Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Sonocatalytic persulfate activation for degradation of PFOA and ciprofloxacin in aqueous systems

KU Leuven
2026
Jarno
Thys
Deze masterproef onderzoekt een innovatieve methode voor de behandeling van persistente waterverontreinigingen, met focus op het antibioticum ciprofloxacine en de PFAS-verbinding PFOA. Hierbij werden ultrasone golven gecombineerd met persulfaat en verschillende katalysatoren om de verontreinigingen af te breken. Magnetiet bleek van de onderzochte katalysatoren het meest veelbelovend. Voor ciprofloxacine werd onder optimale omstandigheden meer dan 80% verwijdering bereikt, terwijl PFOA aanzienlijk moeilijker af te breken bleek. Daarnaast werd onderzocht hoe waterbestanddelen en hergebruik van de katalysator de efficiëntie beïnvloeden. De resultaten tonen aan dat de combinatie van ultrasound, persulfaat en magnetiet potentieel biedt voor de behandeling van hardnekkige waterverontreinigingen, maar dat verdere optimalisatie nodig is voor een efficiënte toepassing op PFAS.
Meer lezen

Preparation of renewable films based on feather-derived keratin: a comparative investigation of glutaraldehyde and genipin as crosslinkers

Universiteit Gent
2026
Sander
Lannoo
Deze masterproef onderzoekt hoe keratine uit veren kan worden verwerkt tot een nieuw materiaal. Commercieel keratinepoeder uit eendenveren werd gecombineerd met twee chemische verbindingsmiddelen: glutaaraldehyde en genipine, een natuurlijke stof uit fruit. Beide stoffen verbonden de korte eiwitfragmenten tot samenhangende films. Glutaaraldehyde leverde sterkere, minder rekbare films op. Met genipine ontstonden donkerblauwe, buigzamere films, waarvan de sterkte en taaiheid toenamen bij een hogere geteste concentratie. Hoewel de films nog gevoelig zijn voor water, toont het onderzoek aan dat versnipperde verenkeratine opnieuw een vast materiaal kan vormen. Dit biedt een vertrekpunt voor de verdere ontwikkeling van biogebaseerde materialen.
Meer lezen

Normativiteit in het "niet-opvangbeleid"

KU Leuven
2026
Manon
Rupus
In 2023 kondigde Staatssecretaris voor Asiel en Migratie Nicole de Moor aan dat alleenstaande mannelijke asielzoekers tijdelijk geen opvang meer zullen krijgen in het netwerk van Fedasil. Terwijl deze maatregel vaak wordt voorgesteld als een praktisch antwoord op een capaciteitstekort, stelt dit onderzoek de vraag in hoeverre onderliggende cis-heteronormatieve ideeën over gender, gezin en kwetsbaarheid doorwerken in deze beleidskeuze.

Enerzijds kijkt een kritische discoursanalyse naar hoe beleid, media en middenveldorganisaties spreken over (mannelijke) asielzoekers en hun "deservingness" voor opvang. Anderzijds wordt aan de hand van interviews en via narratieve en visuele methoden ingezoomd op de ervaringen van queer asielzoekers in België. Hoe worden zij geconfronteerd met deze normatieve assumpties? Hoe beïnvloeden die hun traject naar en binnen huisvesting? En hoe gaan ze daarmee om in hun dagelijkse leven?

Het onderzoek toont dat "deservingness" voor opvang sterk afhankelijk is van normatieve constructies van herkenbaarheid en kwetsbaarheid, wat resulteert in inclusie of exclusie van de opvang. Alleenstaande mannelijke asielzoekers worden binnen het dominante discours zelden als inherent kwetsbaar erkend en hun nood aan opvang komt vooral voor in de vorm van uitzonderingen. De voorrang van gezinnen en kinderen blijkt bovendien ingebed in cisheteronormatieve ideeën over het ‘normale’ en herkenbare asielzoekers. En hoewel men vaak stelt dat queer asielzoekers kwetsbaar zijn, wordt ook hun toegang tot opvang beïnvloed door hun gender, hun gezinsstatus en hoe hun kwetsbaarheid wordt ingeschat. Echter negotiëren ze die assumpties ook zelf. In hun huisvestingstraject bewegen ze tussen hun queerness zichtbaar maken of juist niet, ze benadrukken hun kwetsbaarheid wanneer dat nodig is tegenover overheidsinstanties, maar kloppen ook aan bij hulporganisaties en informele netwerken. Bovendien passen queer asielzoekers strategieën toe in hun dagelijks leven in asielopvang om het leven daar leefbaar te houden.

Deze thesis stelt dat uitsluiting in het opvangbeleid niet los kan worden gezien van bredere normatieve structuren rond gender, seksualiteit en kwetsbaarheid. Door deze mechanismen bloot te leggen, draagt het onderzoek bij aan een kritischer begrip van huisvesting voor asielzoekers als politiek en normatief geladen domein. Tegelijk wil de thesis aanzetten tot verder onderzoek én tot reflectie in beleid en praktijk. In een context waarin het recht op opvang steeds meer onder druk staat en het debat verhardt, pleit dit onderzoek voor een benadering die vertrekt vanuit menselijke waardigheid, in plaats van uit normatieve vooringenomenheid.
Meer lezen

Transformatie van residentiële ouderenzorg: Een sociaal ruimtelijke analyse van ruimte, organisatie en gebruik - Case Lemberge, Merelbeke, Zorgband Leie en Schelde

Universiteit Gent
2026
Josefien
Boelens
Mijn masterproef onderzoekt hoe ruimte, organisatie en dagelijks gebruik samen vorm geven aan een woonzorgcentrum. Aan de hand van observaties, gesprekken, focusgroepen en co-creatieve workshops onderzocht ik de afdeling Kastanjebos van woonzorgcentrum Lemberge, die binnenkort wordt herontwikkeld. Het onderzoek toont dat een nieuwe zorgomgeving niet alleen afhangt van architectuur: ook routines, werkorganisatie en de manier waarop bewoners en medewerkers ruimtes gebruiken, bepalen hoe er wordt gewoond en gewerkt. De inzichten werden teruggekoppeld naar het ontwerptraject en vormden mee input voor de verdere projectdefinitie.
Meer lezen

Waarom kiezen jongeren voor een politieke carrière?

