Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Dynamic Life Cycle Assessment of Reused Structural Timber: The Influence of Life Cycle Assumptions and Wood Species

Universiteit Gent
2026
Killian
Geenens
De bouwsector is verantwoordelijk voor ongeveer 40% van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen, waardoor de interesse in circulaire en biogebaseerde bouwmaterialen toeneemt. Hergebruikt constructiehout wordt beschouwd als een veelbelovend alternatief voor conventionele materialen zoals beton en staal, vanwege het potentieel om de ingebedde koolstofuitstoot te verminderen en atmosferische koolstof tijdelijk op te slaan. De klimaatimpact van hout hangt echter sterk af van de manier waarop biogene koolstof wordt gemodelleerd binnen een levenscyclusanalyse (LCA).

Deze thesis onderzoekt de klimaatimpact van hergebruikt constructiehout met behulp van een dynamische levenscyclusanalyse (DynLCA). Vijf veelgebruikte Europese houtsoorten werden onderzocht aan de hand van verschillende allocatiemethoden en twee benaderingen voor het modelleren van biogene koolstof: de groeibenadering (growth approach) en de hergroeibenadering (regrowth approach). Daarnaast werd via gevoeligheidsanalyses onderzocht welke invloed dichtheid, rotatieperiode, hergebruikscenario's en aannames over de levensduur hebben.

De resultaten tonen aan dat de keuze van allocatiemethode en de benadering voor het modelleren van biogene koolstof de grootste invloed hebben op de berekende klimaatimpact. Afhankelijk van de gekozen methode kan exact hetzelfde houten element zowel een sterk negatieve als een positieve klimaatimpact vertonen. Groeigebaseerde benaderingen leiden over het algemeen tot lagere impacts doordat de koolstofopname onmiddellijk als klimaatvoordeel wordt meegerekend, terwijl hergroeibenaderingen conservatievere resultaten opleveren. Van de onderzochte gevoeligheidsparameters hadden levensduur en rotatieperiode de grootste invloed, doordat zij bepalen wanneer koolstofstromen plaatsvinden. Dichtheid leidde tot meer proportionele veranderingen, terwijl hergebruikprocessen slechts een beperkt aandeel van de totale impact veroorzaakten.

De studie toont aan dat een dynamische levenscyclusanalyse de interpretatie van hergebruikte houtconstructies aanzienlijk verandert ten opzichte van conventionele statische benaderingen. Methodologische keuzes rond de timing en allocatie van biogene koolstof bepalen uiteindelijk of deze koolstof wordt beschouwd als een klimaatvoordeel of als een klimaatlast.
Meer lezen

De mogelijkheden van pure mycelium materialen

AP Hogeschool Antwerpen
2026
Xam
Dewaele
Deze scriptie onderzoekt de mogelijkheden van pure myceliummaterialen als duurzaam alternatief binnen de circulaire economie. Concreet richt het onderzoek zich op de productie en eigenschappen van mycoleer, waarbij zowel zuivere schimmelculturen als co-cultivaties met genetisch gemodificeerde bacteriën worden geëvalueerd.
Meer lezen

De wilde bij als sleutel tot duurzaamheidseducatie

Odisee Hogeschool
2026
Soeze
Windey
  • Ilinka
    Devillé
Biodiversiteit vormt de basis van goed functionerende ecosystemen en is onmisbaar voor het leven op aarde. Toch staat deze biodiversiteit wereldwijd onder druk. In Vlaanderen nemen steeds meer planten- en diersoorten af of verdwijnen ze volledig. Een van de groepen die bijzonder kwetsbaar is, zijn de wilde bijen. Hoewel ze vaak minder bekend zijn dan honingbijen, spelen wilde bijen een cruciale rol in de bestuiving van planten en gewassen. Hierdoor dragen ze niet alleen bij aan het behoud van
biodiversiteit, maar ook aan onze voedselproductie en de kwaliteit van onze leefomgeving.
De achteruitgang van wilde bijen wordt veroorzaakt door verschillende factoren, waaronder het verlies van geschikte leefgebieden, een afname van bloemenrijke omgevingen, het gebruik van bestrijdingsmiddelen en de gevolgen van klimaatverandering. Ondanks het grote belang van deze bestuivers merken we dat hun rol en betekenis binnen het onderwijs vaak beperkt aan bod komen.
Nochtans biedt dit thema tal van kansen om leerlingen bewust te maken van de samenhang tussen mens, natuur en milieu.
Vanuit deze vaststelling groeide onze interesse voor dit onderwerp. Natuur, biodiversiteit en duurzaamheid zijn thema’s die ons persoonlijk sterk aanspreken. Daarnaast geloven wij dat het onderwijs een belangrijke rol speelt in het ontwikkelen van kennis, vaardigheden en attitudes die bijdragen aan een duurzame samenleving. Door leerlingen inzicht te geven in het belang van wilde bijen en biodiversiteit, kunnen zij bewustere keuzes maken en een groter verantwoordelijkheidsgevoel ontwikkelen ten aanzien van hun omgeving. Binnen deze bachelorproef staat daarom de volgende onderzoeksvraag centraal: "Op welke manier kan duurzaamheidseducatie rond de wilde bij worden geïntegreerd in een betekenisvol en onderzoekend lessenpakket voor de derde graad van het lager onderwijs?"
Om deze onderzoeksvraag te beantwoorden, werd eerst een theoretisch kader uitgewerkt rond duurzaamheidseducatie, biodiversiteit, bestuiving, bestuivers en de wilde bij. Daarnaast werd onderzocht welke kenmerken van betekenisvol en onderzoekend leren aansluiten bij leerlingen uit de derde graad van het lager onderwijs. Op basis van deze inzichten werd een lessenpakket ontwikkeld dat bestaat uit zes lessen van telkens 100 minuten. Aan de hand van onderzoekende activiteiten,
observaties, samenwerking, reflectie en praktijkgerichte opdrachten ontdekken leerlingen stap voor stap het belang van wilde bijen binnen ecosystemen en biodiversiteit. Tegelijk worden zij gestimuleerd om kritisch na te denken over de impact van menselijk handelen op de natuur en over hun eigen rol binnen een duurzame samenleving.
Met deze bachelorproef willen we niet alleen een bruikbaar en onderbouwd lessenpakket aanbieden voor leerkrachten, maar ook bijdragen aan de ontwikkeling van ecologische bewustwording en handelingsbekwaamheid bij leerlingen. We willen hen laten ervaren dat zij, ondanks hun jonge leeftijd, een verschil kunnen maken voor biodiversiteit en bestuivers in hun eigen omgeving. Op die manier hopen we een bijdrage te leveren aan duurzaamheidseducatie en aan de vorming van betrokken burgers die zorg dragen voor natuur, milieu en toekomstige generaties.
Meer lezen

The diversity of aquatic and moss-inhabiting diatom communities in the Westfjords, northern Iceland

