Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Human Art

Hogeschool PXL
2026
Michelle
Liekens
Welke invloed heeft de hedendaagse technologische revolutie op de kunstwereld en de samenleving? Welke obstakels of valkuilen moeten we voor oppassen, en hoe kunnen we ervoor zorgen dat de overvloedige belofte van vooruitgang ons niet recht naar een ramp toe leidt? Deze scriptie onderzoekt waar de problemen liggen, contextualiseert deze aan de hand van geschiedkundige gebeurtenissen, en vormt inzichten over hoe we hoop kunnen voeden en behouden.
Meer lezen

Een zee aan informatie: overstelpt of ondersteund tijdens de eerste zwangerschap?

Arteveldehogeschool Gent
2026
Anouk
Michiels
Tijdens de zwangerschap worden primigravidae geconfronteerd met een grote
hoeveelheid informatie afkomstig van uiteenlopende bronnen, zoals zorgverleners,
sociale media, digitale platformen en de directe omgeving. Hoewel toegang tot
informatie essentieel is binnen prenatale zorg en geïnformeerde besluitvorming, kan
deze overvloed aan informatie leiden tot informatie-overload. Deze bachelorproef heeft
als doel te onderzoeken in welke mate prenatale infosessies bijdragen aan of
beschermen tegen informatie-overload bij primigravidae. Deze bachelorproef betreft
een literatuurstudie waarbij wetenschappelijke artikels, richtlijnen en
beleidsdocumenten werden geraadpleegd met betrekking tot informatie-overload,
prenatale infosessies, gezondheidsvaardigheden en perinatale informatieverstrekking.
Daarnaast werd een praktijkdeel uitgevoerd in de vorm van informele koffiemomenten
met primigravidae voorafgaand aan prenatale infosessies. Binnen dit praktijkdeel werd
geen formele dataverzameling of wetenschappelijke analyse uitgevoerd. De
geraadpleegde literatuur toont aan dat informatie-overload tijdens de zwangerschap
een complex en multifactorieel fenomeen is. Factoren zoals de hoeveelheid en
complexiteit van informatie, digitale informatiebronnen, gezondheidsvaardigheden en
de organisatie van prenatale zorg lijken hierbij een rol te spelen. Prenatale infosessies
kunnen enerzijds bijdragen aan kennisvergroting, ondersteuning en het versterken van
self-efficacy, maar anderzijds kunnen grote hoeveelheden of onvoldoende afgestemde
informatie gevoelens van stress en cognitieve belasting versterken. Daarnaast blijkt dat
er momenteel nog beperkt rechtstreeks wetenschappelijk onderzoek beschikbaar is
naar de specifieke relatie tussen prenatale infosessies en informatie-overload bij
primigravidae. Deze bevindingen onderstrepen het belang van afgestemde, gefaseerde
en begrijpelijke informatieverstrekking binnen de prenatale zorg, met bijzondere
aandacht voor het beperken van cognitieve belasting bij primigravidae.
Meer lezen

Versnipperd voorgelicht. Een mondelinge geschiedenis van de seksuele opvoeding van Vlaamse vrouwen in de jaren 1960 en 1970

KU Leuven
2026
Sam
Franssen
Deze masterproef onderzoekt de ervaringen van Vlaamse vrouwen met seksuele opvoeding in de jaren 1960 en 1970. Waar de Belgische geschiedschrijving zich tot nu toe vooral heeft gericht op de institutionele context en de producenten van deze voorlichting, bleef de manier waarop individuen seksuele informatie ontvingen, interpreteerden en toepasten grotendeels onderbelicht. Aan de hand van elf diepte-interviews en aanvullend archiefmateriaal analyseert deze thesis niet enkel via welke kanalen vrouwen seksuele opvoeding ontvingen, maar ook hoe zij deze voorlichting beleefden en hoe deze informatie betekenis kreeg. Het onderzoek sluit daarmee aan bij een internationale tendens om de geschiedenis van seksualiteit te benaderen vanuit mondelinge geschiedenis, terwijl het ook een lacune in de Belgische historiografie opvult door de nadruk te verschuiven van productie naar ervaring.

De getuigenissen maken duidelijk dat de toenemende seksuele vrijheid en openheid van deze tijdsperiode zich niet automatisch vertaalden in een mentaliteitswijziging in het spreken over seksualiteit. Seksuele voorlichting in de jaren zestig en zeventig kan dan ook niet louter begrepen worden als een proces van kennisoverdracht, maar veeleer als een complex en gelaagd proces waarin informatie, normen, emoties en sociale relaties onlosmakelijk met elkaar verbonden waren.
Meer lezen

Op zoek naar de mentale littekens van een val in het profwielrennen

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Rien
Debaere
In de wielerwereld gaat veel aandacht uit naar de fysieke revalidatie, maar het mentale aspect blijft vaak onderbelicht. Profploegen investeren steeds meer in psychosociale begeleiding door mental coaches en sportpsychologen aan te werven. Al blijft de stap zetten naar een psycholoog voor veel renners nog een taboe. De videoreportage onderzoekt dan ook de mentale impact van een val in het profwielrennen. Wedstrijd- en trainingsbeelden en interviews met profwielrenner Xandro Meurisse en zijn vrouw Steffi Dervaux, profwielrenner Jasper De Buyst, osteopaat Pieter De Niel en sportpsycholoog Inez Swinnen maken deel uit van mijn eindwerk.
Meer lezen

VALIDATIESTUDIE VAN DE PAEDIATRIC PALLIATIVE SCREENING SCALE

Universiteit Gent
2026
Stefanie
Thienpont
Probleemstelling: Hoewel de medische vooruitgang de mortaliteit bij kinderen doet
dalen, neemt het aantal pediatrische patiënten met levensbedreigende en
levensbeperkende aandoeningen toe. Ondanks de noodzaak aan gespecialiseerde
pediatrische palliatieve zorg, ontbreekt er in België een meetinstrument om palliatieve
zorgnoden te identificeren bij kinderen.

Doelstelling: Psychometrische evaluatie en validatie van de Nederlandstalige
Paediatric Palliative Screening schaal (PaPaS).
Design en methode: Psychometrische evaluatiestudie. In fase één werd een forward-
backward vertaling gedaan. In fase twee werd een Delphi-studie uitgevoerd. In fase drie
werden de predictieve validiteit beoordeeld op basis van een retrospectieve chart review,
waar de PaPaS schaal werd ingevuld op basis van het patiëntendossier.

Resultaten: De Nederlandse PaPaS resulteerde uit de forward-backward vertaling en
werd gebruikt in een Delphi-studie. Na ronde twee was er consensus, waarbij voor elk
item een I-CVI >0.78 en een S-CVI=0.98 werd behaald. Er werden enkel aanpassingen
gedaan in de woordkeuze. De analyse van de betrouwbaarheid vertoonde bij de test-
hertest een ICC=0.88 en een WK=0.81. De inter-rater beoordeling gaf een ICC= 0.73 en
een WK= 0.47. Somscores 15 tot en met 24 (OR= 75.41; p<0.001) en somscore 25
(OR=1811.66; p<0.001) hebben significante verhoogde kans op het feitelijk krijgen van
PPZ ten opzichte van de referentiegroep.

Conclusie: De Nederlandse PaPaS schaal toonde een goede face- en content validity
en een hoge test-hertest betrouwbaarheid. De lagere inter-rater betrouwbaarheid wijst
op de subjectiviteit van de schaal. De predictieve validiteit is het sterkste bij somscore
25. De PaPaS schaal kan zorgverleners ondersteunen in hun klinisch oordeel.
Meer lezen

Hoe kan De Wijkpraktijk haar patiëntenpopulatie heroriënteren naar de afgebakende werkzone zonder de continuïteit of toegankelijkheid van zorg in het gedrang te brengen?

