Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Ostium-specific equine pulmonary vein myocardial sleeve gross anatomy and structural evidence of interatrial myocardial continuity with potential implications for ablation strategies

Universiteit Gent
2026
Inne
Van Hooydonk
Anatomische variatie van de pulmonaire venen bij het paard als referentie voor toekomste ablatieprocedures.
Meer lezen

Neuro-inclusie als hefboom voor verandering. Empowerende ondersteuning van leerlingen met autisme en hun context

Odisee Hogeschool
2026
Steven
Van Delsen
Leerlingen met autisme botsen in het onderwijs nog te vaak op drempels die hun welbevinden, participatie, verbondenheid en positieve identiteitsontwikkeling onder druk zetten. Deze bachelorproef onderzoekt hoe een neurodiversiteitsaffirmatieve benadering richting kan geven aan neuro-inclusieve onderwijspraktijken die leerlingen met autisme en hun context versterken, binnen de bredere Vlaamse evolutie naar Scholen voor Iedereen.

De bachelorproef vertrekt vanuit een praktijkgerichte probleemverkenning in GO! SBSO Nautica en verbindt die met recente literatuur over neurodiversiteit, leerlingenstem, psycho-educatie, zelfacceptatie, zelfcompassie, zelfbehartiging, neuro-inclusieve pedagogiek en relationele samenwerking. De analyse maakt duidelijk dat inclusie niet kan worden herleid tot toegang tot onderwijs of individuele aanpassingen. Neuro-inclusie vraagt een verschuiving van tekortdenken en normalisering naar erkenning, waardigheid, contextafstemming, gedeelde verantwoordelijkheid en positieve autistische identiteit.

Op microniveau betekent dit dat leerlingen met autisme zich veilig, erkend en verbonden moeten kunnen voelen in de klaspraktijk. Daarvoor zijn voorspelbaarheid, prikkelbewuste leeromgevingen, ruimte voor leerlingenstem, zelfinzicht, zelfacceptatie en ondersteuning bij zelfbehartiging belangrijk. Op mesoniveau vraagt neuro-inclusie een schoolcultuur waarin gedeelde taal, ouderstem, sociale veiligheid, peer support, veilige plekken en samenwerking tussen leerlingen, ouders en onderwijsprofessionals structureel worden ingebed. Op macroniveau wordt duidelijk hoe neuro-inclusieve schoolontwikkeling kan bijdragen aan de Vlaamse evolutie naar Scholen voor Iedereen, op voorwaarde dat neurodiversiteitsaffirmatieve principes vanaf het begin worden meegenomen in visie, beleid, ondersteuning en schoolcultuur.

Als veranderingsstrategie wordt het neuro-inclusief schoolkompas voorgesteld. Dit kompas ondersteunt scholen om stapsgewijs, participatief en haalbaar te groeien naar neurodiversiteitsaffirmatieve schoolpraktijken. Binnen deze aanpak worden drie deelstrategieën uitgewerkt die samen een doorlopende leerlijn vormen: LEANS als klasbrede neurodiversiteitseducatie en gedeelde schooltaal, een lessenreeks rond leerlingenstem, zelfacceptatie, zelfbehartiging en transitie, en een posterreeks die de stem van neurodivergente jongeren zichtbaar maakt in de schoolomgeving. Zo ontstaat een beweging van bewustwording naar persoonlijke betekenisgeving en vervolgens naar schoolbrede verankering.

De meerwaarde van deze bachelorproef ligt in de vertaling van een neurodiversiteitsaffirmatief waardekader naar concrete, haalbare en schoolbrede veranderingsstrategieën. Neuro-inclusie wordt zo geen bijkomende zorgmaatregel naast het bredere schoolbeleid, maar een hefboom om onderwijscontexten toegankelijker, veiliger en betekenisvoller te maken voor leerlingen met autisme en hun context. Tegelijk reikt deze benadering verder dan één doelgroep of één school: neurodiversiteitsaffirmatieve schoolontwikkeling kan uitgroeien van ondersteuning voor individuele leerlingen tot een richtinggevend principe voor de school van morgen.
Meer lezen

Van tweedeling naar teamwerk: De invoering van het eenheidsstatuut in België

KU Leuven
2026
Xanthe
Godts
In dit onderzoek wordt nagegaan in welke mate de Wet op het Eenheidsstatuut van 5 mei 2014 heeft bijgedragen aan de harmonisatie van de aanvullende pensioenen van arbeiders en bedienden in België, en welke structurele verschillen er nog bestaan. Na een historische schets van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en de gefaseerde totstandkoming van het eenheidsstatuut analyseert wordt de stand van zaken voor de tweede pensioenpijler geanalyseerd. Er worden vier knelpunten naar voren geschoven die de harmonisatie vertragen: de versnippering van het paritair landschap, het ongelijke onderhandelingsniveau tussen sector- en ondernemingsplannen, de kwalitatieve kloof in pensioenopbouw en het speciaal weigeringsrecht uit artikel 16 WAP. Via een rechtsvergelijkend onderzoek met Luxemburg, Duitsland en Nederland toont het onderzoek aan dat vrijblijvendheid tot stilstand leidt, dat formele gelijkheid nog geen materiële gelijkheid betekent en dat een collectieve aanpak, zoals in Nederland, het meest veelbelovend is. Het onderzoek besluit dat de wet wel de juridische fundamenten legde, maar dat de beoogde gelijkheid nog niet bereikt is. Daarom pleit ik voor een verschuiving van een individuele naar een collectieve logica, met bindende minimumvereisten, een hervorming van het paritair landschap en een kleinere kloof tussen sectorale en ondernemingspensioenen. De deadline van 1 januari 2030 wordt niet gezien als eindpunt, maar als vertrekpunt van een structurele hervorming.
Meer lezen

Mapping and understanding farmers’ responses to gully-induced problems in the Abaya-Chamo Sub-Basin, Southern Ethiopia

KU Leuven
2026
Jeanne
Vandenbrande
Gully erosion threatens the livelihoods of rural farmers by causing direct cropland loss and reducing agricultural productivity. In the Shafe catchment of southern Ethiopia, smallholder farmers facing severe food insecurity have implemented gully interventions (GIs) to counter this land degradation. Yet the spatial distribution of these GIs remains highly uneven. This study investigates which GIs have been implemented, what drives their adoption, and whether this adoption has spread as a diffusion process over time.

To investigate GI adoption, fieldwork was conducted across two rural administrative units in the Shafe catchment. GI presence was mapped for 751 gullies based on field observations and drone surveys. Additionally, a household survey of 178 farmers was conducted, providing socio-economic and perceptual data of the farmers, their plots and their gullies. Variables were tested through univariate screening and logistic regression models. Finally, spatial clustering and spatio-temporal modelling were used to investigate the adoption of GIs over time.

Results indicate that GIs in the Shafe catchment are dominated by loose rock check dams and banana plantations. Conservation and economic motivations drive farmers to combine these interventions, since they promote gully stabilisation through sediment infilling while simultaneously creating additional agricultural opportunities on the gully floor. Field observations identified at least one GI in 18% of mapped gullies, with treated gullies being larger and located closer to roads and settlements.