Universiteit Antwerpen
2026
annika
coomans
De diversiteit van zoetwaterdiatomeeën in IJsland is nog onvoldoende gedocumenteerd, vooral in afgelegen regio's zoals de Westfjorden. Hierdoor blijft de biodiversiteit en ecologische structuur van diatomeeëngemeenschappen in deze regio grotendeels onbekend. In deze studie werd de zoetwaterdiatomeeënflora van de Westfjorden geïnventariseerd en werden patronen in de gemeenschapsstructuur onderzocht over verschillende aquatische en mosgebonden habitats. Tweeënzestig stalen afkomstig uit meren, poelen, rivieren, beken, watervallen en moshabitats werden geanalyseerd met behulp van lichtmicroscopie en, waar nodig, scanningelektronenmicroscopie. De diatomeeëngemeenschappen werden geïdentificeerd tot op het laagst mogelijke taxonomische niveau en geanalyseerd aan de hand van diversiteitsschattingen,
ordinatietechnieken en multivariate gemeenschapsanalyses. In totaal werden 403 taxa uit 71 genera geregistreerd, waaronder 317 taxa vastgesteld tijdens kwantitatieve tellingen en 86 aanvullende taxa die werden gedetecteerd tijdens kwalitatieve observaties. Schattingen van de soortenrijkdom suggereerden dat een aanzienlijk deel van de regionale flora nog niet werd waargenomen. Meer dan 60% van alle geregistreerde taxa kwam voor in minder dan 5% van de onderzochte stalen, wat wijst op het grote belang van zeldzame taxa binnen de diatomeeënflora van de Westfjorden. Er werden drie belangrijke diatomeeëngemeenschappen onderscheiden, die voornamelijk samenhingen met verschillen in habitattype en hydrologische omstandigheden. Daarnaast droeg het onderzoek bij aan de beschrijving en taxonomische herziening van verschillende taxa, waaronder de formele beschrijving van Planothidium islandicum als een nieuwe soort voor de wetenschap. De resultaten tonen aan dat de Westfjorden een uitzonderlijk diverse en ecologisch gedifferentieerde zoetwaterdiatomeeënflora herbergen. Deze studie levert een belangrijke basis voor toekomstig onderzoek naar biodiversiteit, biogeografie en ecologische veranderingen in IJslandse zoetwatersystemen.
Meer lezen

Clean energy, but contaminated waters? Assessing the effects of indium and gallium emissions from offshore wind farms on Corophium volutator and Danio rerio

Universiteit Antwerpen
2026
Jens
Broeckx
Offshore windparken (OWF’s) breiden zich in hoog tempo uit als onderdeel van de wereldwijde energietransitie, maar de ecotoxicologische gevolgen van hun chemische emissies zijn nog steeds slecht begrepen. Opofferingsanodes die worden gebruikt voor kathodische bescherming in turbinefunderingen geven de voor de technologie essentiële elementen indium (In) en gallium (Ga) af aan het mariene milieu. Terwijl andere metalen afkomstig van OWF’s, waaronder aluminium, zink, koper, cadmium en lood, uitgebreid zijn onderzocht, zijn er nog steeds weinig ecotoxicologische gegevens over In en Ga beschikbaar. In deze studie werden de effecten van In en Ga op twee modelorganismen beoordeeld: de in marien sediment levende amfipode Corophium volutator, die gedurende 28 dagen werd blootgesteld aan met metalen verrijkt sediment, en de zoetwaterzebravis Danio rerio, die gedurende 120 uur na bevruchting afzonderlijk werd blootgesteld aan In en Ga in het water.

Bij geen van beide soorten werd bij de geteste concentraties een significante sterfte waargenomen. Bij C. volutator was de specifieke groeisnelheid bij de hoogste concentratie significant verhoogd, wat mogelijk wijst op hormesis. In het weefsel en het sediment van C. volutator werd een concentratieafhankelijke accumulatie van beide metalen aangetoond. Indium werd bijna volledig in de sedimentfase vastgehouden en bleef bij alle behandelingen onder de detectielimiet in het bovenliggende water. De accumulatiefactoren voor biota en sediment (BSAF’s) waren significant hoger voor In dan voor Ga, wat wijst op een onevenredig hogere biologische beschikbaarheid van In ondanks de lagere concentraties in opgeloste vorm. Bij D. rerio accumuleerden beide metalen op een concentratieafhankelijke manier. Gallium bleef overwegend opgelost (>80%) en vertoonde een duidelijke monotone dosis-respons in larvenweefsel. Indium daarentegen was grotendeels in de vorm van deeltjes (<2% opgelost), wat de blootstelling via het water beperkte. Een nieuwe bevinding was een mogelijke omgekeerde relatie tussen de blootstellingsconcentratie van In en de Ga-accumulatie bij aan In blootgestelde larven, wat wijst op remming van de Ga-opname door In, mogelijk via gedeelde ijzertransportroutes. Morfologische afwijkingen bij D. rerio kwamen zelden voor en konden niet op betrouwbare wijze worden toegeschreven aan blootstelling aan metalen.

Deze resultaten wijzen erop dat het belangrijkste ecologische risico van uit OWF’s afkomstig In en Ga in het sediment ligt, waarbij benthische organismen waarschijnlijk een groter risico op blootstelling aan deze metalen hebben dan pelagische organismen. Dit onderzoek vormt een basis voor toekomstige risicobeoordelingen en benadrukt de noodzaak om monitoring van de sedimentkwaliteit op te nemen in kaders voor milieurisicobeoordeling en -beheer met betrekking tot OWF’s.
Meer lezen

Autogenic Pressure Carbonisation of Mixed Non-Recyclable Plastic Waste for Carbon Capture Applications

KU Leuven
2026
Wout
Deconninck
Deze masterproef onderzoekt of moeilijk recycleerbaar plasticafval, zoals PET-afval en sigarettenfilters, kan worden omgezet in poreuze actieve kool voor CO₂-capture. Hiervoor werd autogene drukcarbonisatie (APC) gecombineerd met KOH-activatie. Vooral PET-afval leverde veelbelovende resultaten op: het specifieke oppervlak steeg tot 1205 m²/g en er ontstond een sterk microporeuze structuur die geschikt is voor CO₂-adsorptie. Sigarettenfilters konden eveneens worden omgezet in koolstofrijk materiaal, terwijl een mengsel van beide afvalstromen geen positieve synergie vertoonde. De CO₂-opnametesten toonden hoge, maar nog verkennende waarden. Het onderzoek toont zo het potentieel om moeilijk recycleerbaar afval te valoriseren tot een materiaal met een mogelijke toepassing in CO₂-afvang.
Meer lezen

"Natuur zorgt voor de wereld": definities en percepties van het concept natuur bij Vlaamse lagereschoolkinderen en de verschillen daarin tussen rurale en urbane omgevingen

