Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Ostium-specific equine pulmonary vein myocardial sleeve gross anatomy and structural evidence of interatrial myocardial continuity with potential implications for ablation strategies

Universiteit Gent
2026
Inne
Van Hooydonk
Anatomische variatie van de pulmonaire venen bij het paard als referentie voor toekomste ablatieprocedures.
Meer lezen

Toward standardization of Gram-positive bacterial extracellular vesicles: optimizing purification from Lacticaseibacillus rhamnosus GG across growth phases

Universiteit Gent
2026
Shauni
Van Rijckeghem
Confidentieel -> thesis doorgestuurd via e-mail
Meer lezen

Gevangen in dualiteit: de vervroegde terugbetaling van commerciële kredieten en de zoektocht naar een marktconforme wederbeleggingsvergoeding

KU Leuven
2026
Efterpi
Kourtis
Deze masterproef analyseert de juridische en economische problematiek rond de wederbeleggingsvergoeding bij de vervroegde terugbetaling van commerciële kredieten. De kern van het onderzoek richt zich op de hardnekkige dualiteit in het Belgische recht, waarbij de hoogte van de verschuldigde vergoeding afhankelijk is van de kwalificatie van de overeenkomst als lening op interest dan wel als kredietopening.

In de huidige Belgische context geniet de lening op interest een dwingende bescherming via artikel 1907bis oud Burgerlijk Wetboek, dat de vergoeding plafonneert op zes maanden interest. Kredietopeningen vallen echter in beginsel buiten dit plafond, waardoor banken vaak een aanzienlijk hogere, actuariële ‘funding loss’-vergoeding vorderen ter compensatie van hun werkelijke rendementsverlies.

Hoewel de Wet van 21 december 2013 betreffende diverse bepalingen inzake de financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen een gelijkaardig plafond heeft ingevoerd voor kredieten tot twee miljoen euro, blijft de kwalificatieproblematiek bestaan voor kredieten die dit bedrag overschrijden, evenals voor overeenkomsten die vóór de inwerkingtreding van deze wet werden gesloten. Deze situatie vormt een bron van rechtsonzekerheid. In deze masterproef wordt blootgelegd hoe zowel de rechtspraak als de rechtsleer worstelen met het criterium van de ‘opnamevrijheid’ om dit onderscheid te maken, wat resulteert in een gebrek aan voorspelbaarheid voor zowel kredietgevers als ondernemingen.

Vanuit een economisch perspectief wordt aangetoond dat het huidige forfaitaire systeem, gebaseerd op regels uit 1934, een economisch anachronisme is dat de hedendaagse bankrealiteit en de werkelijke schade bij renteschommelingen miskent. Een fundamentele modernisering van het wettelijk kader is daarom noodzakelijk, waarbij het onderscheid tussen leningen en kredietopeningen wordt opgeheven en de actuariële funding loss-methode als universele, marktconforme referentie wordt verankerd. Hierbij wordt gepleit voor een verschuiving van rigide plafonds naar een informatieparadigma, waarbij ondernemingen via een transparant optierecht vooraf met kennis van zaken kunnen kiezen tussen verschillende tarieven en uitstapvoorwaarden. Dit onderzoek biedt hiermee een essentieel inzicht in de noodzaak voor een rechtvaardiger evenwicht tussen de financiële stabiliteit van de banksector en de financieringsvrijheid van ondernemingen.
Meer lezen

PHASE CONTRAST TOMOGRAPHY OF HUMAN TISSUE WITH A LIQUID-METAL µCT X-RAY SOURCE

Universiteit Gent
2026
Christopher
Boateng
Deze scriptie toont aan dat een röntgenbron met een liquid-metaalanode in een labo 3D-beelden kan maken van menselijk weefsel in paraffineblokjes, zonder de blokjes te snijden. Daarbij speelt ook de energie, de 'kleur' van de bron, een cruciale rol.
Meer lezen

Characterization of Cannabidiol-Mediated 5-HT2A Receptor Modulation Under Variable Receptor Expression Conditions

Universiteit Gent
2026
Ruben
Stiers
De 5-HT2A-receptor is het belangrijkste aangrijpingspunt van klassieke psychedelica. Een recente studie suggereerde dat cannabidiol (CBD) die receptor kan dempen als negatieve allosterische modulator. Omdat allosterische effecten vaak sterk afhangen van de proefopzet, onderzocht deze masterproef hoe robuust dat effect is. Daarvoor werden HEK293-cellen gebruikt waarin het aantal receptoren via tetracycline instelbaar was, met Ca²⁺-mobilisatie als uitlezing.
Bij hoge receptorexpressie had CBD geen effect, evenmin als zijn spiegelbeeldvorm (+)-CBD, de metabolieten 6-OH-CBD en 7-COOH-CBD en de beschreven positieve modulatoren oleamide en JPC0323. Bij lagere expressie verminderde CBD de maximale serotonine-respons met ongeveer 26%, maar alleen na een uur voorbehandeling met 10 µM. Mescaline-responsen waren gevoeliger. De effecten zijn bescheiden en sterk contextafhankelijk, dus hun fysiologische relevantie blijft onzeker. Verdere assays en controles op CBD-aggregatie zijn nodig.
Meer lezen

Lokale en cloud-AI in webontwikkeling: Ecologische impact, kosten en een beslissingskader voor duurzame integratie

HOGENT
2026
Alexandru-George
Poenaru
Drie taalmodellen werden zowel lokaal als in de cloud getest. Op basis van 6.241 aanvragen werden energieverbruik, geschatte CO₂-uitstoot, snelheid, kosten en inhoudelijke juistheid vergeleken. Een correctie op de cloudschattingen bracht ook het energieverbruik voor het lezen van lange documenten in rekening. Voor de onderzochte toepassing bleek de cloud naar schatting gemiddeld vijf keer energiezuiniger en bij het verwachte bedrijfsvolume financieel aantrekkelijker. Tegelijk toonden de tests dat correct gevormde antwoorden inhoudelijke fouten kunnen bevatten.

