Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Mapping and understanding farmers’ responses to gully-induced problems in the Abaya-Chamo Sub-Basin, Southern Ethiopia

KU Leuven
2026
Jeanne
Vandenbrande
Gully erosion threatens the livelihoods of rural farmers by causing direct cropland loss and reducing agricultural productivity. In the Shafe catchment of southern Ethiopia, smallholder farmers facing severe food insecurity have implemented gully interventions (GIs) to counter this land degradation. Yet the spatial distribution of these GIs remains highly uneven. This study investigates which GIs have been implemented, what drives their adoption, and whether this adoption has spread as a diffusion process over time.

To investigate GI adoption, fieldwork was conducted across two rural administrative units in the Shafe catchment. GI presence was mapped for 751 gullies based on field observations and drone surveys. Additionally, a household survey of 178 farmers was conducted, providing socio-economic and perceptual data of the farmers, their plots and their gullies. Variables were tested through univariate screening and logistic regression models. Finally, spatial clustering and spatio-temporal modelling were used to investigate the adoption of GIs over time.

Results indicate that GIs in the Shafe catchment are dominated by loose rock check dams and banana plantations. Conservation and economic motivations drive farmers to combine these interventions, since they promote gully stabilisation through sediment infilling while simultaneously creating additional agricultural opportunities on the gully floor. Field observations identified at least one GI in 18% of mapped gullies, with treated gullies being larger and located closer to roads and settlements.

The household survey, capturing individual farmer decisions across multiple gullies, suggests 48% of farmer-reported gullies have been treated at some point. Farmers across the study area share a broadly similar subsistence-oriented profile. With 88% of the farmers having implemented at least one GI somewhere on their land, motivation is near-universal. The central question is therefore not who adopts, but where: farmers preferentially treat gullies that are accessible, on productive plots close to the homestead, exclusively owned, and perceived as severely impacted. Adoption likelihood is slightly higher for farmers exclusively dependent on agriculture and those with sufficient economic surplus. Predictive models based on spatial variables and socio-economic variables provide a step towards a practical targeting framework.

This study also presents one of the first attempts to diffusion analysis for gully interventions. GI adoption shows significant spatial clustering. A weak but detectable diffusion effect suggesting that farmers are more likely to adopt GI when neighbouring farmers have done so in prior years, pointing to informal knowledge spreading. However, data limitations remain substantial and further research should confirm this with more complete data.
Meer lezen

FROM DRAINAGE TO RESERVOIR - The Ellewoutsdijk Peninsula as a Collective Freshwater Landscape

KU Leuven
2026
Carolina
Gonzales
Deze masterproef onderzoekt hoe de zoetwaterinfrastructuur in de polders langs de Westerschelde kan worden heringericht tot multifunctionele, collectieve waterlandschappen. Het project richt zich op Ellewoutsdijk, een polderdorp gevormd door dijken, afwateringssloten, landbouwvelden, de haven, het fort en het estuarium van de Westerschelde. Het speelt in op de toenemende druk van zeespiegelstijging, verzilting, seizoensgebonden droogte en veranderende neerslagpatronen.
In plaats van waterbeheer te beschouwen als een onzichtbaar technisch systeem, maakt het ontwerp van bestaande afwateringsroutes, bekkens en waterwerken zichtbare landschappen voor wateropvang, zuivering, herverdeling en collectief gebruik. Deze waterlandschappen ondersteunen de aanpassing van landbouw en aquacultuur en bieden tegelijk ruimte voor recreatie, verplaatsing en ontmoeting in de publieke ruimte.
De ontwerpstrategie verbindt kustmobiliteit en zoetwateropslag tot één samenhangend landschapssysteem. Een openbare route van oost naar west verbindt het voormalige station, het dorp, de dijk, de Wisselpolder, de haven, het fort en de Westerschelde. Tegelijk ordent een noord-zuidgerichte wateras de afwateringsroutes en bekkens opnieuw, dwars door productieve velden, langs ecologische randen en door collectieve ruimten. Op het kruispunt van beide wordt waterinfrastructuur zowel een dragend systeem voor het gebied als een toegankelijk onderdeel van het dagelijks leven.
Door voort te bouwen op de hydrologische en historische structuur van het schiereiland, verschuift het project van gecontroleerde afwatering naar een adaptief watersysteem dat deel uitmaakt van het dagelijks leven. Zo wordt zoetwaterinfrastructuur een ruimtelijk kader voor kustweerbaarheid, de aanpassing van productieve landschappen en het collectieve leven in Ellewoutsdijk.
Meer lezen

"ACCIDENTAL? VILLAGE URBANISM" WORKING WITH RESIDUAL SPACE: LESSONS FROM JAPAN FOR FLEMISH VILLAGES

KU Leuven
2026
Ciel
Dockx
Vlaanderen wordt gekenmerkt door een versnipperd landschap waarin de grens tussen stad en platteland steeds verder vervaagt. Terwijl de bebouwde ruimte blijft toenemen en de resterende open ruimte onder druk staat, onderzoekt "Accidental? Village Urbanism" hoe de restruimtes binnen het bestaande weefsel kunnen bijdragen aan een meer verbonden, ecologische en sociaal betrokken leefomgeving.

Aan de hand van cartografisch onderzoek, literatuurstudie en veldwerk wordt Vlaanderen vergeleken met Japan. Japan dient daarbij niet als rechtstreeks te kopiëren model, maar als een context die toont hoe zelfs kleine en ogenschijnlijk onbelangrijke ruimtes een rol kunnen opnemen in het dagelijkse leven, ecologische systemen en ruimtelijke verbindingen.

Deze inzichten worden vertaald naar een ontwerptoolbox waarmee restruimtes kunnen worden opgespoord, geanalyseerd en geactiveerd. Via ontwerpend onderzoek in Berlaar wordt getest hoe gerichte ingrepen het bestaande dorpsweefsel van binnenuit kunnen versterken. Zo benadert het onderzoek restruimte niet als overgebleven ruimte of nieuwe bouwgrond, maar als ruimtelijk materiaal met potentieel.
Meer lezen

"Natuur zorgt voor de wereld": definities en percepties van het concept natuur bij Vlaamse lagereschoolkinderen en de verschillen daarin tussen rurale en urbane omgevingen

