Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Een goed leven binnen planetaire grenzen in genk: focus op Warm Waterschei

Universiteit Hasselt
2025
Jade
Daems
Hoe kan het concept van coöperatieve en collectieve wijkwarmte specifiek worden toegepast in Waterschei, vertrekkende vanuit een milieu- en mensbewuste visie? Vanuit deze centrale vraagstelling vertrekt dit onderzoek.
De gedachtegang van Daniel Christian Wahl, waarbij het stellen van de juiste vragen vóór het handelen centraal staat, vormt de rode draad doorheen dit onderzoek. Volgens deze filosofie wijzen vragen, meer nog dan antwoorden, de weg naar collectieve wijsheid. Daarom worden vraagstellingen van verschillende auteurs gebruikt om elk hoofdstuk in te leiden en fungeren ze als leidraad bij het zoeken naar antwoorden.
Het bewuste gebruik van deze vragen heeft geleid tot diepere reflectie over ontwerpbeslissingen en tot een grondiger onderbouwd onderzoek.
Deze masterthesis is opgedeeld in drie grote delen. Het eerste deel begint met een korte situering om de lezer wegwijs te maken. Hierin worden de probleemstelling, onderzoeksvraag, gehanteerde methodologie, de geschiedenis van de locatie, het station van Waterschei en de relevantie binnen het masterplan toegelicht.

Het tweede deel is de ruggengraat van dit onderzoek en wordt gevormd door de literatuurstudie. Deze bestaat uit een theoretisch en een praktisch denkkader. Het theoretisch denkkader bundelt diverse boeken en wetenschappelijke artikels die het onderzoek onderbouwen. De literatuur wordt besproken in een logische volgorde van een brede visie naar een steeds specifiekere focus. Vertrekkende vanuit het boek The Good Ancestor: How to Think Long-Term in a Short-Term World van Roman Krznaric, wordt een eerste denkkader geschetst rond langetermijndenken en intergenerationele
verantwoordelijkheid. Vervolgens wordt de filosofie van Bruno Latour besproken aan de hand van Waar kunnen we landen. Latour toont aan dat er vandaag een gemeenschappelijke visie ontbreekt en dat menselijke en niet-menselijke actoren onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Hierna wordt dieper ingezoomd op regeneratief denken via Designing Regenerative Cultures van Daniel Christian Wahl. Dit
boek nodigt uit om verder te denken dan duurzaamheid en moedigt aan om de juiste vragen te stellen in plaats van vluchtige antwoorden te zoeken. Het theoretisch denkkader sluit af met het boek Postcapitalist Countrysides – From Commoning to Community Wealth Building dat bestaat uit een verzameling van essays. Hierbinnen wordt de essay Unpacking the energy commons geschreven door Thomas Bauwens and Robert Wade (pagina 327 tot 351) bestudeerd. Deze essay beschrijft specifiek hoe energie als gemeengoed kan beschouwd worden.

Het praktisch denkkader vertrekt vanuit het concept van coöperatieve en collectieve wijkwarmte. Deze worden toegelicht waarna er kenmerken voor coöperatieve en collectieve wijkwarmte worden gedefinieerd. Vervolgens worden verschillende relevante referentieprojecten onderzocht. Deze zijn onderverdeeld in twee categorieën: enerzijds warmtenetten, waarbij warmte netwerken als model worden bekeken, en
anderzijds energiestations, waarbij specifiek naar gebouwen wordt gekeken die functioneren als opslagen distributiesysteem. Beide categorieën worden geanalyseerd op basis van de eerder gedefinieerde kenmerken van coöperatieve wijkwarmte.
Het derde deel omvat de ontwerpstudie, deze vertrekt eveneens vanuit het concept van coöperatieve en collectieve wijkwarmte. Op stedelijke schaal wordt eerst de situatie in Genk onderzocht, waarna de focus verschuift naar de wijk Waterschei. In waterschei wordt een coöperatief en collectief warmtenet ontworpen dat werkt op basis van mijnwater. Het uitgangspunt is de herbestemming van het voormalige station tot
een energiestation met bijhorende botanische tuin. Beide functies worden inhoudelijk onderzocht en er wordt toegelicht hoe ze relevant kunnen zijn voor de gemeenschap.
Vanuit de hoofdfunctie van een energiestation wordt de technische werking uiteengezet, gevolgd door enkele basisberekeningen die nodig zijn om de dimensionering te bepalen, zoals de grootte van het warmteopslagtanks. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een overzicht van de noodzakelijke installaties. Voor de bijhorende botanische tuin wordt de typologie van botanische tuinarchitectuur onderzocht. Daarnaast bevat dit onderdeel een analyse van plantensoorten die bijdragen aan het binnenklimaat en de beleving van de ruimte versterken. Het architecturale ontwerp vertrekt vanuit het idee dat technische elementen integraal deel uitmaken van de beleefde ruimte. Aangezien het programma van een energiestation uitbreiding vraagt wordt het bestaande stationsgebouw als uitgangspunt genomen voor het verdere ontwerp. De herbestemming en uitbreiding van het gebouw worden benaderd vanuit een duurzaam perspectief. Het ontwerp baseert zich op drie samenhangende strategieën: ‘Trias Energetica’, ‘Trias Materia’ en ‘Trias
Aquatica’. Elk van deze strategieën wordt toegelicht wat betreft de betekenis en de doelstelling, waarna wordt verduidelijkt hoe ze concreet zijn toegepast in het ontwerp.