De resultaten zijn vertaald naar een praktische beslissingsboom die bedrijven helpt kiezen op basis van onder meer privacy, beschikbare apparatuur, gebruiksvolume, stroommix en antwoordkwaliteit.
Meer lezen

Een regeneratieve toekomst voor Zwartberg - Het productieve bos

Universiteit Hasselt
2026
Daan
Driessen
  • Rayna
    Bongaerts
  • Yarne
    Claes
  • Connor
    De Smet
  • Elias
    Doyen
  • Liza
    Hendrickx
  • Jorien
    Houben
  • Evelyne
    Gielkens
  • Joppe
    Loodts
  • Kato
    Martens
  • Rens
    Neyens
  • Arne
    Pellaers
  • Britt
    Raskin
  • Sara
    Simons
  • Anke
    Surinx
  • Tineke
    Vandekerkhof
Mijn masterproef onderzoekt hoe de productiebossen rond Genk kunnen evolueren naar biodiverse en klimaatrobuuste bossen, terwijl ze lokaal hout blijven leveren. In Zwartberg vertaal ik dit naar een lokale houtketen en houtzagerij, waarbij de ecologische draagkracht van het bos bepaalt hoeveel hout kan worden geoogst en gebruikt.
Meer lezen

The Coalition Politics Behind Sudden Welfare Reform A Multiple Streams Analysis of Belgian Unemployment Benefit Reform

KU Leuven
2026
Dahlia
Deweer
In mijn thesis onderzoek ik waarom de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd, die onder de regering-Michel I politiek geblokkeerd bleef, onder de bredere regering-De Wever I in amper zes maanden werd gerealiseerd. Aan de hand van twaalf elite-interviews wordt aangetoond dat niet alleen de ideologische samenstelling van een coalitie van belang is, maar ook de relatieve positie van partijen, gedeeld politiek eigenaarschap en de controle over cruciale momenten in het besluitvormingsproces. Onder Michel I bevonden CD&V en MR zich in politiek kwetsbare posities en raakte het voorstel niet tot de echte coalitieonderhandelingen. Onder De Wever I konden vijf partijen de hervorming vanuit verschillende politieke verhalen ondersteunen, terwijl de sterkste voorstanders bovendien de institutionele hefbomen in handen hadden. De studie toont zo hoe coalitiepolitiek kan verklaren waarom een jarenlang geblokkeerde welvaartsstaatshervorming plots bijzonder snel mogelijk wordt.
Meer lezen

Implementation of the energy transition in military infrastructure

Universiteit Hasselt
2026
Simon
Derwael
Belgian military infrastructure is entering a decisive investment cycle in which new-build projects, major renovations and electrical modernisation must support both climate objectives and operational resilience. This thesis addresses two questions: (1) which energy design criteria should guide defence infrastructure projects and (2) how an existing medium-voltage network can evolve into a resilient microgrid.

The study combines analysis of internal documentation and processes with a literature review and market consultations. First, the future planning process for military barracks is evaluated, alongside the internal technical design instructions. These instructions are updated to reflect recent HVAC developments. Cost-reduction strategies and a decision-support approach for early design stages are discussed, including an assessment of simplified modular building concepts and the outsourcing of geothermal energy systems.

Second, the thesis explores the adaptations needed to the medium-voltage network. The increasing integration of distributed energy sources, reliability demands and exposure to cyber risks require rethinking traditional networks. A conceptual framework is developed to convert the existing medium-voltage network into a resilient microgrid, including definitions, key components and a step-by-step roadmap.
Overall, the thesis provides practical design improvements for the cost-efficient implementation of military energy systems. Proposed measures include savings of up to 53% for new-build projects.
Meer lezen

The Effect of Intralingual Subtitles on Incidental Vocabulary Acquisition in A1-A2 Learners of Spanish as a Foreign Language for Specific Purposes

Universiteit Antwerpen
2026
Elisa
Mames Antuna
Deze scriptie onderzoekt het effect van Spaanse ondertitels op het leren van nieuwe woordenschat bij beginnende studenten Spaans voor Bedrijf en Economie. Aan de hand van een experiment met 172 studenten wordt nagegaan of video’s met Spaanse ondertitels bijdragen aan de verwerving van nieuwe woordenschat. Daarnaast wordt gekeken naar de invloed van tekstbegrip, voorkennis van het Spaans en kennis van andere talen op het leerproces.
Meer lezen

The diversity of aquatic and moss-inhabiting diatom communities in the Westfjords, northern Iceland

Universiteit Antwerpen
2026
annika
coomans
De diversiteit van zoetwaterdiatomeeën in IJsland is nog onvoldoende gedocumenteerd, vooral in afgelegen regio's zoals de Westfjorden. Hierdoor blijft de biodiversiteit en ecologische structuur van diatomeeëngemeenschappen in deze regio grotendeels onbekend. In deze studie werd de zoetwaterdiatomeeënflora van de Westfjorden geïnventariseerd en werden patronen in de gemeenschapsstructuur onderzocht over verschillende aquatische en mosgebonden habitats. Tweeënzestig stalen afkomstig uit meren, poelen, rivieren, beken, watervallen en moshabitats werden geanalyseerd met behulp van lichtmicroscopie en, waar nodig, scanningelektronenmicroscopie. De diatomeeëngemeenschappen werden geïdentificeerd tot op het laagst mogelijke taxonomische niveau en geanalyseerd aan de hand van diversiteitsschattingen,
ordinatietechnieken en multivariate gemeenschapsanalyses. In totaal werden 403 taxa uit 71 genera geregistreerd, waaronder 317 taxa vastgesteld tijdens kwantitatieve tellingen en 86 aanvullende taxa die werden gedetecteerd tijdens kwalitatieve observaties. Schattingen van de soortenrijkdom suggereerden dat een aanzienlijk deel van de regionale flora nog niet werd waargenomen. Meer dan 60% van alle geregistreerde taxa kwam voor in minder dan 5% van de onderzochte stalen, wat wijst op het grote belang van zeldzame taxa binnen de diatomeeënflora van de Westfjorden. Er werden drie belangrijke diatomeeëngemeenschappen onderscheiden, die voornamelijk samenhingen met verschillen in habitattype en hydrologische omstandigheden. Daarnaast droeg het onderzoek bij aan de beschrijving en taxonomische herziening van verschillende taxa, waaronder de formele beschrijving van Planothidium islandicum als een nieuwe soort voor de wetenschap. De resultaten tonen aan dat de Westfjorden een uitzonderlijk diverse en ecologisch gedifferentieerde zoetwaterdiatomeeënflora herbergen. Deze studie levert een belangrijke basis voor toekomstig onderzoek naar biodiversiteit, biogeografie en ecologische veranderingen in IJslandse zoetwatersystemen.
Meer lezen

