Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Een biofysisch geïnspireerd model van fusiforme cellen voor het bestuderen van intrinsieke en synaptische parameterveranderingen bij tinnitus

Universiteit Gent
2026
Noor
Roelen
Deze thesis onderzoekt hoe veranderingen in de fusiforme cellen en zijn connecties kunnen bijdragen aan tinnitus. Hiervoor werd een computationeel model van fusiforme cellen ontwikkeld dat eerst werd afgestemd op de normale werking van deze cellen. Vervolgens werden mechanismen die in de literatuur met tinnitus worden geassocieerd, vertaald naar veranderingen in het model. De resultaten tonen dat veranderingen in de intrinsieke eigenschappen van fusiforme cellen hun verhoogde spontane activiteit kunnen verklaren, maar dat ook veranderingen in de balans tussen stimulerende en remmende signalen nodig zijn om tinnitusachtige activiteit volledig te reproduceren. Het model biedt zo een kader om de verschillende mechanismen bij tinnitus verder te bestuderen.
Meer lezen

Identifying optimal locations to install permanent Chinese mitten crab traps in East Flanders

HOGENT
2026
Sander
Benoot
The Chinese mitten crab is a widespread invasive alien species. To mitigate its impacts,
eƯective management measures, such as the deployment of permanent traps, are essential. To
date, however, an objective method for selecting sites for this costly infrastructure has been
lacking. This study aims to objectify the site selection process by systematically evaluating
potential locations using an assessment protocol to prioritize the most suitable sites.
A two-tiered approach was implemented for this purpose. First, a macro-level analysis was
conducted through data acquisition, a GIS analysis, and the use of a decision tree. The resulting
locations were subsequently validated using the assessment protocol to evaluate their local
suitability on-site.
The evaluation yielded locations with varying scores. Two sites achieved the maximum 'A'
score, indicating they theoretically oƯer the highest potential for installing permanent traps in
the future. No critically poor locations were identified, with a 'C' score being the lowest
recorded. This indicates that the pre-study serves as a reliable initial filter. Nevertheless, the
field evaluations exposed several contradictions and redundancies within the protocol,
particularly regarding parameters such as flow velocity, permitting procedures, and private
property access.
In conclusion, combining a GIS pre-study with the (originally British) assessment protocol
proves to be an eƯective methodology for site selection, given that no truly poor locations were
identified. Provided that minor adjustments are made to align the protocol with the Flemish
context, this workflow oƯers a good framework. Through this approach, poor site-selection can
be avoided, and investments can be made where they are eƯectively needed.
Meer lezen

Leucose bij katten in Vlaanderen

Odisee Hogeschool
2026
Tine
Raes
Leucose (FeLV) is een virale infectieziekte bij katten met mogelijk ernstige symptomen. De prevalentie van FeLV is op sommige plekken in de afgelopen jaren gedaald, door het toepassen van (verschillende) preventieve maatregelen (vaccinatie, positieve dieren gescheiden houden of verwijderen en castratie). Maar er zijn geen recente cijfers over de prevalentie van FeLV in Vlaanderen. Deze cijfers kunnen een inzicht geven over de nood en het toepassen van preventieve maatregelen. Daarom wordt in deze bachelorproef de prevalentie van FeLV in Vlaanderen bepaald aan de hand van bevragingen bij organisaties die katten opvangen. Ook wordt het testbeleid van deze organisaties vergeleken met (internationale) richtlijnen. Daarnaast zijn er ook enkele risicofactoren (leeftijd, geslacht, leefwijze, gezondheidstoestand) waar rekening mee gehouden kan worden. Deze informatie kan richting geven aan aanbevelingen voor een (aangepast) (preventie)beleid.

Uit de FeLV-testresultaten van bevraagde organisaties in Vlaanderen kwam een prevalentie van 1%. Maar minder dan de helft van de bevraagde organisaties houdt de testresultaten van FeLV en bijhorende gegevens bij, waardoor er te weinig data is om een uitspraak te doen over de algemene prevalentie en/of mogelijke risicofactoren in Vlaanderen. Het testbeleid van de bevraagde organisaties komt op sommige vlakken overeen met de internationale richtlijnen en op sommige vlakken niet. Maar een testbeleid kan, zeker bij een lage prevalentie en bij zwerfkatten, complex zijn. Recent werd er wel terecht beslist om de verplichte vaccinatie van FeLV bij het verhandelen voor asielen af te schaffen. Vaccinatie kan een belangrijke preventiemaatregel zijn, maar is niet voor elke kat nodig of nuttig.
Meer lezen

Autisme vriendelijke speelplaats

Hogeschool VIVES
2026
laure
thys
Dit praktijkonderzoek onderzoekt hoe leerondersteuners en basisscholen ondersteund kunnen worden bij het ontwikkelen van een autismevriendelijke speelplaatswerking. Vanuit literatuuronderzoek, praktijkervaringen en een bevraging bij leerondersteuners werd een praktijkgerichte toolbox ontwikkeld. Deze combineert een visiekader en analyse-instrument met concrete tools rond onder andere structuur, visualisatie, spelondersteuning, prikkelregulatie en herstelgericht werken. De toolbox biedt geen vast stappenplan, maar ondersteunt schoolteams om vanuit hun eigen context en noden tot een gedragen speelplaatswerking te komen. Het eindproduct werd in beperkte mate getest bij leerondersteuners en is geïntegreerd in een toegankelijke website.
Meer lezen

Samenwerking tussen onderwijs en welzijn in de evolutie naar inclusieve scholen

Universiteit Antwerpen
2026
Lotte
Janssens
De onderwijsnoden van leerlingen worden steeds complexer, waardoor de draagkracht van leraren en scholen
vaker onder druk komt te staan en het bieden van passend, kwaliteitsvol onderwijs een uitdaging vormt. In
Vlaanderen groeit het besef dat structurele partnerschappen tussen onderwijs en welzijn een belangrijke
hefboom zijn om deze uitdagingen aan te pakken en een inclusiever onderwijssysteem te realiseren. Deze
masterproef onderzoekt een praktijkgericht samenwerkingsinitiatief tussen een multifunctioneel centrum (MFC)
en reguliere kleuterscholen. Daarbij wordt gebruikgemaakt van een kwalitatief onderzoeksdesign, gebaseerd op
semigestructureerde interviews met leraren en zorgcoördinatoren. Op die manier wordt inzicht verkregen in
zowel de werking als de effecten van deze samenwerking.

De resultaten tonen aan dat effectieve samenwerking wordt gekenmerkt door zes bevorderende factoren:
gemeenschappelijke doelen, afstemming en taakafbakening, communicatie, wederzijds respect en vertrouwen,
relatie en betrokken actoren. Deze factoren versterken elkaar en dragen bij tot een gedeelde
verantwoordelijkheid en een sterk ‘wij-gevoel’ tussen onderwijs- en welzijnsprofessionals. Op het niveau van de
leraar en zorgcoördinator blijkt de samenwerking een positief effect te hebben op hun zelfeffectiviteit. Zij voelen
zich competenter in het interpreteren van gedrag en het afstemmen van hun pedagogisch-didactisch handelen.
Op leerlingniveau worden positieve effecten vastgesteld op sociale en academische participatie, al blijft deze
participatie sterk afhankelijk van de individuele verschillen tussen leerlingen en haalbare aanpassingen. Tegelijk
worden ook belangrijke uitdagingen zichtbaar, waaronder schoolbrede implementatie en de grenzen van inclusie
in de klaspraktijk. De masterproef concludeert dat samenwerking tussen onderwijs en welzijn een belangrijke
hefboom vormt voor inclusie, maar dat duurzame verankering en structurele partnerschappen noodzakelijk zijn
om deze meerwaarde op lange termijn te realiseren.

Kernwoorden: inclusief onderwijs, effectieve samenwerking, zelfeffectiviteit, sociale participatie en academische participatie
Meer lezen

Vrije bezoekuren op intensieve zorg: een analyse van effecten op patiënt, familie en zorgverleners met aanbevelingen voor de klinische praktijk.