AP Hogeschool Antwerpen
2026
Sarah
Van Camp
Mijn bachelorproef onderzoekt hoe De Wijkpraktijk haar patiëntenpopulatie opnieuw kan afstemmen op de vooropgestelde werkzone, zonder de continuïteit en toegankelijkheid van zorg in het gedrang te brengen.
Uit analyses blijkt dat een aanzienlijk deel van de patiënten buiten deze werkzone woont, waardoor de draagkracht van de praktijk en de wijkgerichte werking onder druk komen te staan.
Aan de hand van een analyse van de patiëntenpopulatie, literatuuronderzoek en gesprekken binnen de praktijk werd onderzocht welke patiënten prioriteit krijgen en hoe een geleidelijke heroriëntering kan verlopen. Hierbij werden onder meer afstand, kwetsbaarheid, de therapeutische relatie en de beschikbaarheid van huisartsen in de regio meegenomen.
Het resultaat is een concreet en gefaseerd actieplan waarbij nieuwe patiënten buiten de werkzone niet langer worden aangenomen en bestaande patiënten geleidelijk worden begeleid naar een huisarts dichter bij hun woonplaats. Daarbij wordt aandacht besteed aan communicatie, opvolging, begeleiding, overdracht van medische gegevens en duidelijke verantwoordelijkheden binnen het praktijkteam.
De bachelorproef wil zo bijdragen aan een duurzame organisatie van de huisartsenzorg, waarbij de praktijk haar wijkgerichte opdracht kan blijven waarmaken en tegelijk de continuïteit en de toegankelijkheid van zorg voor bestaande patiënten zoveel mogelijk waarborgt.
Meer lezen

Unraveling the drivers of river lamprey migration using telemetry data

Universiteit Gent
2026
Wannes
Perdaen
Wereldwijd worden rivieren gefragmenteerd door menselijke constructies zoals sluizen en stuwen. Ze vormen barrières die de migratie van vissen bemoeilijken en hun levenscyclus ernstig verstoren. In het kader van dit probleem onderzoekt deze masterproef de impact van rivierfragmentatie op de stroomopwaartse migratie van de Europese rivierprik (Lampetra fluviatilis). Met akoestische zendertechnologie werden vijftig rivierprikken doorheen de Schelde gevolgd, en werd hun migratiegedrag geanalyseerd, samen met de factoren die hun migratiesucces beïnvloeden. Daarnaast werden overlevingsanalyse en een individu-gebaseerd model gebruikt om migratiepatronen te bestuderen en verschillende scenario’s voor rivierbeheer te simuleren.

Slechts drie van de vijftig gezenderde rivierprikken raakten voorbij de eerste twee grote migratieknelpunten. De resultaten toonden aan dat waterafvoer, waterniveau en de bediening van stuwen de kans op een succesvolle passage beïnvloeden. Aangelegde vispassages maakten oversteek mogelijk voor de beperkte groep vissen die ze bereikte. Bovendien benadrukten simulaties het belang van vispassages en aangepast stuwbeheer voor het verbeteren van de vismigratie. De resultaten brengen belangrijke knelpunten in kaart en bieden aanknopingspunten voor een beter rivierbeheer, ook met het oog op toekomstige droogteperiodes.
Meer lezen

Falling in love with automatic fall detection

Hogeschool UCLL
2026
Mirke
Brichard
Titel bachelorproef: Falling in love with automatic fall detection

Onderzoeksvraag: Wat is het effect van het gebruik van automatische draagbare valdetectiesystemen op de werking en responstijd bij valincidenten in vergelijking met traditionele draagbare valdetectiesystemen zonder automatische valdetectie bij thuiswonende ouderen vanaf 65 jaar met een valincident?


1. De kern van het probleem en de maatschappelijke maat
In België valt jaarlijks bijna één op de vier 65-plussers minstens één keer. Vallen is niet alleen een medisch incident, maar vormt ook de start van een verhoogd risico op fysieke verwondingen, functionele achteruitgang, sociale isolatie en angst om opnieuw te vallen.
Traditionele personenalarmsystemen, zoals de klassieke alarmknop aan de hals of pols, kennen in de praktijk enkele beperkingen. Ze vereisen een actieve handeling van het slachtoffer. Bij bewusteloosheid, verwarring of wanneer het toestel niet gedragen wordt, blijft hulp uit. Dit kan leiden tot het zogenaamde long lie-fenomeen, waarbij ouderen langere tijd op de grond blijven liggen. Dit kan het risico op complicaties zoals hypothermie, dehydratie en rhabdomyolyse verhogen en in ernstige gevallen zelfs bijdragen aan overlijden. Daarnaast kunnen valincidenten leiden tot ziekenhuisopnames en een bijkomende belasting voor de zorgverlening.

2. De vernieuwende oplossing: automatische valdetectie
Deze bachelorproef onderzoekt en vergelijkt de werking, betrouwbaarheid en responstijd van automatische draagbare valdetectiesystemen, zoals gespecialiseerde sensoren, smartwatches en man-downsystemen, met traditionele alarmknoppen bij thuiswonende 65-plussers.
Automatische systemen maken gebruik van bewegingssensoren, zoals accelerometers en gyroscopen, en algoritmen om bewegingspatronen te herkennen. Ze kunnen een val automatisch detecteren en een alarm activeren, ook wanneer de oudere dit zelf niet meer kan.
Belangrijkste inzichten en resultaten:
• Responstijd: De onderzochte automatische systemen vertoonden over het algemeen een korte responstijd. Bij gespecialiseerde valdetectiesystemen varieerde deze in de gevonden studies van 1 tot 50 seconden.
• Gespecialiseerde systemen: Systemen die op of dicht bij het lichaamszwaartepunt worden gedragen, lieten in de onderzochte studies doorgaans goede resultaten zien op het vlak van valdetectie.
• Smartwatches en man-downsystemen: Smartwatches bieden het voordeel van een hoge draagbaarheid en sociale aanvaarding, maar kennen in de onderzochte systemen een tragere responstijd van ongeveer 60–90 seconden en kunnen gevoeliger zijn voor fout-positieve meldingen door dagelijkse polsbewegingen. Man-downsystemen richten zich voornamelijk op het detecteren van langdurige immobiliteit en kunnen daarom een aanvullende functie hebben bij bepaalde doelgroepen.

3. Waarde voor verpleegkunde, thuiszorg en CM
Automatische valdetectie kan aansluiten bij kwaliteitsvolle, mensgerichte en duurzame thuiszorg.
1. Patiëntgerichtheid en zelfstandigheid: Automatische detectie kan bijdragen aan een groter gevoel van veiligheid en kan ouderen ondersteunen om langer zelfstandig thuis te wonen.
2. Duurzaamheid van zorg: Door een val sneller te detecteren, kan de periode waarin iemand zonder hulp op de grond ligt worden verkort. Hierdoor kunnen bepaalde complicaties mogelijk worden beperkt en kan de druk op de zorgverlening worden verminderd.
3. Proactieve verpleegkundige rol: Verpleegkundigen kunnen een belangrijke rol spelen bij het inschatten van de noden van de patiënt, het kiezen van een geschikt systeem en het begeleiden van de oudere bij het gebruik ervan.

4. Concrete aanbevelingen voor het werkveld
• Inzetten op draagbare sensoren dicht bij het lichaamszwaartepunt: Bij de keuze van een systeem kan worden nagegaan of een sensor ter hoogte van de heup of romp geschikt is voor de individuele gebruiker, aangezien dergelijke systemen in de onderzochte studies goede resultaten lieten zien.
• Focus op sensitiviteit: Geef bij de keuze van een automatisch valdetectiesysteem de voorkeur aan systemen met een hoge sensitiviteit, zodat het risico dat een val niet wordt gedetecteerd zo klein mogelijk blijft en de kans op complicaties door een long lie mogelijk wordt beperkt.
• AI en machine learning verder opvolgen: Verdere ontwikkelingen binnen AI en machine learning kunnen in de toekomst bijdragen aan een betere herkenning van bewegingspatronen en mogelijk het aantal fout-positieve meldingen verminderen. Dit vraagt echter nog verder onderzoek in realistische thuissituaties.
• Multidisciplinaire samenwerking en praktijkonderzoek: Verder onderzoek in de daadwerkelijke thuissituatie is belangrijk om na te gaan hoe betrouwbaar, gebruiksvriendelijk en haalbaar deze systemen zijn. Hierbij is samenwerking tussen verpleegkundigen, andere zorgverleners, technologieontwikkelaars en beleidsmakers relevant.

Conclusie
Automatische valdetectie biedt perspectief om de veiligheid van thuiswonende ouderen te vergroten en de tijd tussen een val en het inschakelen van hulp te verkorten. De technologie kan een belangrijke aanvulling vormen op bestaande personenalarmsystemen, vooral voor ouderen die na een val niet zelfstandig een alarm kunnen activeren.
Voor de verpleegkundige praktijk ligt hierbij een belangrijke rol in het beoordelen van de individuele noden van de oudere en het mee zoeken naar een systeem dat aansluit bij diens mogelijkheden, leefomgeving en bereidheid om het te gebruiken. Op die manier kan technologie niet de zorg vervangen, maar verpleegkundigen ondersteunen in het bieden van veilige, patiëntgerichte en toekomstgerichte thuiszorg.
Meer lezen

Van educatie tot zelfzorg: de impact van verpleegkundige ontslagvoorbereiding op herstel bij patiënten na cardiochirurgie

Thomas More Hogeschool
2026
Wouter
Notelteirs
Van educatie tot zelfzorg: de impact van verpleegkundige ontslagvoorbereiding op herstel bij patiënten na cardiochirurgie

Een cardiochirurgische ingreep is voor veel patiënten een ingrijpende gebeurtenis die gepaard gaat met een intensief en kwetsbaar herstelproces. Waar de zorg tijdens de ziekenhuisopname nauwgezet georganiseerd is, blijkt de uiteindelijke overgang van het ziekenhuis naar de thuissituatie in de praktijk vaak een kritiek moment. Patiënten kampen na de operatie niet alleen met fysieke ongemakken zoals pijn, vermoeidheid en een beperkte mobiliteit, maar worden thuis ook geconfronteerd met onzekerheid en angst. Vragen over wat veilig is qua beweging, hoe wondzorg moet worden uitgevoerd of hoe de medicatie correct moet worden ingesteld, zorgen regelmatig voor twijfels. Zonder adequate ondersteuning kan deze onzekerheid leiden tot een moeizamer herstel, problemen met therapietrouw en in het slechtste geval zelfs tot vermijdbare complicaties of ongeplande heropnames.