Wood identification and color technological research on 17th-century Flemish cabinets containing ebony (imitation)

Universiteit Antwerpen
2026
Flynn
Hermsen
In de 17de eeuw was Antwerpen een belangrijk Europees handelscentrum voor luxegoederen. Daartoe behoorden ook rijkelijk vervaardigde kabinetten, die vaak versierd waren met kostbare materialen en decoratieve technieken, zoals zilver, zijde, paneelschilderijen, ivoor, schildpad en ebbenhout. Ebbenhout is een zeldzame, dure, exotische zwarte houtsoort die werd gebruikt voor fineer en lijstwerk. Historische bronnen wijzen er echter op dat meubelmakers ook imitatietechnieken toepasten om het uitzicht van ebbenhout na te bootsen. Deze thesis onderzoekt de materialen en methodes die bij deze imitaties werden gebruikt, met als doel ambachtelijke praktijken bloot te leggen die vandaag nog grotendeels onbekend zijn. Hiervoor werd een gemengde aanpak gehanteerd, waarbij historisch onderzoek werd gecombineerd met wetenschappelijke analyse van een selectie 17de-eeuwse Vlaamse kabinetten. Dit omvatte houtidentificatie via optische microscopie en scanning-elektronenmicroscopie (SEM), en chemische karakterisering met draagbare X-ray fluorescentie (pXRF) en SEM-EDX. De analyse bevestigde een wisselende aanwezigheid van ebbenhoutimitatie op de onderzochte objecten. Visuele inspectie bleek nuttig om imitatie in fineer en lijstwerk op te sporen. In drie kabinetten werd vermoedelijk Pyrus sp. geïdentificeerd in plaats van Diospyros sp. Voor het onderzoek naar kleurtechnieken leverden XRF-metingen op de kabinetten en op testpanelen, gebaseerd op eigentijdse geschreven bronnen, een veelbelovende overlap op, maar bleven er hiaten. De studie wordt beperkt door analytische beperkingen, waardoor de resultaten slechts een gedeeltelijk beeld geven van de bredere praktijk van ebbenhoutimitatie in het 17de-eeuwse Vlaanderen. Toch is verder onderzoek nodig om de omvang en de technieken van deze vroege vorm van materiaalsubstitutie volledig te begrijpen, onder meer via uitgebreidere XRF-referentiemetingen op zowel ebbenhout als inheemse houtsoorten.
Meer lezen

From soil to satellite: wildfire detection and vegetation recovery monitoring

Universiteit Gent
2026
Astrid
Peeters
Deze thesis onderzoekt de ecologische gevolgen van de bosbrand van 23 maart
2025 in de Clingse Bossen en evalueert het gebruik van satellietbeelden voor de
detectie van verbrande gebieden en de monitoring van vegetatieherstel. De brand
in Clinge vond plaats in een ecosysteem dat reeds onder druk stond door een
grootschalige fijnsparsterfte (Picea abies) als gevolg van aantastingen door de let
terzetter (Ips typographus). De resultaten tonen aan dat de brand, ondanks haar
relatief lage intensiteit, duidelijke effecten had op zowel de bodem als de vegetatie.
Verbrande bodems vertoonden veranderingen in waterafstotendheid, bulkdichtheid
en pH. Zowel de vegetatiebedekking als het aantal soorten namen toe tijdens het
eerste jaar na de brand, maar het herstel werd sterk gedomineerd door schapenzur
ing (Rumex acetosella), een pionierssoort die goed aangepast is aan droge, voed
selarme en verstoorde zandgronden.

Daarnaast werd onderzocht hoe verschillende spectrale indices op basis van Sentinel
2 kunnen worden ingezet voor branddetectie en post-brandmonitoring. Hiervoor
werden brandlocaties in Clinge, Arlon, Maasmechelen en Houffalize geanalyseerd.
Indices zoals NDVI, NDVI red edge, NBR, NBR+, NBR2, NDSWIR en BAI werden
vergeleken voor het detecteren van verbrande zones, waarbij NBR over het alge
meen de beste resultaten opleverde. Daarnaast werd de Post-Fire Stability Index
(PFSI), gebaseerd op NBR2, gebruikt om vegetatieherstel doorheen de tijd op te
volgen. De resultaten tonen aan dat Sentinel-2 en afgeleide indices waardevolle
instrumenten zijn voor het detecteren van natuurbranden en het monitoren van
herstelprocessen in België.
Meer lezen

Van kerk naar pedagogische ontmoetingsruimte

Hogeschool UCLL
2026
Maxime
Neven
Dit ontwerpgericht onderzoek verkent een mogelijke nieuwe indeling voor de Sint-Pieterskerk van Sint-Truiden. De kerkruimte fungeert iedere donderdagvoormiddag als spel- en ontmoetingsruimte bij de organisatie KOALA voor kwetsbare gezinnen met kinderen tussen de nul en drie jaar. De aanleiding voor dit onderzoek vloeit voort uit de signalen van de begeleiders over de indeling en inkleding van de kerkruimte. Die zou naar hun mening onvoldoende aansluiten bij hun eigen noden, hun visie, de noden van de ouders en die van de kinderen. De centrale onderzoeksvraag luidt: Hoe kan de kerkruimte van KOALA Sint-Truiden worden ingericht zodat ze aansluit bij de pedagogische noden en leefwereld van kwetsbare gezinnen met jonge kinderen (0-3 jaar)?
De studie is theoretisch onderbouwd met inzichten uit onder meer het ecocipatieperspectief (Cockx, 2007) en de visie omtrent de ruimte als derde pedagoog (Malaguzzi in Reggio Emilia Approach, 2022). Deze kader hielpen om de relevantie van die onderzoek te kaderen binnen de richting Sociale Readaptatiewetenschappen.
De onderzoeksmethode bestond enerzijds uit kwalitatieve dataverzameling via individuele, semigestructureerde interviews met de begeleiders en de ouders. Op deze manier werd de huidige beleving van de kerkruimte in kaart gebracht, alsook de noden en behoeften die er leefden. Anderzijds werden er na uit uitvoeren van een aantal aanpassingen participerende observaties gevoerd, om ook de jonge kinderen te laten participeren en mee te nemen in dit onderzoek. Daarnaast werden tussentijds de ouders en begeleiders bevraagd over de uitgevoerde aanpassingen.
Uit de resultaten van de interviews kwamen vijf belangrijke wensen naar boven: meer gebruik maken van de beschikbare speelruimte, duidelijkheid creëren omtrent de ingang (een warm welkom), zorgen voor herkenbaarheid en erkenbaarheid, een gezellige sfeer creëren en de koude overbruggen. Voor elk van deze wensen werd een ontwerp opgesteld en goedgekeurd.
Meer lezen