Universiteit Gent
2026
Manon
Dhelft
De band tussen kinderen en de natuur staat onder druk. Toenemende verstedelijking en digitalisering reduceren hun tijd buiten en in natuur, terwijl natuurcontact juist veel mentale en fysieke voordelen heeft voor het kind. Bovendien zijn die ervaringen cruciaal voor de ontwikkeling van milieubewust gedrag op latere leeftijd. Hoe kinderen natuur mentaal vormgeven vormt daarbij de basis van de mens-natuurrelatie. Toch is onderzoek naar hun conceptualisatie van natuur schaars en is het nog nooit uitgevoerd in Vlaanderen, of zelfs maar in België. De centrale onderzoeksvraag luidt daarom: “Welke definities en percepties hebben Vlaamse lagereschoolkinderen van het concept natuur en hoe verschillen die tussen rurale en urbane omgevingen?”. Voor dit onderzoek werd een vergelijkende casestudie uitgevoerd waarbij 56 Vlaamse kinderen uit het vierde leerjaar (9-10 jaar) werden bevraagd in de Westhoek (ruraal) en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (urbaan). Hiervoor werd gebruikgemaakt van verschillende methodes, bestaande uit de draw, write & tell-methode, de Connection to Nature Index, een vragenlijst en interviews met de schooldirecties. De kinderen bouwen natuur op vanuit een biotische kern (bomen, gras, bloemen, vogels), aangevuld met abiotische elementen zoals de zon. Een opvallende bevinding is dat de mens een prominente plaats inneemt in hun conceptualisatie van natuur. Daarnaast zien de kinderen natuur als een plek voor spel en exploratie. Rurale kinderen vertonen een grotere soortenkennis en een sterker gevoel van eenheid met hun omgeving, terwijl urbane kinderen natuur vaker associëren met sport en een goede luchtkwaliteit. Natuur wordt overwegend positief beleefd door de kinderen, roept rust op en wordt gewaardeerd om haar nut en haar intrinsieke waarde. Hun gedrag wijst echter ook op een kloof. Vrije tijd wordt namelijk vaker achter een scherm gespendeerd dan in de natuur. Vlaamse lagereschoolkinderen blijken zo een rijk, betrokken, maar kwetsbaar natuurbeeld te hebben. Inzicht in dat beeld is essentieel om leervolle momenten in natuur- en milieueducatie op te zetten en hen op een effectieve manier terug naar de natuur te krijgen.
Meer lezen

Familie, migratie en de vele gezichten van verbondenheid. Sense of beloning binnen het Belgisch-Vlaams landbouwmigrantengezin Walraet in Frankrijk (1920-1967).

Universiteit Antwerpen
2026
Kaat
Vanderstukken
Deze masterproef onderzoekt hoe gevoelens van verbondenheid vorm kregen binnen het Belgisch-Vlaamse landbouwersgezin Walraet, dat zich in 1920 vanuit Vlaanderen in Frankrijk vestigde. Vertrekkend vanuit de vraag met welke gemeenschappen de gezinsleden zich verbonden voelden, analyseert dit onderzoek hoe sense of belonging werd gevormd, beleefd en onderhandeld tussen 1920 en 1967. De studie situeert zich binnen de migratiegeschiedenis van Belgische migranten in Frankrijk en kiest voor een microhistorische en cultureel-historische benadering waarin de subjectieve beleving van migratie centraal staat.
Het onderzoek vertrekt vanuit de eigen familiegeschiedenis als casus, wat toegang biedt tot moeilijk traceerbare ervaringen en aansluit bij “history from within”. De familie Walraet fungeert zo als venster op bredere processen van migratie en identiteitsvorming.
Theoretisch steunt het onderzoek op het concept place-belongingness van Marco Antonsich, waarin verbondenheid wordt begrepen als een dynamisch en relationeel proces. Methodologisch wordt orale geschiedenis gecombineerd met familiale bronnen en archiefmateriaal, waaronder interviews, postkaarten en naturalisatiedossiers.
De analyse toont dat verbondenheid geen homogeen of lineair proces was, maar het resultaat van een complexe wisselwerking tussen familiale, culturele, economische en persoonlijke factoren. De gezinsleden ontwikkelden uiteenlopende en soms contra-intuïtieve vormen van verbondenheid met België, Frankrijk en lokale gemeenschappen. Onderwijs, huwelijk en nationaliteitskeuzes speelden hierin een belangrijke rol. De studie benadrukt dat verbondenheid niet samenvalt met taal, nationaliteit of geboorteplaats, maar voortdurend wordt heronderhandeld in dagelijkse praktijken en familiale relaties.
Meer lezen

Heide onder druk

LUCA School of Arts
2026
Sophia
van Sloun
Klimaatverandering is geen abstract begrip meer: bos- en heidebranden,
overstromingen en andere rampen maken het zintuiglijk
tastbaar. Toch blijft de noodzaak tot een paradigmashift (waar
een nieuwe manier van denken op de voorgrond komt en oude
structuren doorbroken worden) vaak te ver van ons dagelijkse leven.
Door deze feiten subtiel te vertalen in objecten, kan distantie
doorbroken en bewustwording gestimuleerd worden om zo
onze vanzelfsprekende kijk op het heidelandschap, sterker nog
de klimaatverandering te herdenken. Om dit te realiseren richt
ik mijn onderzoek op een scala aan perspectieven met inbegrip
van de heide zelf om bestaande fricties transparant te duiden.
Mijn doel is de vaak verborgen ecologische en symbolische betekenissen
te vertalen naar een tastbaar, discursief ontwerp (een
ontwerpmethode die uitnodigt tot reflectie en dialoog).
Meer lezen

When does environmental destruction fall under Article II (c) of the Genocide Convention?

KU Leuven
2026
Matteo
Marsala
Mijn scriptie onderzoekt wanneer milieuvernietiging onder artikel II(c) van het Genocideverdrag kan vallen. Die bepaling omvat niet alleen rechtstreekse moord, maar ook het doelbewust opleggen van levensomstandigheden die een beschermde groep fysiek kunnen vernietigen. Aan de hand van verdragsinterpretatie en rechtspraak van het Rwanda- en Joegoslaviëtribunaal, het Internationaal Strafhof en het Internationaal Gerechtshof analyseer ik wanneer de vernietiging van water, voedselbronnen, landbouwgrond of bewoonbaar gebied zo’n indirecte vernietigingsmethode vormt. Hierbij ontwikkel ik een stapsgewijs juridisch toetsingskader om te beoordelen wanneer milieuschade zo’n indirecte vorm van genocide kan uitmaken. De scriptie concludeert dat milieuvernietiging als genocide kan worden beschouwd wanneer zij het fysieke voortbestaan van een beschermde groep bedreigt én gepaard gaat met de specifieke bedoeling die groep geheel of gedeeltelijk te vernietigen. Daarnaast verduidelijkt het onderzoek het onderscheid met ecocide en past het deze voorwaarden op een neutrale wijze toe op de situatie in Gaza.
Meer lezen

Verleden als kennis. Ontworpen voor de toekomst. Duurzaam koel- en bevochtigingssysteem voor kleinschalige boeren

Universiteit Antwerpen
2026
Salma
Abed Ali Abdel Jalil
Boroud is een modulair koel- en bevochtigingssysteem voor kleinschalige landbouwers, geïnspireerd op eeuwenoude technieken uit onder andere Mesopotamië en Perzië. Het systeem combineert natuurlijke verdampingskoeling met gecontroleerde luchtstroming om verschillende gewassen onder geschikte temperatuur- en luchtvochtigheidsomstandigheden te bewaren.

De masterproef onderzoekt hoe deze traditionele kennis kan worden vertaald naar een hedendaagse, energie-efficiënte opslagoplossing. Boroud bestaat uit drie afzonderlijke opslagunits die elk een verschillend microklimaat kunnen creëren, zodat meerdere gewassen binnen één systeem kunnen worden opgeslagen.