Hogeschool UCLL
2026
Carmen
García Soler
Vanuit mijn stage op intensieve zorgen groeide mijn interesse in de impact van bezoekuren op patiënten, hun naasten en verpleegkundigen. Met dit onderzoek wilde ik verder gaan dan het in kaart brengen van de effecten van een flexibel bezoekbeleid en nagaan hoe wetenschappelijke evidentie daadwerkelijk kan worden vertaald naar de klinische praktijk. De combinatie van wetenschappelijke onderbouwing, praktijkgerichte aanbevelingen en een concreet implementatieplan maakt dat het onderzoek niet alleen relevant is voor de betrokken patiënt en familie, maar ook handvatten biedt aan verpleegkundigen en zorginstellingen die hun bezoekbeleid verder willen ontwikkelen. Ik hoop hiermee bij te dragen aan een zorgpraktijk waarin niet alleen de patiënt centraal staat, maar waarin ook naasten en zorgverleners een volwaardige plaats krijgen en verandering op een onderbouwde en duurzame manier wordt gerealiseerd.
Meer lezen

Fusies en overnames in landbouwcoöperaties: governancespanningen tussen degeneratie en regeneratie

KU Leuven
2026
Maxine
Gerits
  • Lander
    Hermans
Fusies en overnames (F&O) binnen landbouwcoöperaties fungeren als strategie om schaalvoordelen te versterken. Eerdere studies focusten daarbij voornamelijk op financiële en economische prestaties, terwijl de sociale dimensie van deze processen beperkt onderzocht blijft. Er is nog onvoldoende inzicht in hoe verschillende actoren binnen landbouwcoöperaties F&O ervaren en hoe percepties over governance, communicatie en participatie bijdragen aan processen van coöperatieve degeneratie of regeneratie. Deze thesis onderzoekt daarom hoe leden, bestuursleden, managers en experten F&O binnen landbouwcoöperaties ervaren, met specifieke aandacht voor governance, communicatie en ledenbetrokkenheid. Op basis van semigestructureerde interviews met leden, bestuursleden, managers en experten toont de analyse aan dat F&O-processen sterk actorgebonden worden geïnterpreteerd. Hoewel alle actoren het belang van communicatie, vertrouwen en betrokkenheid erkennen, verschillen hun verwachtingen en interpretaties aanzienlijk. Communicatie vormt hierbij een centraal spanningsveld: managers en bestuursleden benadrukken vooral strategische procescontrole en draagvlakcreatie, terwijl leden communicatie voornamelijk evalueren vanuit transparantie en duidelijkheid. Daarnaast verlopen F&O-processen in de praktijk grotendeels top-down, met een beperkte invloed van leden op de besluitvorming. De resultaten tonen verder aan dat F&O zowel degeneratieve als regeneratieve effecten kunnen hebben. Enerzijds leiden machtsconcentratie, strategische communicatie en verminderde ledenparticipatie tot degeneratieve tendensen, anderzijds kunnen samenwerking en hernieuwde aandacht voor leden leiden tot regeneratieve tendensen. De impact van F&O binnen landbouwcoöperaties wordt daarmee in sterke mate bepaald door de wijze
waarop governance, communicatie en ledenbetrokkenheid worden ingevuld. Een evenwicht tussen strategische besluitvorming en democratische participatie lijkt essentieel om coöperatieve waarden tijdens F&O-processen te behouden en tegelijkertijd strategische vernieuwing mogelijk te maken.
Meer lezen

Tussen hoop en herval: Een hulpverlenersperspectief op chroniciteit en veranderingsresistentie bij cliënten in de langdurige verslavingszorg

Universiteit Gent
2026
Thyra
Janssens
Deze masterproef onderzoekt hoe hulpverleners in de chronische Belgische drughulpverlening de veranderingsresistentie en chroniciteit bij cliënten beleven, en welke impact dit heeft op hun zorghouding, werkrelatie en emotioneel welzijn. Via een kwalitatief onderzoeksdesign werden negentien semigestructureerde interviews afgenomen bij hulpverleners uit vijf verslavingszorgsettings: een ambulante voorziening, twee residentiële settings, een CRA-georiënteerde werking en een spoedpsychiatrische context. De data werden geanalyseerd aan de hand van thematische analyse volgens Braun en Clarke (2021).

De analyse resulteerde in zeven thema's, van stigma en veranderingsresistentie tot emotionele belasting en structurele uitdagingen. Twee bevindingen springen er uit. Ten eerste is er een structurele kloof tussen wat hulpverleners conceptueel weten over herval en hoe zij dit emotioneel beleven. Ten tweede blijken de dimensies verbondenheid, hoop en betekenis, die centraal staan in herstel bij cliënten, ook voor hulpverleners zelf een bron van professionele veerkracht. Op basis van de bevindingen wordt een empirisch onderbouwde hypothese geformuleerd: naarmate de therapeutische relatie minder diepgaand is, neemt de kans op objectivering en dehumanisering van de cliënt toe. De conclusie luidt dat herstelgerichte zorg gelijktijdige investeringen vereist op het niveau van de hulpverlener, de organisatie en het zorglandschap. Individuele veerkracht kan niet als vervanging dienen voor structurele bescherming.
Meer lezen

Grondig gewaardeerd: Voedselsoevereiniteit op en naast het veld

Universiteit Gent
2026
Hannah
De Clercq
Deze masterproef vertrekt vanuit de waardering voor een praktijk van voedselsoevereiniteit, namelijk de praktijk die Plukboerderij Grondig uitoefent. De plukboerderij bevindt zich grofweg op de snijlijn van Gentbrugge, Melle-Merelbeke en
Heusden. Het plukveld, de serre, het boerenerf en andere weides liggen verspreid
in het gebied opgespannen door de dorpskern van Heusden en het beschermd
natuurgebied van de Schelde. Grondig is een CSA, een “community supported
agriculture”, wat betekent dat een gemeenschap van leden financieel mee draagt
in teeltrisico’s. Beleid en ruimtelijke planning voorzien geen of weinig ruimte voor
praktijken van voedselsoevereiniteit. (Jonge) Boeren die voor een gemeenschap
voedsel produceren, krijgen moeilijk toegang tot grond en infrastructuur. Onderzoek
naar voedselsoevereiniteit richt zich voornamelijk op praktijken in het Globale
Zuiden, of is heel theoretisch van aard. Er bestaat nog maar weinig onderzoek naar
praktijken die in Vlaamse context sociale en ecologische doelstellingen met elkaar
verbinden, en naar hoe omgevingen eruit zien die deze praktijken bemoeilijken of
bevorderen. Aan de hand van veldwerk (participatieve observatie), semi-gestructureerde interviews met boeren als betrokkenen tot Grondig en gesprekken
met boeren en andere stagiairs, dient er zich steeds meer kennis en verdieping
aan over de praktijk van Grondig. Verder helpt literatuur me taal te voorzien om
beter te benoemen wat er zich op als naast het veld afspeelt. Grondig boert in
een onaangepaste omgeving, maar creëert overlevingsstrategieën. Ze maakt een
netwerk, waaronder de gemeenschap, waarin zowel kennis als grondstoffen worden
uitgewisseld die het mogelijk maken om op een relatief autonome manier voedsel te
produceren voor die lokaal verankerde gemeenschap.
Meer lezen

Responses to rosemary-based olfactory enrichment A behavioural analysis of captive chimpanzees (Pan troglodytes) at Fundació MONA

Odisee Hogeschool
2026
Ann
Ieven
Een chimpansee in een opvangcentrum heeft alles wat hij nodig heeft, behalve een oerwoud. Om zijn dagen toch boeiend te houden krijgt hij klimtouwen, hangmatten en puzzels met lekkers erin verstopt. Dat werkt, zolang hij meedoet. Maar in elk opvangcentrum of asiel zit een dier dat nergens meer op ingaat. Geur zou dat dier wél bereiken: die hangt er gewoon, en een neus staat altijd open.

