan dat kleinere paardachtigen, door gebruik te maken van andere
biomechanische eigenschappen en een kleinere hapgrootte, niches kunnen benutten die grotere
paardachtigen negeren of waarop ze niet kunnen overleven, waardoor de totale ecologische impact
op het landschap wordt verbreed. Ten slotte wijst de aantrekkingskracht van paden en het
verspreidingseffect van corridors op nieuwe, proactieve beheersmogelijkheden. In plaats van
menselijke infrastructuur als een verstoring te beschouwen, kunnen beheerders strategisch interne
padennetwerken en corridors ontwerpen die als biologische trechters fungeren, waardoor grazers
naar specifieke doelgebieden worden geleid en de ecologische manipulatie (engineering) in het
bredere landschap wordt gemaximaliseerd.
Meer lezen

Experimental and design evaluation of SrTiO3 as a nonlinear RF material for a quantum limited amplifier

KU Leuven
2026
Elien
Van Clemen
De inhoud van de scriptie moet confidentieel blijven.

Het uitlezen van qubits vindt plaats in het enkel-fotonregime. Daarom is versterking bij cryogene temperaturen noodzakelijk om de kwantuminformatie uit te lezen. Parametrische versterking vormt een veelbelovende methode, omdat het signaalversterking realiseert via gecontroleerde energieoverdracht in een niet-lineair medium met minimale toevoeging van ruis. Recent is aangetoond dat een dunne laag van het perovskiet SrTiO3 bij cryogene temperaturen een sterke tweede-orde niet-lineariteit vertoont in het optische domein. Vergelijkbaar niet-lineair gedrag wordt daarom verwacht in het RF-domein, wat SrTiO3 een geschikte kandidaat maakt voor parametrische versterking. Dit concept zou een alternatief kunnen vormen voor bestaande versterkers, zoals Josephson-parametrische versterkers (JPV) en kinetische inductie-parametrische versterkers (KIPV), die beperkingen kennen op het gebied van dynamisch bereik en gevoeligheid voor externe magnetische velden.

Dit project onderzoekt de haalbaarheid van een SrTiO3 parametrische versterker. Daartoe zijn de tweede- en derde-orde niet-lineaire susceptibiliteiten χ^(2) en χ^(3) gekarakteriseerd bij millikelvintemperaturen in het RF-domein. Het gevonden resultaat voor χ^(2) sluit goed aan bij een schatting op basis van de elektro-optische bijdrage. De waargenomen afhankelijkheid van de DC-spanning wordt toegeschreven aan de vorming van polarisatiedomeinen, die ontstaan door een voorkeursrichting van het centrale titaniumatoom in het SrTiO3-rooster.

Op basis van de gekwantificeerde niet-lineariteiten is een versterker ontworpen en geoptimaliseerd, en is de prestatie ervan theoretisch gemodelleerd. Dit voorspelt een sterke versterking met bandbreedtes met grootteordes van tientallen MHz, vergelijkbaar met JPV's en KIPV's. Dit type versterker is veelbelovend, aangezien het dynamisch bereik naar verwachting vergelijkbaar zal zijn met dat van KIPV's en zelfs groter dan dat van JPV's. Dit zou de voorgestelde versterker tot een competitief, ruisarm en cryogeen alternatief kunnen maken voor huidige technologieën. Experimentele bevestiging van deze voorspelde resultaten is echter nog noodzakelijk.
Meer lezen

Mucus Diffusion of Apremilast Nanocrystals in Healthy and Cystic Fibrosis Models for Pulmonary Drug Delivery

