Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Toward standardization of Gram-positive bacterial extracellular vesicles: optimizing purification from Lacticaseibacillus rhamnosus GG across growth phases

Universiteit Gent
2026
Shauni
Van Rijckeghem
Confidentieel -> thesis doorgestuurd via e-mail
Meer lezen

PHASE CONTRAST TOMOGRAPHY OF HUMAN TISSUE WITH A LIQUID-METAL µCT X-RAY SOURCE

Universiteit Gent
2026
Christopher
Boateng
Deze scriptie toont aan dat een röntgenbron met een liquid-metaalanode in een labo 3D-beelden kan maken van menselijk weefsel in paraffineblokjes, zonder de blokjes te snijden. Daarbij speelt ook de energie, de 'kleur' van de bron, een cruciale rol.
Meer lezen

Lessen in het vrouw-zijn. De adviesrubriek van Het Rijk der Vrouw als kennisbron over lichaam en geest, 1950-1990

KU Leuven
2026
Siebe
Terrones
Deze masterproef onderzoekt de rol van de adviesrubriek van Het Rijk der Vrouw als kennisbron over het lichaam en de geest tussen de jaren 1950 en 1990. De laatste decennia kregen vrouwenmagazines en hun adviesrubrieken meer historiografische aandacht. De adviesrubriek vormde voor veel vrouwen een belangrijke bron van kennis, maar werd binnen een Belgische context nog maar weinig onderzocht. Voor dit onderzoek werd een steekproef gemaakt van telkens vier edities van adviesrubriek De Brievenbus van Het Rijk der Vrouw voor elk jaar tussen
1950 en 1990 en zowel op taalgebruik als op inhoud onderzocht. De masterproef valt uiteen in twee thematische delen. Het eerste deel bespreekt brieven over seksuele en relationele problemen, het tweede deel bespreekt brieven over ziekte en gezondheid. Uit het onderzoek komt
naar voren dat het magazine adviezen gaf die duidelijk binnen het idee van ‘vrouwelijkheid’ pasten en het magazine zichzelf als belangrijke kennisbron van dit soort ‘vrouwelijke’ kennis profileerde. De autoriteit van het magazine stoelde vooral op een emotionele band met de lezer, eerder dan
op echte expertise. Het magazine was verbonden met de katholieke zuil, wat vooral zichtbaar was wanneer het magazine adviezen gaf over seksualiteit. Veranderingen binnen de katholieke zuil
werden ook in het magazine weerspiegeld. In de adviesrubriek werden veel adviezen gegeven die de traditionele genderrollen bevestigden en ook in andere Europese vrouwenmagazines gegeven
werden. Zo hadden veel adviezen tot doel om het heteroseksuele huwelijk in stand te houden, moest de vrouw er zo goed mogelijk uitzien om een partner te vinden of haar partner terecht te kunnen wijzen wanneer er thuis ruzie ontstond. De vrouw stond in de adviesrubriek bijna altijd helemaal alleen in voor zowel haar eigen lichamelijke en geestelijke gezondheid, als die van haar gezin. Wanneer psychologische taal rond de jaren 1970 in de volksmond een belangrijk referentiekader begon te worden, begon het magazine zichzelf ook explicieter als kennisbron over geestelijke gezondheid te profileren. Vanaf de jaren 1980 begon het magazine in de adviesrubriek
af te stappen van veel traditionele genderopvattingen en begon het magazine ook meer in te zetten op contacten tussen lezers. Maatschappelijke veranderingen werden dus vaak traag weerspiegeld, want veel progressievere discoursen hadden vaak al eerder hun ingang gevonden in andere media. Om dat te verklaren werd gewezen op het magazine als commercieel product, dat zowel een ouder en conservatiever als een jonger en progressiever publiek moest behouden. Het dalen van de verkoopcijfers rond 1980 was waarschijnlijk een belangrijke katalysator voor
deze veranderingen.
Meer lezen

Decoding the Female Brain: Investigating Cerebral White Matter Changes throughout the Menopausal Transition, using diffusion MRI​