De conclusie bundelt de resultaten van het onderzoek en formuleert een mogelijke oplossing voor de oorspronkelijke onderzoeksvraag.
Meer lezen

De theory-fiction van de CCRU: op zoek naar the Outside

Universiteit Gent
2025
Felix
De Backer
Een analyse van de filosofische pertinentie van de theory-fiction van de CCRU, aan de hand van hun notie van hyperstition.
Meer lezen

Nieuw kapitalisme: Juridische middelen om kapitaal te sturen naar ESG bedrijven

Vrije Universiteit Brussel
2025
Sara
Faes
Genomineerde shortlist NBN Sustainability Award
Mijn masterproef omvat een onderzoek naar welke ESG criteria reeds zijn opgenomen in de Belgische Corporate Governance Code en hoe deze laatste kan worden verbeterd opdat ESG de nieuwe bedrijfsfilosofie wordt.
Meer lezen

Prototyping novel length measurement instruments

Universiteit Hasselt
2025
Stig
Konings
Genomineerde longlist mtech+prijs
Mijn scriptie draagt de titel Prototyping Novel Length Measurement Instruments. Het doel van dit onderzoek was het ontwikkelen van een meetinstrument dat meer gericht is op de mens en gebruiksvriendelijker is, in deze scriptie is StoryStick++ ontstaan.
Meer lezen

Rubens' portretkunst als spiegel voor zijn interesse in fysiognomie

Universiteit Gent
2025
Mariette
Van Gysegem
Mijn onderzoek bekijkt de portretpraktijk van Peter Paul Rubens vanuit een fysiognomische lens. Vooraleer dit denkkader kan toegepast worden op zijn oeuvre, wordt Rubens' fascinatie voor fysiognomie in zijn culturele context bekeken. Het vertrekt vanuit de oorsprong en ontwikkeling van het gedachtegoed om zo het belang in de leefwereld van Rubens te contextualiseren. Vervolgens onderzoekt het de connectie tussen fysiognomie en de vroegmoderne kunstpraktijk. Hierna wordt ingezoomd op Rubens' aantoonbare interesse in het onderwerp als vereiste voor het gebruik van een fysiognomische lens.

Daarna wordt het fysiognomisch denkkader toegepast op case-studies binnen zijn oeuvre. Hierbij richt de beeldanalyse zich op vorm, kleur en textuur, aangezien bestaand onderzoek vaak enkel naar vorm keek. Voor de karaktertypologie werden primaire zeventiende-eeuwse fysiognomische traktaten bestudeerd en zo de typerende elementen van verschillende karaktertypes geïdentificeerd om ze toe te passen op de case-studies. De afbakening tot portretkunst is een logisch gevolg van het gezicht als primaire plek voor de fysiognomische lezing. Binnen zijn portretten wordt gefocust op familieportretten en kopieën naar oude meesters aangezien hij bij deze genres het meeste vrijheid had om te experimenteren.

Voor deze analyse werd een methodologie ontwikkeld die vertrekt vanuit het uitgangspunt van de fysiognomie, waarbij het uiterlijk en het innerlijk van een persoon onlosmakelijk verbonden zijn. Het onderzoek bekijkt deze connectie in twee richtingen. Ten eerste worden familieportretten geanalyseerd om te onderzoeken in hoeverre het innerlijk iets zegt over het uiterlijk, met het sanguinische temperament als uitgangspunt, omdat dit karaktertype als positief en zeldzaam werd beschouwd en Rubens vermoedelijk warme genegenheid voor zijn familieleden voelde. Ten tweede worden zijn kopieën naar oude meesters bestudeerd om de omgekeerde richting te ondervragen. Het uitgangspunt is de beeldanalyse van visuele aanpassingen die Rubens doorvoert in zijn kopie ten opzichte van het origineel. Vervolgens wordt gekeken of deze aansluiten bij de representatie van een specifiek innerlijk karakter.

De analyse toont hoe Rubens systematisch ronde vormen, roodheid en glanzende huidaccenten gebruikte, kenmerken die overeenstemmen met het sanguinische temperament, dat in zijn tijd overwegend positief gewaardeerd werd. Hierdoor creëerde Rubens een fysiognomisch ideaaltype dat functioneerde binnen de beeldcommunicatie met zijn publiek. Dit onderzoek vult een lacune in de bestaande literatuur, die vaak enkel de passies en niet de fysiognomie in Rubens’ werk behandelde. Bovendien wordt dit gedachtegoed nooit bekeken zij-aan-zij met het effectieve kunstwerk, hoewel deze combinatie cruciaal is. Het besluit dat Rubens’ intellectuele fascinatie voor fysiognomie niet enkel een persoonlijke interesse was, maar een diep ingebed cultureel referentiekader dat zijn portretkunst beïnvloedde.

Deze studie opent de weg om Rubens’ intellectuele interesses concreet te verbinden met zijn oeuvre en suggereert verdere uitbreiding via technische beeldanalyses zoals kleuranalyse en reflectografie. Daarnaast vormt ze een vertrekpunt om ook andere categorieën binnen zijn portretkunst, zoals de keizerportretten, door een fysiognomische lens te bestuderen. Verdere analyses kunnen nagaan hoe andere temperamenten werden verbeeld en in welke mate Rubens’ leerlingen en tijdgenoten dit gedachtegoed overnamen of er eigen invullingen aan gaven.
Meer lezen

De 'HA' van Hegel - De grappige structuur van reflexiviteit binnen Hegels filosofie

Universiteit Gent
2025
Lander
Demonie
Mijn thesis onderzocht hoe we Hegels filosofie kunnen interpreteren als een grappige filosofie. Hiervoor werd er vertrokken vanuit hedendaagse concepties van de grap en de komedie. Deze visies gebruikte ik om twee werken van Hegel te herinterpreteren: de Fenomenologie van de Geest en de Logica. De dynamiek van een grap en een komedie zijn gelijkaardig aan de manier waarop Hegel zijn systeem opbouwt en vertellen iets over de manier waarop Hegel reageert op voorgaande 'ongrappige' denkers - Immanuel Kant als voorbeeld. In deze scriptie werd ook gekeken welke implicaties dat heeft voor het werk van Freud over de grap, en hedendaagse stromingen in de filosofie. Dit toont aan dat het denken van Hegel binnen een psychoanalytisch kader ons kan toelaten om de rol van humor en de grap in de maatschappij te herzien.
Meer lezen

Cultuur als pedagogie: De ontwikkeling van ethische oriëntatie en burgerschapszin bij jongeren door middel van manga-literatuur 'One piece - een kader voor de leerkracht

Universiteit Gent
2025
Lander
Goossens
Deze studie bespreekt hoe leerkrachten aan de hand van fictieve literatuur – meer bepaald door manga-literatuur One Piece – jongeren kunnen begeleiden bij de ontwikkeling van hun ethische oriëntatie. De filosofie van de narratieve ethiek zoals geformuleerd door Martha Nussbaum biedt hierbij de basis, meer bepaald de drie centrale kenmerken die zij relevant acht: identificatie, empathie en multiperspectivisme.