Universiteit Gent
2026
Marion
Van Hulle
Dit onderzoek focust op nanogeneeskunde, in het bijzonder voor pulmonale geneesmiddeltoediening, waarbij zowel de beperkte wateroplosbaarheid van veel geneesmiddelen als de barrièrefunctie van mucus belangrijke formulatie uitdagingen vormen. Apremilast (APR), een slecht wateroplosbare fosfodiësterase 4 inhibitor met therapeutisch potentieel voor cystic fibrosis (CF), vereist een formulering die de oplosbaarheid verhoogt en diffusie door mucus mogelijk maakt. De centrale vraag is of APR nanokristallen (NCs) diffunderen door gezonde en CF-mucusmodellen en welke formulatie en mucusgerelateerde parameters deze diffusie bepalen. Hiervoor beoogt dit onderzoek de ontwikkeling en karakterisering van APR NCs, het formuleren van gezonde en CF mucusmodellen en de evaluatie van APR NC transport doorheen deze barrières.
APR NCs worden geproduceerd via geminiaturiseerde natte kogelmaling (WBM) en gestabiliseerd met Lutrol F127 (Lut), natriumcholaat (NaChol) of NaChol gecombineerd met chitosan HCl (Chit). De NCs worden gekarakteriseerd op deeltjesgrootte, polydispersiteit, zeta potentiaal (ZP) en structurele integriteit. Alle formuleringen leveren gemiddelde deeltjesgroottes onder 250 nm, ruim binnen het vereiste bereik van 200–400 nm en FT IR bevestigt dat APR zijn structuur behoudt. Na één maand opslag bij 4 °C worden kleine deeltjesgroottetoenames gezien voor APR NaChol en APR Chit NaChol. De ZP weerspiegelt de gebruikte stabilisator en duidt op matig stabiele dispersies. Gezonde en CF mucusmodellen met en zonder mucine worden ontwikkeld en gevalideerd via reologie. Shear thinning en visco elastisch gedrag wordt waargenomen, kenmerkend voor luchtwegmucus. CF modellen vertonen hogere viscositeiten en moduli dan gezonde modellen, conform met literatuurgegevens. De diffusie van APR NCs door de mucusmodellen wordt beoordeeld met Franz cellen en gekwantificeerd via HPLC. In alle mucinebevattende modellen is de permeatie van de drie APR NC formuleringen na 6 u consequent 14–40% lager dan in de mucinevrije varianten, wat aangeeft dat mucine een meer restrictieve en fysiologisch realistische diffusiebarrière vormt. In het CF-model met mucine vertoont APR Lut de hoogste permeatie na 6u, waarbij ongeveer 50% geneesmiddeldiffusie wordt bereikt, APR NaChol vertoont een zeer vergelijkbaar niveau en APR Chit NaChol vertoont duidelijk minder permeatie.
Dit onderzoek benadrukt dat WBM de controle over deeltjesgrootte en oppervlaktesamenstelling van NCs mogelijk maakt, waarbij de stabilisator de uiteindelijke oppervlakte eigenschappen en daarmee de mucusdiffusie bepaalt. Een geschikte stabilisator moet een muco inert, sterisch gehydrateerd en neutraal oppervlak creëren dat elektrostatische en hydrofobe interacties met mucine minimaliseert. Dit onderzoek bevestigt de waarde van alginaat/mucine hydrogels als reproduceerbaar platform voor vroege screening van mucustransport. Toekomstig werk omvat langetermijn stabiliteitsstudies, extra oppervlaktemodificaties van NCs en de incorporatie van meer CF specifieke componenten in de mucusmodellen.
Meer lezen

Calibrating gravitational wave detectors using scattered light

Universiteit Gent
2026
Arthur
Callens
Zwaartekrachtsdetectoren zoals Virgo meten uiterst kleine lengteveranderingen in hun kilometerslange laserarmen om zwaartekrachtsgolven van botsende zwarte gaten en neutronensterren te detecteren. De betrouwbaarheid van deze metingen (massa, afstand en locatie van de bron) hangt volledig af van de nauwkeurigheid waarmee het instrument geijkt is. Een bekende bron van systematische fouten is verstrooid licht: een klein deel van het laserlicht lekt door de eindspiegels van de detector en kan, wanneer het weerkaatst en opnieuw de arm binnendringt, een echte zwaartekrachtsgolf nabootsen.

Deze scriptie onderzoekt of dit ongewenste effect net bewust kan worden opgewekt en gebruikt als onafhankelijke ijkingsmethode. Een piëzo-elektrisch plaatje, geplaatst achter de eindspiegel, wordt op een gekozen frequentie in trilling gebracht om gecontroleerd verstrooid licht te genereren. Twee sensoren, één ter hoogte van het plaatje, één aan het einde van de detector, meten het resulterende signaal, waarna een zelfijkende methode toelaat om het spiegellek te berekenen.

Simulaties tonen aan dat deze methode, ondanks de beperkte tijdsvensters waarin het signaal bruikbaar is, het spiegellek kan bepalen met een nauwkeurigheid van ruim onder één procent, over een breed bereik van trilfrequenties. Een prototype van het plaatje en zijn positioneersysteem werd gebouwd en getest, wat een onverwacht thermisch probleem blootlegde: het kale oppervlak absorbeert te veel laserlicht en warmt op in vacuüm. Een reflecterende coating (spectralon) wordt voorgesteld als oplossing.

Eenmaal operationeel op Virgo, biedt deze methode een volledig onafhankelijke ijkingscontrole naast bestaande technieken, en draagt ze zo bij aan de betrouwbaarheid van toekomstige zwaartekrachtgolfdetecties.
Meer lezen

Strategisch taalbeleid in het secundair onderwijs: een kwalitatieve studie naar professionalisering van leraren in functie van functioneel meertalig onderwijs