Universiteit Gent
2026
Kato
Herregods
Women make up half of the global population and spend nearly one third of their lives in perior postmenopause. This period is marked by major hormonal changes that not only impact the reproductive system, the brain is greatly affected too. Despite this, the female brain remains understudied, and relatively little is known about how menopause influences brain health. Previous research has shown that during the menopause transition, the brain becomes less efficient at using glucose, its main energy source under normal circumstances. These metabolic changes may alter brain structure and function, potentially contributing to common menopause symptoms, such as hot flushes, mood changes or memory problems. They may also partly explain why women have a higher risk of developing Alzheimer’s disease later in life. This thesis contributes to a better understanding of the menopausal brain by using advanced medical imaging techniques to investigate changes in the brain’s white matter. In the long term, this research may contribute to improved public health and women’s healthcare, by advancing our understanding of menopause-related brain changes and female brain aging. Findings may positively impact healthcare professionals, public health organizations, researchers in neuroscience and women’s health, pharmaceutical and biotech companies. Most importantly, this research may eventually improve patients’ quality of life by supporting better management of menopausal symptoms and informing earlier detection, prevention, and treatment of neurodegenerative diseases such as Alzheimer’s disease.
Meer lezen

Characterization of Cannabidiol-Mediated 5-HT2A Receptor Modulation Under Variable Receptor Expression Conditions

Universiteit Gent
2026
Ruben
Stiers
De 5-HT2A-receptor is het belangrijkste aangrijpingspunt van klassieke psychedelica. Een recente studie suggereerde dat cannabidiol (CBD) die receptor kan dempen als negatieve allosterische modulator. Omdat allosterische effecten vaak sterk afhangen van de proefopzet, onderzocht deze masterproef hoe robuust dat effect is. Daarvoor werden HEK293-cellen gebruikt waarin het aantal receptoren via tetracycline instelbaar was, met Ca²⁺-mobilisatie als uitlezing.
Bij hoge receptorexpressie had CBD geen effect, evenmin als zijn spiegelbeeldvorm (+)-CBD, de metabolieten 6-OH-CBD en 7-COOH-CBD en de beschreven positieve modulatoren oleamide en JPC0323. Bij lagere expressie verminderde CBD de maximale serotonine-respons met ongeveer 26%, maar alleen na een uur voorbehandeling met 10 µM. Mescaline-responsen waren gevoeliger. De effecten zijn bescheiden en sterk contextafhankelijk, dus hun fysiologische relevantie blijft onzeker. Verdere assays en controles op CBD-aggregatie zijn nodig.
Meer lezen

GENDER DIVERSITY MEETS BDSM-SUBCULTURE: Experiencing and sharing kinks online: a FetLife reception study

Universiteit Gent
2026
Marie-Anne
Craenen
Leden uit subculturele BDSM-gemeenschappen groeperen zich in digitale ruimtes als de FetLife-website. De toenemende interesse in kink en BDSM is weerspiegeld in het aantal academische studies die het onderwerp vanuit verschillende invalshoeken benaderen, maar The Next Generation (TNG), namelijk jongere leden tussen 18 en 35 jaar, blijft onderbelicht. Het doel van deze studie was om de lived experiences van TNG binnen de online community te bestuderen via walkthroughs en semigestructureerde interviews, gecodeerd door middel van close reading en thematische analyse. Onderzoeksvragen betroffen gebruik van het platform, doel van gebruik, ervaringen rond veiligheid en betekenisgeving van intimiteit. De resultaten tonen aan dat FetLife fungeert als hybride omgeving waarin gebruikerservaringen vorm krijgen doormiddel van interactie tussen platformarchitectuur, waarden van de gemeenschap en bredere sociale structuren. Ervaringen verschillen volgens genderidentiteit, ervaringsniveau en positionering binnen de community. Doelstellingen convergeren rond informatieverwerving en betrokkenheid tot de gemeenschap, maar verschillen in bewustzijn over risico’s, waarbij vrouwen en non-binaire gebruikers namelijk voorzichtiger omgaan met het platform en beschermende strategieën hanteren. Tenslotte wordt intimiteit ervaren als gelaagd concept dat verder reikt dan louter seksualiteit.
Meer lezen

Ontwikkeling van een computationele ontwerppipeline die de ergonomische vormgeving van een parametrische 3D-geprinte bureaustoel automatiseert