Op basis van deze elementen is het leer- en leskader dat deze studie voorziet, ontwikkeld. Het bestaat uit een theoretisch en praktisch luik. Het theoretisch luik voorziet een analyse van een verhaallijn uit One Piece op basis van de drie centrale kenmerken uit de narratieve ethiek zoals beschreven door Nussbaum. Deze analyse maakt het mogelijk ook een praktisch luik te voorzien waarin concrete werkvormen worden aangeboden om met One Piece aan de slag te gaan in de klas wanneer het gaat over morele ontwikkeling en ethische oriëntatie.

Deze studie is gestoeld op de sleutelcompetenties en leerplandoelen voor de derde graad secundair onderwijs, doorstroomfinaliteit humane wetenschappen.
Meer lezen

Exploring Perceptions and Reasoning in Scientific and Non-Scientific Communities on the Ethical Treatment of Animals in Octopus Research. Focusing on the paralarval Octopus vulgaris

KU Leuven
2025
Jill
Monnissen
Deze thesis onderzoekt hoe wetenschappers en niet-wetenschappers redeneren over het ethisch gebruik van dieren in onderzoek, met bijzondere aandacht voor de gewone octopus (Octopus vulgaris) en haar larvale stadia, de paralarven. Hoewel deze paralarven sinds 2013 wettelijk beschermd zijn onder de Europese richtlijn voor dierproeven, is hun vermogen om pijn te ervaren nog onzeker.

Het onderzoek combineert een biologische en een filosofische benadering. Enerzijds werd met een genetische techniek onderzocht of genen die verband houden met pijn al actief zijn in jonge octopuslarven. Anderzijds werd via een online enquête nagegaan hoe drie groepen – cephalopodbiologen, andere biologen en leken – oordelen over de ethische aanvaardbaarheid van dergelijk onderzoek.

De resultaten tonen aan dat wetenschappelijke informatie weinig invloed had op de morele oordelen van de deelnemers. In plaats daarvan bleken overtuigingen, achtergrond en geslacht bepalend: leken waren het meest voorzichtig, mannen benadrukten vaker de maatschappelijke relevantie, en vrouwen kozen vaker voor extra bescherming. De studie illustreert hoe moeilijk het is om complexe biologische gegevens te vertalen naar ethische beslissingen en beleid, en onderstreept het belang van duidelijke wetenschapscommunicatie.
Meer lezen

Altijd in twee woorden. Erfgoed en verval volgens Caitlin DeSilvey

Universiteit Gent
2025
Fay
De Maesschalck
Deze masterproef onderzoekt hoe erfgoedtheoretica Caitlin DeSilvey met behulp van paradoxaal taalgebruik en oxymorons een alternatief discours over erfgoed en verval heeft ontwikkeld. In plaats van het behoud en de fixatie van objecten centraal te stellen, pleit DeSilvey voor een ‘postpreservation paradigm’, waarin vergankelijkheid, transformatie en zelfs verdwijnen worden erkend als volwaardige erfgoedprocessen. De thesis is opgebouwd als een essaybundel rond vier paradoxen: ‘ephemeral commemoration’, ‘mutable matter’, ‘experimental preservation’ en ‘ruin porn’. Elk essay bespreekt DeSilveys concepten in dialoog met literatuur, filosofie en concrete casussen, en wordt vergezeld van vier lexicons waarin sleuteltermen staan gedefinieerd. De centrale vraag is hoe erfgoedpraktijken kunnen verschuiven van statisch en objectgericht naar fluïde en procesmatig. Wat betekent het om architectuur te ontwerpen of conserveren met oog voor verandering, verval en onvermijdelijke fragmentatie? DeSilveys vocabulaire toont aan dat taal zelf richtinggevend is: haar tweeledige begrippen creëren ruimte om voorbij binaire tegenstellingen te denken. Deze thesis wil geen alternatieve doctrine formuleren, maar eerder een reflectieve ruimte openen waarin ontwerp en erfgoedzorg zich kunnen positioneren tegenover fragiliteit en eindigheid.
Meer lezen

Turning learning data into meaningful Learning Analytics Dashboards

KU Leuven
2025
Jonas
Van Hove
Genomineerde longlist mtech+prijs
Genomineerde longlist Vlaamse Scriptieprijs
Genomineerde shortlist Klasseprijs
Competentiegericht onderwijs (CBE) wordt steeds vaker toegepast in het Vlaams secundair
onderwijs. Voor leerkrachten brengt dit uitdagingen met zich mee bij het interpreteren
van leerlinggegevens en het nemen van gepaste acties. Deze masterproef onderzoekt
hoe een learning analytics dashboard (LAD) leerkrachten kan ondersteunen tijdens
klassenraden, waar belangrijke beslissingen over leerlingen genomen worden.
Via een participatief ontwerpproces werd CLAIRE ontwikkeld, een proof-of-concept
dashboard. Dit dashboard sluit aan bij het Vlaamse competentiekader en is technisch
ge¨ıntegreerd met Moodle, het leerplatform van de partnerschool. Het ontwerp richtte
zich op gebruiksvriendelijkheid, visuele helderheid en praktische toepasbaarheid in het
dagelijkse lesgebeuren.
Feedback van leerkrachten wees op de nood aan duidelijke inzichten, intu¨ıtieve interfaces
en ondersteuning bij het opvolgen van leertrajecten op verschillende niveaus. Hoewel
artifici¨ele intelligentie werd verkend als mogelijke uitbreiding, ligt de focus in het uiteindelijke
prototype op begrijpelijke en bruikbare visualisaties van leerdata.
Kwalitatieve evaluatie toonde aan dat leerkrachten het visuele overzicht erg nuttig
vonden en de duidelijke structuur van competenties per vakgebied sterk waardeerden. Iteratieve
prototyping bracht het belang aan het licht van minimale manuele input, voortgangsvisualisaties
en flexibele filters die aansluiten bij de dagelijkse praktijk. Tijdens een
feedbacksessie op school werd het ontwerp van CLAIRE positief onthaald; leerkrachten
gaven aan dat het dashboard het analyseren van leerlinggegevens aanzienlijk vereenvoudigt.
Deze thesis levert een bijdrage aan het ontwerpen van gebruiksvriendelijke dashboards
voor leerkrachten en biedt concrete richtlijnen voor datagedreven besluitvorming binnen
CBE-contexten.
Meer lezen

