Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Presenilin 1 in hereditary Alzheimer's disease: The development of a capture protocol for presenilin 1 long read DNA sequencing

AP Hogeschool Antwerpen
2026
Lauren
Donche
Deze bachelorproef gaat over de ontwikkeling en optimalisatie van een specifiek protocol om mutaties in het PSEN1 gen kostenefficiënter te identificeren bij patiënten met erfelijke Alzheimer. Een betrouwbare identificatie van deze genetische varianten is cruciaal voor een tijdige diagnose, maar huidige screeningsmethoden zijn vaak erg duur en moeilijk toegankelijk.
Om een goedkoper alternatief te bieden, is in dit onderzoek een nieuwe methode ontworpen en getest. Hierbij wordt het specifieke PSEN1 gen eerst doelgericht gefilterd, waarna een techniek die lange stukken DNA in één keer afleest (long-read sequencing) wordt ingezet.
De eerste resultaten tonen aan dat deze gerichte aanpak potentie biedt om de diagnostische kosten te verlagen en het opsporen van genetische foutjes toegankelijker te maken. Wel bleek uit dit onderzoek dat er nog verdere optimalisatie van het protocol nodig is om de betrouwbaarheid en efficiëntie volledig te waarborgen.
Hiermee legt deze bachelorproef een belangrijke basis voor het vervolgonderzoek naar een betaalbare en geoptimaliseerde klinische diagnostische test voor deze zwaar getroffen patiëntengroep.
Meer lezen

Bio-based insulation materials from local resources: exploring the potential of bean stalks in a wet production process

Universiteit Gent
2026
Bieke
Delanote
Deze masterproef onderzoekt het potentieel van bonenstengels, een landbouwreststroom, als grondstof voor biogebaseerde isolatiematerialen. Voor de productie van het isolatiemateriaal werd gebruik gemaakt van een nat productieproces. Dit proces benut de natuurlijke bindingseigenschappen van de vezels, waardoor een stevige isolatieplaat kan worden geproduceerd zonder toevoeging van een synthetisch bindmiddel. Aangezien dit proces al op industriële schaal wordt toegepast voor de productie van houtvezelisolatieplaten, werd het laboproces eerst geoptimaliseerd op basis van houtwol. Met een eenvoudige combinatie van koken, kort persen en drogen konden houtvezelisolatieplaten met lage thermische geleidbaarheid en hoge sterkte worden geproduceerd. Om vervolgens de geschiktheid van bonenstengels binnen dit proces te onderzoeken, werden verschillende voorbehandelingstechnieken toegepast. Ovendrogen en luchtdrogen werd vergeleken. Daarnaast werd het effect van een extra reinigings- of extrusiestap geanalyseerd. Alle onderzochte fracties van bonenstengels toonden potentieel. Rekening houdend met materiaalprestaties, praktische haalbaarheid en milieu-impact kwamen luchtgedroogde ongereinigde bonenstengels naar voren als meest belovende optie. De toevoeging van houtvezels of vlaslemen verbeterde de praktische haalbaarheid zonder de algemene prestaties negatief te beïnvloeden.

Naast het aantonen van het potentieel van bonenstengels als isolatiegrondstof, onderstreept deze thesis het bredere potentieel van landbouwreststromen om bij te dragen aan een duurzamere bouwpraktijk, gebaseerd op lokale en biologisch afbreekbare materialen.
Meer lezen

Taal op maat - Frans na OKAN - Jade Deseigne en Emma Kooreman

Hogeschool VIVES
2026
Emma
Kooreman
  • Jade
    Deseigne
In onze bachelorproef ontwikkelen we lesmateriaal op maat van ex-OKAN-leerlingen die instromen in de tweede graad van het reguliere Vlaamse onderwijs en voor het eerst Frans leren. Om tegemoet te komen aan de noden van zowel leerlingen als leerkrachten, ontwikkelden we digitale leerpaden, een theoriebundel en een lerarenbundel. Het materiaal is gericht op zelfstandig leren, stapsgewijze taalverwerving en functionele communicatie.
Meer lezen

Perditum in Translatione: Culturele overdracht in de handen van AI.

KU Leuven
2026
Kobe
Geerts
De snelle opkomst van Large Language Models (LLM's) roept vragen op over hun omgang met low-resource-talen en het daarin vervatte culturele gedachtegoed. Deze studie onderzoekt hoe general-purpose LLM's culturele concepten uit het Latijn vertalen, met de epigrammen van Martialis als casus. Om de aard van deze vertaalverschuivingen te kwantificeren, is een handmatige annotatie uitgevoerd volgens het Multidimensional Quality Metrics (MQM)-framework, gefaciliteerd door aangepaste categorieën en een speciaal hiertoe ontwikkelde applicatie. Hierbij worden de vertalingen door de modellen Gemini 3.1 Pro, M365 Copilot Chat en Kimi-K2.6 vergeleken met de brontekst en twee menselijke referentievertalingen. Uit de analyse blijkt enerzijds een duidelijke tendens naar letterlijkere, generiekere vertalingen die culturele nuance missen, anderzijds een assimilerende vertaalstrategie, vermoedelijk gedreven door een Engelstalige bias in de trainingsdata. Bij de modelvergelijking produceerde Gemini 3.1 Pro significant minder verschuivingen dan de andere twee modellen. Ten slotte tonen de resultaten aan dat langere bronteksten resulteren in een proportioneel hoger aantal verschuivingen per vers.
Meer lezen

De renovatiekloof in Vlaanderen: een micro-economische analyse van gedifferentieerde ondersteuning en financiering.

Universiteit Gent
2026
Ona
Inghelbrecht
Deze masterproef onderzoekt de financiële haalbaarheid van energetische renovaties voor Vlaamse huishoudens. Op basis van een simulatiemodel met data van 2.587 Vlaamse eigenaar-bewoners (inkomen, EPC-label, renovatiekost, leeftijd en leencapaciteit) blijkt dat 47,7% van de huishoudens zijn woning financieel niet naar het beste energielabel kan renoveren.

In een eerste fase werd de financiële realiteit van deze huishoudens in kaart gebracht: op basis van inkomen, renovatiekost en leencapaciteit werd nagegaan waarom ze hun woning niet kunnen renoveren met eigen middelen en een klassieke hypothecaire lening. Op basis hiervan werden vijf blokkadeprofielen geconstrueerd, elk gekenmerkt door een specifieke financiële blokkade.

In een tweede fase werd het bestaande financieringsinstrumentarium getest, waaronder de gesubsidieerde instrumenten Mijn VerbouwPremie en Mijn VerbouwLening. Daaruit bleek dat deze steun vandaag vrijwel volledig terechtkomt bij huishoudens die ze niet nodig hebben. Daarnaast werden ook alternatieve instrumenten getest op hun effectiviteit om na te gaan hoe elk blokkadeprofiel wél bereikt kan worden, waarbij via sensitiviteitsanalyses werd nagegaan welke parameters bepalend zijn.

In een laatste fase werd een gedifferentieerd voorstel uitgewerkt dat per profiel het instrument kiest dat het best aansluit, rekening houdend met de afweging tussen financiële haalbaarheid, gedragsdrempels bij huishoudens, en schaalbaarheid en risico voor kredietverstrekkers. Dit voorstel verhoogt de financiële haalbaarheid van 52,3% naar 80,5%, tegenover slechts 2,6% bij de bestaande Mijn VerbouwLening. Daarmee toont deze masterproef aan dat een gerichte, profielgestuurde aanpak zowel sociaal als financieel sterk scoort.
Meer lezen

AI detection of damage and faults in concrete slabs using an LDV and projectile excitation.