Om te onderzoeken hoe deze overgang beter kan worden begeleid, richtte dit Evidence-Based Nursing (EBN) onderzoek zich op de vraag welke rol verpleegkundige educatie en ontslagvoorbereiding spelen in het herstel en de zelfzorg van volwassen patiënten na cardiochirurgie. Aan de hand van een systematische literatuurstudie van zestien recente wetenschappelijke studies – waaronder gerandomiseerde gecontroleerde studies en systematische reviews – werden de effecten van verpleegkundige interventies op fysiek, psychologisch en klinisch vlak in kaart gebracht.

Uit de resultaten blijkt overtuigend dat doelgerichte verpleegkundige begeleiding een cruciale succesfactor is. Vroegtijdige en gestructureerde patiënteneducatie vermindert angst- en depressiescores significant, verhoogt het inzicht in het ziektebeeld en leidt tot een hogere tevredenheid bij de patiënt. Op fysiek vlak draagt een goede voorbereiding bij aan een korter verblijf op de intensieve zorgen, betere ademhalingsparameters en een effectievere pijnbestrijding. Wanneer educatie bovendien wordt gecombineerd met een individueel afgestemd ontslagplan en een actieve opvolging na de hospitalisatie – bijvoorbeeld via telefonische contacten of naloopzorg – voelen patiënten zich aanzienlijk beter voorbereid op hun thuisherstel. Dit verhoogt de zogenaamde discharge readiness en dringt het aantal heropnames aantoonbaar terug.

Centraal in dit gehele proces staat het stimuleren van de zelfzorgcapaciteit. Zelfzorg gaat verder dan het opvolgen van medische voorschriften; het omvat de vaardigheden en het zelfvertrouwen (self-efficacy) die een patiënt nodig heeft om dagelijks de eigen gezondheid te bewaken en gepast te reageren op lichamelijke signalen. Omdat factoren zoals gezondheidsgeletterdheid (health literacy) sterk verschillen per persoon, werkt een standaardfolder of een eenmalig gesprek bij het afscheid niet. Informatie dient stapsgewijs, op maat en in begrijpelijke taal te worden aangeboden.

Dit onderzoek onderstreept dat verpleegkundigen de sleutelfiguur vormen in het overbruggen van de kloof tussen het ziekenhuis en de thuissituatie. Ontslagvoorbereiding mag niet worden beschouwd als een administratieve handeling op de dag van vertrek, maar als een doorlopend, gestandaardiseerd zorgpad dat reeds bij opname start en doorloopt tot in de eerstelijnszorg en hartrevalidatie. Door binnen verpleegkundige teams te streven naar een uniforme, evidence-based aanpak kan de continuïteit en kwaliteit van zorg naar een hoger niveau worden getild, met als ultiem doel dat patiënten met meer vertrouwen en veerkracht aan hun herstel bouwen.
Meer lezen

VOLUMETRIC BIOPRINTING FOR LUNG TISSUE ENGINEERING: TOWARD FETAL LUNG MODELS

Universiteit Gent
2026
Robbert
Willemarck
Fotocrosslinkbare gelatinederivaten worden veel gebruikt als biomaterialen voor lichtgebaseerde bioprinttechnieken. Tot de meest gevestigde materialen behoren gelatine-methacryloyl (GelMA) en gelatine-norborneen (GelNB), dankzij hun gunstige mechanische eigenschappen, goede verwerkbaarheid en biocompatibiliteit. Voortbouwend op de voordelen van beide systemen werd een dubbel photocrosslinkable gelatinederivaat ontwikkeld, gelatine-methacryloyl-norborneen (GelMANB), dat chain growth - en step growth-polymerisatie combineert. Hiermee wordt de afstembaarheid van het materiaal vergroot voor toepassingen binnen de longweefselengineering.

GelMANB werd gesynthetiseerd en gekarakteriseerd met protonkernspinresonantiespectroscopie (1H-NMR) om de substitutiegraden (DS) van zowel de methacryloyl- als de norborneengroepen te bepalen. Bioresins werden geformuleerd met verschillende polymeerconcentraties en gecrosslinkt met diverse thiolhoudende crosslinkers, waaronder dithiothreitol (DTT), polyethyleenglycoldithiol (PEG2SH), gethioleerde gelatine (GelSH) en een nieuw ontwikkeld gethioleerd elastine (ElnSH). De fysisch-chemische eigenschappen werden geëvalueerd aan de hand van photorheology, tensile test, frequentiesweepanalyses, gel-fractie- en zwelstudies. De verwerkbaarheid werd onderzocht met behulp van volumetric additive manufacturing (VAM). Daarnaast werden celbeladen GelMANB-bioresins gebioprint en werd de biocompatibiliteit geëvalueerd met MRC-5-fibroblasten via post-printing assays voor celviabiliteit en proliferatie.

1H-NMR-analyses bevestigden een succesvolle dubbele functionalisatie van gelatine met een afstembare substitutiegraad. GelMANB vertoonde een breed en controleerbaar spectrum aan mechanische eigenschappen, afhankelijk van de polymeerconcentratie en de gekozen crosslinker. De incorporatie van GelSH resulteerde in stijvere hydrogels, terwijl DTT en ElnSH materialen opleverden met mechanische eigenschappen die beter aansluiten bij die van longweefsel. Opmerkelijk was dat GelMANB/ElnSH-bioresins een hogere cytocompatibiliteit vertoonden dan GelMA-gebaseerde systemen.

Deze resultaten tonen aan dat GelMANB een veelzijdig en celvriendelijk fotocrosslinkbaar biomateriaal is voor lichtgebaseerde bioprinttechnieken. Dankzij de verbeterde afstembaarheid en verhoogde biologische relevantie biedt dit materiaal een veelbelovend platform voor de vervaardiging van fysiologisch relevante longweefselmodellen.
Meer lezen

Identifying optimal locations to install permanent Chinese mitten crab traps in East Flanders

HOGENT
2026
Sander
Benoot
The Chinese mitten crab is a widespread invasive alien species. To mitigate its impacts,
eƯective management measures, such as the deployment of permanent traps, are essential. To
date, however, an objective method for selecting sites for this costly infrastructure has been
lacking. This study aims to objectify the site selection process by systematically evaluating
potential locations using an assessment protocol to prioritize the most suitable sites.
A two-tiered approach was implemented for this purpose. First, a macro-level analysis was
conducted through data acquisition, a GIS analysis, and the use of a decision tree. The resulting
locations were subsequently validated using the assessment protocol to evaluate their local
suitability on-site.
The evaluation yielded locations with varying scores. Two sites achieved the maximum 'A'
score, indicating they theoretically oƯer the highest potential for installing permanent traps in
the future. No critically poor locations were identified, with a 'C' score being the lowest
recorded. This indicates that the pre-study serves as a reliable initial filter. Nevertheless, the
field evaluations exposed several contradictions and redundancies within the protocol,
particularly regarding parameters such as flow velocity, permitting procedures, and private
property access.
In conclusion, combining a GIS pre-study with the (originally British) assessment protocol
proves to be an eƯective methodology for site selection, given that no truly poor locations were
identified. Provided that minor adjustments are made to align the protocol with the Flemish
context, this workflow oƯers a good framework. Through this approach, poor site-selection can
be avoided, and investments can be made where they are eƯectively needed.
Meer lezen

Wandelen als artistiek-pedagogische methode in woonzorgcentra

Erasmushogeschool Brussel
2026
Marthe
Verschaeve
Deze scriptie onderzoekt hoe wandelen als artistiek-pedagogische methode ingezet kan worden in een woonzorgcentrum. Vertrekkend vanuit de vaststelling dat veel bewoners geconfronteerd worden met beperkte mobiliteit, routines en een verlies aan autonomie, gaat het onderzoek na hoe wandelen kan bijdragen aan aandacht, verwondering, betekenisgeving en verbinding. Centraal staat daarbij de wisselwerking tussen wandelen en kunst: wandelopdrachten worden geïnspireerd door kunstenaars, artistieke praktijken en kunstzinnige manieren van kijken.