Ethiek in de Vlaamse schoolboeken filosofie

KU Leuven
2026
Tomas
Bruyland
Deze masterproef stelt de vraag hoe ethiek benaderd wordt in de Vlaamse schoolboeken filosofie voor de derde graad. Om deze vraag te beantwoorden ontwikkelen we een eigen methodologie. Voor de inhoudelijke analyse wordt uit de meta-ethiek een schema afgeleid. Het analsyeschema voor de vaardigheden wordt opgebouwd vanuit het onderscheid tussen filosofisch-ethische vorming en morele vorming. Deze tweeledige methodologie wordt eerst toegepast op de minimumdoelen en vervolgens op de drie schoolboeken: Filosofie, Agora en Antropia.
De analyse toont een grote verscheidenheid in aanpak bij de drie schoolboeken, maar laat ook een aantal terugkerende zaken zien. Wat meta-ethiek is, wordt niet geëxpliciteerd waardoor ethiek en meta-ethiek niet onderscheiden (kunnen) worden. Ook de meta-ethische positie van de ethische inhoud wordt niet geëxpliciteerd. Morele oordelen komen aan bod zonder dat hun statuut als overtuiging, emotie of feitelijke uitspraak wordt geëxpliciteerd. Hierdoor ontstaat de indruk dat leerlingen verschillende impliciete opvattingen over ethiek aangereikt krijgen, zonder dat deze geëxpliciteerd of bevraagd kunnen worden.
Daarenboven stellen we vast dat de grens tussen filosofisch-ethische vorming en morele vorming vervaagt. In de drie schoolboeken worden leerlingen aangezet tot moreel oordelen en soms zelfs tot moreel handelen, maar deze opdrachten worden in de handleidingen niet expliciet geduid als morele vorming. Hierdoor ontstaat onduidelijkheid over het doel en de aanpak van de opdrachten, wat problematisch is voor leerkracht én leerling. De nadruk van de minimumdoelen op filosofisch-ethische vorming met focus op reflecterend denken wordt niet altijd zuiver nagestreefd in de schoolboeken. Het reflecterend denken wordt regelmatig vermengd met morele vorming.
Inhoudelijk analyseren we de gekozen aanpak als veelal te weinig zuiver descriptief en vaak impliciet normatief. Zowel uit de selectie en ordening van ethische theorieën als uit de concrete uitwerking van voorbeelden en opdrachten menen we bepaalde impliciete visies op ethiek te kunnen afleiden. Omdat deze visies niet expliciet worden verantwoord, zijn er geen mogelijkheden om deze filosofisch ter discussie te stellen.
In de aanpak van de vaardigheden stellen we vast dat de drie schoolboeken in meer of mindere mate inzetten op dialogisch spreken. Dit sluit aan bij de doelstelling van filosofieonderwijs om ruimte te scheppen voor zelfstandig denken. Tegelijk blijkt dat de gekozen werkvormen niet altijd voldoende didactisch worden ondersteund, in het bijzonder wat betreft het filosofisch reflecteren. Het blijft vaak onduidelijk wat onder reflectie precies wordt verstaan en hoe deze vaardigheid systematisch kan worden opgebouwd.
Samenvattend kunnen we concluderen dat ethiekonderwijs in de Vlaamse schoolboeken filosofie meer nood heeft aan explicitering van zowel het statuut van morele uitspraken, de gehanteerde meta-ethische uitgangspunten alsook de doelstellingen van de werkvormen. Een betere explicitering kan bijdragen tot ethiekonderwijs waarin leerlingen meer ruimte krijgen om zelf te reflecteren over wat het betekent om over morele oordelen na te denken.
Meer lezen

Gepersonaliseerde cognitieve controletraining ter preventie van depressieherval: een single-case experimentele studie

Universiteit Gent
2026
Caro
Bruynen
Herval na een depressieve episode vormt nog steeds een belangrijk klinisch knelpunt,
hoewel behandelingen in de acute fase doorgaans doeltreffend zijn. Een mogelijke interventie om dit te voorkomen is cognitieve controletraining (CCT), gericht op onderliggende cognitieve kwetsbaarheden. Binnen dit domein wordt de adaptieve Paced Auditory Serial Addition Task (aPASAT) beschouwd als een van de meest veelbelovende en veelbestudeerde varianten. Deze studie onderzocht hoe depressieve symptomen zich doorheen de tijd ontwikkelen bij personen met depressie in remissie, en welke rol aPASAT hierin kan spelen. Zes participanten werden opgevolgd via een single-case experimenteel design met een multiple-baseline-opzet, waarbij de
duur van de baselinefase (twee, drie of vier weken) varieerde tussen groepen om toeval en tijdseffecten uit te sluiten. Gedurende drie fasen (baseline, interventie, monitoring) werden symptomen dagelijks gemeten via een visuele analoge schaal (VAS) 0-100. De resultaten tonen een heterogeen en overwegend bescheiden responspatroon. Slechts bij een deel van de participanten werd een significante symptoomdaling vastgesteld, terwijl bij anderen geen effect of zelfs een tijdelijke toename optrad. Bij een deel van de participanten trad de symptoomverbetering pas op tijdens de monitoringfase, wat wijst op een mogelijk vertraagde werkzaamheid van CCT. Symptomen daalden niet geleidelijk, maar bleven eerder stabiel binnen elke fase. De ernst van de klachten bij aanvang leek modererend. Participanten met hogere beginscores vertoonden eerder een merkbaar effect. Toekomstig onderzoek met grotere, meer diverse steekproeven is nodig om na te gaan hoe individuele kenmerken het effect van CCT modereren, hoe de behandeling hierop afgestemd kan worden, en wanneer en hoe lang behandeleffecten optreden. Daarnaast verdient de verkenning van aanvullende of alternatieve interventies verdere aandacht om herval bij depressie effectiever te voorkomen.
Meer lezen