KU Leuven
2026
Cleo
Pavoncelli
Onderzoek toont aan dat jongeren vaak ondervertegenwoordigd zijn in parlementen (Stockemer & Sundström, 2025). Een gebrek aan vertegenwoordiging kan ertoe leiden dat hun belangen onderbelicht blijven en dat zij vervreemden van het traditionele politieke systeem. Bestaand onderzoek naar jongerenparticipatie richt zich voornamelijk op structurele en institutionele factoren, zoals het kiesstelsel. Deze benaderingen bieden echter geen afdoende verklaring waarom individuen politieke ambitie ontwikkelen en uiteindelijk beslissen om zich kandidaat te stellen (Fox & Lawless, 2005; Lawless, 2011). Daardoor blijft het onduidelijk welke persoonlijke motivaties jongeren tot deze stap aanzetten en welke drempels zij daarbij ervaren.
Een mogelijk verklarend kader is Public Service Motivation (PSM), een concept dat veelvuldig wordt toegepast in onderzoek naar werknemers in de publieke sector. De toepassing ervan in een politieke context is echter nog beperkt onderzocht.
Dit kwalitatieve onderzoek heeft tot doel de motivaties van jonge volksvertegenwoordigers (maximaal 35 jaar bij de start van de legislatuur) in het Vlaams Parlement in kaart te brengen. Hiervoor werden semi-gestructureerde interviews afgenomen bij negen respondenten. Er werd gezorgd voor variatie in leeftijd (zowel respondenten boven als onder de 30 jaar), partijaffiliatie, gender en migratieachtergrond.
De resultaten van dit onderzoek tonen aan dat de omgeving een rol kan spelen in de ontwikkeling van politieke interesse en ideologische voorkeuren. Zowel de interesse voor een politiek mandaat als de specifieke partijkeuze worden echter niet noodzakelijk doorgegeven binnen het gezin. Respondenten wijzen op uiteenlopende motivaties voor hun engagement, waaronder onvrede met huidige situaties, de wens om verandering te realiseren, rolmodellen en de interne partijcultuur. Daarnaast wijst dit onderzoek op de rol van PSM: alle vier dimensies van dit concept komen naar voren in de data. ‘Aantrekking tot beleidsvorming’ lijkt vaker voor te komen bij eerder conservatieve respondenten, terwijl progressieve respondenten vaker verwijzen naar ‘toewijding aan het algemeen belang’ en ‘medeleven’. Voor de dimensie zelfopoffering treden dergelijke verschillen minder duidelijk op. Verder kwantitatief onderzoek is echter nodig om deze tendensen te bevestigen.
Verder wijzen de resultaten op de belangrijke rol van politieke partijen in het lijstvormingsproces. Gevraagd worden door de partij blijkt dan ook een belangrijke factor in de beslissing om zich kandidaat te stellen, evenals in de keuze van het bestuursniveau. Desondanks vertonen de respondenten een uitgesproken voorkeur voor het Vlaams Parlement, voornamelijk omwille van de specifieke bevoegdheidsdomeinen. Tot slot worden verschillende drempels geïdentificeerd. Een politieke carrière nastreven blijkt minder evident voor minderheidsgroepen, zoals vrouwen met een migratieachtergrond. Andere obstakels zijn het bindend karakter van een politieke carrière, en een gebrek aan netwerk en ervaring en de tijdsintensiteit van het mandaat. De respondenten beschouwen hun jonge leeftijd eerder als een troef dan als een nadeel, onder meer vanwege hun grotere voeling met de leefwereld van jongeren.
Meer lezen

Rekentaal in prentenboeken

Arteveldehogeschool Gent
2026
Kika
Boden
  • Elise
    Siau
Deze bachelorproef onderzoekt de rol van rekentaal in prentenboeken en de invloed hiervan op de ontwikkeling van voorbereidende en latere rekenvaardigheden. Rekentaal is essentieel voor het begrip en gebruik van wiskundige begrippen. Er worden vijf indelingen van rekentaal besproken. Daarnaast wordt de rol van leerkrachten en ouders aangehaald bij het stimuleren van rekentaal via interactief voorlezen.

Het onderzoek richt zich op de mate waarin rekentaal voorkomt in prentenboeken die niet expliciet bedoeld zijn om rekenvaardigheden te stimuleren. Daarnaast wordt onderzocht welke begrippen het meest en het minst vaak voorkomen. De 40 prentenboeken worden geanalyseerd volgens een eigen indeling, aan de hand van de categorieën hoeveelheden, meten en metend rekenen, meetkunde, bewerkingen en tijd. Dit toont aan dat rekentaal vaak onbewust wordt geïntegreerd, maar dat abstractere begrippen niet vaak voorkomen. Het benadrukt het belang van een bewuste boekkeuze bij het ondersteunen van voorbereidende rekenvaardigheden. In deze bachelorproef worden enkele prentenboeken aangeraden.
Meer lezen

Stedenbouwkundige verhardingscompensatie: een verordening ter activatie van ontharding’

KU Leuven
2026
Eline
Van de Steene
Vlaanderen is een van de meest verharde regio’s van Europa en de verhardingsgraad blijft jaarlijks toenemen. De Vlaamse overheid heeft onthardingsdoelstellingen tegen 2050 geformuleerd. Deze doelstellingen werden recent herbevestigd in de Conceptnota van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Verharding doet de natuurlijke functies van de bodem verloren gaan. Verschillende studies benadrukken de noodzaak van ontharding voor mens en milieu, bepalen de omvang van de onthardingsopgave, inventariseren bestaande initiatieven en formuleren aanbevelingen voor een ruimtelijk beleid dat bijkomende verharding kan vermijden, beperken en compenseren. Daarbij wordt vastgesteld dat de huidige initiatieven onvoldoende zijn om de vooropgestelde doelstellingen te bereiken en de grootschalige ingrepen zich bovendien voornamelijk beperken tot het publiek domein. Een bijdrage vanuit de private zijde is daarom noodzakelijk om de doelstellingen te behalen.

Deze masterproef onderzoekt hoe de Vlaamse reductieopgaven vertaald kunnen worden naar het instrument van de stedenbouwkundige last, dat eigenaars verplicht te ontharden of ontharding elders financieel te compenseren. Dit resulteert in een stedenbouwkundige verordening die een verhardingscompensatie oplegt bij omgevingsvergunningen waarbij bijkomende verharding wordt aangevraagd. De verhardingscompensatie beschikt over het potentieel om de stijgende verhardingsgraad om te keren en de netto toename aan verharding in Vlaanderen een halt toe te roepen.

Het onderzoek werd uitgevoerd aan de hand van een literatuuronderzoek in combinatie met een overlegmoment met experten. Het literatuuronderzoek bood inzicht in het thema, de beleidsdoelstellingen, de bestaande instrumenten en initiatieven, het instrument van de stedenbouwkundige last en de toepassing ervan in praktijkvoorbeelden. Uit de analyse van deze praktijkvoorbeelden bleek dat weinig Vlaamse gemeenten lasten opleggen ter compensatie van verharding of bij het niet behalen van de vooropgestelde groennorm. Hieruit wordt geconcludeerd dat er in Vlaanderen nog aanzienlijke stappen moeten gezet worden om de transitie van een verhardingspraktijk naar een onthardingscultuur te realiseren.