L'Agiatissimo Madonna dell'Arcadia: Bianca Laura Saibante and the Arcadian inspiration of the Accademia Roveretana degli Agiati

KU Leuven
2025
Aurélie
Lemmens
Deze thesis onderzoekt de evolutie in de toelating en deelname van vrouwen aan literair-wetenschappelijke academies tijdens het Italiaanse primo Settecento, te beginnen met het wettelijke precedent dat werd geschapen door de Arcadia Academie in 1700. Om de impact van de nationale literaire academie op het intellectuele leven van vrouwen verder toe te lichten, biedt deze thesis een vergelijkende, microhistorische casestudy van de rol van Bianca Laura Saibante bij het integreren van Arcadische principes in de Tiroolse context tijdens de vormingsjaren van de Accademia Roveretana degli Agiati (1750-1756). Aan de hand van grondwetten, ledenlijsten, anthologieën en academische sessies reconstrueert de thesis het vroege bestuur, het toelatingsbeleid en de toelatingsprocedures, evenals de academische output van beide Academies, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de deelname en publieke vertegenwoordiging van vrouwen. Tegen deze achtergrond traceert de thesis een evolutie van de symbolische vermelding van vrouwen in ledenlijsten naar hun officiële bijdrage aan academisch leiderschap en literair-intellectuele output, en onthult daarmee de tot nu toe onderschatte invloed van de Arcadia Academie bij het vormgeven van deze veranderingen. Gezien de aanhoudende debatten over de actuele noodzaak van gendergelijkheid in de academische wereld, biedt een persoonlijk interview met de huidige voorzitster van de Agiati Academie, Patricia Salomoni, een hedendaags perspectief op de erfenis van vrouwen uit de Verlichting, waarbij zowel belangrijke vooruitgang als aanhoudende uitdagingen worden belicht. Door het verleden in dialoog te brengen met het heden, benadrukt de thesis de continuïteit van de centrale rol van vrouwen binnen (Italiaanse) academische kringen waarmee ook de actuele waarde van deze geschiedenis bevestigd wordt.
Meer lezen

Simulatie-gebaseerde methode voor integratie van warmtepompen in luchtbehandelingsunits

Universiteit Antwerpen
2025
Jasper
Van der Auwera
De transitie naar CO₂-neutrale gebouwen vereist de elektrificatie van verwarmings- en ventilatiesystemen, met warmtepompen als sleuteltechnologie. De integratie van warmtepompen in bestaande luchtbehandelingsunits, met name in niet-residentiële gebouwen, blijft echter een uitdaging vanwege bestaande ontwerpen die afgestemd zijn op warmtebronnen met hoge temperaturen.
Deze thesis speelt in op die uitdaging door een simulatiegestuurde methodologie voor te stellen die toelaat om de integratie van lagetemperatuur-warmtepompsystemen in renovatiescenario’s systematisch te beoordelen en te optimaliseren. Door de discrepantie tussen conventionele ontwerprichtlijnen en de operationele grenzen van warmtepompen, is er een duidelijke nood aan een aangepaste ontwerpmethodiek. In de huidige praktijk ontbreken vaak concrete richtlijnen, wat leidt tot inefficiënte of ondermaatse toepassingen. Dit onderstreept het belang van iteratieve en prestatiegestuurde ontwerpbenaderingen, ondersteund door dynamische simulatie.
Een referentiegebouw met een conventioneel luchtbehandelingsunitontwerp wordt gemodelleerd in Hysopt om de gangbare ontwerpfilosofie, zoals bepaald door Europese normen en lokale regelgeving, weer te geven. Vanuit deze uitgangssituatie wordt een parametrisch kader ontwikkeld om de gevoeligheid van de systeemprestaties voor belangrijke invloedsfactoren te evalueren, waaronder de isolatiegraad van de gebouwschil, ventilatiebehoeften, configuraties voor warmteterugwinning, ontwerp-inblaastemperatuur en de hydraulische dimensionering van de verwarmingsbatterijen.
De analyse maakt gebruik van dynamische simulaties om de impact van ontwerpkeuzes op seizoensgebonden prestatie-indicatoren zoals de Seasonal Coefficient of Performance (SCOP), CO₂-uitstoot en operationele kosten te kwantificeren. De resultaten tonen aan dat de systeemprestaties sterk afhankelijk zijn van de interactie tussen isolatiegraad van het gebouw, de kenmerken van het afgiftesysteem, de aanwezigheid van warmterecuperatie en de regelstrategie. Zo blijkt dat binnen een warmtepompconfiguratie de toevoeging van ontwerpmaatregelen zoals vraaggestuurde ventilatie, warmterecuperatie, een verhoogde UA-waarde en een verbeterde gebouwschil kan leiden tot een reductie van 52% in operationele kosten en CO₂-uitstoot. Optimale prestaties vereisen bovendien een iteratieve verfijning van zowel de luchtzijdige als waterzijdige subsystemen. De studie toont aan dat statische, eenmalige ontwerpbenaderingen het risico op suboptimale integratie verhogen. Iteratieve, simulatiegestuurde processen maken daarentegen oplossingen mogelijk die de efficiëntie van warmtepompen verbeteren en het binnencomfort waarborgen.
Dit werk levert een gestructureerde methodologie aan die ontwerpbeslissingen in HVAC-renovatieprojecten met warmtepompen ondersteunt. Met een generieke maar aanpasbare simulatiebenadering wordt het mogelijk om de haalbaarheid van retrofittoepassingen onderbouwd te evalueren. Dit levert een concrete bijdrage aan de verduurzaming van het niet-residentiële gebouwenbestand, waarbij een eerste stap wordt gezet richting de opbouw van een beslissingskader, dat ingenieurs en installateurs ondersteunt bij het maken van diverse systeemkeuzes.
Meer lezen

