Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

welke rol speelt de verpleegkundige in de vroege herkenning van hemispatiaal neglect bij patiënten na een cerebrovasculair accident (CVA)?

Hogeschool VIVES
2026
steffie
dumortier
Deze bachelorproef onderzoekt de rol van de verpleegkundige in de vroege herkenning van hemispatiaal neglect bij patiënten na een cerebrovasculair accident (CVA). Hemispatiaal neglect kan een grote invloed hebben op de veiligheid, zelfstandigheid en revalidatie van de patiënt, maar wordt in de dagelijkse zorg niet altijd tijdig herkend.

Aan de hand van een literatuurstudie werd onderzocht welke signalen verpleegkundigen kunnen observeren, welke screeningsmethoden en hulpmiddelen beschikbaar zijn en hoe multidisciplinaire samenwerking kan bijdragen aan een vroegere herkenning en betere begeleiding.

Op basis van de bevindingen werd de Neglectbox ontwikkeld: een praktijkgericht hulpmiddel met onder andere een verpleegkundig zakkaartje, Neglect Compass, kamerindelingskaart, patiëntenwerkboek, familiekaart en verschillende hulpmiddelen voor de patiënt. De box heeft als doel verpleegkundigen en andere zorgverleners te ondersteunen, de patiënt actief te betrekken bij de revalidatie en ook familie handvatten te geven.

De Neglectbox zal binnen AZ Delta in de praktijk worden ingezet, waarbij onder andere de ontwikkelde kamerindelingskaart effectief gebruikt zal worden.
Meer lezen

Dragers van zorg

HOGENT
2026
Zoa
Engelen
Een herwaardering van het lichaam binnen het bestaande zorgsysteem. Dragers van zorg biedt een alternatief zorgidee aan waarin vier stemmen aan bod komen: een reactie op het binaire, medische zorgidee.
Meer lezen

Tweedehands kopen bij De Kringwinkel West: motivaties en barrières. Een verkennende survey naar motivaties, barrières en gedragsverschillen.

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Sébastien
Vandenberghe
Deze bachelorproef onderzoekt welke motivaties en barrières samenhangen met het koopgedrag rond tweedehands goederen bij huidige en potentiële klanten van De Kringwinkel West. Het onderzoek combineert een literatuurstudie met een online hoofdbevraging bij 262 volwassenen en een afzonderlijk gerapporteerde aanvullende survey bij 52 respondenten.

Geld besparen, unieke of vintage vondsten en winkelplezier komen naar voren als de sterkste motivaties. Niet vinden wat men zoekt en onzekerheid over garantie, kwaliteit en hygiëne vormen de relatief sterkste gemeten drempels. Schaamte speelt binnen deze respondentengroep een kleinere rol.

Voor De Kringwinkel West wijzen de bevindingen op kansen om bekendheid en winkelbezoek beter te vertalen naar aankoop en herhaalbezoek. De aanbevelingen richten zich op een beter vindbaar assortiment, zichtbare kwaliteits- en netheidscommunicatie en een heldere prijs- en waardecommunicatie. Zo biedt de studie concrete aanknopingspunten voor de praktijk van een sociale circulaire onderneming. Door de niet-representatieve steekproef en de verschillen tussen beide bevragingen zijn de resultaten verkennend; de effecten van de voorgestelde verbeteringen werden niet getest.
Meer lezen

Fysische modellering en validatie van een krachtgeactiveerd afdaalsysteem

KU Leuven
2026
Wannes
Tijskens
Vrijwel elk zeker- en afdaaltoestel leidt het touw langs een vast pad in bochten om, waarbij de energie wordt omgezet in wrijvingswarmte in het contact tussen touw en toestel. Het touw is daardoor tegelijk draagelement en remelement. De Slow-Fall vertrekt van een ander uitgangspunt: de spanning in het touw wordt via de wigwerking van een V-vormige groef omgezet in een axiale kracht op een afzonderlijke wrijvingsrem, waar de energie wordt gedissipeerd. Het toestel werd iteratief ontwikkeld en werkt in de praktijk, maar waarom het werkt was niet gekend. Daardoor kon geen enkele ontwerpvraag beantwoord worden zonder opnieuw te bouwen en te beproeven, wat de verdere ontwikkeling uiteindelijk stillegde.

Deze masterproef bouwt daarom een experimenteel getoetst fysisch model van het toestel. Het mechanisme werd eerst ontleed tot zijn afzonderlijke krachtoverdrachts- en dissipatie-mechanismen, die vervolgens elk op een zelfontworpen testopstelling gekarakteriseerd werden. Het dynamisch gedrag van het klimtouw werd bepaald uit vrije-valproeven, waarbij uit de dempingsenveloppe en de ogenblikkelijke frequentie van het gemeten signaal een nieuw equivalent model werd afgeleid: het KVC-KV-model, waarin een Coulomb-demper als schakelend element de topologie van het touw laat afhangen van de systeemtoestand. Het geeft als enige zowel de tweeledige dempingsenveloppe als de stijgende oscillatiefrequentie tijdens het uitdempen weer. Daarnaast werden de wrijving tussen touw en cilinder, de belastingsafhankelijke capstanwerking van het gripwiel en het V-wiel, en het remkoppel tussen remschijf en remwiel gemeten en in wiskundige vorm gegoten; voor het gewikkelde touwcontact bleek een machtswetmodel nodig in plaats van de wet van Amontons-Coulomb.

De deelmodellen werden samengebracht in een dynamisch model van het volledige toestel, opgesteld met de methode van Lagrange, uitgebreid met een Rayleigh-dissipatiefunctie en met de droge wrijving als niet-conservatieve gegeneraliseerde krachten. Vier gegeneraliseerde coördinaten volstaan; de overgangen tussen de wrijvingsregimes werden als gebeurtenisgestuurde schakelingen geformuleerd en numeriek geïmplementeerd in Matlab. Om het model te toetsen met touw, wikkelingen, rem en last gelijktijdig actief, werd een hoofdtestopstelling ontworpen en gebouwd. Daarin legt een servoaandrijving op het zekeruiteinde een reproduceerbaar verplaatsingsprofiel op, terwijl de krachten over de volledige krachtweg gemeten worden: zekerkracht, lastkracht, axiale kracht op de remschijf en reactiekracht op het geleidingswiel.

De vergelijking met de metingen legde drie afwijkingen bloot, die elk aan een fysisch mechanisme werden toegewezen en met gerichte correcties opgevangen. Daaruit volgt een beschrijving van de werking: de Slow-Fall is een tweetraps krachtversterker. De wikkelingen rond het gripwiel slippen permanent, waardoor de eerste trap een vaste versterking van de zekerkracht levert; de tweede trap ligt niet vast, omdat de lastspanning volgt uit de beweging van de last zelf. Beide bepalen samen de axiale kracht op de rem, waardoor het toestel een teruggekoppeld systeem is: met de zekerkracht verschuift de gebruiker het werkpunt van die terugkoppeling. Het merendeel van de energie wordt effectief in de rem gedissipeerd, wat het uitgangspunt van het ontwerp bevestigt. Ten slotte rangschikt het model de ontwerp-parameters, waardoor ontwerpkeuzes voortaan eerst doorgerekend en pas daarna beproefd kunnen worden.
Meer lezen

De zorgvolmachtclausule in de huwelijkovereenkomst: een juridisch en praktijkgericht onderzoek naar de bescherming van echtgenoten bij wilsonbekwaamheid