Tijdens de workshop met een diverse groep experten, waaronder vertegenwoordigers van de Vlaamse overheid, lokale besturen, academici, zelfstandige experten en een omgevingsjurist, werd een conceptverordening besproken aan de hand van verschillende stellingen uit dit onderzoek. De expertentafel leverde waardevolle aanvullingen en droeg bij aan de verdere verfijning van de conceptverordening. De geformuleerde aanbevelingen
gaven mee vorm aan de finale verordening. Daarbij primeerde de keuze voor een gewestelijke financiële last boven een gemeentelijke last in natura, omwille van uniformiteit en meer effectiviteit in Vlaanderen.

De finale verordening omvat een financiële last voor alle bijkomende verharding. Deze draagt bij aan een gesloten systeem waarbij ontharding elders kan worden gefinancierd en subsidies kunnen worden verleend aan grootschalige onthardingsprojecten van private eigenaars. Tot slot laat de flexibiliteit van de verordening de gemeenten toe deze al in te voeren in afwachting van een invoering door de Vlaamse Regering. De lokale besturen beschikken daarbij over de bijkomende mogelijkheid om lasten in natura op te leggen indien zij van oordeel zijn dat dit type lasten beter aansluit bij hun lokale onthardingsambities.
Meer lezen

Assessing the social impact of electronics fabrication

Universiteit Gent
2026
Laura
Sondakh
De groei van de elektronica-industrie gaat gepaard met toenemende gevolgen. De impact op het milieu wordt reeds onderzocht, maar de sociale gevolgen blijven onderbelicht. In dit werk wordt een werkwijze voorgesteld om de sociale gevolgen van de productie van PCBA’s te analyseren. Eerst worden de stappen overlopen voor de productie van IC’s, PCB’s en afzonderlijke componenten, packaging en assemblage, waarna een overzicht wordt gemaakt van de gebruikte materialen. Voor deze materialen worden de sociale gevolgen geëvalueerd aan de hand van de mijnbouwfase. De gevolgen worden gekwantificeerd op basis van de volgende categorieën: kinderarbeid, informele mijnbouw, gewelddadige conflicten, sterkte van de rechtsstaat, controle van corruptie en menselijke ontwikkeling. Voor elk materiaal worden ze geëvalueerd door aan elk van de vijf meest producerende landen een score toe te kennen en een gewogen gemiddelde te berekenen. Het resultaat is een overzicht van de sociale gevolgen van de verschillende materialen die gebruikt worden voor de productie van elektronica. De materialen met de grootste sociale gevolgen zijn kobalt, tantaal, tin, iridium, ruthenium en chroom. Materialen met lagere sociale gevolgen zijn ijzer, beryllium en lithium. Om in te schatten of veranderingen in het productieproces een groot effect zouden hebben, wordt nagegaan welk aandeel van de globale productie van een materiaal gebruikt wordt binnen de elektronica-industrie. Op basis van deze twee analyses worden kobalt, tantaal en zilver geselecteerd voor een extra analyse, waarin toepassingen en alternatieven worden besproken, rekening houdend met technische eigenschappen en kostprijs. De alternatieven hebben meestal bepaalde nadelen. Voor sommige toepassingen zijn er zelfs geen alternatieven mogelijk. Ten slotte worden de milieu- en sociale gevolgen vergeleken. Hieruit blijkt dat bepaalde materialen met grote sociale gevolgen weinig milieu-gevolgen hebben en vice versa. Het wordt dus duidelijk dat er geen ‘ideaal’ materiaal bestaat: er is steeds een afweging nodig tussen milieu- en sociale gevolgen, technische eigenschappen en kostprijs.
Meer lezen

The influence of decay on the load-bearing capacity of CLT-elements and connections

Universiteit Gent
2026
Johannes
Renette
  • Hannes
    Renette
Mijn scriptie onderzocht wat de invloed is van houtrot op het draagvermogen van CLT panelen en verbindingen in een Belgisch klimaat. Wat zijn de aandachtspunten, problemen en hoe reken je rot door bijvoorbeeld langdurige openstelling aan vocht in op een veilige en economische manier. Dit werd onderzocht aan de hand van een referentie gezinswoning uit Boortmeerbeek in een 'worst case' klimaat voor België.
Meer lezen

Ontwikkeling van een interactief voorleesboek voor kinderen over stemproblemen en over de impact van stemproblemen bij leerkrachten.

HOGENT
2026
Pauline
Morel
Veel kinderen in het lager onderwijs ervaren stemproblemen, maar deze worden vaak pas laat opgemerkt, zowel door de kinderen zelf als door hun ouders en leerkrachten. Nochtans kunnen stemproblemen op jonge leeftijd een aanzienlijke impact hebben op sociaal, emotioneel en schools vlak. Ondanks het belang van vroegtijdige aandacht voor stemproblemen is er momenteel weinig aantrekkelijk, kindgericht en educatief materiaal beschikbaar. Deze bachelorproef heeft daarom als doel een interactief voorleesboek te ontwikkelen dat dit tekort aan aangepast psycho-educatief materiaal helpt opvangen.
Meer lezen

Bio-based insulation materials from local resources: exploring the potential of bean stalks in a wet production process

Universiteit Gent
2026
Bieke
Delanote
Deze masterproef onderzoekt het potentieel van bonenstengels, een landbouwreststroom, als grondstof voor biogebaseerde isolatiematerialen. Voor de productie van het isolatiemateriaal werd gebruik gemaakt van een nat productieproces. Dit proces benut de natuurlijke bindingseigenschappen van de vezels, waardoor een stevige isolatieplaat kan worden geproduceerd zonder toevoeging van een synthetisch bindmiddel. Aangezien dit proces al op industriële schaal wordt toegepast voor de productie van houtvezelisolatieplaten, werd het laboproces eerst geoptimaliseerd op basis van houtwol. Met een eenvoudige combinatie van koken, kort persen en drogen konden houtvezelisolatieplaten met lage thermische geleidbaarheid en hoge sterkte worden geproduceerd. Om vervolgens de geschiktheid van bonenstengels binnen dit proces te onderzoeken, werden verschillende voorbehandelingstechnieken toegepast. Ovendrogen en luchtdrogen werd vergeleken. Daarnaast werd het effect van een extra reinigings- of extrusiestap geanalyseerd. Alle onderzochte fracties van bonenstengels toonden potentieel. Rekening houdend met materiaalprestaties, praktische haalbaarheid en milieu-impact kwamen luchtgedroogde ongereinigde bonenstengels naar voren als meest belovende optie. De toevoeging van houtvezels of vlaslemen verbeterde de praktische haalbaarheid zonder de algemene prestaties negatief te beïnvloeden.