Universiteit Gent
2026
Michiel
Debaere
De toenemende meertaligheid in het Vlaamse secundair onderwijs stelt leerkrachten voor
uitdagingen. Functioneel meertalig onderwijs (FML) biedt een kader om de thuistaal van leerlingen als leerkapitaal in te zetten. Het schooltaalbeleid kan hierin een ondersteunende rol spelen door leerkrachten te professionaliseren. Deze masterproef onderzoekt in welke mate het schooltaalbeleid van secundaire scholen met een meertalige leerlingenpopulatie een sterke leeromgeving voor leerkrachten creëert die de implementatie van FML ondersteunt. Binnen een kwalitatief onderzoeksdesign werden 31 schooldocumenten geanalyseerd en semigestructureerde interviews afgenomen bij acht leerkrachten uit drie secundaire scholen. Hiervoor werd een deductieve checklist gebaseerd op het raamwerk van Merchie et al. (2016b) gebruikt en een thematische analyse van de schooldocumenten en interviews uitgevoerd. Op deze manier werden
de effectieve kenmerken van professionaliseringsinitiatieven, kenmerken van FML, en de invloed op de klaspraktijk in kaart gebracht. De bevindingen tonen dat de drie scholen in verschillende mate een sterke leeromgeving creëren. De inhoudelijke focus op FML en collectieve participatie binnen professionalisering bleken het meest bij te dragen aan de implementatie van FML. De aanwezigheid van effectieve kenmerken van professionalisering in het schooltaalbeleid is echter niet voldoende; afstemming tussen de taalvisie van het schooltaalbeleid en de professionalisering van leerkrachten bleek doorslaggevend te zijn voor de implementatie van FML. Opvolging van professionalisering bleef onderbelicht, terwijl leerkrachten dit net als een cruciale vorm van ondersteuning aanduiden. De implementatie van FML bleek bovendien leerkrachtafhankelijk te zijn. Deze studie benadrukt het belang van een schooltaalbeleid dat meertaligheid waardeert en
professionalisering hierop afstemt, en formuleert implicaties voor schoolbeleid en de Vlaamse onderwijscontext.
Meer lezen

Unravelling endothelial cell-based anti-tumor immunity

Universiteit Gent
2026
Rafal
Hanc
Deze masterthesis onderzoekt hoe endotheelcellen, die van nature niet gespecialiseerd zijn in antigeenpresentatie, toch een actieve rol kunnen spelen in de opwekking van anti-tumor T-celrespons. Wanneer kankercellen sterven via immunogene celdood (ICD), stoten ze specifieke signalen (DAMPs) uit die het omliggende weefsel activeren. Het onderzoek toont expliciet aan dat endotheelcellen, ondanks dat ze geen professionele antigeenpresenterende cellen (APC's) zijn zoals dendritische cellen, door deze ICD-signalen "opgeleid" kunnen worden om toch antigenen van tumorcellen op te nemen en te presenteren via MHC-moleculen. Zo fungeren ze als niet-professionele APC's die bijdragen aan de anti-tumor immuunrespons.
Met behulp van co-cultuursystemen (MS1 en HUVEC endotheelcellen), CRISPR-Cas9 knockouts (CD74, CD80, H2-D1) en in vivo vaccinatiemodellen werd onderzocht in welke mate deze niet-professionele antigeenpresentatie door endotheelcellen bijdraagt aan het activeren van T-cellen tegen tumoren. Dit werk draagt bij aan het begrijpen van de tumor micro-omgeving en biedt mogelijk nieuwe aanknopingspunten voor kankerimmuuntherapie.
Meer lezen

Hormonale invloeden op zeeziekte

Antwerp Maritime Academy
2026
Margaux
Hermans
Zeeziekte is een veelvoorkomend fenomeen binnen de maritieme sector en kan een aanzienlijke
impact hebben op het functioneren en welzijn van zeevarenden. Hoewel bekend is dat vrouwen
mogelijk gevoeliger zijn voor zeeziekte dan mannen, is weinig onderzocht in welke mate hormonale
factoren hierin een rol spelen. Deze masterproef brengt dit onderbelichte thema in kaart aan de
hand van een observatiestudie uitgevoerd tijdens een vier weken durende zeereis aan boord van
het opleidingsschip Dar Mlodziezy.
In totaal registreerden 36 deelnemers dagelijks hun level van algemene gevoelstoestand,
misselijkheid, stress en hersenmist. Voor vrouwelijke deelnemers werd bijkomend het gebruik van
hormonale anticonceptie en, indien van toepassing, hun menstruele cyclus bijgehouden. Deze
systematische dataverzameling in een realistische maritieme setting bood een uitzonderlijke
mogelijkheid om patronen over langere tijd te analyseren zonder verstoringen van dagelijkse
omgeving.
Uit resultaten blijkt dat vrouwelijke deelnemers in deze groep gemiddeld meer zeeziekte
gerelateerde klachten rapporteerden dan mannelijke deelnemers. De verschillen waren zichtbaar
voor alle onderzochte variabelen en kwamen consequent terug doorheen de gehele
onderzoeksperiode. Binnen de vrouwelijke groep vertoonden vrouwen die hormonale
anticonceptie gebruikten op het merendeel van de dagen hogere symptoomscores dan vrouwen
zonder anticonceptie. In deze dataset werd dus geen aanwijzing gevonden dat anticonceptie
beschermend werkt tegen zeeziekte.
De analyses van de menstruele cyclus leverden geen duidelijke verschillen tussen cyclusfasen op,
voornamelijk door het beperkte aantal vrouwen met een natuurlijke cyclus. Hierdoor konden geen
uitspraken gedaan worden over variaties in gevoeligheid tijdens bijvoorbeeld menstruatie of
ovulatie. Daarnaast werd vastgesteld dat deelnemers die een zeeziektepil innamen gemiddeld
meer hersenmist rapporteerden. Dit sluit aan bij zowel de ernst van hun symptomen als bij bekende
bijwerkingen van dergelijke medicatie, zonder dat de oorzaak kon worden vastgesteld.
Deze bevindingen suggereren dat vrouwen in deze onderzoeksgroep gevoeliger waren voor
zeeziekte dan mannen, maar tonen geen duidelijk effect van de hormonale anticonceptie of
cyclusfasen op de ervaren klachten. De beperkte omvang van de subgroepen vraagt om
voorzichtigheid in de interpretatie. De resultaten benadrukken tegelijk de nood aan verder
onderzoek met grotere populaties en nauwkeurigere hormonale registratiemethoden, zodat de
relatie tussen hormonen en zeeziekte in de toekomst preciezer kan worden bepaald.
Meer lezen