Het experiment voor mijn bachelorproef duurde vier weken en vond plaats in de buitenverblijven van tien geredde chimpansees, verdeeld over twee groepen, in Fundació MONA nabij Girona in Spanje. Op vier dagen lagen er geurende sokken in hun verblijf, geweekt in rozemarijnthee en gevuld met gedroogde rozemarijn. Op vier andere dagen lagen er identieke sokken zónder geur, en op nog eens vier dagen lagen er helemaal geen sokken. Op de rozemarijndagen vertoonden de dieren minder stressgedrag en foerageerden ze meer — het rustige zoeken naar eten waar wilde chimpansees hun dag mee vullen. Het verrassendste: dat zoeken nam niet enkel toe bij de apen die met de sok speelden, maar bij de hele groep. De geur hing in de lucht en bereikte ook de dieren die de sokken nauwelijks aanraakten.
Meer lezen

Verpleegkundige aandachtspunten bij gebruik van antipsychotica tijdens een zwangerschap

Thomas More Hogeschool
2026
Ramona
Westerveld
Deze bachelorproef onderzoekt welke verpleegkundige aandachtspunten belangrijk zijn bij de begeleiding van zwangere zorgvragers die antipsychotica gebruiken. Een zwangerschap in combinatie met een psychiatrische aandoening brengt een complex zorgvraagstuk met zich mee: zorgverleners moeten de mogelijke risico’s van medicatie afwegen tegen de risico’s van onbehandelde psychiatrische problematiek voor ouder en kind.

Aan de hand van een literatuurstudie werd onderzocht welke effecten antipsychotica tijdens de zwangerschap kunnen hebben en welke rol verpleegkundigen kunnen opnemen in de begeleiding. Uit de huidige wetenschappelijke literatuur blijkt geen duidelijk verhoogd risico op ernstige aangeboren afwijkingen. Wel worden verbanden beschreven met onder andere vroeggeboorte, een lager geboortegewicht en tijdelijke aanpassingsproblemen bij pasgeborenen. Tegelijk is het moeilijk om deze effecten rechtstreeks toe te schrijven aan de medicatie, omdat ook de onderliggende psychiatrische aandoening en andere factoren een belangrijke rol spelen.

De resultaten benadrukken het belang van een individuele en multidisciplinaire aanpak. Verpleegkundigen spelen daarbij een belangrijke rol in monitoring, educatie, ondersteuning en zorgcoördinatie. Zowel bij het verderzetten als bij het afbouwen of stopzetten van antipsychotica is een zorgvuldige opvolging van het psychische en lichamelijke welzijn van de zwangere zorgvrager essentieel.
Meer lezen

welke rol speelt de verpleegkundige in de vroege herkenning van hemispatiaal neglect bij patiënten na een cerebrovasculair accident (CVA)?

Hogeschool VIVES
2026
steffie
dumortier
Deze bachelorproef onderzoekt de rol van de verpleegkundige in de vroege herkenning van hemispatiaal neglect bij patiënten na een cerebrovasculair accident (CVA). Hemispatiaal neglect kan een grote invloed hebben op de veiligheid, zelfstandigheid en revalidatie van de patiënt, maar wordt in de dagelijkse zorg niet altijd tijdig herkend.

Aan de hand van een literatuurstudie werd onderzocht welke signalen verpleegkundigen kunnen observeren, welke screeningsmethoden en hulpmiddelen beschikbaar zijn en hoe multidisciplinaire samenwerking kan bijdragen aan een vroegere herkenning en betere begeleiding.

Op basis van de bevindingen werd de Neglectbox ontwikkeld: een praktijkgericht hulpmiddel met onder andere een verpleegkundig zakkaartje, Neglect Compass, kamerindelingskaart, patiëntenwerkboek, familiekaart en verschillende hulpmiddelen voor de patiënt. De box heeft als doel verpleegkundigen en andere zorgverleners te ondersteunen, de patiënt actief te betrekken bij de revalidatie en ook familie handvatten te geven.

De Neglectbox zal binnen AZ Delta in de praktijk worden ingezet, waarbij onder andere de ontwikkelde kamerindelingskaart effectief gebruikt zal worden.
Meer lezen

Een gevoelige buik op school

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Guuske
Creël
Mijn bachelorproef gaat over hoe leerkrachten leerlingen met een gevoelige buik beter kunnen begrijpen en ondersteunen op school. Buikklachten hebben namelijk niet alleen een lichamelijke impact, maar kunnen ook zorgen voor stress, schaamte, angst en concentratieproblemen. Via literatuuronderzoek, gesprekken met leerlingen en leerkrachten en observaties onderzocht ik waar leerlingen in de klaspraktijk tegenaan lopen en wat leerkrachten kunnen doen om hen beter te ondersteunen. Vanuit dit onderzoek ontwikkelde ik een praktische infobundel voor leerkrachten en een laagdrempelig pijninstrument waarmee leerlingen hun pijn kunnen aangeven zonder dit klassikaal te moeten vertellen.
Meer lezen

Dragers van zorg

HOGENT
2026
Zoa
Engelen
Een herwaardering van het lichaam binnen het bestaande zorgsysteem. Dragers van zorg biedt een alternatief zorgidee aan waarin vier stemmen aan bod komen: een reactie op het binaire, medische zorgidee.
Meer lezen

Tweedehands kopen bij De Kringwinkel West: motivaties en barrières. Een verkennende survey naar motivaties, barrières en gedragsverschillen.

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Sébastien
Vandenberghe
Deze bachelorproef onderzoekt welke motivaties en barrières samenhangen met het koopgedrag rond tweedehands goederen bij huidige en potentiële klanten van De Kringwinkel West. Het onderzoek combineert een literatuurstudie met een online hoofdbevraging bij 262 volwassenen en een afzonderlijk gerapporteerde aanvullende survey bij 52 respondenten.

Geld besparen, unieke of vintage vondsten en winkelplezier komen naar voren als de sterkste motivaties. Niet vinden wat men zoekt en onzekerheid over garantie, kwaliteit en hygiëne vormen de relatief sterkste gemeten drempels. Schaamte speelt binnen deze respondentengroep een kleinere rol.

Voor De Kringwinkel West wijzen de bevindingen op kansen om bekendheid en winkelbezoek beter te vertalen naar aankoop en herhaalbezoek. De aanbevelingen richten zich op een beter vindbaar assortiment, zichtbare kwaliteits- en netheidscommunicatie en een heldere prijs- en waardecommunicatie. Zo biedt de studie concrete aanknopingspunten voor de praktijk van een sociale circulaire onderneming. Door de niet-representatieve steekproef en de verschillen tussen beide bevragingen zijn de resultaten verkennend; de effecten van de voorgestelde verbeteringen werden niet getest.
Meer lezen

Fysische modellering en validatie van een krachtgeactiveerd afdaalsysteem

KU Leuven
2026
Wannes
Tijskens
Vrijwel elk zeker- en afdaaltoestel leidt het touw langs een vast pad in bochten om, waarbij de energie wordt omgezet in wrijvingswarmte in het contact tussen touw en toestel. Het touw is daardoor tegelijk draagelement en remelement. De Slow-Fall vertrekt van een ander uitgangspunt: de spanning in het touw wordt via de wigwerking van een V-vormige groef omgezet in een axiale kracht op een afzonderlijke wrijvingsrem, waar de energie wordt gedissipeerd. Het toestel werd iteratief ontwikkeld en werkt in de praktijk, maar waarom het werkt was niet gekend. Daardoor kon geen enkele ontwerpvraag beantwoord worden zonder opnieuw te bouwen en te beproeven, wat de verdere ontwikkeling uiteindelijk stillegde.