Naast het aantonen van het potentieel van bonenstengels als isolatiegrondstof, onderstreept deze thesis het bredere potentieel van landbouwreststromen om bij te dragen aan een duurzamere bouwpraktijk, gebaseerd op lokale en biologisch afbreekbare materialen.
Meer lezen

Taal op maat - Frans na OKAN - Jade Deseigne en Emma Kooreman

Hogeschool VIVES
2026
Emma
Kooreman
  • Jade
    Deseigne
In onze bachelorproef ontwikkelen we lesmateriaal op maat van ex-OKAN-leerlingen die instromen in de tweede graad van het reguliere Vlaamse onderwijs en voor het eerst Frans leren. Om tegemoet te komen aan de noden van zowel leerlingen als leerkrachten, ontwikkelden we digitale leerpaden, een theoriebundel en een lerarenbundel. Het materiaal is gericht op zelfstandig leren, stapsgewijze taalverwerving en functionele communicatie.
Meer lezen

Ontwikkeling van een meet- en detectiesysteem voor spoorweg booggeluid

Hogeschool PXL
2026
Arthur
Vanlimbergen
Deze bachelorproef onderzoekt de ontwikkeling van een kosteneffectief meetsysteem voor het detecteren van piepgeluiden van treinen in spoorwegbochten, ook wel booggeluid genoemd. Het systeem combineert cameratechnologie, geluidsmetingen en automatische signaalverwerking om treinpassages te registreren en booggeluid te detecteren. Dankzij draadloze communicatie en lokale gegevensverwerking biedt het project een praktische oplossing voor het monitoren van spoorweggeluid in stedelijke omgevingen.
Meer lezen

Human Art

Hogeschool PXL
2026
Michelle
Liekens
Welke invloed heeft de hedendaagse technologische revolutie op de kunstwereld en de samenleving? Welke obstakels of valkuilen moeten we voor oppassen, en hoe kunnen we ervoor zorgen dat de overvloedige belofte van vooruitgang ons niet recht naar een ramp toe leidt? Deze scriptie onderzoekt waar de problemen liggen, contextualiseert deze aan de hand van geschiedkundige gebeurtenissen, en vormt inzichten over hoe we hoop kunnen voeden en behouden.
Meer lezen

Versnipperd voorgelicht. Een mondelinge geschiedenis van de seksuele opvoeding van Vlaamse vrouwen in de jaren 1960 en 1970

KU Leuven
2026
Sam
Franssen
Deze masterproef onderzoekt de ervaringen van Vlaamse vrouwen met seksuele opvoeding in de jaren 1960 en 1970. Waar de Belgische geschiedschrijving zich tot nu toe vooral heeft gericht op de institutionele context en de producenten van deze voorlichting, bleef de manier waarop individuen seksuele informatie ontvingen, interpreteerden en toepasten grotendeels onderbelicht. Aan de hand van elf diepte-interviews en aanvullend archiefmateriaal analyseert deze thesis niet enkel via welke kanalen vrouwen seksuele opvoeding ontvingen, maar ook hoe zij deze voorlichting beleefden en hoe deze informatie betekenis kreeg. Het onderzoek sluit daarmee aan bij een internationale tendens om de geschiedenis van seksualiteit te benaderen vanuit mondelinge geschiedenis, terwijl het ook een lacune in de Belgische historiografie opvult door de nadruk te verschuiven van productie naar ervaring.

De getuigenissen maken duidelijk dat de toenemende seksuele vrijheid en openheid van deze tijdsperiode zich niet automatisch vertaalden in een mentaliteitswijziging in het spreken over seksualiteit. Seksuele voorlichting in de jaren zestig en zeventig kan dan ook niet louter begrepen worden als een proces van kennisoverdracht, maar veeleer als een complex en gelaagd proces waarin informatie, normen, emoties en sociale relaties onlosmakelijk met elkaar verbonden waren.
Meer lezen

ALTIJD AAN, OOK NA DE LAATSTE SCHOOLBEL. EEN ONDERZOEK NAAR DIGITALE BEREIKBAARHEID EN HET RECHT OP DECONNECTIE BIJ LEERKRACHTEN IN HET SECUNDAIR ONDERWIJS

Universiteit Gent
2026
Mattice
Suetens
Mijn onderzoek gaat over hoe leerkrachten omgaan met digitale bereikbaarheid buiten de schooluren. Ik kijk vooral naar de vraag hoe zij omgaan met mails, Smartschool en andere werkgerelateerde communicatie wanneer hun werkdag eigenlijk voorbij is. Daarnaast onderzoek ik hoe leerkrachten het recht op deconnectie ervaren en of dit hen helpt om een betere grens tussen werk en privé te behouden. Uit de gesprekken blijkt dat leerkrachten hier heel verschillend mee omgaan: sommigen reageren snel omdat ze dat zelf handig vinden, terwijl anderen bewust meldingen uitschakelen of hun laptop dichtklappen. Mijn onderzoek laat vooral zien dat deconnectie niet alleen gaat over technologie uitzetten, maar ook over werkdruk, verwachtingen en het mentaal kunnen loslaten van je werk.
Meer lezen

An Istanbul Tale - A Research on Identity and Belonging

Hogeschool PXL
2026
Busra
Kilisli
Dit project en deze scriptie zijn geïnspireerd door migratie en hebben geleid tot onderzoek naar identiteit en wat erbij horen inhoudt. Dit bracht mij ertoe deze onderwerpen te verkennen via het vertellen van verhalen en het weven. Een verhaal vertellen over Istanbul toen de stad nog heel was. Aan de hand van de vraag ‘Hoe kan de praktijk van het vertellen van verhalen worden verweven met culturele identiteit?’ werd een poging gedaan om een interpretatie van identiteit te bieden. De eerste stap was te begrijpen wat elk woord betekent. De verbanden tussen de sleutelwoorden ‘praktijk, vertelling, verhalen vertellen, weven, culturele identiteit’ werden onderzocht aan de hand van de vrije associatiemethode. Vervolgens werd elk woord op zijn betekenis geanalyseerd. De scriptie is opgebouwd uit drie hoofdhoofdstukken. Het eerste hoofdstuk behandelt de historische achtergrond van Istanbul, aangevuld met enkele persoonlijke citaten die van invloed zijn geweest op dit project. Aangezien Istanbul centraal staat in dit project, is het belangrijk om eerst over de stad te lezen alvorens zich te verdiepen in het literatuuronderzoek. Het tweede hoofdstuk analyseert het literatuuronderzoek. Het onderzoek wordt ondersteund door de benaderingen van kunstenaars ten aanzien van deze onderwerpen, geïllustreerd met voorbeelden van hun werken. Het derde hoofdstuk beschrijft de toegepaste methodologie.
Eerst werd het verhaal geschreven; vervolgens werden, door middel van een stapsgewijze analyse van het verhaal, de kleuren en patronen voor het weven onderzocht. Het hele project staat symbool voor de tijd die zowel aan het verhaal als aan het weven is besteed. Elke geweven draad en elke geschreven regel vertelt het verhaal van een deel van een onvervangbaar moment – of dat nu uitgesproken of beleefd is.
Een element dat alle trefwoorden met elkaar verbond, was de traditionele Turkse volkskunst, namelijk weven en verhalen vertellen. Een ondergewaardeerd onderzoeksgebied in Turkije. In hoofdstuk twee wordt uitgelegd wat deze praktijken inhouden en in hoofdstuk drie wordt getoond hoe ze in het project zijn verwerkt. Er zijn maar weinig kunstenaars zoals CANAN, Bedri Rahmi Eyüboğlu en Sabahattin Eyüboğlu die volkskunst waarderen en in hun praktijk integreren. Behalve CANAN zijn twee van hen overleden; er zijn dan ook geen hedendaagse toepassingen van volkskunst, noch in de literatuur, noch in de beeldende kunst. Literaire werken gaan niet veel verder dan een verzameling verhalen. Kunstwerken – weven, miniatuurschilderijen – worden, vooral onder de huidige politieke omstandigheden, gemaakt in het kader van ‘islamitische kunst’. In dit onderzoek is getracht traditionele vertelmethoden aan te passen aan een hedendaags verhaal. Bij dit project vormden het met de hand weven en het onderzoeken van verschillende weefpatronen, in een poging een manier te vinden om deze via het ritme van het verhaal met elkaar te verbinden, de grootste uitdaging. Het was tevens een manier om de traditionele manier van weven te doorbreken. Bij de traditionele werkwijze kiest de wever doorgaans een weefschets, selecteert hij de kleuren, spant hij het weefgetouw op en weeft hij volgens de enkele kleuren die hij heeft gekozen. Hier verandert het weefpatroon voortdurend, net als de tijd.
Meer lezen