Universiteit Gent
2026
Tom
De Deyn
De masterproef onderzoekt hoe computationeel en parametrisch ontwerpen kunnen worden ingezet om gepersonaliseerde ergonomische bureaustoelen automatisch te ontwerpen. Hiervoor werden bestaande methoden voor 3D-scanning, pose estimation en parametrische geometriegeneratie onderzocht en geëvalueerd. Op basis hiervan werd een computationele ontwerppipeline ontwikkeld die lichaamsgegevens vertaalt naar ergonomische ontwerpparameters en vervolgens automatisch een gepersonaliseerde stoel genereert.
Daarnaast werd een multivariaat regressiemodel ontwikkeld om de vorm van de rugleuning af te stemmen op de individuele lichaamshouding. De ontwikkelde methode werd gevalideerd aan de hand van verschillende lichaamsscans en rugleuningvarianten en beoordeeld op vlak van ergonomie, efficiëntie, betrouwbaarheid, stevigheid, gebruiksvriendelijkheid reproduceerbaarheid en maakbaarheid. Tot slot werd een volledig gepersonaliseerde bureaustoel op ware grootte geproduceerd met 3D-printtechnologie en fysiek geëvalueerd.
Meer lezen

DEATH LITERACY VANUIT HET HEDENDAAGSE JONGERENPERSPECTIEF Een kwalitatief onderzoek naar hoe religieuze en levensbeschouwelijke invloeden bijdragen aan de perceptie en omgang met sterfelijkheid bij jongvolwassenen in Vlaanderen en Brussel

Vrije Universiteit Brussel
2026
Mahdia
Bourouina
Deze masterproef onderzoekt hoe jongvolwassenen (18-30 jaar) hun Death Literacy ervaren en welke rol religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of de afwezigheid daarvan, hierin spelen. Er werden tien semigestructureerde interviews afgenomen met jongvolwassenen in Vlaanderen en Brussel, met een diverse levensbeschouwelijke achtergrond: praktiserende moslims, een praktiserende katholiek, een praktiserende boeddhist, niet-praktiserende moslims, atheïsten en agnosten.
Uit de resultaten blijkt dat persoonlijke verlieservaringen een centrale rol spelen in de ontwikkeling van Death literacy: wie een naaste verloor, beschikt over een uitgewerkter kader dan wie geen verlies meemaakte. Zowel moslim, katholieke als boeddhistische respondenten ervaren hun geloof als een krachtig houvast: het hiernamaals (islam en katholicisme) of wedergeboorte (boeddhisme), gebed of meditatie, en gemeenschappelijke rituelen bieden troost en structuur. Atheïstische en agnostische respondenten beschrijven zowel vrijheid als kwetsbaarheid; zij missen soms de gemeenschap en rituelen die religieuze jongeren als vanzelfsprekend ervaren.
De bevindingen benadrukken het belang van een levensbeschouwelijk sensitieve benadering in rouwbegeleiding. Voor de agogische praktijk betekent dit dat professionals oog moeten hebben voor diversiteit aan overtuigingen, én voor de betekenis van het ontbreken daarvan.
Meer lezen

ASSESSMENT OF DIAGNOSTIC PROTOCOLS OF ACUTE-PHASE APHASIA IN RELATION TO SIGN LANGUAGES [BEOORDELING VAN DIAGNOSTISCHE PROTOCOLLEN VOOR ACUTE AFASIE IN RELATIE TOT GEBARENTALEN]

Vrije Universiteit Brussel
2026
Nina
Driesmans
Deze studie onderzoekt acute afasiediagnostiek binnen de context van
de Vlaamse Gebarentaal (VGT). Afasie, een verworven neurologische
taalstoornis, wordt voornamelijk onderzocht vanuit een westers, eentalig
en audiocentrisch perspectief. Omdat gebarentaligen de visueel-gestuele
modaliteit gebruiken, in tegenstelling tot de oraal-auditieve modaliteit
van gesproken talen, zijn huidige diagnostische instrumenten niet
aangepast aan hun noden. Een rapid review onderzocht de neurale
representatie van gebarentalen in relatie tot afasie. Resultaten uit 29
beeldvormingsstudies tonen aan dat gebarentalen een
linksgelateraliseerd perisylvisch netwerk activeren, vergelijkbaar met
gesproken talen, maar met modaliteitsspecifieke aanpassingen.
Daarnaast leidt schade aan de linkerhersenhelft systematisch tot
verstoring van fundamentele taalaspecten, terwijl schade aan de
rechterhersenhelft visuospatiële vaardigheden selectief beïnvloedt. Een
enquête onder 20 Vlaamse clinici toont aan dat diagnostiek gebaseerd is
op Nederlandstalige instrumenten en informele vertaalmethoden, met
beperkte aandacht voor VGT-gebruikers. Deze bevindingen
onderstrepen de noodzaak van gevalideerde diagnostische instrumenten
voor gebarentaligen, verbeterde training van clinici, en een meer
rechtvaardige gezondheidszorg.
Meer lezen