The Performing Person. Judith Butler and Wojtyla on Gender

KU Leuven
2024
Bram
Schreurs
Over the last thirty years, gender has become an increasingly hotly debated topic within the Roman Catholic
Church. The core of the debate seems to revolve around the nature of gender. On one side stand gender
scholars such as de Beauvoir, Wittig, and Butler who regard gender as socially constructed. Butler as the
most influential philosopher of gender suggested that gender is performative. It has no particular basis in
nature but it is rather in performing acts that the reality of gender comes to be. On the other stands a reading
of gender as undetachable from biological sex. Readings of the latter sort often draw upon John Paul II’s
complementarian anthropology as sketched in his Theology of the Body. However, as an academic in
philosophy, Karol Wojtyła developed an understanding of the human person as constituted through their
acts in his book Person and Act. Due to the similarity in the concept of performed gender and that of the
enacted person, the following question arises: how does gender fit within Wojtyła’s understanding of the
person and how does this add up to John Paul II’s later complementarian anthropology?
To answer these questions, the first chapter will outline gender performativity as Judith Butler
understands is. However, the emphasis is placed on performativity rather than gender per se. Therefore, the
chapter first explores the roots of Butler’s gender performativity in the performative speech theory of J.L.
Austin. Thereafter Butler’s own contributions and adaptations to Austin’s framework are explored. The
main takeaways constitute the definition of performativity as a new reality established through acting act
as well as the insight that any performance is by definition rooted in social conventions.
In the second chapter, the primary findings of Karol Wojtyła in Person and Act are examined in
relation to Butler’s concept of performativity. Wojtyła presents an analysis of the human person in which
the person itself is constituted, changed, even “made”, through acts. The chapter goes on to illustrate just
how similar Butler’s concept of performativity really is to Wojtyła’s understanding of the establishing of
the person through the act. From there on several other similarities and differences between both authors
are explored, showing them to be better read in tandem than as opposed to one another.
In the third and final chapter, we explore where performative gender would fit in Wojtyła’s
framework established in Person and Act. This exploration results in the finding that gender is more
properly understood as part of the acting, personal capacities of the human person rather than their
biological nature. From this intermediary conclusion, the chapter shifts focus to John Paul II’s Theology of
the Body to see whether Person and Act’s personalistic framework is applied correctly when it comes to
gender. The thesis concludes that it is not because Theology of the Body intertwines biological sex with
gender, thereby not doing justice to gender as part of the person and as constituted in the act.
The entire thesis comes together in a brief conclusion about the performance of drag, summarising
the main points and showing how drag is met with different responses by Karol Wojtyła and John Paul II.
Meer lezen

De relatie tussen mens en dier in het antieke epicurisme

KU Leuven
2024
Ruul
Hellemans
Deze paper onderzoekt de epicuristische visie op de relatie tussen mens en dier, de invloed van de presocraat Democritus hierop en de vraag in hoeverre deze visie wenslijk geacht moet worden. Het onderzoek behandelt twee thema’s die betrekking hebben op deze relatie. Ten eerste komt (in hoofdstuk 1) de vraag hoe de epicuristen dachten over rechtvaardigheid in relatie tot dieren aan bod. Deze vraag wordt in twee sub-vragen opgesplitst: (1) de vraag of dieren volgens de epicuristen (1) subject van moraliteit en/of (2) object van moraliteit zijn. Die laatste vraag (2) wordt nog verder in twee sub-vragen onderverdeeld: (a) de vraag of men de negatieve plicht heeft om af te zien van bepaalde onrechtvaardige handelingen tegenover dieren en (b) de vraag of men ook de positieve plicht heeft om bepaalde handelingen te stellen opdat dieren zouden kunnen deelhebben aan rechtvaardigheid. Het epicuristische antwoord op zowel vraag (1) als vraag (2) is negatief. Het belangrijkste epicuristische argument hiervoor is dat dieren niet voldoen aan de noodzakelijke voorwaarde voor rechtvaardigheid: het (kunnen) sluiten van een contract met het oog op nut en een verbod op wederzijdse schade. Enkel Lucretius en Epicurus staan een uitzondering toe voor gedomesticeerde dieren, die wel degelijk in staat zijn tot een impliciet contract met de mens en daarom zowel (1) subject als (2) object van moraliteit zijn. Beide antwoorden verschillen van de visie van Democritus, die zowel vraag (1) als vraag (2b) positief beantwoordde, maar van wie geen antwoord op vraag (2a) is overgeleverd. Toch heeft het epicuristische antwoord wellicht wortels bij de presocraat. Een tweede thema dat aan bod komt in (hoofdstuk 2 van) deze paper is de vraag in hoeverre de epicuristen er bepaalde levensvoorschriften op nahielden in relatie tot dieren. Concreet gaat het om de vraag of de epicuristen vegetariërs waren. Binnen het epicurisme bestaan twee grondhoudingen ten opzichte van vleesconsumptie: de houding van Epicurus en die van Hermarchus. Epicurus matigde zijn vleesconsumptie of onthield zich zelfs volledig van vlees als onderdeel van een ascetisch dieet. Hermarchus zag vleesconsumptie dan weer als een noodzakelijke vorm van populatiecontrole van gedomesticeerde dieren. Enkel die eerste visie lijkt wortels bij Democritus te hebben. In een laatste hoofdstuk evalueren we de plausibiliteit van de epicuristische opvattingen. Wat betreft het tweede thema van deze paper opperen we dat Epicurus’ matiging of onthouding van vleesconsumptie te verkiezen is, maar dat beide epicuristen teleurstellen in het feit dat zij nalaten hun beoordeling van de wenselijkheid van vleeseten te funderen in een bekommernis om dierenwelzijn. Wat betreft het eerste thema miskenden de epicuristen het onderscheid tussen (1) subjecten en (2) objecten van moraliteit door ten onrechte te claimen dat beide groepen aan elkaar gelijk zijn. De epicuristen Epicurus en Lucretius hadden wellicht minstens ten dele gelijk in hun claim dat gedomesticeerde dieren tot op zekere hoogte subject van moraliteit zijn. Maar de groep van objecten van moraliteit is veel groter en kan naar mijn mening adequaat worden afgebakend aan de hand van Plutarchus’ criterium dat stelt dat alle wezens met waarnemingsvermogen object van moraliteit zijn. Dat criterium impliceert dat alle dieren, alsook planten object van moraliteit zijn – hoewel Plutarchus ten onrechte niet geloofde dat planten over waarnemingsvermogen beschikken.
Meer lezen