Door erfgoed en hedendaagse technologie te combineren, wil Boroud een toegankelijker alternatief bieden voor conventionele koelopslag en tegelijkertijd voedselverlies en energieverbruik verminderen.
Meer lezen

Bio-based insulation materials from local resources: exploring the potential of bean stalks in a wet production process

Universiteit Gent
2026
Bieke
Delanote
Deze masterproef onderzoekt het potentieel van bonenstengels, een landbouwreststroom, als grondstof voor biogebaseerde isolatiematerialen. Voor de productie van het isolatiemateriaal werd gebruik gemaakt van een nat productieproces. Dit proces benut de natuurlijke bindingseigenschappen van de vezels, waardoor een stevige isolatieplaat kan worden geproduceerd zonder toevoeging van een synthetisch bindmiddel. Aangezien dit proces al op industriële schaal wordt toegepast voor de productie van houtvezelisolatieplaten, werd het laboproces eerst geoptimaliseerd op basis van houtwol. Met een eenvoudige combinatie van koken, kort persen en drogen konden houtvezelisolatieplaten met lage thermische geleidbaarheid en hoge sterkte worden geproduceerd. Om vervolgens de geschiktheid van bonenstengels binnen dit proces te onderzoeken, werden verschillende voorbehandelingstechnieken toegepast. Ovendrogen en luchtdrogen werd vergeleken. Daarnaast werd het effect van een extra reinigings- of extrusiestap geanalyseerd. Alle onderzochte fracties van bonenstengels toonden potentieel. Rekening houdend met materiaalprestaties, praktische haalbaarheid en milieu-impact kwamen luchtgedroogde ongereinigde bonenstengels naar voren als meest belovende optie. De toevoeging van houtvezels of vlaslemen verbeterde de praktische haalbaarheid zonder de algemene prestaties negatief te beïnvloeden.

Naast het aantonen van het potentieel van bonenstengels als isolatiegrondstof, onderstreept deze thesis het bredere potentieel van landbouwreststromen om bij te dragen aan een duurzamere bouwpraktijk, gebaseerd op lokale en biologisch afbreekbare materialen.
Meer lezen

Linking microbiome and physicochemical soil parameters to optimize nitrification inhibition

Universiteit Gent
2026
Amber
Meulemeester
Deze scriptie onderzoekt hoe de werking van nitrificatie-inhibitoren verschilt per landbouwgrond in de Benelux. Omdat de effectiviteit van huidige producten in de praktijk sterk uiteenloopt, brengt dit onderzoek via een grootschalige bodemanalyse in kaart hoe specifieke bodemeigenschappen en doseringen deze stoffen beïnvloeden. Daarnaast evalueert de studie de ecologische impact van nieuwe kandidaat-nitrificatie-inhibitoren op het bredere bodemleven, om te garanderen dat toekomstige oplossingen de biologische balans en gezondheid van de bodem behouden.
Meer lezen

Unlocking the protein potential of Ulva: a comparative analysis of European and Asian species and their gastrointestinal digestibility

Universiteit Gent
2026
Elias
Scheldeman
De toenemende vraag naar duurzame eiwitbronnen heeft de interesse in zeewieren als alternatieve ingrediënten
versterkt, onder meer vanwege hun lage milieu-impact en hun potentieel om tijdens gastro-intestinale vertering
bioactieve peptiden te genereren. In deze studie werden vier Ulva-soorten uit Europa en Zuid-Korea vergeleken op het
vlak van eiwitverteerbaarheid en peptidevrijstelling na gestandaardiseerde in vitro gastro-intestinale digestie
(INFOGEST 2.0), waarbij alle stalen onder identieke omstandigheden werden verwerkt om interspecifieke vergelijking
mogelijk te maken. De eiwitextracten werden geanalyseerd met biochemische assays en kwantitatieve confocale
laserscanning microscopie (CLSM). Er werden duidelijke interspecifieke verschillen vastgesteld, met een
eiwitverteerbaarheid tussen 38 en 83%, wat wijst op een sterke soortafhankelijkheid. Ulva australis (75.63% ± 8.77) en
Ulva linza (83.61% ± 4.58) vertoonden de hoogste verteerbaarheid en de meest gunstige peptidevrijstellingsprofielen,
wat duidt op een efficiëntere eiwitafbraak. Ulva fasciata daarentegen vertoonde consequent een lagere
verteerbaarheid (38.62% ± 10.09) en een meer resistente structurele organisatie na digestie, zoals bevestigd door CLSMobservaties. Deze resultaten tonen aan dat eiwitbenutting binnen Ulva sterk wordt bepaald door soortspecifieke
structurele eigenschappen. Samengevat benadrukken deze bevindingen duidelijke verschillen in digestieprestaties, die
van belang zijn voor de gerichte selectie van zeewierbiomassa voor toepassingen in functionele voeding en
eiwitvalorisatie.
Meer lezen

Fusies en overnames in landbouwcoöperaties: governancespanningen tussen degeneratie en regeneratie

KU Leuven
2026
Maxine
Gerits
  • Lander
    Hermans
Fusies en overnames (F&O) binnen landbouwcoöperaties fungeren als strategie om schaalvoordelen te versterken. Eerdere studies focusten daarbij voornamelijk op financiële en economische prestaties, terwijl de sociale dimensie van deze processen beperkt onderzocht blijft. Er is nog onvoldoende inzicht in hoe verschillende actoren binnen landbouwcoöperaties F&O ervaren en hoe percepties over governance, communicatie en participatie bijdragen aan processen van coöperatieve degeneratie of regeneratie. Deze thesis onderzoekt daarom hoe leden, bestuursleden, managers en experten F&O binnen landbouwcoöperaties ervaren, met specifieke aandacht voor governance, communicatie en ledenbetrokkenheid. Op basis van semigestructureerde interviews met leden, bestuursleden, managers en experten toont de analyse aan dat F&O-processen sterk actorgebonden worden geïnterpreteerd. Hoewel alle actoren het belang van communicatie, vertrouwen en betrokkenheid erkennen, verschillen hun verwachtingen en interpretaties aanzienlijk. Communicatie vormt hierbij een centraal spanningsveld: managers en bestuursleden benadrukken vooral strategische procescontrole en draagvlakcreatie, terwijl leden communicatie voornamelijk evalueren vanuit transparantie en duidelijkheid. Daarnaast verlopen F&O-processen in de praktijk grotendeels top-down, met een beperkte invloed van leden op de besluitvorming. De resultaten tonen verder aan dat F&O zowel degeneratieve als regeneratieve effecten kunnen hebben. Enerzijds leiden machtsconcentratie, strategische communicatie en verminderde ledenparticipatie tot degeneratieve tendensen, anderzijds kunnen samenwerking en hernieuwde aandacht voor leden leiden tot regeneratieve tendensen. De impact van F&O binnen landbouwcoöperaties wordt daarmee in sterke mate bepaald door de wijze
waarop governance, communicatie en ledenbetrokkenheid worden ingevuld. Een evenwicht tussen strategische besluitvorming en democratische participatie lijkt essentieel om coöperatieve waarden tijdens F&O-processen te behouden en tegelijkertijd strategische vernieuwing mogelijk te maken.
Meer lezen