The household survey, capturing individual farmer decisions across multiple gullies, suggests 48% of farmer-reported gullies have been treated at some point. Farmers across the study area share a broadly similar subsistence-oriented profile. With 88% of the farmers having implemented at least one GI somewhere on their land, motivation is near-universal. The central question is therefore not who adopts, but where: farmers preferentially treat gullies that are accessible, on productive plots close to the homestead, exclusively owned, and perceived as severely impacted. Adoption likelihood is slightly higher for farmers exclusively dependent on agriculture and those with sufficient economic surplus. Predictive models based on spatial variables and socio-economic variables provide a step towards a practical targeting framework.

This study also presents one of the first attempts to diffusion analysis for gully interventions. GI adoption shows significant spatial clustering. A weak but detectable diffusion effect suggesting that farmers are more likely to adopt GI when neighbouring farmers have done so in prior years, pointing to informal knowledge spreading. However, data limitations remain substantial and further research should confirm this with more complete data.
Meer lezen

Dynamic Life Cycle Assessment of Reused Structural Timber: The Influence of Life Cycle Assumptions and Wood Species

Universiteit Gent
2026
Killian
Geenens
De bouwsector is verantwoordelijk voor ongeveer 40% van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen, waardoor de interesse in circulaire en biogebaseerde bouwmaterialen toeneemt. Hergebruikt constructiehout wordt beschouwd als een veelbelovend alternatief voor conventionele materialen zoals beton en staal, vanwege het potentieel om de ingebedde koolstofuitstoot te verminderen en atmosferische koolstof tijdelijk op te slaan. De klimaatimpact van hout hangt echter sterk af van de manier waarop biogene koolstof wordt gemodelleerd binnen een levenscyclusanalyse (LCA).

Deze thesis onderzoekt de klimaatimpact van hergebruikt constructiehout met behulp van een dynamische levenscyclusanalyse (DynLCA). Vijf veelgebruikte Europese houtsoorten werden onderzocht aan de hand van verschillende allocatiemethoden en twee benaderingen voor het modelleren van biogene koolstof: de groeibenadering (growth approach) en de hergroeibenadering (regrowth approach). Daarnaast werd via gevoeligheidsanalyses onderzocht welke invloed dichtheid, rotatieperiode, hergebruikscenario's en aannames over de levensduur hebben.

De resultaten tonen aan dat de keuze van allocatiemethode en de benadering voor het modelleren van biogene koolstof de grootste invloed hebben op de berekende klimaatimpact. Afhankelijk van de gekozen methode kan exact hetzelfde houten element zowel een sterk negatieve als een positieve klimaatimpact vertonen. Groeigebaseerde benaderingen leiden over het algemeen tot lagere impacts doordat de koolstofopname onmiddellijk als klimaatvoordeel wordt meegerekend, terwijl hergroeibenaderingen conservatievere resultaten opleveren. Van de onderzochte gevoeligheidsparameters hadden levensduur en rotatieperiode de grootste invloed, doordat zij bepalen wanneer koolstofstromen plaatsvinden. Dichtheid leidde tot meer proportionele veranderingen, terwijl hergebruikprocessen slechts een beperkt aandeel van de totale impact veroorzaakten.

De studie toont aan dat een dynamische levenscyclusanalyse de interpretatie van hergebruikte houtconstructies aanzienlijk verandert ten opzichte van conventionele statische benaderingen. Methodologische keuzes rond de timing en allocatie van biogene koolstof bepalen uiteindelijk of deze koolstof wordt beschouwd als een klimaatvoordeel of als een klimaatlast.
Meer lezen

Characterization of Cannabidiol-Mediated 5-HT2A Receptor Modulation Under Variable Receptor Expression Conditions

Universiteit Gent
2026
Ruben
Stiers
De 5-HT2A-receptor is het belangrijkste aangrijpingspunt van klassieke psychedelica. Een recente studie suggereerde dat cannabidiol (CBD) die receptor kan dempen als negatieve allosterische modulator. Omdat allosterische effecten vaak sterk afhangen van de proefopzet, onderzocht deze masterproef hoe robuust dat effect is. Daarvoor werden HEK293-cellen gebruikt waarin het aantal receptoren via tetracycline instelbaar was, met Ca²⁺-mobilisatie als uitlezing.
Bij hoge receptorexpressie had CBD geen effect, evenmin als zijn spiegelbeeldvorm (+)-CBD, de metabolieten 6-OH-CBD en 7-COOH-CBD en de beschreven positieve modulatoren oleamide en JPC0323. Bij lagere expressie verminderde CBD de maximale serotonine-respons met ongeveer 26%, maar alleen na een uur voorbehandeling met 10 µM. Mescaline-responsen waren gevoeliger. De effecten zijn bescheiden en sterk contextafhankelijk, dus hun fysiologische relevantie blijft onzeker. Verdere assays en controles op CBD-aggregatie zijn nodig.
Meer lezen

Onterving van een kind: van familiale solidariteit naar familiale rechtvaardigheid?

KU Leuven
2026
Victoire
Delvaux
SAMENVATTING
Met de Erfwetten van 2017 en 2018 voerde de Belgische wetgever ingrijpende hervormingen door in het erfrecht. Nederland en Frankrijk hebben, zij het op verschillende tijdstippen, eveneens ingrijpende hervormingen in het erfrecht doorgevoerd. Hoewel deze hervormingen, tot ongenoegen van meerdere auteurs, niet hebben geleid tot de afschaffing van het voorbehouden erfdeel, hebben ze wel aanzienlijke wijzigingen aangebracht. Hierdoor geniet een onterfd kind vandaag minder bescherming dan onder het oude erfrecht, wat ten goede komt aan de beschikkingsvrijheid van de erflater. De centrale vraag doorheen dit onderzoek is dan ook of deze hervormingen hebben bijgedragen aan een evenwichtigere afweging tussen de bescherming van het onterfde kind en de vrijheid van de erflater om over zijn vermogen te beschikken.

In het verklarende onderdeel van deze masterscriptie zal er gekeken worden naar de grondslagen en de oorsprong van het voorbehouden erfdeel. Het bestuderen van deze grondslagen en oorsprong beoogt een antwoord te bieden op de vraag naar de rechtvaardiging van het bestaan van het voorbehouden erfdeel.

In het beschrijvende onderdeel van deze masterscriptie zullen de fundamenten van het voorbehouden erfdeel van de kinderen in België, Nederland en Frankrijk, worden uiteengezet en vergeleken. Daarnaast wordt telkens een kritische analyse verricht van de huidige stand van zaken in de drie rechtsstelsels met betrekking tot het evenwicht tussen de rechten van het onterfde kind en de beschikkingsvrijheid van de erflater. Ook de mogelijke impact van de hervormingen op dit evenwicht wordt in de analyse betrokken. Het evaluatieve onderdeel bouwt dus voort op het beschrijvende onderdeel.