Universiteit Gent
2026
Manon
Dhelft
De band tussen kinderen en de natuur staat onder druk. Toenemende verstedelijking en digitalisering reduceren hun tijd buiten en in natuur, terwijl natuurcontact juist veel mentale en fysieke voordelen heeft voor het kind. Bovendien zijn die ervaringen cruciaal voor de ontwikkeling van milieubewust gedrag op latere leeftijd. Hoe kinderen natuur mentaal vormgeven vormt daarbij de basis van de mens-natuurrelatie. Toch is onderzoek naar hun conceptualisatie van natuur schaars en is het nog nooit uitgevoerd in Vlaanderen, of zelfs maar in België. De centrale onderzoeksvraag luidt daarom: “Welke definities en percepties hebben Vlaamse lagereschoolkinderen van het concept natuur en hoe verschillen die tussen rurale en urbane omgevingen?”. Voor dit onderzoek werd een vergelijkende casestudie uitgevoerd waarbij 56 Vlaamse kinderen uit het vierde leerjaar (9-10 jaar) werden bevraagd in de Westhoek (ruraal) en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (urbaan). Hiervoor werd gebruikgemaakt van verschillende methodes, bestaande uit de draw, write & tell-methode, de Connection to Nature Index, een vragenlijst en interviews met de schooldirecties. De kinderen bouwen natuur op vanuit een biotische kern (bomen, gras, bloemen, vogels), aangevuld met abiotische elementen zoals de zon. Een opvallende bevinding is dat de mens een prominente plaats inneemt in hun conceptualisatie van natuur. Daarnaast zien de kinderen natuur als een plek voor spel en exploratie. Rurale kinderen vertonen een grotere soortenkennis en een sterker gevoel van eenheid met hun omgeving, terwijl urbane kinderen natuur vaker associëren met sport en een goede luchtkwaliteit. Natuur wordt overwegend positief beleefd door de kinderen, roept rust op en wordt gewaardeerd om haar nut en haar intrinsieke waarde. Hun gedrag wijst echter ook op een kloof. Vrije tijd wordt namelijk vaker achter een scherm gespendeerd dan in de natuur. Vlaamse lagereschoolkinderen blijken zo een rijk, betrokken, maar kwetsbaar natuurbeeld te hebben. Inzicht in dat beeld is essentieel om leervolle momenten in natuur- en milieueducatie op te zetten en hen op een effectieve manier terug naar de natuur te krijgen.
Meer lezen

Developing eDNA as a tool for assessing fish diversity on East African coral reefs

Vrije Universiteit Brussel
2026
Tara
Sarwar
In deze studie werd onderzocht in welke mate environmental DNA (eDNA) geschikt is om de biodiversiteit van vissen in Keniaanse koraalriffen te bestuderen. In totaal werden er 41 vissenfamilies en 71 soorten gedetecteerd. De geografische liggen van de riffen had een duidelijke invloed op de soortensamenstelling, terwijl beschermingsstatus geen significant effect vertoonde. Bovendien bleek eDNA-metabarcoding in staat om soorten te detecteren die tijdens visuele tellingen niet werden opgenomen. Hoewel beide methoden een vergelijkbare aantal taxa identificeerden, verschilde ze in de soorten die ze detecteren. Deze resultaten toonden aan dat beide methoden elkaar aanvullen en dat eDNA een veelbelovende en minder invasieve techniek is voor de monitoring van koraalriffen, ondanks de technische beperkingen ondervonden in deze studie.

Beschermingsstatus had geen duidelijk effect op de soortengemeenschappen in tegenstelling tot geografische locatie. Bovendien bleek eDNA meer succesvol in het detecteren van taxa dan visuele tellingen die tijdens het verzamelen van de stalen plaatsvonden. Beide methoden vonden wel een gelijkaardig aantal taxa, maar namen riffen op een fundamentele manier anders waar. Deze studie toonde aan dat beide methoden elkaar complementeerde en dat eDNA een veelbelovende en minder invasieve methode voorsteld voor het monitoiren van koraalriffen ondanks de technische beperkingen ondervonden in deze thesis.
Meer lezen

Seks, intimiteit en romantische relaties in de gevangenis vanuit een mensenrechtelijk perspectief.

KU Leuven
2026
Elise
Dedier
Deze masterproef behandelt de vraag of mensen in detentie toegang zouden moeten krijgen tot ongestoord bezoek met een sekswerker, gelet op het normaliseringsbeginsel, het fundamentele recht om te kiezen met wie men intieme relaties wil aangaan en onderhouden als deel van het recht op privéleven, het gelijkheidsbeginsel en de recente hervormingen in de wetgeving inzake sekswerk.
Meer lezen

Cultivating seaweed at home: benefits and limitations

Universiteit Antwerpen
2026
Lani
Vints
De voedingsindustrie legt een grote druk op de natuur en haar hulpbronnen. Vooral de druk die de
vleesproductie uitoefent, kan niet worden genegeerd. Er is behoefte aan plantaardige alternatieve
eiwitbronnen om deze druk te verminderen. Zeewier zou een van deze alternatieven kunnen zijn,
aangezien het een goede eiwitbron vormt en bovendien andere voordelen biedt. De grootschalige
teelt van zowel marien als op het land gekweekt zeewier kent echter haar eigen beperkingen. De
mariene teelt is gevoelig voor omgevingsfactoren en grootschalige teelt op het land vereist een hoog
energieverbruik. Thuis gekweekt zeewier zou een oplossing kunnen bieden, omdat het minder
gevoelig is voor omgevingsfactoren en minder energie vereist door de opstelling aan te passen aan
wat strikt noodzakelijk is. Dit proefschrift richt zich op de kansen, beperkingen en haalbaarheid van
het thuis kweken van zeewier door de economische aspecten, de milieu-impact en de
maatschappelijke vereisten te onderzoeken. Antwoorden worden gevormd door informatie te
verzamelen uit literatuuronderzoek, interviews en een casestudy, ondersteund door een lijst met
indicatoren om een duurzame aanpak te waarborgen. Geconcludeerd kan worden dat het technisch
haalbaar is om zeewier te kweken, maar dat er nog steeds beperkingen zijn. Verontreiniging is een van
de belangrijkste beperkingen van het kweken van zeewier thuis, wat resulteert in bezorgdheden
omtrent voedselveiligheid. Afhankelijk van het gebruikte materiaal kunnen ook de kosten en
verminderde opbrengst een barrière vormen. Het blijkt vooral belangrijk om de zeewiersoort
zorgvuldig te kiezen en omgevingsomstandigheden aan te passen. Kweek heeft vooral mogelijkheden
voor educatie en bewust zijn en kan gezien worden als hobby.
Meer lezen

Computational fluid dynamics (CFD) simulatie en validatie van wandbevochtiging voor methanol poortbrandstofinjectie

Universiteit Gent
2026
Lien
Spruytte
De wereldwijde maritieme sector staat onder toenemende druk om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, onder meer door regelgevingen zoals het Europese Fit for 55-pakket. Methanol wordt daarbij gezien als een veelbelovende alternatieve brandstof voor bestaande motoren die worden omgebouwd naar een dual-fuelwerking. De hoge verdampingswarmte en lage vluchtigheid van methanol zorgen er echter voor dat de brandstof gemakkelijk op de cilinderwand neerslaat. Dit kan leiden tot problemen met de homogeniteit van het brandstof-luchtmengsel en de stabiliteit van de motor.