Grondig gewaardeerd: Voedselsoevereiniteit op en naast het veld

Universiteit Gent
2026
Hannah
De Clercq
Deze masterproef vertrekt vanuit de waardering voor een praktijk van voedselsoevereiniteit, namelijk de praktijk die Plukboerderij Grondig uitoefent. De plukboerderij bevindt zich grofweg op de snijlijn van Gentbrugge, Melle-Merelbeke en
Heusden. Het plukveld, de serre, het boerenerf en andere weides liggen verspreid
in het gebied opgespannen door de dorpskern van Heusden en het beschermd
natuurgebied van de Schelde. Grondig is een CSA, een “community supported
agriculture”, wat betekent dat een gemeenschap van leden financieel mee draagt
in teeltrisico’s. Beleid en ruimtelijke planning voorzien geen of weinig ruimte voor
praktijken van voedselsoevereiniteit. (Jonge) Boeren die voor een gemeenschap
voedsel produceren, krijgen moeilijk toegang tot grond en infrastructuur. Onderzoek
naar voedselsoevereiniteit richt zich voornamelijk op praktijken in het Globale
Zuiden, of is heel theoretisch van aard. Er bestaat nog maar weinig onderzoek naar
praktijken die in Vlaamse context sociale en ecologische doelstellingen met elkaar
verbinden, en naar hoe omgevingen eruit zien die deze praktijken bemoeilijken of
bevorderen. Aan de hand van veldwerk (participatieve observatie), semi-gestructureerde interviews met boeren als betrokkenen tot Grondig en gesprekken
met boeren en andere stagiairs, dient er zich steeds meer kennis en verdieping
aan over de praktijk van Grondig. Verder helpt literatuur me taal te voorzien om
beter te benoemen wat er zich op als naast het veld afspeelt. Grondig boert in
een onaangepaste omgeving, maar creëert overlevingsstrategieën. Ze maakt een
netwerk, waaronder de gemeenschap, waarin zowel kennis als grondstoffen worden
uitgewisseld die het mogelijk maken om op een relatief autonome manier voedsel te
produceren voor die lokaal verankerde gemeenschap.
Meer lezen

IMPROVING THE RELIABILITY OF GEOSPATIAL MODELS FOR TIMBER HARVEST PREDICTION BY MEANS OF CONFORMAL PREDICTION

Universiteit Gent
2026
Jitse
Deketelaere
Wereldwijde ontbossing blijft een alarmerend groot probleem, met de uitbreiding
van de landbouw en illegale houtkap als belangrijkste oorzaken. Illegaal verkregen
hout maakt 10–30 % uit van de totale wereldwijde handel in houtproducten.
Sinds juni 2023 heeft de Europese ontbossingsverordening (EUDR) de Europese
houtverordening (EUTR) vervangen, waarbij nog steeds wordt vertrouwd op een due
diligence approach. De EUDR erkent echter dat de volledige effectiviteit van deze
regelgeving fundamenteel afhangt van de beschikbaarheid van robuuste, wetenschappelijk
onderbouwde methoden waarmee de opgegeven geografische oogstlocatie
van risicovolle bosproducten (hout, soja. . . ) betrouwbaar kan worden geverifieerd.
In deze masterscriptie maken we gebruik van georefereerde datasets met
stabiele isotopen- en multi-elementgegevens van verschillende houtsoorten. We
ontwikkelen een nieuwe voorspellingsmethode op basis van conformal predictoin
(CP), met onderliggende Random Forest-modellen. Deze methodologie wordt gebruikt
om zowel landen als aaneengesloten gebieden te voorspellen. Voor de afzonderlijke
landen maken we gebruik van zowel Least Ambiguous set-valued Classifier
(LAC) CP als adaptive prediction set (APS) CP. Daarnaast vertalen we de voorspelde
aaneengesloten gebieden naar landen, waardoor een directe vergelijking tussen
de afzonderlijke en de aaneengesloten benadering mogelijk wordt. We constateren
dat het gebrek aan referentiegegevens de grootste beperking blijft bij het toewijzen
van de herkomst van hout. Onze resultaten tonen echter aan dat CP inderdaad in
staat is om voorspellingen betrouwbaarder en robuuster te maken, en om interpreteerbare
resultaten te leveren.
Meer lezen

Geschiedenis begint in de kleuterklas

Odisee Hogeschool
2026
Emilia
Van Impe
Met de invoering van de nieuwe kennisrijke minimumdoelen binnen het Vlaamse basisonderwijs worden kleuterleerkrachten uitgedaagd om expliciet in te zetten op kennisopbouw. Voor veel leerkrachten vormt dit een nieuwe manier van werken, zeker binnen domeinen zoals geschiedenis. Op de stageschool Sint-Aloysius te Denderhoutem bleek dat er onzekerheid bestond over hoe een historisch thema zoals het Oude Egypte op een kennisrijke en ontwikkelingsgerichte manier aangeboden kan worden aan oudste kleuters. Vanuit deze vaststelling werd de centrale onderzoeksvraag geformuleerd: Hoe creëer je kennisrijke contexten voor de oudste kleuters rond het thema Oude Egypte vanuit de minimumdoelen? Om deze onderzoeksvraag te beantwoorden werd gebruikgemaakt van verschillende onderzoeksmethoden. Een literatuurstudie bracht inzichten aan over kennisrijke contexten, effectieve didactiek, kennisopbouw en de nieuwe minimumdoelen. Daarnaast werden vier leerkrachten van de derde kleuterklas bevraagd via een online vragenlijst. Voor de evaluatie van kennisverwerving werd de klasmentor geïnterviewd. Op basis van deze gegevens werd een kennisrijk thema rond het Oude Egypte ontworpen en uitgetest in een derde kleuterklas. Uit de resultaten blijkt dat een kennisrijke context gekenmerkt wordt door doelgerichte kennisopbouw, rijke materialen, betekenisvolle activiteiten, herhaling en een actieve rol van de leerkracht. Zowel de literatuur als de bevraagde leerkrachten benadrukken het belang van een rijke speelleeromgeving waarin kleuters nieuwe kennis kunnen verwerven binnen en buiten hun leefwereld. Daarnaast blijkt dat verhalen, visuele ondersteuning, interactieve gesprekken en onderzoekende activiteiten belangrijke didactische strategieën zijn om kennisopbouw en taalontwikkeling te stimuleren. Op basis van de nieuwe minimumdoelen en het leerplan Op.stap werd een kennisrijk thema rond het Oude Egypte uitgewerkt. Het ontwerp omvatte onder meer een boekenhoek, ontdektafel, schrijfhoek met hiërogliefen, bouwhoek rond piramides, rollenspelhoek, beeldende activiteit rond papyrus en een wiskundige programmeeractiviteit. Tijdens de uitprobeerfase toonden de kleuters een grote betrokkenheid en nieuwsgierigheid. De rijke impressies en concrete materialen bleken een belangrijke meerwaarde te zijn voor hun interesse en leerproces. De discussie toont aan dat het ontwerp een waardevolle bijdrage kan leveren aan het realiseren van kennisrijke contexten binnen de derde kleuterklas. Tegelijk kent het onderzoek enkele beperkingen, zoals het beperkte aantal respondenten en de korte implementatieperiode van twee dagen. Hierdoor kunnen de resultaten niet veralgemeend worden naar andere contexten. Geconcludeerd kan worden dat kennisrijke contexten rond het Oude Egypte haalbaar zijn binnen het kleuteronderwijs wanneer kennis wordt aangeboden via spel, exploratie en betekenisvolle activiteiten. Het ontwikkelde ontwerp biedt een concreet antwoord op het gestelde praktijkprobleem en kan leerkrachten inspireren bij de implementatie van de nieuwe kennisrijke minimumdoelen.
Meer lezen