Tussen-termen: een onderzoek naar de mogelijkheid tot wederkerige overdracht van ecofeministische concepten tussen film- en architectuurtheorie

Universiteit Antwerpen
2026
Fay
De Maesschalck
Doorgaans worden Film en architectuur als verschillende disciplines bestudeerd, met elk hun eigen media, methodes en theoretische tradities. Deze masterproef onderzoekt wat er gebeurt wanneer filmtheorie en architectuurtheorie niet langer als afzonderlijke kennisvelden worden benaderd, maar als wederzijds productieve praktijken van denken, kijken en maken. Het vertrekpunt is de vaststelling dat beide disciplines bovenop het representeren van werelden ook actief werelden construeren: via taal, beelden, ruimtelijke ordeningen en vormen van verbeelding. Vanuit die gedeelde productiviteit wordt bekeken welke kennis kan ontstaan wanneer theoretische concepten uit beide domeinen met elkaar in contact worden gebracht.
De analyse vertrekt vanuit een corpus van ecofeministische theorie, waarin de relatie tussen mens, materie, omgeving en macht centraal staat. Via een afgebakend lexicon worden sleutelbegrippen uit architectuur- en filmtheorie geïdentificeerd, geordend en vervolgens systematisch met elkaar geconfronteerd. Een matrix dient hierbij als instrument voor kennisoverdracht (‘kruisbestuiving’), waarin begrippen hun oorspronkelijke disciplinaire context tijdelijk verlaten en nieuwe relaties aangaan.
De resulterende contaminatie maakt zichtbaar dat concepten zoals trans-corporeality, spatial imagination, medianatures en material memoir niet exclusief tot één veld behoren. Ze openen alternatieve manieren om ruimte, beeld, lichaam en omgeving te begrijpen. De masterproef stelt daarmee dus geen nieuwe synthese van film en architectuur voor. Het doel is het aftoetsen van de mogelijkheid om een theorie / kritiek haar productiviteit te doen ontlenen aan een andere theorie / kritiek.
Meer lezen

Een fenomenologische exploratieve studie naar de ervaring van ECMO-overlevenden

Universiteit Gent
2026
Loran
Buelens
Deze masterproef omvat een kwalitatief exploratief fenomenologisch onderzoek naar de ervaringen van ECMO-overlevenden. Er werd onderzocht hoe zij hun ECMO-traject hebben beleefd en hoe hun leven na de ziekenhuisopname werd beïnvloed. Via semigestructureerde interviews met negen ECMO-overlevenden werd onderzocht welke gevolgen zij ervaarden en hoe zij hun leven na ECMO vormgaven.
Meer lezen

Butyrate as a Potential Therapeutic Intervention for Chemotherapy-Induced Cognitive and Behavioural Impairments in a Hyper-CVAD Mouse Model

KU Leuven
2026
Amber
Gordts
Kanker is een veelvoorkomende en ingrijpende ziekte waarvan de prevalentie blijft toenemen. Tegelijkertijd hebben vooruitgang in de behandeling en vroegtijdige opsporing geleid tot een groeiende groep mensen die kanker overleven. Chemotherapie blijft een belangrijke pijler binnen de behandeling van veel kankers, maar de effecten ervan beperken zich niet tot kankercellen. Omdat chemotherapeutische middelen ook gezonde cellen kunnen aantasten, ervaren veel patiënten tijdens en na de behandeling ongewenste bijwerkingen. Een klinisch relevante klacht is chemotherapie-geïnduceerde cognitieve achteruitgang (chemotherapy-induced cognitive impairment; CICI), die zich kan uiten in moeilijkheden op het vlak van aandacht, concentratie, leren, geheugen, visueel-ruimtelijke vaardigheden en executief functioneren. Klachten gerelateerd aan chemotherapie beperken zich echter niet tot cognitieve functies, maar omvatten ook bredere lichamelijke, psychologische en sensorische veranderingen. Samen kunnen deze klachten het dagelijks functioneren en de levenskwaliteit negatief beïnvloeden.