Als eerste stap wordt in deze thesis een uitgebreide literatuurstudie uitgevoerd. Hierbij wordt de achtergrond van methanol als alternatieve brandstof besproken, samen met de belangrijkste gevolgen ervan voor de werking van de motor. Vervolgens wordt de huidige stand van de kennis over wandbevochtiging (wall wetting) in systemen met poortbrandstofinjectie (Port Fuel Injection, PFI) kritisch geanalyseerd. Op basis van deze literatuurstudie wordt een duidelijke onderzoekskloof geïdentificeerd en worden de onderzoeksvragen geformuleerd.

In deze thesis wordt vervolgens een op Computational Fluid Dynamics (CFD) gebaseerd model ontwikkeld en gevalideerd in CONVERGE om het gedrag van methanol op de cilinderwand bij poortbrandstofinjectie te simuleren. Het model maakt gebruik van een Lagrangiaanse-Euleriaanse aanpak, gecombineerd met het Bai-Gosman-model voor de interactie tussen de brandstofspray en de wand en met conjugate heat transfer. Het numerieke model wordt gevalideerd aan de hand van experimentele gegevens en de beperkingen van het model worden besproken.

Tot slot wordt met behulp van een systematische Latin Heuristic Sampling-studie onderzocht welke invloed de injectiedruk, brandstoftemperatuur en omgevingstemperatuur hebben op de dikte, oppervlakte en massa van de brandstoffilm op de wand.
Meer lezen

When does environmental destruction fall under Article II (c) of the Genocide Convention?

KU Leuven
2026
Matteo
Marsala
Mijn scriptie onderzoekt wanneer milieuvernietiging onder artikel II(c) van het Genocideverdrag kan vallen. Die bepaling omvat niet alleen rechtstreekse moord, maar ook het doelbewust opleggen van levensomstandigheden die een beschermde groep fysiek kunnen vernietigen. Aan de hand van verdragsinterpretatie en rechtspraak van het Rwanda- en Joegoslaviëtribunaal, het Internationaal Strafhof en het Internationaal Gerechtshof analyseer ik wanneer de vernietiging van water, voedselbronnen, landbouwgrond of bewoonbaar gebied zo’n indirecte vernietigingsmethode vormt. Hierbij ontwikkel ik een stapsgewijs juridisch toetsingskader om te beoordelen wanneer milieuschade zo’n indirecte vorm van genocide kan uitmaken. De scriptie concludeert dat milieuvernietiging als genocide kan worden beschouwd wanneer zij het fysieke voortbestaan van een beschermde groep bedreigt én gepaard gaat met de specifieke bedoeling die groep geheel of gedeeltelijk te vernietigen. Daarnaast verduidelijkt het onderzoek het onderscheid met ecocide en past het deze voorwaarden op een neutrale wijze toe op de situatie in Gaza.
Meer lezen

Sonocatalytic persulfate activation for degradation of PFOA and ciprofloxacin in aqueous systems

KU Leuven
2026
Jarno
Thys
Deze masterproef onderzoekt een innovatieve methode voor de behandeling van persistente waterverontreinigingen, met focus op het antibioticum ciprofloxacine en de PFAS-verbinding PFOA. Hierbij werden ultrasone golven gecombineerd met persulfaat en verschillende katalysatoren om de verontreinigingen af te breken. Magnetiet bleek van de onderzochte katalysatoren het meest veelbelovend. Voor ciprofloxacine werd onder optimale omstandigheden meer dan 80% verwijdering bereikt, terwijl PFOA aanzienlijk moeilijker af te breken bleek. Daarnaast werd onderzocht hoe waterbestanddelen en hergebruik van de katalysator de efficiëntie beïnvloeden. De resultaten tonen aan dat de combinatie van ultrasound, persulfaat en magnetiet potentieel biedt voor de behandeling van hardnekkige waterverontreinigingen, maar dat verdere optimalisatie nodig is voor een efficiënte toepassing op PFAS.
Meer lezen

Een rog als venster op plasticvervuiling

Vrije Universiteit Brussel
2026
Lize
Gijs
Deze thesis onderzoekt de aanwezigheid van microplastics in de blauwgevlekte maskerrog (Neotrygon indica) aan de oostkust van Sri Lanka. In 24 maagdarmkanalen werden microplastics geïdentificeerd en gekarakteriseerd op basis van hun hoeveelheid, grootte en polymeertype. In 16 van de 24 onderzochte roggen (66,7%) werden microplastics aangetroffen, waarbij PET het dominante polymeertype was. Daarnaast werd onderzocht of de hoeveelheid microplastics samenhing met de lichaamsgrootte van de roggen. Ten slotte werd een praktische en contaminatie-gecontroleerde methode ontwikkeld en geëvalueerd voor het extraheren en identificeren van microplastics uit het maagdarmkanaal van Elasmobranchen, met aandacht voor toepassing in laboratoria met beperkte middelen. De resultaten leveren zowel nieuwe informatie over microplasticblootstelling bij N. indica als een methodologische basis voor toekomstig onderzoek naar microplastics bij haaien en roggen.
Meer lezen

Contextafhankelijke modellering van de vervangratio bij autodelen in Vlaamse gemeenten: Een beslissingsondersteunend model voor onderbouwde inschattingen van privéautovervanging

Universiteit Hasselt
2026
Ole
Siemons
In deze masterproef wordt onderzocht hoe lokale factoren in een gemeente van invloed kunnen zijn op het aantal privéauto's dat vervangen wordt door één deelwagen. Aan de hand van twee gebruikerspopulaties die doen aan autodelen worden contextafhankelijke factoren geïdentificeerd en gemodelleerd. De resultaten worden vertaald naar een rekenmodel en een beslissingsondersteunend model waarmee voor Vlaamse gemeenten een onderbouwde, contextafhankelijke vervangratio kan worden ingeschat. De praktische toepasbaarheid hiervan wordt getoetst aan de hand van een Use Case in de Stad Gent.
Meer lezen

Stedenbouwkundige verhardingscompensatie: een verordening ter activatie van ontharding’

KU Leuven
2026
Eline
Van de Steene
Vlaanderen is een van de meest verharde regio’s van Europa en de verhardingsgraad blijft jaarlijks toenemen. De Vlaamse overheid heeft onthardingsdoelstellingen tegen 2050 geformuleerd. Deze doelstellingen werden recent herbevestigd in de Conceptnota van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Verharding doet de natuurlijke functies van de bodem verloren gaan. Verschillende studies benadrukken de noodzaak van ontharding voor mens en milieu, bepalen de omvang van de onthardingsopgave, inventariseren bestaande initiatieven en formuleren aanbevelingen voor een ruimtelijk beleid dat bijkomende verharding kan vermijden, beperken en compenseren. Daarbij wordt vastgesteld dat de huidige initiatieven onvoldoende zijn om de vooropgestelde doelstellingen te bereiken en de grootschalige ingrepen zich bovendien voornamelijk beperken tot het publiek domein. Een bijdrage vanuit de private zijde is daarom noodzakelijk om de doelstellingen te behalen.