Key drivers and motivations for joining and participating in agricultural marketing cooperatives: The impact of farm size

KU Leuven
2025
Jef
Desmedt
  • Ariël
    Verschueren
  • Laurens
    Fievet
This thesis investigates the motivations and barriers that shape farmers’ participation in agricultural marketing cooperatives, with a focus on how farm size influences these dynamics. While established literature highlights economic, social, and governance-related drivers of participation, less is known about how these are perceived and prioritised by farmers of varying scales. Drawing on the Mutual Incentives Theory and elements of Self-Determination Theory, this study uses qualitative interviews with a diverse group of Flemish fruit and vegetable producers to explore motivational variation. Findings show that smaller farmers often highlight the cooperative’s stabilising role and deem their membership as critical, while larger farmers adopt a more strategic stance, valuing efficiency, autonomy, and access to alternative sales channels. Furthermore, the study reveals how collectivistic incentives, such as shared goals, are frequently internalised as individual business advantages. Ambitious, growth-oriented farmers, in particular, reported tensions between their entrepreneurial drive and the cooperative’s collective framework. This study contributes to the literature in three ways: by documenting how member motivations are interpreted through the lens of farm scale; by refining theoretical models of participation to account for strategic constraints; and by highlighting how motivation is shaped by context-specific perceptions, not fixed categories. These insights provide a more nuanced understanding of cooperative participation and offer broader relevance for motivation theory in collective organisational forms.
Meer lezen

The prevalence of Salmonella Dublin in Alberta’s dairy herds: A comparison between 2022 and 2024

Universiteit Gent
2025
Jessie
van Heumen
  • Waseem
    Shaukat
Zowel in 2022 als 2024 zijn er 454 boerderijen getest op Salmonella Dublin, in Alberta, Canada. De boerderijen zijn onderverdeeld in verschillende categorieën, waaronder Hutteriet en niet-Hutteriet. Hieruit bleek dat Hutteriet boerderijen eerder een daling van het voorkomen van de bacterie vertoonde in 2024 ten opzichte van 2022. Niet-Hutteriet boerderijen een stijging en een frequente verandering van status. De manier waarop een boerderij georganiseerd is speelt mee in hoe een bacterie zich verspreid.
Meer lezen

Naar een territoriaal verankerde landbouw: De rol van slachthuisinfrastructuur als gedeelde en strategische voorziening

Universiteit Gent
2025
Basiel
Van Rillaer
Deze masterproef onderzoekt de rol van slachthuisinfrastructuur in de territoriale verankering van landbouw. Slachthuizen worden doorgaans gezien als technische voorzieningen, maar in werkelijkheid bepalen ze in hoge mate hoe voedselproductie georganiseerd wordt, wie toegang heeft tot verwerking en hoe producenten en consumenten met elkaar verbonden blijven. De centrale onderzoeksvraag luidt: hoe hebben slachthuisinfrastructuren bijgedragen aan de verankering van landbouw in haar territorium, welke transformaties hebben geleid tot hun ontkoppeling, en onder welke voorwaarden kan herterritorialisering plaatsvinden?
De relevantie van dit onderzoek ligt in de hedendaagse context. Terwijl de vraag naar korte ketens, dierenwelzijn en duurzame voedselvoorziening groeit, verdwijnen kleinschalige slachthuizen of worden ze opgeschaald tot industriële complexen. Dit creëert knelpunten voor boeren die niet in dat grootschalige model passen en ondermijnt de veerkracht van lokale voedselnetwerken. Slachthuizen vormen zo een vaak vergeten, maar cruciale schakel in de transitie naar duurzamere landbouwsystemen.
Methodologisch steunt de studie op vijf casestudy’s die verschillende vormen van slachthuisinfrastructuur in beeld brengen: de thuisslachter Erik De Vogelaere, Slagerij Vande Walle, het private slachthuis Matanza, de coöperatie WAPICOWP en de mobiele slachtunit voor pluimvee. Via interviews, historische analyse en beleidskaders worden deze praktijken onderzocht. De vergelijking resulteert in een typologie met vier hoofdtypes: geïntegreerd ambachtelijke infrastructuur, private slachthuizen met gedeeld gebruik, mobiele slachtunits en coöperatieve modellen. Deze typologie toont dat slachthuisinfrastructuren zich bewegen in een spanningsveld tussen schaalvergroting en lokale verankering, privaat ondernemerschap en collectieve organisatie, formele regelgeving en informele praktijken.
De cases laten zien dat kleinschalige infrastructuur kan overleven wanneer bepaalde randvoorwaarden aanwezig zijn, zoals familiale opvolging, ondernemerschap, sterke lokale netwerken of gedeeld eigenaarschap. Tegelijkertijd blijkt dat deze voorwaarden uitzonderlijk zijn en niet vanzelfsprekend reproduceerbaar. Beleidsmatig betekent dit dat de toekomst van kleinschalige infrastructuur niet enkel kan afhangen van toeval of familiale continuïteit, maar dat actieve ondersteuning noodzakelijk is. Herterritorialisering vraagt om randvoorwaarden zoals regelgeving op maat, institutionele steun en maatschappelijke herwaardering van voedselproductie.
Het besluit van deze masterproef is dat slachthuisinfrastructuur méér is dan een technische schakel: ze is een strategische en gedeelde voorziening die bepaalt hoe landbouw lokaal verankerd kan blijven. Herterritorialisering is daarbij geen terugkeer naar het verleden, maar een hedendaagse strategie om landbouwsystemen veerkrachtiger, duurzamer en sociaal rechtvaardiger te maken.
Meer lezen