The effects of urban environments and air pollution on precipitation microphysics: an exploratory study using disdrometers in Belgium

Universiteit Gent
2026
Armani
Passtoors
Deze thesis onderzoekt hoe verstedelijking en luchtvervuiling de microfysische eigenschappen van neerslag in België beïnvloeden. Hiervoor werden meerjarige metingen van regendruppels nabij Brussel, Gent en Luik gecombineerd met meteorologische, landgebruiks- en luchtkwaliteitsgegevens. De resultaten tonen dat grootschalige weersomstandigheden de neerslagmicrofysica het sterkst bepalen. De invloed van verstedelijking is zwak en wisselend, terwijl fijnstof een duidelijker, maar regime-afhankelijk verband vertoont: hogere fijnstofconcentraties hangen samen met minder intense neerslag en kleinere druppels op dagelijkse schaal, terwijl vervuilde onweersbuien juist grotere druppels en meer kinetische energie vertonen.
Meer lezen

Het ontwikkelen en valideren van de Nurse Intuition Patient Deterioration Scale - Pediatrics (NIPDS-PED) om klinische achteruitgang te voorspellen bij pediatrische patiënten <1 jaar

Universiteit Antwerpen
2026
Charlotte
Bombeke
  • Noor
    Fransen
Klinische achteruitgang bij baby’s kan snel en subtiel verlopen. Verpleegkundigen voelen soms al dat er iets niet klopt voordat meetbare parameters duidelijk afwijkend zijn. In deze masterproef ontwikkelden en testten we daarom de Nurse Intuition Patient Deterioration Scale – Pediatrics (NIPDS-PED), een schaal met acht observeerbare signalen die het buikgevoel van verpleegkundigen concreter maakt. De schaal werd getest op twee pediatrische afdelingen bij 95 kinderen jonger dan één jaar, goed voor 131 beoordelingen. In 60 beoordelingen trad binnen 24 uur klinische achteruitgang op. De NIPDS-PED bleek ongeveer even goed in staat om achteruitgang te onderscheiden als de bestaande Pediatric Early Warning Score (PEWS). Daarnaast onderzochten we ouderlijke bezorgdheid en de gebruiksvriendelijkheid van de schaal. Ouderlijke bezorgdheid hing samen met de NIPDS-PED-score, maar voorspelde achteruitgang op zichzelf minder goed. Verpleegkundigen beoordeelden de gebruiksvriendelijkheid doorgaans met 8 op 10. De NIPDS-PED lijkt daarmee een veelbelovende aanvulling op bestaande waarschuwingsscores, maar verdere validatie in grotere en meer diverse patiëntengroepen is nodig.
Meer lezen

Closing the Carbon Loop: Integrated Process Design and Techno-Economic analysis of CO₂ capture and valorization pathways from chemical looping process of Blast Furnace Gas

Universiteit Gent
2026
Gunel
Rahimli
Hoogovengas is de grootste CO₂-bron van een geïntegreerde staalfabriek, maar het lage CO₂-gehalte maakt conventionele afvang duur. Deze masterthesis onderzoekt een geïntegreerd concept dat het hoogovengas eerst concentreert via een chemical-looping-proces met ijzeroxide (H2Loop) en daarna de CO₂ afvangt met twee alternatieve routes: cryogene destillatie en calciumlooping. Na een literatuurstudie van de beschikbare afvangtechnologieën (onder meer aminewassing, membranen, adsorptie, cryogene scheiding en calciumlooping) werden beide routes gemodelleerd in Aspen Plus voor een basisgeval van 1.000 Nm³/h hoogovengas. Een technisch-economische analyse met factoriële kostenraming en discounted cash flow vergelijkt de routes. De cryogene route levert vloeibare CO₂ met een zuiverheid van ≥ 99,9 mol% tegen ongeveer 351 €/t CO₂, de calciumloopingroute ongeveer 393 €/t CO₂. Op industriële schaal wordt enkel de cryogene route haalbaar. De resultaten worden weergegeven als een bandbreedte tussen een optimistische bovengrens en een conservatieve ondergrens.
Meer lezen

Heide onder druk

LUCA School of Arts
2026
Sophia
van Sloun
Klimaatverandering is geen abstract begrip meer: bos- en heidebranden,
overstromingen en andere rampen maken het zintuiglijk
tastbaar. Toch blijft de noodzaak tot een paradigmashift (waar
een nieuwe manier van denken op de voorgrond komt en oude
structuren doorbroken worden) vaak te ver van ons dagelijkse leven.
Door deze feiten subtiel te vertalen in objecten, kan distantie
doorbroken en bewustwording gestimuleerd worden om zo
onze vanzelfsprekende kijk op het heidelandschap, sterker nog
de klimaatverandering te herdenken. Om dit te realiseren richt
ik mijn onderzoek op een scala aan perspectieven met inbegrip
van de heide zelf om bestaande fricties transparant te duiden.
Mijn doel is de vaak verborgen ecologische en symbolische betekenissen
te vertalen naar een tastbaar, discursief ontwerp (een
ontwerpmethode die uitnodigt tot reflectie en dialoog).
Meer lezen

Pulled in the Wrong Direction! Rethinking Response Control in Computational Models of Conflict Tasks

KU Leuven
2026
Stien
Mommen
In daily life, we constantly make decisions that require us to navigate multiple sources of information. For example, when deciding whether to push or pull to open a door, the design of the door handle may trigger the automatic response tendency to pull, while a “push” sign indicates the opposite response. This mismatch illustrates how various informational cues can signal different response options that compete for activation, thereby placing demands on our ability to control responses. Such situations have sparked a large body of research to study how well individuals can flexibly control their responses during cognitive conflict.