Ter afsluiting van deze masterscriptie wordt in het normatieve onderdeel onderzocht welke regeling het meest passend is voor de verhouding tussen de bescherming van het onterfde kind en de beschikkingsvrijheid van de erflater. Als inspiratie voor het vinden van een passend evenwicht zal de hedendaagse visie op het bestaan van het voorbehouden erfdeel worden geanalyseerd.
Meer lezen

GENDER DIVERSITY MEETS BDSM-SUBCULTURE: Experiencing and sharing kinks online: a FetLife reception study

Universiteit Gent
2026
Marie-Anne
Craenen
Leden uit subculturele BDSM-gemeenschappen groeperen zich in digitale ruimtes als de FetLife-website. De toenemende interesse in kink en BDSM is weerspiegeld in het aantal academische studies die het onderwerp vanuit verschillende invalshoeken benaderen, maar The Next Generation (TNG), namelijk jongere leden tussen 18 en 35 jaar, blijft onderbelicht. Het doel van deze studie was om de lived experiences van TNG binnen de online community te bestuderen via walkthroughs en semigestructureerde interviews, gecodeerd door middel van close reading en thematische analyse. Onderzoeksvragen betroffen gebruik van het platform, doel van gebruik, ervaringen rond veiligheid en betekenisgeving van intimiteit. De resultaten tonen aan dat FetLife fungeert als hybride omgeving waarin gebruikerservaringen vorm krijgen doormiddel van interactie tussen platformarchitectuur, waarden van de gemeenschap en bredere sociale structuren. Ervaringen verschillen volgens genderidentiteit, ervaringsniveau en positionering binnen de community. Doelstellingen convergeren rond informatieverwerving en betrokkenheid tot de gemeenschap, maar verschillen in bewustzijn over risico’s, waarbij vrouwen en non-binaire gebruikers namelijk voorzichtiger omgaan met het platform en beschermende strategieën hanteren. Tenslotte wordt intimiteit ervaren als gelaagd concept dat verder reikt dan louter seksualiteit.
Meer lezen

De mogelijkheden van pure mycelium materialen

AP Hogeschool Antwerpen
2026
Xam
Dewaele
Deze scriptie onderzoekt de mogelijkheden van pure myceliummaterialen als duurzaam alternatief binnen de circulaire economie. Concreet richt het onderzoek zich op de productie en eigenschappen van mycoleer, waarbij zowel zuivere schimmelculturen als co-cultivaties met genetisch gemodificeerde bacteriën worden geëvalueerd.
Meer lezen

Lokale en cloud-AI in webontwikkeling: Ecologische impact, kosten en een beslissingskader voor duurzame integratie

HOGENT
2026
Alexandru-George
Poenaru
Drie taalmodellen werden zowel lokaal als in de cloud getest. Op basis van 6.241 aanvragen werden energieverbruik, geschatte CO₂-uitstoot, snelheid, kosten en inhoudelijke juistheid vergeleken. Een correctie op de cloudschattingen bracht ook het energieverbruik voor het lezen van lange documenten in rekening. Voor de onderzochte toepassing bleek de cloud naar schatting gemiddeld vijf keer energiezuiniger en bij het verwachte bedrijfsvolume financieel aantrekkelijker. Tegelijk toonden de tests dat correct gevormde antwoorden inhoudelijke fouten kunnen bevatten.

De resultaten zijn vertaald naar een praktische beslissingsboom die bedrijven helpt kiezen op basis van onder meer privacy, beschikbare apparatuur, gebruiksvolume, stroommix en antwoordkwaliteit.
Meer lezen

Ileus na abdominale chirurgie: herkennen en interventies.

Thomas More Hogeschool
2026
Mahmoud
Alsaid
Deze bachelorproef onderzoekt hoe verpleegkundigen postoperatieve ileus (POI) na abdominale chirurgie tijdig kunnen herkennen en met gerichte interventies kunnen bijdragen aan preventie en behandeling. POI is een tijdelijke verstoring van de darmbewegingen die gepaard kan gaan met een opgezette buik, misselijkheid, braken, verminderde voedingstolerantie en het uitblijven van windjes of stoelgang. Deze complicatie kan het herstel vertragen en de ziekenhuisopname verlengen.

Via een literatuurstudie van tien wetenschappelijke publicaties werden klinische signalen, verpleegkundige interventies en de rol van Enhanced Recovery After Surgery (ERAS) onderzocht. De bevindingen benadrukken het belang van systematische observatie en het gezamenlijk beoordelen van symptomen en hun verloop. Daarnaast staan vroege mobilisatie, aangepaste voedingsopbouw, opvolging van de vochtbalans en goede pijnzorg met beperking van opioïden waar mogelijk centraal. Kauwgom kan als aanvullende maatregel worden overwogen.

ERAS verbindt deze aandachtspunten in een samenhangend zorgtraject met duidelijke hersteldoelen en evaluatiemomenten. Verpleegkundigen spelen hierin een belangrijke rol door patiënten te begeleiden, uitleg te geven, veranderingen op te merken en tijdig te overleggen met het behandelteam.

Om de literatuur naar de praktijk te vertalen, werd een digitale verpleegkundige screeningshulp ontwikkeld. Dit prototype bundelt informatie over de operatie, klinische signalen en herstel volgens ERAS. Het geeft een signaalniveau met suggesties voor verdere opvolging. De tool ondersteunt het verpleegkundig oordeel, maar stelt geen diagnose en is nog niet klinisch gevalideerd. Een implementatieplan beschrijft hoe een pilootfase kan worden voorbereid, uitgevoerd en geëvalueerd.

De bachelorproef benadrukt dat samenhangende verpleegkundige zorg binnen ERAS kan bijdragen aan tijdige herkenning van POI en ondersteuning van het postoperatieve herstel.
Meer lezen

Van der edelre hertoginne vrouwe johanne: De bestuursbijdrage van Johanna van Brabant in het hertogdom Brabant van 1376 tot 1380.

KU Leuven
2026
janneke
de keersmaecker
Deze masterproef onderzoekt de bestuursbijdrage van Johanna van Brabant in het hertogdom Brabant tussen 1376 en 1380. De bestaande historiografie reduceerde Johanna lange tijd tot een passieve zwakke vorstin naast haar echtgenoot, Wenceslas van Bohemen. Een beeld dat grotendeels steunde op narratieve bronnen of nationalistische en teleologische lezingen ervan. Dit onderzoek stelt dat beeld bij door praktijkbronnen te betrekken in het debat en de dagdagelijkse bestuurspraktijk zichtbaar te maken. Het gaat na hoe Johanna haar macht uitoefende, welke middelen zij daartoe inzette en hoe haar bestuursbijdrage zich verhield tot die van haar echtgenoot. De analyse is opgebouwd rond drie grote thema’s. Het eerste hoofdstuk behandelt de financiële basis van haar bestuur op een kleine schaal, via haar weduwegoeden na de dood van haar eerste echtgenoot, Willem IV van Henegouwen, Holland en Zeeland. Hoewel deze inkomsten beperkt waren en niet altijd vlot doorvloeiden, toont deze scriptie dat Johanna ze actief aanwendde voor lokaal bestuur. Het tweede hoofdstuk verlegt de focus naar haar diplomatieke rol en haar plaats op het internationale toneel. Johanna’s bemiddeling was geen uitzonderlijk optreden binnen grote politieke taferelen, maar een alledaagse bestuurspraktijk. Haar reizen, bodenverkeer, geschenkuitwisseling en het entertainment aan het hof bevestigen een duidelijke taakverdeling binnen het koppel. Waar Wenceslas zich richtte op het grote Europese en keizerlijke toneel, lag Johanna’s focus op de stabiliteit van Brabant en haar buurregio’s. Vervolgens komt een analyse aan bod van Johanna’s religieuze en literaire patronage. Ze zette religieuze schenkingen bewust in als politiek instrument en cultiveerde haar vroomheid als onderdeel van haar publieke rol. Het vermeende verval van de hofcultuur na Wenceslas’ dood was niet het gevolg van haar desinteresse, maar van de financiële uitputting na de reeks oorlogen die Brabant trof in deze periode. Het centrale argument doorheen deze scriptie is een van complementariteit. Johanna en Wenceslas opereerden als een gezamenlijk bestuur waarin zij vanuit een gedeeld Brabants perspectief verschillende, maar complementaire taken op zich namen. Johanna was geen bijfiguur, maar een zelfstandig medebestuurder wier handelingsruimte aandacht verdient ongeacht de afloop of het succes van haar beleid.
Meer lezen

