Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Kunstgeïntegreerde actie- en rustmomenten ontworpen voor leerlingen met ADHD en ASS: Painted Pause

Odisee Hogeschool
2026
Emma
Ghysels
  • Jolien
    Gits
Leerlingen met ADHD en ASS ervaren in de lagere school aanzienlijke moeilijkheden op het vlak van aandacht, prikkelverwerking, flexibiliteit en zelfregulatie. Zoals in het document staat: “Leerlingen met ontwikkelingsstoornissen zoals ADHD en ASS ondervinden dagelijks moeilijkheden die hun leerproces en het klasgebeuren beïnvloeden.” Deze uitdagingen worden vooral zichtbaar tijdens lange instructies, drukke situaties en overgangsmomenten, waar concentratieverlies, impulsiviteit en overprikkeling vaker optreden. Zowel literatuur als praktijk tonen dat bestaande ondersteuning vaak reactief blijft en niet altijd afgestemd is op de specifieke noden van deze leerlingen (Horeweg, 2024).

Daarom bestaat het onderzoeksdoel van deze bachelorproef uit het ondersteunen van leerlingen met ADHD en/of ASS door bewegingsmomenten via kunst te integreren, met als doel hun concentratievermogen en algemeen welzijn te versterken. De centrale onderzoeksvraag luidde: Wat is het effect van structureel aangeboden bewegingsmomenten die via kunst worden geïntegreerd op de aandacht en het algemeen welzijn van lagereschoolkinderen met ADHD en/of ASS?

Om deze onderzoeksvraag te beantwoorden, werd gebruikgemaakt van observaties en semi gestructureerde bevragingen bij leerkrachten, zorgleerkrachten en externe ondersteuners. Hieruit bleek dat scholen reeds hulpmiddelen inzetten zoals koptelefoons, visuele planningen en friemelmateriaal, maar dat de nood aan een proactieve, haalbare en doelgerichte aanpak groot blijft. Leerkrachten zoeken vooral korte interventies die rust of beweging bieden zonder extra werkdruk. Tegelijk wijst onderzoek erop dat kunstzinnige activiteiten bijdragen aan zelfsturing, metacognitieve vaardigheden en sociaal emotioneel functioneren. Mieras (2024) benadrukt dat kunst “leerlingengroepen daadwerkelijk helpt om kansen in het leven te grijpen”.

Vanuit deze bevindingen werd de educatieve tool Painted Pause ontwikkeld. Deze tool combineert kunstbeleving met korte actie en rustmomenten en biedt leerlingen de keuze tussen een actief of rustgevend tussendoortje. Via een digitale schilderijengalerij bekijken leerlingen kunstwerken, beantwoorden ze korte kijkvragen en voeren ze aansluitend een bewegingstussendoortje uit. De activiteiten richten zich op concentratie, samenwerking, emotieregulatie en zelfsturing. De vaste structuur en visuele ondersteuning sluiten aan bij de uiteenlopende noden van leerlingen met ADHD en ASS (Horeweg, 2025).

Tijdens twee testperiodes in verschillende leerjaren werd Painted Pause positief onthaald. Leerlingen met ADHD begonnen na een tussendoortje rustiger en meer gefocust aan het volgende werkmoment; leerlingen met ASS profiteerden vooral van de voorspelbaarheid en prikkelreductie. Ook leerlingen zonder ontwikkelingsstoornis ervaarden de tool als motiverend en prettig. De combinatie van kunstbeleving aan de hand van kijkvragen en een doelgericht bewegingstussendoortje zorgde voor een betere sfeer, verhoogde betrokkenheid en een meer gereguleerde klasgroep. De resultaten tonen dat structureel aangeboden, kunstgebaseerde bewegingsmomenten een waardevolle aanvulling vormen binnen de brede basiszorg. Ze ondersteunen leerlingen met specifieke noden zonder hen te stigmatiseren en versterken tegelijk het algemeen welzijn van de volledige klas. Hoewel verdere verfijning en langdurige evaluatie wenselijk zijn, biedt Painted Pause een veelbelovende, preventieve en inclusieve manier om aandacht en zelfregulatie te bevorderen.
Meer lezen

Autisme vriendelijke speelplaats

Hogeschool VIVES
2026
laure
thys
Dit praktijkonderzoek onderzoekt hoe leerondersteuners en basisscholen ondersteund kunnen worden bij het ontwikkelen van een autismevriendelijke speelplaatswerking. Vanuit literatuuronderzoek, praktijkervaringen en een bevraging bij leerondersteuners werd een praktijkgerichte toolbox ontwikkeld. Deze combineert een visiekader en analyse-instrument met concrete tools rond onder andere structuur, visualisatie, spelondersteuning, prikkelregulatie en herstelgericht werken. De toolbox biedt geen vast stappenplan, maar ondersteunt schoolteams om vanuit hun eigen context en noden tot een gedragen speelplaatswerking te komen. Het eindproduct werd in beperkte mate getest bij leerondersteuners en is geïntegreerd in een toegankelijke website.
Meer lezen

Samenwerking tussen onderwijs en welzijn in de evolutie naar inclusieve scholen

Universiteit Antwerpen
2026
Lotte
Janssens
De onderwijsnoden van leerlingen worden steeds complexer, waardoor de draagkracht van leraren en scholen
vaker onder druk komt te staan en het bieden van passend, kwaliteitsvol onderwijs een uitdaging vormt. In
Vlaanderen groeit het besef dat structurele partnerschappen tussen onderwijs en welzijn een belangrijke
hefboom zijn om deze uitdagingen aan te pakken en een inclusiever onderwijssysteem te realiseren. Deze
masterproef onderzoekt een praktijkgericht samenwerkingsinitiatief tussen een multifunctioneel centrum (MFC)
en reguliere kleuterscholen. Daarbij wordt gebruikgemaakt van een kwalitatief onderzoeksdesign, gebaseerd op
semigestructureerde interviews met leraren en zorgcoördinatoren. Op die manier wordt inzicht verkregen in
zowel de werking als de effecten van deze samenwerking.

De resultaten tonen aan dat effectieve samenwerking wordt gekenmerkt door zes bevorderende factoren:
gemeenschappelijke doelen, afstemming en taakafbakening, communicatie, wederzijds respect en vertrouwen,
relatie en betrokken actoren. Deze factoren versterken elkaar en dragen bij tot een gedeelde
verantwoordelijkheid en een sterk ‘wij-gevoel’ tussen onderwijs- en welzijnsprofessionals. Op het niveau van de
leraar en zorgcoördinator blijkt de samenwerking een positief effect te hebben op hun zelfeffectiviteit. Zij voelen
zich competenter in het interpreteren van gedrag en het afstemmen van hun pedagogisch-didactisch handelen.
Op leerlingniveau worden positieve effecten vastgesteld op sociale en academische participatie, al blijft deze
participatie sterk afhankelijk van de individuele verschillen tussen leerlingen en haalbare aanpassingen. Tegelijk
worden ook belangrijke uitdagingen zichtbaar, waaronder schoolbrede implementatie en de grenzen van inclusie
in de klaspraktijk. De masterproef concludeert dat samenwerking tussen onderwijs en welzijn een belangrijke
hefboom vormt voor inclusie, maar dat duurzame verankering en structurele partnerschappen noodzakelijk zijn
om deze meerwaarde op lange termijn te realiseren.