Van chatbot naar reclame: een praktijkgericht onderzoek naar de verwerking van persoonsgegevens via commerciële klantenservice-chatbots / Tussen datamonetarisatie en regulering: een analyse van datahandelaren onder de AVG

KU Leuven
2026
Birgit
Mathuvis
Het juridische luik van dit onderzoek analyseert in welke mate commerciële klantenservice-chatbots fungeren als instrument voor gegevensverzameling en of de daaruit voortvloeiende inzet van persoonsgegevens voor direct marketing verenigbaar is met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Centraal staat de vraag of dergelijk hergebruik het doelbindingsbeginsel schendt en of betrokkenen hierover toereikend worden geïnformeerd.
Om het theoretische kader empirisch te toetsen, worden de privacyverklaringen van acht ondernemingen uit de retail- en dienstensector aan een kritische analyse onderworpen. Daarbij wordt nagegaan hoe de beginselen van artikel 5 AVG in de praktijk worden vertaald, in welke mate direct marketing uitdrukkelijk als verwerkingsdoel wordt vermeld en of de gehanteerde toestemmingsmechanismen voldoen aan de vereisten van artikel 7 AVG.
De bevindingen tonen aan dat de praktijk structureel tekortschiet. Transparantie over de werking van chatbots en de verdere aanwending van verzamelde gegevens ontbreekt vaak, toestemming voor marketingdoeleinden wordt zelden op een vrije en geïnformeerde wijze verkregen en de verenigbaarheid van verdere verwerking voor marketingdoeleinden met het doelbindingsbeginsel in veel gevallen twijfelachtig blijkt. Op basis daarvan worden concrete aanbevelingen geformuleerd voor een AVG- en e-Privacyconforme inrichting van klantenservice-chatbots, waarbij transparantie, doelbinding en rechtmatigheid als leidende beginselen worden gehanteerd.

Het economische luik analyseert het businessmodel van datahandelaren binnen de context van datamonetarisatie en privacy-economie. Data vormt een cruciale economische grondstof, waarbij ondernemingen waarde creëren door persoonsgegevens te verzamelen, te analyseren en commercieel te exploiteren. Datahandelaren vertegenwoordigen een doorgedreven vorm van datamonetarisatie, aangezien zij persoonsgegevens en afgeleide profielen rechtstreeks verhandelen.
Eerst wordt de economische betekenis van privacy besproken, waarbij privacy wordt gekaderd als een complex economisch goed dat gepaard gaat met informatie-asymmetrie, onzekerheid en intertemporele afwegingen. Vervolgens wordt het proces van datamonetarisatie toegelicht aan de hand van de dataketen (creatie, aggregatie en consumptie), met bijzondere aandacht voor klantenservice-chatbots als bron van waardevolle data.
Daarna worden datahandelaren geanalyseerd, waarbij aandacht wordt besteed aan hun definities, activiteiten en verdienmodellen, waaronder gegevensverrijkingsdiensten en marketinglijsten voor directmarketingdoeleinden. Daarnaast wordt een analyse gemaakt van de jaarrekeningen van geselecteerde ondernemingen om de economische impact van veroordelingen en regulatoire ingrepen te onderzoeken. Tot slot wordt de impact van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) onderzocht. Recente beslissingen tonen aan dat datahandel vaak moeilijk verenigbaar is met de beginselen van transparantie, doelbinding en rechtmatigheid.
De paper concludeert dat, ondanks toenemende regulering, datahandel economisch relevant blijft, maar dat transparantie en compliance steeds belangrijker worden als competitieve factoren.
Meer lezen

Verbetering van Betrokkenheid van Sociale Robots door het Genereren van Real-Time Backchannels

Universiteit Gent
2026
Stef
Laurent
Eén op de tien ouderen voelt zich eenzaam (WHO, 2025). Dat raakt niet alleen het welzijn, maar verhoogt ook het risico op onder meer hart- en vaatziekten en depressie. Sociale robots kunnen een aanvullende rol spelen in woonzorgcentra. Niet om het menselijk contact te vervangen, maar om het te versterken.

Een robot die écht een gesprek kan voeren, is echter minder evident dan het lijkt. Dankzij taalmodellen kunnen robots tegenwoordig inhoudelijk een zinvol antwoord geven, maar het gesprek voelt vaak onnatuurlijk aan. De robot heeft moeite met het einde van een zin te bepalen, een bepaald dialect te kunnen verstaan of te kunnen aangeven dat die actief aan het luisteren is. Dat laatste laten we voortdurend merken, met korte signalen zoals "mhm", "ja" of "oh wow", of met een knik. In de literatuur heten die signalen: "backchannels".