Potential of African Diasporic Spatiality in Adaptive Reuse and Postcolonial Placemaking

Universiteit Hasselt
2026
Brenda Jerotich
Maswan
By examining the postcolonial condition of the European metropole, as influenced by colonial and postcolonial migration, this thesis explores how African diasporic communities in Brussels engage in spatial practices as a legitimate form of architectural knowledge. Focusing on Molenbeek-Saint-Jean and Matongé, it argues that the incremental, vernacular adaptations through which African migrants appropriate and reinterpret the European built environment constitute an alternative approach to placemaking. This approach has often been overlooked by conventional heritage and planning systems.
Drawing on postcolonial theory, diasporic urbanism, and African diasporic spatial
practice, this thesis develops a critical framework for reading African diasporic spatial
practice not as informality or deficit, but as a culturally embedded, socially driven
architectural knowledge. This framework is tested through ethnographic research of
Luce Beeckmans and site-writing, following Jane Rendell’s concept of critical spatial
practice, and applied through a design project for a former industrial complex at Rue
De Courtrai and Rue d’Ostende in Molenbeek.
The design proposes an adaptive reuse strategy grounded in the African diasporic
logic of negotiated visibility—the practice of managing presence and withdrawal
across the city and building scales simultaneously. By preserving existing street
façades, directing transformation inward through the inner block, and retaining existing
users, the project translates African diasporic spatial qualities into an architectural
methodology capable of producing an inclusive social infrastructure while resisting the
displacement pressures of ongoing urban renewal. In doing so, it positions adaptive
reuse not as a technical or aesthetic strategy but as a cultural and political redefinition
of space—one that recognises the African diaspora community in Molenbeek as
spatial agents in postcolonial placemaking.
Meer lezen

ASSESSMENT OF DIAGNOSTIC PROTOCOLS OF ACUTE-PHASE APHASIA IN RELATION TO SIGN LANGUAGES [BEOORDELING VAN DIAGNOSTISCHE PROTOCOLLEN VOOR ACUTE AFASIE IN RELATIE TOT GEBARENTALEN]

Vrije Universiteit Brussel
2026
Nina
Driesmans
Deze studie onderzoekt acute afasiediagnostiek binnen de context van
de Vlaamse Gebarentaal (VGT). Afasie, een verworven neurologische
taalstoornis, wordt voornamelijk onderzocht vanuit een westers, eentalig
en audiocentrisch perspectief. Omdat gebarentaligen de visueel-gestuele
modaliteit gebruiken, in tegenstelling tot de oraal-auditieve modaliteit
van gesproken talen, zijn huidige diagnostische instrumenten niet
aangepast aan hun noden. Een rapid review onderzocht de neurale
representatie van gebarentalen in relatie tot afasie. Resultaten uit 29
beeldvormingsstudies tonen aan dat gebarentalen een
linksgelateraliseerd perisylvisch netwerk activeren, vergelijkbaar met
gesproken talen, maar met modaliteitsspecifieke aanpassingen.
Daarnaast leidt schade aan de linkerhersenhelft systematisch tot
verstoring van fundamentele taalaspecten, terwijl schade aan de
rechterhersenhelft visuospatiële vaardigheden selectief beïnvloedt. Een
enquête onder 20 Vlaamse clinici toont aan dat diagnostiek gebaseerd is
op Nederlandstalige instrumenten en informele vertaalmethoden, met
beperkte aandacht voor VGT-gebruikers. Deze bevindingen
onderstrepen de noodzaak van gevalideerde diagnostische instrumenten
voor gebarentaligen, verbeterde training van clinici, en een meer
rechtvaardige gezondheidszorg.
Meer lezen

Een regeneratieve toekomst voor Zwartberg - Het productieve bos

Universiteit Hasselt
2026
Daan
Driessen
  • Rayna
    Bongaerts
  • Yarne
    Claes
  • Connor
    De Smet
  • Elias
    Doyen
  • Liza
    Hendrickx
  • Jorien
    Houben
  • Evelyne
    Gielkens
  • Joppe
    Loodts
  • Kato
    Martens
  • Rens
    Neyens
  • Arne
    Pellaers
  • Britt
    Raskin
  • Sara
    Simons
  • Anke
    Surinx
  • Tineke
    Vandekerkhof
Mijn masterproef onderzoekt hoe de productiebossen rond Genk kunnen evolueren naar biodiverse en klimaatrobuuste bossen, terwijl ze lokaal hout blijven leveren. In Zwartberg vertaal ik dit naar een lokale houtketen en houtzagerij, waarbij de ecologische draagkracht van het bos bepaalt hoeveel hout kan worden geoogst en gebruikt.
Meer lezen

Tussen-termen: een onderzoek naar de mogelijkheid tot wederkerige overdracht van ecofeministische concepten tussen film- en architectuurtheorie

Universiteit Antwerpen
2026
Fay
De Maesschalck
Doorgaans worden Film en architectuur als verschillende disciplines bestudeerd, met elk hun eigen media, methodes en theoretische tradities. Deze masterproef onderzoekt wat er gebeurt wanneer filmtheorie en architectuurtheorie niet langer als afzonderlijke kennisvelden worden benaderd, maar als wederzijds productieve praktijken van denken, kijken en maken. Het vertrekpunt is de vaststelling dat beide disciplines bovenop het representeren van werelden ook actief werelden construeren: via taal, beelden, ruimtelijke ordeningen en vormen van verbeelding. Vanuit die gedeelde productiviteit wordt bekeken welke kennis kan ontstaan wanneer theoretische concepten uit beide domeinen met elkaar in contact worden gebracht.
De analyse vertrekt vanuit een corpus van ecofeministische theorie, waarin de relatie tussen mens, materie, omgeving en macht centraal staat. Via een afgebakend lexicon worden sleutelbegrippen uit architectuur- en filmtheorie geïdentificeerd, geordend en vervolgens systematisch met elkaar geconfronteerd. Een matrix dient hierbij als instrument voor kennisoverdracht (‘kruisbestuiving’), waarin begrippen hun oorspronkelijke disciplinaire context tijdelijk verlaten en nieuwe relaties aangaan.
De resulterende contaminatie maakt zichtbaar dat concepten zoals trans-corporeality, spatial imagination, medianatures en material memoir niet exclusief tot één veld behoren. Ze openen alternatieve manieren om ruimte, beeld, lichaam en omgeving te begrijpen. De masterproef stelt daarmee dus geen nieuwe synthese van film en architectuur voor. Het doel is het aftoetsen van de mogelijkheid om een theorie / kritiek haar productiviteit te doen ontlenen aan een andere theorie / kritiek.
Meer lezen