Universiteit Antwerpen
2026
Jasper
Laforce
  • Michiel
    Arnouts
Hoe kunnen we verborgen schade in beton opsporen zonder het materiaal te beschadigen? In deze studie wordt een geautomatiseerd meetsysteem gecombineerd met artificiële intelligentie om defecten, zoals holtes en delaminaties, te detecteren en te lokaliseren. Met behulp van trillingsmetingen en een neuraal netwerk werden de defecten onder gecontroleerde laboratoriumomstandigheden met een nauwkeurigheid van 97,7% geclassificeerd. De resultaten tonen hoe deze technologie kan bijdragen aan een snellere en meer geautomatiseerde inspectie van betonnen constructies, en zo de weg vrijmaakt voor gerichter onderhoud.
Meer lezen

Understanding the Emergence of CO2 Value Chains: An Agent-Based Evolutionary Game Approach Coupled with CO2 Network Optimisation

KU Leuven
2026
Florian
Verwilghen
CO₂ afvangen kan de uitstoot van de industrie helpen verminderen. Maar bedrijven investeren pas als ze hun CO₂ ook betaalbaar kunnen laten vervoeren en opslaan of gebruiken. Tegelijk wordt gedeelde infrastructuur pas aantrekkelijk als voldoende bedrijven aansluiten. Mijn masterproef onderzoekt hoe dit kip-of-eiprobleem kan worden doorbroken.

Daarvoor ontwikkelde ik een computermodel van 227 industriële sites in België, Nederland en Noordrijn-Westfalen. Elke site maakt een eigen keuze: CO₂ blijven uitstoten, afvangen en opslaan, of afvangen en laten gebruiken. Het model koppelt die individuele keuzes aan de kosten van een gedeeld transport- en opslagnetwerk.

De simulaties tonen dat vooral het afgevangen volume en de ligging van de eerste deelnemers bepalend zijn. Een beperkte groep goed gelegen sites met grote CO₂-stromen kan de netwerkkosten voldoende doen dalen om ook andere bedrijven te laten aansluiten. Ook de CO₂-prijs en de verdeling van de netwerkkosten beïnvloeden dat proces. CO₂-gebruik biedt een alternatief, maar wordt begrensd door de beschikbare vraag en de transportkosten. Een netwerk dat op papier voordelig is, ontstaat dus niet vanzelf. De economische spelregels bepalen mee of bedrijven de stap zetten.
Meer lezen

Falling in love with automatic fall detection

Hogeschool UCLL
2026
Mirke
Brichard
Titel bachelorproef: Falling in love with automatic fall detection

Onderzoeksvraag: Wat is het effect van het gebruik van automatische draagbare valdetectiesystemen op de werking en responstijd bij valincidenten in vergelijking met traditionele draagbare valdetectiesystemen zonder automatische valdetectie bij thuiswonende ouderen vanaf 65 jaar met een valincident?


1. De kern van het probleem en de maatschappelijke maat
In België valt jaarlijks bijna één op de vier 65-plussers minstens één keer. Vallen is niet alleen een medisch incident, maar vormt ook de start van een verhoogd risico op fysieke verwondingen, functionele achteruitgang, sociale isolatie en angst om opnieuw te vallen.
Traditionele personenalarmsystemen, zoals de klassieke alarmknop aan de hals of pols, kennen in de praktijk enkele beperkingen. Ze vereisen een actieve handeling van het slachtoffer. Bij bewusteloosheid, verwarring of wanneer het toestel niet gedragen wordt, blijft hulp uit. Dit kan leiden tot het zogenaamde long lie-fenomeen, waarbij ouderen langere tijd op de grond blijven liggen. Dit kan het risico op complicaties zoals hypothermie, dehydratie en rhabdomyolyse verhogen en in ernstige gevallen zelfs bijdragen aan overlijden. Daarnaast kunnen valincidenten leiden tot ziekenhuisopnames en een bijkomende belasting voor de zorgverlening.

2. De vernieuwende oplossing: automatische valdetectie
Deze bachelorproef onderzoekt en vergelijkt de werking, betrouwbaarheid en responstijd van automatische draagbare valdetectiesystemen, zoals gespecialiseerde sensoren, smartwatches en man-downsystemen, met traditionele alarmknoppen bij thuiswonende 65-plussers.
Automatische systemen maken gebruik van bewegingssensoren, zoals accelerometers en gyroscopen, en algoritmen om bewegingspatronen te herkennen. Ze kunnen een val automatisch detecteren en een alarm activeren, ook wanneer de oudere dit zelf niet meer kan.
Belangrijkste inzichten en resultaten:
• Responstijd: De onderzochte automatische systemen vertoonden over het algemeen een korte responstijd. Bij gespecialiseerde valdetectiesystemen varieerde deze in de gevonden studies van 1 tot 50 seconden.
• Gespecialiseerde systemen: Systemen die op of dicht bij het lichaamszwaartepunt worden gedragen, lieten in de onderzochte studies doorgaans goede resultaten zien op het vlak van valdetectie.
• Smartwatches en man-downsystemen: Smartwatches bieden het voordeel van een hoge draagbaarheid en sociale aanvaarding, maar kennen in de onderzochte systemen een tragere responstijd van ongeveer 60–90 seconden en kunnen gevoeliger zijn voor fout-positieve meldingen door dagelijkse polsbewegingen. Man-downsystemen richten zich voornamelijk op het detecteren van langdurige immobiliteit en kunnen daarom een aanvullende functie hebben bij bepaalde doelgroepen.

3. Waarde voor verpleegkunde, thuiszorg en CM
Automatische valdetectie kan aansluiten bij kwaliteitsvolle, mensgerichte en duurzame thuiszorg.
1. Patiëntgerichtheid en zelfstandigheid: Automatische detectie kan bijdragen aan een groter gevoel van veiligheid en kan ouderen ondersteunen om langer zelfstandig thuis te wonen.
2. Duurzaamheid van zorg: Door een val sneller te detecteren, kan de periode waarin iemand zonder hulp op de grond ligt worden verkort. Hierdoor kunnen bepaalde complicaties mogelijk worden beperkt en kan de druk op de zorgverlening worden verminderd.
3. Proactieve verpleegkundige rol: Verpleegkundigen kunnen een belangrijke rol spelen bij het inschatten van de noden van de patiënt, het kiezen van een geschikt systeem en het begeleiden van de oudere bij het gebruik ervan.