Deze masterproef bouwt daarom een experimenteel getoetst fysisch model van het toestel. Het mechanisme werd eerst ontleed tot zijn afzonderlijke krachtoverdrachts- en dissipatie-mechanismen, die vervolgens elk op een zelfontworpen testopstelling gekarakteriseerd werden. Het dynamisch gedrag van het klimtouw werd bepaald uit vrije-valproeven, waarbij uit de dempingsenveloppe en de ogenblikkelijke frequentie van het gemeten signaal een nieuw equivalent model werd afgeleid: het KVC-KV-model, waarin een Coulomb-demper als schakelend element de topologie van het touw laat afhangen van de systeemtoestand. Het geeft als enige zowel de tweeledige dempingsenveloppe als de stijgende oscillatiefrequentie tijdens het uitdempen weer. Daarnaast werden de wrijving tussen touw en cilinder, de belastingsafhankelijke capstanwerking van het gripwiel en het V-wiel, en het remkoppel tussen remschijf en remwiel gemeten en in wiskundige vorm gegoten; voor het gewikkelde touwcontact bleek een machtswetmodel nodig in plaats van de wet van Amontons-Coulomb.

De deelmodellen werden samengebracht in een dynamisch model van het volledige toestel, opgesteld met de methode van Lagrange, uitgebreid met een Rayleigh-dissipatiefunctie en met de droge wrijving als niet-conservatieve gegeneraliseerde krachten. Vier gegeneraliseerde coördinaten volstaan; de overgangen tussen de wrijvingsregimes werden als gebeurtenisgestuurde schakelingen geformuleerd en numeriek geïmplementeerd in Matlab. Om het model te toetsen met touw, wikkelingen, rem en last gelijktijdig actief, werd een hoofdtestopstelling ontworpen en gebouwd. Daarin legt een servoaandrijving op het zekeruiteinde een reproduceerbaar verplaatsingsprofiel op, terwijl de krachten over de volledige krachtweg gemeten worden: zekerkracht, lastkracht, axiale kracht op de remschijf en reactiekracht op het geleidingswiel.

De vergelijking met de metingen legde drie afwijkingen bloot, die elk aan een fysisch mechanisme werden toegewezen en met gerichte correcties opgevangen. Daaruit volgt een beschrijving van de werking: de Slow-Fall is een tweetraps krachtversterker. De wikkelingen rond het gripwiel slippen permanent, waardoor de eerste trap een vaste versterking van de zekerkracht levert; de tweede trap ligt niet vast, omdat de lastspanning volgt uit de beweging van de last zelf. Beide bepalen samen de axiale kracht op de rem, waardoor het toestel een teruggekoppeld systeem is: met de zekerkracht verschuift de gebruiker het werkpunt van die terugkoppeling. Het merendeel van de energie wordt effectief in de rem gedissipeerd, wat het uitgangspunt van het ontwerp bevestigt. Ten slotte rangschikt het model de ontwerp-parameters, waardoor ontwerpkeuzes voortaan eerst doorgerekend en pas daarna beproefd kunnen worden.
Meer lezen

Preserving Urban Identity

KU Leuven
2026
Madeline
Smid
Deze thesis onderzoekt hoe ruimtelijke herinneringen richting kunnen geven aan de transformatie van zowel institutioneel als beleefd erfgoed binnen de naoorlogse stedelijke wederopbouw. De focus ligt voornamelijk op Podil, een district in de Oekraïense hoofdstad Kyiv, waar de deelnemers vandaan komen. De thesis vertrekt vanuit de vaststelling dat binnen de naoorlogse wederopbouw van Oekraïne vaak de nadruk ligt op officieel erkend erfgoed, terwijl de alledaagse ruimtelijke herinneringen en levenservaringen van de inwoners het risico lopen over het hoofd te worden gezien.

De onderzoeksvraag luidt: Hoe kan ruimtelijke herinnering richting geven aan de transformatie van zowel institutioneel als beleefd erfgoed binnen de stedelijke wederopbouw na een conflict? Om deze vraag te beantwoorden, werd een participatieve aanpak ontwikkeld waarbij rechtstreeks werd samengewerkt met Oekraïense deelnemers uit hetzelfde stedelijke gebied in Kyiv. Aan de hand van een stapsgewijs proces van gesprekken en co-creatieve sessies combineerde het onderzoek memory talks, mentale kaarten, representatieve kaarten, tekeningen, maquettes en desktoponderzoek. Op deze manier werden de geleefde ervaringen en herinneringen van de deelnemers geleidelijk vertaald naar ruimtelijke representaties. Elke fase bouwde voort op de vorige en bracht nieuwe en meer gedetailleerde inzichten aan het licht. Gedurende het proces werd een dagboek bijgehouden waarin de ontwikkeling van de methodologie stap voor stap werd gedocumenteerd.

De bevindingen tonen aan dat stedelijke identiteit niet alleen wordt gedragen door monumenten, maar ook door alledaagse ruimtelijke structuren en zintuiglijke ervaringen. Op basis van de verschillende fasen van de methodologie werd een identiteitsgericht kader ontwikkeld dat bestaat uit vijf elementen: dagelijkse routine, groen ademen, connectiviteit, historische continuïteit en zintuiglijke rijkdom. Samen kunnen deze elementen de naoorlogse wederopbouw ondersteunen en bijdragen aan het behoud van de stedelijke identiteit.

Het kader werd toegepast op een geselecteerd gebied rond Hostynyi Dvir en de omliggende publieke ruimtes. De toepassing toonde aan hoe het identiteitsgerichte kader kan worden vertaald naar een ontwerp. In plaats van een vastomlijnd ontwerpvoorstel te formuleren, biedt de thesis een kwalitatieve methode om te herkennen welke ruimtelijke kwaliteiten bijdragen aan een gevoel van verbondenheid, collectief geheugen en stedelijke continuïteit. Hoewel het kader werd toegepast op een specifieke locatie, is het overdraagbaar en kan het op verschillende schaalniveaus en in uiteenlopende contexten worden gebruikt, van één gebouw tot een volledig district of een hele stad.

Deze thesis stelt dat naoorlogs herstel verder moet gaan dan het beschermen van officieel erkend erfgoed en dat participatieve benaderingen moeten worden ingezet om te ontdekken welke alledaagse ruimtelijke kwaliteiten eveneens het bewaren waard zijn. Ruimtelijke herinnering vormt daarbij de belangrijkste basis voor een wederopbouw die niet alleen gebouwen herstelt, maar ook de voorwaarden creëert voor het voortzetten van het stedelijke leven. Op die manier kan toekomstige wederopbouw evolueren naar een meer bottom-up praktijk, geworteld in de herinneringen, ervaringen en dagelijkse realiteit van de mensen die de stad bewonen.
Meer lezen

Voorbij het monsterbeeld: de haai als slachtoffer

HOGENT
2026
Marlies
Hemelinckx
Shark species are declining and anthropogenic pressures are on the rise.
This study investigates the occurrence and characteristics of anthropogenic injuries in bull sharks and oceanic blacktip sharks at Aliwal Shoal, Umkomaas, South Africa. The aim is to assess injury frequency, origin, type, anatomical distribution and seasonal variation, as well as the influence of photographic coverage on injury detection.
A total of 383 sharks were analysed, consisting of 53 bull sharks and 330 oceanic blacktip sharks. For bull sharks, 3,975 photographs were systematically reviewed, while 25,354 photographs were analysed for oceanic blacktip sharks. Data was collected using photographic records and classified according to injury presence, number, origin, type and body location. Seasonal patterns were derived from the month of observation and grouped into seasonal categories.
Anthropogenic injuries were recorded in both species, with a substantial proportion of individuals affected. Fishing-related injuries were the most frequent in both bull sharks and oceanic blacktip sharks, followed by vessel-related injuries. Most sharks exhibited a single injury, although multiple injuries per individual were also observed, particularly in oceanic blacktip sharks. Retained fishing gear and associated wounds were the most common injury type, while fins were the most frequently affected body region in both species.
Seasonal variation in newly observed injuries indicated differences in distribution across seasons, with relatively higher frequencies during warmer periods. Photographic analysis showed that a considerable proportion of sharks did not have full-body coverage, suggesting that some injuries may not have been detected and that reported values likely underestimate true occurrence.
Overall, the results demonstrate widespread anthropogenic interaction with sharks at Aliwal Shoal and highlight the importance of fisheries as the main source of injury, as well as the need for improved monitoring methods to better assess impacts on shark populations.
Meer lezen

Recurite: Duurzaam afvalbeheer op intensieve zorgen

Universiteit Antwerpen
2026
Quinten
Hensbergen
Op de afdeling intensieve zorgen belandt gemiddeld 46% van het afval in de verkeerde container. Niet door onwil of onwetendheid, maar omdat de fysieke omgeving zorgverleners daar op het drukste moment van hun werkdag onbewust toe dwingt. Deze thesis onderzoekt de menskundige, technische en contextuele factoren die foutieve afvaltriage op intensieve zorgafdelingen beïnvloeden, en vertaalt die inzichten naar een ontwerpgedreven oplossing.