Een raamwerk voor het ondersteunen van beslissingen met betrekking tot Agile-initiatieven.

Universiteit Hasselt
2026
Sander
Bollen
Ondanks de status van Agile Software Development (ASD) als industriestandaard,
blijft de definitie ervan in zowel academische literatuur als de professionele praktijk ge-
fragmenteerd en ambigu. Deze conceptuele onduidelijkheid belemmert organisaties in
het effectief selecteren en implementeren van ASD-praktijken die hun specifieke doel-
stellingen ondersteunen. Dit onderzoek introduceert het Collaboration-Flow-Learning
(CFL) raamwerk, een theoretisch en praktisch model dat ASD-concepten deconstru-
eert in drie orthogonale dimensies: Collaboration, Flow en Learning.
Door middel van een synthese van wetenschappelijke en praktische bronnen, aange-
vuld met expertvalidatie geïnspireerd door de Delphi-methode, toont dit werk aan dat
ASD-praktijken en organisatieproblemen consistent in een gedeelde driedimensionale
ruimte kunnen worden gesitueerd. De resultaten wijzen uit dat het raamwerk fungeert
als een methode-onafhankelijke vertaallaag die shared understanding bevordert tussen
diverse stakeholders, van software-ontwikkelaars tot strategisch management. Dit on-
derzoek legt hiermee de fundering voor een holistische softwaretheorie die de kloof
tussen methodologische voorschriften en organisatorische behoeften kan overbruggen.
Meer lezen

Warme transities: samen naar een warme start in de instapklas

Hogeschool PXL
2026
Itha
Noukens
In mijn bachelorproef onderzoek ik hoe ik jonge kinderen een warme, veilige en herkenbare overgang kan bieden van de voorschoolse opvang of thuis naar de instapklas. Tijdens mijn werk in de opvang zag ik hoe ingrijpend deze stap is voor peuters, en hoe groot de nood is aan emotionele veiligheid, voorspelbaarheid en samenwerking tussen alle betrokken volwassenen.

Ik verzamelde inzichten via literatuur, observaties, interviews met experts en een enquête bij ouders. Daaruit leerde ik dat een warme transitie staat of valt met nabijheid, herkenbare elementen, duidelijke communicatie en continuïteit tussen opvang, ouders en school.

Op basis van deze bevindingen ontwikkelde ik drie praktijkgidsen: ouderbundel, leerkrachtenbundel en opvangbundel. Deze gidsen bevatten concrete tips, visuele ondersteuning, rituelen en materialen die helpen om peuters zacht te laten landen in de instapklas.

Met dit pakket wil ik bijdragen aan een instap waarin elk kind zich veilig, gezien en gedragen voelt. En dat is precies wat jonge kinderen nodig hebben om te kunnen groeien.
Meer lezen

Conflicted Playground: Erfgoed in een veelstemmig onderhandelingsproces

KU Leuven
2026
Emile
Vertriest
Conflicted Playground: Erfgoed in een veelstemmig onderhandelingsproces
Synthese Masterproef Emile Vertriest (Grand Tour 2025-2026)
KU Leuven Faculteit Architectuur Campus Sint-Lucas Gent
Promotor: Carl Bourgeois | Co-promotor: Hugo Vanneste

In deze masterproef onderzoek ik hoe we omgaan met postindustrieel erfgoed, meer bepaald de leegstand, herprogrammering en het onderhoud ervan. Als casestudy koos ik de voormalige steenkoolmijn Forte-Taille nabij Charleroi, een verlaten steenkoolmijn die sinds haar sluiting in 1935 geleidelijk werd overgenomen door spontane plantengroei, urbex-bezoekers en verval.

Het onderzoek vertrekt vanuit mijn 'Grand Tour' door Japan en België, waarbij verschillende erfgoedsites werden bezocht en geobserveerd. Daaruit ontstond de vaststelling dat omgang met erfgoed steeds het resultaat is van culturele subjectiviteit, maatschappelijke waarden en economische afwegingen. Waar de Belgische omgang met erfgoed vaak gericht is op restauratie, onderhoud en herbestemming, lijkt de Japanse benadering wat meer ruimte te laten voor vergankelijkheid, aanpassing en zelfs verdwijning.