4. Concrete aanbevelingen voor het werkveld
• Inzetten op draagbare sensoren dicht bij het lichaamszwaartepunt: Bij de keuze van een systeem kan worden nagegaan of een sensor ter hoogte van de heup of romp geschikt is voor de individuele gebruiker, aangezien dergelijke systemen in de onderzochte studies goede resultaten lieten zien.
• Focus op sensitiviteit: Geef bij de keuze van een automatisch valdetectiesysteem de voorkeur aan systemen met een hoge sensitiviteit, zodat het risico dat een val niet wordt gedetecteerd zo klein mogelijk blijft en de kans op complicaties door een long lie mogelijk wordt beperkt.
• AI en machine learning verder opvolgen: Verdere ontwikkelingen binnen AI en machine learning kunnen in de toekomst bijdragen aan een betere herkenning van bewegingspatronen en mogelijk het aantal fout-positieve meldingen verminderen. Dit vraagt echter nog verder onderzoek in realistische thuissituaties.
• Multidisciplinaire samenwerking en praktijkonderzoek: Verder onderzoek in de daadwerkelijke thuissituatie is belangrijk om na te gaan hoe betrouwbaar, gebruiksvriendelijk en haalbaar deze systemen zijn. Hierbij is samenwerking tussen verpleegkundigen, andere zorgverleners, technologieontwikkelaars en beleidsmakers relevant.

Conclusie
Automatische valdetectie biedt perspectief om de veiligheid van thuiswonende ouderen te vergroten en de tijd tussen een val en het inschakelen van hulp te verkorten. De technologie kan een belangrijke aanvulling vormen op bestaande personenalarmsystemen, vooral voor ouderen die na een val niet zelfstandig een alarm kunnen activeren.
Voor de verpleegkundige praktijk ligt hierbij een belangrijke rol in het beoordelen van de individuele noden van de oudere en het mee zoeken naar een systeem dat aansluit bij diens mogelijkheden, leefomgeving en bereidheid om het te gebruiken. Op die manier kan technologie niet de zorg vervangen, maar verpleegkundigen ondersteunen in het bieden van veilige, patiëntgerichte en toekomstgerichte thuiszorg.
Meer lezen

When the Lit hits the Fan: Shaping skilled literary readers in the English as a foreign language classroom through the use of fanfiction.

KU Leuven
2026
Margo
Roosen
Deze masterproef onderzoekt hoe fanfiction kan functioneren als een motiverende toegangspoort tot literair vaardig lezen binnen de EFL-klas in de derde graad van het Vlaams secundair onderwijs. Vanuit de vaststelling dat internationale onderzoeken, zoals PISA en PIRLS, wijzen op een dalende leesmotivatie en leesvaardigheid bij adolescenten, vertrekt dit onderzoek vanuit een nood aan krachtige en activerende vormen van literatuuronderwijs.
Het theoretische kader combineert inzichten uit de literatuurdidactiek, leesonderzoek en de motivatiepsychologie. Literair vaardig lezen wordt daarbij benaderd als een combinatie van beleving, interpretatie, evaluatie en analyse. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de factoren die de lezer en de leesontwikkeling beïnvloeden, zoals de leesdriehoek en de bredere leescontext. Vanuit motivatietheorieën zoals de Self-Determination Theory en de Expectancy-Value Theory worden D’hoker’s vier pijlers van leesbevordering centraal geplaatst: competentie, autonomie, relevantie en interactie. Fanfiction wordt vervolgens onderzocht als een praktijk die deze vier pijlers mogelijk ondersteunt.
Het empirische luik van deze thesis vertrekt vanuit een action research-benadering waarin een concrete onderwijsinterventie werd ontwikkeld, uitgevoerd en geëvalueerd. Een testgroep werkte gedurende drie lessen met fanfiction-gebaseerde EFL-lessen, terwijl een controlegroep werkte met meer algemeen gangbare praktijken in het literatuuronderwijs. De studie combineerde hierbij kwantitatieve dataverzameling met kwalitatieve dataverzameling via leesprofielen, de Intrinsic Motivation Inventory (IMI), interviews en klasobservaties.
De resultaten suggereren dat fanfiction potentieel heeft om leerlingen sterker te betrekken bij literaire activiteiten en om de intrinsieke leesmotivatie te ondersteunen. Vooral de herkenbaarheid van narratieve werelden, de ruimte voor persoonlijke interpretatie en de interactieve aard van de fanfiction praktijk werden door leerlingen als motiverend ervaren. Tegelijkertijd tonen de resultaten aan dat leesmotivatie sterk afhankelijk blijft van de individuele leesprofielen en eerdere leeservaringen, en dat het inherente karakter van fanfiction als autonoom en interactief ook als een valkuil kan worden ervaren.
Hoewel deze studie geen verregaande uitspraken kan toelaten over langetermijneffecten op leesvaardigheid of literaire competentie, benadrukt ze wel het belang van activerend en participatief literatuuronderwijs dat aansluit bij de leefwereld van leerlingen.
Meer lezen

Global Climate Attribution of Pluvial Floods: A deep learning framework for pluvial flood modelling

Vrije Universiteit Brussel
2026
Robbe
Buls
In deze thesis onderzoek ik wat het effect van klimaatverandering is op het voorkomen van regenoverstromingen. Dat zijn overstromingen die ontstaan doordat de neerslag té intens is voor de bodem en de riolering om alles te slikken, en dus niet omdat een rivier buiten haar oevers treedt.

De effecten van klimaatverandering op regenoverstromingen zijn nog niet eerder op wereldschaal onderzocht, omdat modellen vaak berusten op lokale bodemkarakteristieken, vegetatiekenmerken, enzovoort. Ik omzeil het probleem van zulke beschrijvende modellen door artificiële intelligentie (AI) in te zetten: in plaats van alle processen (zoals infiltratie, verdamping, enzovoort) expliciet te gaan beschrijven met formules, laat ik het model de relatie zoeken tussen omgevingskarakteristieken en geobserveerde overstromingen. Die observaties zijn gebaseerd op satelietbeelden.

Mijn model werkt oké, maar zeker nog niet perfect. Het ziet bepaalde verbanden, zoals lager gelegen plaatsen die doorgaans natter zijn en bossen die doorgaans minder overstromen, hetgeen betekent dat het model effectief iets leert. De grootste problemen zitten hem voorlopig nog in het modelleren van de omvang van de overstroming. Het model heeft de neiging om steeds een gemiddelde waarde te voorspellen, in plaats van bij zeer hevige neerslag een écht grote overstroming te voorspellen.

Toch heb ik het model alvast eens gebruikt om de impact van klimaatverandering op regenoverstromingen in te schatten. Dat doe ik door het geobserveerde klimaat van een bepaalde periode in het model in te laden en het zijn voorspellingen te laten doen. Vervolgens laadt ik een fictief klimaat in dat een wereld zonder klimaatverandering voorstelt, en laat het model opnieuw zijn voorspellingen maken. Het verschil tussen beide modelruns vertelt mij het effect van de klimaatverandering. In dit geval vind ik een toename van 0,5% terug. Dat is een waarde die een stuk lager ligt dan verwacht, wat wellicht te wijten is aan de beperkingen van het model. Wel zien we grote regionale verschillen, waarbij delen van Noord- en Midden-Amerika, Noord-Europa en Oost-Azië véél zwaarder getroffen worden dan het globale gemiddelde.
Meer lezen

VOLUMETRIC BIOPRINTING FOR LUNG TISSUE ENGINEERING: TOWARD FETAL LUNG MODELS

Universiteit Gent
2026
Robbert
Willemarck
Fotocrosslinkbare gelatinederivaten worden veel gebruikt als biomaterialen voor lichtgebaseerde bioprinttechnieken. Tot de meest gevestigde materialen behoren gelatine-methacryloyl (GelMA) en gelatine-norborneen (GelNB), dankzij hun gunstige mechanische eigenschappen, goede verwerkbaarheid en biocompatibiliteit. Voortbouwend op de voordelen van beide systemen werd een dubbel photocrosslinkable gelatinederivaat ontwikkeld, gelatine-methacryloyl-norborneen (GelMANB), dat chain growth - en step growth-polymerisatie combineert. Hiermee wordt de afstembaarheid van het materiaal vergroot voor toepassingen binnen de longweefselengineering.