Via participatief actieonderzoek worden verschillende wandelopdrachten ontwikkeld en getest met drie bewoners van een woonzorgcentrum. Naast fysieke wandelingen wordt ook geëxperimenteerd met alternatieve vormen van wandelen, zoals fotografie, tekenen, herinneringen, geluiden en virtuele verplaatsingen. Deze opdrachten nodigen bewoners uit om hun omgeving en leefwereld op een andere manier waar te nemen en hier actief betekenis aan te geven.

De resultaten tonen aan dat wandelen, wanneer het verbonden wordt met artistieke processen, meer is dan een fysieke activiteit. Het kan bijdragen aan autonomie, verwondering, verbeeldingskracht, ontmoeting en zingeving. Daarnaast blijkt dat ook imaginaire en niet-fysieke vormen van wandelen waardevol kunnen zijn voor bewoners met een beperkte mobiliteit. De scriptie mondt uit in een toolbox met artistieke wandelopdrachten die verder kunnen worden ingezet en onderzocht binnen woonzorgcentra.
Meer lezen

Oe Ist?

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Anne-Laure
Debosschere
Voor mijn bachelorproef onderzocht ik hoe jongeren tussen 16 en 25 jaar hun weg vinden naar psychologische hulp en of ze die hulp ook volhouden. Het resultaat is Oe ist?, een magazine met zeven persoonlijke portretten van jongeren, aangevuld met duiding van een jeugdpsychiater en een jongerencoach, en een praktische hulpgids.
Meer lezen

Vrije bezoekuren op intensieve zorg: een analyse van effecten op patiënt, familie en zorgverleners met aanbevelingen voor de klinische praktijk.

Hogeschool UCLL
2026
Carmen
García Soler
Vanuit mijn stage op intensieve zorgen groeide mijn interesse in de impact van bezoekuren op patiënten, hun naasten en verpleegkundigen. Met dit onderzoek wilde ik verder gaan dan het in kaart brengen van de effecten van een flexibel bezoekbeleid en nagaan hoe wetenschappelijke evidentie daadwerkelijk kan worden vertaald naar de klinische praktijk. De combinatie van wetenschappelijke onderbouwing, praktijkgerichte aanbevelingen en een concreet implementatieplan maakt dat het onderzoek niet alleen relevant is voor de betrokken patiënt en familie, maar ook handvatten biedt aan verpleegkundigen en zorginstellingen die hun bezoekbeleid verder willen ontwikkelen. Ik hoop hiermee bij te dragen aan een zorgpraktijk waarin niet alleen de patiënt centraal staat, maar waarin ook naasten en zorgverleners een volwaardige plaats krijgen en verandering op een onderbouwde en duurzame manier wordt gerealiseerd.
Meer lezen

Noodsituaties bij endocriene en niet-endocriene aandoeningen

Universiteit Antwerpen
2026
Rhode
Mendonck
Deze scriptie biedt een korte samenvatting
van het geleverde onderzoek en toont de weg naar een
nieuw product dat gebruikt wordt voor patiënten met
bijnierschorsinsufficiëntie in levensbedreigende situaties.
Bijnierschorsinsufficiëntie is een endocriene ofwel
hormonale aandoening, die niet te genezen is.
Momenteel ondervindt elke patiënt met de aandoening
bijnierschorsinsufficiëntie angst en stress door de extra
complicaties, zoals een crisis, die komen kijken bij deze
ziekte. De hulpmiddelen die nu bestaan zijn te moeilijk
te hanteren en zorgen voor wantrouwen bij de patiënt.
Een verbetering van deze hulpmiddelen helpt niet alleen
fysiek maar vermindert ook de mentale klachten die hier
het gevolg van zijn.

Het doel is om de herkenbaarheid bij omstaanders te
vergroten en de angst bij alle betrokkenen te beperken.
Meer lezen

Tussen Zorg en Controle: Een kwalitatieve verkenning van patiëntenervaringen met het Belgisch activeringsbeleid

Universiteit Gent
2026
Aysenur
Akkus
In België neemt het aantal langdurig zieken toe, wat heeft geleid tot een beleid dat sterk inzet op 'activering'. Via verplichte medische herbeoordelingen en specifieke trajecten streeft de overheid naar een snellere terugkeer naar de arbeidsmarkt. Dit kwalitatief onderzoek gaat na hoe langdurig zieken het huidige activeringsbeleid beleven en welke drempels een rol spelen in hun traject.
De resultaten belichten specifiek de subjectieve beleving van de patiënt. Hieruit blijkt een duidelijke kloof tussen de beleidsintenties en de dagelijkse realiteit van de patiënt. Het maatschappelijke en politieke debat rond activering gaat voor veel respondenten gepaard met gevoelens van schaamte en stigmatisering. Tijdens de medische controles ligt de nadruk bovendien vaak op objectief meetbare, fysieke parameters. Hierdoor dreigen 'onzichtbare' klachten, zoals chronische pijn of vermoeidheid, naar de achtergrond te verdwijnen. Voor veel patiënten voelt dit aan als een gebrek aan erkenning, wat het traject bemoeilijkt en leidt tot een extra mentale belasting.
Daarnaast toont het onderzoek de ingrijpende emotionele en sociale impact van langdurige ziekte aan, waaronder een verlies van eigenwaarde. De patiënten zelf geven aan sterk gemotiveerd te zijn om opnieuw deel te nemen aan de arbeidsmarkt. Deze vaststelling wijkt af van de aannames die ten grondslag liggen aan het huidige activeringsbeleid. Ondanks deze motivatie ervaren patiënten in de praktijk echter aanzienlijke barrières. De vrees voor onbegrip en discriminatie op de arbeidsmarkt is groot. Patiënten benadrukken in hun antwoorden dan ook de dringende nood aan structureel maatwerk en een beter maatschappelijk begrip voor de onvrijwillige aard van hun ziekte.
Aangezien het thema van langdurige ziekte en re-integratie hoog op de maatschappelijke agenda staat, kunnen de resultaten van dit onderzoek waardevolle informatie bieden omtrent de mogelijke werkpunten van het huidige beleid. De studie suggereert dat een eenzijdige focus op de individuele verantwoordelijkheid van de patiënt onvoldoende is voor een duurzame werkhervatting. Deze masterproef kan dienen om handvatten aan te reiken voor een verschuiving naar gedeelde verantwoordelijkheid. Voor controle-instanties betekent dit het belang inzien van een bredere, meer empathische benadering van ziekte. Tegelijkertijd is er nood aan een inclusiever beleid dat actief inzet op maatwerk en het doorbreken van heersende stigma's, zodat de drempel naar een duurzame werkhervatting daadwerkelijk verlaagd wordt.
Meer lezen

Verpleegkundige aandachtspunten bij gebruik van antipsychotica tijdens een zwangerschap

Thomas More Hogeschool
2026
Ramona
Westerveld
Deze bachelorproef onderzoekt welke verpleegkundige aandachtspunten belangrijk zijn bij de begeleiding van zwangere zorgvragers die antipsychotica gebruiken. Een zwangerschap in combinatie met een psychiatrische aandoening brengt een complex zorgvraagstuk met zich mee: zorgverleners moeten de mogelijke risico’s van medicatie afwegen tegen de risico’s van onbehandelde psychiatrische problematiek voor ouder en kind.

Aan de hand van een literatuurstudie werd onderzocht welke effecten antipsychotica tijdens de zwangerschap kunnen hebben en welke rol verpleegkundigen kunnen opnemen in de begeleiding. Uit de huidige wetenschappelijke literatuur blijkt geen duidelijk verhoogd risico op ernstige aangeboren afwijkingen. Wel worden verbanden beschreven met onder andere vroeggeboorte, een lager geboortegewicht en tijdelijke aanpassingsproblemen bij pasgeborenen. Tegelijk is het moeilijk om deze effecten rechtstreeks toe te schrijven aan de medicatie, omdat ook de onderliggende psychiatrische aandoening en andere factoren een belangrijke rol spelen.