Daarom onderzocht deze studie in welke mate het Hyper-CVAD-polychemotherapieregime cognitieve, gedragsmatige en sensorische veranderingen veroorzaakt in een preklinisch muismodel, en in welke mate gelijktijdige orale toediening van butyraat deze veranderingen kan verminderen. In tegenstelling tot veel preklinische studies die zich richten op afzonderlijke chemotherapeutische middelen of eenvoudige combinaties, werd in deze studie gebruikgemaakt van het klinisch relevante, uit meerdere middelen bestaande Hyper-CVAD-regime, wat de vertaalbaarheid naar de klinische praktijk vergroot. Butyraat, een korteketenvetzuur, werd onderzocht omdat eerder onderzoek wijst op gunstige effecten ervan op zowel het functioneren van de darmen als de hersenen, evenals op cognitieve, gedragsmatige en motorische beperkingen in andere preklinische modellen van neurodegeneratieve aandoeningen. Om de onderzoeksvragen te beantwoorden, werden 72 volwassen vrouwelijke C57BL/6J-muizen verdeeld over vier groepen: saline met controle-interventie, saline met butyraat, chemotherapie met controle-interventie en chemotherapie met butyraat. Na drie weken waarin enkel de interventie werd toegediend en vier weken waarin de interventie gelijktijdig met de behandeling werd toegediend, ondergingen de muizen een reeks gedragstesten. Deze brachten locomotorische activiteit (24-Hour Activity, Open Field), exploratief en angstgerelateerd gedrag (Open Field, Elevated Plus Maze), leren en geheugen (T-Maze, Passive Avoidance) en thermische pijngevoeligheid (Tail Flick) in kaart.

De resultaten ondersteunden de hypothesen gedeeltelijk. Het Hyper-CVAD-regime veroorzaakte gewichtsverlies en veranderde de spontane locomotorische activiteit in de 24-Hour Activity-test, evenals de locomotorische activiteit, exploratie en het angstgerelateerde gedrag in de Open Field-test en de thermische pijngevoeligheid in de Tail Flick-test. Butyraat verminderde deze veranderingen het duidelijkst in de Open Field- en Tail Flick-testen, terwijl de effecten op het lichaamsgewicht en de 24-Hour Activity-test minder consistent waren. Er werd geen duidelijk bewijs gevonden dat Hyper-CVAD of butyraat het angstgerelateerde gedrag in de Elevated Plus Maze, het ruimtelijk werkgeheugen in de T-Maze of het associatief leren en geheugen in de Passive Avoidance-test beïnvloedde.

Concluderend veroorzaakte het Hyper-CVAD-regime veranderingen in verschillende, maar niet alle, onderzochte cognitieve, gedragsmatige en sensorische uitkomsten, terwijl butyraat een gedeeltelijk potentieel vertoonde om deze veranderingen tegen te gaan. Butyraat biedt daarom perspectief voor verder onderzoek naar chemotherapie-geïnduceerde cognitieve, gedragsmatige en sensorische klachten.
Meer lezen

When prediction is not enough: multimodal causal discovery from ICU vasospasm data

Universiteit Gent
2026
Maico
Bruyneel
Cerebraal vasospasme na een aneurysmatische subarachnoïdale bloeding (aSAH) is moeilijk te bestuderen in routinematige intensievezorggegevens omdat het niet als één consistente variabele wordt geregistreerd. Bewijs kan voorkomen in diagnosecodes, ontslagbrieven, radiologieverslagen, behandelingsgegevens of monitoringpatronen, en deze bronnen beschrijven niet altijd hetzelfde klinische beeld. Deze thesis onderzoekt of zulke heterogene informatie kan worden gecombineerd tot een representatie op opnameniveau voor exploratieve causale ontdekking rond vasospasme.