Deze observaties deden mij de gekozen site steeds minder beschouwen als een toestand die om een oplossing vroeg, maar eerder als een proces dat voortdurend transformeert.
Tijdens het ontwerptraject bleek het dan ook moeilijk om een specifieke toekomstvisie voor de site te vormen. Forte-Taille is groot, gelaagd en kent verschillende mogelijke gebruikers, elk met hun eigen belangen en benaderingen ten opzichte van erfgoed. Een keuze voor één definitieve toekomstvisie betekende onvermijdelijk het uitsluiten van andere mogelijkheden. Die complexiteit werd uiteindelijk juist het uitgangspunt van mijn project.

Ik besloot Forte-Taille te vertalen naar een speculatief bordspel. Het spel als medium laat een vrijwel oneindig aantal ruimtelijke combinaties toe en maakt complexiteit zichtbaar zonder een voorkeur uit te spreken over bepaalde ruimtelijke keuzes. Het spel werkt als een simulatie van conflicten die ontstaan wanneer verschillende actoren met elk hun eigen logica belang hebben bij dezelfde plek. Vier protagonisten nemen het tegen elkaar op:

• De Conservator, die de gebouwen wil beschermen en consolideren.
• De Ontwikkelaar, die nieuwe programma’s en gebouwen introduceert.
• De Ecoloog, die ruimte vrijmaakt voor natuurlijke processen en vegetatie.
• De Verkenner, die zich de site toe-eigent via tijdelijke constructies opgebouwd uit
gerecupereerde materialen en industrieel puin.

Elke speler beweegt over een spelbord dat gebaseerd is op de werkelijke site. Door middel van claims, obstructies en tijdsgebonden gebeurtenissen proberen ze hun invloed op de site uit te breiden. Wanneer een speler terrein verliest verdwijnen de interventies niet, maar keren ze terug naar hun eigenaar om elders opnieuw ingezet te worden. Zo ontstaat een eindeloze cyclus van conflict, toe-eigening, verval en transformatie waarin geen definitieve winnaar mogelijk is. Door het conflict centraal te stellen legt het spel de complexiteit en subjectiviteit bloot van erfgoedbeleid, ruimtelijke keuzes en de vele actoren die betrokken zijn bij het vormgeven van de site. Tegelijk benadrukt het de rol van de architect als bemiddelaar: niet als ontwerper van één standpunt, maar als iemand die uiteenlopende belangen verenigt binnen een dynamisch en complex proces.
Meer lezen

Productie en evaluatie van elektrogesponnen TEOS-gebaseerde nanovezelmembranen als SALDI-substraten voor fecale metabolomics via LA-REIMS

Odisee Hogeschool
2026
Elia Amnon
Bar On
Binnen een klinische en biomedische context zijn snelle en robuuste analysemethoden voor untargeted metabolomics essentieel. Laser-assisted rapid evaporative ionisation massaspectrometrie (LA-REIMS) maakt directe analyse van biofluïda mogelijk, maar de analytische prestaties worden bepaald door de intrinsieke matrixeigenschappen van het staal. Elektrogesponnen nanovezelmembranen kunnen via surface-assisted laser desorption/ionisation (SALDI) de desorptie en ionisatie verbeteren en zo de analyses versterken. Het potentieel van silicagebaseerde nanovezelmembranen als SALDI-substraten binnen LA-REIMS-gebaseerde metabolomics is echter nog onvoldoende geëvalueerd.

In deze studie wordt onderzocht in welke mate elektrogesponnen tetraethylorthosilicaat (TEOS)-gebaseerde nanovezelmembranen de prestaties van LA-REIMS-analyses voor fecale metabolomics beïnvloeden.

De productie van TEOS-membranen omvat het elektrospinnen van een sol-geloplossing, gevolgd door een thermische behandeling om een superhydrofiel membraan te verkrijgen. De morfologie en hydrofiliciteit worden gekarakteriseerd met scanning-elektronenmicroscopie, watercontacthoekmetingen en infraroodspectrometrie. De analytische prestaties worden geëvalueerd via LA-REIMS-analyse van fecale stalen en vergeleken met rechtstreekse analyse van feces en met geoptimaliseerde MetaSAMP-membranen. Data-analyse omvat principal component analysis, evaluatie van reproduceerbaarheid en vergelijking van metabolomische dekking.

LA-REIMS-analyses tonen aan dat met fecale stalen geïmpregneerde TEOS-membranen een metabolomische vingerafdruk genereren die vergelijkbaar is met die van feces as-such, met detectie van een groter aantal features. Tegelijkertijd worden, vergeleken met zowel MetaSAMP-membranen als feces as-such, beperkingen vastgesteld in reproduceerbaarheid en signaalintensiteit, met lagere signaalintensiteiten en meer variabele features (p < 0,01).