Universiteit Hasselt
2026
Lisa
Winthaegen
Deze masterscriptie onderzoekt of de opname van een zorgvolmachtclausule in een huwelijksovereenkomst een meerwaarde kan bieden voor de bescherming van echtgenoten in geval van wilsonbekwaamheid, in het licht van artikel 12 van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (IVRPH). Het uitgangspunt van het onderzoek is de vaststelling dat het Belgische recht geen automatische vertegenwoordigingsbevoegdheid toekent aan echtgenoten wanneer één van hen wilsonbekwaam wordt. Hoewel het huwelijk rechten en plichten met zich meebrengt, biedt het huidige recht geen sluitende regeling voor situaties waarin één van de partners zijn of haar belangen niet langer zelfstandig kan behartigen. Het onderzoek heeft een interdisciplinair karakter en combineert een rechtsdogmatische analyse met een empirisch onderzoek. In het juridisch luik worden de begrippen wilsonbekwaamheid, handelingsonbekwaamheid, bewindvoering en huwelijksovereenkomst verduidelijkt. Daarnaast wordt het normatieve kader van artikel 12 IVRPH onderzocht, waarin autonomie, zelfbeschikking en gelijkheid voor de wet centraal staan. Vervolgens worden de bestaande beschermingsmechanismen binnen het Belgische recht geanalyseerd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen buitengerechtelijke bescherming via de zorgvolmacht en gerechtelijke bescherming via bewindvoering. Ook verschillende huwelijksvermogensrechtelijke instrumenten, zoals de rechterlijke machtiging en de overdracht van bestuursbevoegdheden, worden besproken.
Uit deze analyse blijkt dat geen van de bestaande instrumenten een alomvattende oplossing biedt voor situaties van wilsonbekwaamheid binnen het huwelijk. Bewindvoering is een ingrijpende en formele maatregel, terwijl de zorgvolmacht afhankelijk blijft van een voorafgaand initiatief van de betrokken persoon. De huwelijksvermogensrechtelijke instrumenten zijn bovendien beperkt in hun toepassingsgebied en vereisen doorgaans rechterlijke tussenkomst. Tegen deze achtergrond wordt in deze masterscriptie voorgesteld om een regeling van zorgvolmacht te integreren in de huwelijksovereenkomst. Daarbij gaat het niet noodzakelijk om één afzonderlijke clausule, maar eerder om een geheel van samenhangende bepalingen die echtgenoten vooraf toelaten elkaar aan te duiden als vertegenwoordiger in geval van toekomstige wilsonbekwaamheid.
De voorgestelde regeling wordt vervolgens getoetst aan artikel 12 IVRPH. Uit deze toetsing blijkt dat een dergelijke regeling in belangrijke mate aansluit bij de beginselen van autonomie en ondersteunende besluitvorming die in het verdrag centraal staan. De zorgvolmacht vertrekt immers van een voorafgaande wilsuiting van de betrokkene en laat toe dat deze zelf bepaalt wie hem of haar zal vertegenwoordigen en onder welke voorwaarden. Tegelijkertijd wordt benadrukt dat voldoende waarborgen noodzakelijk zijn om misbruik te voorkomen en om het evenwicht tussen bescherming en zelfbeschikking te bewaren.
Het empirisch onderzoek bestaat uit tien diepte-interviews met notarissen uit de provincie Limburg. De interviews tonen aan dat de zorgvolmacht in de praktijk steeds belangrijker wordt als instrument van toekomstige bescherming. De notarissen erkennen de voordelen van een geïntegreerde regeling binnen de huwelijksovereenkomst, onder meer op het vlak van rechtszekerheid, efficiëntie en autonomie. Tegelijk wijzen zij op het belang van maatwerk, duidelijke formuleringen en aandacht voor veranderende familiale omstandigheden.
De masterscriptie besluit dat de integratie van een zorgvolmachtclausule in de huwelijksovereenkomst een waardevolle aanvulling kan vormen binnen het Belgische recht. Zij kan bijdragen tot een meer autonomiegerichte en efficiënte bescherming van echtgenoten bij wilsonbekwaamheid en sluit aan bij de doelstellingen van artikel 12 IVRPH. Deze meerwaarde is echter niet absoluut en vereist een zorgvuldige juridische uitwerking met voldoende waarborgen tegen misbruik.
Meer lezen

Rekenen op meer. Een cognitieve taakanalyse van differentiatie voor sterke rekenaars.

Universiteit Antwerpen
2026
Maxime
Bultheel
Het Vlaamse onderwijslandschap wordt de laatste jaren geconfronteerd met een toenemende bezorgdheid over de rekenvaardigheden van sterke leerlingen. Tegelijkertijd worden leraren in het basisonderwijs geconfronteerd met een toenemende diversiteit binnen hun klasgroep. Zo wordt het uitdagender om tegemoet te komen aan de onderwijsnoden van sterke rekenaars. Om toekomstig onderpresteren, motivatieverlies en talentverlies te voorkomen, zijn interventies in het basisonderwijs van cruciaal belang. Uit onderzoek blijkt dat sterke rekenaars nood hebben aan aangepaste instructie die aansluit bij hun leerstatus en leerpotentieel. Dit plaatst leerkrachten voor didactische en organisatorische vraagstukken. Enerzijds moeten keuzes gemaakt worden die toelaten om sterke rekenaars van instructietijd te voorzien. Anderzijds rijst de vraag welke didactische kenmerken deze instructie idealiter moet bevatten.
Deze masterproef onderzocht hoe leraren de beschikbare instructietijd optimaal kunnen benutten om het leerproces van sterke rekenaars te ondersteunen. Het onderzoek werd uitgevoerd aan de hand van een cognitieve taakanalyse. Eerst werden interventies voor divergente differentiatie geïdentificeerd via een literatuurstudie en de e-learningmodules van Project TALENT. Vervolgens werden rekenlessen geobserveerd en gefilmd, waarna stimulated recall interviews werden afgenomen bij twee expertleerkrachten uit contrasterende expertisecontexten. De voorlopige bevindingen werden ten slotte verdiept en gevalideerd via een semigestructureerd interview met een inhoudsdeskundige.
De resultaten tonen aan dat effectieve differentiatie voor sterke rekenaars in de eerste plaats vertrekt vanuit een krachtige brede basiszorg. Doelgericht werken, afstemming tussen leerdoelen, leeractiviteiten en evaluatie, uitdagende denkactiviteiten en formatieve evaluatie blijken essentiële bouwstenen. Tegelijkertijd volstaat een brede basiszorg niet voor alle sterke rekenaars. Opvallend is echter dat plusdoelen, daarop afgestemde instructietijd en gerichte evaluatie voor sterke rekenaars in de geobserveerde praktijk nauwelijks werd teruggevonden. Differentiatie krijgt er voornamelijk vorm via compacten en zelfstandige verwerking van verrijkingsmateriaal. Compacten en verrijken blijken waardevolle aanvullende interventies, op voorwaarde dat zij aansluiten bij de leerstatus van leerlingen, dat instructietijd gegarandeerd wordt en dat leeractiviteiten vertrekken vanuit plusdoelen.
Meer lezen

Preserving Urban Identity

KU Leuven
2026
Madeline
Smid
Deze thesis onderzoekt hoe ruimtelijke herinneringen richting kunnen geven aan de transformatie van zowel institutioneel als beleefd erfgoed binnen de naoorlogse stedelijke wederopbouw. De focus ligt voornamelijk op Podil, een district in de Oekraïense hoofdstad Kyiv, waar de deelnemers vandaan komen. De thesis vertrekt vanuit de vaststelling dat binnen de naoorlogse wederopbouw van Oekraïne vaak de nadruk ligt op officieel erkend erfgoed, terwijl de alledaagse ruimtelijke herinneringen en levenservaringen van de inwoners het risico lopen over het hoofd te worden gezien.

De onderzoeksvraag luidt: Hoe kan ruimtelijke herinnering richting geven aan de transformatie van zowel institutioneel als beleefd erfgoed binnen de stedelijke wederopbouw na een conflict? Om deze vraag te beantwoorden, werd een participatieve aanpak ontwikkeld waarbij rechtstreeks werd samengewerkt met Oekraïense deelnemers uit hetzelfde stedelijke gebied in Kyiv. Aan de hand van een stapsgewijs proces van gesprekken en co-creatieve sessies combineerde het onderzoek memory talks, mentale kaarten, representatieve kaarten, tekeningen, maquettes en desktoponderzoek. Op deze manier werden de geleefde ervaringen en herinneringen van de deelnemers geleidelijk vertaald naar ruimtelijke representaties. Elke fase bouwde voort op de vorige en bracht nieuwe en meer gedetailleerde inzichten aan het licht. Gedurende het proces werd een dagboek bijgehouden waarin de ontwikkeling van de methodologie stap voor stap werd gedocumenteerd.

De bevindingen tonen aan dat stedelijke identiteit niet alleen wordt gedragen door monumenten, maar ook door alledaagse ruimtelijke structuren en zintuiglijke ervaringen. Op basis van de verschillende fasen van de methodologie werd een identiteitsgericht kader ontwikkeld dat bestaat uit vijf elementen: dagelijkse routine, groen ademen, connectiviteit, historische continuïteit en zintuiglijke rijkdom. Samen kunnen deze elementen de naoorlogse wederopbouw ondersteunen en bijdragen aan het behoud van de stedelijke identiteit.

Het kader werd toegepast op een geselecteerd gebied rond Hostynyi Dvir en de omliggende publieke ruimtes. De toepassing toonde aan hoe het identiteitsgerichte kader kan worden vertaald naar een ontwerp. In plaats van een vastomlijnd ontwerpvoorstel te formuleren, biedt de thesis een kwalitatieve methode om te herkennen welke ruimtelijke kwaliteiten bijdragen aan een gevoel van verbondenheid, collectief geheugen en stedelijke continuïteit. Hoewel het kader werd toegepast op een specifieke locatie, is het overdraagbaar en kan het op verschillende schaalniveaus en in uiteenlopende contexten worden gebruikt, van één gebouw tot een volledig district of een hele stad.