Een fenomenologische exploratieve studie naar de ervaring van ECMO-overlevenden

Universiteit Gent
2026
Loran
Buelens
Deze masterproef omvat een kwalitatief exploratief fenomenologisch onderzoek naar de ervaringen van ECMO-overlevenden. Er werd onderzocht hoe zij hun ECMO-traject hebben beleefd en hoe hun leven na de ziekenhuisopname werd beïnvloed. Via semigestructureerde interviews met negen ECMO-overlevenden werd onderzocht welke gevolgen zij ervaarden en hoe zij hun leven na ECMO vormgaven.
Meer lezen

Butyrate as a Potential Therapeutic Intervention for Chemotherapy-Induced Cognitive and Behavioural Impairments in a Hyper-CVAD Mouse Model

KU Leuven
2026
Amber
Gordts
Kanker is een veelvoorkomende en ingrijpende ziekte waarvan de prevalentie blijft toenemen. Tegelijkertijd hebben vooruitgang in de behandeling en vroegtijdige opsporing geleid tot een groeiende groep mensen die kanker overleven. Chemotherapie blijft een belangrijke pijler binnen de behandeling van veel kankers, maar de effecten ervan beperken zich niet tot kankercellen. Omdat chemotherapeutische middelen ook gezonde cellen kunnen aantasten, ervaren veel patiënten tijdens en na de behandeling ongewenste bijwerkingen. Een klinisch relevante klacht is chemotherapie-geïnduceerde cognitieve achteruitgang (chemotherapy-induced cognitive impairment; CICI), die zich kan uiten in moeilijkheden op het vlak van aandacht, concentratie, leren, geheugen, visueel-ruimtelijke vaardigheden en executief functioneren. Klachten gerelateerd aan chemotherapie beperken zich echter niet tot cognitieve functies, maar omvatten ook bredere lichamelijke, psychologische en sensorische veranderingen. Samen kunnen deze klachten het dagelijks functioneren en de levenskwaliteit negatief beïnvloeden.

Daarom onderzocht deze studie in welke mate het Hyper-CVAD-polychemotherapieregime cognitieve, gedragsmatige en sensorische veranderingen veroorzaakt in een preklinisch muismodel, en in welke mate gelijktijdige orale toediening van butyraat deze veranderingen kan verminderen. In tegenstelling tot veel preklinische studies die zich richten op afzonderlijke chemotherapeutische middelen of eenvoudige combinaties, werd in deze studie gebruikgemaakt van het klinisch relevante, uit meerdere middelen bestaande Hyper-CVAD-regime, wat de vertaalbaarheid naar de klinische praktijk vergroot. Butyraat, een korteketenvetzuur, werd onderzocht omdat eerder onderzoek wijst op gunstige effecten ervan op zowel het functioneren van de darmen als de hersenen, evenals op cognitieve, gedragsmatige en motorische beperkingen in andere preklinische modellen van neurodegeneratieve aandoeningen. Om de onderzoeksvragen te beantwoorden, werden 72 volwassen vrouwelijke C57BL/6J-muizen verdeeld over vier groepen: saline met controle-interventie, saline met butyraat, chemotherapie met controle-interventie en chemotherapie met butyraat. Na drie weken waarin enkel de interventie werd toegediend en vier weken waarin de interventie gelijktijdig met de behandeling werd toegediend, ondergingen de muizen een reeks gedragstesten. Deze brachten locomotorische activiteit (24-Hour Activity, Open Field), exploratief en angstgerelateerd gedrag (Open Field, Elevated Plus Maze), leren en geheugen (T-Maze, Passive Avoidance) en thermische pijngevoeligheid (Tail Flick) in kaart.

De resultaten ondersteunden de hypothesen gedeeltelijk. Het Hyper-CVAD-regime veroorzaakte gewichtsverlies en veranderde de spontane locomotorische activiteit in de 24-Hour Activity-test, evenals de locomotorische activiteit, exploratie en het angstgerelateerde gedrag in de Open Field-test en de thermische pijngevoeligheid in de Tail Flick-test. Butyraat verminderde deze veranderingen het duidelijkst in de Open Field- en Tail Flick-testen, terwijl de effecten op het lichaamsgewicht en de 24-Hour Activity-test minder consistent waren. Er werd geen duidelijk bewijs gevonden dat Hyper-CVAD of butyraat het angstgerelateerde gedrag in de Elevated Plus Maze, het ruimtelijk werkgeheugen in de T-Maze of het associatief leren en geheugen in de Passive Avoidance-test beïnvloedde.

Concluderend veroorzaakte het Hyper-CVAD-regime veranderingen in verschillende, maar niet alle, onderzochte cognitieve, gedragsmatige en sensorische uitkomsten, terwijl butyraat een gedeeltelijk potentieel vertoonde om deze veranderingen tegen te gaan. Butyraat biedt daarom perspectief voor verder onderzoek naar chemotherapie-geïnduceerde cognitieve, gedragsmatige en sensorische klachten.
Meer lezen

Cancer onset prediction by applying extreme value theory

Universiteit Gent
2026
Lisa
Slachmuylders
Colorectal cancer (CRC) is increasingly diagnosed at younger ages, with early-onset CRC (EO-CRC) rising despite declining incidence among older adults. These early diagnoses form the lower tail of the age-at-diagnosis distribution, where observations are sparse and may be difficult to predict accurately using models fitted to the full distribution. Extreme value theory (EVT) provides a framework for directly modelling this tail behaviour.

Using SEER data, a Weibull accelerated failure time (AFT) model fitted to the full distribution was compared with a generalized Pareto distribution (GPD) fitted to threshold exceedances below age 50. The Weibull systematically underestimated early-diagnosis quantiles by one to two years, whereas the GPD closely tracked empirical quantiles across the tail, supporting the use of EVT for direct modelling of the lower tail.

The GPD framework was then applied to the GECCO consortium to investigate whether genetic burden contributes to earlier diagnosis. Eleven genetic variants were forward-selected by AIC as covariates on the scale parameter, and were summarized into a genetic scale score. This score was used to compute theoretical endpoint and expected age at diagnosis across representative percentiles of its distribution. Genetic burden was associated with progressively earlier EO-CRC diagnosis: individuals in the 90th percentile of the genetic scale score had a theoretical endpoint age 8.8 years younger (95% CI: 6.6, 11.0) and an expected age 3.3 years younger (95% CI: 2.5, 4.4) than those in the 10th percentile.

Applied to an external test cohort, the model retained good calibration, and the genetic
scale score discriminated early-onset from late-onset CRC (AUC = 0.618, 95% CI: 0.549, 0.688). Separately, an interaction test confirmed that the genetic effect was specific to CRC cases rather than age in general.

These findings demonstrate that EVT offers a more accurate characterization of the lower tail of the CRC age-at-diagnosis distribution than conventional bulk models, and that genetic burden measurably alters the timing of diagnosis within the early-onset range, with potential relevance for personalized screening.
Meer lezen

Buiten of binnen: een analyse van de toegang van Vlaamse huiskatten tot de buitenwereld

Odisee Hogeschool
2026
Anaïs
Neyt
In deze bachelorproef werd de buitentoegang en buitenomgeving van de Vlaamse huiskat onderzocht, evenals de factoren die deze keuzes bij katteneigenaars beïnvloeden. Hierbij werd gefocust op kenmerken van de eigenaar, de kat en de woonomgeving. Het onderzoek werd uitgevoerd aan de hand van een combinatie van online enquêtes en live-bevragingen.