De resultaten benadrukken het belang van een individuele en multidisciplinaire aanpak. Verpleegkundigen spelen daarbij een belangrijke rol in monitoring, educatie, ondersteuning en zorgcoördinatie. Zowel bij het verderzetten als bij het afbouwen of stopzetten van antipsychotica is een zorgvuldige opvolging van het psychische en lichamelijke welzijn van de zwangere zorgvrager essentieel.
Meer lezen

Bouw multifunctioneel sportcomplex Benin (Cotonou)

Hogeschool VIVES
2026
Fenna
Vanhoutte
Mijn eindproef onderzoekt de haalbaarheid en ontwikkeling van een multifunctioneel sportcomplex in Cotonou, Benin, op vraag van de Port Autonome de Cotonou. Het project vertrekt vanuit de vaststelling dat er nood is aan kwalitatieve en toegankelijke sportinfrastructuur die aansluit bij de lokale context en behoeften.

De centrale onderzoeksvraag luidt: Hoe kan de ontwikkeling van een multifunctioneel sportcomplex in Cotonou bijdragen aan sportparticipatie en talentontwikkeling en bovendien maatschappelijke meerwaarde creëren binnen een financieel haalbaar en duurzaam exploitatiemodel?

Om deze vraag te beantwoorden, bracht ik de lokale sportcontext, bestaande infrastructuur, behoeften van verschillende doelgroepen en relevante stakeholders in kaart. Op basis van dit onderzoek deed ik aanbevelingen voor de mogelijke realisatie van het sportcomplex. Daarbij werd niet alleen gekeken naar de ruimtelijke en sportieve invulling, maar ook naar de manier waarop het complex op lange termijn kan functioneren.

De eindproef resulteert in een totaalconcept voor een sportsite waarin verschillende sporten en gebruikers samenkomen. Naast het ruimtelijke voorstel omvat de studie ook een businessplan, financieel plan, risicoanalyse en een faseringsplan. Zo biedt de eindproef een onderbouwd kader voor de mogelijke verdere ontwikkeling van een sportcomplex dat sportieve, maatschappelijke en economische doelstellingen met elkaar verbindt.
Meer lezen

Een gevoelige buik op school

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Guuske
Creël
Mijn bachelorproef gaat over hoe leerkrachten leerlingen met een gevoelige buik beter kunnen begrijpen en ondersteunen op school. Buikklachten hebben namelijk niet alleen een lichamelijke impact, maar kunnen ook zorgen voor stress, schaamte, angst en concentratieproblemen. Via literatuuronderzoek, gesprekken met leerlingen en leerkrachten en observaties onderzocht ik waar leerlingen in de klaspraktijk tegenaan lopen en wat leerkrachten kunnen doen om hen beter te ondersteunen. Vanuit dit onderzoek ontwikkelde ik een praktische infobundel voor leerkrachten en een laagdrempelig pijninstrument waarmee leerlingen hun pijn kunnen aangeven zonder dit klassikaal te moeten vertellen.
Meer lezen

Voorbij het monsterbeeld: de haai als slachtoffer

HOGENT
2026
Marlies
Hemelinckx
Shark species are declining and anthropogenic pressures are on the rise.
This study investigates the occurrence and characteristics of anthropogenic injuries in bull sharks and oceanic blacktip sharks at Aliwal Shoal, Umkomaas, South Africa. The aim is to assess injury frequency, origin, type, anatomical distribution and seasonal variation, as well as the influence of photographic coverage on injury detection.
A total of 383 sharks were analysed, consisting of 53 bull sharks and 330 oceanic blacktip sharks. For bull sharks, 3,975 photographs were systematically reviewed, while 25,354 photographs were analysed for oceanic blacktip sharks. Data was collected using photographic records and classified according to injury presence, number, origin, type and body location. Seasonal patterns were derived from the month of observation and grouped into seasonal categories.
Anthropogenic injuries were recorded in both species, with a substantial proportion of individuals affected. Fishing-related injuries were the most frequent in both bull sharks and oceanic blacktip sharks, followed by vessel-related injuries. Most sharks exhibited a single injury, although multiple injuries per individual were also observed, particularly in oceanic blacktip sharks. Retained fishing gear and associated wounds were the most common injury type, while fins were the most frequently affected body region in both species.
Seasonal variation in newly observed injuries indicated differences in distribution across seasons, with relatively higher frequencies during warmer periods. Photographic analysis showed that a considerable proportion of sharks did not have full-body coverage, suggesting that some injuries may not have been detected and that reported values likely underestimate true occurrence.
Overall, the results demonstrate widespread anthropogenic interaction with sharks at Aliwal Shoal and highlight the importance of fisheries as the main source of injury, as well as the need for improved monitoring methods to better assess impacts on shark populations.
Meer lezen

WIENS STEM TELT IN HET DEBAT? Een onderzoek naar brondiversiteit en publieksbekendheid over dwingende controle in de Vlaamse pers

Vrije Universiteit Brussel
2026
Bruna
Rodrigues Bastos
Dwingende controle is een vorm van partnergeweld waarbij iemand stap voor stap de vrijheid van zijn of haar partner overneemt, via dreiging, isolatie en voortdurende controle. Fysiek geweld hoeft daar niet bij te horen. Toch geldt het als een van de belangrijkste voorspellers van femicide.

Daarom onderzoekt deze masterproef of dat begrip zichtbaar is in de Vlaamse pers, en of nieuwsgebruikers het kennen. Dat gebeurde op twee manieren. Een kwantitatieve inhoudsanalyse bracht de berichtgeving over partnergeweld in Het Laatste Nieuws en Het Nieuwsblad in kaart, met een vergelijking tussen 2022 en 2025, dus voor en na de femicidewet. Daarnaast peilde een online bevraging bij 150 respondenten hun kennis en hun beoordeling van de berichtgeving.

Uit de analyse blijkt dat de term dwingende controle in 2025 in amper 0,1 tot 0,2 procent van de artikelen expliciet voorkomt, terwijl het bijbehorende gedrag wel volop wordt beschreven. De berichtgeving leunt sterk op politie en gerecht, en verwijst zelden naar hulplijn 1712. Aan de ontvangstzijde voelt 84 procent van de bevraagden zich onvoldoende geïnformeerd om de signalen te herkennen.

Samen legt het onderzoek een duidelijke informatiekloof bloot tussen de journalistieke praktijk en wat nieuwsgebruikers nodig hebben, en formuleert het concrete aanbevelingen voor redacties.
Meer lezen

Van inzicht naar actie.

Thomas More Hogeschool
2026
Luci
Mioc
  • Stien
    Ceulemans
Therapieontrouw bij medicatie komt vaak voor, maar de onderliggende oorzaken blijven in de dagelijkse zorgpraktijk dikwijls onopgemerkt. Deze bachelorproef onderzoekt hoe zorgverleners therapieontrouw beter kunnen herkennen, de oorzaak ervan kunnen achterhalen en gerichte interventies kunnen inzetten.

Op basis van wetenschappelijke literatuur werden praktische hulpmiddelen ontwikkeld die zorgverleners ondersteunen in dit proces. De oplossing bestaat uit een digitale applicatie, de Therapietrouw Assistent Tool (TAT), aangevuld met praktische steekkaarten . Deze hulpmiddelen helpen zorgverleners om signalen van therapieontrouw systematisch te analyseren en evidence-based interventies toe te passen.

Met deze bachelorproef wordt de brug geslagen tussen wetenschappelijke inzichten en de dagelijkse praktijk. Het doel is de therapietrouw, de kwaliteit van zorg en leven en de patiëntgerichte begeleiding te verbeteren. Want therapieontrouw is geen falen van de patiënt of bewoner, maar een signaal naar de zorgverleners om beter te ondersteunen!
Meer lezen

FROM SPATIAL ECOLOGY TO ECOSYSTEM IMPACT: LARGE GRAZERS IN HEATH AND DUNE LANDSCAPES LINKING MOVEMENT BEHAVIOUR, HABITAT SELECTION, AND VEGETATION DYNAMICS IN THE WESTHOEK AND KALMTHOUTSE HEIDE