Kernwoorden: inclusief onderwijs, effectieve samenwerking, zelfeffectiviteit, sociale participatie en academische participatie
Meer lezen

CFD modelling of electric vehicle fire suppression: Avoiding flame spread using sprinklers in a well-ventilated underground parking

Universiteit Gent
2026
Nienke
Degraeve
This study investigates the effectiveness of water-based sprinkler systems in mitigating fire spread from electric vehicle (EV) battery thermal runaway events in an underground parking garage (9.5 m × 16 m) using Fire Dynamics Simulator (FDS v6.9.1). A series of three-dimensional CFD simulations were conducted to evaluate how different sprinkler configurations influence heat release rate (HRR) and fire propagation between an initiating EV and two adjacent vehicles.


The study is contextualized by a thorough literature review on lithium-ion battery chemistry, the mechanics of thermal runaway (TR) and the characteristics of an EV fire. This theoretical foundation was used to establish a worst-case scenario for simulation, specifically selecting a 100% State of Charge (SOC) to reflect the highest potential for fire intensity and rapid fire growth. While the literature identifies significant risks regarding toxic gas emissions (such as hydrogen fluoride) and vapor cloud explosions (VCE), these phenomena were intentionally excluded from the numerical scope. This decision was made because these hazards are either not the primary drivers of vehicle-to-vehicle fire spread or cannot be modeled with sufficient accuracy within the constraints of FDS, which is a low-Mach-number solver.

10 cm computational grid, validated through sensitivity analysis, was used to balance accuracy and computational cost. Seven sprinkler scenarios were tested, varying activation (temperature), orientation, and discharge intensity.

Results show that an unconstrained fire scenario produces a peak HRR exceeding 18 MW due to multi-vehicle involvement. Sprinkler systems significantly reduce fire severity and stop or limit the fire spread, achieving up to an 82% reduction in peak HRR for standard ceiling-mounted systems (6.7 L/min) and up to 93% for high-intensity configurations. Although the FDS model shows that high-velocity jet flames are more buoyancy-dominated than in reality due to the neglect of pressure-driven expansion, the model successfully captures the critical interaction between water application and thermal exposure. These high-velocity jet flames, however, are only marginally affected by sprinkler discharge in the simulations; they are not the primary driver of vehicle-to-vehicle fire spread. Instead, fire propagation is driven by sustained thermal exposure leading to window failure and ignition of interior combustibles.
The results demonstrate that water-based sprinkler systems are effective in limiting large-scale EV fire propagation in enclosed parking structures, despite their inability to suppress thermal runaway at the battery cell level.
Meer lezen

Noodsituaties bij endocriene en niet-endocriene aandoeningen

Universiteit Antwerpen
2026
Rhode
Mendonck
Deze scriptie biedt een korte samenvatting
van het geleverde onderzoek en toont de weg naar een
nieuw product dat gebruikt wordt voor patiënten met
bijnierschorsinsufficiëntie in levensbedreigende situaties.
Bijnierschorsinsufficiëntie is een endocriene ofwel
hormonale aandoening, die niet te genezen is.
Momenteel ondervindt elke patiënt met de aandoening
bijnierschorsinsufficiëntie angst en stress door de extra
complicaties, zoals een crisis, die komen kijken bij deze
ziekte. De hulpmiddelen die nu bestaan zijn te moeilijk
te hanteren en zorgen voor wantrouwen bij de patiënt.
Een verbetering van deze hulpmiddelen helpt niet alleen
fysiek maar vermindert ook de mentale klachten die hier
het gevolg van zijn.

Het doel is om de herkenbaarheid bij omstaanders te
vergroten en de angst bij alle betrokkenen te beperken.
Meer lezen

Tussen hoop en herval: Een hulpverlenersperspectief op chroniciteit en veranderingsresistentie bij cliënten in de langdurige verslavingszorg

Universiteit Gent
2026
Thyra
Janssens
Deze masterproef onderzoekt hoe hulpverleners in de chronische Belgische drughulpverlening de veranderingsresistentie en chroniciteit bij cliënten beleven, en welke impact dit heeft op hun zorghouding, werkrelatie en emotioneel welzijn. Via een kwalitatief onderzoeksdesign werden negentien semigestructureerde interviews afgenomen bij hulpverleners uit vijf verslavingszorgsettings: een ambulante voorziening, twee residentiële settings, een CRA-georiënteerde werking en een spoedpsychiatrische context. De data werden geanalyseerd aan de hand van thematische analyse volgens Braun en Clarke (2021).

De analyse resulteerde in zeven thema's, van stigma en veranderingsresistentie tot emotionele belasting en structurele uitdagingen. Twee bevindingen springen er uit. Ten eerste is er een structurele kloof tussen wat hulpverleners conceptueel weten over herval en hoe zij dit emotioneel beleven. Ten tweede blijken de dimensies verbondenheid, hoop en betekenis, die centraal staan in herstel bij cliënten, ook voor hulpverleners zelf een bron van professionele veerkracht. Op basis van de bevindingen wordt een empirisch onderbouwde hypothese geformuleerd: naarmate de therapeutische relatie minder diepgaand is, neemt de kans op objectivering en dehumanisering van de cliënt toe. De conclusie luidt dat herstelgerichte zorg gelijktijdige investeringen vereist op het niveau van de hulpverlener, de organisatie en het zorglandschap. Individuele veerkracht kan niet als vervanging dienen voor structurele bescherming.
Meer lezen

Innovatieve verpleegkundige oplossingen voor wachttijden in de eerstelijnszorg

Hogeschool UCLL
2026
Hannelore
Pasques
Lange wachttijden in de eerstelijnszorg vormen een groeiend probleem in België. Ze treffen alle patiënten, maar hebben vaak een extra grote impact op kwetsbare groepen, zoals mensen met chronische aandoeningen, een migratieachtergrond of een beperkte financiële draagkracht.
In deze bachelorproef onderzocht ik welke innovatieve verpleegkundige interventies kunnen bijdragen aan een snellere en toegankelijkere zorgverlening. Hiervoor combineerde ik een systematische literatuurstudie met semigestructureerde interviews met verpleegkundigen uit het wijkgezondheidscentrum De Ridderbuurt, gezondheidseconoom Jonas Steel en professor gezondheidsrecht Tom Goffin.
De resultaten tonen aan dat er verschillende interventies mogelijk zijn om wachttijden in de eerstelijnszorg te verminderen. Vooral de inzet van verpleegkundig specialisten springt daarbij in het oog. Uit de literatuur blijkt dat zij bepaalde taken van artsen veilig kunnen overnemen, met behoud van zorgkwaliteit en een hoge patiëntentevredenheid. Daarnaast bieden verpleegkundige triage, het Advanced Access-model, inclusieve eHealth-toepassingen en artificiële intelligentie kansen om de toegankelijkheid en efficiëntie van de zorg te verbeteren. De implementatie van deze innovaties wordt echter nog vaak afgeremd door juridische, financiële en organisatorische uitdagingen.
De toekomst van de zorg wacht op de moed om verpleegkundigen eindelijk de autonomie te geven die ze verdienen. Want een gezondheidssysteem dat niemand in de wachtzaal laat zitten, begint met het vertrouwen in de expertise die vandaag al aanwezig is.
Meer lezen

Responses to rosemary-based olfactory enrichment A behavioural analysis of captive chimpanzees (Pan troglodytes) at Fundació MONA

Odisee Hogeschool
2026
Ann
Ieven
Een chimpansee in een opvangcentrum heeft alles wat hij nodig heeft, behalve een oerwoud. Om zijn dagen toch boeiend te houden krijgt hij klimtouwen, hangmatten en puzzels met lekkers erin verstopt. Dat werkt, zolang hij meedoet. Maar in elk opvangcentrum of asiel zit een dier dat nergens meer op ingaat. Geur zou dat dier wél bereiken: die hangt er gewoon, en een neus staat altijd open.