De resultaten tonen aan dat er, voornamelijk in de online enquête, een vrijwel gelijke verdeling bestaat tussen katten die permanent binnenshuis worden gehouden (46,53%; n = 610) en katten met buitentoegang (50,50%; n = 662). Bij de live-bevragingen werd een grotere kloof tussen deze groepen vastgesteld, waarbij 68,83% (n = 53) van de katten toegang heeft tot de buitenomgeving en 23,38%
(n = 18) permanent binnenshuis leeft. Daarnaast werd vastgesteld dat het type kat (raskat of niet) en het al dan niet volgen van een diergerelateerde opleiding door de eigenaar significante factoren zijn in relatie tot buitentoegang. Eigenaars motiveren hun keuzes voornamelijk vanuit veiligheidsoverwegingen, dan wel vanuit het belang van vrijheid en het kunnen uitoefenen van natuurlijk gedrag.

De resultaten wijzen erop dat de keuze rond buitentoegang multifactorieel is en dat er een duidelijk spanningsveld bestaat tussen veiligheid en vrijheid. Opvallend is dat de impact van katten op de omgeving en inheemse prooisoorten slechts beperkt werd aangehaald door de respondenten.

Een mogelijke evenwichtige oplossing is het gebruik van afgeschermde buitenruimtes, zoals een catio, die voordelen biedt voor zowel kat, eigenaar als omgeving. Verdere sensibilisering van katteneigenaars rond deze alternatieve vorm van huisvesting is aangewezen.
Meer lezen

“‘Oh, maar je komt van andere achtergrond.’ Dat maakt niet uit, mijn brein werkt even goed.” Factoren die de instroom van studenten met een migratieachtergrond in het hoger onderwijs in Vlaanderen beïnvloeden

Universiteit Gent
2026
Eef
Soete
Internationaal onderzoek naar de instroom in het hoger onderwijs beschouwt lage inschrijvingskosten, beperkte toelatingsexamens en alternatieve doorstroomroutes als belangrijke voorwaarden voor inclusie. Vlaanderen vormt daarom een opvallende casus: hoewel deze formele drempels er grotendeels ontbreken, stromen studenten met een migratieachtergrond relatief weinig door naar het hoger onderwijs. Deze masterproef onderzoekt welke minder zichtbare mechanismen deze paradox helpen verklaren. Daartoe werden 31 semigestructureerde interviews met studenten aan de Universiteit Gent geanalyseerd via reflectieve thematische analyse. De resultaten tonen hoe systeemkennis, sociale netwerken, ouderlijke betrokkenheid, financiële mogelijkheden, de secundaire schoolloopbaan en institutionele representatie de instroom vormgeven. Daarbij loopt een dunne scheidslijn tussen drempel en hulpbron: dezelfde factor kan studenten ondersteunen of hun instroom bemoeilijken, afhankelijk van de context en de andere hulpbronnen waarop zij kunnen terugvallen. De formele toegangspoort mag in Vlaanderen dan openstaan, de wegen ernaartoe zijn niet voor iedereen even begaanbaar.
Meer lezen

Bepaling van vers- en drooggewicht van sla op basis van RGB-camerabeelden met een convolutional neural network (CNN)

KU Leuven
2026
Brent
Beyers
Het doel van deze scriptie was om de mogelijkheden te onderzoeken voor het gebruik van CNN's met RGB-afbeeldingen voor de bepaling van het vers- en drooggewicht van sla gedurende een gehele teeltronde onder praktijkomstandigheden.
Van verschillende sla-cultivars (Emeldia RZ, Limambo RZ en Volumia) werden RGB
afbeeldingen verzameld. De cultivars Emeldia RZ en Limambo RZ werden elks twee keer zelf opgekweekt om slaplanten afkomstig van twee verschillende teeltrondes te bekomen. Daarnaast waren de slaplanten van de cultivar Volumia afkomstig van een externe slateler en van éénzelfde teeltronde. Van de slaplanten werden RGB-afbeeldingen verzameld onder een camerahoek van 0°, 45° en 90° ten opzichte van het grondoppervlak. Na verzameling van de RGB-afbeeldingen van de slaplanten werd een CNN-model ontworpen met het meest accurate
schattingsvermogen. Tenslotte werd het schattings- en generalisatievermogen van het
ontwikkelde CNN-model onderzocht.
De resultaten tonen aan dat het meest accurate CNN-model, afgestemd op een relatief kleine dataset, bestond uit 5 convolutielagen en volgende hyperparameters: een leerfrequentie van 0,001; een batchgrootte van 10 en 200 epochs. Het ontwikkelde model schat het vers- en drooggewicht van sla accuraat, met R2 ~ 0,92 – 0,97 en NRMSE ~ 0,19 – 0,34, voor cultivars die in de trainingsdata aanwezig zijn en onder gelijkaardige omstandigheden werden geteeld, mits voldoende trainingsdata. De schattings- en generalisatieprestaties variëren echter sterk
per cultivar, mogelijks door morfologische verschillen. Het model toont een zekere robuustheid voor variatie in camerahoeken, al resulteerden de beelden onder een camerahoek van 45° en 90° in de beste schattingen.
Meer lezen

When prediction is not enough: multimodal causal discovery from ICU vasospasm data

Universiteit Gent
2026
Maico
Bruyneel
Cerebraal vasospasme na een aneurysmatische subarachnoïdale bloeding (aSAH) is moeilijk te bestuderen in routinematige intensievezorggegevens omdat het niet als één consistente variabele wordt geregistreerd. Bewijs kan voorkomen in diagnosecodes, ontslagbrieven, radiologieverslagen, behandelingsgegevens of monitoringpatronen, en deze bronnen beschrijven niet altijd hetzelfde klinische beeld. Deze thesis onderzoekt of zulke heterogene informatie kan worden gecombineerd tot een representatie op opnameniveau voor exploratieve causale ontdekking rond vasospasme.

Met behulp van MIMIC-IV werd een cohort van waarschijnlijke aSAH-opnames samengesteld door gestructureerde selectie van kandidaatopnames, gevolgd door extractie met een groot taalmodel uit ontslagbrieven en radiologieverslagen. Het uiteindelijke cohort bevatte 470 opnames. Gestructureerde EHR-variabelen werden gecombineerd met informatie die uit klinische verslagen was afgeleid over bewijs voor vasospasme, de ernst van de bloeding, hydrocefalie, behandeling van het aneurysma, de aanwezigheid van een externe ventrikeldrain en fysiologische toestanden. Een vergelijking tussen verschillende modaliteiten toonde aan dat vasospasme bij 13,8% van de opnames gecodeerd was, terwijl ontslagbrieven en radiologieverslagen aanwijzingen voor vasospasme gaven bij respectievelijk 48,3% en 52,6% van de beoordeelde opnames. Dit suggereert dat op LLM gebaseerde extractie uit klinische tekst bewijs voor vasospasme vollediger kon vastleggen dan ICD-codering alleen, terwijl de bronspecifieke verschillen tussen ontslagbrieven en radiologieverslagen behouden bleven.