GelMANB werd gesynthetiseerd en gekarakteriseerd met protonkernspinresonantiespectroscopie (1H-NMR) om de substitutiegraden (DS) van zowel de methacryloyl- als de norborneengroepen te bepalen. Bioresins werden geformuleerd met verschillende polymeerconcentraties en gecrosslinkt met diverse thiolhoudende crosslinkers, waaronder dithiothreitol (DTT), polyethyleenglycoldithiol (PEG2SH), gethioleerde gelatine (GelSH) en een nieuw ontwikkeld gethioleerd elastine (ElnSH). De fysisch-chemische eigenschappen werden geëvalueerd aan de hand van photorheology, tensile test, frequentiesweepanalyses, gel-fractie- en zwelstudies. De verwerkbaarheid werd onderzocht met behulp van volumetric additive manufacturing (VAM). Daarnaast werden celbeladen GelMANB-bioresins gebioprint en werd de biocompatibiliteit geëvalueerd met MRC-5-fibroblasten via post-printing assays voor celviabiliteit en proliferatie.

1H-NMR-analyses bevestigden een succesvolle dubbele functionalisatie van gelatine met een afstembare substitutiegraad. GelMANB vertoonde een breed en controleerbaar spectrum aan mechanische eigenschappen, afhankelijk van de polymeerconcentratie en de gekozen crosslinker. De incorporatie van GelSH resulteerde in stijvere hydrogels, terwijl DTT en ElnSH materialen opleverden met mechanische eigenschappen die beter aansluiten bij die van longweefsel. Opmerkelijk was dat GelMANB/ElnSH-bioresins een hogere cytocompatibiliteit vertoonden dan GelMA-gebaseerde systemen.

Deze resultaten tonen aan dat GelMANB een veelzijdig en celvriendelijk fotocrosslinkbaar biomateriaal is voor lichtgebaseerde bioprinttechnieken. Dankzij de verbeterde afstembaarheid en verhoogde biologische relevantie biedt dit materiaal een veelbelovend platform voor de vervaardiging van fysiologisch relevante longweefselmodellen.
Meer lezen

Een biofysisch geïnspireerd model van fusiforme cellen voor het bestuderen van intrinsieke en synaptische parameterveranderingen bij tinnitus

Universiteit Gent
2026
Noor
Roelen
Deze thesis onderzoekt hoe veranderingen in de fusiforme cellen en zijn connecties kunnen bijdragen aan tinnitus. Hiervoor werd een computationeel model van fusiforme cellen ontwikkeld dat eerst werd afgestemd op de normale werking van deze cellen. Vervolgens werden mechanismen die in de literatuur met tinnitus worden geassocieerd, vertaald naar veranderingen in het model. De resultaten tonen dat veranderingen in de intrinsieke eigenschappen van fusiforme cellen hun verhoogde spontane activiteit kunnen verklaren, maar dat ook veranderingen in de balans tussen stimulerende en remmende signalen nodig zijn om tinnitusachtige activiteit volledig te reproduceren. Het model biedt zo een kader om de verschillende mechanismen bij tinnitus verder te bestuderen.
Meer lezen

"Van ambachtsman tot stadselite?" "Een dynamische studie aangaande sociale mobiliteit in laatmiddeleeuws Kortrijk a.d.h.v. sociale conflicten en opstanden." (ca. 1250 - ca. 1550)

Universiteit Gent
2026
Thomas E.J.
Vanwelsenaere
Ik ben nagegaan of je in het graafschap Vlaanderen als gewone ambachtsman kon opklimmen tot de stadselite. Omdat in de geschiedschrijving de aandacht vooral gaat naar Brugge, Gent en Ieper, heb ik als uitgangspunt de stad Kortrijk genomen.

Om een duidelijk antwoord te krijgen op mijn onderzoeksvraag, omtrent een open of een gesloten elite, heb ik verschillende methoden toegepast. Voorts heb ik zo'n 300 jaar Kortrijkse geschiedenis onder de loep genomen, waarbij zowel de socio-politieke, de socio-economische en de socio-culturele verhoudingen aan bod komen.

Finaal blijkt dat middeleeuwse ambachtslieden in Kortrijk wel degelijk konden promoveren tot de stadselite. Vooral diegenen die kapitaalkrachtig waren kwamen hiervoor in aanmerking. Via een uitgekiemde huwelijkspolitiek nam de kans tot sociale promotie ook significant toe. Ondanks men vaak denkt dat Kortrijk uit een gesloten elite bestond, blijkt dit echter niet het geval te zijn. Niettegenstaande de financiële en politieke macht in laatmiddeleeuws Kortrijk in hoofdzaak wel in handen lag van kleine groepen, rijke families, kon je als gegoede ambachtsman wel degelijk sociaal promoveren tot de stadselite.

Meer lezen

Photochemical deconstruction of polyolefins under mild conditions: an alternative pathway toward chemical recycling

Universiteit Hasselt
2026
Wout
Beyen
Depolymerisatie van polyolefinen is uitdagend door hun chemische inertie. Toch is het overwinnen van deze barrière essentieel voor een circulaire kunststofeconomie, aangezien ze bijna de helft van het Europese kunststofverbruik uitmaken. Hoewel diverse chemische deconstructiemethoden bestaan, vereisen polyolefinen doorgaans zware omstandigheden, wat de economische haalbaarheid beperkt.
Deze masterproef onderzoekt een alternatieve strategie om polyolefinen onder milde condities af te breken via een recent ontwikkelde UV-gedreven methode. Dit proces veroorzaakt een cascade van ketensplitsingen en zet polyolefinen om in smal verdeelde koolwaterstoffen met laag moleculair gewicht. GC-MS en hogetemperatuur-GPC worden ingezet om reactiepaden te identificeren, de onderliggende moleculaire mechanismen te verduidelijken en deze te koppelen aan de gevormde producten.
Een systematische screening werd uitgevoerd met dodecaan en isododecaan als modelverbindingen, gevolgd door toepassing op industrieel relevant polypropyleen (PP). De invloed van concentratie, type katalysator/(foto)initiator, solvent, reactietijd en atmosfeer werd geëvalueerd.
De resultaten tonen dat gechloreerde solventen essentieel zijn om ketenafbraak te bevorderen, terwijl zuurstof het proces versnelt en zuurstofhoudende carbonylproducten oplevert. Een reductie van 97,5% in moleculair gewicht kan al na 5 minuten worden bereikt.

Dit werk verdiept het inzicht in deze methode en opent perspectieven voor de omzetting van kunststofstromen in waardevolle chemicaliën.
Meer lezen

CFD modelling of electric vehicle fire suppression: Avoiding flame spread using sprinklers in a well-ventilated underground parking

Universiteit Gent
2026
Nienke
Degraeve
This study investigates the effectiveness of water-based sprinkler systems in mitigating fire spread from electric vehicle (EV) battery thermal runaway events in an underground parking garage (9.5 m × 16 m) using Fire Dynamics Simulator (FDS v6.9.1). A series of three-dimensional CFD simulations were conducted to evaluate how different sprinkler configurations influence heat release rate (HRR) and fire propagation between an initiating EV and two adjacent vehicles.