Het experiment voor mijn bachelorproef duurde vier weken en vond plaats in de buitenverblijven van tien geredde chimpansees, verdeeld over twee groepen, in Fundació MONA nabij Girona in Spanje. Op vier dagen lagen er geurende sokken in hun verblijf, geweekt in rozemarijnthee en gevuld met gedroogde rozemarijn. Op vier andere dagen lagen er identieke sokken zónder geur, en op nog eens vier dagen lagen er helemaal geen sokken. Op de rozemarijndagen vertoonden de dieren minder stressgedrag en foerageerden ze meer — het rustige zoeken naar eten waar wilde chimpansees hun dag mee vullen. Het verrassendste: dat zoeken nam niet enkel toe bij de apen die met de sok speelden, maar bij de hele groep. De geur hing in de lucht en bereikte ook de dieren die de sokken nauwelijks aanraakten.
Meer lezen

Motivational Factors and Psychophysical Experiences of Recreational Cold-Water Swimmers in Club Settings

Vrije Universiteit Brussel
2026
Elias
Buysse
  • Kyan
    Vervoort
Koudwaterzwemmen is een steeds zichtbaardere vorm van recreatieve sport, waarbij mensen zich vrijwillig en herhaaldelijk blootstellen aan lichamelijk ongemak en koude. Deze mixed-methods studie onderzocht welke motivaties en psychofysische ervaringen een rol spelen bij duurzame deelname aan recreatief koudwaterzwemmen in georganiseerde clubcontexten in Vlaanderen. Hiervoor vulden 191 recreatieve koudwaterzwemmers een vragenlijst in en werden 18 deelnemers geïnterviewd. Mentaal welzijn en stressvermindering vormden de meest gerapporteerde primaire motivatie (38,2%), gevolgd door fysieke fitheid en gezondheid (27,7%). Uit de interviews kwam een terugkerend patroon naar voren van aarzeling, lichamelijke intensiteit, actieve regulatie via ademhaling en aandacht, en een positieve ervaring na het zwemmen. De resultaten suggereren dat het ongemak van koud water niet noodzakelijk verdwijnt met ervaring, maar wel voorspelbaarder, beheersbaarder en betekenisvoller kan worden. Ook de sociale context en natuurlijke omgeving spelen een belangrijke rol. Koudwaterzwemmen kan daardoor worden begrepen als een psychofysieke praktijk waarin ongemak wordt gereguleerd, geïnterpreteerd en geïntegreerd in routine en identiteit.
Meer lezen

Influence of AI on strategic decision-making. Delegation versus deliberation: the impact of access architecture on managerial teams.

KU Leuven
2026
Robbe
Degroote
  • Thomas
    Devoldere
  • Lukas
    De Ryck
Organisaties staan onder druk om AI te integreren, maar de vraag hoe dat het best kan gebeuren blijft vaak onbeantwoord. Deze thesis onderzoekt experimenteel of de architectuur van AI-toegang de kwaliteit van managementbeslissingen kan beïnvloeden. Dit werd gedaan via een simulatie waarin negen teams van masterstudenten en recent afgestudeerden een strategisch vraagstuk moesten oplossen. De resultaten tonen aan dat meer AI-toegang of gebruik niet leidt tot betere maar meer ongelijke resultaten. Gedeelde toegang presteerde consistent solide, terwijl onbeperkte individuele toegang zowel de beste als de zwakste resultaten opleverde. Daarnaast bleek dat meer AI-gebruik samenging met minder vertrouwen in de genomen beslissingen.
Meer lezen

AURALISATIE ALS TOOL VOOR INCLUSIEF ONTWERPEN: EEN VERKENNEND ONDERZOEK MET DRIE ERVARINGSDESKUNDIGEN

KU Leuven
2026
Dany
Ye
Traditioneel is het architectonisch ontwerpproces sterk visueel georiënteerd, waarbij de auditieve dimensie van ruimtes vaak pas laat door gespecialiseerde akoestici wordt geanalyseerd. Hoewel de auditieve mogelijkheden in het ontwerp de laatste jaren zijn toegenomen door diverse softwarepakketten, wordt geluid tijdens het creatieve proces nog onvoldoende als ontwerpparameter ingezet. Deze benadering schiet tekort in het waarborgen van auditieve toegankelijkheid voor diverse gebruikersgroepen.

Auralisatie, het auditieve equivalent van visualisatie, biedt een manier om de akoestische beleving van een ruimte al tijdens het ontwerpproces hoorbaar te maken. In dit onderzoek wordt auralisatie benaderd als een verkennende, communicatieve en participatieve ontwerptool die de uitwisseling tussen technische akoestische parameters en subjectieve ruimtelijke ervaring kan ondersteunen binnen inclusieve ontwerppraktijken.

De centrale onderzoeksvraag luidt: "Hoe kan auralisatie, met aandacht voor auditieve diversiteit, worden ingezet als een tool tijdens het ontwerpproces om tot meer inclusieve ruimtelijke ontwerpen te komen?" Een grondige literatuurstudie legt de theoretische basis en identificeert auditieve diversiteit bij mensen met een zintuiglijke beperking of mensen die neurodivergent zijn: mensen met een visuele beperking hebben baat bij enige nagalm voor ruimtelijke oriëntatie, mensen met een auditieve beperking vereisen een korte nagalmtijd voor spraakverstaanbaarheid, en mensen op het autismespectrum hebben vaak behoefte aan een korte nagalm en een laag geluidsniveau om sensorische overbelasting te voorkomen.

Door middel van een kwalitatieve casestudy binnen het kader van het herbestemmingsproject voor het Stadhuis van Leuven, waarbij drie ervaringsdeskundigen werden betrokken, werd onderzocht hoe auralisatie in een concrete ontwerpcontext kan functioneren. De sessies leverden niet alleen ontwerp-gerelateerde inzichten op, maar maakten ook zichtbaar hoe uiteenlopende auditieve ervaringen elkaar kunnen aanvullen of in spanning kunnen staan. Dit benadrukt dat inclusieve akoestiek niet kan worden herleid tot uniforme richtlijnen, maar eerder een proces is van afwegen en contextualiseren.