Vervolgens werd causale ontdekking toegepast met PC-stable, FGES en FCIT over verschillende hyperparameterinstellingen en stabiliteitsanalyses. De meest terugkerende structuur verbond de hoeveelheid bloedstolsel, hydrocefalie, EVD, leukocytose, hyperglykemie en vasospasme. Opvallend was dat de hoeveelheid bloedstolsel niet naar voren kwam als een stabiele directe buur van vasospasme, ondanks het feit dat dit een van de sterkst bekende klinische risicofactoren is. In plaats daarvan verscheen het vooral als een stroomopwaarts signaal van ernst dat verbonden was met hydrocefalie, intensievere zorgtrajecten en latere inflammatoir-metabole ontregeling. Hyperglykemie was de meest consistente systemische buur van vasospasme binnen FGES en FCIT, terwijl leukocytose vaker via hyperglykemie verbonden was dan als een stabiele directe buur. Deze bevindingen suggereren een biologisch plausibele hypothese waarin leukocytose en hyperglykemie mogelijk directer verband houden met vasospasme, mogelijk als weerspiegeling van inflammatoire en metabole stress die de kwetsbaarheid van bloedvaten zou kunnen vergroten.

Over het geheel genomen suggereren de resultaten dat multimodale causale ontdekking administratieve, tekstuele, fysiologische en zorgprocesgerelateerde signalen rond vasospasme explicieter kan maken en nuttige hypotheses kan opleveren voor gerichte vervolgstudies.
Meer lezen

A Research-Based Gamification Solution for Teaching Arrays to Novice Applied Science Students

KU Leuven
2026
Tine
Vervloet
Arrays zijn een basisonderdeel van leren programmeren, maar beginners vinden ze vaak het moeilijkste onderwerp. Dat geldt zeker voor studenten in toegepaste wetenschappen, voor wie programmeren eerder een hulpmiddel is dan hun hoofdinteresse. Deze masterproef onderzoekt hoe een gegamificeerde leeromgeving eerstejaarsstudenten Elektromechanica kan helpen om arrays te begrijpen.

Literatuur, examenresultaten en interviews met studenten en een expert brachten vier struikelblokken aan het licht: indexering, lussen combineren met arrays, waarden aanpassen tijdens een herhaling en veelvoorkomende bewerkingen. Op basis daarvan ontstond ArrayCamp. Die browsertool combineert het PRIMM-model, visuele oefeningen, Parsons-puzzels, gamificatie en AI-feedback.

Een evaluatie met 27 studenten toont dat ze de tool ondersteunend, gebruiksvriendelijk en motiverend vinden. Wel werkten weinig studenten de laatste opdrachten af, vooral door tijdsdruk vlak voor het examen. De AI-feedback in de tool was nog niet altijd consistent. Zo'n tool werkt dus pas echt als hij ook goed in de lessen wordt ingebed.
Meer lezen

Wood identification and color technological research on 17th-century Flemish cabinets containing ebony (imitation)

Universiteit Antwerpen
2026
Flynn
Hermsen
In de 17de eeuw was Antwerpen een belangrijk Europees handelscentrum voor luxegoederen. Daartoe behoorden ook rijkelijk vervaardigde kabinetten, die vaak versierd waren met kostbare materialen en decoratieve technieken, zoals zilver, zijde, paneelschilderijen, ivoor, schildpad en ebbenhout. Ebbenhout is een zeldzame, dure, exotische zwarte houtsoort die werd gebruikt voor fineer en lijstwerk. Historische bronnen wijzen er echter op dat meubelmakers ook imitatietechnieken toepasten om het uitzicht van ebbenhout na te bootsen. Deze thesis onderzoekt de materialen en methodes die bij deze imitaties werden gebruikt, met als doel ambachtelijke praktijken bloot te leggen die vandaag nog grotendeels onbekend zijn. Hiervoor werd een gemengde aanpak gehanteerd, waarbij historisch onderzoek werd gecombineerd met wetenschappelijke analyse van een selectie 17de-eeuwse Vlaamse kabinetten. Dit omvatte houtidentificatie via optische microscopie en scanning-elektronenmicroscopie (SEM), en chemische karakterisering met draagbare X-ray fluorescentie (pXRF) en SEM-EDX. De analyse bevestigde een wisselende aanwezigheid van ebbenhoutimitatie op de onderzochte objecten. Visuele inspectie bleek nuttig om imitatie in fineer en lijstwerk op te sporen. In drie kabinetten werd vermoedelijk Pyrus sp. geïdentificeerd in plaats van Diospyros sp. Voor het onderzoek naar kleurtechnieken leverden XRF-metingen op de kabinetten en op testpanelen, gebaseerd op eigentijdse geschreven bronnen, een veelbelovende overlap op, maar bleven er hiaten. De studie wordt beperkt door analytische beperkingen, waardoor de resultaten slechts een gedeeltelijk beeld geven van de bredere praktijk van ebbenhoutimitatie in het 17de-eeuwse Vlaanderen. Toch is verder onderzoek nodig om de omvang en de technieken van deze vroege vorm van materiaalsubstitutie volledig te begrijpen, onder meer via uitgebreidere XRF-referentiemetingen op zowel ebbenhout als inheemse houtsoorten.
Meer lezen

Clean energy, but contaminated waters? Assessing the effects of indium and gallium emissions from offshore wind farms on Corophium volutator and Danio rerio

Universiteit Antwerpen
2026
Jens
Broeckx
Offshore windparken (OWF’s) breiden zich in hoog tempo uit als onderdeel van de wereldwijde energietransitie, maar de ecotoxicologische gevolgen van hun chemische emissies zijn nog steeds slecht begrepen. Opofferingsanodes die worden gebruikt voor kathodische bescherming in turbinefunderingen geven de voor de technologie essentiële elementen indium (In) en gallium (Ga) af aan het mariene milieu. Terwijl andere metalen afkomstig van OWF’s, waaronder aluminium, zink, koper, cadmium en lood, uitgebreid zijn onderzocht, zijn er nog steeds weinig ecotoxicologische gegevens over In en Ga beschikbaar. In deze studie werden de effecten van In en Ga op twee modelorganismen beoordeeld: de in marien sediment levende amfipode Corophium volutator, die gedurende 28 dagen werd blootgesteld aan met metalen verrijkt sediment, en de zoetwaterzebravis Danio rerio, die gedurende 120 uur na bevruchting afzonderlijk werd blootgesteld aan In en Ga in het water.

Bij geen van beide soorten werd bij de geteste concentraties een significante sterfte waargenomen. Bij C. volutator was de specifieke groeisnelheid bij de hoogste concentratie significant verhoogd, wat mogelijk wijst op hormesis. In het weefsel en het sediment van C. volutator werd een concentratieafhankelijke accumulatie van beide metalen aangetoond. Indium werd bijna volledig in de sedimentfase vastgehouden en bleef bij alle behandelingen onder de detectielimiet in het bovenliggende water. De accumulatiefactoren voor biota en sediment (BSAF’s) waren significant hoger voor In dan voor Ga, wat wijst op een onevenredig hogere biologische beschikbaarheid van In ondanks de lagere concentraties in opgeloste vorm. Bij D. rerio accumuleerden beide metalen op een concentratieafhankelijke manier. Gallium bleef overwegend opgelost (>80%) en vertoonde een duidelijke monotone dosis-respons in larvenweefsel. Indium daarentegen was grotendeels in de vorm van deeltjes (<2% opgelost), wat de blootstelling via het water beperkte. Een nieuwe bevinding was een mogelijke omgekeerde relatie tussen de blootstellingsconcentratie van In en de Ga-accumulatie bij aan In blootgestelde larven, wat wijst op remming van de Ga-opname door In, mogelijk via gedeelde ijzertransportroutes. Morfologische afwijkingen bij D. rerio kwamen zelden voor en konden niet op betrouwbare wijze worden toegeschreven aan blootstelling aan metalen.