Recurite is een modulaire verzorgingskar die correcte afvalsortering structureel integreert in de bestaande workflow van de zorgverlener. Door PMD, karton en niet-risicohoudend medisch afval op te vangen op de exacte plaats en het exacte moment waarop die stromen ontstaan tijdens de zorghandeling, wordt correct sorteren een vanzelfsprekend onderdeel van de zorgroutine in plaats van een bewuste extra stap.

Het project werd initieel aangevraagd door ZAS Middelheim en is inmiddels opgenomen binnen het Ontzorg-project van het ReuseLab van de Universiteit Antwerpen. Recurite is het eerste product dat afvaltriage aan de bron faciliteert en tegelijkertijd een fysieke inzameloplossing biedt voor circulaire initiatieven rechtstreeks op de ziekenhuisvloer.
Meer lezen

Houding, de ruggengraat van ergonomie: De rol van (student)verpleegkundigen in de preventie van werkgerelateerde musculoskeletale aandoeningen in ziekenhuizen

Thomas More Hogeschool
2026
Lotte
Willio
Deze bachelorproef onderzoekt hoe (student)verpleegkundigen kunnen bijdragen aan de preventie van werkgerelateerde musculoskeletale aandoeningen (WMSD) door ergonomisch te handelen binnen de ziekenhuiscontext.

WMSD zijn lichamelijke klachten aan spieren, gewrichten en pezen die ontstaan door het werk, zoals rug-, nek- en schouderpijn. Ze komen opvallend vaak voor bij verpleegkundigen en zelfs al bij studenten, door een combinatie van fysieke belasting, psychosociale druk en organisatorische knelpunten.

Verpleegkundigen staan dicht bij de zorgvrager en voeren veel fysieke handelingen uit, maar ervaren daarbij vaak twijfel, tijdsdruk of een gebrek aan ondersteuning om ergonomisch te werken.

Deze bachelorproef brengt in kaart welke kennis, vaardigheden en hulpmiddelen zij nodig hebben om die belasting te verminderen. Uit de literatuur blijkt dat effectieve preventie steunt op educatie, ergonomische hulpmiddelen en een gedragen ergonomiecultuur op de werkvloer.

Op basis van deze inzichten werd een praktisch prototype ontwikkeld dat verpleegkundigen duidelijke handvatten biedt om ergonomie haalbaar en toepasbaar te maken. Het onderzoek toont dat vroege sensibilisering tijdens de opleiding en structurele ondersteuning essentieel zijn om zorgprofessionals duurzaam te beschermen.
Meer lezen

Real-Time Remote AI Segmentation over 4G/5G Networks for Assistive Navigation on Custom Trails for Visually Impaired Persons (VIPS)

Vrije Universiteit Brussel
2026
Maarten
Dequanter
De scriptie onderzoekt of artificiële intelligentie en publieke 4G/5G-netwerken kunnen worden ingezet om blinde en slechtziende personen in real time te ondersteunen bij het volgen van wandelpaden. Een camera maakt beelden van de omgeving, waarna een AI-model het begaanbare pad herkent en omzet in eenvoudige richtingsinformatie, zoals links, rechts of rechtdoor. Daarbij wordt onderzocht of die beeldanalyse best lokaal op een klein toestel gebeurt of op een krachtige computer op afstand.

Uit de experimenten blijkt dat een energiezuinig toestel zoals een Raspberry Pi 5 onvoldoende snel is voor lokale real-time beeldsegmentatie, terwijl verwerking op een externe GPU via een publiek 5G-netwerk wel voldoende snel kan reageren. Tijdens veldmetingen werd een gemiddelde 5G-latency van ongeveer 24 ms gemeten en bleef de totale reactietijd bij geschikte instellingen onder ongeveer 200 ms, wat bruikbaar is voor begeleiding aan wandelsnelheid.

De scriptie ontwikkelt daarnaast een veilige en reproduceerbare testmethode met een digitaal park in Unreal Engine en vormde de technische basis voor de smartphone-app Stay On Trails en het vervolgproject BlindNavParks, dat steun kreeg van de Koning Boudewijnstichting.

Kort samengevat: de scriptie toont aan dat cloudondersteunde AI via bestaande 5G-netwerken technisch haalbaar is als basis voor betaalbare assistieve navigatie voor mensen met een visuele beperking.
Meer lezen

Assessing the Impact of Volume- to Weight-Based Household Waste Pricing: A Staggered Difference-in-Differences Approach

Universiteit Gent
2026
Jef
Bruggeman
De afgelopen jaren zijn de politieke debatten in heel Vlaanderen over de milieulast die gepaard gaat met de inzameling van huishoudelijk afval geïntensiveerd. Om de doelstellingen uit het regionale Lokaal Materialenplan 2023-2030 te behalen, hebben lokale overheden de traditionele, op volume gebaseerde huisvuilzakken uitgefaseerd ten gunste van gedifferentieerde, op gewicht gebaseerde tariefmodellen (DIFTAR) die gebruikmaken van gechipte afvalcontainers. Ondanks de internationale steun voor op gewicht gebaseerd beleid, toont historische empirische literatuur uit Vlaanderen aan dat de initiële afname-effecten binnen vijf jaar wegebben. Tegelijkertijd is er een gebrek aan gedetailleerde inzichten over meerdere afvalfracties heen met betrekking tot het substitutiegedrag van huishoudens. Deze masterproef pakt deze hiaten aan door een uitgebreide longitudinale paneldataset te evalueren die 17 huishoudelijke afvalstromen in 266 niet-gefuseerde Vlaamse gemeenten volgt van 2017 tot 2024.

Methodologisch gezien implementeert de studie een conditioneel 'staggered Difference-in-Differences' schattingskader dat corrigeert voor multi-periode selectiebias en problemen met negatieve weging, terwijl er via de Belfius-gemeentetypologie wordt gecontroleerd op structurele en demografische variaties. De bevindingen tonen aan dat de overgang naar op gewicht gebaseerde mechanismen resulteert in een statistisch significante, algehele reductie van 11,80% in de productie van huishoudelijk restafval, met een piek van 17,27% tijdens het eerste volledige jaar na de implementatie. Hoewel er in de laatste jaren een uitdoofeffect wordt waargenomen, blijft deze trend voorlopig nog tentatief vanwege databeperkingen en een beperkte observatieperiode na de implementatie voor gemeenten die het systeem recent hebben ingevoerd.

Cruciaal is dat de multi-fractie substitutieanalyse aantoont dat positieve substitutie-effecten beperkt blijven tot klein gevaarlijk afval (KGA) (+6,97%) en plantaardige en dierlijke oliën/vetten (+5,10%). Het merendeel van het afgewende gewicht valt echter in de categorie van netto voorkomen afval of afwending buiten het systeem, zoals thuiscomposteren. Stratificaties van subgroepen geven aan dat, terwijl landelijke gebieden organisch afval opvangen via thuiscomposteren en substitueren via het sorteren van plastic, inwoners van stedelijke centra materialen verschuiven naar de gemeentelijke bioafval- of gft-fracties.