Universiteit Gent
2026
Jobbe
Vermandere
Het inzetten van vrij rondlopende grote herbivoren vormt een hoeksteen van het natuurbeheer in Europa. De bedoeling is om via extensieve begrazing natuurlijke processen te herstellen, zoals het tegenhouden van snelle vegetatiesuccessie en het in stand houden van de structurele diversiteit van open landschappen. Hierdoor wordt dit type beheer ook wel procesbeheer genoemd. In voedselarme ecosystemen, zoals kustduinen en laaglandheiden, heeft de wijdverspreide stikstofdepositie en het wegvallen van historische verstoringen geleid tot een snelle structurele achteruitgang. Dit uit zich voornamelijk in de vestiging van sterk competitieve grassen en kruidachtigen (vergrassing of verruiging) en de vestiging van dicht struikgewas (verstruweling),
waardoor gespecialiseerde pioniersoorten worden verdrongen en de biodiversiteit afneemt. Hoewel begrazing voor natuurbeheer op grote schaal wordt ingezet om deze bedreigingen te verminderen, blijven de precieze ruimtelijke mechanismen waarmee deze dieren habitat selecteren en interageren met fysieke infrastructuur complex en contextgebonden. Deze studie evalueerde de ruimtelijke ecologie en het vermogen tot ecosysteembeïnvloeding van grote herbivoren in twee structureel verschillende landschappen: de kustduinen van de Westhoek (begraasd door een gemengde groep paardachtigen bestaande uit Konikpaarden en Shetlandpony’s en een kudde Schotse hooglanders) en de laaglandheide van de Kalmthoutse Heide (begraasd door een kudde Galloway-runderen). Om de kloof tussen de bewegingen van individuele dieren en successieveranderingen op landschapsschaal te overbruggen, maakte dit onderzoek gebruik van een meerledig
methodologisch kader dat was onderverdeeld in drie afzonderlijke werkpakketten (WP). Ten eerste
werd Continuous-Time Movement Modelling (ctmm) toegepast op GPS-telemetriegegevens om
het gebruik van ruimte met grensbeperkingen en ruimtelijke verzadiging in kaart te brengen (WP1).
Deze benadering corrigeerde wiskundig voor inherente temporele autocorrelatie en maakte gebruik
van Degrees of Freedom (DOF)-filtering om robuuste Autocorrelated Kernel Density Estimates
(AKDE) te extraheren. Ten tweede werden geïntegreerde Resource Selection Functions (iRSF)
ingezet om de habitatkeuze op kleine schaal en de onderliggende milieubeperkingen te evalueren
(WP2). De iRSF-modellen gebruikten specifiek het AKDE-gebied van elk dier als
beschikbaarheidsbasis, waardoor de habitatkeuze strikt werd geëvalueerd ten opzichte van het
toegankelijke landschap, terwijl tegelijkertijd rekening werd gehouden met continue variabelen
zoals topografie, afstand tot water en afstand tot antropogene infrastructuur (paden en hekken).
Ten slotte werden vegetatiehoogtekaarten met hoge resolutie uit 2020 en 2025 in de Westhoek
geanalyseerd om dit ruimtelijk gedrag te koppelen aan structurele landschapsveranderingen
(WP3). Door ruimtelijke pixels te categoriseren in vegetationele overgangstoestanden (Stabiel,
Regressie of Toename), werd de cumulatieve ruimtegebruiksintensiteit van de paarden
gemodelleerd tegen abiotische stressfactoren om de werkelijke drijvende krachten achter de
vegetatiedynamiek te bepalen.
De ruimtelijke modellen (WP1) brachten fundamentele verschillen in de ruimtelijke basisecologie
aan het licht, die worden bepaald door eigenschappen op soortniveau en de dynamiek binnen de
kudde. Uit de ruimtelijke tracking bleek dat noch de paardachtigen in de Westhoek (na de corridor
opening) noch de Galloway-runderen op de Kalmthoutse Heide biologisch verzadigd zijn. Hun
leefgebieden worden dus niet volledig bepaald door de fysieke grenzen van de reservaten, wat
wijst op actieve en doelgerichte ruimtelijke keuzes. De Galloway-runderen vertoonden relatief grote
seizoensgebonden schommelingen in de omvang van het leefgebied, wat wijst op dynamische
aanpassingen aan de beschikbaarheid van voedselbronnen. Omgekeerd vertoonden de
paardachtigen in de Westhoek het hele jaar door relatief stabiele leefgebieden, wat wijst op een
biologisch verschil waarbij paardachtigen minder gevoelig zijn voor seizoensgebonden fenologie.
De paardachtigen vertoonden echter wel significante seizoensgebonden verschuivingen in hun
kerngebieden, wat bevestigt dat, hoewel hun totale gebied stabiel blijft, hun interne foerageerfocus
dynamisch verschuift. Bovendien zorgde een lage interindividuele variatie voor een vrij
samenhangende kuddedynamiek bij de runderen, terwijl een hoge interindividuele variatie onder
de paardachtigen leidde tot duidelijke divergentie tussen subkuddes. Daarnaast evalueerde WP1
de impact van het herstel van de landschapsconnectiviteit in de Westhoek via de opening van een
corridor in de winter van 2022-2023. Hoewel de opening een aanzienlijke uitbreiding van de
absolute omvang van de leefgebieden van de paardachtigen veroorzaakte, werd deze uitbreiding
niet uniform door de hele groep overgenomen, wat benadrukt dat landschapsconnectiviteit wordt
gemedieerd door lokale locatietrouwheid en interne sociale structuren.
De evaluatie van de habitatkeuze op kleinschalig niveau (WP2) bevestigde deze verschillen op
soortniveau nog eens extra. Op de Kalmthoutse Heide fungeerden de runderen als biologische
filters: ze zochten actief habitat op met een begraasbare laag (bijvoorbeeld gras- of boomopslag)
en vermeden zuivere heidegebieden zonder begraasbare laag. Deze selectie was het sterkst
tijdens de voorjaarsgroei en werd geleidelijk breder naarmate het groeiseizoen ten einde liep. In
de Westhoek kozen paardachtigen onevenredig vaak voor open, grasrijke vegetatie boven dicht
struikgewas, hoewel morfologische verschillen de kleinere Shetlandpony's waarschijnlijk in staat
stelden om ijle vegetatie (bijv. Schaarsbegroeid) en laag struikgewas (Kruipwilg_laagstruweel)
gunstiger te exploiteren. Deze divergentie geeft aan dat kleinere paardachtigen niches kunnen
exploiteren die grotere paardachtigen negeren of waarin ze niet kunnen overleven door gebruik te
maken van andere biomechanische eigenschappen en kleinere beetgroottes, waardoor de totale
ecologische impact op het landschap wordt verbreed.
Naast de categorische vegetatie werd de ruimtelijke verspreiding aanzienlijk beïnvloed door
voortdurende abiotische en antropogene beperkingen. Nabijheid van water bleek in beide
reservaten geen beperkende factor te zijn; noch de paardachtigen, noch de runderen vertoonden
een afhankelijkheid van stilstaand oppervlaktewater, maar toonden ruimtelijke neutraliteit of actieve
vermijding. Topografisch gezien kozen de runderen (in de lente), de grotere Konik-paarden (in de
zomer en herfst) en de Shetlandpony (in de herfst) actief voor vlakker terrein, waarschijnlijk om de
metabolische bewegingskosten te minimaliseren. Hoewel de Shetlandpony deze voorkeur voor
vlakker terrein in de herfst deelde, week hij in de zomer af van de Koniks door topografisch neutraal
te blijven. Deze seizoensgebonden divergentie suggereert ofwel dat de kleinere lichaamsmassa
van de pony voor meer wendbaarheid zorgt, waardoor het relatieve metabolische nadeel van
voortbeweging op steilere hellingen afneemt, ofwel dat de solitaire pony door de Konik-kuddes of
de Schotse hooglander kudde competitief wordt verdrongen naar minder gunstige, steilere
topografie. Wat de menselijke infrastructuur betreft, dwongen de modellen een heroverweging af
van de visie van algemene antropogene vermijding. Terwijl de omheiningen van het reservaat
fungeerden als een ruimtelijke barrière voor de paardachtigen (in de lente en winter, voornamelijk
gedreven door de Shetlandpony), fungeerden ze als een ruimtelijk aantrekkingspunt voor de
Galloway-runderen in de lente. Gelijkaardig werkten de interne paden als ruimtelijke
aantrekkingspunten voor zowel de Shetlandpony als de Galloway-runderen. Dit toont aan dat grote
herbivoren, in plaats van menselijke infrastructuur universeel te vermijden, padennetwerken
potentieel kunnen gebruiken als navigatiecorridors, en omheiningen als structurele
oriëntatiepunten.
Terwijl WP1 en WP2 vaststelden hoe de paardachtigen in de Westhoek navigeren en hun habitat
selecteren, evalueert WP3 de wederzijdse ecologische impact: hoe de langdurige ruimtelijke
aanwezigheid van deze herbivoren actief het successietraject van de vegetatie in het reservaat
beïnvloedt. Door veranderingen in vegetatiehoogte te modelleren tegen de achtergrond van
cumulatieve ruimtegebruiksintensiteit en abiotische beperkingen, ontstaat een ruimtelijk verhaal
over de voordelen en beperkingen van top-downcontrole door grazers. De vegetatiemodellering
toonde aan dat een hoog cumulatief ruimtegebruik door paardachtigen fungeert als een effectieve
preventieve barrière tegen de initiële vorming en verspreiding van ruige vegetatie. De gegevens
definieerden echter tegelijkertijd de grenzen van deze top-down biologische controle. Zodra
houtige of ruige vegetatie de initiële herbivoriebarrière met succes doorbreekt, volstaat intens
ruimtegebruik niet meer om de terugtrekking ervan af te dwingen. Gedreven door een
synergetische combinatie van lokale nutriëntenafzetting, mechanische bodemverstoring en
verminderde concurrentie, kan intensief ruimtegebruik door paardachtigen zelfs de verticale groei
van gevestigd hoog struikgewas bevorderen. De ontmanteling van vegetatie in een laat, volwassen
stadium wordt uitsluitend aangedreven door bottom-up abiotische stressfactoren in plaats van top
down herbivorie. De diepte van het grondwater in het voorjaar had het meest uitgesproken effect
op de vegetatiedynamiek: het bepaalde de stabiliteit van pioniersmatrices, stimuleerde de
terugtrekking van ruige vegetatie en fungeerde als de belangrijkste natuurlijke stressfactor die de
voortdurende groei of aanwezigheid van laag en hoog struikgewas voorkwam. Bovendien werd de
dynamiek van ondieper gewortelde grassen en kruiden gedicteerd door hoge omgevingsstress,
waarbij deze matrices groeiden en afnamen in gebieden die gekenmerkt worden door diep
grondwater, steilere hellingen en een hoge blootstelling aan de zon.
Voor natuurbeheer biedt deze thesis duidelijke, op gegevens gebaseerde aanbevelingen met
betrekking tot het gebruik van vrij rondlopende grote herbivoren. Uiteindelijk toont deze studie aan
dat de impact van deze grote herbivoren als ecosysteemingenieurs niet uniform of absoluut is. De
ruimtelijke dynamiek bevestigt dat ruimtegebruik een effectief, gericht instrument kan zijn om
vroege successie te stoppen, open matrices in stand te houden en gedegradeerde habitats aan te
pakken. Omdat grazers echter geen gevestigd struikgewas kunnen ontmantelen, vereist het
terugdringen van volgroeide houtige begroeiing een strategische, dubbele beheersaanpak die
biologisch ruimtegebruik koppelt aan gerichte mechanische ingrepen. Bovendien benadrukt de
ruimtelijke divergentie van de Shetlandpony de cruciale waarde van morfologische diversiteit.
Specifiek geeft deze divergentie aan dat kleinere paardachtigen, door gebruik te maken van andere
biomechanische eigenschappen en een kleinere hapgrootte, niches kunnen benutten die grotere
paardachtigen negeren of waarop ze niet kunnen overleven, waardoor de totale ecologische impact
op het landschap wordt verbreed. Ten slotte wijst de aantrekkingskracht van paden en het
verspreidingseffect van corridors op nieuwe, proactieve beheersmogelijkheden. In plaats van
menselijke infrastructuur als een verstoring te beschouwen, kunnen beheerders strategisch interne
padennetwerken en corridors ontwerpen die als biologische trechters fungeren, waardoor grazers
naar specifieke doelgebieden worden geleid en de ecologische manipulatie (engineering) in het
bredere landschap wordt gemaximaliseerd.
Meer lezen