Naar aanleiding van deze masterproef werd een module ontwikkeld die Pepper, een sociale robot, laat bepalen wanneer die best een backchannel teruggeeft en welk type (een eerder neutrale "mhm" of een inhoudelijke reactie zoals "wow"). Daarbij werden twee methodes getest om dat moment te voorspellen, een regelgebaseerde en een machine-learningaanpak. Hieruit bleek dat de machine-learningaanpak voor een verhoogde betrokkenheid zorgt met de robot. Zo voelt de robot niet enkel meer natuurlijk aan, maar zorgt dit er ook voor dat mensen langer met de robot in interactie gaan.
Meer lezen

Design and Analysis of an AI-Class Solar Boat Race Hull for Performance, Stability & Competition Compliance

Universiteit Antwerpen
2026
Bram
Dupré
Al vele jaren neemt het UAntwerp Solar Boat Team het op tegen universiteiten van over de hele wereld in de Solar Class tijdens de jaarlijkse Monaco Energy Boat Challenge. Sinds 2025 is deze klasse vervangen door de AI-Class, waarin alle vaartuigen autonoom moeten opereren in meerdere disciplines. De inzichten die het team tijdens het eerste jaar in de AI-klasse heeft opgedaan, vormden een solide basis voor een systematische ontwerpbenadering gericht op het ontwikkelen van een geoptimaliseerde romp en het verbeteren van de huidige ontwerpen door middel van uitgebreide simulaties, iteratieve tests en validatie, waardoor ze meer vermogen aankunnen, hogere kruissnelheden halen en zeewaardiger zijn.
De analyse van bestaande ontwerpen biedt inzicht in het potentieel en de tekortkomingen en suggereert aanpassingen om de prestaties te verbeteren en de levensduur te verlengen. Het nieuwe rompontwerp leert van de tekortkomingen in eerdere ontwerpen en houdt rekening met zowel hydrodynamische als aerodynamische effecten om de efficiëntie, wendbaarheid en stabiliteit tijdens races op zee te maximaliseren. Bijzondere nadruk werd gelegd op het bereiken van een moderne, hoogwaardige, snelle en zeewaardige configuratie die veilig snelheden tot 30-50
knopen kan halen op rechte banen. Lessen uit eerdere ontwerpen en industrienormen werden zorgvuldig geanalyseerd om bekende tekortkomingen te elimineren, en een modulaire en gemakkelijk te vervaardigen architectuur te bereiken met een hogere sponsor en mediawaarde. Bovendien is de romp ontworpen met het oog op aanpasbaarheid op lange termijn, waardoor ze toekomstbestendig is voor gebruik tijdens meerdere wedstrijdcycli.
Meer lezen

Understanding the Emergence of CO2 Value Chains: An Agent-Based Evolutionary Game Approach Coupled with CO2 Network Optimisation

KU Leuven
2026
Florian
Verwilghen
CO₂ afvangen kan de uitstoot van de industrie helpen verminderen. Maar bedrijven investeren pas als ze hun CO₂ ook betaalbaar kunnen laten vervoeren en opslaan of gebruiken. Tegelijk wordt gedeelde infrastructuur pas aantrekkelijk als voldoende bedrijven aansluiten. Mijn masterproef onderzoekt hoe dit kip-of-eiprobleem kan worden doorbroken.

Daarvoor ontwikkelde ik een computermodel van 227 industriële sites in België, Nederland en Noordrijn-Westfalen. Elke site maakt een eigen keuze: CO₂ blijven uitstoten, afvangen en opslaan, of afvangen en laten gebruiken. Het model koppelt die individuele keuzes aan de kosten van een gedeeld transport- en opslagnetwerk.

De simulaties tonen dat vooral het afgevangen volume en de ligging van de eerste deelnemers bepalend zijn. Een beperkte groep goed gelegen sites met grote CO₂-stromen kan de netwerkkosten voldoende doen dalen om ook andere bedrijven te laten aansluiten. Ook de CO₂-prijs en de verdeling van de netwerkkosten beïnvloeden dat proces. CO₂-gebruik biedt een alternatief, maar wordt begrensd door de beschikbare vraag en de transportkosten. Een netwerk dat op papier voordelig is, ontstaat dus niet vanzelf. De economische spelregels bepalen mee of bedrijven de stap zetten.
Meer lezen

Local production for Global Streamers: A Production Studies Analysis of Netflix within Flemish TV-Productions

Universiteit Gent
2026
Jolan
Colpaert
Deze thesis onderzoekt hoe Vlaamse audiovisuele professionals de samenwerking met
Netflix ervaren en hoe zij de invloed van het platform op lokale productiepraktijken
waarnemen.
Meer lezen

Unraveling the drivers of river lamprey migration using telemetry data

Universiteit Gent
2026
Wannes
Perdaen
Wereldwijd worden rivieren gefragmenteerd door menselijke constructies zoals sluizen en stuwen. Ze vormen barrières die de migratie van vissen bemoeilijken en hun levenscyclus ernstig verstoren. In het kader van dit probleem onderzoekt deze masterproef de impact van rivierfragmentatie op de stroomopwaartse migratie van de Europese rivierprik (Lampetra fluviatilis). Met akoestische zendertechnologie werden vijftig rivierprikken doorheen de Schelde gevolgd, en werd hun migratiegedrag geanalyseerd, samen met de factoren die hun migratiesucces beïnvloeden. Daarnaast werden overlevingsanalyse en een individu-gebaseerd model gebruikt om migratiepatronen te bestuderen en verschillende scenario’s voor rivierbeheer te simuleren.

Slechts drie van de vijftig gezenderde rivierprikken raakten voorbij de eerste twee grote migratieknelpunten. De resultaten toonden aan dat waterafvoer, waterniveau en de bediening van stuwen de kans op een succesvolle passage beïnvloeden. Aangelegde vispassages maakten oversteek mogelijk voor de beperkte groep vissen die ze bereikte. Bovendien benadrukten simulaties het belang van vispassages en aangepast stuwbeheer voor het verbeteren van de vismigratie. De resultaten brengen belangrijke knelpunten in kaart en bieden aanknopingspunten voor een beter rivierbeheer, ook met het oog op toekomstige droogteperiodes.
Meer lezen