Tot slot minimaliseren gerichte configuraties, zoals niet-lineaire, getrapte prijsmodellen, het traditionele uitdoofeffect en leiden ze tot een sterkere daling van het restafval van ongeveer 20%. Deze empirische inzichten bieden een basis voor lokale overheden om de operationele afvallogistiek aan te passen, gerichte communicatiecampagnes op te zetten en strategische plannen voor publieke infrastructuur te optimaliseren.
Meer lezen

Conflicthantering op de speelplaats - Een praktijkonderzoek naar ondersteuning bij conflicthantering

HOGENT
2026
Ada
Zaman
Deze bachelorproef onderzoekt hoe leerkrachten en toezichters van Freinetschool De Spiegel beter ondersteund kunnen worden bij conflicthantering op de speelplaats. Via observaties, interviews en literatuuronderzoek werden de noden in kaart gebracht. Op basis daarvan werd een praktisch en herstelgericht adviesrapport ontwikkeld.
Meer lezen

Linking genotype to behaviour: the genetic and regulatory basis of predator-induced plasticity in Daphnia magna

KU Leuven
2026
Anton
de Jong
Deze thesis onderzoekt hoe de watervlo Daphnia magna haar gedrag aanpast als reactie op de aanwezigheid van vis-predatoren, en welke genen daaraan ten grondslag liggen. Met een gedragsassay werd bij 101 klonen uit 20 Vlaamse vijvers gemeten hoe blootstelling aan chemische vis-signalen (kairomonen) de verticale positie in de waterkolom en de zwemsnelheid beïnvloedt. Klonen uit vijvers zonder historische vis-predatie vertoonden geen (of een omgekeerde) ontwijkingsrespons, wat wijst op verlies van plasticiteit bij afwezigheid van predatiedruk.

Een genoombrede associatiestudie (GWAS) koppelde de basale verticale positie aan een opsine-achtig gen, en plasticiteit in zwemsnelheid aan genen die lijken op Rotund-eiwitten, mogelijk betrokken bij geurwaarneming. Transcriptoomanalyse toonde daarnaast brede metabole en neurologische veranderingen na kairomoonblootstelling, en door dit te combineren met ATAC-seq-data werd een voorlopig genregulatorisch netwerk opgebouwd rond twee centrale transcriptiefactoren. Samen leveren deze resultaten nieuwe inzichten op in de moleculaire basis van gedragsplasticiteit bij predatiegevaar.
Meer lezen

Van blauwe plek tot rode vlag

Thomas More Hogeschool
2026
Fran
De Block
Kindermishandeling herkennen is niet altijd eenvoudig. Signalen kunnen lichamelijk, gedragsmatig of emotioneel zijn en zijn zelden op zichzelf doorslaggevend. Verpleegkundigen op spoed- en pediatrische afdelingen staan dicht bij kinderen en kunnen daardoor belangrijke signalen opmerken, maar botsen in de praktijk vaak op twijfel: wat betekent wat ik zie, hoe bespreek ik mijn bezorgdheid en welke stappen mag of moet ik zetten?

Deze bachelorproef brengt in kaart welke kennis en ondersteuning verpleegkundigen nodig hebben om die onzekerheid beter te hanteren. Daarbij gaat het niet alleen om het herkennen van signalen, maar ook om objectief observeren en rapporteren, communiceren met kind en ouders, samenwerken binnen het team en inzicht krijgen in het juridisch kader en de meldstructuur.

Vanuit die bevindingen werd een interactieve bijscholing uitgewerkt, samen met een praktisch document waarin de belangrijkste informatie overzichtelijk wordt gebundeld. Zo krijgen verpleegkundigen concrete houvast op momenten waarop iets niet klopt, zonder te verwachten dat zij meteen zekerheid hebben.

De kern van deze bachelorproef is dan ook eenvoudig: twijfel hoeft niet te verdwijnen, maar ze mag ook niet betekenen dat een belangrijk signaal verloren gaat.
Meer lezen

WIENS STEM TELT IN HET DEBAT? Een onderzoek naar brondiversiteit en publieksbekendheid over dwingende controle in de Vlaamse pers

Vrije Universiteit Brussel
2026
Bruna
Rodrigues Bastos
Dwingende controle is een vorm van partnergeweld waarbij iemand stap voor stap de vrijheid van zijn of haar partner overneemt, via dreiging, isolatie en voortdurende controle. Fysiek geweld hoeft daar niet bij te horen. Toch geldt het als een van de belangrijkste voorspellers van femicide.

Daarom onderzoekt deze masterproef of dat begrip zichtbaar is in de Vlaamse pers, en of nieuwsgebruikers het kennen. Dat gebeurde op twee manieren. Een kwantitatieve inhoudsanalyse bracht de berichtgeving over partnergeweld in Het Laatste Nieuws en Het Nieuwsblad in kaart, met een vergelijking tussen 2022 en 2025, dus voor en na de femicidewet. Daarnaast peilde een online bevraging bij 150 respondenten hun kennis en hun beoordeling van de berichtgeving.

Uit de analyse blijkt dat de term dwingende controle in 2025 in amper 0,1 tot 0,2 procent van de artikelen expliciet voorkomt, terwijl het bijbehorende gedrag wel volop wordt beschreven. De berichtgeving leunt sterk op politie en gerecht, en verwijst zelden naar hulplijn 1712. Aan de ontvangstzijde voelt 84 procent van de bevraagden zich onvoldoende geïnformeerd om de signalen te herkennen.

Samen legt het onderzoek een duidelijke informatiekloof bloot tussen de journalistieke praktijk en wat nieuwsgebruikers nodig hebben, en formuleert het concrete aanbevelingen voor redacties.
Meer lezen

Van inzicht naar actie.

Thomas More Hogeschool
2026
Luci
Mioc
  • Stien
    Ceulemans
Therapieontrouw bij medicatie komt vaak voor, maar de onderliggende oorzaken blijven in de dagelijkse zorgpraktijk dikwijls onopgemerkt. Deze bachelorproef onderzoekt hoe zorgverleners therapieontrouw beter kunnen herkennen, de oorzaak ervan kunnen achterhalen en gerichte interventies kunnen inzetten.

Op basis van wetenschappelijke literatuur werden praktische hulpmiddelen ontwikkeld die zorgverleners ondersteunen in dit proces. De oplossing bestaat uit een digitale applicatie, de Therapietrouw Assistent Tool (TAT), aangevuld met praktische steekkaarten . Deze hulpmiddelen helpen zorgverleners om signalen van therapieontrouw systematisch te analyseren en evidence-based interventies toe te passen.

Met deze bachelorproef wordt de brug geslagen tussen wetenschappelijke inzichten en de dagelijkse praktijk. Het doel is de therapietrouw, de kwaliteit van zorg en leven en de patiëntgerichte begeleiding te verbeteren. Want therapieontrouw is geen falen van de patiënt of bewoner, maar een signaal naar de zorgverleners om beter te ondersteunen!
Meer lezen

FROM SPATIAL ECOLOGY TO ECOSYSTEM IMPACT: LARGE GRAZERS IN HEATH AND DUNE LANDSCAPES LINKING MOVEMENT BEHAVIOUR, HABITAT SELECTION, AND VEGETATION DYNAMICS IN THE WESTHOEK AND KALMTHOUTSE HEIDE