De Dekaloog van Krzysztof Kieslowski door de lens van de adaptatiestudies en intertekstualiteit

Universiteit Antwerpen
2024
Justine
Decoster
De Dekaloog-serie van Krzysztof Kieslowski is gebaseerd op de Tien Geboden, wat de indruk wekt dat het een adaptatie is van de Geboden. Aan de hand van de geschiedenis van de adaptatiestudies wordt onderzocht hoe we inzicht kunnen krijgen in adaptaties en wordt het begrip gedefinieerd om na te gaan of de Dekaloog als een adaptatie kan worden beschouwd. Binnen de adaptatiestudies is er een stroming die adaptaties verbinden met intertekstualiteit. Laatstgenoemde concept verwijst naar de manier waarop teksten met elkaar verweven zijn. Een tekst kan immers meerdere interpretaties en betekenissen in zich dragen en op die manier bewust of onbewust verwijzen naar andere teksten. Die betekenis en verwijzingen kunnen bewust door de maker van de tekst in de tekst verwerkt worden, maar zij kunnen ook onbewust in de tekst sluipen. Daarnaast is er voor de lezer/kijker een grote rol weggelegd. Die kan immers aan de hand van het eigen referentiekader andere werken herkennen in de tekst en op die manier nieuwe en/of andere inzichten krijgen in de tekst. In deze scriptie zal beargumenteerd wordt dat de Dekaloog een adaptatie is en dat adaptaties zich omwille van hun specifieke aard lenen tot een intertekstuele analyse. Er wordt een intertekstuele analyse gemaakt van Dekaloog één, vijf en zes. Essentieel daarbij is kennis over het werk dat geadapteerd werd, de context waarin de adaptatie tot stand kwam en de dialoog met andere academische literatuur, filosofie en andere films. Op die manier wordt er inzicht gecreëerd in de betekenissen die aanwezig zijn in de films. Daaruit volgt geen definitieve interpretatie van de films maar een analyse die op zijn beurt uitnodigt om met andere teksten in dialoog te treden.
Meer lezen

Het is niet al goud wat blinkt: Een onderzoek naar de status van edele materialen binnen de hedendaagse sieraadkunst van 1967 tot nu

KU Leuven
2024
Ebba
Van der Taelen
Wanneer de - relatief korte - geschiedenis van de hedendaagse sieraadkunst onder de loep wordt genomen, valt op dat de status van edele materialen erg fluctueerde. Naar dit aspect van de hedendaagse sieraadkunst is tot op heden weinig diepgaand onderzoek verricht, een hiaat dat deze masterproef tracht op te vullen door informatie die zich vaak in de marges van primaire en secundaire bronnen bevindt te verbinden.

Terwijl in het Westen tot ver in de 20ste eeuw voorname sieraden uit edele materialen - zoals edelmetalen, parels en edelstenen - vervaardigd werden, ontstond er geleidelijk aan een tendens die het roer helemaal omgooide en het juk van traditie wilde afwerpen. De evidentie dat sieraden edele materialen moesten bevatten, werd in de late jaren zestig van vorige eeuw uitgedaagd door creaties die uit alternatieve materialen - zoals papier, hout, plastic en aluminium – vervaardigd werden. De sociale betekenissen van materialen – qualities - werden losgekoppeld van hun natuurlijke eigenschappen – properties - waardoor zowel edele als onedele materialen uit puur esthetische overwegingen in sieraden geïntegreerd konden worden. Deze verschuiving, bekend als material relativism, benadrukte dat de waarde van een sieraad niet langer afhing van de gebruikte materialen, maar eerder van het achterliggende concept en de verrichte artistieke arbeid. Dit markeerde in de late jaren zestig het begin van de hedendaagse sieraadkunst, waarbij materiaalkeuze voortkwam uit artistieke overwegingen in plaats van traditie.
Hoewel sommige sieraadmakers resoluut voor alternatieve materialen kozen en het gebruik van edele materialen stiefmoederlijk behandelden, bleven andere edele materialen trouw en trachtten ze er een nieuwe vormentaal voor te ontwikkelen. In de jaren zestig was er in de Duitstalige sieraadscene bijvoorbeeld nog steeds animo om met edele materialen te werken, terwijl deze in de Nederlandse scene bijna volledig verbannen werden uit ideologische optiek. Edele materialen bleven dus sluimeren in de hedendaagse sieraadkunst én hun gebruik werd door sieraadmakers geïnnoveerd - twee aspecten die in bronnen vaak onderbelicht bleven. De status van edele materialen zou in de daaropvolgende decennia nog vaak fluctueren: in sommige decennia werd het gebruik van edelstenen, edelmetalen en parels op grote schaal omarmd, terwijl deze materialen in andere stiefmoederlijk behandeld werden. Zo kende het klassieke, uit edele materiaal vervaardigde sieraad aan het einde van de jaren tachtig een heuse revival, die zich in de jaren negentig doorzette.