Eindelevensgesprekken met personen met een ernstige en persisterende psychiatrische aandoening (EPPA). Een kwalitatieve studie naar ervaringen met de Amforamethodiek.

Universiteit Gent
2026
Annelies
Cuypers
Personen met een ernstige en persisterende psychiatrische aandoening (EPPA) ervaren vaak langdurig psychisch lijden, waarbij existentiële vragen en levenseindethema’s een belangrijke rol kunnen spelen. Het voeren van existentiële eindelevensgesprekken binnen de geestelijke gezondheidszorg blijkt echter niet vanzelfsprekend, en hulpverleners ervaren hierbij regelmatig handelingsverlegenheid. Narratieve interventies, zoals het Amforagesprek, bieden een mogelijke ingang om deze thema’s bespreekbaar te maken, maar hun toepasbaarheid bij personen met een EPPA is nog weinig onderzocht.

Deze studie verkent hoe het Amforagesprek wordt ervaren door personen met een EPPA, hun naastbetrokkenen en Amforaschrijvers, en welke betekenis deze methodiek kan hebben in het omgaan met existentiële vragen aan het levenseinde.

Er werd gekozen voor een kwalitatief, multiperspectivistisch onderzoeksdesign. Data werden verzameld via semigestructureerde interviews met zes personen met een EPPA en zes naastbetrokkenen, aangevuld met schriftelijke reflecties en een groepsinterview met vier Amforaschrijvers. De data werden geanalyseerd via thematische analyse volgens Braun en Clarke (2006).

De resultaten tonen een ambivalent en gelaagd beeld van het Amforaproces. Participanten ervaarden het gesprek overwegend als betekenisvol, doordat het ruimte bood voor erkenning, emotionele expressie en het delen van hun levensverhaal. Het eindelevensverhaal kon bijdragen aan verbinding, begrip en afscheid, maar deze impact bleek vaak beperkt en contextafhankelijk. Daarnaast brachten de gesprekken ook uitdagingen met zich mee, zoals confrontatie met pijnlijke levensverhalen, ambivalentie rond het delen van het eindelevensverhaal en spanning tussen de noden van participanten en het oorspronkelijke Amforaconcept.

Deze studie suggereert dat narratieve interventies zoals het Amforagesprek een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan existentiële zorg bij personen met een EPPA, maar dat verdere theoretische, empirische en ethische uitdieping noodzakelijk blijft.
Meer lezen

SENSORISCHE OVERPRIKKELING, HOOGSENSITIVITEIT EN PERSOONLIJKHEID: SURVEY-ONDERZOEK NAAR INDIVIDUELE VERSCHILLEN IN EEN PRIKKELRIJKE WERKOMGEVING

Universiteit Gent
2026
Maaike
Grootaert
In mijn masterproef onderzocht ik waarom sommige werknemers sneller sensorisch overprikkeld raken op het werk dan anderen. Daarbij richtte ik mij op de rol van hoogsensitiviteit en angstgevoeligheid.

Via een online vragenlijst bij werknemers uit verschillende sectoren onderzocht ik de relatie tussen hoogsensitiviteit, angstgevoeligheid en sensorische overprikkeling. De uiteindelijke analyses werden uitgevoerd bij 580 respondenten. De resultaten tonen aan dat hoogsensitieve werknemers gemiddeld meer overprikkeling ervaren. Zij scoren ook vaker hoger op angstgevoeligheid, wat een deel van het verband tussen hoogsensitiviteit en overprikkeling verklaart. Hoogsensitiviteit blijft echter ook rechtstreeks samenhangen met overprikkeling.
Meer lezen

Stilt voedselhulp alle honger?

Hogeschool VIVES
2026
Tessa
Pijlijser
“Je bent wat je eet”, maar wat betekent dat wanneer toegang tot voeding niet vanzelfsprekend is?
Deze bachelorproef onderzoekt hoe klanten van sociale kruidenier De Antenne in Oostende de werking beleven en hoe dit raakt aan hun levenskwaliteit. De groeiende structurele rol van voedselhulp in Vlaanderen en het beperkte centraal stellen van de stem van gebruikers vormen de aanleiding voor dit kwalitatief en participatief onderzoek. Hoewel sociale kruideniers inzetten op keuzevrijheid, participatie en menswaardigheid, blijft vaak onduidelijk hoe klanten dit aanbod ervaren en welke betekenis zij eraan geven.
Het onderzoek vertrekt vanuit een brede interpretatie van de werking, waarbij naast voedselhulp ook toegankelijkheid, begeleiding, ontmoeting en sociale contacten centraal staan. De centrale onderzoeksvraag luidt: “Welke betekenis geven klanten aan het aanbod van De Antenne, en hoe raken hun ervaringen aan verschillende aspecten van hun levenskwaliteit?” Daarbij werd aandacht besteed aan ervaringen, drempels, de afstemming van de werking op de leefwereld van klanten en het gebruik van praatkaarten als participatieve gespreksmethodiek.
Het literatuuroverzicht situeert voedselhulp binnen een historisch, maatschappelijk, beleidsmatig en mensenrechtelijk kader, waarin toegang tot voeding beschouwd wordt als een fundamenteel recht. De resultatenanalyse steunt op het WHOQOL-kader van de Wereldgezondheidsorganisatie en de capability approach van Amartya Sen en Martha Nussbaum.
Methodologisch werd gekozen voor semigestructureerde interviews. Tijdens de gesprekken werd vertrokken vanuit een open startvraag, waarna praatkaarten in de vorm van beeld- en emotiekaarten werden ingezet om gevoelens en ervaringen toegankelijker bespreekbaar te maken. De interviews werden opgenomen, getranscribeerd en aangevuld met observaties. Om de kwaliteitszorg van het onderzoek te bewaken werd gewerkt met een vast draaiboek, gestandaardiseerde kaartensets en een voorafgaande testfase.
De resultaten tonen dat De Antenne voor veel klanten meer betekent dan enkel een plaats waar betaalbare voeding aangeboden wordt. Respondenten beschrijven de werking als een plek van rust, ontmoeting en sociale verbondenheid. De warme sfeer, het respectvolle contact met medewerkers en vrijwilligers en de mogelijkheid om zelf keuzes te maken worden sterk gewaardeerd. Tegelijkertijd kwamen ook drempels naar voren, zoals schaamte, taalbarrières en gevoelens van afhankelijkheid. Kleine elementen zoals een warme ontvangst, duidelijke communicatie en een rustige sfeer blijken een belangrijke invloed te hebben op hoe klanten de werking beleven.
Daarnaast kwamen aanbevelingen naar voren rond toegankelijkheid, taaldiversiteit, ontmoeting en participatie. Ook de praatkaarten werden positief geëvalueerd omdat ze hielpen om gesprekken op gang te brengen en ervaringen bespreekbaar te maken. Tegelijk bleek dat hun meerwaarde sterk afhangt van de manier waarop ze door de interviewer worden ingezet en door respondenten worden geïnterpreteerd.
Deze bachelorproef besluit dat voedselhulp een complexe en persoonlijke invloed heeft op levenskwaliteit. Levenskwaliteit hangt niet enkel samen met toegang tot voeding, maar ook met waardigheid, keuzevrijheid, sociale relaties en de manier waarop hulp ervaren wordt. Daarom bepleit dit onderzoek het belang van écht luisteren naar klanten en hen actief te betrekken binnen voedselinitiatieven.
Meer lezen