Deze masterproef onderzoekt hoe de Vlaamse reductieopgaven vertaald kunnen worden naar het instrument van de stedenbouwkundige last, dat eigenaars verplicht te ontharden of ontharding elders financieel te compenseren. Dit resulteert in een stedenbouwkundige verordening die een verhardingscompensatie oplegt bij omgevingsvergunningen waarbij bijkomende verharding wordt aangevraagd. De verhardingscompensatie beschikt over het potentieel om de stijgende verhardingsgraad om te keren en de netto toename aan verharding in Vlaanderen een halt toe te roepen.

Het onderzoek werd uitgevoerd aan de hand van een literatuuronderzoek in combinatie met een overlegmoment met experten. Het literatuuronderzoek bood inzicht in het thema, de beleidsdoelstellingen, de bestaande instrumenten en initiatieven, het instrument van de stedenbouwkundige last en de toepassing ervan in praktijkvoorbeelden. Uit de analyse van deze praktijkvoorbeelden bleek dat weinig Vlaamse gemeenten lasten opleggen ter compensatie van verharding of bij het niet behalen van de vooropgestelde groennorm. Hieruit wordt geconcludeerd dat er in Vlaanderen nog aanzienlijke stappen moeten gezet worden om de transitie van een verhardingspraktijk naar een onthardingscultuur te realiseren.

Tijdens de workshop met een diverse groep experten, waaronder vertegenwoordigers van de Vlaamse overheid, lokale besturen, academici, zelfstandige experten en een omgevingsjurist, werd een conceptverordening besproken aan de hand van verschillende stellingen uit dit onderzoek. De expertentafel leverde waardevolle aanvullingen en droeg bij aan de verdere verfijning van de conceptverordening. De geformuleerde aanbevelingen
gaven mee vorm aan de finale verordening. Daarbij primeerde de keuze voor een gewestelijke financiële last boven een gemeentelijke last in natura, omwille van uniformiteit en meer effectiviteit in Vlaanderen.

De finale verordening omvat een financiële last voor alle bijkomende verharding. Deze draagt bij aan een gesloten systeem waarbij ontharding elders kan worden gefinancierd en subsidies kunnen worden verleend aan grootschalige onthardingsprojecten van private eigenaars. Tot slot laat de flexibiliteit van de verordening de gemeenten toe deze al in te voeren in afwachting van een invoering door de Vlaamse Regering. De lokale besturen beschikken daarbij over de bijkomende mogelijkheid om lasten in natura op te leggen indien zij van oordeel zijn dat dit type lasten beter aansluit bij hun lokale onthardingsambities.
Meer lezen

Determining coefficient of friction between combat vehicles and trailers according to NBN EN 12195-1

Hogeschool PXL
2026
Robbie
Vandeputte
Defensie transporteert gevechtsvoertuigen op basis van laadplannen die uitgaan van niet-gevalideerde wrijvingscoëfficiënten van 10% en 30%. Deze studie bepaalt de praktische wrijvingscoëfficiënt in overeenstemming met de Europese norm NBN EN 12195-1. Een horizontale trektestmethodologie, die gebruikmaakt van beschikbaar militair materieel, registreert de trekkrachten. Pilootstesten op beton bevestigen de betrouwbaarheid van de opstelling met een dynamische wrijvingscoëfficiënt van 57,43%. Empirische proeven met zes gevechtsvoertuigen op twee types aanhangwagens tonen aan dat de werkelijke wrijving de historische baselines aanzienlijk overschrijdt. Voor trailerdekken met opgeruwd metaal ligt de praktische waarde tussen 70,34% en 77,69%, terwijl vloeren bestaand uit een mix van hout en traanplaat tot 98,91% behalen. Onderzoek naar externe factoren, waaronder variërende omgevingsomstandigheden en aanpassingen van de bandenspanning, stelt hun praktische effecten op de wrijvingsstabiliteit vast. Deze op data gebaseerde resultaten bewijzen dat de huidige veiligheidsmarges overdreven conservatief zijn, wat een wetenschappelijke basis biedt om sjorconfiguraties veilig te vereenvoudigen en de operationele veiligheid te verhogen.
Meer lezen

Assessing the social impact of electronics fabrication

Universiteit Gent
2026
Laura
Sondakh
De groei van de elektronica-industrie gaat gepaard met toenemende gevolgen. De impact op het milieu wordt reeds onderzocht, maar de sociale gevolgen blijven onderbelicht. In dit werk wordt een werkwijze voorgesteld om de sociale gevolgen van de productie van PCBA’s te analyseren. Eerst worden de stappen overlopen voor de productie van IC’s, PCB’s en afzonderlijke componenten, packaging en assemblage, waarna een overzicht wordt gemaakt van de gebruikte materialen. Voor deze materialen worden de sociale gevolgen geëvalueerd aan de hand van de mijnbouwfase. De gevolgen worden gekwantificeerd op basis van de volgende categorieën: kinderarbeid, informele mijnbouw, gewelddadige conflicten, sterkte van de rechtsstaat, controle van corruptie en menselijke ontwikkeling. Voor elk materiaal worden ze geëvalueerd door aan elk van de vijf meest producerende landen een score toe te kennen en een gewogen gemiddelde te berekenen. Het resultaat is een overzicht van de sociale gevolgen van de verschillende materialen die gebruikt worden voor de productie van elektronica. De materialen met de grootste sociale gevolgen zijn kobalt, tantaal, tin, iridium, ruthenium en chroom. Materialen met lagere sociale gevolgen zijn ijzer, beryllium en lithium. Om in te schatten of veranderingen in het productieproces een groot effect zouden hebben, wordt nagegaan welk aandeel van de globale productie van een materiaal gebruikt wordt binnen de elektronica-industrie. Op basis van deze twee analyses worden kobalt, tantaal en zilver geselecteerd voor een extra analyse, waarin toepassingen en alternatieven worden besproken, rekening houdend met technische eigenschappen en kostprijs. De alternatieven hebben meestal bepaalde nadelen. Voor sommige toepassingen zijn er zelfs geen alternatieven mogelijk. Ten slotte worden de milieu- en sociale gevolgen vergeleken. Hieruit blijkt dat bepaalde materialen met grote sociale gevolgen weinig milieu-gevolgen hebben en vice versa. Het wordt dus duidelijk dat er geen ‘ideaal’ materiaal bestaat: er is steeds een afweging nodig tussen milieu- en sociale gevolgen, technische eigenschappen en kostprijs.
Meer lezen