Circulair gebruik van natuurmaaisel: Een case study voor veengebied De Zegge

Universiteit Antwerpen
2025
Lien
Van Breda
Het beheer van veengebied De Zegge genereert jaarlijks een aanzienlijke hoeveelheid natuurmaaisel, die tegen hoge kosten wordt afgevoerd naar composteringsinstallaties. Tegelijkertijd wordt natuurmaaisel in Vlaanderen erkend als biomassareststroom met circulair potentieel. Deze masterproef onderzoekt welke circulaire waardeketens toepasbaar en rendabel zijn voor De Zegge.
De jaarlijkse maaiselopbrengst wordt geschat op 94,5 ton droge stof. Een brede inventarisatie brengt tien mogelijke waardeketens rond natuurmaaisel in beeld, waarbij de ketens rond veenvrije potgrond, grasisolatie en graspapier het meeste perspectief bieden. Ook is er toekomstpotentieel voor boerderijcompostering, zodra het nieuwe wettelijk kader hiervoor wordt uitgerold. Belangrijke knelpunten voor circulaire inzet van natuurmaaisel zijn biologische stabilisatie, een efficiënte logistiek en de ontwikkeling van verdienmodellen die aantrekkelijk zijn voor alle partijen binnen een strikt en complex regelgevend kader. De vier geselecteerde waardeketens demonstreren echter voldoende technologische maturiteit, ecologische meerwaarde en economisch potentieel om deze knelpunten te overkomen.
Meer lezen

Optimization of establishing and growing an axenic black soldier fly larvae (Hermetia illucens) model

Thomas More Hogeschool
2025
Jill
Anthonissen
De steeds toenemende hoeveelheid voedselafval en de vraag naar alternatieve eiwitbronnen zorgen voor extra belangstelling in de industrialisering van de zwarte soldatenvlieg larven (BSFL) kweek. BSFL worden steeds meer erkend vanwege hun potentieel voor duurzaam afvalbeheer en als eiwitrijke voedselbron vanwege hun vermogen om organisch afval om te zetten in waardevolle biomassa. Echter is de invloed van hun darmmicrobiota op hun groei en ontwikkeling nog onvoldoende bekend.

Deze studie richt zich op de ontwikkeling en optimalisatie van een axenisch (kiemvrij)
model voor BSFL, Hermetia illucens, om de rol van de microbiota in de larvale ontwikkeling beter te begrijpen en de efficiëntie van op BSFL gebaseerde bioconversie-systemen
te verbeteren. De sterilisatie van BSFL-eieren werd uiteindelijk bereikt door afwisselende behandelingen met ethanol en natriumhypochloriet.

Vervolgens werden de axenische larven gekweekt op verschillende behandelingen en met elkaar vergeleken. De onderzochte behandelingen waren steriele, niet-steriele en voorgeïncubeerde vormen van kippenvoer en tarwezemelen. Door voorafgaande incubatie konden micro-organismen, voor sterilisatie, potentieel gunstige metabolieten produceren. Met deze proefopzet kon worden beoordeeld of deze microbiële metabolieten de groei konden ondersteunen zonder de aanwezigheid van levende micro-organismen. Hieruit is er dan gebleken dat de microbiële activiteit een positieve invloed heeft op de groei van axenische BSFL voor het minder kwaliteitsvolle tarwezemelen als kweeksubstraat.

Kippenvoer en tarwezemelen bieden echter een beperkte flexibiliteit bij het aanpassen van hun samenstelling. Hiervoor zijn op bouillon gebaseerde diëten een veelbelovende
oplossing. Echter is er gebleken dat de larven een driedimensionale structuur nodig hebben om hun natuurlijke kruip- en voedingsgedrag te ondersteunen. Uit de onderzochte bouillons en matrices, leverde vlas in combinatie met een eiwitrijke bouillon de beste resultaten op. Daarmee is dit dieet veelbelovend voor toekomstig onderzoek naar optimalisatie van de kweeksubstraten.
Meer lezen

Hoe komt Just Resilience aan bod in klimaatadaptatiebeleid? Een analyse van procedurele rechtvaardigheid in Belgisch waterbeheerbeleid

Universiteit Gent
2025
Eva
Shaw
Naarmate de klimaatverandering toeneemt, wint het concept Just Resilience aan terrein als een benadering die rechtvaardigheid wil integreren in klimaatadaptatie. Deze thesis onderzoekt één belangrijke dimensie van Just Resilience: procedurele rechtvaardigheid, die betrekking heeft op de eerlijkheid en inclusiviteit van beleidsprocessen.

Met België als casus, een land dat geconfronteerd wordt met toenemende, aan water gerelateerde klimaatuitdagingen, onderzoekt de studie in welke mate procedurele rechtvaardigheid is ingebed in het waterbeheerbeleid, met bijzondere aandacht voor twee kwetsbare groepen: landbouwers en personen met een lage sociaaleconomische status.

Via een mixed-methods benadering, die documentanalyse combineert met semigestructureerde interviews op verschillende bestuursniveaus, beoordeelt het onderzoek hoe de belangrijkste indicatoren van procedurele rechtvaardigheid (i.e, participatie, inclusie, transparantie, consistentie, ethiek/vertrouwen en erkenning van impact) zowel in theorie als in de praktijk worden toegepast.

De bevindingen tonen aan dat, hoewel beleidskaders en -documenten procedurele rechtvaardigheid soms in principe erkennen, de feitelijke uitvoering beperkt en gefragmenteerd blijft. Kwetsbare groepen worden onvoldoende betrokken bij het vormgeven van het beleid dat hen het meest raakt. Deze beperkte betrokkenheid neemt vaak de vorm aan van symbolische of eenmalige consultaties, zonder wezenlijke invloed of blijvende deelname.
Daardoor ontstaat een kloof tussen formele toezeggingen rond participatie en de daadwerkelijke ervaringen van de meest getroffen groepen, wat wijst op een blijvende procedurele lacune binnen het waterbeheer en, ruimer gezien, binnen het klimaatadaptatiebeleid.

De thesis concludeert dat het dichten van deze kloof vraagt om sterkere participatiestructuren en een betekenisvollere betrokkenheid van kwetsbare groepen gedurende het volledige beleidsproces. Ze eindigt met een oproep tot een diepere ethische en politieke inzet voor werkelijk inclusieve klimaatadaptatie.
Meer lezen

Alcohol als koopwaar en anti-koopwaar. Inzicht in voedselsoevereiniteit en culturele duurzaamheid op het Lassithiplateau, Griekenland.

KU Leuven
2025
John Paul
Jose
Deze thesis onderzoekt de rol van het traditionele rakimaken bij het in stand houden van voedselsoevereiniteit en culturele continuïteit op het Lassithiplateau op Kreta. In deze rurale, bergachtige regio, bekend om haar sterke gemeenschapsbanden en seizoensgebonden landbouwritmes, gaat de praktijk van rakidistillatie verder dan alcoholproductie. Zij fungeert als een culturele instelling waar sociale banden worden vernieuwd, ecologische kennis wordt doorgegeven en de gemeenschapsidentiteit wordt versterkt. De rakiproductie in Lassithi werkt als een vorm van anti-koopwaar: het primaire doel is niet winst, maar het onderhouden van een gedeelde levenswijze geworteld in samenwerking, zorg en circulair gebruik van natuurlijke hulpbronnen.

De bevindingen tonen aan dat raki van buitenaf vaak wordt gezien als een eenvoudig product, maar in werkelijkheid een levendige traditie vertegenwoordigt die diep is ingebed in de cultuur en natuur van de lokale gemeenschap. Tegelijkertijd ontstaan er uitdagingen door regelgevingskaders die raki behandelen als een industrieel goed en zo de diepgaande culturele functies en gemeenschapswaarden achter de productie over het hoofd zien. Vergunningsstelsels, belastingregels en geografische aanduidingen houden geen rekening met het unieke, niet-commerciële karakter van deze praktijk. Deze regulatoire druk dreigt zowel het product als de cultuur te beperken in hun vermogen om zich te ontwikkelen, aan te passen en de gemeenschap te blijven dienen.