De bijdrage van dit onderzoek ligt in het verkennen van auralisatie als een communicatieve en participatieve ontwerptool die het begrip van akoestische ruimte-ervaring kan ondersteunen. De resultaten suggereren dat auralisatie kan bijdragen aan het expliciteren van impliciete kennis over geluid en ruimte, en het faciliteren van dialoog tussen architecten en ervaringsdeskundigen. Binnen de beperkingen van dit verkennend onderzoek wordt auralisatie hierbij beschouwd als een hulpmiddel voor participatieve reflectie, eerder dan als een zelfstandige ontwerpoplossing.
Meer lezen

Bouw multifunctioneel sportcomplex Benin (Cotonou)

Hogeschool VIVES
2026
Fenna
Vanhoutte
Mijn eindproef onderzoekt de haalbaarheid en ontwikkeling van een multifunctioneel sportcomplex in Cotonou, Benin, op vraag van de Port Autonome de Cotonou. Het project vertrekt vanuit de vaststelling dat er nood is aan kwalitatieve en toegankelijke sportinfrastructuur die aansluit bij de lokale context en behoeften.

De centrale onderzoeksvraag luidt: Hoe kan de ontwikkeling van een multifunctioneel sportcomplex in Cotonou bijdragen aan sportparticipatie en talentontwikkeling en bovendien maatschappelijke meerwaarde creëren binnen een financieel haalbaar en duurzaam exploitatiemodel?

Om deze vraag te beantwoorden, bracht ik de lokale sportcontext, bestaande infrastructuur, behoeften van verschillende doelgroepen en relevante stakeholders in kaart. Op basis van dit onderzoek deed ik aanbevelingen voor de mogelijke realisatie van het sportcomplex. Daarbij werd niet alleen gekeken naar de ruimtelijke en sportieve invulling, maar ook naar de manier waarop het complex op lange termijn kan functioneren.

De eindproef resulteert in een totaalconcept voor een sportsite waarin verschillende sporten en gebruikers samenkomen. Naast het ruimtelijke voorstel omvat de studie ook een businessplan, financieel plan, risicoanalyse en een faseringsplan. Zo biedt de eindproef een onderbouwd kader voor de mogelijke verdere ontwikkeling van een sportcomplex dat sportieve, maatschappelijke en economische doelstellingen met elkaar verbindt.
Meer lezen

Rekenen op meer. Een cognitieve taakanalyse van differentiatie voor sterke rekenaars.

Universiteit Antwerpen
2026
Maxime
Bultheel
Het Vlaamse onderwijslandschap wordt de laatste jaren geconfronteerd met een toenemende bezorgdheid over de rekenvaardigheden van sterke leerlingen. Tegelijkertijd worden leraren in het basisonderwijs geconfronteerd met een toenemende diversiteit binnen hun klasgroep. Zo wordt het uitdagender om tegemoet te komen aan de onderwijsnoden van sterke rekenaars. Om toekomstig onderpresteren, motivatieverlies en talentverlies te voorkomen, zijn interventies in het basisonderwijs van cruciaal belang. Uit onderzoek blijkt dat sterke rekenaars nood hebben aan aangepaste instructie die aansluit bij hun leerstatus en leerpotentieel. Dit plaatst leerkrachten voor didactische en organisatorische vraagstukken. Enerzijds moeten keuzes gemaakt worden die toelaten om sterke rekenaars van instructietijd te voorzien. Anderzijds rijst de vraag welke didactische kenmerken deze instructie idealiter moet bevatten.
Deze masterproef onderzocht hoe leraren de beschikbare instructietijd optimaal kunnen benutten om het leerproces van sterke rekenaars te ondersteunen. Het onderzoek werd uitgevoerd aan de hand van een cognitieve taakanalyse. Eerst werden interventies voor divergente differentiatie geïdentificeerd via een literatuurstudie en de e-learningmodules van Project TALENT. Vervolgens werden rekenlessen geobserveerd en gefilmd, waarna stimulated recall interviews werden afgenomen bij twee expertleerkrachten uit contrasterende expertisecontexten. De voorlopige bevindingen werden ten slotte verdiept en gevalideerd via een semigestructureerd interview met een inhoudsdeskundige.
De resultaten tonen aan dat effectieve differentiatie voor sterke rekenaars in de eerste plaats vertrekt vanuit een krachtige brede basiszorg. Doelgericht werken, afstemming tussen leerdoelen, leeractiviteiten en evaluatie, uitdagende denkactiviteiten en formatieve evaluatie blijken essentiële bouwstenen. Tegelijkertijd volstaat een brede basiszorg niet voor alle sterke rekenaars. Opvallend is echter dat plusdoelen, daarop afgestemde instructietijd en gerichte evaluatie voor sterke rekenaars in de geobserveerde praktijk nauwelijks werd teruggevonden. Differentiatie krijgt er voornamelijk vorm via compacten en zelfstandige verwerking van verrijkingsmateriaal. Compacten en verrijken blijken waardevolle aanvullende interventies, op voorwaarde dat zij aansluiten bij de leerstatus van leerlingen, dat instructietijd gegarandeerd wordt en dat leeractiviteiten vertrekken vanuit plusdoelen.
Meer lezen

Preserving Urban Identity

KU Leuven
2026
Madeline
Smid
Deze thesis onderzoekt hoe ruimtelijke herinneringen richting kunnen geven aan de transformatie van zowel institutioneel als beleefd erfgoed binnen de naoorlogse stedelijke wederopbouw. De focus ligt voornamelijk op Podil, een district in de Oekraïense hoofdstad Kyiv, waar de deelnemers vandaan komen. De thesis vertrekt vanuit de vaststelling dat binnen de naoorlogse wederopbouw van Oekraïne vaak de nadruk ligt op officieel erkend erfgoed, terwijl de alledaagse ruimtelijke herinneringen en levenservaringen van de inwoners het risico lopen over het hoofd te worden gezien.

De onderzoeksvraag luidt: Hoe kan ruimtelijke herinnering richting geven aan de transformatie van zowel institutioneel als beleefd erfgoed binnen de stedelijke wederopbouw na een conflict? Om deze vraag te beantwoorden, werd een participatieve aanpak ontwikkeld waarbij rechtstreeks werd samengewerkt met Oekraïense deelnemers uit hetzelfde stedelijke gebied in Kyiv. Aan de hand van een stapsgewijs proces van gesprekken en co-creatieve sessies combineerde het onderzoek memory talks, mentale kaarten, representatieve kaarten, tekeningen, maquettes en desktoponderzoek. Op deze manier werden de geleefde ervaringen en herinneringen van de deelnemers geleidelijk vertaald naar ruimtelijke representaties. Elke fase bouwde voort op de vorige en bracht nieuwe en meer gedetailleerde inzichten aan het licht. Gedurende het proces werd een dagboek bijgehouden waarin de ontwikkeling van de methodologie stap voor stap werd gedocumenteerd.