Samen leren in diversiteit naar een inclusief en activerend auditoriumontwerp

KU Leuven
2026
Kasper
Bruggeman
  • Kasper
    Bruggeman
In veel universiteiten is het traditionele frontaal georiënteerde auditorium de standaard lesruimte voor hoorcolleges. Toch toont onderzoek uit de laatste decennia de pedagogische voordelen van actieve, studentgecentreerde en collaboratieve leervormen aan. Daarnaast neemt de diversiteit van de studentenpopulatie toe, met uiteenlopende fysieke, sensorische en neurodivergente profielen. Deze evoluties vragen om een aangepaste leerruimte die voldoet aan de nieuwe noden. Hoewel de activerende pedagogie en inclusief ontwerp van leerruimtes afzonderlijk zijn bestudeerd, bestaat er geen ontwerpkader dat beide combineert voor grootschalige leerruimtes zoals auditoria. Dit onderzoek zal zich daarom richten op deze ontbrekende samenhang.
Het onderzoek start met een literatuurstudie waarmee de kwaliteiten en barrières van bestaande auditoria in kaart worden gebracht. In een contexthoofdstuk worden belangrijke ruimtelijke invloeden en relaties met het leren besproken. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van een model dat de wederzijdse beïnvloeding beschrijft van pedagogie, ruimte, en technologie. Daarnaast worden mogelijke gebruikersprofielen in auditoria bestudeerd, met aandacht voor diversiteit qua lichaamsbouw en mobiliteit, zintuiglijke (auditieve en visuele) diversiteit, en neurodiversiteit. Een belangrijk uitgangspunt in deze context is het sociaal model van beperking. De term beperking verwijst hier niet naar de gebruiker maar naar de beperkende omgeving die zorgt voor uitsluiting.
Op basis van deze theoretische achtergrond worden zes auditoriumvarianten ontwikkeld, verdeeld in drie categorieën: turn & learn-opstellingen, geclusterde opstellingen en een adaptieve opstelling. Daarna volgt een evaluatie van deze varianten via semigestructureerde interviews met diverse studenten en docenten. In de interviews worden zowel ruimtelijke, als sensorische en technologische aspecten bevraagd aan de gebruikers die door hun ervaring kunnen worden beschouwd als ervaringsdeskundige (user/expert).
Uit de analyse komen twee spanningsvelden naar voren: tussen capaciteit en inclusiviteit, en tussen samenwerking en individuele vrijheid. Traditionele auditoria hebben een hoge capaciteit maar door de compacte indeling kunnen gebruikers barrières ervaren, terwijl collaboratieve varianten meer inclusief zijn maar minder plaatsen hebben. Daarnaast wordt bij activerende pedagogie samenwerking en groepsvorming gestimuleerd, maar die verplichte nabijheid kan voor sommige gebruikers net een drempel zijn. Omgekeerd kan te veel keuzevrijheid op vlak van groepsvorming ook leiden tot stress doordat de gebruiker een grotere drempel voor groepsdeelname ondervindt. Deze spanningsvelden worden het best gebalanceerd in de turn & learn-variant met ovale groepstafels op hetzelfde niveau (T&L_O). Deze variant heeft bovendien een toegankelijke centrale hellingsbaan, verspreide rolstoelplaatsen, voldoende werkruimte en de laagdrempelige mogelijkheid tot samenwerking via een draaistoel.
Tot slot wordt op basis van de bevindingen een ontwerpkader opgesteld dat bestaat uit acht concrete ontwerpprincipes, het T&L_O-referentiemodel, en sensorische en technologische ontwerprichtlijnen. Het kader is bedoeld als bruikbaar instrument voor ontwerpers en onderwijsinstellingen om bestaande auditoria te evalueren of voor nieuwe inclusieve en activerende ontwerpen.
Meer lezen

(T)huis in de stad? Een participatief actieonderzoek naar de percepties van dak- en thuisloze personen over (alternatieve) woonvormen in Antwerpen

Universiteit Antwerpen
2026
Tine
Embrechts
Dit onderzoek gaat na wat er gebeurt in de leemte die ontstaat door een ontoereikend huisvestingsbeleid en sociale voorzieningen voor dak- en thuisloze personen. Aan de hand van participatief actieonderzoek onderzoekt dit onderzoek de percepties van dak-en thuisloze personen in Antwerpen met betrekking tot (alternatieve) woonvormen en de eigenschappen die nodig zijn om van een huis een thuis te maken.

Samen met een team bestaande uit leden van het Antwerps Straatsyndicaat vzw en ervaringsdeskundigen werd de methodologie ontwikkeld en werden dertien semi-gestructureerde interviews afgenomen. Deze interviews werden geanalyseerd aan de hand van het conceptuele kader van Sommerville (2009), dat gebruik maakt van de dimensies onderdak, haard, hart, privacy, wortels, verblijfplaats en paradijs om te begrijpen wat een huis tot een thuis maakt.

Uit de resultaten blijkt dat daklozen verblijven in een breed scala aan niet-officieel erkende woonvormen (zoals een tent, kraken, een auto of de openbare ruimte). Velen geven de voorkeur aan deze woonvormen vanwege het gevoel van veiligheid en rust dat ze bieden, met name in vergelijking met opvangcentra voor daklozen. De respondenten melden echter ook nadelen, zoals kou, de voortdurende noodzaak tot waakzaamheid en onrust. Reguliere woonvormen worden als ideaal beschouwd, maar zijn vaak onbereikbaar vanwege structurele belemmeringen zoals lange wachtlijsten, onbetaalbaarheid en discriminatie.

De dimensies ‘onderdak’ en ‘privacy’ van Sommerville (2009) kwamen tijdens de interviews het vaakst ter sprake, en de dimensie ‘wortels’ werd vaak besproken in verband met thema’s als ontologische (on)veiligheid en een gevoel van ontheemding en het gevoel niet welkom te zijn in de samenleving.

Deze studie beveelt aan dat het huisvestingsbeleid rekening houdt met de behoeften van dak- en thuisloze personen door te investeren in sociale huisvesting en de regelgeving inzake co-housing te herzien, zodat dit geen belemmering vormt voor mensen die in aanmerking komen voor een uitkering. Verder pleit deze studie voor voorzieningen die tegemoetkomen aan de behoeften van dak- en thuisloze personen, zoals voor het publiek toegankelijke lockers en toiletten.
Meer lezen

Het gebruik van lentivirale partikels in CAR-T-Celtherapie.

Erasmushogeschool Brussel
2026
Tiebe
Kestelyn
Deze bachelorproef onderzoekt het gebruik van lentivirale partikels voor de productie van CD70-gerichte CAR-T-cellen. CAR-T-celtherapie is een innovatieve vorm van immuuntherapie waarbij T-cellen van een patiënt genetisch worden aangepast om kankercellen gericht te herkennen en te vernietigen. Lentivirale partikels worden hierbij gebruikt als vector voor de overdracht van het CAR-gen naar de T-cellen.

In deze studie werd een productieproces voor lentivirale partikels opgezet in HEK293SF-3F6-cellen door transfectie met vier plasmiden (CAR, Gag/Pol, VSV-G en REV). De fysieke titer van de geproduceerde lentivirale partikels werd bepaald met behulp van een HIV-1 p24-ELISA. Daarnaast werd onderzocht welke omstandigheden voor de benzonasebehandeling het meest geschikt zijn om vrij DNA af te breken, en wat het effect hiervan is op de steriele filtratie van de virusoogst.