Universiteit Gent
2026
Jobbe
Vermandere
Het inzetten van vrij rondlopende grote herbivoren vormt een hoeksteen van het natuurbeheer in Europa. De bedoeling is om via extensieve begrazing natuurlijke processen te herstellen, zoals het tegenhouden van snelle vegetatiesuccessie en het in stand houden van de structurele diversiteit van open landschappen. Hierdoor wordt dit type beheer ook wel procesbeheer genoemd. In voedselarme ecosystemen, zoals kustduinen en laaglandheiden, heeft de wijdverspreide stikstofdepositie en het wegvallen van historische verstoringen geleid tot een snelle structurele achteruitgang. Dit uit zich voornamelijk in de vestiging van sterk competitieve grassen en kruidachtigen (vergrassing of verruiging) en de vestiging van dicht struikgewas (verstruweling),
waardoor gespecialiseerde pioniersoorten worden verdrongen en de biodiversiteit afneemt. Hoewel begrazing voor natuurbeheer op grote schaal wordt ingezet om deze bedreigingen te verminderen, blijven de precieze ruimtelijke mechanismen waarmee deze dieren habitat selecteren en interageren met fysieke infrastructuur complex en contextgebonden. Deze studie evalueerde de ruimtelijke ecologie en het vermogen tot ecosysteembeïnvloeding van grote herbivoren in twee structureel verschillende landschappen: de kustduinen van de Westhoek (begraasd door een gemengde groep paardachtigen bestaande uit Konikpaarden en Shetlandpony’s en een kudde Schotse hooglanders) en de laaglandheide van de Kalmthoutse Heide (begraasd door een kudde Galloway-runderen). Om de kloof tussen de bewegingen van individuele dieren en successieveranderingen op landschapsschaal te overbruggen, maakte dit onderzoek gebruik van een meerledig
methodologisch kader dat was onderverdeeld in drie afzonderlijke werkpakketten (WP). Ten eerste
werd Continuous-Time Movement Modelling (ctmm) toegepast op GPS-telemetriegegevens om
het gebruik van ruimte met grensbeperkingen en ruimtelijke verzadiging in kaart te brengen (WP1).
Deze benadering corrigeerde wiskundig voor inherente temporele autocorrelatie en maakte gebruik
van Degrees of Freedom (DOF)-filtering om robuuste Autocorrelated Kernel Density Estimates
(AKDE) te extraheren. Ten tweede werden geïntegreerde Resource Selection Functions (iRSF)
ingezet om de habitatkeuze op kleine schaal en de onderliggende milieubeperkingen te evalueren
(WP2). De iRSF-modellen gebruikten specifiek het AKDE-gebied van elk dier als
beschikbaarheidsbasis, waardoor de habitatkeuze strikt werd geëvalueerd ten opzichte van het
toegankelijke landschap, terwijl tegelijkertijd rekening werd gehouden met continue variabelen
zoals topografie, afstand tot water en afstand tot antropogene infrastructuur (paden en hekken).
Ten slotte werden vegetatiehoogtekaarten met hoge resolutie uit 2020 en 2025 in de Westhoek
geanalyseerd om dit ruimtelijk gedrag te koppelen aan structurele landschapsveranderingen
(WP3). Door ruimtelijke pixels te categoriseren in vegetationele overgangstoestanden (Stabiel,
Regressie of Toename), werd de cumulatieve ruimtegebruiksintensiteit van de paarden
gemodelleerd tegen abiotische stressfactoren om de werkelijke drijvende krachten achter de
vegetatiedynamiek te bepalen.
De ruimtelijke modellen (WP1) brachten fundamentele verschillen in de ruimtelijke basisecologie
aan het licht, die worden bepaald door eigenschappen op soortniveau en de dynamiek binnen de
kudde. Uit de ruimtelijke tracking bleek dat noch de paardachtigen in de Westhoek (na de corridor
opening) noch de Galloway-runderen op de Kalmthoutse Heide biologisch verzadigd zijn. Hun
leefgebieden worden dus niet volledig bepaald door de fysieke grenzen van de reservaten, wat
wijst op actieve en doelgerichte ruimtelijke keuzes. De Galloway-runderen vertoonden relatief grote
seizoensgebonden schommelingen in de omvang van het leefgebied, wat wijst op dynamische
aanpassingen aan de beschikbaarheid van voedselbronnen. Omgekeerd vertoonden de
paardachtigen in de Westhoek het hele jaar door relatief stabiele leefgebieden, wat wijst op een
biologisch verschil waarbij paardachtigen minder gevoelig zijn voor seizoensgebonden fenologie.
De paardachtigen vertoonden echter wel significante seizoensgebonden verschuivingen in hun
kerngebieden, wat bevestigt dat, hoewel hun totale gebied stabiel blijft, hun interne foerageerfocus
dynamisch verschuift. Bovendien zorgde een lage interindividuele variatie voor een vrij
samenhangende kuddedynamiek bij de runderen, terwijl een hoge interindividuele variatie onder
de paardachtigen leidde tot duidelijke divergentie tussen subkuddes. Daarnaast evalueerde WP1
de impact van het herstel van de landschapsconnectiviteit in de Westhoek via de opening van een
corridor in de winter van 2022-2023. Hoewel de opening een aanzienlijke uitbreiding van de
absolute omvang van de leefgebieden van de paardachtigen veroorzaakte, werd deze uitbreiding
niet uniform door de hele groep overgenomen, wat benadrukt dat landschapsconnectiviteit wordt
gemedieerd door lokale locatietrouwheid en interne sociale structuren.
De evaluatie van de habitatkeuze op kleinschalig niveau (WP2) bevestigde deze verschillen op
soortniveau nog eens extra. Op de Kalmthoutse Heide fungeerden de runderen als biologische
filters: ze zochten actief habitat op met een begraasbare laag (bijvoorbeeld gras- of boomopslag)
en vermeden zuivere heidegebieden zonder begraasbare laag. Deze selectie was het sterkst
tijdens de voorjaarsgroei en werd geleidelijk breder naarmate het groeiseizoen ten einde liep. In
de Westhoek kozen paardachtigen onevenredig vaak voor open, grasrijke vegetatie boven dicht
struikgewas, hoewel morfologische verschillen de kleinere Shetlandpony's waarschijnlijk in staat
stelden om ijle vegetatie (bijv. Schaarsbegroeid) en laag struikgewas (Kruipwilg_laagstruweel)
gunstiger te exploiteren. Deze divergentie geeft aan dat kleinere paardachtigen niches kunnen
exploiteren die grotere paardachtigen negeren of waarin ze niet kunnen overleven door gebruik te
maken van andere biomechanische eigenschappen en kleinere beetgroottes, waardoor de totale
ecologische impact op het landschap wordt verbreed.
Naast de categorische vegetatie werd de ruimtelijke verspreiding aanzienlijk beïnvloed door
voortdurende abiotische en antropogene beperkingen. Nabijheid van water bleek in beide
reservaten geen beperkende factor te zijn; noch de paardachtigen, noch de runderen vertoonden
een afhankelijkheid van stilstaand oppervlaktewater, maar toonden ruimtelijke neutraliteit of actieve
vermijding. Topografisch gezien kozen de runderen (in de lente), de grotere Konik-paarden (in de
zomer en herfst) en de Shetlandpony (in de herfst) actief voor vlakker terrein, waarschijnlijk om de
metabolische bewegingskosten te minimaliseren. Hoewel de Shetlandpony deze voorkeur voor
vlakker terrein in de herfst deelde, week hij in de zomer af van de Koniks door topografisch neutraal
te blijven. Deze seizoensgebonden divergentie suggereert ofwel dat de kleinere lichaamsmassa
van de pony voor meer wendbaarheid zorgt, waardoor het relatieve metabolische nadeel van
voortbeweging op steilere hellingen afneemt, ofwel dat de solitaire pony door de Konik-kuddes of
de Schotse hooglander kudde competitief wordt verdrongen naar minder gunstige, steilere
topografie. Wat de menselijke infrastructuur betreft, dwongen de modellen een heroverweging af
van de visie van algemene antropogene vermijding. Terwijl de omheiningen van het reservaat
fungeerden als een ruimtelijke barrière voor de paardachtigen (in de lente en winter, voornamelijk
gedreven door de Shetlandpony), fungeerden ze als een ruimtelijk aantrekkingspunt voor de
Galloway-runderen in de lente. Gelijkaardig werkten de interne paden als ruimtelijke
aantrekkingspunten voor zowel de Shetlandpony als de Galloway-runderen. Dit toont aan dat grote
herbivoren, in plaats van menselijke infrastructuur universeel te vermijden, padennetwerken
potentieel kunnen gebruiken als navigatiecorridors, en omheiningen als structurele
oriëntatiepunten.
Terwijl WP1 en WP2 vaststelden hoe de paardachtigen in de Westhoek navigeren en hun habitat
selecteren, evalueert WP3 de wederzijdse ecologische impact: hoe de langdurige ruimtelijke
aanwezigheid van deze herbivoren actief het successietraject van de vegetatie in het reservaat
beïnvloedt. Door veranderingen in vegetatiehoogte te modelleren tegen de achtergrond van
cumulatieve ruimtegebruiksintensiteit en abiotische beperkingen, ontstaat een ruimtelijk verhaal
over de voordelen en beperkingen van top-downcontrole door grazers. De vegetatiemodellering
toonde aan dat een hoog cumulatief ruimtegebruik door paardachtigen fungeert als een effectieve
preventieve barrière tegen de initiële vorming en verspreiding van ruige vegetatie. De gegevens
definieerden echter tegelijkertijd de grenzen van deze top-down biologische controle. Zodra
houtige of ruige vegetatie de initiële herbivoriebarrière met succes doorbreekt, volstaat intens
ruimtegebruik niet meer om de terugtrekking ervan af te dwingen. Gedreven door een
synergetische combinatie van lokale nutriëntenafzetting, mechanische bodemverstoring en
verminderde concurrentie, kan intensief ruimtegebruik door paardachtigen zelfs de verticale groei
van gevestigd hoog struikgewas bevorderen. De ontmanteling van vegetatie in een laat, volwassen
stadium wordt uitsluitend aangedreven door bottom-up abiotische stressfactoren in plaats van top
down herbivorie. De diepte van het grondwater in het voorjaar had het meest uitgesproken effect
op de vegetatiedynamiek: het bepaalde de stabiliteit van pioniersmatrices, stimuleerde de
terugtrekking van ruige vegetatie en fungeerde als de belangrijkste natuurlijke stressfactor die de
voortdurende groei of aanwezigheid van laag en hoog struikgewas voorkwam. Bovendien werd de
dynamiek van ondieper gewortelde grassen en kruiden gedicteerd door hoge omgevingsstress,
waarbij deze matrices groeiden en afnamen in gebieden die gekenmerkt worden door diep
grondwater, steilere hellingen en een hoge blootstelling aan de zon.
Voor natuurbeheer biedt deze thesis duidelijke, op gegevens gebaseerde aanbevelingen met
betrekking tot het gebruik van vrij rondlopende grote herbivoren. Uiteindelijk toont deze studie aan
dat de impact van deze grote herbivoren als ecosysteemingenieurs niet uniform of absoluut is. De
ruimtelijke dynamiek bevestigt dat ruimtegebruik een effectief, gericht instrument kan zijn om
vroege successie te stoppen, open matrices in stand te houden en gedegradeerde habitats aan te
pakken. Omdat grazers echter geen gevestigd struikgewas kunnen ontmantelen, vereist het
terugdringen van volgroeide houtige begroeiing een strategische, dubbele beheersaanpak die
biologisch ruimtegebruik koppelt aan gerichte mechanische ingrepen. Bovendien benadrukt de
ruimtelijke divergentie van de Shetlandpony de cruciale waarde van morfologische diversiteit.
Specifiek geeft deze divergentie aan dat kleinere paardachtigen, door gebruik te maken van andere
biomechanische eigenschappen en een kleinere hapgrootte, niches kunnen benutten die grotere
paardachtigen negeren of waarop ze niet kunnen overleven, waardoor de totale ecologische impact
op het landschap wordt verbreed. Ten slotte wijst de aantrekkingskracht van paden en het
verspreidingseffect van corridors op nieuwe, proactieve beheersmogelijkheden. In plaats van
menselijke infrastructuur als een verstoring te beschouwen, kunnen beheerders strategisch interne
padennetwerken en corridors ontwerpen die als biologische trechters fungeren, waardoor grazers
naar specifieke doelgebieden worden geleid en de ecologische manipulatie (engineering) in het
bredere landschap wordt gemaximaliseerd.
Meer lezen