Deze thesis stelt dat naoorlogs herstel verder moet gaan dan het beschermen van officieel erkend erfgoed en dat participatieve benaderingen moeten worden ingezet om te ontdekken welke alledaagse ruimtelijke kwaliteiten eveneens het bewaren waard zijn. Ruimtelijke herinnering vormt daarbij de belangrijkste basis voor een wederopbouw die niet alleen gebouwen herstelt, maar ook de voorwaarden creëert voor het voortzetten van het stedelijke leven. Op die manier kan toekomstige wederopbouw evolueren naar een meer bottom-up praktijk, geworteld in de herinneringen, ervaringen en dagelijkse realiteit van de mensen die de stad bewonen.
Meer lezen

Voorbij het monsterbeeld: de haai als slachtoffer

HOGENT
2026
Marlies
Hemelinckx
Shark species are declining and anthropogenic pressures are on the rise.
This study investigates the occurrence and characteristics of anthropogenic injuries in bull sharks and oceanic blacktip sharks at Aliwal Shoal, Umkomaas, South Africa. The aim is to assess injury frequency, origin, type, anatomical distribution and seasonal variation, as well as the influence of photographic coverage on injury detection.
A total of 383 sharks were analysed, consisting of 53 bull sharks and 330 oceanic blacktip sharks. For bull sharks, 3,975 photographs were systematically reviewed, while 25,354 photographs were analysed for oceanic blacktip sharks. Data was collected using photographic records and classified according to injury presence, number, origin, type and body location. Seasonal patterns were derived from the month of observation and grouped into seasonal categories.
Anthropogenic injuries were recorded in both species, with a substantial proportion of individuals affected. Fishing-related injuries were the most frequent in both bull sharks and oceanic blacktip sharks, followed by vessel-related injuries. Most sharks exhibited a single injury, although multiple injuries per individual were also observed, particularly in oceanic blacktip sharks. Retained fishing gear and associated wounds were the most common injury type, while fins were the most frequently affected body region in both species.
Seasonal variation in newly observed injuries indicated differences in distribution across seasons, with relatively higher frequencies during warmer periods. Photographic analysis showed that a considerable proportion of sharks did not have full-body coverage, suggesting that some injuries may not have been detected and that reported values likely underestimate true occurrence.
Overall, the results demonstrate widespread anthropogenic interaction with sharks at Aliwal Shoal and highlight the importance of fisheries as the main source of injury, as well as the need for improved monitoring methods to better assess impacts on shark populations.
Meer lezen

Recurite: Duurzaam afvalbeheer op intensieve zorgen

Universiteit Antwerpen
2026
Quinten
Hensbergen
Op de afdeling intensieve zorgen belandt gemiddeld 46% van het afval in de verkeerde container. Niet door onwil of onwetendheid, maar omdat de fysieke omgeving zorgverleners daar op het drukste moment van hun werkdag onbewust toe dwingt. Deze thesis onderzoekt de menskundige, technische en contextuele factoren die foutieve afvaltriage op intensieve zorgafdelingen beïnvloeden, en vertaalt die inzichten naar een ontwerpgedreven oplossing.

Recurite is een modulaire verzorgingskar die correcte afvalsortering structureel integreert in de bestaande workflow van de zorgverlener. Door PMD, karton en niet-risicohoudend medisch afval op te vangen op de exacte plaats en het exacte moment waarop die stromen ontstaan tijdens de zorghandeling, wordt correct sorteren een vanzelfsprekend onderdeel van de zorgroutine in plaats van een bewuste extra stap.

Het project werd initieel aangevraagd door ZAS Middelheim en is inmiddels opgenomen binnen het Ontzorg-project van het ReuseLab van de Universiteit Antwerpen. Recurite is het eerste product dat afvaltriage aan de bron faciliteert en tegelijkertijd een fysieke inzameloplossing biedt voor circulaire initiatieven rechtstreeks op de ziekenhuisvloer.
Meer lezen

Houding, de ruggengraat van ergonomie: De rol van (student)verpleegkundigen in de preventie van werkgerelateerde musculoskeletale aandoeningen in ziekenhuizen

Thomas More Hogeschool
2026
Lotte
Willio
Deze bachelorproef onderzoekt hoe (student)verpleegkundigen kunnen bijdragen aan de preventie van werkgerelateerde musculoskeletale aandoeningen (WMSD) door ergonomisch te handelen binnen de ziekenhuiscontext.

WMSD zijn lichamelijke klachten aan spieren, gewrichten en pezen die ontstaan door het werk, zoals rug-, nek- en schouderpijn. Ze komen opvallend vaak voor bij verpleegkundigen en zelfs al bij studenten, door een combinatie van fysieke belasting, psychosociale druk en organisatorische knelpunten.

Verpleegkundigen staan dicht bij de zorgvrager en voeren veel fysieke handelingen uit, maar ervaren daarbij vaak twijfel, tijdsdruk of een gebrek aan ondersteuning om ergonomisch te werken.

Deze bachelorproef brengt in kaart welke kennis, vaardigheden en hulpmiddelen zij nodig hebben om die belasting te verminderen. Uit de literatuur blijkt dat effectieve preventie steunt op educatie, ergonomische hulpmiddelen en een gedragen ergonomiecultuur op de werkvloer.

Op basis van deze inzichten werd een praktisch prototype ontwikkeld dat verpleegkundigen duidelijke handvatten biedt om ergonomie haalbaar en toepasbaar te maken. Het onderzoek toont dat vroege sensibilisering tijdens de opleiding en structurele ondersteuning essentieel zijn om zorgprofessionals duurzaam te beschermen.
Meer lezen

Real-Time Remote AI Segmentation over 4G/5G Networks for Assistive Navigation on Custom Trails for Visually Impaired Persons (VIPS)

Vrije Universiteit Brussel
2026
Maarten
Dequanter
De scriptie onderzoekt of artificiële intelligentie en publieke 4G/5G-netwerken kunnen worden ingezet om blinde en slechtziende personen in real time te ondersteunen bij het volgen van wandelpaden. Een camera maakt beelden van de omgeving, waarna een AI-model het begaanbare pad herkent en omzet in eenvoudige richtingsinformatie, zoals links, rechts of rechtdoor. Daarbij wordt onderzocht of die beeldanalyse best lokaal op een klein toestel gebeurt of op een krachtige computer op afstand.

Uit de experimenten blijkt dat een energiezuinig toestel zoals een Raspberry Pi 5 onvoldoende snel is voor lokale real-time beeldsegmentatie, terwijl verwerking op een externe GPU via een publiek 5G-netwerk wel voldoende snel kan reageren. Tijdens veldmetingen werd een gemiddelde 5G-latency van ongeveer 24 ms gemeten en bleef de totale reactietijd bij geschikte instellingen onder ongeveer 200 ms, wat bruikbaar is voor begeleiding aan wandelsnelheid.

De scriptie ontwikkelt daarnaast een veilige en reproduceerbare testmethode met een digitaal park in Unreal Engine en vormde de technische basis voor de smartphone-app Stay On Trails en het vervolgproject BlindNavParks, dat steun kreeg van de Koning Boudewijnstichting.

Kort samengevat: de scriptie toont aan dat cloudondersteunde AI via bestaande 5G-netwerken technisch haalbaar is als basis voor betaalbare assistieve navigatie voor mensen met een visuele beperking.
Meer lezen

Conflicthantering op de speelplaats - Een praktijkonderzoek naar ondersteuning bij conflicthantering

HOGENT
2026
Ada
Zaman
Deze bachelorproef onderzoekt hoe leerkrachten en toezichters van Freinetschool De Spiegel beter ondersteund kunnen worden bij conflicthantering op de speelplaats. Via observaties, interviews en literatuuronderzoek werden de noden in kaart gebracht. Op basis daarvan werd een praktisch en herstelgericht adviesrapport ontwikkeld.
Meer lezen

Naamgeving in het digitale tijdperk: Een kwalitatieve studie naar de rol van traditionele media, sociale media, apps in het keuzeproces van voornamen bij jonge ouders