De bevindingen tonen aan dat stedelijke identiteit niet alleen wordt gedragen door monumenten, maar ook door alledaagse ruimtelijke structuren en zintuiglijke ervaringen. Op basis van de verschillende fasen van de methodologie werd een identiteitsgericht kader ontwikkeld dat bestaat uit vijf elementen: dagelijkse routine, groen ademen, connectiviteit, historische continuïteit en zintuiglijke rijkdom. Samen kunnen deze elementen de naoorlogse wederopbouw ondersteunen en bijdragen aan het behoud van de stedelijke identiteit.

Het kader werd toegepast op een geselecteerd gebied rond Hostynyi Dvir en de omliggende publieke ruimtes. De toepassing toonde aan hoe het identiteitsgerichte kader kan worden vertaald naar een ontwerp. In plaats van een vastomlijnd ontwerpvoorstel te formuleren, biedt de thesis een kwalitatieve methode om te herkennen welke ruimtelijke kwaliteiten bijdragen aan een gevoel van verbondenheid, collectief geheugen en stedelijke continuïteit. Hoewel het kader werd toegepast op een specifieke locatie, is het overdraagbaar en kan het op verschillende schaalniveaus en in uiteenlopende contexten worden gebruikt, van één gebouw tot een volledig district of een hele stad.

Deze thesis stelt dat naoorlogs herstel verder moet gaan dan het beschermen van officieel erkend erfgoed en dat participatieve benaderingen moeten worden ingezet om te ontdekken welke alledaagse ruimtelijke kwaliteiten eveneens het bewaren waard zijn. Ruimtelijke herinnering vormt daarbij de belangrijkste basis voor een wederopbouw die niet alleen gebouwen herstelt, maar ook de voorwaarden creëert voor het voortzetten van het stedelijke leven. Op die manier kan toekomstige wederopbouw evolueren naar een meer bottom-up praktijk, geworteld in de herinneringen, ervaringen en dagelijkse realiteit van de mensen die de stad bewonen.
Meer lezen

Voorbij het monsterbeeld: de haai als slachtoffer

HOGENT
2026
Marlies
Hemelinckx
Shark species are declining and anthropogenic pressures are on the rise.
This study investigates the occurrence and characteristics of anthropogenic injuries in bull sharks and oceanic blacktip sharks at Aliwal Shoal, Umkomaas, South Africa. The aim is to assess injury frequency, origin, type, anatomical distribution and seasonal variation, as well as the influence of photographic coverage on injury detection.
A total of 383 sharks were analysed, consisting of 53 bull sharks and 330 oceanic blacktip sharks. For bull sharks, 3,975 photographs were systematically reviewed, while 25,354 photographs were analysed for oceanic blacktip sharks. Data was collected using photographic records and classified according to injury presence, number, origin, type and body location. Seasonal patterns were derived from the month of observation and grouped into seasonal categories.
Anthropogenic injuries were recorded in both species, with a substantial proportion of individuals affected. Fishing-related injuries were the most frequent in both bull sharks and oceanic blacktip sharks, followed by vessel-related injuries. Most sharks exhibited a single injury, although multiple injuries per individual were also observed, particularly in oceanic blacktip sharks. Retained fishing gear and associated wounds were the most common injury type, while fins were the most frequently affected body region in both species.
Seasonal variation in newly observed injuries indicated differences in distribution across seasons, with relatively higher frequencies during warmer periods. Photographic analysis showed that a considerable proportion of sharks did not have full-body coverage, suggesting that some injuries may not have been detected and that reported values likely underestimate true occurrence.
Overall, the results demonstrate widespread anthropogenic interaction with sharks at Aliwal Shoal and highlight the importance of fisheries as the main source of injury, as well as the need for improved monitoring methods to better assess impacts on shark populations.
Meer lezen

Houding, de ruggengraat van ergonomie: De rol van (student)verpleegkundigen in de preventie van werkgerelateerde musculoskeletale aandoeningen in ziekenhuizen

Thomas More Hogeschool
2026
Lotte
Willio
Deze bachelorproef onderzoekt hoe (student)verpleegkundigen kunnen bijdragen aan de preventie van werkgerelateerde musculoskeletale aandoeningen (WMSD) door ergonomisch te handelen binnen de ziekenhuiscontext.

WMSD zijn lichamelijke klachten aan spieren, gewrichten en pezen die ontstaan door het werk, zoals rug-, nek- en schouderpijn. Ze komen opvallend vaak voor bij verpleegkundigen en zelfs al bij studenten, door een combinatie van fysieke belasting, psychosociale druk en organisatorische knelpunten.

Verpleegkundigen staan dicht bij de zorgvrager en voeren veel fysieke handelingen uit, maar ervaren daarbij vaak twijfel, tijdsdruk of een gebrek aan ondersteuning om ergonomisch te werken.

Deze bachelorproef brengt in kaart welke kennis, vaardigheden en hulpmiddelen zij nodig hebben om die belasting te verminderen. Uit de literatuur blijkt dat effectieve preventie steunt op educatie, ergonomische hulpmiddelen en een gedragen ergonomiecultuur op de werkvloer.

Op basis van deze inzichten werd een praktisch prototype ontwikkeld dat verpleegkundigen duidelijke handvatten biedt om ergonomie haalbaar en toepasbaar te maken. Het onderzoek toont dat vroege sensibilisering tijdens de opleiding en structurele ondersteuning essentieel zijn om zorgprofessionals duurzaam te beschermen.
Meer lezen

Naamgeving in het digitale tijdperk: Een kwalitatieve studie naar de rol van traditionele media, sociale media, apps in het keuzeproces van voornamen bij jonge ouders

Universiteit Antwerpen
2026
Marieke
Vanooteghem
Het kiezen van een voornaam is een betekenisvolle beslissing waar ouders veel tijd en moeite in steken. Eerder onderzoek toonde al de rol van traditionele media in naamgevingspraktijken aan, maar de invloed van sociale media en apps op dit proces blijft onderbelicht. Deze studie onderzoekt de rol van traditionele media, sociale media en apps in het beslissingsproces in de voornaamkeuze bij jonge ouders. Aan de hand van semigestructureerde diepte-interviews met 21 respondenten, waaronder tien koppels die samen geïnterviewd werden en één alleenstaande moeder, werd het naamgevingsproces in kaart gebracht volgens het fasenmodel van Aldrin (2014), dat loopt van de inspiratiefase tot de narratieve fase. De resultaten tonen aan dat media een rol spelen in verschillende fasen van het naamgevingsproces, al is dat niet in alle fasen het geval en verschilt de mate van invloed. De inspiratiefase vertoonde de sterkste media-betrokkenheid. Websites, en in het bijzonder de databank van Kind en Gezin, werden systematisch gebruikt, Instagram fungeerde als een belangrijke bron van zowel toevallige als gerichte blootstelling aan namen, en babynaam-apps hielpen koppels bij het opstellen van een eerste shortlist. In de vergelijkingsfase vervulden media-gerelateerde associaties een filterfunctie, terwijl media in de narratieve fase een betekenisgevende rol op zich namen. Een opmerkelijke bevinding was het opkomende gebruik van AI-tools bij enkele respondenten, wat wijst op een trend die verder onderzoek verdient. Deze bevindingen tonen aan dat het naamgevingsproces in het digitale tijdperk sterk verweven is geraakt met dagelijks mediagebruik, en roepen op tot verder onderzoek naar de rol van platformen zoals TikTok en AI-tools.
Meer lezen