The study is contextualized by a thorough literature review on lithium-ion battery chemistry, the mechanics of thermal runaway (TR) and the characteristics of an EV fire. This theoretical foundation was used to establish a worst-case scenario for simulation, specifically selecting a 100% State of Charge (SOC) to reflect the highest potential for fire intensity and rapid fire growth. While the literature identifies significant risks regarding toxic gas emissions (such as hydrogen fluoride) and vapor cloud explosions (VCE), these phenomena were intentionally excluded from the numerical scope. This decision was made because these hazards are either not the primary drivers of vehicle-to-vehicle fire spread or cannot be modeled with sufficient accuracy within the constraints of FDS, which is a low-Mach-number solver.

10 cm computational grid, validated through sensitivity analysis, was used to balance accuracy and computational cost. Seven sprinkler scenarios were tested, varying activation (temperature), orientation, and discharge intensity.

Results show that an unconstrained fire scenario produces a peak HRR exceeding 18 MW due to multi-vehicle involvement. Sprinkler systems significantly reduce fire severity and stop or limit the fire spread, achieving up to an 82% reduction in peak HRR for standard ceiling-mounted systems (6.7 L/min) and up to 93% for high-intensity configurations. Although the FDS model shows that high-velocity jet flames are more buoyancy-dominated than in reality due to the neglect of pressure-driven expansion, the model successfully captures the critical interaction between water application and thermal exposure. These high-velocity jet flames, however, are only marginally affected by sprinkler discharge in the simulations; they are not the primary driver of vehicle-to-vehicle fire spread. Instead, fire propagation is driven by sustained thermal exposure leading to window failure and ignition of interior combustibles.
The results demonstrate that water-based sprinkler systems are effective in limiting large-scale EV fire propagation in enclosed parking structures, despite their inability to suppress thermal runaway at the battery cell level.
Meer lezen

Tussen hoop en herval: Een hulpverlenersperspectief op chroniciteit en veranderingsresistentie bij cliënten in de langdurige verslavingszorg

Universiteit Gent
2026
Thyra
Janssens
Deze masterproef onderzoekt hoe hulpverleners in de chronische Belgische drughulpverlening de veranderingsresistentie en chroniciteit bij cliënten beleven, en welke impact dit heeft op hun zorghouding, werkrelatie en emotioneel welzijn. Via een kwalitatief onderzoeksdesign werden negentien semigestructureerde interviews afgenomen bij hulpverleners uit vijf verslavingszorgsettings: een ambulante voorziening, twee residentiële settings, een CRA-georiënteerde werking en een spoedpsychiatrische context. De data werden geanalyseerd aan de hand van thematische analyse volgens Braun en Clarke (2021).

De analyse resulteerde in zeven thema's, van stigma en veranderingsresistentie tot emotionele belasting en structurele uitdagingen. Twee bevindingen springen er uit. Ten eerste is er een structurele kloof tussen wat hulpverleners conceptueel weten over herval en hoe zij dit emotioneel beleven. Ten tweede blijken de dimensies verbondenheid, hoop en betekenis, die centraal staan in herstel bij cliënten, ook voor hulpverleners zelf een bron van professionele veerkracht. Op basis van de bevindingen wordt een empirisch onderbouwde hypothese geformuleerd: naarmate de therapeutische relatie minder diepgaand is, neemt de kans op objectivering en dehumanisering van de cliënt toe. De conclusie luidt dat herstelgerichte zorg gelijktijdige investeringen vereist op het niveau van de hulpverlener, de organisatie en het zorglandschap. Individuele veerkracht kan niet als vervanging dienen voor structurele bescherming.
Meer lezen

Grondig gewaardeerd: Voedselsoevereiniteit op en naast het veld

Universiteit Gent
2026
Hannah
De Clercq
Deze masterproef vertrekt vanuit de waardering voor een praktijk van voedselsoevereiniteit, namelijk de praktijk die Plukboerderij Grondig uitoefent. De plukboerderij bevindt zich grofweg op de snijlijn van Gentbrugge, Melle-Merelbeke en
Heusden. Het plukveld, de serre, het boerenerf en andere weides liggen verspreid
in het gebied opgespannen door de dorpskern van Heusden en het beschermd
natuurgebied van de Schelde. Grondig is een CSA, een “community supported
agriculture”, wat betekent dat een gemeenschap van leden financieel mee draagt
in teeltrisico’s. Beleid en ruimtelijke planning voorzien geen of weinig ruimte voor
praktijken van voedselsoevereiniteit. (Jonge) Boeren die voor een gemeenschap
voedsel produceren, krijgen moeilijk toegang tot grond en infrastructuur. Onderzoek
naar voedselsoevereiniteit richt zich voornamelijk op praktijken in het Globale
Zuiden, of is heel theoretisch van aard. Er bestaat nog maar weinig onderzoek naar
praktijken die in Vlaamse context sociale en ecologische doelstellingen met elkaar
verbinden, en naar hoe omgevingen eruit zien die deze praktijken bemoeilijken of
bevorderen. Aan de hand van veldwerk (participatieve observatie), semi-gestructureerde interviews met boeren als betrokkenen tot Grondig en gesprekken
met boeren en andere stagiairs, dient er zich steeds meer kennis en verdieping
aan over de praktijk van Grondig. Verder helpt literatuur me taal te voorzien om
beter te benoemen wat er zich op als naast het veld afspeelt. Grondig boert in
een onaangepaste omgeving, maar creëert overlevingsstrategieën. Ze maakt een
netwerk, waaronder de gemeenschap, waarin zowel kennis als grondstoffen worden
uitgewisseld die het mogelijk maken om op een relatief autonome manier voedsel te
produceren voor die lokaal verankerde gemeenschap.
Meer lezen

De invloed van een vaste mentor voor studenten en starters binnen het OK op retentie en duurzame inzetbaarheid.

Hogeschool UCLL
2026
Sander
Ghysen
De retentie van verpleegkundigen is een aanzienlijk maatschappelijk probleem.
Gezien de grote tekorten in de zorg en het verloop van medewerkers is er nood aan
duurzame verandering. Het is cruciaal dat iedere student die aan een zorgopleiding
begint én iedere starter die ervoor kiest om in de zorgsector te beginnen, ook in de
zorgsector blijft.

Deze literatuurstudie vond zijn oorsprong in de perioperatieve setting. Men onderzocht
concreet of het toewijzen van een vaste mentor aan studenten en starters in het
operatiekwartier de retentie en duurzame inzetbaarheid bevordert. Deze
onderzoeksvraag werd vervolgens in breder persepectief geplaatst.

De algemene focus lag op het identificeren van manieren om optimale begeleiding
voor studenten en starters te faciliteren in eender welke werkcontext. Er werd gezocht
naar de meest kwaliteitsvolle bronnen in de database Cinahl, in de rapporten en policy
briefs van de EFN, in de publicaties van Zorgnet Icuro en door middel van Chat gpt. Na
selectie werden 6 bronnen weerhouden.