Universiteit Antwerpen
2026
Marieke
Vanooteghem
Het kiezen van een voornaam is een betekenisvolle beslissing waar ouders veel tijd en moeite in steken. Eerder onderzoek toonde al de rol van traditionele media in naamgevingspraktijken aan, maar de invloed van sociale media en apps op dit proces blijft onderbelicht. Deze studie onderzoekt de rol van traditionele media, sociale media en apps in het beslissingsproces in de voornaamkeuze bij jonge ouders. Aan de hand van semigestructureerde diepte-interviews met 21 respondenten, waaronder tien koppels die samen geïnterviewd werden en één alleenstaande moeder, werd het naamgevingsproces in kaart gebracht volgens het fasenmodel van Aldrin (2014), dat loopt van de inspiratiefase tot de narratieve fase. De resultaten tonen aan dat media een rol spelen in verschillende fasen van het naamgevingsproces, al is dat niet in alle fasen het geval en verschilt de mate van invloed. De inspiratiefase vertoonde de sterkste media-betrokkenheid. Websites, en in het bijzonder de databank van Kind en Gezin, werden systematisch gebruikt, Instagram fungeerde als een belangrijke bron van zowel toevallige als gerichte blootstelling aan namen, en babynaam-apps hielpen koppels bij het opstellen van een eerste shortlist. In de vergelijkingsfase vervulden media-gerelateerde associaties een filterfunctie, terwijl media in de narratieve fase een betekenisgevende rol op zich namen. Een opmerkelijke bevinding was het opkomende gebruik van AI-tools bij enkele respondenten, wat wijst op een trend die verder onderzoek verdient. Deze bevindingen tonen aan dat het naamgevingsproces in het digitale tijdperk sterk verweven is geraakt met dagelijks mediagebruik, en roepen op tot verder onderzoek naar de rol van platformen zoals TikTok en AI-tools.
Meer lezen

Van blauwe plek tot rode vlag

Thomas More Hogeschool
2026
Fran
De Block
Kindermishandeling herkennen is niet altijd eenvoudig. Signalen kunnen lichamelijk, gedragsmatig of emotioneel zijn en zijn zelden op zichzelf doorslaggevend. Verpleegkundigen op spoed- en pediatrische afdelingen staan dicht bij kinderen en kunnen daardoor belangrijke signalen opmerken, maar botsen in de praktijk vaak op twijfel: wat betekent wat ik zie, hoe bespreek ik mijn bezorgdheid en welke stappen mag of moet ik zetten?

Deze bachelorproef brengt in kaart welke kennis en ondersteuning verpleegkundigen nodig hebben om die onzekerheid beter te hanteren. Daarbij gaat het niet alleen om het herkennen van signalen, maar ook om objectief observeren en rapporteren, communiceren met kind en ouders, samenwerken binnen het team en inzicht krijgen in het juridisch kader en de meldstructuur.

Vanuit die bevindingen werd een interactieve bijscholing uitgewerkt, samen met een praktisch document waarin de belangrijkste informatie overzichtelijk wordt gebundeld. Zo krijgen verpleegkundigen concrete houvast op momenten waarop iets niet klopt, zonder te verwachten dat zij meteen zekerheid hebben.

De kern van deze bachelorproef is dan ook eenvoudig: twijfel hoeft niet te verdwijnen, maar ze mag ook niet betekenen dat een belangrijk signaal verloren gaat.
Meer lezen

Innovatieve Thermische Responstesten voor Geothermische Boorvelden

KU Leuven
2026
Bart
Vandenhout
Geothermische warmtepompen kunnen gebouwen efficiënt en duurzaam verwarmen en koelen, maar de hoge kost van boringen blijft een belangrijke drempel. Om een boorveld correct te dimensioneren, wordt daarom vaak een thermische responstest uitgevoerd. Zo’n test meet hoe goed de bodem warmte kan opnemen en afgeven, maar duurt doorgaans meerdere dagen.

In deze thesis onderzocht ik hoe deze testen sneller en efficiënter kunnen. Daarvoor ontwierp en bouwde ik zelf een nieuw meettoestel dat twee verschillende soorten thermische responstesten kan uitvoeren. Met dit toestel voerde ik praktijktesten uit op een boorveld en vergeleek ik beide methodes rechtstreeks onder dezelfde omstandigheden. De klassieke methode met constant vermogen bleek daarbij het meest robuust en praktisch inzetbaar.

Daarnaast ontwikkelde ik een nauwkeuriger thermisch model waarmee ook de eerste uren van een meting kunnen worden benut. Hierdoor kon de benodigde testduur gemiddeld met tot 24% worden verkort. Snellere en betrouwbare metingen kunnen de kosten van geothermische projecten verlagen en zo bijdragen aan een bredere toepassing van duurzame verwarming en koeling.
Meer lezen

Effectieve verpleegkundige hulpmiddelen en communicatiestrategieën bij medicatie-educatie voor anderstalige patiënten

Hogeschool UCLL
2026
Sushma
Paudel
Deze bachelorproef onderzoekt welke verpleegkundige hulpmiddelen en communicatiestrategieën kunnen bijdragen aan veilige en begrijpelijke medicatie-educatie voor anderstalige patiënten. Taalbarrières kunnen leiden tot misverstanden, foutief medicatiegebruik en verminderde therapietrouw, waardoor ook de patiëntveiligheid in het gedrang kan komen.

Aan de hand van een systematische literatuurstudie werden zes recente wetenschappelijke artikelen geselecteerd en kritisch beoordeeld. De resultaten tonen aan dat een gecombineerde en patiëntgerichte aanpak het meest aangewezen is. Medicatie-informatie in de voorkeurstaal van de patiënt, vereenvoudigde instructies, pictogrammen en de teach-backmethode kunnen het begrip ondersteunen. Digitale vertaalhulpmiddelen kunnen een aanvullende rol spelen, maar zijn bij complexe medische informatie geen volwaardige vervanging voor professionele tolken of menselijke communicatie.

Op basis van de bevindingen werden praktische aanbevelingen en hulpmiddelen uitgewerkt voor de verpleegkundige praktijk, waaronder medicatiekaarten met pictogrammen, een beslisboom voor het omgaan met taalbarrières en een implementatieplan. Hiermee wil deze bachelorproef bijdragen aan toegankelijke, patiëntgerichte en veilige medicatiezorg voor anderstalige patiënten.
Meer lezen

Van Kunst naar Kunstmatigheid. Het gebruik van literaire werken uit schaduwbibliotheken bij de training van generatieve AI-modellen in het licht van het Europese auteursrecht

KU Leuven
2026
Eva
Van Remoortel
De opkomst van grote taalmodellen, zoals OpenAI’s ChatGPT, zet het Europese auteursrecht onder druk door de grootschalige verwerking van beschermde literaire werken als trainingsdata. Uit recente Amerikaanse procedures tegen Meta en Anthropic bleek dat dergelijke trainingsdata miljoenen illegaal verspreide boekkopieën omvatten. Deze masterproef onderzoekt de juridische toelaatbaarheid van het gebruik van auteursrechtelijk beschermde literaire werken uit digitale schaduwbibliotheken, zoals Library Genesis, voor de training van commerciële generatieve AI-modellen binnen het huidige Europese auteursrechtelijke kader en of dit kader toereikend is.

Het onderzoek vertrekt vanuit een analyse van het Unierechtelijk normatieve kader, met bijzondere aandacht voor het reproductierecht, het gesloten systeem van wettelijke uitzonderingen en de commerciële TDM‑uitzondering van artikel 4 DSM‑richtlijn. Centraal staat de interpretatie van ‘rechtmatig toegankelijke werken’, een constitutief vereiste voor de toepasbaarheid van de TDM‑uitzondering. Tegen deze normatieve achtergrond kwalificeert het onderzoek schaduwbibliotheken als structureel inbreukmakende bronnen. Commerciële AI‑aanbieders die dergelijke bronnen gebruiken, kunnen zich bijgevolg niet beroepen op de commerciële TDM‑uitzondering. Zelfs indien AI‑training onder het begrip TDM zou vallen, blijft deze bronvereiste een absolute drempel.

Een rechtsvergelijkende analyse met de Amerikaanse fair use-doctrine toont een structureel verschil met het continentaal Europese gesloten systeem van uitzonderingen, maar ook een opvallende convergentie in uitkomst. De Amerikaanse schikking in Bartz v. Anthropic illustreert dat AI-aanbieders een enorm juridisch risico lopen bij het gebruik van trainingsdata uit schaduwbibliotheken.

De thesis onderzoekt vervolgens de effectiviteit van het Europese handhavingskader. Verschillende obstakels die de praktische afdwingbaarheid ondermijnen, komen aan bod. Hoewel de AI‑verordening aanvullende verplichtingen inzake transparantie en naleving auteursrecht introduceert, blijven deze voorlopig onvoldoende uitgewerkt om effectieve private handhaving te waarborgen.

De masterproef concludeert dat het gebruik van werken uit digitale schaduwbibliotheken voor AI‑training onverenigbaar is met het Europese auteursrecht. Hoewel het normatieve kader juridisch duidelijk is, schiet de praktische handhaving tekort. Een norm die niet afdwingbaar is, verliest onvermijdelijk haar regulerende kracht in een digitale economie die grenzen moeiteloos overschrijdt.
Meer lezen

Tussen Twee Stoelen: Een geschiedenis van lesbische netwerken, organisaties en ruimtes in Antwerpen (1970-1990).