Van Draagkracht naar Teamveerkracht

Hogeschool UCLL
2026
Marylène
Hoho
Onderzoek binnen een specifieke zorgcontext binnen de jeugdzorg over het effect van welzijn op de werkprestaties, draagkracht en veerkracht van de medewerkers en het volledige team.
Meer lezen

Van blauwe plek tot rode vlag

Thomas More Hogeschool
2026
Fran
De Block
Kindermishandeling herkennen is niet altijd eenvoudig. Signalen kunnen lichamelijk, gedragsmatig of emotioneel zijn en zijn zelden op zichzelf doorslaggevend. Verpleegkundigen op spoed- en pediatrische afdelingen staan dicht bij kinderen en kunnen daardoor belangrijke signalen opmerken, maar botsen in de praktijk vaak op twijfel: wat betekent wat ik zie, hoe bespreek ik mijn bezorgdheid en welke stappen mag of moet ik zetten?

Deze bachelorproef brengt in kaart welke kennis en ondersteuning verpleegkundigen nodig hebben om die onzekerheid beter te hanteren. Daarbij gaat het niet alleen om het herkennen van signalen, maar ook om objectief observeren en rapporteren, communiceren met kind en ouders, samenwerken binnen het team en inzicht krijgen in het juridisch kader en de meldstructuur.

Vanuit die bevindingen werd een interactieve bijscholing uitgewerkt, samen met een praktisch document waarin de belangrijkste informatie overzichtelijk wordt gebundeld. Zo krijgen verpleegkundigen concrete houvast op momenten waarop iets niet klopt, zonder te verwachten dat zij meteen zekerheid hebben.

De kern van deze bachelorproef is dan ook eenvoudig: twijfel hoeft niet te verdwijnen, maar ze mag ook niet betekenen dat een belangrijk signaal verloren gaat.
Meer lezen

Innovatieve Thermische Responstesten voor Geothermische Boorvelden

KU Leuven
2026
Bart
Vandenhout
Geothermische warmtepompen kunnen gebouwen efficiënt en duurzaam verwarmen en koelen, maar de hoge kost van boringen blijft een belangrijke drempel. Om een boorveld correct te dimensioneren, wordt daarom vaak een thermische responstest uitgevoerd. Zo’n test meet hoe goed de bodem warmte kan opnemen en afgeven, maar duurt doorgaans meerdere dagen.

In deze thesis onderzocht ik hoe deze testen sneller en efficiënter kunnen. Daarvoor ontwierp en bouwde ik zelf een nieuw meettoestel dat twee verschillende soorten thermische responstesten kan uitvoeren. Met dit toestel voerde ik praktijktesten uit op een boorveld en vergeleek ik beide methodes rechtstreeks onder dezelfde omstandigheden. De klassieke methode met constant vermogen bleek daarbij het meest robuust en praktisch inzetbaar.

Daarnaast ontwikkelde ik een nauwkeuriger thermisch model waarmee ook de eerste uren van een meting kunnen worden benut. Hierdoor kon de benodigde testduur gemiddeld met tot 24% worden verkort. Snellere en betrouwbare metingen kunnen de kosten van geothermische projecten verlagen en zo bijdragen aan een bredere toepassing van duurzame verwarming en koeling.
Meer lezen

Determinaten van werkgerelateerde burn-out bij verpleegkundigen op kritieke diensten:een literatuurstudie

HOGENT
2026
Anouk
Domah
Deze bachelorproef onderzoekt welke factoren het ontstaan van werkgerelateerde burn-out bij verpleegkundigen op kritieke diensten beïnvloeden. Hiervoor werd een systematische literatuurstudie uitgevoerd in PubMed en Web of Science. Uit de resultaten blijkt dat burn-out ontstaat door een combinatie van factoren, waaronder een hoge werkdruk, personeelstekorten, onregelmatige werkuren, emotionele belasting en onvoldoende steun. Sociale steun, een positieve werkomgeving en toegankelijke leidinggevenden kunnen een beschermende rol spelen. Preventie moet daarom niet alleen gericht zijn op de individuele verpleegkundige, maar ook op structurele verbeteringen binnen de zorgorganisatie.
Meer lezen

Het onzichtbare gemis in spoedzorg

Thomas More Hogeschool
2026
Lauren
Claes
  • Caress
    Bruyndonckx
Deze bachelorproef onderzoekt welke factoren de patiënttevredenheid op de spoedgevallendienst beïnvloeden, met bijzondere aandacht voor wachttijden, overbevolking en communicatie. Daarnaast wordt nagegaan welke interventies de tevredenheid van patiënten kunnen verbeteren.

Uit de literatuur blijkt dat overbevolking op spoeddiensten wereldwijd een toenemend probleem vormt. Lange wachttijden leiden niet alleen tot frustratie en stress bij patiënten, maar verhogen ook de kans dat patiënten vertrekken zonder gezien te worden. Daarnaast zorgen personeelstekorten, beperkte beddencapaciteit en een hoge instroom van niet-dringende patiënten voor extra druk op de spoedgevallendienst.

De studie toont aan dat patiënttevredenheid niet uitsluitend afhangt van de objectieve wachttijd, maar vooral van de manier waarop patiënten deze wachttijd ervaren. Onvoldoende communicatie over wachttijden, triage en zorgprocessen zorgt voor onzekerheid, wantrouwen en een negatieve zorgervaring. Daartegenover staan duidelijke uitleg, empathische communicatie en persoonsgerichte zorg, die de tevredenheid aanzienlijk kunnen verhogen, zelfs wanneer de wachttijd zelf niet korter wordt. Verpleegkundigen spelen hierin een cruciale rol door patiënten te begeleiden, verwachtingen te managen en ondersteuning te bieden tijdens het wachten.

Binnen de bachelorproef werden verschillende interventies onderzocht. Effectieve maatregelen zijn onder andere duidelijke wachtrijsystemen, visuele informatie over wachttijden, informatieve video’s, verbeterde wachtomgevingen en extra aanspreekpunten voor patiënten. Ook technologische toepassingen, zoals zelfmeetkiosken en digitale dashboards, kunnen bijdragen aan een betere doorstroming en meer transparantie. Daarnaast benadrukt de studie het belang van een sterkere eerstelijnszorg om de druk op spoeddiensten te verminderen.

Op basis van de onderzoeksresultaten ontwikkelden wij het prototype “MyTurn”, een digitale applicatie voor patiënten op de spoedgevallendienst. Via deze app krijgen patiënten realtime informatie over wachttijden, uitleg over triage en inzicht in de actuele drukte op de dienst. De applicatie bevat daarnaast een digitale vragenlijst volgens de AMPLE-structuur om relevante gezondheidsinformatie vooraf te verzamelen. Het doel van MyTurn is niet om wachttijden effectief te verkorten, maar wel om frustratie, onzekerheid en stress te verminderen door transparante communicatie en betere betrokkenheid van de patiënt.