De literatuur geeft aan dat programma’s van mentorschap die voortdurende
ondersteuning en gestructureerde begeleiding bieden, de retentie verhogen en het
verloop verlagen. Er wordt aangeraden een dedicated mentor te voorzien die de
student op lange termijn begeleidt op basis van een vertrouwensrelatie. Daarnaast
wordt de student tijdens de werkuren (op korte termijn) best begeleid door
preceptoren.

Echter, een integrale aanpak is onontbeerlijk. Er is nood aan adequate
preceptortraining, een vermindering van de werkbelasting en monitoring van de
kwaliteit van mentorschap.

Optimale begeleiding is een verantwoordelijkheid van alle niveaus in de zorg, waarbij
iedere verantwoordelijke voldoende ondersteuning dient te krijgen. Ook is er vraag
naar investeringen vanuit de overheid. Voor de overheid zou het dan weer voordelig zijn
om langdurig zieke medewerkers terug naar de werkvloer te leiden door hun kennis en
ervaring slim in te zetten voor de begeleiding van studenten en starters.

Er werd tevens een bevraging gedaan in het werkveld (het operatiekwartier) om de
resultaten van de literatuurstudie beter te kunnen kaderen binnen de specifieke
setting. Naast antwoorden die de literatuur bevestigden, bracht dit ook nieuwe
inzichten naar voren. Zo is er volgens de personen uit de bevraging een verschil in
manier van begeleiden voor studenten of starters. In de literatuur werd dit nog niet
aangehaald. Hier zou dus meer onderzoek naar gedaan kunnen worden, met een meer
duidelijk onderscheid tussen beiden.

Aanbevelingen werden geformuleerd en gebundeld in de vorm van positieve punten en
verbeterpunten. Deze werden dan weer geconcretiseerd in het implementatieplan in bijlage.

Het besproken onderwerp blijkt een duidelijk relevant maatschappelijk probleem, waar de
literatuur zich uitgebreid over uitspreekt.
Meer lezen

Hergebruik van geprefabriceerde betonnen welfsels, een technisch-economische analyse op basis van het Europese hergebruiklandschap

Universiteit Gent
2026
Gilles
Vandenbussche
Hoewel de roep om circulair bouwen in de academische wereld steeds luider klinkt, blijft de praktische uitvoering vaak beperkt tot de herwaardering van niet-structurele materialen. Waarom laten we de grootste kansen op verduurzaming onbenut? Gezien de enorme milieu-impact van beton en de aanhoudende vroegtijdige sloop van
gebouwen, is het essentieel om de stap naar het hergebruiken van structurele elementen te zetten. Deze masterproef richt zich specifiek op het hergebruikpotentieel van geprefabriceerde betonnen holle welfsels, die door hun groot aandeel in de structurele massa van Belgische gebouwen een cruciaal aandachtspunt vormen
binnen de circulaire economie.

Het onderzoek brengt eerst de huidige stand van zaken van betonelementhergebruik in Europa in kaart. Op basis
van deze analyse en inbreng door instanties in de constructiesector is een praktisch stappenplan ontwikkeld om de technische en economische haalbaarheid van het oogsten en hergebruiken van holle welfsels aan te tonen. Het resultaat is een beslissingsdiagram dat niet alleen toepasbaar is op welfsels, maar ook ontwerpprincipes aanreikt voor andere betonelementen. Verschillende hergebruiktrajecten resulteren in een lagere kostprijs per eenheid, waardoor het hergebruiken van betonelementen in deze scenario’s economisch competitief wordt. Om de cirkel volledig te sluiten, besluit het onderzoek met concrete voorstellen voor demontabele bouwdetaillering, waardoor de geoogste elementen ook in de toekomst eenvoudig opnieuw inzetbaar blijven.
Meer lezen

Recurite: Duurzaam afvalbeheer op intensieve zorgen

Universiteit Antwerpen
2026
Quinten
Hensbergen
Op de afdeling intensieve zorgen belandt gemiddeld 46% van het afval in de verkeerde container. Niet door onwil of onwetendheid, maar omdat de fysieke omgeving zorgverleners daar op het drukste moment van hun werkdag onbewust toe dwingt. Deze thesis onderzoekt de menskundige, technische en contextuele factoren die foutieve afvaltriage op intensieve zorgafdelingen beïnvloeden, en vertaalt die inzichten naar een ontwerpgedreven oplossing.

Recurite is een modulaire verzorgingskar die correcte afvalsortering structureel integreert in de bestaande workflow van de zorgverlener. Door PMD, karton en niet-risicohoudend medisch afval op te vangen op de exacte plaats en het exacte moment waarop die stromen ontstaan tijdens de zorghandeling, wordt correct sorteren een vanzelfsprekend onderdeel van de zorgroutine in plaats van een bewuste extra stap.

Het project werd initieel aangevraagd door ZAS Middelheim en is inmiddels opgenomen binnen het Ontzorg-project van het ReuseLab van de Universiteit Antwerpen. Recurite is het eerste product dat afvaltriage aan de bron faciliteert en tegelijkertijd een fysieke inzameloplossing biedt voor circulaire initiatieven rechtstreeks op de ziekenhuisvloer.
Meer lezen

Systematische substitutie van hoog risicochemicaliën in organische onderwijs-laboratoria aan Quy Nhon Universiteit

Universiteit Antwerpen
2026
Jenno
Vanassche
Deze scriptie onderzoekt hoe bestaande organische onderwijspractica aan de Quy Nhon University (Vietnam) veiliger en duurzamer kunnen worden herontworpen. Een bestaand Excel-gebaseerd risicoanalyse-instrument werd hiervoor uitgebreid met een functionele analyse van de chemicaliën en het gebruik van Hansen solubility parameters (HSP) voor solventselectie. Uit een screening van 98 experimenten werden de meest risicovolle proeven geselecteerd, waarna voor drie hoog-risico experimenten succesvol veiligere alternatieven werden voorgesteld en geëvalueerd. De studie toont aan dat gevaarlijke reagentia en solventen effectief vervangen kunnen worden, waarbij een optimale afweging wordt gemaakt tussen een lagere gevarenscore, materiaalefficiëntie (atoomeconomie), kostprijs en het behoud van de didactische waarde.
Meer lezen

Assessing the Impact of Volume- to Weight-Based Household Waste Pricing: A Staggered Difference-in-Differences Approach

Universiteit Gent
2026
Jef
Bruggeman
De afgelopen jaren zijn de politieke debatten in heel Vlaanderen over de milieulast die gepaard gaat met de inzameling van huishoudelijk afval geïntensiveerd. Om de doelstellingen uit het regionale Lokaal Materialenplan 2023-2030 te behalen, hebben lokale overheden de traditionele, op volume gebaseerde huisvuilzakken uitgefaseerd ten gunste van gedifferentieerde, op gewicht gebaseerde tariefmodellen (DIFTAR) die gebruikmaken van gechipte afvalcontainers. Ondanks de internationale steun voor op gewicht gebaseerd beleid, toont historische empirische literatuur uit Vlaanderen aan dat de initiële afname-effecten binnen vijf jaar wegebben. Tegelijkertijd is er een gebrek aan gedetailleerde inzichten over meerdere afvalfracties heen met betrekking tot het substitutiegedrag van huishoudens. Deze masterproef pakt deze hiaten aan door een uitgebreide longitudinale paneldataset te evalueren die 17 huishoudelijke afvalstromen in 266 niet-gefuseerde Vlaamse gemeenten volgt van 2017 tot 2024.