Bovendien wijst het onderzoek op een fundamentele kloof tussen top-down marktlogica en de geleefde culturele realiteit van plattelandsgemeenschappen. Terwijl beleidsmakers vaak focussen op output en naleving, richten locals zich eerder op het bewaren van traditie, het handhaven van ecologische balans en het waarborgen dat culturele praktijken betekenisvol blijven voor toekomstige generaties. Deze spanning weerspiegelt bredere tegenstellingen tussen uniforme beleidslijnen en diverse, plaatsgebonden levenswijzen.

De thesis laat zien dat de bescherming van traditionele praktijken zoals rakimaken een verschuiving vergt in hoe we cultureel ontstane producten waarderen en besturen. Het erkennen van de eigen herkomst, functie en evolutie van dergelijke praktijken is essentieel om duurzame en rechtvaardige plattelandsontwikkeling te ondersteunen. Door de culturele processen te beschermen—niet alleen het eindproduct—behouden we ecologische wijsheid, sociale cohesie en door de gemeenschap gedreven innovatie. Tradities zoals rakimaken kunnen stilletjes verzet bieden tegen homogenisering en waardevolle lessen aanreiken om duurzaamheid, veerkracht en vooruitgang in een snel veranderende wereld te herdenken. Deze studie onderstreept dat landbouwproducten fungeren als een instrument om cultuur te tonen en te bewaren, waarbij in een plaats verankerde culturele activiteiten laten zien hoe complexe culturele systemen van gemeenschappen werken.
Meer lezen

Improving RNA interference-based pest control using cationic polymethacrylate polymers: a case study in Spodoptera frugiperda and Leptinotarsa decemlineata

Universiteit Gent
2025
Simon
Vermeulen
Biotische factoren, zoals landbouwplagen, dragen wereldwijd aanzienlijk bij aan oogst- en voedselverliezen. Momenteel worden synthetische pesticiden nog vaak ingezet om deze organismen te bestrijden. Vanwege problemen met persistente residuvorming, risico’s voor de volksgezondheid en het ontstaan van resistentie, gecombineerd met een toenemende stimulans voor geïntegreerde plaagbeheersing, is een geleidelijke vervanging door nieuwe, veilige bestrijdingsstrategieën, zoals RNAi, noodzakelijk. Om complicaties met genetische modificatie te vermijden, kan een sproei-gebaseerde aanpak worden toegepast. Echter, hierbij blijft er onwetendheid bestaan. Deze scriptie onderzocht de potentie van de polymeren PAEMA en PGUMA, in verschillende configuraties, om deze uitdagingen te helpen overwinnen aan de hand van vier functionele parameters: de stabiliteit van dsRNA in larvale darmextracten via ex vivo degradatie-assays, niet-doelwit toxiciteit via in vitro assays, en cellulaire opname alsook polyplexvrijgave middels confocale microscopie.
Meer lezen

AI-Driven Food Monitoring for Waste Reduction and Malnutrition Prevention

Universiteit Gent
2025
Axelle
Penninger
In woonzorgcentra gaan ondervoeding en voedselverspilling vaak hand in hand. Bewoners krijgen weliswaar uitgebalanceerde maaltijden, maar eten daar vaak slechts een deel van op. Het gevolg: ouderen krijgen te weinig voedingsstoffen binnen en grote hoeveelheden eten verdwijnen in de vuilnisbak. Bestaande opvolgsystemen bieden weinig soelaas: ze zijn arbeidsintensief, houden geen rekening met restjes, of falen bij gemixte en gepureerde maaltijden.

Daarom ontwikkelde ik LeftoVision, een computersysteem dat met behulp van beeldherkenning automatisch berekent hoeveel bewoners eten én hoeveel er wordt verspild. Het systeem vergelijkt foto’s van een maaltijd vóór en na consumptie, herkent de verschillende voedselcomponenten, schat hun gewicht en koppelt dit aan een voedingsdatabank. De resultaten worden bewaard in het Obelisk Core dataplatform en overzichtelijk weergegeven in een dashboard voor zorgverleners.

In tests behaalde LeftoVision een gemiddelde foutmarge van 22 gram per maaltijdonderdeel, voldoende nauwkeurig om kleine verschillen te detecteren. Het systeem vormt zo een belangrijke stap naar datagedreven zorg in woonzorgcentra, met als doel zowel de gezondheid van bewoners te verbeteren als voedselverspilling te beperken.
Meer lezen

Silent Spread: Using a digital serious game on Phytophthora cinnamomi to facilitate cognitive thinking processes and inspire the creation of a cognitive sustainability compass

Universiteit Gent
2025
Charl Justine
Darapisa
Deze studie onderzoekt het gebruik van serious games in het bevorderen van kennisverwerving over Phytophthora cinnamomi (Pc), een invasieve bodemaandoening die het Mediterrane eikecosysteem in Spanje bedreigt. Gebaseerd op de cognitieve taxonomie van Bloom heeft het onderzoek als doel te evalueren welke specifieke spelelementen (trivia, quiz, spelbeheer en spelsituaties) de vijf cognitieve denkprocessen ondersteunen, en of serious games kunnen dienen als effectieve hulpmiddelen om via de Cognitive Sustainability Compass reflectie over duurzaamheid te stimuleren.

Silent Spread, een digitaal bordspel, werd ontwikkeld en gespeeld door 35 studenten op universitair niveau. De PLS-SEM-analyse toont aan dat Silent Spread middelhoge tot hogere denkvaardigheden bevordert, waarbij analyseren de sterkste rol speelt in het aanleren van verspreidingsmechanismen.

De sessies met de Cognitive Sustainability Compass tonen aan dat vooral de sociale pijler van duurzaamheid werd benadrukt, met thema’s als samenwerkend leren en een sterkere verbondenheid met rurale realiteiten. De studie onderstreept dat serious games vooral het toepassen van kennis stimuleren in plaats van enkel het onthouden van feiten. Daarom moet toekomstig onderzoek nagaan hoe deze spellen het leren binnen én buiten de virtuele omgeving kunnen versterken. Daarnaast stelt de studie het hiërarchisch model van Bloom in vraag en benadrukt ze dat de 21e eeuw nood heeft aan vaardigheden zoals samenwerking, probleemoplossend denken en systeemdenken, die spelers met succes hebben aangetoond.
Meer lezen