Universiteit Gent
2026
Lotte
Dötsch
Deze masterproef onderzoekt lesbische ruimtes, organisaties en netwerken in Antwerpen tijdens de jaren 1970 en 1980, met af en toe een uitwijking naar de bredere tweede helft van de 20ste eeuw. Aan de hand van literatuuronderzoek, archiefonderzoek en oral history-interviews analyseert de studie hoe lesbische vrouwen zich organiseerden binnen een context van dubbele uitsluiting: binnen de door mannen gedomineerde homobeweging en binnen de heteroseksuele vrouwenbeweging. De thesis belicht de rol van autonome organisaties zoals Atthis en Chatterbox, de betekenis van fysieke ontmoetingsplaatsen en de werking van formele en informele netwerken. Daarnaast wordt onderzocht hoe feminisme, radicale politiek en het idee van lesbianisme als politieke keuze bijdroegen aan de ontwikkeling van een eigen lesbische cultuur en gemeenschap. Door historische bronnen te combineren met persoonlijke getuigenissen brengt deze studie de leefwerelden van lesbische vrouwen in Antwerpen in kaart en draagt ze bij aan de beperkte historiografie rond lesbische geschiedenis in België.
Meer lezen

WIENS STEM TELT IN HET DEBAT? Een onderzoek naar brondiversiteit en publieksbekendheid over dwingende controle in de Vlaamse pers

Vrije Universiteit Brussel
2026
Bruna
Rodrigues Bastos
Dwingende controle is een vorm van partnergeweld waarbij iemand stap voor stap de vrijheid van zijn of haar partner overneemt, via dreiging, isolatie en voortdurende controle. Fysiek geweld hoeft daar niet bij te horen. Toch geldt het als een van de belangrijkste voorspellers van femicide.

Daarom onderzoekt deze masterproef of dat begrip zichtbaar is in de Vlaamse pers, en of nieuwsgebruikers het kennen. Dat gebeurde op twee manieren. Een kwantitatieve inhoudsanalyse bracht de berichtgeving over partnergeweld in Het Laatste Nieuws en Het Nieuwsblad in kaart, met een vergelijking tussen 2022 en 2025, dus voor en na de femicidewet. Daarnaast peilde een online bevraging bij 150 respondenten hun kennis en hun beoordeling van de berichtgeving.

Uit de analyse blijkt dat de term dwingende controle in 2025 in amper 0,1 tot 0,2 procent van de artikelen expliciet voorkomt, terwijl het bijbehorende gedrag wel volop wordt beschreven. De berichtgeving leunt sterk op politie en gerecht, en verwijst zelden naar hulplijn 1712. Aan de ontvangstzijde voelt 84 procent van de bevraagden zich onvoldoende geïnformeerd om de signalen te herkennen.

Samen legt het onderzoek een duidelijke informatiekloof bloot tussen de journalistieke praktijk en wat nieuwsgebruikers nodig hebben, en formuleert het concrete aanbevelingen voor redacties.
Meer lezen

FROM SPATIAL ECOLOGY TO ECOSYSTEM IMPACT: LARGE GRAZERS IN HEATH AND DUNE LANDSCAPES LINKING MOVEMENT BEHAVIOUR, HABITAT SELECTION, AND VEGETATION DYNAMICS IN THE WESTHOEK AND KALMTHOUTSE HEIDE