De geproduceerde lentivirale partikels behaalden fysieke titers tussen 1,47 × 10⁹ en 2,62 × 10⁹ partikels. De benzonasebehandeling bleek onder alle geteste omstandigheden effectief voor de afbraak van residueel DNA. Bij de steriele filtratie gaf de PES-filter de hoogste opbrengst, terwijl celluloseacetaatfilters nauwelijks lentivirale partikels doorlieten. Opvallend was dat de benzonasebehandeling leidde tot een lagere opbrengst na filtratie, wat afwijkt van bevindingen uit de literatuur. De resultaten dragen bij aan de verdere optimalisatie van productieprocessen voor lentivirale vectoren binnen CAR-T-celtherapie.
Meer lezen

Anatomical variability in lower limb arteries

Universiteit Gent
2026
Laura
van der tol
  • Emma
    Deceuninck
Deze masterproef onderzocht de anatomische variabiliteit van de arteriën van het onderste lidmaat aan de hand van een systematische literatuurstudie van 56 wetenschappelijke publicaties. De focus lag op verschillen in vertakkingspatronen, arteriële diameter, bloedstroomsnelheid en tortuositeit. De resultaten tonen aan dat er een grote verscheidenheid aan classificatiesystemen bestaat voor arteriële vertakkingen, en dat gestandaardiseerde definities voor zowel vertakking als diameter als tortuositeit ontbreken. Daarnaast worden geslacht en etniciteit vaak onvoldoende gerapporteerd, wat de interpretatie van anatomische verschillen bemoeilijkt. Deze studie benadrukt de nood aan uniforme classificaties en meetmethoden om de vergelijkbaarheid van onderzoek te verbeteren en de veiligheid van vasculaire en chirurgische ingrepen te optimaliseren.
Meer lezen

Zero-Density Estimates for the Riemann Zeta Function

KU Leuven
2026
Stev
Fivez
The Riemann zeta function is one of the most extensively studied functions in pure mathematics. This is for good reason: the theory surrounding this function has many profound implications across analytic number theory and beyond. In particular, it is deeply connected with the prime numbers. While initially introduced by Euler, it was Riemann who extended this function to a complex variable and thereby discovered the relation between its zeros and the distribution of primes in his revolutionary paper from 1859. At the same time, he formulated his most famous conjecture, which later became known as the Riemann hypothesis. Namely, he suggested that all non-trivial zeros of the zeta function lie on the so-called critical line, i.e. the line in the complex plane with real part 1/2. This problem has remained unsolved for over 150 years, with few major breakthroughs, and mathematicians still have no clear idea of where to look for a solution. Fortunately, over the past century, mathematicians have gained the insight that the full generality of the Riemann hypothesis is not always required in order to deduce good arithmetic consequences. Notably, in the search for zeros of the zeta function, special attention has been given to zero-density estimates. Rather than improving known zero-free regions, this subject aims to bound the number of zeros in certain rectangles inside the critical strip, the region of the complex plane consisting of all elements with real part between 0 and 1. This has become a central topic in analytic number theory, with several applications to prime number theory. In this thesis, our aim is to provide a thorough account of the techniques used to prove zero-density estimates. This begins with the description of the standard zero-detection method, and proceeds with two examples, one of which is the current record in a certain interval. We then exploit recent advances in the field to prove a new zero-density estimate that improves the current best bounds in a small interval, effectively breaking a world record. An essential tool in proving zero-density estimates is the study of moment estimates for the Riemann zeta function on the critical line, as they arise naturally in the zero-detection method. This subject has plenty of unsolved problems itself, and we will prove some of the current best results. The thesis concludes with an application of zero-density estimates to the theory of primes in short intervals.
Meer lezen

Photochemical deconstruction of polyolefins under mild conditions: an alternative pathway toward chemical recycling

Universiteit Hasselt
2026
Wout
Beyen
Depolymerisatie van polyolefinen is uitdagend door hun chemische inertie. Toch is het overwinnen van deze barrière essentieel voor een circulaire kunststofeconomie, aangezien ze bijna de helft van het Europese kunststofverbruik uitmaken. Hoewel diverse chemische deconstructiemethoden bestaan, vereisen polyolefinen doorgaans zware omstandigheden, wat de economische haalbaarheid beperkt.
Deze masterproef onderzoekt een alternatieve strategie om polyolefinen onder milde condities af te breken via een recent ontwikkelde UV-gedreven methode. Dit proces veroorzaakt een cascade van ketensplitsingen en zet polyolefinen om in smal verdeelde koolwaterstoffen met laag moleculair gewicht. GC-MS en hogetemperatuur-GPC worden ingezet om reactiepaden te identificeren, de onderliggende moleculaire mechanismen te verduidelijken en deze te koppelen aan de gevormde producten.
Een systematische screening werd uitgevoerd met dodecaan en isododecaan als modelverbindingen, gevolgd door toepassing op industrieel relevant polypropyleen (PP). De invloed van concentratie, type katalysator/(foto)initiator, solvent, reactietijd en atmosfeer werd geëvalueerd.
De resultaten tonen dat gechloreerde solventen essentieel zijn om ketenafbraak te bevorderen, terwijl zuurstof het proces versnelt en zuurstofhoudende carbonylproducten oplevert. Een reductie van 97,5% in moleculair gewicht kan al na 5 minuten worden bereikt.

Dit werk verdiept het inzicht in deze methode en opent perspectieven voor de omzetting van kunststofstromen in waardevolle chemicaliën.
Meer lezen

Unlocking the protein potential of Ulva: a comparative analysis of European and Asian species and their gastrointestinal digestibility

Universiteit Gent
2026
Elias
Scheldeman
De toenemende vraag naar duurzame eiwitbronnen heeft de interesse in zeewieren als alternatieve ingrediënten
versterkt, onder meer vanwege hun lage milieu-impact en hun potentieel om tijdens gastro-intestinale vertering
bioactieve peptiden te genereren. In deze studie werden vier Ulva-soorten uit Europa en Zuid-Korea vergeleken op het
vlak van eiwitverteerbaarheid en peptidevrijstelling na gestandaardiseerde in vitro gastro-intestinale digestie
(INFOGEST 2.0), waarbij alle stalen onder identieke omstandigheden werden verwerkt om interspecifieke vergelijking
mogelijk te maken. De eiwitextracten werden geanalyseerd met biochemische assays en kwantitatieve confocale
laserscanning microscopie (CLSM). Er werden duidelijke interspecifieke verschillen vastgesteld, met een
eiwitverteerbaarheid tussen 38 en 83%, wat wijst op een sterke soortafhankelijkheid. Ulva australis (75.63% ± 8.77) en
Ulva linza (83.61% ± 4.58) vertoonden de hoogste verteerbaarheid en de meest gunstige peptidevrijstellingsprofielen,
wat duidt op een efficiëntere eiwitafbraak. Ulva fasciata daarentegen vertoonde consequent een lagere
verteerbaarheid (38.62% ± 10.09) en een meer resistente structurele organisatie na digestie, zoals bevestigd door CLSMobservaties. Deze resultaten tonen aan dat eiwitbenutting binnen Ulva sterk wordt bepaald door soortspecifieke
structurele eigenschappen. Samengevat benadrukken deze bevindingen duidelijke verschillen in digestieprestaties, die
van belang zijn voor de gerichte selectie van zeewierbiomassa voor toepassingen in functionele voeding en
eiwitvalorisatie.
Meer lezen