Het in vraag stellen van edele materialen is sinds het ontstaan van de hedendaagse sieraadkunst de facto een belangrijk kenmerk van deze toegepaste kunstvorm geworden, dat zich zowel uit in specifieke sieraadcreaties met het gebruik van edele materialen als onderwerp, als in publiekelijk gevoerde debatten tussen sieraadmakers en -onderzoekers.
Meer lezen

HypnoBirthing® happy birthing? Het effect van HypnoBirthing® op de parturiënt

Thomas More Hogeschool
2024
Loïs-Gloria
Kaljouw
Angst, spanning en pijn zijn drie aspecten die vaak verweven zijn met het
bevallingsproces en aanzienlijke invloed uitoefenen op de beleving ervan. Deze emoties
lijken inherent aan bevallen en zijn stevig verankerd in onze bevallingscultuur. De
medische benadering van verloskunde heeft vandaag de dag in grote mate de manier
bepaald waarop parturiënten angst, spanning en pijn benaderen. In een streven naar een meer natuurlijke bevalling, waarbij de nadruk ligt op het empoweren van de parturiënt en haar vermogen om weeën op te vangen, heb ik onderzoek verricht naar
HypnoBirthing®. Het doel van deze bachelorproef is om te onderzoeken welke invloed
HypnoBirthing® heeft op de parturiënt, alsook om de rol van de vroedvrouw in deze
context te belichten. Dit onderzoek beoogt niet alleen de effectiviteit van HypnoBirthing® te evalueren, maar ook om bij te dragen aan een bevallingspraktijk die minder gedomineerd wordt door angst, spanning en pijn, en in plaats daarvan meer inzet op empowerment en een positieve bevallingservaring voor vrouwen.
Meer lezen

Using reprocessed public proteomic data to detect cell line specific protein patterns

Universiteit Gent
2023
Sam
van Puyenbroeck
In deze scriptie wordt een pipeline geoptimaliseerd dat vertrekkende van publieke proteoomdata van cellijnen een model traint cellijnen te herkennen.
Meer lezen

The creative act. About content and structure in times of transition.

Hogeschool PXL
2023
Lieve
Kauwenberghs
Hoe leven, denken en creëren we in onze huidige onstabiele tijden? Doorheen de velden van de landschapsarchitectuur en kunsten is deze scriptie een zoektocht naar hoe deze vraag bewuste en onbewuste keuzes over inhoud en structuur tijdens het creatieve proces kan beïnvloeden in deze velden.
Meer lezen

Enactive Ecologies: Exploring the role of enactivism in developing a relational environmental philosophy

Universiteit Antwerpen
2023
Teun
van Son
Dit werk onderzoekt hoe en in hoeverre een enactivistische benadering van cognitie bij kan dragen aan een verbindende milieufilosofie. Het concludeert dat enactivistische inzichten kunnen zorgen voor een mens- en wereldbeeld waarbij de mens middenin de wereld staat, in plaats van erboven. Daarnaast argumenteert het dat interactie met niet-menselijke natuur van groot belang is, vanuit het enactivistische concept 'participatory sense-making'.
Meer lezen

Log... In

LUCA School of Arts
2023
Wafaa
Saad
In haar eerste negen verhalen wil ze de lezer meelokken naar haar manier om zichzelf te ontdekken. Het is een aftasten tussen “observatie, gevoelens, oogopslag, zachtheid, warmte…….”. Tot men bij het tiende verhaal komt, waar zij haar harmonie bereikt heeft. Want tien staat voor een moment van zelfbeschikking in haar kunst carriere.1
Het doel is dat de lezer een indirecte relatie aangaat met deze werelden, waarin men geconfronteerd wordt met de gedachten die zij in elkaar weeft zonder kant-en-klare oplossingen te bieden.
Kan harmonie lichte of zware spanning dragen?
Kan ik een grens trekken tussen stille en luidruchtige harmonie?
Kan ik een grens trekken tussen harmonie of het wennen aan zaken die we het meest afwijzen.
Zoeken we naar harmonie alsof we een oplossing vinden voor alle tegenstellingen, zoals in het vinden van troost als een veilige haven met een gevoel van thuiskomen?
Meer lezen

Het vergeten ideaal van Harmonie

Universiteit Antwerpen
2023
Julian
Coryn
Een behandeling over het ideaal van harmonie, bekeken vanuit antiek Grieks en hedendaags neurowetenschappelijk gedachtegoed.
Meer lezen

Our Planet, Our Beloved - Gemeenschap in ecofeministische hedendaagse kunst

Vrije Universiteit Brussel
2023
Ella
Dezuttere
In mijn scriptie onderzoek ik de rol van het concept 'gemeenschap' binnen de ecofeministische hedendaagse kunst.
Meer lezen

Een dérive van de Demer in Hasselt. Psychogeografie als sleutelconcept voor een ruimtelijke analyse.

Universiteit Hasselt
2023
Oguzhan
Aydin
Dit onderzoek vormt een wandeling door de stad Hasselt met de Demer als leidraad. Na een beknopte literatuurstudie wordt een dérive, een vrije wandeling, uitgevoerd en vervolgens gebruikt als inspiratie voor een (anti-)architectuurproject. Het belang van dit soort wandeling wordt op een organische manier duidelijk gemaakt met het project.
Meer lezen

Een onderzoek naar het perspectief van zorgverleners en leidinggevenden op crustatieve zorg bij mensen met een ernstige en persisterende psychiatrische aandoening

Universiteit Gent
2023
Lena
Beirnaert
Een onderzoek naar het perspectief van zorgverleners en leidinggevenden op crustatieve zorg. Een innoverend zorgmodel voor mensen met een ernstige persisterende psychiatrische aandoening.
Meer lezen

Bold Collection - meubelontwerp

Thomas More Hogeschool
2023
Wout
Bemelmans
Het moderne leven staat bol van verandering en transformatie. Niets blijft voor eeuwig hetzelfde, en alles is onderhevig aan de onverbiddelijke gang van de tijd. Maar wat als we een manier zouden vinden om iets te creëren dat zowel het oude als het nieuwe, het vergankelijke en het opkomende belichaamt? Dit is het concept achter de BOLD Collection, een unieke meubelcollectie die traditie en innovatie op harmonieuze wijze verenigt. Dit project verkent het ontstaan van deze bijzondere collectie, de sociale problemen waarmee het zich bezighoudt, de innovatieve ontwerpaspecten en de duurzaamheidskenmerken.