Met behulp van MIMIC-IV werd een cohort van waarschijnlijke aSAH-opnames samengesteld door gestructureerde selectie van kandidaatopnames, gevolgd door extractie met een groot taalmodel uit ontslagbrieven en radiologieverslagen. Het uiteindelijke cohort bevatte 470 opnames. Gestructureerde EHR-variabelen werden gecombineerd met informatie die uit klinische verslagen was afgeleid over bewijs voor vasospasme, de ernst van de bloeding, hydrocefalie, behandeling van het aneurysma, de aanwezigheid van een externe ventrikeldrain en fysiologische toestanden. Een vergelijking tussen verschillende modaliteiten toonde aan dat vasospasme bij 13,8% van de opnames gecodeerd was, terwijl ontslagbrieven en radiologieverslagen aanwijzingen voor vasospasme gaven bij respectievelijk 48,3% en 52,6% van de beoordeelde opnames. Dit suggereert dat op LLM gebaseerde extractie uit klinische tekst bewijs voor vasospasme vollediger kon vastleggen dan ICD-codering alleen, terwijl de bronspecifieke verschillen tussen ontslagbrieven en radiologieverslagen behouden bleven.

Vervolgens werd causale ontdekking toegepast met PC-stable, FGES en FCIT over verschillende hyperparameterinstellingen en stabiliteitsanalyses. De meest terugkerende structuur verbond de hoeveelheid bloedstolsel, hydrocefalie, EVD, leukocytose, hyperglykemie en vasospasme. Opvallend was dat de hoeveelheid bloedstolsel niet naar voren kwam als een stabiele directe buur van vasospasme, ondanks het feit dat dit een van de sterkst bekende klinische risicofactoren is. In plaats daarvan verscheen het vooral als een stroomopwaarts signaal van ernst dat verbonden was met hydrocefalie, intensievere zorgtrajecten en latere inflammatoir-metabole ontregeling. Hyperglykemie was de meest consistente systemische buur van vasospasme binnen FGES en FCIT, terwijl leukocytose vaker via hyperglykemie verbonden was dan als een stabiele directe buur. Deze bevindingen suggereren een biologisch plausibele hypothese waarin leukocytose en hyperglykemie mogelijk directer verband houden met vasospasme, mogelijk als weerspiegeling van inflammatoire en metabole stress die de kwetsbaarheid van bloedvaten zou kunnen vergroten.

Over het geheel genomen suggereren de resultaten dat multimodale causale ontdekking administratieve, tekstuele, fysiologische en zorgprocesgerelateerde signalen rond vasospasme explicieter kan maken en nuttige hypotheses kan opleveren voor gerichte vervolgstudies.
Meer lezen

Teddy’s Little Helper. Three Years of (Moderately) Controlled Chaos

Hogeschool PXL
2026
Ekaterina
Chistyakova
Deze scriptie onderzoekt hoe neurodivergentie en artistieke praktijk elkaar kunnen beïnvloeden aan de hand van een samenwerking tussen twee kunstenaars met verschillende manieren van denken, communiceren en werken. Het onderzoek resulteerde in twee met elkaar verbonden graphic novels. De eerste, Ted: 36 years on the move, brengt de 36-jarige artistieke praktijk van sieraadkunstenaar Ted Noten in beeld aan de hand van verhalen, anekdotes, archiefmateriaal en tekeningen. De tweede, Teddy’s Little Helper. Three Years of (Moderately) Controlled Chaos, reflecteert op het proces achter dit boek en onderzoekt hoe taal, tekenen, communicatie en verschillende manieren van informatie verwerken het artistieke samenwerkingsproces beïnvloeden. Tekenen wordt hierbij niet enkel als illustratiemiddel ingezet, maar als een manier van denken, onderzoeken, structureren en communiceren.
Meer lezen

Fabiola

Thomas More Hogeschool
2026
Milo
Van Aelst
Fabiola onderzoekt hoe afgedankte wandkasten opnieuw relevant kunnen worden zonder hun materiaal, identiteit en geschiedenis te verliezen. Veel van deze zware, massief eiken meubelen zijn vandaag niet langer gewenst, hoewel ze vaak nog in goede staat zijn en bestaan uit waardevolle materialen.
Vanuit die vaststelling ontwikkelde ik Fabiola: een ontwerpsysteem dat bestaande wandkasten niet als afval, maar als grondstof en vertrekpunt voor nieuwe meubelen beschouwt.
De scriptie beschrijft het onderzoek naar de wandkast, de ontwikkeling van het systeem, de verschillende experimenten en het maakproces van het eerste prototype.
Meer lezen