Na optimalisatie van de membraandikte en het staalvolume worden TEOS-membranen verkregen die significant hogere signaalintensiteiten opleveren dan feces as-such (p < 0,01; g > 1), met een hoger aantal gedetecteerde features (p < 0,01) en een aanvaardbare reproduceerbaarheid (> 75 % van de features met een variatiecoëfficiënt ≤ 30 %).

De resultaten tonen aan dat elektrogesponnen TEOS-gebaseerde nanovezelmembranen doeltreffend zijn als SALDI-substraat binnen LA-REIMS-gebaseerde metabolomics. Toekomstige studies kunnen zich richten op het optimaliseren van de membraanproductie, functionalisatiestappen en het verder afstemmen van de LA-REIMS-methode.
Meer lezen

ALTER.UP, Een digitaal upcyclingplatform als duurzaam alternatief voor trendgevoelige overconsumptie

Universiteit Antwerpen
2026
Marthe
Schouwenaars
Deze masterproef, uitgevoerd binnen de opleiding Productontwikkeling, onderzoekt hoe een digitaal product-dienstsysteem consumenten kan stimuleren om kleding te upcyclen als duurzaam alternatief voor trendgevoelige overconsumptie. Vanuit een uitgebreid onderzoeks- en ontwerpproces werden menskundige, technologische en economische inzichten vertaald naar een concreet concept, ALTER.UP, een digitaal upcyclingplatform. Het iteratieve ontwerpproces, met conceptontwikkeling, prototyping, gebruikersvalidaties en verfijningen, vormt de kern van deze thesis en toont hoe een doordachte productontwikkelingsmethodologie kan leiden tot een innovatieve, gebruiksvriendelijke en duurzame oplossing.

ALTER.UP begeleidt gebruikers gedurende het volledige upcyclingproces. Via een 3D-lichaamsscan wordt een persoonlijke avatar aangemaakt waarop bestaande kledingstukken digitaal kunnen worden gevisualiseerd. Gebruikers kunnen vervolgens verschillende upcyclingontwerpen uitproberen en aanpassen aan hun eigen stijl, waardoor ze vooraf een realistisch beeld krijgen van het eindresultaat. Na het kiezen van een ontwerp biedt het platform stapsgewijze instructies, materiaalsuggesties en ondersteuning van experten en de community om de uitvoering te vergemakkelijken. Door onzekerheid over het eindresultaat weg te nemen en inspiratie, begeleiding en vertrouwen te bieden, verlaagt ALTER.UP de drempel tot upcycling. Zo worden consumenten gestimuleerd om bestaande kleding langer te gebruiken, de emotionele en esthetische waarde ervan te verhogen en de levensduur van kleding te verlengen als alternatief voor de aankoop van nieuwe kleding.
Meer lezen

EmbedLLM from legacy documents to embedded XR instructions: automatic context aware content generation to support manual task execution

Universiteit Hasselt
2026
Bram
Verstappen
This thesis addresses the cognitive friction associated with executing manual tasks using flat 2D documentation in spatial computing environments, where users must constantly shift attention between instructions, physical tools, and machinery. To solve this, we present EmbedLLM, the first automated, context-aware content reformatting framework that adapts both content design and presentation to the user’s environment and specific goal. EmbedLLM converts unstructured step-based PDF manuals into 3D spatially embedded instructions in Virtual Reality (VR). The system operates via a pipeline that abstracts the environment into a semantic scene graph, leverages a multi-stage Large Language Model (LLM) reasoning chain to construct step-based instruction nodes and semantic edges, and instantiates these panels using a novel, semantically aware force-directed 3D label placement algorithm to achieve spatial equilibrium and prevent visual clutter.
We evaluated EmbedLLM through a preliminary preference survey (n = 20) across diverse environments and a within-subjects user study (n = 12) comparing the framework to a traditional floating PDF window during 3D printer maintenance tasks. The preference survey showed that EmbedLLM achieves significantly higher environmental alignment than traditional baseline documents, with participants strongly favoring spatial orchestration for complex, structurally demanding procedures. However, the task execution study revealed a clear trade-off: active task support with EmbedLLM resulted in significantly longer completion times (996.93 s vs. 580.46 s) and increased cognitive load (3.00 vs. 2.31 on the NASA-TLX scale). Qualitative feed-back suggests these performance costs stem from the rigid sequential pacing of the generated interface and novices struggling with hardware terminology.
This work contributes the technical pipeline of EmbedLLM, a semantically enhanced physics layout algorithm, and empirical insights on context-aware XR instruction delivery. Future research directions include real-time situated action updates, user skill level adaptation, and integration with agentic GUI automation and text-to-3D models.
Meer lezen

Forensisch betrouwbare 3D-reconstructie met Gaussian Splatting

Universiteit Hasselt
2026
Jamie
Withofs
Deze masterproef onderzoekt de inzetbaarheid van Gaussian Splatting als betrouwbare techniek voor forensische 3D-reconstructie van misdaadscènes. Gaussian Splatting is een recente neurale weergavemethode die vanuit multi-view videobeelden fotorealistische 3D-modellen genereert via ellipsvormige volumetrische primitieven, zogenaamde splats, die samen een continue en vloeiende representatie van de scène vormen. De techniek onderscheidt zich van klassieke mesh-based methoden door haar uitzonderlijke visuele kwaliteit en efficiënte renderingpipeline, maar brengt tegelijkertijd een fundamenteel forensisch probleem met zich mee: tijdens de trainingsoptimalisatie heeft het model de neiging om geometrische informatie bij te verzinnen om gaten in de initialisatiedata op te vullen. Wanneer de reconstructie als juridisch bewijsmateriaal dient, is dergelijke hallucinatie onaanvaardbaar, omdat elke weergegeven vorm of afstand herleidbaar moet blijven tot authentieke, meetbare brondata.