The central problem identified and addressed in this Master Thesis is that current conceptualizations of response control lack the specificity to provide a complete picture of this control ability. Traditionally, researchers have relied on summary statistics that only provide a coarse description of response control. The move toward computational modeling, with the Diffusion Model for Conflict tasks (DMC), allows response control to be studied in terms of latent processes that give rise to behavior. Despite these advances, I argue that a critical oversight remains: current model-based measures of response control neglect the full state of the decision-maker. Specifically, distractor strength, as quantified by the model’s “peak amplitude” parameter, is used as a proxy for response control. In other words, the notion of response control is often approached in a narrow and isolated manner. To address this oversight, the present thesis aims to refine the conceptualization of response control by taking the broader decision context into account. The first part therefore investigates how peak amplitude interacts with other DMC parameters, using a simulation-based approach. Based on these findings, alternative measures of response control are developed and systematically evaluated against comparative criteria. In the final part of the present work, the most robust measure is applied on empirical data in relation to the existence of a common response control mechanism underlying performance in different conflict tasks.

Through theoretical simulations, the results show that peak amplitude should not be considered in isolation to study response control. Rather, the effect of distractor strength (peak amplitude) on behavior depends on the amount of evidence one accumulates (decision boundary) and efficiency of evidence accumulation (drift rate). This has important implications: two individuals with the same peak amplitude may nevertheless differ greatly in how cognitive conflict impacts their decision formation. Therefore, I provide a novel conceptualization of response control that accounts for the dynamic interplay between automatic and controlled activation. Specifically, Triple R emerges as the most robust model-based measure of response control among the set of candidates outlined in this thesis. Furthermore, when applied to empirical data, the significant positive correlation of Triple R between different conflict tasks provides evidence for a common response control mechanism across contexts. This finding speaks directly to the long-standing debate on the domain-generality of response control and demonstrates the value of Triple R as a context-sensitive measure of response control.
Meer lezen

BREWSTER ANGLE PTYCHOGRAPHIC MICROSCOPE 3D Topographic Metrology for μm-resolution inspection

Vrije Universiteit Brussel
2026
Âlim
Liman
Alternatieve microscoop voor topografische beeldvorming. Ptychographie: een lenzenloze techniek waarbij optische lenzen worden vervangen door een iteratief computeralgoritme. Door opeenvolgende, overlappende diffractiepatronen van een monster te registreren en te verwerken, kan de techniek niet alleen de traditionele lichtintensiteit (amplitude) berekenen, maar ook de fase-informatie. Hierdoor is het mogelijk om naast een 2D-beeld ook nauwkeurige 3D-hoogtekaarten en topografische informatie van het proefstuk te genereren, zonder fysieke beperkingen van traditionele lenzen.
Meer lezen

Phrygia in Graeco-Roman History: An Overview of the Region and Its People

KU Leuven
2026
Oggi
Peeters
Deze thesis levert een historisch overzicht van de antieke regio Phrygië in hedendaags Turkije. Het focust op zowel grootschalige politieke ontwikkelingen als lokale maatschappelijke veranderingen. Daarvoor doet het beroep op de geschiedwerken van Grieken en Romeinen, verschillende opschriften en recente ontwikkelingen binnen de archeologie en taalkunde.
Meer lezen

The Mind of the UNHCR

KU Leuven
2026
Phebe
Vantomme
De Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor Vluchtelingen (UNHCR) wordt alom erkend voor zijn humanitaire rol, maar fungeert tevens als wereldwijde architect van het mondiale landschap van ontheemding. Deze thesis herpositioneert de organisatie als een centrale architecturale speler door te analyseren hoe haar interne richtlijnen en standaardcriteria, vastgelegd in een technisch handboek, fungeren als blauwdrukken voor vluchtelingenkampen wereldwijd. De digitalisering van dit handboek in 2015 markeerde een cruciaal keerpunt, waardoor het handboek veranderde van een handleiding in een dominant ruimtelijk instrument dat een proces van universalisering oplegt.

Het onderzoek is gestructureerd rond twee belangrijke analytische perspectieven: (1) Technisch perspectief: allereerst verdiepen we ons in ‘de gedachtegang van de UNHCR’ door bestaande literatuur en peer-reviewed artikelen te bestuderen, om zo de focus te verleggen van humanitaire hulp naar ruimtelijk ontwerp. Door deze academische inzichten te combineren met een grondige analyse van het digitale Emergency Handbook (2015) van de UNHCR, identificeren we de drie belangrijkste pijlers – tent, de context rondom de tent en het beheer – die samen het ‘ideale model’ van de organisatie vormen. Dit perspectief definieert het kader dat de organisatie wereldwijd als een ‘standaardscript’ zal implementeren. (2) Implementatieperspectief: dit ‘ideale model’ wordt geëvalueerd aan de hand van drie diepgaande wereldwijde casestudies: Griekenland (Europa), Kenia (Afrika) en Bangladesh (Azië). Aan de hand van een vergelijkende matrix onderzoeken we of dit ‘ideale model’ in al deze verschillende contexten consequent wordt toegepast. Hoewel het proces van universalisering impliceert dat het ruimtelijke resultaat in elke context identiek zou moeten zijn, brengt dit perspectief juist de specifieke situaties aan het licht waarin dit niet het geval is. Door ons te richten op deze inconsistenties, analyseren we de spanning tussen de universele normen van de UNHCR en de lokale realiteit.