Universiteit Gent
2026
Jobbe
Vermandere
Het inzetten van vrij rondlopende grote herbivoren vormt een hoeksteen van het natuurbeheer in Europa. De bedoeling is om via extensieve begrazing natuurlijke processen te herstellen, zoals het tegenhouden van snelle vegetatiesuccessie en het in stand houden van de structurele diversiteit van open landschappen. Hierdoor wordt dit type beheer ook wel procesbeheer genoemd. In voedselarme ecosystemen, zoals kustduinen en laaglandheiden, heeft de wijdverspreide stikstofdepositie en het wegvallen van historische verstoringen geleid tot een snelle structurele achteruitgang. Dit uit zich voornamelijk in de vestiging van sterk competitieve grassen en kruidachtigen (vergrassing of verruiging) en de vestiging van dicht struikgewas (verstruweling),
waardoor gespecialiseerde pioniersoorten worden verdrongen en de biodiversiteit afneemt. Hoewel begrazing voor natuurbeheer op grote schaal wordt ingezet om deze bedreigingen te verminderen, blijven de precieze ruimtelijke mechanismen waarmee deze dieren habitat selecteren en interageren met fysieke infrastructuur complex en contextgebonden. Deze studie evalueerde de ruimtelijke ecologie en het vermogen tot ecosysteembeïnvloeding van grote herbivoren in twee structureel verschillende landschappen: de kustduinen van de Westhoek (begraasd door een gemengde groep paardachtigen bestaande uit Konikpaarden en Shetlandpony’s en een kudde Schotse hooglanders) en de laaglandheide van de Kalmthoutse Heide (begraasd door een kudde Galloway-runderen). Om de kloof tussen de bewegingen van individuele dieren en successieveranderingen op landschapsschaal te overbruggen, maakte dit onderzoek gebruik van een meerledig
methodologisch kader dat was onderverdeeld in drie afzonderlijke werkpakketten (WP). Ten eerste
werd Continuous-Time Movement Modelling (ctmm) toegepast op GPS-telemetriegegevens om
het gebruik van ruimte met grensbeperkingen en ruimtelijke verzadiging in kaart te brengen (WP1).
Deze benadering corrigeerde wiskundig voor inherente temporele autocorrelatie en maakte gebruik
van Degrees of Freedom (DOF)-filtering om robuuste Autocorrelated Kernel Density Estimates
(AKDE) te extraheren. Ten tweede werden geïntegreerde Resource Selection Functions (iRSF)
ingezet om de habitatkeuze op kleine schaal en de onderliggende milieubeperkingen te evalueren
(WP2). De iRSF-modellen gebruikten specifiek het AKDE-gebied van elk dier als
beschikbaarheidsbasis, waardoor de habitatkeuze strikt werd geëvalueerd ten opzichte van het
toegankelijke landschap, terwijl tegelijkertijd rekening werd gehouden met continue variabelen
zoals topografie, afstand tot water en afstand tot antropogene infrastructuur (paden en hekken).
Ten slotte werden vegetatiehoogtekaarten met hoge resolutie uit 2020 en 2025 in de Westhoek
geanalyseerd om dit ruimtelijk gedrag te koppelen aan structurele landschapsveranderingen
(WP3). Door ruimtelijke pixels te categoriseren in vegetationele overgangstoestanden (Stabiel,
Regressie of Toename), werd de cumulatieve ruimtegebruiksintensiteit van de paarden
gemodelleerd tegen abiotische stressfactoren om de werkelijke drijvende krachten achter de
vegetatiedynamiek te bepalen.
De ruimtelijke modellen (WP1) brachten fundamentele verschillen in de ruimtelijke basisecologie
aan het licht, die worden bepaald door eigenschappen op soortniveau en de dynamiek binnen de
kudde. Uit de ruimtelijke tracking bleek dat noch de paardachtigen in de Westhoek (na de corridor
opening) noch de Galloway-runderen op de Kalmthoutse Heide biologisch verzadigd zijn. Hun
leefgebieden worden dus niet volledig bepaald door de fysieke grenzen van de reservaten, wat
wijst op actieve en doelgerichte ruimtelijke keuzes. De Galloway-runderen vertoonden relatief grote
seizoensgebonden schommelingen in de omvang van het leefgebied, wat wijst op dynamische
aanpassingen aan de beschikbaarheid van voedselbronnen. Omgekeerd vertoonden de
paardachtigen in de Westhoek het hele jaar door relatief stabiele leefgebieden, wat wijst op een
biologisch verschil waarbij paardachtigen minder gevoelig zijn voor seizoensgebonden fenologie.
De paardachtigen vertoonden echter wel significante seizoensgebonden verschuivingen in hun
kerngebieden, wat bevestigt dat, hoewel hun totale gebied stabiel blijft, hun interne foerageerfocus
dynamisch verschuift. Bovendien zorgde een lage interindividuele variatie voor een vrij
samenhangende kuddedynamiek bij de runderen, terwijl een hoge interindividuele variatie onder
de paardachtigen leidde tot duidelijke divergentie tussen subkuddes. Daarnaast evalueerde WP1
de impact van het herstel van de landschapsconnectiviteit in de Westhoek via de opening van een
corridor in de winter van 2022-2023. Hoewel de opening een aanzienlijke uitbreiding van de
absolute omvang van de leefgebieden van de paardachtigen veroorzaakte, werd deze uitbreiding
niet uniform door de hele groep overgenomen, wat benadrukt dat landschapsconnectiviteit wordt
gemedieerd door lokale locatietrouwheid en interne sociale structuren.
De evaluatie van de habitatkeuze op kleinschalig niveau (WP2) bevestigde deze verschillen op
soortniveau nog eens extra. Op de Kalmthoutse Heide fungeerden de runderen als biologische
filters: ze zochten actief habitat op met een begraasbare laag (bijvoorbeeld gras- of boomopslag)
en vermeden zuivere heidegebieden zonder begraasbare laag. Deze selectie was het sterkst
tijdens de voorjaarsgroei en werd geleidelijk breder naarmate het groeiseizoen ten einde liep. In
de Westhoek kozen paardachtigen onevenredig vaak voor open, grasrijke vegetatie boven dicht
struikgewas, hoewel morfologische verschillen de kleinere Shetlandpony's waarschijnlijk in staat
stelden om ijle vegetatie (bijv. Schaarsbegroeid) en laag struikgewas (Kruipwilg_laagstruweel)
gunstiger te exploiteren. Deze divergentie geeft aan dat kleinere paardachtigen niches kunnen
exploiteren die grotere paardachtigen negeren of waarin ze niet kunnen overleven door gebruik te
maken van andere biomechanische eigenschappen en kleinere beetgroottes, waardoor de totale
ecologische impact op het landschap wordt verbreed.
Naast de categorische vegetatie werd de ruimtelijke verspreiding aanzienlijk beïnvloed door
voortdurende abiotische en antropogene beperkingen. Nabijheid van water bleek in beide
reservaten geen beperkende factor te zijn; noch de paardachtigen, noch de runderen vertoonden
een afhankelijkheid van stilstaand oppervlaktewater, maar toonden ruimtelijke neutraliteit of actieve
vermijding. Topografisch gezien kozen de runderen (in de lente), de grotere Konik-paarden (in de
zomer en herfst) en de Shetlandpony (in de herfst) actief voor vlakker terrein, waarschijnlijk om de
metabolische bewegingskosten te minimaliseren. Hoewel de Shetlandpony deze voorkeur voor
vlakker terrein in de herfst deelde, week hij in de zomer af van de Koniks door topografisch neutraal
te blijven. Deze seizoensgebonden divergentie suggereert ofwel dat de kleinere lichaamsmassa
van de pony voor meer wendbaarheid zorgt, waardoor het relatieve metabolische nadeel van
voortbeweging op steilere hellingen afneemt, ofwel dat de solitaire pony door de Konik-kuddes of
de Schotse hooglander kudde competitief wordt verdrongen naar minder gunstige, steilere
topografie. Wat de menselijke infrastructuur betreft, dwongen de modellen een heroverweging af
van de visie van algemene antropogene vermijding. Terwijl de omheiningen van het reservaat
fungeerden als een ruimtelijke barrière voor de paardachtigen (in de lente en winter, voornamelijk
gedreven door de Shetlandpony), fungeerden ze als een ruimtelijk aantrekkingspunt voor de
Galloway-runderen in de lente. Gelijkaardig werkten de interne paden als ruimtelijke
aantrekkingspunten voor zowel de Shetlandpony als de Galloway-runderen. Dit toont aan dat grote
herbivoren, in plaats van menselijke infrastructuur universeel te vermijden, padennetwerken
potentieel kunnen gebruiken als navigatiecorridors, en omheiningen als structurele
oriëntatiepunten.
Terwijl WP1 en WP2 vaststelden hoe de paardachtigen in de Westhoek navigeren en hun habitat
selecteren, evalueert WP3 de wederzijdse ecologische impact: hoe de langdurige ruimtelijke
aanwezigheid van deze herbivoren actief het successietraject van de vegetatie in het reservaat
beïnvloedt. Door veranderingen in vegetatiehoogte te modelleren tegen de achtergrond van
cumulatieve ruimtegebruiksintensiteit en abiotische beperkingen, ontstaat een ruimtelijk verhaal
over de voordelen en beperkingen van top-downcontrole door grazers. De vegetatiemodellering
toonde aan dat een hoog cumulatief ruimtegebruik door paardachtigen fungeert als een effectieve
preventieve barrière tegen de initiële vorming en verspreiding van ruige vegetatie. De gegevens
definieerden echter tegelijkertijd de grenzen van deze top-down biologische controle. Zodra
houtige of ruige vegetatie de initiële herbivoriebarrière met succes doorbreekt, volstaat intens
ruimtegebruik niet meer om de terugtrekking ervan af te dwingen. Gedreven door een
synergetische combinatie van lokale nutriëntenafzetting, mechanische bodemverstoring en
verminderde concurrentie, kan intensief ruimtegebruik door paardachtigen zelfs de verticale groei
van gevestigd hoog struikgewas bevorderen. De ontmanteling van vegetatie in een laat, volwassen
stadium wordt uitsluitend aangedreven door bottom-up abiotische stressfactoren in plaats van top
down herbivorie. De diepte van het grondwater in het voorjaar had het meest uitgesproken effect
op de vegetatiedynamiek: het bepaalde de stabiliteit van pioniersmatrices, stimuleerde de
terugtrekking van ruige vegetatie en fungeerde als de belangrijkste natuurlijke stressfactor die de
voortdurende groei of aanwezigheid van laag en hoog struikgewas voorkwam. Bovendien werd de
dynamiek van ondieper gewortelde grassen en kruiden gedicteerd door hoge omgevingsstress,
waarbij deze matrices groeiden en afnamen in gebieden die gekenmerkt worden door diep
grondwater, steilere hellingen en een hoge blootstelling aan de zon.
Voor natuurbeheer biedt deze thesis duidelijke, op gegevens gebaseerde aanbevelingen met
betrekking tot het gebruik van vrij rondlopende grote herbivoren. Uiteindelijk toont deze studie aan
dat de impact van deze grote herbivoren als ecosysteemingenieurs niet uniform of absoluut is. De
ruimtelijke dynamiek bevestigt dat ruimtegebruik een effectief, gericht instrument kan zijn om
vroege successie te stoppen, open matrices in stand te houden en gedegradeerde habitats aan te
pakken. Omdat grazers echter geen gevestigd struikgewas kunnen ontmantelen, vereist het
terugdringen van volgroeide houtige begroeiing een strategische, dubbele beheersaanpak die
biologisch ruimtegebruik koppelt aan gerichte mechanische ingrepen. Bovendien benadrukt de
ruimtelijke divergentie van de Shetlandpony de cruciale waarde van morfologische diversiteit.
Specifiek geeft deze divergentie aan dat kleinere paardachtigen, door gebruik te maken van andere
biomechanische eigenschappen en een kleinere hapgrootte, niches kunnen benutten die grotere
paardachtigen negeren of waarop ze niet kunnen overleven, waardoor de totale ecologische impact
op het landschap wordt verbreed. Ten slotte wijst de aantrekkingskracht van paden en het
verspreidingseffect van corridors op nieuwe, proactieve beheersmogelijkheden. In plaats van
menselijke infrastructuur als een verstoring te beschouwen, kunnen beheerders strategisch interne
padennetwerken en corridors ontwerpen die als biologische trechters fungeren, waardoor grazers
naar specifieke doelgebieden worden geleid en de ecologische manipulatie (engineering) in het
bredere landschap wordt gemaximaliseerd.
Meer lezen

Luchtdichtheid van historisch buitenschrijnwerk: evaluatie van de efficiëntie en optimalisatie van restauratietechnieken

Universiteit Gent
2026
Douwe
Neven
Deze masterproef onderzoekt de luchtdichtheidsprestaties van historisch houten buitenschrijnwerk door middel van een experimentele evaluatie van verschillende restauratiestrategieën. Het onderzoek situeert zich binnen het spanningsveld tussen erfgoedbehoud en eigentijdse energieprestatie-eisen.

De casestudie betreft 19e-eeuwse ramen uit het Materniteitsgebouw op de Bijlokesite te Gent, waarop door aannemersbedrijf Denys diverse restauratietechnieken werden toegepast in het kader van het HeriTACE-project (Universiteit Gent, EU-gefinancierd). Door systematische luchtdichtheidsmetingen volgens EN 1026, EN 12207 en EN 12114 werden vier hoofdconfiguraties vergeleken: originele staat, minimale restauratie met enkelvoudige dichting, experimentele restauratie met meervoudige dichtingen, en een reproductiemodel.

De resultaten tonen dat substantiële verbetering mogelijk is: een halvering van de luchtdoorlatendheid werd gerealiseerd (van q₅₀ ≈ 12 m³/(h·m) naar ≈ 6 m³/(h·m)), resulterend in een overgang van klasse 1 naar klasse 2 voor de minimale restauratie. Deze prestatie bleek echter sterk afhankelijk van drie kritische voorwaarden: een gesloten afdichtingscontour, geometrisch correct sluitend raam, en geverifieerd uniform contact tussen dichting en tegenvlak. Materiaalkeuze bleek secundair. Technieken die gebruik maken van (meervoudige) houten opdeklatten met geïntegreerde dichtingen bleken een meer succesvolle toepassing die de klasse kan verhogen tot klasse 3.