Bio-based insulation materials from local resources: exploring the potential of bean stalks in a wet production process

Universiteit Gent
2026
Bieke
Delanote
Deze masterproef onderzoekt het potentieel van bonenstengels, een landbouwreststroom, als grondstof voor biogebaseerde isolatiematerialen. Voor de productie van het isolatiemateriaal werd gebruik gemaakt van een nat productieproces. Dit proces benut de natuurlijke bindingseigenschappen van de vezels, waardoor een stevige isolatieplaat kan worden geproduceerd zonder toevoeging van een synthetisch bindmiddel. Aangezien dit proces al op industriële schaal wordt toegepast voor de productie van houtvezelisolatieplaten, werd het laboproces eerst geoptimaliseerd op basis van houtwol. Met een eenvoudige combinatie van koken, kort persen en drogen konden houtvezelisolatieplaten met lage thermische geleidbaarheid en hoge sterkte worden geproduceerd. Om vervolgens de geschiktheid van bonenstengels binnen dit proces te onderzoeken, werden verschillende voorbehandelingstechnieken toegepast. Ovendrogen en luchtdrogen werd vergeleken. Daarnaast werd het effect van een extra reinigings- of extrusiestap geanalyseerd. Alle onderzochte fracties van bonenstengels toonden potentieel. Rekening houdend met materiaalprestaties, praktische haalbaarheid en milieu-impact kwamen luchtgedroogde ongereinigde bonenstengels naar voren als meest belovende optie. De toevoeging van houtvezels of vlaslemen verbeterde de praktische haalbaarheid zonder de algemene prestaties negatief te beïnvloeden.

Naast het aantonen van het potentieel van bonenstengels als isolatiegrondstof, onderstreept deze thesis het bredere potentieel van landbouwreststromen om bij te dragen aan een duurzamere bouwpraktijk, gebaseerd op lokale en biologisch afbreekbare materialen.
Meer lezen

Linking microbiome and physicochemical soil parameters to optimize nitrification inhibition

Universiteit Gent
2026
Amber
Meulemeester
Deze scriptie onderzoekt hoe de werking van nitrificatie-inhibitoren verschilt per landbouwgrond in de Benelux. Omdat de effectiviteit van huidige producten in de praktijk sterk uiteenloopt, brengt dit onderzoek via een grootschalige bodemanalyse in kaart hoe specifieke bodemeigenschappen en doseringen deze stoffen beïnvloeden. Daarnaast evalueert de studie de ecologische impact van nieuwe kandidaat-nitrificatie-inhibitoren op het bredere bodemleven, om te garanderen dat toekomstige oplossingen de biologische balans en gezondheid van de bodem behouden.
Meer lezen

Versnipperd voorgelicht. Een mondelinge geschiedenis van de seksuele opvoeding van Vlaamse vrouwen in de jaren 1960 en 1970

KU Leuven
2026
Sam
Franssen
Deze masterproef onderzoekt de ervaringen van Vlaamse vrouwen met seksuele opvoeding in de jaren 1960 en 1970. Waar de Belgische geschiedschrijving zich tot nu toe vooral heeft gericht op de institutionele context en de producenten van deze voorlichting, bleef de manier waarop individuen seksuele informatie ontvingen, interpreteerden en toepasten grotendeels onderbelicht. Aan de hand van elf diepte-interviews en aanvullend archiefmateriaal analyseert deze thesis niet enkel via welke kanalen vrouwen seksuele opvoeding ontvingen, maar ook hoe zij deze voorlichting beleefden en hoe deze informatie betekenis kreeg. Het onderzoek sluit daarmee aan bij een internationale tendens om de geschiedenis van seksualiteit te benaderen vanuit mondelinge geschiedenis, terwijl het ook een lacune in de Belgische historiografie opvult door de nadruk te verschuiven van productie naar ervaring.

De getuigenissen maken duidelijk dat de toenemende seksuele vrijheid en openheid van deze tijdsperiode zich niet automatisch vertaalden in een mentaliteitswijziging in het spreken over seksualiteit. Seksuele voorlichting in de jaren zestig en zeventig kan dan ook niet louter begrepen worden als een proces van kennisoverdracht, maar veeleer als een complex en gelaagd proces waarin informatie, normen, emoties en sociale relaties onlosmakelijk met elkaar verbonden waren.
Meer lezen

The symbolic legal protection of the environment in armed conflict: Form, function and reform of Articles 35(3) and 55(1) of Additional Protocol I

KU Leuven
2026
Simon
Sterck
Gewapende conflicten vernietigen meer dan mensen en infrastructuur. Ze vervuilen ook water, bodem en lucht, beschadigen ecosystemen, en maken daardoor regio’s decennialang minder leefbaar. Conflicten in Vietnam, Koeweit, Oekraïne of Gaza illustreren dit duidelijk.

Het internationaal humanitair recht regelt dergelijke milieuschade in artikelen 35(3) en 55(1) van het Eerste Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève (1977). Deze bepalingen verbieden oorlogvoering waarvan verwacht wordt dat ze “wijdverspreide, langdurige en ernstige” milieuschade veroorzaakt. Op papier lijkt dat een bijzonder sterke bescherming. Toch werd in bijna vijftig jaar nooit gezaghebbend vastgesteld dat deze drempel werd overschreden, ook niet in conflicten die bekend staan om hun ecologische gevolgen.

De rechtsleer beschouwt dat doorgaans als een mislukking en focust vooral op hervormingsvoorstellen. Mijn masterproef zet echter een stap terug en vraagt eerst wat voor soort norm dit eigenlijk is. Met twee theoretische kaders die niet eerder op deze bepalingen werden toegepast, analyseer ik hun juridische vorm, maatschappelijke functie en mogelijke hervorming.

Ik besluit dat het huidige kader vooral symboolwetgeving is. Het erkent het belang van
milieubescherming tijdens oorlogen, zonder militaire acties in de praktijk sterk te beperken. Vanuit dat inzicht ontwikkel ik een nieuwe manier om het hervormingsdebat te benaderen
Meer lezen

De psychologische drijfveren achter de adoptie van herbruikbare verpakkingen in de Belgische retailsector

Universiteit Antwerpen
2026
Jonas
Nooyens
Deze masterproef onderzoekt welke factoren bepalen of consumenten bereid zijn herbruikbare verpakkingen te gebruiken in de Belgische retailsector. Via een survey bij 371 consumenten en interviews met drie praktijk- en academische experts werd nagegaan hoe duurzaamheid, attitude, persoonlijke verantwoordelijkheid, gewoonten en vooral de ervaren haalbaarheid van een systeem samenhangen met gebruiksintentie.