Op deze manier wil deze thesis aantonen dat de regels en standaardmaten van de UNHCR geen neutrale technische vereisten zijn, maar invloedrijke ruimtelijke instrumenten. Inzicht in deze normen illustreert hoe de fysieke inrichting van vluchtelingenkampen zowel de beleving als de fysieke realiteit van een permanent systeem van tijdelijk wonen vormgeeft.
Meer lezen

No more queueing at the ladies' room: modeling, analysis and simulation of waiting times at toilet facilities with "ladies first" scheduling policies

Universiteit Gent
2026
Stan
De Troyer
Op grote evenementen staan vrouwen vaak langer aan te schuiven voor het toilet dan mannen. Gelijke vloeroppervlakte betekent namelijk niet per se gelijke capaciteit: vrouwen doen langer over een toiletbezoek en mannen kunnen gebruikmaken van snelle urinoirs. In mijn masterproef onderzoek ik met een computersimulatie hoe je met dezelfde ruimte zowel de wachttijden als het verschil tussen mannen en vrouwen kunt verkleinen. Ik vergelijk zes toiletindelingen onder realistische, schommelende drukte, en test daarna vier voorrangsregels voor vrouwen op de beste indeling.

De beste indeling combineert 14 gedeelde hokjes met 8 urinoirs. Die verkort de gemiddelde wachttijd met 43% en het verschil tussen mannen en vrouwen met 84%, vergeleken met de beste gescheiden indeling. Een slimme voorrangsregel (Dynamic Aging) werkt het resterende verschil van ongeveer 12 seconden weg, maar enkel bij een gelijke verdeling van mannen en vrouwen (50/50).
Meer lezen

Stedenbouwkundige verhardingscompensatie: een verordening ter activatie van ontharding’

KU Leuven
2026
Eline
Van de Steene
Vlaanderen is een van de meest verharde regio’s van Europa en de verhardingsgraad blijft jaarlijks toenemen. De Vlaamse overheid heeft onthardingsdoelstellingen tegen 2050 geformuleerd. Deze doelstellingen werden recent herbevestigd in de Conceptnota van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Verharding doet de natuurlijke functies van de bodem verloren gaan. Verschillende studies benadrukken de noodzaak van ontharding voor mens en milieu, bepalen de omvang van de onthardingsopgave, inventariseren bestaande initiatieven en formuleren aanbevelingen voor een ruimtelijk beleid dat bijkomende verharding kan vermijden, beperken en compenseren. Daarbij wordt vastgesteld dat de huidige initiatieven onvoldoende zijn om de vooropgestelde doelstellingen te bereiken en de grootschalige ingrepen zich bovendien voornamelijk beperken tot het publiek domein. Een bijdrage vanuit de private zijde is daarom noodzakelijk om de doelstellingen te behalen.

Deze masterproef onderzoekt hoe de Vlaamse reductieopgaven vertaald kunnen worden naar het instrument van de stedenbouwkundige last, dat eigenaars verplicht te ontharden of ontharding elders financieel te compenseren. Dit resulteert in een stedenbouwkundige verordening die een verhardingscompensatie oplegt bij omgevingsvergunningen waarbij bijkomende verharding wordt aangevraagd. De verhardingscompensatie beschikt over het potentieel om de stijgende verhardingsgraad om te keren en de netto toename aan verharding in Vlaanderen een halt toe te roepen.

Het onderzoek werd uitgevoerd aan de hand van een literatuuronderzoek in combinatie met een overlegmoment met experten. Het literatuuronderzoek bood inzicht in het thema, de beleidsdoelstellingen, de bestaande instrumenten en initiatieven, het instrument van de stedenbouwkundige last en de toepassing ervan in praktijkvoorbeelden. Uit de analyse van deze praktijkvoorbeelden bleek dat weinig Vlaamse gemeenten lasten opleggen ter compensatie van verharding of bij het niet behalen van de vooropgestelde groennorm. Hieruit wordt geconcludeerd dat er in Vlaanderen nog aanzienlijke stappen moeten gezet worden om de transitie van een verhardingspraktijk naar een onthardingscultuur te realiseren.

Tijdens de workshop met een diverse groep experten, waaronder vertegenwoordigers van de Vlaamse overheid, lokale besturen, academici, zelfstandige experten en een omgevingsjurist, werd een conceptverordening besproken aan de hand van verschillende stellingen uit dit onderzoek. De expertentafel leverde waardevolle aanvullingen en droeg bij aan de verdere verfijning van de conceptverordening. De geformuleerde aanbevelingen
gaven mee vorm aan de finale verordening. Daarbij primeerde de keuze voor een gewestelijke financiële last boven een gemeentelijke last in natura, omwille van uniformiteit en meer effectiviteit in Vlaanderen.

De finale verordening omvat een financiële last voor alle bijkomende verharding. Deze draagt bij aan een gesloten systeem waarbij ontharding elders kan worden gefinancierd en subsidies kunnen worden verleend aan grootschalige onthardingsprojecten van private eigenaars. Tot slot laat de flexibiliteit van de verordening de gemeenten toe deze al in te voeren in afwachting van een invoering door de Vlaamse Regering. De lokale besturen beschikken daarbij over de bijkomende mogelijkheid om lasten in natura op te leggen indien zij van oordeel zijn dat dit type lasten beter aansluit bij hun lokale onthardingsambities.
Meer lezen

Small Town Immigrants: Comparing the Position of Alien Residents in Late Medieval Harwich & Fowey

Vrije Universiteit Brussel
2026
Noémi
Tomaszynski
Deze thesis onderzoekt de positie van transnationale migranten in kleine steden in het laatmiddeleeuwse Engeland en vult daarmee een merkbare leemte in het bestaande onderzoek naar historische migratie, dat zich lange tijd heeft gericht op grote stedelijke centra. Aan de hand van de ‘alien subsidies’ en lokale rechtbankverslagen worden de steden Harwich en Fowey – kleine havensteden met vergelijkbare institutionele en economische structuren – geanalyseerd om de uiteenlopende posities van migranten in kleine steden te onderzoeken. Uit het onderzoek blijkt dat de dynamiek van kleine steden, waaronder beperkte anonimiteit, hechte sociale netwerken en kenmerkende burgerpraktijken, de zichtbaarheid, het gevoel van verbondenheid en de behandeling van migranten op een andere manier beïnvloedde dan in grote steden. Door vier variabelen te vergelijken, namelijk de samenstelling van de bevolking, economische complementariteit, institutionele participatie en de geopolitieke context, toont het artikel aan dat de ervaringen van migranten in kleine steden veranderlijk en gevarieerd waren en sterk afhankelijk waren van de lokale omstandigheden.
Meer lezen