Methodologisch gezien implementeert de studie een conditioneel 'staggered Difference-in-Differences' schattingskader dat corrigeert voor multi-periode selectiebias en problemen met negatieve weging, terwijl er via de Belfius-gemeentetypologie wordt gecontroleerd op structurele en demografische variaties. De bevindingen tonen aan dat de overgang naar op gewicht gebaseerde mechanismen resulteert in een statistisch significante, algehele reductie van 11,80% in de productie van huishoudelijk restafval, met een piek van 17,27% tijdens het eerste volledige jaar na de implementatie. Hoewel er in de laatste jaren een uitdoofeffect wordt waargenomen, blijft deze trend voorlopig nog tentatief vanwege databeperkingen en een beperkte observatieperiode na de implementatie voor gemeenten die het systeem recent hebben ingevoerd.

Cruciaal is dat de multi-fractie substitutieanalyse aantoont dat positieve substitutie-effecten beperkt blijven tot klein gevaarlijk afval (KGA) (+6,97%) en plantaardige en dierlijke oliën/vetten (+5,10%). Het merendeel van het afgewende gewicht valt echter in de categorie van netto voorkomen afval of afwending buiten het systeem, zoals thuiscomposteren. Stratificaties van subgroepen geven aan dat, terwijl landelijke gebieden organisch afval opvangen via thuiscomposteren en substitueren via het sorteren van plastic, inwoners van stedelijke centra materialen verschuiven naar de gemeentelijke bioafval- of gft-fracties.

Tot slot minimaliseren gerichte configuraties, zoals niet-lineaire, getrapte prijsmodellen, het traditionele uitdoofeffect en leiden ze tot een sterkere daling van het restafval van ongeveer 20%. Deze empirische inzichten bieden een basis voor lokale overheden om de operationele afvallogistiek aan te passen, gerichte communicatiecampagnes op te zetten en strategische plannen voor publieke infrastructuur te optimaliseren.
Meer lezen

Assessing the environmental impact of trade agreements using the gravity model: the case of the EU-Mexico free trade agreement

Universiteit Gent
2026
Félix
Zaidi
Deze masterproef onderzoekt hoe het vrijhandelsakkoord tussen de Europese Unie en Mexico de internationale handel en de bijbehorende CO₂ uitstoot heeft beïnvloed. Aan de hand van een econometrisch gravity model worden handelsstromen en belichaamde CO₂ emissies vóór en na de invoering van het akkoord geanalyseerd.

De resultaten tonen dat het akkoord de bilaterale handel met ongeveer 26,4 procent verhoogde, terwijl de bijbehorende CO₂ uitstoot met 17,8 procent toenam. De uitstoot steeg dus minder sterk dan de handel. Dit komt doordat de bijkomende handel zich relatief meer concentreerde in minder CO₂ intensieve sectoren en doordat de uitstootintensiteit binnen sectoren afnam. Daarnaast nam ook de handel met derde landen toe, waardoor geen bewijs wordt gevonden voor klassieke handelsverschuiving. De studie toont zo hoe handelsbeleid niet alleen economische, maar ook ecologische gevolgen heeft.
Meer lezen

WUSSY: het artistiek onderzoek achter het theaterdoek

LUCA School of Arts
2026
Roisin
Callaerts
Mijn scriptie is een artistiek onderzoek over mezelf als artiest die een toneelstuk maakt waarin ze komaf wil maken met haar eigen onzekerheid. Een stap die ze moet zetten voor ze als actrice in het werkveld kan stappen. Een onderzoek naar zelfacceptatie en wat ik als speler en maker nodig heb om mijn woorden tot bij een publiek over te brengen en hen te raken.
Meer lezen

Het/een/mijn huis als geconstrueerde grot

Hogeschool PXL
2026
Noa
Kuypers
In mijn project ‘Het/een/mijn huis als geconstrueerde grot’ onderzoek ik de spanning tussen verval en standvastigheid: hoe een gebouw transformeert en toch zijn kern behoudt, en hoe atmosfeer, dat ongrijpbare samenspel van licht, materiaal, geheugen en emotie, een lege schil omtovert tot een thuis. Het vertrekpunt is de observatie dat een huis nooit werkelijk leeg is; het draagt littekens van vroegere bewoning. Tijdens de renovatie van een woning uit 1830 leg ik deze verborgen lagen bloot, parallel aan een artistiek project waarin ik herinnering en materiaal met elkaar combineer. Door plattegronden te tekenen op basis van impressies, kleimodellen te stapelen en betonnen kubussen met uitgeholde gangen te gieten, vertaal ik het vluchtige van geheugen naar het tastbare van een fundament. Collage fungeert hierin als terugkerend ritueel, een proces van afbreken en herschikken dat het verbouwingsproces zelf weerspiegelt. Geïnspireerd door de praktijk van Do Ho Suh, Sara Bomans en Peter Zumthor, toon ik aan dat atmosfeer niet statisch is, maar draagbaar: een opeenstapeling van tijdlagen, materiële sporen en menselijke tussenkomst. Het resultaat is een visuele taal die het onzichtbare fundament en de dromerige invulling van een plek naast elkaar plaatst, en bevestigt dat een huis pas leeft in de spanning tussen wat was, wat is, en wat we met ons meedragen.
Meer lezen

Arbeidsongeschiktheid in Vlaamse gemeenten. Een kwalitatieve vergelijkende analyse

KU Leuven
2026
Rens
Vandenbussche
Het aantal langdurig arbeidsongeschikten in Vlaanderen is de afgelopen decennia sterk gestegen, maar deze stijging verliep niet gelijkmatig tussen gemeenten. Terwijl sommige gemeenten percentages langdurige arbeidsongeschiktheid boven de 11 procent kennen, blijven andere onder de 4 procent. Deze lokale verschillen suggereren dat gemeentelijke kenmerken een belangrijke rol spelen. Deze masterproef onderzoekt welke combinaties van sociaaleconomische, demografische en arbeidsmarktgerelateerde factoren samenhangen met een hoog of laag aandeel langdurig arbeidsongeschikten in Vlaamse gemeenten.

Om de onderzoeksvraag te beantwoorden werd gebruikgemaakt van Qualitative Comparative Analysis (QCA), meer specifiek crisp-set QCA. Deze methode laat toe om gemeenten te analyseren als configuraties van condities die samen leiden tot een bepaalde uitkomst. In totaal werden veertig Vlaamse gemeenten geselecteerd: de twintig gemeenten met de hoogste percentages langdurig arbeidsongeschikten en de twintig gemeenten met de laagste percentages.

De resultaten tonen aan dat langdurige arbeidsongeschiktheid niet verklaard kan worden door één afzonderlijke factor, maar het resultaat is van een complex samenspel tussen bevolkingskenmerken en arbeidsmarktstructuren. Gemeenten met hoge percentages langdurige arbeidsongeschiktheid worden vaker gekenmerkt door een sociaaleconomisch kwetsbare bevolking, een minder sterke arbeidsmarkt en arbeidsomstandigheden die het risico op uitval vergroten. Gemeenten met lage percentages langdurige arbeidsongeschiktheid vertonen daarentegen vaker gunstigere arbeidsomstandigheden en een bevolking met gemiddeld een sterkere sociaaleconomische positie.