Hoofdstuk 1: Het Verhaal van Verandering
Dit hoofdstuk onderzoekt de inspiratie achter de BOLD Collection en de narratieve achtergrond ervan. Het benadrukt de constant veranderende aard van de wereld en hoe de passage van tijd zowel destructie als groei met zich meebrengt. Het verkent de concepten van contrast en transformatie die de kern vormen van de collectie.

Hoofdstuk 2: Een Samensmelting van Ambacht en Innovatie
Hier wordt dieper ingegaan op het ontwerp en de kenmerken van de BOLD Collection. De nadruk ligt op de handgeweven Deense koordzittingen en het gebruik van duurzaam gerecycled hout, waarmee de brug wordt geslagen tussen het verleden en de toekomst. De mogelijkheden voor personalisatie en reparatie worden belicht, evenals de innovatieve ontwerpelementen die speelsheid en spanning toevoegen aan de brutalistische esthetiek.

Hoofdstuk 3: Duurzaamheid in Meubeldesign
Dit hoofdstuk richt zich op de duurzaamheidsaspecten van de BOLD Collection. Het beschrijft het zorgvuldige selectieproces van materialen met een lage impact op het klimaat en de aandacht voor vakmanschap in elk detail. De interactie tussen kleur en materiaal wordt benadrukt, evenals de mogelijkheid voor flat pack en schaalbaarheid.

Hoofdstuk 4: De Doelgroep en Sociale Impact
Hier wordt de focus verlegd naar de doelgroep van de BOLD Collection, namelijk de "Young Urban Professionals". Hun behoefte aan kwaliteit, personalisatie en duurzaamheid wordt verkend, evenals de potentiële impact van de collectie op hun leefomgeving. Verschillende marktsegmenten en mogelijke toepassingsgebieden worden besproken, waaronder privéwoningen, appartementen, gastvrijheidsruimtes en flagship stores.

Conclusie:
Het eindwerk sluit af met een samenvatting van de belangrijkste bevindingen en benadrukt de unieke waardepropositie van de BOLD Collection. Het benadrukt de mogelijkheid om een persoonlijke band met de meubelstukken op te bouwen en hoe ze een statement kunnen maken in elke ruim
Meer lezen

Justus Lipsius als vaderlander: De beeldvorming van Justus Lipsius in België van 1853 tot 1947

KU Leuven
2022
Joachim
Hoste
Deze masterproef gaat over de beeldvorming van de humanist Justus Lipsius van 1853 tot 1947. Hij paste binnen de herdenking van grote historische figuren om de natiestaat te legitimeren. Voor Leuven, Overijse en Ath riep hij lokale trots op. Lipsius werd vooral geëerd als groots wetenschapper. Maar in 1909 vond de liberale pers hem helemaal niet erenswaardig en bekritiseerde zijn intolerantie.
Meer lezen

De kunst van creatief onderwijs

Hogeschool UCLL
2021
Sarah
Awad
Dit praktijkonderzoek heeft als doel inzicht te krijgen in de wijze waarop het Steineronderwijs in Vlaanderen volgens hun pedagogie en filosofie hun ASO-leerlingen voorbereidt op het leven. Hierin staat de vraag centraal: wat is de meerwaarde van kunstzinnigheid en creativiteit in het secundair onderwijs en hoe vertaalt zich dat in het Steineronderwijs. Aansluitend hierop worden de sterktes en de zwaktes van dit type onderwijs verder onderzocht. Naast een uitgebreide literatuurstudie werden er diepte-interviews afgenomen van oud-leerlingen van MSV en Werner Govaerts, coördinerend directeur van de Federatie Steinerscholen. Deze scriptie werd geschreven naar aanleiding van een politieke tendens waarbij kunstzinnige vakken in het secundair onderwijs sterk worden teruggeschroefd. Er wordt geconcludeerd dat kunst een noodzaak is voor een brede, optimale ontwikkeling van een jongere. Hierdoor krijgen jongeren de kans om hun eigen stem te laten horen, hun eigen talenten te ontdekken, hun eigen creativiteit te ontwikkelen en hun eigen unieke identiteit tot uitdrukking te brengen. Binnen het Steineronderwijs wordt sterk de nadruk gelegd op die persoonlijke ontwikkeling van de leerlingen. Ze worden niet klaargestoomd om zich aan te passen aan de huidige maatschappelijke verwachtingen maar ondersteund in het groeien naar wie ze in wezen al zijn. Zo kunnen jongeren op een eigen unieke en creatieve wijze een meerwaarde bieden aan de maatschappij.
Meer lezen

Ethiek & Klimaatverandering: een achtdelige lessenreeks voor de tweede graad humane wetenschappen

KU Leuven
2021
Joren
Ossewaarde
  • Aaron
    Soens
  • Annika
    Beeck
Voor onze scriptie hebben wij onderzoek gedaan naar de beginsituatie van ethische kennis bij leerlingen uit de derde graad van de humane wetenschappen. Ook hebben wij gekeken wat de beste aanpak is om ethiek aan te brengen bij deze leerlingen. Onze bevindingen hebben wij verwerkt in een lespakket over klimaatproblemen en ethiek.
Meer lezen

Een constructivist op de barricaden! Bruno Latour over de construeerbaarheid van feiten en de nood aan verbindende kritiek.

Universiteit Antwerpen
2021
Dieter
Coppens
Deze masterthesis gaat in op twee aspecten van het werk van Bruno Latour, die op het eerste gezicht moeilijk verzoenbaar lijken: zijn epistemologische positie die tot de strekking van het constructivisme behoort en zijn praktische filosofie met een pleidooi voor verbindende kritiek. Dat beide aspecten op gespannen voet lijken te staan, ligt aan het feit dat het constructivisme niet met verbindende, maar met negatieve kritiek wordt geassocieerd: het ontmaskert en deconstrueert vaste waarden en objectieve feiten. De vraag hoe Latours theoretische visie over de construeerbaarheid van feiten te verzoenen valt met zijn praktische ideaal van een verbindende kritiek, vormt dan ook de centrale onderzoeksvraag van deze thesis.
Meer lezen