Het effect van verhoogde veerkacht bij 0-10-jarigen in leefgroep de Boomhut, om de emotieregulatie rond hun plaatsing te bevorderen

Hogeschool UCLL
2026
Nathalie
Wilms
Deze scriptie onderzocht hoe begeleiders van leefgroep De Boomhut de veerkracht van kinderen van 0 tot 10 jaar kunnen versterken om hun emotieregulatie rond de plaatsing te bevorderen.
Uit het onderzoek blijkt dat kinderen vooral nood hebben aan ondersteuning bij traumaverwerking en emotieregulatie om hun plaatsing beter te begrijpen en te verwerken. Daarom werd een voorleesboek ontwikkeld dat op een toegankelijke en kindvriendelijke manier helpt om gevoelens, ervaringen en vragen rond de plaatsing bespreekbaar te maken. Het voorleesboek ondersteunt zo de ontwikkeling van veerkracht en biedt begeleiders een concreet hulpmiddel om kinderen te begeleiden in dit proces.
Meer lezen

Bio-based insulation materials from local resources: exploring the potential of bean stalks in a wet production process

Universiteit Gent
2026
Bieke
Delanote
Deze masterproef onderzoekt het potentieel van bonenstengels, een landbouwreststroom, als grondstof voor biogebaseerde isolatiematerialen. Voor de productie van het isolatiemateriaal werd gebruik gemaakt van een nat productieproces. Dit proces benut de natuurlijke bindingseigenschappen van de vezels, waardoor een stevige isolatieplaat kan worden geproduceerd zonder toevoeging van een synthetisch bindmiddel. Aangezien dit proces al op industriële schaal wordt toegepast voor de productie van houtvezelisolatieplaten, werd het laboproces eerst geoptimaliseerd op basis van houtwol. Met een eenvoudige combinatie van koken, kort persen en drogen konden houtvezelisolatieplaten met lage thermische geleidbaarheid en hoge sterkte worden geproduceerd. Om vervolgens de geschiktheid van bonenstengels binnen dit proces te onderzoeken, werden verschillende voorbehandelingstechnieken toegepast. Ovendrogen en luchtdrogen werd vergeleken. Daarnaast werd het effect van een extra reinigings- of extrusiestap geanalyseerd. Alle onderzochte fracties van bonenstengels toonden potentieel. Rekening houdend met materiaalprestaties, praktische haalbaarheid en milieu-impact kwamen luchtgedroogde ongereinigde bonenstengels naar voren als meest belovende optie. De toevoeging van houtvezels of vlaslemen verbeterde de praktische haalbaarheid zonder de algemene prestaties negatief te beïnvloeden.

Naast het aantonen van het potentieel van bonenstengels als isolatiegrondstof, onderstreept deze thesis het bredere potentieel van landbouwreststromen om bij te dragen aan een duurzamere bouwpraktijk, gebaseerd op lokale en biologisch afbreekbare materialen.
Meer lezen

Exploring AI Approaches to Identify Social Anxiety Disorder: A Scoping Review

KU Leuven
2026
Charlotte
Van Bogaert
  • Charlotte
    Van Bogaert
Een sociale angststoornis is een veelvoorkomende psychische aandoening die het dagelijks functioneren aanzienlijk kan beïnvloeden, maar in de praktijk vaak onopgemerkt blijft. De herkenning ervan berust traditioneel op klinische interviews en zelfrapportagevragenlijsten. Die kosten tijd en hebben beperkingen, zoals vertekening door het geheugen, beperkt inzicht in de eigen klachten en de neiging om sociaal wenselijke antwoorden te geven. Tegen deze achtergrond onderzoekt deze masterproef welke rol artificiële intelligentie (AI) kan spelen bij het herkennen van mensen met een sociale angststoornis of klinisch relevante symptomen van sociale angst.

Deze masterproef is een scoping review van peerreviewde, empirische studies over het gebruik van AI om sociale angst te herkennen. De centrale vragen zijn welke AI-methoden worden gebruikt om sociale angst op basis van psychologische en gedragsgegevens te detecteren of te classificeren, welke gegevens als input dienen en hoe goed de modellen presteren. Daarnaast onderzoekt de review hoe de studies zijn opgezet, in welke populaties en contexten de methoden zijn onderzocht en welke ethische en praktische aandachtspunten uit de literatuur naar voren komen.

De review volgt de richtlijnen van het Joanna Briggs Institute en werd gerapporteerd volgens PRISMA-ScR. Er werd gezocht in APA PsycINFO, Embase, Scopus, PubMed/MEDLINE, Web of Science en Google Scholar. De selectie van studies gebeurde in Rayyan. Na het verwijderen van dubbele publicaties werden 203 studies gescreend op titel en samenvatting. Daarvan gingen er 46 door naar de beoordeling van de volledige tekst. Uiteindelijk werden 17 studies opgenomen. De gegevens werden verzameld met een gestandaardiseerd extractieformulier en vervolgens samengevat in tabellen en een beschrijvende synthese.

Deze review laat zien dat AI mogelijkheden biedt als hulpmiddel bij het herkennen van sociale angst, maar dat de huidige wetenschappelijke onderbouwing zich nog in een vroeg stadium bevindt en heterogeen is. De opgenomen studies gebruikten zowel klassieke methoden van machinaal leren als deep learning. Vragenlijstgegevens werden het vaakst als input gebruikt. Sommige modellen maakten daarnaast gebruik van complexere gegevens, zoals digitale sporen, taalgebruik tijdens interviews en oogbewegingsgegevens. Daarmee kunnen zij gedrags- en taalpatronen in kaart brengen die via traditionele vragenlijsten of interviews minder rechtstreeks zichtbaar zijn.

Tegelijkertijd hadden veel studies nog het karakter van een eerste haalbaarheidsstudie, hanteerden zij uiteenlopende definities van sociale angststoornis en gebruikten zij vooral interne validatie. Verdere vooruitgang vraagt om externe validatie, transparantere rapportage, diversere datasets en zorgvuldige aandacht voor privacy, vertekening en foutenmarges. Ook hebben clinici voldoende kennis van AI nodig om de uitkomsten van deze modellen verantwoord te kunnen interpreteren en gebruiken.
Meer lezen