DE KLEUTERKLAS ALS GENDERLANDSCHAP EEN OBSERVATIEONDERZOEK NAAR GENDERPRAKTIJKEN IN VLAAMSE KLEUTERKLASSEN

Universiteit Gent
2026
Elise
Roelandts
Gender speelt een belangrijke rol in de dagelijkse klaspraktijk, maar de manier waarop gendernormen en genderstereotypen precies zichtbaar worden in Vlaamse kleuterklassen blijft onderbelicht in bestaand onderzoek. In deze studie werd gebruikgemaakt van systematische en niet-participerende klasobservaties in Vlaamse kleuterklassen. Daarbij werd onderzocht hoe gender tot uiting komt in zowel de fysieke klasomgeving als in dagelijkse interacties, met specifieke aandacht voor
aanspreekvormen, spelbegeleiding, feedback en disciplinering. De resultaten tonen dat gender zowel via materialen en visuele middelen als via dagelijkse interacties wordt gereproduceerd, maar dat er ook genderverruimende praktijken aanwezig waren. Deze bevindingen bieden een genuanceerd inzicht in hoe gender in Vlaamse kleuterklassen wordt geconstrueerd en geven aan waar verdere verdieping mogelijk is.
Meer lezen

Where Terrorism Meets Armed Conflict: Cumulative Prosecution of Foreign Terrorist Fighters in the EU

Andere
2026
Floris
Prins
De conflicten in Syrië en Irak confronteerden de lidstaten van de Europese Unie met burgers die naar het buitenland reisden om zich aan te sluiten bij terroristische groeperingen, zoals Islamitische Staat in Syrië en Irak. Deze personen, doorgaans aangeduid als buitenlandse terroristische strijders, kunnen worden vervolgd op grond van nationale strafbaarstellingen waarmee Richtlijn (EU) 2017/541 inzake terrorismebestrijding is omgezet, maar eveneens op grond van bepalingen inzake oorlogsmisdrijven, wanneer zij dergelijke misdrijven hebben gepleegd. Vervolging op grond van beide juridische kaders wordt cumulatieve vervolging genoemd.

In dit onderzoek is vergeleken hoe België en Nederland buitenlandse terroristische strijders vervolgen en in hoeverre hun vervolgingsstrategie cumulatieve vervolging omvat. Nederland tracht buitenlandse terroristische strijders actief te vervolgen voor zowel oorlogsmisdrijven als terrorismemisdrijven. Niettemin blijven er aanzienlijke belemmeringen bestaan, waarvan bewijsrechtelijke moeilijkheden en de beperkte bestuurlijke en institutionele capaciteit om oorlogsmisdrijven te vervolgen de voornaamste zijn.

België heeft daarentegen cumulatieve vervolging gedurende lange tijd in de praktijk nagenoeg volledig uitgesloten. Dit hield gedeeltelijk verband met een paradoxale eigenaardigheid van het Belgische recht, namelijk een uitsluitingsclausule voor gedragingen die plaatsvinden in het kader van een gewapend conflict. Deze bepaling was oorspronkelijk bedoeld om de vervolging op grond van het internationaal humanitair recht te versterken. Daarnaast werd succesvolle cumulatieve vervolging bemoeilijkt door institutionele problemen die vergelijkbaar zijn met de problemen waarmee Nederland wordt geconfronteerd.

Dit onderzoek betoogt dat cumulatieve vervolging steviger als vervolgingsstrategie moet worden verankerd, zowel binnen de Europese Unie als in de afzonderlijke lidstaten. Om dit te verwezenlijken, dient Richtlijn (EU) 2017/541 inzake terrorismebestrijding te worden gewijzigd. Daarnaast moeten de lidstaten de institutionele capaciteit van hun opsporings- en vervolgingsautoriteiten versterken, zodat zij naast terrorismemisdrijven ook aanklachten wegens oorlogsmisdrijven doeltreffend kunnen onderzoeken en vervolgen.
Meer lezen