Het onderzoek identificeert de enkelvoudige dichting als een ‘gevoelig optimum’: technisch valide maar praktisch kwetsbaar, aangezien kleine uitvoeringsafwijkingen disproportioneel negatieve effecten hebben. Dit verklaart waarom achterzetramen in de praktijk een robuust alternatief vormen. De masterproef benadrukt dat luchtdichtheidsverbetering van historisch schrijnwerk primair een ontwerp- en procesvraagstuk is, eerder dan een materiaaltechnische interventie.
Meer lezen

De zoete afstand

LUCA School of Arts
2026
Yasmin
Gheisari
Deze masterproef vertrekt vanuit een persoonlijke vraag: hoe kan baraka, een spirituele
kracht van goddelijke oorsprong die voorspoed en bescherming brengt, voelbaar
worden binnen beeldende kunst?
Baraka is voor mij geen abstract begrip. Ze zit in mijn culturele achtergrond, in mijn
familie, in mijn eigen zoektocht naar geloof en het spirituele. Vanuit die persoonlijke
basis kijk ik ook naar hoe baraka historisch en cultureel gevormd is binnen de
Marokkaanse context, hoe ze zich toont in mensen, materialen en alledaagse
handelingen.
Dit onderzoek beweegt zich tussen literatuur, gesprekken, inspirerende kunstenaars en
mijn eigen artistieke praktijk. Het resultaat is een werk waarin het maakproces een
ritueel karakter krijgt, en waarin kunst een ruimte opent waar het onzichtbare niet wordt
verklaard, maar voelbaar wordt.
Meer lezen

Where Terrorism Meets Armed Conflict: Cumulative Prosecution of Foreign Terrorist Fighters in the EU

Andere
2026
Floris
Prins
De conflicten in Syrië en Irak confronteerden de lidstaten van de Europese Unie met burgers die naar het buitenland reisden om zich aan te sluiten bij terroristische groeperingen, zoals Islamitische Staat in Syrië en Irak. Deze personen, doorgaans aangeduid als buitenlandse terroristische strijders, kunnen worden vervolgd op grond van nationale strafbaarstellingen waarmee Richtlijn (EU) 2017/541 inzake terrorismebestrijding is omgezet, maar eveneens op grond van bepalingen inzake oorlogsmisdrijven, wanneer zij dergelijke misdrijven hebben gepleegd. Vervolging op grond van beide juridische kaders wordt cumulatieve vervolging genoemd.

In dit onderzoek is vergeleken hoe België en Nederland buitenlandse terroristische strijders vervolgen en in hoeverre hun vervolgingsstrategie cumulatieve vervolging omvat. Nederland tracht buitenlandse terroristische strijders actief te vervolgen voor zowel oorlogsmisdrijven als terrorismemisdrijven. Niettemin blijven er aanzienlijke belemmeringen bestaan, waarvan bewijsrechtelijke moeilijkheden en de beperkte bestuurlijke en institutionele capaciteit om oorlogsmisdrijven te vervolgen de voornaamste zijn.

België heeft daarentegen cumulatieve vervolging gedurende lange tijd in de praktijk nagenoeg volledig uitgesloten. Dit hield gedeeltelijk verband met een paradoxale eigenaardigheid van het Belgische recht, namelijk een uitsluitingsclausule voor gedragingen die plaatsvinden in het kader van een gewapend conflict. Deze bepaling was oorspronkelijk bedoeld om de vervolging op grond van het internationaal humanitair recht te versterken. Daarnaast werd succesvolle cumulatieve vervolging bemoeilijkt door institutionele problemen die vergelijkbaar zijn met de problemen waarmee Nederland wordt geconfronteerd.

Dit onderzoek betoogt dat cumulatieve vervolging steviger als vervolgingsstrategie moet worden verankerd, zowel binnen de Europese Unie als in de afzonderlijke lidstaten. Om dit te verwezenlijken, dient Richtlijn (EU) 2017/541 inzake terrorismebestrijding te worden gewijzigd. Daarnaast moeten de lidstaten de institutionele capaciteit van hun opsporings- en vervolgingsautoriteiten versterken, zodat zij naast terrorismemisdrijven ook aanklachten wegens oorlogsmisdrijven doeltreffend kunnen onderzoeken en vervolgen.
Meer lezen

SENSORISCHE OVERPRIKKELING, HOOGSENSITIVITEIT EN PERSOONLIJKHEID: SURVEY-ONDERZOEK NAAR INDIVIDUELE VERSCHILLEN IN EEN PRIKKELRIJKE WERKOMGEVING

Universiteit Gent
2026
Maaike
Grootaert
In mijn masterproef onderzocht ik waarom sommige werknemers sneller sensorisch overprikkeld raken op het werk dan anderen. Daarbij richtte ik mij op de rol van hoogsensitiviteit en angstgevoeligheid.

Via een online vragenlijst bij werknemers uit verschillende sectoren onderzocht ik de relatie tussen hoogsensitiviteit, angstgevoeligheid en sensorische overprikkeling. De uiteindelijke analyses werden uitgevoerd bij 580 respondenten. De resultaten tonen aan dat hoogsensitieve werknemers gemiddeld meer overprikkeling ervaren. Zij scoren ook vaker hoger op angstgevoeligheid, wat een deel van het verband tussen hoogsensitiviteit en overprikkeling verklaart. Hoogsensitiviteit blijft echter ook rechtstreeks samenhangen met overprikkeling.
Meer lezen

Het synthetiseren van continue besturingsprogramma's vanuit een deep reinforcement learning-agent

Vrije Universiteit Brussel
2026
Anandu
Sreekumar
Deze thesis breidt een framework voor verklaarbare AI uit zodat het realistischere scenario's kan verwerken. Met behulp van reinforcement learning leert een AI-systeem autonoom taken uit te voeren en genereert het interpreteerbare computerprogramma's die zijn beslissingen verklaren. Dit verhoogt de transparantie, ondersteunt menselijke experts bij het valideren van AI-beslissingen en draagt bij aan betrouwbare AI-systemen.
Meer lezen

IMPROVING THE RELIABILITY OF GEOSPATIAL MODELS FOR TIMBER HARVEST PREDICTION BY MEANS OF CONFORMAL PREDICTION

Universiteit Gent
2026
Jitse
Deketelaere
Wereldwijde ontbossing blijft een alarmerend groot probleem, met de uitbreiding
van de landbouw en illegale houtkap als belangrijkste oorzaken. Illegaal verkregen
hout maakt 10–30 % uit van de totale wereldwijde handel in houtproducten.
Sinds juni 2023 heeft de Europese ontbossingsverordening (EUDR) de Europese
houtverordening (EUTR) vervangen, waarbij nog steeds wordt vertrouwd op een due
diligence approach. De EUDR erkent echter dat de volledige effectiviteit van deze
regelgeving fundamenteel afhangt van de beschikbaarheid van robuuste, wetenschappelijk
onderbouwde methoden waarmee de opgegeven geografische oogstlocatie
van risicovolle bosproducten (hout, soja. . . ) betrouwbaar kan worden geverifieerd.
In deze masterscriptie maken we gebruik van georefereerde datasets met
stabiele isotopen- en multi-elementgegevens van verschillende houtsoorten. We
ontwikkelen een nieuwe voorspellingsmethode op basis van conformal predictoin
(CP), met onderliggende Random Forest-modellen. Deze methodologie wordt gebruikt
om zowel landen als aaneengesloten gebieden te voorspellen. Voor de afzonderlijke
landen maken we gebruik van zowel Least Ambiguous set-valued Classifier
(LAC) CP als adaptive prediction set (APS) CP. Daarnaast vertalen we de voorspelde
aaneengesloten gebieden naar landen, waardoor een directe vergelijking tussen
de afzonderlijke en de aaneengesloten benadering mogelijk wordt. We constateren
dat het gebrek aan referentiegegevens de grootste beperking blijft bij het toewijzen
van de herkomst van hout. Onze resultaten tonen echter aan dat CP inderdaad in
staat is om voorspellingen betrouwbaarder en robuuster te maken, en om interpreteerbare
resultaten te leveren.
Meer lezen

Calibrating gravitational wave detectors using scattered light

Universiteit Gent
2026
Arthur
Callens
Zwaartekrachtsdetectoren zoals Virgo meten uiterst kleine lengteveranderingen in hun kilometerslange laserarmen om zwaartekrachtsgolven van botsende zwarte gaten en neutronensterren te detecteren. De betrouwbaarheid van deze metingen (massa, afstand en locatie van de bron) hangt volledig af van de nauwkeurigheid waarmee het instrument geijkt is. Een bekende bron van systematische fouten is verstrooid licht: een klein deel van het laserlicht lekt door de eindspiegels van de detector en kan, wanneer het weerkaatst en opnieuw de arm binnendringt, een echte zwaartekrachtsgolf nabootsen.