De bevindingen onderstrepen dat langdurige arbeidsongeschiktheid een multidimensioneel en lokaal ingebed fenomeen is, waarbij verschillende condities elkaar versterken of compenseren. Deze studie biedt daardoor niet alleen inzicht in welke factoren relevant zijn, maar vooral in hoe specifieke combinaties van factoren leiden tot uiteenlopende gemeentelijke profielen.
Meer lezen

Productie en evaluatie van elektrogesponnen TEOS-gebaseerde nanovezelmembranen als SALDI-substraten voor fecale metabolomics via LA-REIMS

Odisee Hogeschool
2026
Elia Amnon
Bar On
Binnen een klinische en biomedische context zijn snelle en robuuste analysemethoden voor untargeted metabolomics essentieel. Laser-assisted rapid evaporative ionisation massaspectrometrie (LA-REIMS) maakt directe analyse van biofluïda mogelijk, maar de analytische prestaties worden bepaald door de intrinsieke matrixeigenschappen van het staal. Elektrogesponnen nanovezelmembranen kunnen via surface-assisted laser desorption/ionisation (SALDI) de desorptie en ionisatie verbeteren en zo de analyses versterken. Het potentieel van silicagebaseerde nanovezelmembranen als SALDI-substraten binnen LA-REIMS-gebaseerde metabolomics is echter nog onvoldoende geëvalueerd.

In deze studie wordt onderzocht in welke mate elektrogesponnen tetraethylorthosilicaat (TEOS)-gebaseerde nanovezelmembranen de prestaties van LA-REIMS-analyses voor fecale metabolomics beïnvloeden.

De productie van TEOS-membranen omvat het elektrospinnen van een sol-geloplossing, gevolgd door een thermische behandeling om een superhydrofiel membraan te verkrijgen. De morfologie en hydrofiliciteit worden gekarakteriseerd met scanning-elektronenmicroscopie, watercontacthoekmetingen en infraroodspectrometrie. De analytische prestaties worden geëvalueerd via LA-REIMS-analyse van fecale stalen en vergeleken met rechtstreekse analyse van feces en met geoptimaliseerde MetaSAMP-membranen. Data-analyse omvat principal component analysis, evaluatie van reproduceerbaarheid en vergelijking van metabolomische dekking.

LA-REIMS-analyses tonen aan dat met fecale stalen geïmpregneerde TEOS-membranen een metabolomische vingerafdruk genereren die vergelijkbaar is met die van feces as-such, met detectie van een groter aantal features. Tegelijkertijd worden, vergeleken met zowel MetaSAMP-membranen als feces as-such, beperkingen vastgesteld in reproduceerbaarheid en signaalintensiteit, met lagere signaalintensiteiten en meer variabele features (p < 0,01).

Na optimalisatie van de membraandikte en het staalvolume worden TEOS-membranen verkregen die significant hogere signaalintensiteiten opleveren dan feces as-such (p < 0,01; g > 1), met een hoger aantal gedetecteerde features (p < 0,01) en een aanvaardbare reproduceerbaarheid (> 75 % van de features met een variatiecoëfficiënt ≤ 30 %).

De resultaten tonen aan dat elektrogesponnen TEOS-gebaseerde nanovezelmembranen doeltreffend zijn als SALDI-substraat binnen LA-REIMS-gebaseerde metabolomics. Toekomstige studies kunnen zich richten op het optimaliseren van de membraanproductie, functionalisatiestappen en het verder afstemmen van de LA-REIMS-methode.
Meer lezen

Van abstracte data naar intuïtieve feedback: Het potentieel van Mixed Reality op de Meta Quest voor reanimatietraining binnen de geneeskunde.

HOGENT
2026
Dogukan
Uyanik
Traditionele reanimatietraining voor verpleegkundigen steunt vaak op externe 2D-interfaces voor feedback, wat leidt tot het split-attention effect. De hulpverlener moet hierbij de aandacht verdelen tussen de fysieke handeling op de reanimatiepop en een extern scherm, wat de cognitieve belasting verhoogt en de leercurve belemmert. Deze bachelorproef onderzoekt hoe Mixed Reality (MR) technologie dit proces kan optimaliseren door real-time, intuïtieve feedback direct in het gezichtsveld
van de gebruiker te projecteren. Het doel van dit onderzoek was de ontwikkeling van een Proof of Concept (PoC) op de Meta Quest 3, waarbij sensordata van een reanimatiepop in real-time wordt gevisualiseerd via een Unity-applicatie. Een significante technische barrière in dit proces was de gesloten aard van de beschikbare communicatieprotocollen. Hoewel de fabrikant eigen ecosystemen aanbiedt, ontbreekt een publiek toegankelijke en gedocumenteerde SDK die directe integratie met de Meta Quest 3 en de Unityomgeving mogelijk maakt. Daarnaast vormt de beperkte native ondersteuning voor Bluetooth Low Energy (BLE) binnen de standaard Unity-ontwikkelomgeving voor Android-gebaseerde headsets een extra hindernis.
Om dit probleem te overbruggen, is een diepgaand technisch onderzoek uitgevoerd
naar het communicatieprotocol van de pop. Door middel van reverse engineering
technieken waaronder het decompileren van officiële software en het analyseren van Bluetooth Low Energy (BLE) pakketjes via HCI snoop logs en Wireshark op een gerouteerd Android-toestel zijn de verborgen handshakes en datacharacteristics
ontcijferd. Het resultaat is een werkend prototype dat live sensordata (zoals compressiediepte en frequentie) vertaalt naar ruimtelijke visualisaties, waaronder een ghost avatar en een dynamisch reagerend hartmodel. De voorlopige resultaten van deze PoC tonen aan dat MR in staat is om de kloof tussen haptische ervaring en visuele feedback te dichten. Dit onderzoek legt hiermee de technische fundamenten voor een nieuwe generatie medische simulatietools die verpleegkundigen effectiever kunnen voorbereiden op kritieke levensreddende situaties.
Meer lezen

Theorie ontmoet praktijk: een innovatieve learning skid voor de techniekers van morgen

Hogeschool VIVES
2026
Henri
Vervenne
  • Quentin
    Mary
Tijdens onze bachelorproef ontwierpen en realiseerden we een traningsmodule rond motion control. Deze testopstelling wordt ingezet om techniekers op een praktijkgerichte manier inzicht te geven in de aansturing en positionering van bewegingen binnen een industriële omgeving. De learning skid ondersteunt door middel van een bijhorende e-learning een technische opleiding rond toepassingen met servomotoren, frequentieregelaars en asynchrone motoren.

Meer lezen

Inclusie in de musicalsector

Hogeschool VIVES
2026
Fran
Van Besauw
Mijn scriptie onderzoekt hoe inclusief en divers de Vlaamse musicalsector vandaag is, zowel voor publiek als voor performers. Via een literatuurstudie en een online survey wordt duidelijk dat musical warm en verbindend aanvoelt, maar dat er nog belangrijke drempels bestaan: beperkte representatie, onvoldoende fysieke toegankelijkheid en weinig publiekswerking naar diverse groepen. Makers erkennen het belang van inclusie, maar botsen op beperkte middelen en expertise. De scriptie besluit dat inclusie een artistieke en maatschappelijke meerwaarde biedt en formuleert aanbevelingen om de sector toegankelijker en toekomstgerichter te maken.
Meer lezen