Om dit probleem aan te pakken werd een volledige onderzoeks- en ontwikkelingspipeline opgezet in samenwerking met de Federale Gerechtelijke Politie Limburg. De dataverzameling combineerde videobeelden en meervoudige LiDAR-scans van een gecontroleerde testscène. De videobeelden werden verwerkt via een COLMAP-gebaseerde Structure from Motion (SfM) pipeline die de relatieve camera-poses en een sparse puntenwolk reconstrueerde. De LiDAR-scans werden samengebracht tot één dense referentiepuntenwolk via iteratieve ICP-gebaseerde registratie met outlier filtering op basis van IQR-analyse, radiale filtering en asgeoriënteerde filtering, en vervolgens geëxporteerd als een geïntegreerd .e57-bestand.

De kern van de bijdrage is een alignment pipeline die de sparse COLMAP-puntenwolk uitlijnt met de dense LiDAR-data. De resulterende transformatiematrix wordt toegepast op alle camera-extrinsieken, zodat de LiDAR-geometrie als initialisatiebasis kan dienen voor de Gaussian Splatting-training zonder de architectuur van de trainingsomgeving te wijzigen. Een eigen visibility-based downsampling-stap geeft daarbij prioriteit aan de LiDAR-punten die zichtbaar zijn vanuit de gecalibreerde camera-posities, wat de trainingsefficiëntie verhoogt zonder de geometrische volledigheid te compromitteren.

De Gaussian Splatting-training werd vervolgens uitgebreid met constraints die de geometrische trouw aan de LiDAR-meetdata waarborgen. In de volledig geconstrained variant worden zowel de positie-optimalisatie als de densification van Gaussians uitgeschakeld, waardoor elke splat exact op zijn initiële LiDAR-positie blijft staan. Dit levert een forensisch maximaal betrouwbaar model op, ten koste van visuele volledigheid in zones met beperkte LiDAR-dekking. Een uitgebreide parameterstudie onderzocht vervolgens tussenliggende configuraties, waarbij de interactie tussen de positie learning rate, de opacity learning rate, de opacity regularization en het MCMC-herplaatsingsmechanisme systematisch in kaart werd gebracht. De resultaten tonen aan dat een werkelijk compromis slechts beperkt haalbaar is: een gedeeltelijke vrijstelling van de positie-optimalisatie levert voor structurele elementen zoals wanden en vloer een aanvaardbare visuele kwaliteit op, maar biedt onvoldoende garantie voor dunne objecten met beperkte LiDAR-puntdichtheid. Op basis van de studie werden twee aanbevolen configuraties geformuleerd: één voor gebruik als visueel illustratiemateriaal voor rechters en jury's, en één als volledig geconstrained forensisch bewijsmiddel.

Aanvullend werd een forensische toolchain ontwikkeld die de integriteit van de reconstructie kwantitatief en visueel onderbouwt. De Lichtfeld Studio-module berekent per Gaussian een betrouwbaarheidsscore op basis van de afstand tot zijn initiële LiDAR-positie, en visualiseert deze als een groen-geel-rood kleuroverlay. Een hallucination mask maakt een binaire splitsing tussen originele en nieuw aangemaakte splats, met kleurcodering voor de mate van positionele drift. De juridische validatiemodule voert een kwantitatieve alignmentvalidatie uit op basis van RMSE en overlappercentage, en genereert een integriteitsgeborgd JSON-rapport met SHA-256-hashing over alle relevante velden, een gedocumenteerde chain of custody en een onafhankelijk verifieerbaar RFC 3161-tijdstempel. Tot slot werd een Electron-gebaseerde rechtbankviewer ontwikkeld die dit rapport omzet naar een formeel PDF-deskundigenverslag.

De evaluatie bevestigt dat Gaussian Splatting via de ontwikkelde constrained pipeline forensisch inzetbaar is, mits een duidelijk onderscheid wordt gehanteerd tussen het gebruik als illustratiemateriaal en het gebruik als geometrisch bewijsmiddel. In het laatste geval fungeert de Gaussian Splatting-reconstructie als visuele toelichting bij de LiDAR-puntenwolk, die als primaire meetreferentie bewaard en ingediend dient te worden. De ontwikkelde toolchain biedt de forensische praktijk een transparant en controleerbaar raamwerk om dit onderscheid procedureel te verankeren.
Meer lezen

Van abstracte data naar intuïtieve feedback: Het potentieel van Mixed Reality op de Meta Quest voor reanimatietraining binnen de geneeskunde.