De conclusie van de bachelorproef is dat patiënttevredenheid op de spoedgevallendienst vooral bepaald wordt door de beleving van de patiënt. Heldere communicatie, empathische begeleiding en een persoonsgerichte aanpak blijken essentieel om de negatieve impact van wachttijden en drukte te beperken. Verpleegkundigen vormen hierbij een centrale schakel binnen kwaliteitsvolle en patiëntgerichte spoedzorg.
Meer lezen

Van inzicht naar actie.

Thomas More Hogeschool
2026
Luci
Mioc
  • Stien
    Ceulemans
Therapieontrouw bij medicatie komt vaak voor, maar de onderliggende oorzaken blijven in de dagelijkse zorgpraktijk dikwijls onopgemerkt. Deze bachelorproef onderzoekt hoe zorgverleners therapieontrouw beter kunnen herkennen, de oorzaak ervan kunnen achterhalen en gerichte interventies kunnen inzetten.

Op basis van wetenschappelijke literatuur werden praktische hulpmiddelen ontwikkeld die zorgverleners ondersteunen in dit proces. De oplossing bestaat uit een digitale applicatie, de Therapietrouw Assistent Tool (TAT), aangevuld met praktische steekkaarten . Deze hulpmiddelen helpen zorgverleners om signalen van therapieontrouw systematisch te analyseren en evidence-based interventies toe te passen.

Met deze bachelorproef wordt de brug geslagen tussen wetenschappelijke inzichten en de dagelijkse praktijk. Het doel is de therapietrouw, de kwaliteit van zorg en leven en de patiëntgerichte begeleiding te verbeteren. Want therapieontrouw is geen falen van de patiënt of bewoner, maar een signaal naar de zorgverleners om beter te ondersteunen!
Meer lezen

Eindelevensgesprekken met personen met een ernstige en persisterende psychiatrische aandoening (EPPA). Een kwalitatieve studie naar ervaringen met de Amforamethodiek.

Universiteit Gent
2026
Annelies
Cuypers
Personen met een ernstige en persisterende psychiatrische aandoening (EPPA) ervaren vaak langdurig psychisch lijden, waarbij existentiële vragen en levenseindethema’s een belangrijke rol kunnen spelen. Het voeren van existentiële eindelevensgesprekken binnen de geestelijke gezondheidszorg blijkt echter niet vanzelfsprekend, en hulpverleners ervaren hierbij regelmatig handelingsverlegenheid. Narratieve interventies, zoals het Amforagesprek, bieden een mogelijke ingang om deze thema’s bespreekbaar te maken, maar hun toepasbaarheid bij personen met een EPPA is nog weinig onderzocht.

Deze studie verkent hoe het Amforagesprek wordt ervaren door personen met een EPPA, hun naastbetrokkenen en Amforaschrijvers, en welke betekenis deze methodiek kan hebben in het omgaan met existentiële vragen aan het levenseinde.

Er werd gekozen voor een kwalitatief, multiperspectivistisch onderzoeksdesign. Data werden verzameld via semigestructureerde interviews met zes personen met een EPPA en zes naastbetrokkenen, aangevuld met schriftelijke reflecties en een groepsinterview met vier Amforaschrijvers. De data werden geanalyseerd via thematische analyse volgens Braun en Clarke (2006).

De resultaten tonen een ambivalent en gelaagd beeld van het Amforaproces. Participanten ervaarden het gesprek overwegend als betekenisvol, doordat het ruimte bood voor erkenning, emotionele expressie en het delen van hun levensverhaal. Het eindelevensverhaal kon bijdragen aan verbinding, begrip en afscheid, maar deze impact bleek vaak beperkt en contextafhankelijk. Daarnaast brachten de gesprekken ook uitdagingen met zich mee, zoals confrontatie met pijnlijke levensverhalen, ambivalentie rond het delen van het eindelevensverhaal en spanning tussen de noden van participanten en het oorspronkelijke Amforaconcept.

Deze studie suggereert dat narratieve interventies zoals het Amforagesprek een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan existentiële zorg bij personen met een EPPA, maar dat verdere theoretische, empirische en ethische uitdieping noodzakelijk blijft.
Meer lezen

SENSORISCHE OVERPRIKKELING, HOOGSENSITIVITEIT EN PERSOONLIJKHEID: SURVEY-ONDERZOEK NAAR INDIVIDUELE VERSCHILLEN IN EEN PRIKKELRIJKE WERKOMGEVING

Universiteit Gent
2026
Maaike
Grootaert
In mijn masterproef onderzocht ik waarom sommige werknemers sneller sensorisch overprikkeld raken op het werk dan anderen. Daarbij richtte ik mij op de rol van hoogsensitiviteit en angstgevoeligheid.

Via een online vragenlijst bij werknemers uit verschillende sectoren onderzocht ik de relatie tussen hoogsensitiviteit, angstgevoeligheid en sensorische overprikkeling. De uiteindelijke analyses werden uitgevoerd bij 580 respondenten. De resultaten tonen aan dat hoogsensitieve werknemers gemiddeld meer overprikkeling ervaren. Zij scoren ook vaker hoger op angstgevoeligheid, wat een deel van het verband tussen hoogsensitiviteit en overprikkeling verklaart. Hoogsensitiviteit blijft echter ook rechtstreeks samenhangen met overprikkeling.
Meer lezen

Calibrating gravitational wave detectors using scattered light

Universiteit Gent
2026
Arthur
Callens
Zwaartekrachtsdetectoren zoals Virgo meten uiterst kleine lengteveranderingen in hun kilometerslange laserarmen om zwaartekrachtsgolven van botsende zwarte gaten en neutronensterren te detecteren. De betrouwbaarheid van deze metingen (massa, afstand en locatie van de bron) hangt volledig af van de nauwkeurigheid waarmee het instrument geijkt is. Een bekende bron van systematische fouten is verstrooid licht: een klein deel van het laserlicht lekt door de eindspiegels van de detector en kan, wanneer het weerkaatst en opnieuw de arm binnendringt, een echte zwaartekrachtsgolf nabootsen.

Deze scriptie onderzoekt of dit ongewenste effect net bewust kan worden opgewekt en gebruikt als onafhankelijke ijkingsmethode. Een piëzo-elektrisch plaatje, geplaatst achter de eindspiegel, wordt op een gekozen frequentie in trilling gebracht om gecontroleerd verstrooid licht te genereren. Twee sensoren, één ter hoogte van het plaatje, één aan het einde van de detector, meten het resulterende signaal, waarna een zelfijkende methode toelaat om het spiegellek te berekenen.

Simulaties tonen aan dat deze methode, ondanks de beperkte tijdsvensters waarin het signaal bruikbaar is, het spiegellek kan bepalen met een nauwkeurigheid van ruim onder één procent, over een breed bereik van trilfrequenties. Een prototype van het plaatje en zijn positioneersysteem werd gebouwd en getest, wat een onverwacht thermisch probleem blootlegde: het kale oppervlak absorbeert te veel laserlicht en warmt op in vacuüm. Een reflecterende coating (spectralon) wordt voorgesteld als oplossing.