Deze scriptie onderzoekt of dit ongewenste effect net bewust kan worden opgewekt en gebruikt als onafhankelijke ijkingsmethode. Een piëzo-elektrisch plaatje, geplaatst achter de eindspiegel, wordt op een gekozen frequentie in trilling gebracht om gecontroleerd verstrooid licht te genereren. Twee sensoren, één ter hoogte van het plaatje, één aan het einde van de detector, meten het resulterende signaal, waarna een zelfijkende methode toelaat om het spiegellek te berekenen.

Simulaties tonen aan dat deze methode, ondanks de beperkte tijdsvensters waarin het signaal bruikbaar is, het spiegellek kan bepalen met een nauwkeurigheid van ruim onder één procent, over een breed bereik van trilfrequenties. Een prototype van het plaatje en zijn positioneersysteem werd gebouwd en getest, wat een onverwacht thermisch probleem blootlegde: het kale oppervlak absorbeert te veel laserlicht en warmt op in vacuüm. Een reflecterende coating (spectralon) wordt voorgesteld als oplossing.

Eenmaal operationeel op Virgo, biedt deze methode een volledig onafhankelijke ijkingscontrole naast bestaande technieken, en draagt ze zo bij aan de betrouwbaarheid van toekomstige zwaartekrachtgolfdetecties.
Meer lezen

Comparison of Smartphone-Based 3D Body Measurements with Traditional Anthropometry and 4D Stereophotogrammetry: Reliability, Validity, and Accuracy in Healthy Adults

Universiteit Antwerpen
2026
Femke
Van Orden
  • Emma
    Van den Hoek
Deze scriptie onderzoekt de betrouwbaarheid, validiteit en nauwkeurigheid van smartphonegebaseerde 3D-scantoepassingen voor lichaamsmetingen in vergelijking met traditionele antropometrische metingen en 4D-stereofotogrammetrie. In een cross-sectionele studie werden 35 gezonde volwassenen gemeten met twee smartphone-apps (3D Measure Me en MeThreeSixty), een 4D-stereofotogrammetriesysteem en conventionele meetinstrumenten. De resultaten tonen aan dat 4D-stereofotogrammetrie en de app 3D Measure Me over het algemeen goede tot uitstekende overeenstemming vertonen met traditionele metingen, terwijl MeThreeSixty minder nauwkeurige en consistente resultaten oplevert. Vooral metingen van de ledematen bleken betrouwbaar, terwijl rompmetingen meer variatie vertoonden. De bevindingen suggereren dat smartphonegebaseerde 3D-scans, en in het bijzonder 3D Measure Me, een veelbelovend en toegankelijk alternatief kunnen vormen voor antropometrische metingen in de klinische praktijk, mits de beperkingen van bepaalde lichaamsregio's in acht worden genomen.
Meer lezen

Stilt voedselhulp alle honger?

Hogeschool VIVES
2026
Tessa
Pijlijser
“Je bent wat je eet”, maar wat betekent dat wanneer toegang tot voeding niet vanzelfsprekend is?
Deze bachelorproef onderzoekt hoe klanten van sociale kruidenier De Antenne in Oostende de werking beleven en hoe dit raakt aan hun levenskwaliteit. De groeiende structurele rol van voedselhulp in Vlaanderen en het beperkte centraal stellen van de stem van gebruikers vormen de aanleiding voor dit kwalitatief en participatief onderzoek. Hoewel sociale kruideniers inzetten op keuzevrijheid, participatie en menswaardigheid, blijft vaak onduidelijk hoe klanten dit aanbod ervaren en welke betekenis zij eraan geven.
Het onderzoek vertrekt vanuit een brede interpretatie van de werking, waarbij naast voedselhulp ook toegankelijkheid, begeleiding, ontmoeting en sociale contacten centraal staan. De centrale onderzoeksvraag luidt: “Welke betekenis geven klanten aan het aanbod van De Antenne, en hoe raken hun ervaringen aan verschillende aspecten van hun levenskwaliteit?” Daarbij werd aandacht besteed aan ervaringen, drempels, de afstemming van de werking op de leefwereld van klanten en het gebruik van praatkaarten als participatieve gespreksmethodiek.
Het literatuuroverzicht situeert voedselhulp binnen een historisch, maatschappelijk, beleidsmatig en mensenrechtelijk kader, waarin toegang tot voeding beschouwd wordt als een fundamenteel recht. De resultatenanalyse steunt op het WHOQOL-kader van de Wereldgezondheidsorganisatie en de capability approach van Amartya Sen en Martha Nussbaum.
Methodologisch werd gekozen voor semigestructureerde interviews. Tijdens de gesprekken werd vertrokken vanuit een open startvraag, waarna praatkaarten in de vorm van beeld- en emotiekaarten werden ingezet om gevoelens en ervaringen toegankelijker bespreekbaar te maken. De interviews werden opgenomen, getranscribeerd en aangevuld met observaties. Om de kwaliteitszorg van het onderzoek te bewaken werd gewerkt met een vast draaiboek, gestandaardiseerde kaartensets en een voorafgaande testfase.
De resultaten tonen dat De Antenne voor veel klanten meer betekent dan enkel een plaats waar betaalbare voeding aangeboden wordt. Respondenten beschrijven de werking als een plek van rust, ontmoeting en sociale verbondenheid. De warme sfeer, het respectvolle contact met medewerkers en vrijwilligers en de mogelijkheid om zelf keuzes te maken worden sterk gewaardeerd. Tegelijkertijd kwamen ook drempels naar voren, zoals schaamte, taalbarrières en gevoelens van afhankelijkheid. Kleine elementen zoals een warme ontvangst, duidelijke communicatie en een rustige sfeer blijken een belangrijke invloed te hebben op hoe klanten de werking beleven.
Daarnaast kwamen aanbevelingen naar voren rond toegankelijkheid, taaldiversiteit, ontmoeting en participatie. Ook de praatkaarten werden positief geëvalueerd omdat ze hielpen om gesprekken op gang te brengen en ervaringen bespreekbaar te maken. Tegelijk bleek dat hun meerwaarde sterk afhangt van de manier waarop ze door de interviewer worden ingezet en door respondenten worden geïnterpreteerd.
Deze bachelorproef besluit dat voedselhulp een complexe en persoonlijke invloed heeft op levenskwaliteit. Levenskwaliteit hangt niet enkel samen met toegang tot voeding, maar ook met waardigheid, keuzevrijheid, sociale relaties en de manier waarop hulp ervaren wordt. Daarom bepleit dit onderzoek het belang van écht luisteren naar klanten en hen actief te betrekken binnen voedselinitiatieven.
Meer lezen

Application of Optical Genome Mapping for the detection of structural variants in sarcomas

Universiteit Gent
2026
Jason
Legein
Sarcomen zijn zeldzame kankers die ontstaan in bindweefsel zoals bot, spier en vet. Door hun grote genetische diversiteit is een correcte diagnose vaak complex en vereist ze meerdere aparte moleculaire testen (FISH, copy number-analyse, RNA-sequencing), die elk maar een deel van het genetische plaatje tonen.
Deze masterthesis onderzocht of Optical Genome Mapping (OGM), een nieuwe techniek die het DNA rechtstreeks visualiseert in plaats van het uit te lezen, dit diagnostische traject kan vereenvoudigen. OGM werd toegepast op rhabdomyosarcoom-cellijnen en op patiënt-afgeleide tumoroïden, en de resultaten werden vergeleken met de klassieke cytogenetische technieken. Daarnaast werd het protocol voor het isoleren van ultra-hoogmoleculair DNA uit primair tumorweefsel geoptimaliseerd, aangezien dit de belangrijkste praktische hindernis bleek voor een betrouwbare toepassing van de techniek.
De resultaten tonen dat OGM klinisch relevante afwijkingen kan detecteren in één enkele test, waaronder de kenmerkende PAX3::FOXO1-fusie bij rhabdomyosarcoom en complexe genomische herschikkingen bij een maligne perifere zenuwschedetumor (MPNST), met volledige overeenstemming met de standaardtechnieken. Tegelijk bleek de kwaliteit van het DNA sterk af te hangen van weefseltype, staalgrootte en de tijd tussen operatie en invriezing, factoren die nu voor het eerst systematisch in kaart werden gebracht.
Deze thesis toont aan dat OGM een waardevolle aanvulling kan zijn op de bestaande diagnostische aanpak bij sarcomen, en legt de basis voor verdere optimalisatie richting klinische implementatie.
Meer lezen