Deze resultaten wijzen erop dat het belangrijkste ecologische risico van uit OWF’s afkomstig In en Ga in het sediment ligt, waarbij benthische organismen waarschijnlijk een groter risico op blootstelling aan deze metalen hebben dan pelagische organismen. Dit onderzoek vormt een basis voor toekomstige risicobeoordelingen en benadrukt de noodzaak om monitoring van de sedimentkwaliteit op te nemen in kaders voor milieurisicobeoordeling en -beheer met betrekking tot OWF’s.
Meer lezen

Capripokken zijn terug: hoe bereiden we ons voor?

Erasmushogeschool Brussel
2026
Alia
Kangezi
Deze bachelorproef onderzocht de invloed van extreme pH-waarden en blootstellingsduur op de infectiviteit van het geitenpokkenvirus. Het virus werd blootgesteld aan zure pH-waarden van 2 tot 5 en basische pH-waarden van 10 tot 13 gedurende 1, 30 en 60 minuten. Met PCR werd nagegaan of viraal DNA na de behandeling nog aanwezig was, terwijl infectiviteitstesten bepaalden of het virus nog cellen kon infecteren. De resultaten toonden aan dat vooral extreme pH-waarden een sterke invloed hadden op de infectiviteit. Ook de blootstellingsduur speelde een belangrijke rol. Deze studie vormt een eerste stap in het onderzoeken van de invloed van pH op de infectiviteit van het virus. Verder onderzoek onder meer realistische omstandigheden is nodig om na te gaan in welke mate deze resultaten naar de praktijk kunnen worden vertaald.
Meer lezen

DE KRACHT VAN HET N-WOORD Van scheldwoord tot identiteitsmarker?

Universiteit Gent
2026
Maria
Nkanu Nkanu
Deze masterproef onderzoekt hoe zwarte Nederlanders het N-woord ervaren en welke betekenis zij eraan geven. Uit 22 interviews blijkt dat het woord sterk verbonden blijft met racisme en geschiedenis, maar dat de betekenis ook afhangt van persoonlijke ervaringen, context en wie het woord gebruikt. Het onderzoek toont vooral dat er geen eenduidige ‘zwarte’ visie op het N-woord bestaat.
Meer lezen

Ethiek in de Vlaamse schoolboeken filosofie

KU Leuven
2026
Tomas
Bruyland
Deze masterproef stelt de vraag hoe ethiek benaderd wordt in de Vlaamse schoolboeken filosofie voor de derde graad. Om deze vraag te beantwoorden ontwikkelen we een eigen methodologie. Voor de inhoudelijke analyse wordt uit de meta-ethiek een schema afgeleid. Het analsyeschema voor de vaardigheden wordt opgebouwd vanuit het onderscheid tussen filosofisch-ethische vorming en morele vorming. Deze tweeledige methodologie wordt eerst toegepast op de minimumdoelen en vervolgens op de drie schoolboeken: Filosofie, Agora en Antropia.
De analyse toont een grote verscheidenheid in aanpak bij de drie schoolboeken, maar laat ook een aantal terugkerende zaken zien. Wat meta-ethiek is, wordt niet geëxpliciteerd waardoor ethiek en meta-ethiek niet onderscheiden (kunnen) worden. Ook de meta-ethische positie van de ethische inhoud wordt niet geëxpliciteerd. Morele oordelen komen aan bod zonder dat hun statuut als overtuiging, emotie of feitelijke uitspraak wordt geëxpliciteerd. Hierdoor ontstaat de indruk dat leerlingen verschillende impliciete opvattingen over ethiek aangereikt krijgen, zonder dat deze geëxpliciteerd of bevraagd kunnen worden.
Daarenboven stellen we vast dat de grens tussen filosofisch-ethische vorming en morele vorming vervaagt. In de drie schoolboeken worden leerlingen aangezet tot moreel oordelen en soms zelfs tot moreel handelen, maar deze opdrachten worden in de handleidingen niet expliciet geduid als morele vorming. Hierdoor ontstaat onduidelijkheid over het doel en de aanpak van de opdrachten, wat problematisch is voor leerkracht én leerling. De nadruk van de minimumdoelen op filosofisch-ethische vorming met focus op reflecterend denken wordt niet altijd zuiver nagestreefd in de schoolboeken. Het reflecterend denken wordt regelmatig vermengd met morele vorming.
Inhoudelijk analyseren we de gekozen aanpak als veelal te weinig zuiver descriptief en vaak impliciet normatief. Zowel uit de selectie en ordening van ethische theorieën als uit de concrete uitwerking van voorbeelden en opdrachten menen we bepaalde impliciete visies op ethiek te kunnen afleiden. Omdat deze visies niet expliciet worden verantwoord, zijn er geen mogelijkheden om deze filosofisch ter discussie te stellen.
In de aanpak van de vaardigheden stellen we vast dat de drie schoolboeken in meer of mindere mate inzetten op dialogisch spreken. Dit sluit aan bij de doelstelling van filosofieonderwijs om ruimte te scheppen voor zelfstandig denken. Tegelijk blijkt dat de gekozen werkvormen niet altijd voldoende didactisch worden ondersteund, in het bijzonder wat betreft het filosofisch reflecteren. Het blijft vaak onduidelijk wat onder reflectie precies wordt verstaan en hoe deze vaardigheid systematisch kan worden opgebouwd.
Samenvattend kunnen we concluderen dat ethiekonderwijs in de Vlaamse schoolboeken filosofie meer nood heeft aan explicitering van zowel het statuut van morele uitspraken, de gehanteerde meta-ethische uitgangspunten alsook de doelstellingen van de werkvormen. Een betere explicitering kan bijdragen tot ethiekonderwijs waarin leerlingen meer ruimte krijgen om zelf te reflecteren over wat het betekent om over morele oordelen na te denken.
Meer lezen

Trustworthy Deep Learning Framework for LDI Perfusion Map Emulation: Towards Accessible Burn Wound Diagnostics

Universiteit Gent
2026
Emiel
Bonnier
Wist je dat artsen de ernst en genezing van brandwonden met het blote oog in wel 40% van de gevallen verkeerd inschatten? De beste methode om de schade aan de huid vandaag objectief te beoordelen is Laser Doppler Imaging, een techniek die de doorbloeding van het weefsel meet. Deze scanners zijn heel erg duur en zwaar, waardoor ze voor een groot deel van de wereld simpelweg onbereikbaar zijn. In mijn masterproef ontwikkelde ik daarom een alternatief: een betrouwbaar deep learning-model dat hetzelfde kan op basis van een gewone digitale foto. Het algoritme transformeert een standaardafbeelding naar een virtuele doorbloedingskaart, waardoor artsen overal ter wereld snel en nauwkeurig kunnen bepalen of een brandwond vanzelf geneest of een operatie vereist.
Meer lezen