De resultaten tonen dat praktische haalbaarheid de sterkste voorspeller is: consumenten staan positiever tegenover hergebruik wanneer een systeem eenvoudig, begrijpelijk en makkelijk inpasbaar is in hun dagelijkse routine. De vergelijking tussen twee concrete toepassingen, SIXPACK en REPASYS, toont bovendien dat productcategorie, ontwerp en vertrouwdheid een belangrijke rol spelen.

De studie concludeert dat succesvolle herbruikbare verpakkingen meer vragen dan milieubewustzijn alleen. Ook retourprocessen, standaardisatie, logistiek, ketensamenwerking en economische haalbaarheid moeten op elkaar worden afgestemd. Zo draagt het onderzoek bij aan de ontwikkeling van meer circulaire en duurzame consumptiesystemen.
Meer lezen

Een tweede leven voor merken? Fashion upcycling en de grenzen van het merkenrecht in de Europese Unie en Japan

KU Leuven
2026
Natacha
Nagnensky
Deze thesis onderzoekt de spanning tussen de bescherming van merkhouders en de opkomst van fashion upcycling als circulaire praktijk. Centraal staat de vraag in welke mate het Europese merkenrecht upcyclers rechtszekerheid biedt en ruimte laat voor ecologische duurzaamheid, en welke inzichten het Japanse merkenrecht daarbij kan bieden. De analyse richt zich op drie niveaus waarop het merkenrecht upcycling raakt: de drempel van ‘gebruik als merk’, de individuele inbreukgronden, en de wettelijke uitzonderingen op het merkrecht. Deze drie niveaus afzonderlijk worden eerst vanuit het Europese en vervolgens vanuit het Japanse merkenrecht onderzocht en met elkaar vergeleken.

De thesis beoordeelt beide rechtstelsels aan de hand van de criteria van rechtszekerheid en ecologische duurzaamheid. Daarbij staat centraal of upcyclers op basis van het geldende recht kunnen voorzien welke vormen van merkgebruik zijn toegestaan en of het merkenrecht voldoende ruimte laat voor circulaire praktijken. Uit die vergelijking blijkt dat noch het Europese, noch het Japanse merkenrecht op dit moment een volledig bevredigend evenwicht bereikt tussen bescherming van merkhouders en de ruimte voor circulair hergebruik. De knelpunten verschillen echter per rechtstelsel.

Op basis van deze bevindingen formuleert de thesis een concrete aanbeveling om de rechtszekerheid van upcyclers binnen het Europese merkenrecht te versterken, zonder de bescherming van merkhouders daarbij overbodig te beperken.
Meer lezen

Investigation of refractory-slag corrosion kinetics via in-situ high-temperature electrical conductivity measurements

Universiteit Gent
2026
Astrid
Notebaert
Tijdens deze masterproef onderzocht ik hoe de corrosie van vuurvaste materialen in metaalproductieprocessen beter kan worden opgevolgd. Deze speciale keramische materialen beschermen metaalovens tegen extreem hoge temperaturen en agressieve slakken (vloeibare metaaloxiden). Hoewel slakken essentieel zijn om onzuiverheden uit het vloeibare metaal te verwijderen en zo zuivere metalen te produceren, tasten ze de vuurvaste bekleding geleidelijk aan. Deze corrosie vormt één van de belangrijkste oorzaken van de degradatie van vuurvaste materialen en gaat gepaard met aanzienlijke economische en ecologische gevolgen.

Daarom onderzocht ik of elektrische geleidbaarheidsmetingen op hoge temperatuur kunnen worden gebruikt om dit corrosieproces in realtime op te volgen. Daarnaast bestudeerde ik hoe temperatuur, slaksamenstelling en het type vuurvast materiaal het corrosiegedrag beïnvloeden. De resultaten tonen aan dat veranderingen in de elektrische geleidbaarheid rechtstreeks verband houden met het corrosieproces. Bovendien blijkt dat corrosie niet alleen wordt bepaald door de eigenschappen van de slak of het vuurvaste materiaal zelf, maar ook door de reacties aan het grensvlak tussen beide materialen. Daarbij ontstaan reactielagen die het verdere corrosiegedrag beïnvloeden: sommige vormen een beschermende barrière die de aantasting vertraagt, terwijl andere weinig tot geen bescherming bieden.

Zo toont dit onderzoek aan dat corrosie in metaalovens in realtime gemonitord kan worden, wat op termijn kan bijdragen tot een veiligere, efficiëntere en duurzamere metaalproductie.
Meer lezen

Beyond income deciles: understanding the variation in welfare losses caused by EU ETS2 among Belgian households

Universiteit Antwerpen
2026
Jules
De Feyter
Deze studie onderzoekt hoe de kosten en baten van EU ETS2 verdeeld zullen worden over Belgische huishoudens. Ze biedt een omvattende analyse van zowel verticale als horizontale verdelingseffecten. In tegenstelling tot conventionele analyses die zich uitsluitend richten op inkomensdecielen, onderzoekt deze studie hoe welvaartseffecten variëren naargelang demografische en sociaaleconomische huishoudkenmerken, en verschillen in uitgavenpatronen. De analyse is gebaseerd op een geïntegreerde dataset op huishoudniveau met informatie over inkomen, uitgaven en bijbehorende emissies. EU ETS2 wordt gemodelleerd als een CO2-belasting van €45/tCO₂ onder zeven beleidsscenario’s die alternatieve aanwendingen van de middelen uit het Sociaal Klimaatfonds (SKF) weerspiegelen. Met behulp van zowel bivariate als multivariate methoden toont de studie aan dat huishoudens met een laag inkomen, huishoudens in Wallonië, alleenstaanden en huishoudens die afhankelijk zijn van vaste of vloeibare brandstoffen voor woningverwarming de grootste EU ETS2 welvaartsverliezen ervaren. De verdelingseffecten verschillen echter aanzienlijk tussen de beleidsscenario’s, wat benadrukt hoezeer ze worden bepaald door beleidskeuzes. Door deze bevindingen te koppelen aan principes van distributieve rechtvaardigheid formuleert deze studie drie beleidsaanbevelingen. Ten eerste zouden middelen uit het SKF gericht moeten worden op nauw afgebakende kwetsbare groepen om regressieve uitkomsten te beperken. Ten tweede verdient de situatie van huishoudens in Wallonië, alleenstaande huishoudens en huishoudens die afhankelijk zijn van vaste of vloeibare brandstoffen voor woningverwarming bijzondere aandacht, om een disproportionele horizontale verdeling te vermijden. Ten derde moet de gerichte ondersteuning toenemen bij stijgende EU ETS2-emissierechtenprijzen.
Meer lezen

Photochemical deconstruction of polyolefins under mild conditions: an alternative pathway toward chemical recycling