WUSSY: het artistiek onderzoek achter het theaterdoek

LUCA School of Arts
2026
Roisin
Callaerts
Mijn scriptie is een artistiek onderzoek over mezelf als artiest die een toneelstuk maakt waarin ze komaf wil maken met haar eigen onzekerheid. Een stap die ze moet zetten voor ze als actrice in het werkveld kan stappen. Een onderzoek naar zelfacceptatie en wat ik als speler en maker nodig heb om mijn woorden tot bij een publiek over te brengen en hen te raken.
Meer lezen

Warme transities: samen naar een warme start in de instapklas

Hogeschool PXL
2026
Itha
Noukens
In mijn bachelorproef onderzoek ik hoe ik jonge kinderen een warme, veilige en herkenbare overgang kan bieden van de voorschoolse opvang of thuis naar de instapklas. Tijdens mijn werk in de opvang zag ik hoe ingrijpend deze stap is voor peuters, en hoe groot de nood is aan emotionele veiligheid, voorspelbaarheid en samenwerking tussen alle betrokken volwassenen.

Ik verzamelde inzichten via literatuur, observaties, interviews met experts en een enquête bij ouders. Daaruit leerde ik dat een warme transitie staat of valt met nabijheid, herkenbare elementen, duidelijke communicatie en continuïteit tussen opvang, ouders en school.

Op basis van deze bevindingen ontwikkelde ik drie praktijkgidsen: ouderbundel, leerkrachtenbundel en opvangbundel. Deze gidsen bevatten concrete tips, visuele ondersteuning, rituelen en materialen die helpen om peuters zacht te laten landen in de instapklas.

Met dit pakket wil ik bijdragen aan een instap waarin elk kind zich veilig, gezien en gedragen voelt. En dat is precies wat jonge kinderen nodig hebben om te kunnen groeien.
Meer lezen

Tussen afscheid en verbondenheid Euthanasie in de thuiscontext als relationeel gezinsproces

Odisee Hogeschool
2026
kimberly
Vangheluwe
Euthanasie in de thuiscontext wordt vaak benaderd vanuit de autonomie van de patiënt en de medische besluitvorming. Deze bachelorproef toont echter aan dat euthanasie veel meer is dan een individuele keuze: het is een ingrijpend gezinsproces waarin partners, kinderen, mantelzorgers en andere naasten samen afscheid nemen en omgaan met verlies.

Vanuit een gezinswetenschappelijk perspectief onderzoekt deze bachelorproef welke rol de gezinswetenschapper kan opnemen in het ondersteunen van gezinnen tijdens een euthanasietraject in de thuiscontext. Aan de hand van een literatuurstudie, een praktijkgerichte probleemverkenning en twee geanonimiseerde casussen worden de emotionele en relationele processen binnen gezinnen in kaart gebracht. Daarbij staan thema's zoals gezinsveerkracht, anticiperende rouw, relationele autonomie, communicatie en de positie van kinderen centraal.

Het onderzoek toont aan dat gezinnen niet alleen behoefte hebben aan medische begeleiding, maar ook aan ondersteuning die ruimte creëert voor open communicatie, gedeelde betekenisgeving en emotionele afstemming. In het bijzonder blijkt dat kinderen baat hebben bij eerlijke, leeftijdsadequate informatie en betrokkenheid tijdens het afscheid.

Als antwoord op deze noden werden twee praktijkgerichte hulpmiddelen ontwikkeld: gesprekskaarten die moeilijke gesprekken binnen gezinnen ondersteunen en een narratief kinderboekje, Egel zegt zachtjes tot ziens, dat kinderen op een warme en begrijpelijke manier helpt omgaan met afscheid, liefde en verlies. Deze bachelorproef benadrukt de meerwaarde van de gezinswetenschapper als brugfiguur tussen de medische wereld en het gezin en pleit voor een meer relationele benadering van euthanasie in de thuiscontext.
Meer lezen

Productie en evaluatie van elektrogesponnen TEOS-gebaseerde nanovezelmembranen als SALDI-substraten voor fecale metabolomics via LA-REIMS

Odisee Hogeschool
2026
Elia Amnon
Bar On
Binnen een klinische en biomedische context zijn snelle en robuuste analysemethoden voor untargeted metabolomics essentieel. Laser-assisted rapid evaporative ionisation massaspectrometrie (LA-REIMS) maakt directe analyse van biofluïda mogelijk, maar de analytische prestaties worden bepaald door de intrinsieke matrixeigenschappen van het staal. Elektrogesponnen nanovezelmembranen kunnen via surface-assisted laser desorption/ionisation (SALDI) de desorptie en ionisatie verbeteren en zo de analyses versterken. Het potentieel van silicagebaseerde nanovezelmembranen als SALDI-substraten binnen LA-REIMS-gebaseerde metabolomics is echter nog onvoldoende geëvalueerd.

In deze studie wordt onderzocht in welke mate elektrogesponnen tetraethylorthosilicaat (TEOS)-gebaseerde nanovezelmembranen de prestaties van LA-REIMS-analyses voor fecale metabolomics beïnvloeden.

De productie van TEOS-membranen omvat het elektrospinnen van een sol-geloplossing, gevolgd door een thermische behandeling om een superhydrofiel membraan te verkrijgen. De morfologie en hydrofiliciteit worden gekarakteriseerd met scanning-elektronenmicroscopie, watercontacthoekmetingen en infraroodspectrometrie. De analytische prestaties worden geëvalueerd via LA-REIMS-analyse van fecale stalen en vergeleken met rechtstreekse analyse van feces en met geoptimaliseerde MetaSAMP-membranen. Data-analyse omvat principal component analysis, evaluatie van reproduceerbaarheid en vergelijking van metabolomische dekking.

LA-REIMS-analyses tonen aan dat met fecale stalen geïmpregneerde TEOS-membranen een metabolomische vingerafdruk genereren die vergelijkbaar is met die van feces as-such, met detectie van een groter aantal features. Tegelijkertijd worden, vergeleken met zowel MetaSAMP-membranen als feces as-such, beperkingen vastgesteld in reproduceerbaarheid en signaalintensiteit, met lagere signaalintensiteiten en meer variabele features (p < 0,01).

Na optimalisatie van de membraandikte en het staalvolume worden TEOS-membranen verkregen die significant hogere signaalintensiteiten opleveren dan feces as-such (p < 0,01; g > 1), met een hoger aantal gedetecteerde features (p < 0,01) en een aanvaardbare reproduceerbaarheid (> 75 % van de features met een variatiecoëfficiënt ≤ 30 %).

De resultaten tonen aan dat elektrogesponnen TEOS-gebaseerde nanovezelmembranen doeltreffend zijn als SALDI-substraat binnen LA-REIMS-gebaseerde metabolomics. Toekomstige studies kunnen zich richten op het optimaliseren van de membraanproductie, functionalisatiestappen en het verder afstemmen van de LA-REIMS-methode.
Meer lezen