Eenmaal operationeel op Virgo, biedt deze methode een volledig onafhankelijke ijkingscontrole naast bestaande technieken, en draagt ze zo bij aan de betrouwbaarheid van toekomstige zwaartekrachtgolfdetecties.
Meer lezen

Stilt voedselhulp alle honger?

Hogeschool VIVES
2026
Tessa
Pijlijser
“Je bent wat je eet”, maar wat betekent dat wanneer toegang tot voeding niet vanzelfsprekend is?
Deze bachelorproef onderzoekt hoe klanten van sociale kruidenier De Antenne in Oostende de werking beleven en hoe dit raakt aan hun levenskwaliteit. De groeiende structurele rol van voedselhulp in Vlaanderen en het beperkte centraal stellen van de stem van gebruikers vormen de aanleiding voor dit kwalitatief en participatief onderzoek. Hoewel sociale kruideniers inzetten op keuzevrijheid, participatie en menswaardigheid, blijft vaak onduidelijk hoe klanten dit aanbod ervaren en welke betekenis zij eraan geven.
Het onderzoek vertrekt vanuit een brede interpretatie van de werking, waarbij naast voedselhulp ook toegankelijkheid, begeleiding, ontmoeting en sociale contacten centraal staan. De centrale onderzoeksvraag luidt: “Welke betekenis geven klanten aan het aanbod van De Antenne, en hoe raken hun ervaringen aan verschillende aspecten van hun levenskwaliteit?” Daarbij werd aandacht besteed aan ervaringen, drempels, de afstemming van de werking op de leefwereld van klanten en het gebruik van praatkaarten als participatieve gespreksmethodiek.
Het literatuuroverzicht situeert voedselhulp binnen een historisch, maatschappelijk, beleidsmatig en mensenrechtelijk kader, waarin toegang tot voeding beschouwd wordt als een fundamenteel recht. De resultatenanalyse steunt op het WHOQOL-kader van de Wereldgezondheidsorganisatie en de capability approach van Amartya Sen en Martha Nussbaum.
Methodologisch werd gekozen voor semigestructureerde interviews. Tijdens de gesprekken werd vertrokken vanuit een open startvraag, waarna praatkaarten in de vorm van beeld- en emotiekaarten werden ingezet om gevoelens en ervaringen toegankelijker bespreekbaar te maken. De interviews werden opgenomen, getranscribeerd en aangevuld met observaties. Om de kwaliteitszorg van het onderzoek te bewaken werd gewerkt met een vast draaiboek, gestandaardiseerde kaartensets en een voorafgaande testfase.
De resultaten tonen dat De Antenne voor veel klanten meer betekent dan enkel een plaats waar betaalbare voeding aangeboden wordt. Respondenten beschrijven de werking als een plek van rust, ontmoeting en sociale verbondenheid. De warme sfeer, het respectvolle contact met medewerkers en vrijwilligers en de mogelijkheid om zelf keuzes te maken worden sterk gewaardeerd. Tegelijkertijd kwamen ook drempels naar voren, zoals schaamte, taalbarrières en gevoelens van afhankelijkheid. Kleine elementen zoals een warme ontvangst, duidelijke communicatie en een rustige sfeer blijken een belangrijke invloed te hebben op hoe klanten de werking beleven.
Daarnaast kwamen aanbevelingen naar voren rond toegankelijkheid, taaldiversiteit, ontmoeting en participatie. Ook de praatkaarten werden positief geëvalueerd omdat ze hielpen om gesprekken op gang te brengen en ervaringen bespreekbaar te maken. Tegelijk bleek dat hun meerwaarde sterk afhangt van de manier waarop ze door de interviewer worden ingezet en door respondenten worden geïnterpreteerd.
Deze bachelorproef besluit dat voedselhulp een complexe en persoonlijke invloed heeft op levenskwaliteit. Levenskwaliteit hangt niet enkel samen met toegang tot voeding, maar ook met waardigheid, keuzevrijheid, sociale relaties en de manier waarop hulp ervaren wordt. Daarom bepleit dit onderzoek het belang van écht luisteren naar klanten en hen actief te betrekken binnen voedselinitiatieven.
Meer lezen

Gehoorverlies in het kinderdagverblijf

Arteveldehogeschool Gent
2026
Julie
Wauman
In kinderdagverblijven is de kennis over de begeleiding van jonge kinderen met gehoorverlies vaak beperkt. Hierdoor hebben begeleiders weinig houvast in de dagelijkse praktijk. Deze bachelorproef brengt de kennis en noden van deze kinderverzorg(st)ers in kaart en werkt een mogelijke ondersteuning uit. Drie kinderdagverblijven werden bevraagd aan de hand van een gestructureerde vragenlijst. De resultaten tonen aan dat de kennis over gehoorverlies, hoorhulpmiddelen en luisteromstandigheden vaak beperkt en wisselend is. Begeleiders geven aan dat ze nood hebben aan praktische en eenvoudig toepasbare informatie. Op basis van deze bevindingen en een literatuurstudie werd een informatiebrochure ontwikkeld. De brochure bevat basisinformatie en concrete tips voor in de praktijk. Ze sluit aan bij de noden uit het werkveld. De brochure ondersteunt, maar vervangt geen externe begeleiding of samenwerking met externe partners zoals revalidatiecentra.
Meer lezen

Postoperatieve pijnbehandeling na chirurgie met blokverdoving.

Hogeschool PXL
2026
Judith
Debacker
Mijn scriptie gaat over postoperatieve pijn na een orthopedische ingreep waarbij blokanesthesie is toegepast, ook wel reboundpijn genoemd. Ik heb de incidentie van pijn onderzocht en samen met artsen en anesthesisten een nieuw protocol samengesteld waarbij ik vooral de rol als verpleegkundige mee uitwerkte.
Meer lezen

The Metabolic Phenotype of Post-ICU Patients: Energy Metabolism After Critical Illness

Vrije Universiteit Brussel
2026
Eline
Verheyen
Na een opname op de intensieve zorg begint het herstel vaak pas echt. Toch weten we nog verrassend weinig over hoeveel energie deze patiënten nodig hebben en hoeveel energie uit hun voeding uiteindelijk werkelijk door het lichaam wordt opgenomen.

In mijn thesis onderzocht ik beide aspecten van de energiebalans. Ik combineerde systematische literatuurstudies met analyses van patiëntgegevens uit het UZ Brussel. Mijn resultaten tonen aan dat post-ICU-patiënten gemiddeld niet méér energie verbruiken in rust dan andere gehospitaliseerde patiënten, maar dat de verschillen tussen patiënten groot zijn. Dat maakt objectieve metingen belangrijk om de voeding af te stemmen op de individuele patiënt. Daarnaast bracht ik als eerste de beschikbare kennis over energieabsorptie bij post-ICU-patiënten in kaart en werkte ik mee aan de opstart van een prospectieve studie. Daarmee toont mijn thesis niet alleen aan waar de huidige kennis stopt, maar ook welke stappen nodig zijn om de voedingszorg voor deze patiëntengroep verder te verbeteren.
Meer lezen