Restafval redt de olijfboom

Erasmushogeschool Brussel
2025
Wout
Van de Cauter
  • Lorenz
    Hmittou
Genomineerde longlist Bachelorprijs
Onze scriptie vertrekt uit een bezoek aan Lisjak tijdens onze uitwisseling aan de universiteit van Koper (Slovenië), waar de vraag rees hoe reststromen als olijfpomace en -bladeren circulair te valoriseren.
IC rapport ultimate final count…
Onder begeleiding van olijfoliesommelier Wim Renneboog werkten we via designsprints een oplossing uit die olijfpomace ter plaatse omzet in hoogwaardige maatwerkcompost, afgestemd op blad- en bodemanalyse. Het model draait niet alleen in het oogstseizoen: buiten die periode verwerken we andere organische reststromen met lokale partners, zodat productie en impact jaarrond blijven. Zo koppelt de aanpak bodemherstel en weerbaardere olijfbomen aan een sluitende businesscase voor telers en perserijen.
Meer lezen

De opkweek van darmbacteriën van de honingbij (Apis mellifera) optimaliseren aan de hand van verschillende media

Hogeschool VIVES
2025
Dina
Schevernels
De studie richt zich op het optimaliseren van groeimedia voor darmbacteriën van honingbijen, die een cruciale rol spelen in de gezondheid van bijen en hun kolonies. Omdat standaard kweekmedia vaak niet geschikt zijn, is onderzocht welke aangepaste media nodig zijn voor verschillende bacteriesoorten zoals Commensalibacter, Gilliamella, Snodgrasella, Apibacter en Bombella.

Uit de resultaten blijkt dat toevoeging van charcoal de groei kan bevorderen door schadelijke stoffen te binden, maar dat elke bacteriesoort zijn eigen voorkeur heeft voor specifieke media. Er bestaat dus geen universeel groeimedium. Dit betekent dat toekomstig onderzoek zich moet richten op soorten-specifieke media of co-culturen die de natuurlijke darmomgeving nabootsen.

Het onderzoek is niet alleen technisch relevant, maar draagt ook bij aan betere inzichten in bijengezondheid, mogelijke probiotica voor bijen en breder microbioomonderzoek. De kernconclusie: de gezondheid van bijen begint bij hun darmmicroben, en hun bestudering begint bij het juiste groeimedium.
Meer lezen

Gletsjertoerisme: laatste kans in een vicieuze cirkel

Erasmushogeschool Brussel
2025
Runa
Swiggers
Gletsjers smelten wereldwijd steeds sneller. Dit heeft niet alleen een lokale impact, maar ook een globale. Toeristen worden dan ook wel eens aangemoedigd om gletsjers een laatste keer te zien. Hierdoor komt juist een vicieuze cirkel tot stand waarbij er meer aandacht wordt gevestigd op het probleem, maar tegelijkertijd meer uitstoot vrijkomt bij die reis, wat bijdraagt aan klimaatverandering.
Meer lezen

Modelling Glacier Thickness and Evolution with Machine Learning: Evaluating the Instructed Glacier Model (IGM) on the Batysh-Sook Glacier through Inverse and Forward Modelling

KU Leuven
2025
Robbe
Buls
De afvoer van smeltwater uit de gletsjers van het Tien Shan-gebergte in Kirgizië is van cruciaal belang voor de samenleving en economie in de stroomafwaarts gelegen vlaktes. In het droge Centraal-Azië is de landbouw sterk afhankelijk van irrigatie met dit water. De gletsjers functioneren als watertorens: ze herverdelen de schaarse neerslag over de seizoenen, wat grootschalige landbouw mogelijk maakt. Door klimaatverandering trekken de gletsjers zich echter snel terug, waardoor de inwoners van de vlaktes hun belangrijkste inkomensbron dreigen te verliezen.

Het doel van deze thesis is het evalueren van het Instructed Glacier Model (IGM). Dit
model gebruikt een neuraal netwerk als emulator om ijsstroming te beschrijven, wat computationele voordelen oplevert en het mogelijk maakt het model zowel invers (interpoleren van ijsdiktemetingen) als voorwaarts (voorspellen van gletsjerevolutie onder klimaatscenario’s) te gebruiken. De prestaties worden vergeleken met klassieke ruimtelijke interpolatiemethoden, zoals de vloeispanningsmethode, en met een hoger-ordemodel dat de gletsjerevolutie simuleert.

De evaluatie vindt plaats op de Batysh-Sook-gletsjer in de Tien Shan. De resultaten tonen dat het ge¨ınverteerde IGM consistente, nauwkeurige en gladde ijsdiktevelden genereert. Vooral in schaars bemonsterde zones presteert het model beter dan de
conventionele vloeispanningsmethode. Voor de gletsjerevolutie laten zowel IGM als het hoger-ordemodel zien dat de Batysh-Sook-gletsjer gevoeliger is voor opwarming dan veel omliggende gletsjers, waarschijnlijk door haar kleine huidige omvang. IGM volgt de trends van het hoger-ordemodel goed, al simuleert het in de historische periode iets minder smelt, waardoor het gletsjervolume groter blijft.

Deze bevindingen tonen aan dat IGM een veelbelovend instrument is voor zowel ijsdikteinterpolatie als projectie, vooral in gebieden met beperkte veldmetingen. Betere modellering van gletsjers zoals de Batysh-Sook kan leiden tot nauwkeurigere voorspellingen van toekomstige waterbeschikbaarheid, wat van groot belang is voor wetenschappelijk onderzoek en voor duurzaam waterbeheer in Centraal-Azië.
Meer lezen

Financieringsstrategieën voor kapitaalintensieve sectoren: een onderzoek naar investeringsrationalisatie in de wijnbouw

Universiteit Hasselt
2025
Tom
Sleutjes
De Belgische wijnindustrie wordt gekenmerkt door hoge kapitaalvereisten, wat de instapdrempel voor nieuwe wijnproducenten aanzienlijk verhoogt. In deze masterproef is onderzocht welke financieringsstrategieën de kapitaalbehoefte van wijnproducenten kunnen verlagen en de toetreding tot de sector toegankelijker kunnen maken.

Er is gekozen voor een kwalitatieve onderzoeksopzet waarbij 12 semigestructureerde interviews zijn afgenomen met drie groepen respondenten (wijnbouwers, bankiers en wijnadviseurs) om inzichten te verkrijgen vanuit diverse perspectieven. De interviewdata zijn thematisch geanalyseerd.

Uit het onderzoek blijkt dat traditionele bankfinanciering voor wijnondernemers vaak lastig te verkrijgen is vanwege strenge voorwaarden en risico-inschattingen. Alternatieve financieringsvormen, zoals coöperatieve modellen, crowdfunding en blended finance, tonen echter belangrijk potentieel om de kapitaalbehoefte te verlichten. Daarnaast komt naar voren dat schaalvergroting en een gefaseerde groeistrategie cruciaal zijn. Ten slotte benadrukken zowel bankiers als producenten de toenemende rol van duurzaamheid en ESG-criteria in financieringsbeslissingen.

De bevindingen suggereren dat een doordachte mix van traditionele en innovatieve financieringsstrategieën de kapitaalbarrières in de Belgische wijnindustrie aanzienlijk kunnen verlagen. Door investeringen te optimaliseren, alternatieve financieringsbronnen in te schakelen en klassieke kredietvormen beter af te stemmen op de lange terugverdientijd van wijn, ontstaat er een toegankelijker financieringsklimaat.
Meer lezen