HOGENT
2026
Dogukan
Uyanik
Traditionele reanimatietraining voor verpleegkundigen steunt vaak op externe 2D-interfaces voor feedback, wat leidt tot het split-attention effect. De hulpverlener moet hierbij de aandacht verdelen tussen de fysieke handeling op de reanimatiepop en een extern scherm, wat de cognitieve belasting verhoogt en de leercurve belemmert. Deze bachelorproef onderzoekt hoe Mixed Reality (MR) technologie dit proces kan optimaliseren door real-time, intuïtieve feedback direct in het gezichtsveld
van de gebruiker te projecteren. Het doel van dit onderzoek was de ontwikkeling van een Proof of Concept (PoC) op de Meta Quest 3, waarbij sensordata van een reanimatiepop in real-time wordt gevisualiseerd via een Unity-applicatie. Een significante technische barrière in dit proces was de gesloten aard van de beschikbare communicatieprotocollen. Hoewel de fabrikant eigen ecosystemen aanbiedt, ontbreekt een publiek toegankelijke en gedocumenteerde SDK die directe integratie met de Meta Quest 3 en de Unityomgeving mogelijk maakt. Daarnaast vormt de beperkte native ondersteuning voor Bluetooth Low Energy (BLE) binnen de standaard Unity-ontwikkelomgeving voor Android-gebaseerde headsets een extra hindernis.
Om dit probleem te overbruggen, is een diepgaand technisch onderzoek uitgevoerd
naar het communicatieprotocol van de pop. Door middel van reverse engineering
technieken waaronder het decompileren van officiële software en het analyseren van Bluetooth Low Energy (BLE) pakketjes via HCI snoop logs en Wireshark op een gerouteerd Android-toestel zijn de verborgen handshakes en datacharacteristics
ontcijferd. Het resultaat is een werkend prototype dat live sensordata (zoals compressiediepte en frequentie) vertaalt naar ruimtelijke visualisaties, waaronder een ghost avatar en een dynamisch reagerend hartmodel. De voorlopige resultaten van deze PoC tonen aan dat MR in staat is om de kloof tussen haptische ervaring en visuele feedback te dichten. Dit onderzoek legt hiermee de technische fundamenten voor een nieuwe generatie medische simulatietools die verpleegkundigen effectiever kunnen voorbereiden op kritieke levensreddende situaties.
Meer lezen

Onderwijsongelijkheid bespreekbaar maken in de klas: Een verkennend onderzoek naar de inzet van het spel Kansrijk? in de onderwijspraktijk

Thomas More Hogeschool
2026
Lien
Resseler
Het bordspel Kansrijk? helpt toekomstige leerkrachten om onderwijsongelijkheid niet alleen te begrijpen, maar ook écht te voelen. Het onderzoek toont hoe het spel werkt, wat het losmaakt bij studenten en welke extra tools nodig zijn om het spel goed te begeleiden.
Meer lezen

Theorie ontmoet praktijk: een innovatieve learning skid voor de techniekers van morgen

Hogeschool VIVES
2026
Henri
Vervenne
  • Quentin
    Mary
Tijdens onze bachelorproef ontwierpen en realiseerden we een traningsmodule rond motion control. Deze testopstelling wordt ingezet om techniekers op een praktijkgerichte manier inzicht te geven in de aansturing en positionering van bewegingen binnen een industriële omgeving. De learning skid ondersteunt door middel van een bijhorende e-learning een technische opleiding rond toepassingen met servomotoren, frequentieregelaars en asynchrone motoren.

Meer lezen

De Rol van Fort van Breendock tijdens de Duitse Bezetting in België

Thomas More Hogeschool
2026
Luca
Guarrera
Fort van Breendonk

Stel je voor dat een plek die ooit bedoeld was om een land te verdedigen, later verandert in een plaats van angst, pijn en onderdrukking. Dat is precies wat er gebeurde met het Fort van Breendonk tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Oorspronkelijk werd het fort gebouwd tussen 1904 en 1914 als onderdeel van de verdedigingslinie rond Antwerpen. Maar in mei 1940, tijdens de Duitse inval, viel het vrijwel zonder verzet in handen van de Duitsers.

Vanaf dat moment veranderde alles. Het fort werd door de SS omgevormd tot een detentiekamp waar gevangenen werden opgesloten, mishandeld en gedwongen tot zware arbeid. Mensen leefden er in angst, zonder te weten wat hun toekomst zou worden.

Wat dit verhaal extra aangrijpend maakt, is dat niet alleen verzetsstrijders, maar ook onschuldige burgers werden vastgehouden. Het fort werd een symbool van terreur en controle.

In mijn thesis onderzoek ik hoe het Fort van Breendonk van een verdedigingsfort veranderde in een plaats van onderdrukking, en welke rol het speelde tijdens de Duitse bezetting van België.

Dit is niet zomaar geschiedenis. Het is een verhaal van menselijk leed, overleven en herinnering.
Meer lezen