Universiteit Hasselt
2026
Wout
Beyen
Depolymerisatie van polyolefinen is uitdagend door hun chemische inertie. Toch is het overwinnen van deze barrière essentieel voor een circulaire kunststofeconomie, aangezien ze bijna de helft van het Europese kunststofverbruik uitmaken. Hoewel diverse chemische deconstructiemethoden bestaan, vereisen polyolefinen doorgaans zware omstandigheden, wat de economische haalbaarheid beperkt.
Deze masterproef onderzoekt een alternatieve strategie om polyolefinen onder milde condities af te breken via een recent ontwikkelde UV-gedreven methode. Dit proces veroorzaakt een cascade van ketensplitsingen en zet polyolefinen om in smal verdeelde koolwaterstoffen met laag moleculair gewicht. GC-MS en hogetemperatuur-GPC worden ingezet om reactiepaden te identificeren, de onderliggende moleculaire mechanismen te verduidelijken en deze te koppelen aan de gevormde producten.
Een systematische screening werd uitgevoerd met dodecaan en isododecaan als modelverbindingen, gevolgd door toepassing op industrieel relevant polypropyleen (PP). De invloed van concentratie, type katalysator/(foto)initiator, solvent, reactietijd en atmosfeer werd geëvalueerd.
De resultaten tonen dat gechloreerde solventen essentieel zijn om ketenafbraak te bevorderen, terwijl zuurstof het proces versnelt en zuurstofhoudende carbonylproducten oplevert. Een reductie van 97,5% in moleculair gewicht kan al na 5 minuten worden bereikt.

Dit werk verdiept het inzicht in deze methode en opent perspectieven voor de omzetting van kunststofstromen in waardevolle chemicaliën.
Meer lezen

Unlocking the protein potential of Ulva: a comparative analysis of European and Asian species and their gastrointestinal digestibility

Universiteit Gent
2026
Elias
Scheldeman
De toenemende vraag naar duurzame eiwitbronnen heeft de interesse in zeewieren als alternatieve ingrediënten
versterkt, onder meer vanwege hun lage milieu-impact en hun potentieel om tijdens gastro-intestinale vertering
bioactieve peptiden te genereren. In deze studie werden vier Ulva-soorten uit Europa en Zuid-Korea vergeleken op het
vlak van eiwitverteerbaarheid en peptidevrijstelling na gestandaardiseerde in vitro gastro-intestinale digestie
(INFOGEST 2.0), waarbij alle stalen onder identieke omstandigheden werden verwerkt om interspecifieke vergelijking
mogelijk te maken. De eiwitextracten werden geanalyseerd met biochemische assays en kwantitatieve confocale
laserscanning microscopie (CLSM). Er werden duidelijke interspecifieke verschillen vastgesteld, met een
eiwitverteerbaarheid tussen 38 en 83%, wat wijst op een sterke soortafhankelijkheid. Ulva australis (75.63% ± 8.77) en
Ulva linza (83.61% ± 4.58) vertoonden de hoogste verteerbaarheid en de meest gunstige peptidevrijstellingsprofielen,
wat duidt op een efficiëntere eiwitafbraak. Ulva fasciata daarentegen vertoonde consequent een lagere
verteerbaarheid (38.62% ± 10.09) en een meer resistente structurele organisatie na digestie, zoals bevestigd door CLSMobservaties. Deze resultaten tonen aan dat eiwitbenutting binnen Ulva sterk wordt bepaald door soortspecifieke
structurele eigenschappen. Samengevat benadrukken deze bevindingen duidelijke verschillen in digestieprestaties, die
van belang zijn voor de gerichte selectie van zeewierbiomassa voor toepassingen in functionele voeding en
eiwitvalorisatie.
Meer lezen

Motivational Factors and Psychophysical Experiences of Recreational Cold-Water Swimmers in Club Settings

Vrije Universiteit Brussel
2026
Elias
Buysse
  • Kyan
    Vervoort
Koudwaterzwemmen is een steeds zichtbaardere vorm van recreatieve sport, waarbij mensen zich vrijwillig en herhaaldelijk blootstellen aan lichamelijk ongemak en koude. Deze mixed-methods studie onderzocht welke motivaties en psychofysische ervaringen een rol spelen bij duurzame deelname aan recreatief koudwaterzwemmen in georganiseerde clubcontexten in Vlaanderen. Hiervoor vulden 191 recreatieve koudwaterzwemmers een vragenlijst in en werden 18 deelnemers geïnterviewd. Mentaal welzijn en stressvermindering vormden de meest gerapporteerde primaire motivatie (38,2%), gevolgd door fysieke fitheid en gezondheid (27,7%). Uit de interviews kwam een terugkerend patroon naar voren van aarzeling, lichamelijke intensiteit, actieve regulatie via ademhaling en aandacht, en een positieve ervaring na het zwemmen. De resultaten suggereren dat het ongemak van koud water niet noodzakelijk verdwijnt met ervaring, maar wel voorspelbaarder, beheersbaarder en betekenisvoller kan worden. Ook de sociale context en natuurlijke omgeving spelen een belangrijke rol. Koudwaterzwemmen kan daardoor worden begrepen als een psychofysieke praktijk waarin ongemak wordt gereguleerd, geïnterpreteerd en geïntegreerd in routine en identiteit.
Meer lezen

Hergebruik van geprefabriceerde betonnen welfsels, een technisch-economische analyse op basis van het Europese hergebruiklandschap

Universiteit Gent
2026
Gilles
Vandenbussche
Hoewel de roep om circulair bouwen in de academische wereld steeds luider klinkt, blijft de praktische uitvoering vaak beperkt tot de herwaardering van niet-structurele materialen. Waarom laten we de grootste kansen op verduurzaming onbenut? Gezien de enorme milieu-impact van beton en de aanhoudende vroegtijdige sloop van
gebouwen, is het essentieel om de stap naar het hergebruiken van structurele elementen te zetten. Deze masterproef richt zich specifiek op het hergebruikpotentieel van geprefabriceerde betonnen holle welfsels, die door hun groot aandeel in de structurele massa van Belgische gebouwen een cruciaal aandachtspunt vormen
binnen de circulaire economie.

Het onderzoek brengt eerst de huidige stand van zaken van betonelementhergebruik in Europa in kaart. Op basis
van deze analyse en inbreng door instanties in de constructiesector is een praktisch stappenplan ontwikkeld om de technische en economische haalbaarheid van het oogsten en hergebruiken van holle welfsels aan te tonen. Het resultaat is een beslissingsdiagram dat niet alleen toepasbaar is op welfsels, maar ook ontwerpprincipes aanreikt voor andere betonelementen. Verschillende hergebruiktrajecten resulteren in een lagere kostprijs per eenheid, waardoor het hergebruiken van betonelementen in deze scenario’s economisch competitief wordt. Om de cirkel volledig te sluiten, besluit het onderzoek met concrete voorstellen voor demontabele bouwdetaillering, waardoor de geoogste elementen ook in de toekomst eenvoudig opnieuw inzetbaar blijven.
Meer lezen