Clean energy, but contaminated waters? Assessing the effects of indium and gallium emissions from offshore wind farms on Corophium volutator and Danio rerio

Universiteit Antwerpen
2026
Jens
Broeckx
Offshore windparken (OWF’s) breiden zich in hoog tempo uit als onderdeel van de wereldwijde energietransitie, maar de ecotoxicologische gevolgen van hun chemische emissies zijn nog steeds slecht begrepen. Opofferingsanodes die worden gebruikt voor kathodische bescherming in turbinefunderingen geven de voor de technologie essentiële elementen indium (In) en gallium (Ga) af aan het mariene milieu. Terwijl andere metalen afkomstig van OWF’s, waaronder aluminium, zink, koper, cadmium en lood, uitgebreid zijn onderzocht, zijn er nog steeds weinig ecotoxicologische gegevens over In en Ga beschikbaar. In deze studie werden de effecten van In en Ga op twee modelorganismen beoordeeld: de in marien sediment levende amfipode Corophium volutator, die gedurende 28 dagen werd blootgesteld aan met metalen verrijkt sediment, en de zoetwaterzebravis Danio rerio, die gedurende 120 uur na bevruchting afzonderlijk werd blootgesteld aan In en Ga in het water.

Bij geen van beide soorten werd bij de geteste concentraties een significante sterfte waargenomen. Bij C. volutator was de specifieke groeisnelheid bij de hoogste concentratie significant verhoogd, wat mogelijk wijst op hormesis. In het weefsel en het sediment van C. volutator werd een concentratieafhankelijke accumulatie van beide metalen aangetoond. Indium werd bijna volledig in de sedimentfase vastgehouden en bleef bij alle behandelingen onder de detectielimiet in het bovenliggende water. De accumulatiefactoren voor biota en sediment (BSAF’s) waren significant hoger voor In dan voor Ga, wat wijst op een onevenredig hogere biologische beschikbaarheid van In ondanks de lagere concentraties in opgeloste vorm. Bij D. rerio accumuleerden beide metalen op een concentratieafhankelijke manier. Gallium bleef overwegend opgelost (>80%) en vertoonde een duidelijke monotone dosis-respons in larvenweefsel. Indium daarentegen was grotendeels in de vorm van deeltjes (<2% opgelost), wat de blootstelling via het water beperkte. Een nieuwe bevinding was een mogelijke omgekeerde relatie tussen de blootstellingsconcentratie van In en de Ga-accumulatie bij aan In blootgestelde larven, wat wijst op remming van de Ga-opname door In, mogelijk via gedeelde ijzertransportroutes. Morfologische afwijkingen bij D. rerio kwamen zelden voor en konden niet op betrouwbare wijze worden toegeschreven aan blootstelling aan metalen.

Deze resultaten wijzen erop dat het belangrijkste ecologische risico van uit OWF’s afkomstig In en Ga in het sediment ligt, waarbij benthische organismen waarschijnlijk een groter risico op blootstelling aan deze metalen hebben dan pelagische organismen. Dit onderzoek vormt een basis voor toekomstige risicobeoordelingen en benadrukt de noodzaak om monitoring van de sedimentkwaliteit op te nemen in kaders voor milieurisicobeoordeling en -beheer met betrekking tot OWF’s.
Meer lezen

Assessing nutrition in sarcoma patients throughout their treatment: malnutrition risk and dietary shifts

Universiteit Gent
2026
Mathilde
Majchrzak
  • Emiel
    De Moerloose
Ondervoeding blijft een onderschat probleem bij kankerpatiënten, terwijl de gevolgen voor behandelingstolerantie, herstel en levenskwaliteit groot zijn. Toch wordt de ondervoeding nog onvoldoende systematisch beoordeeld in de oncologische zorg. Sarcoompatiënten vormen daarbij een bijzonder kwetsbare groep: ze ondergaan vaak lange, intensieve therapieën, maar worden zelden opgenomen in bredere nutritionele studies door de zeldzaamheid van hun aandoening.
Deze masterproef toont dat bovenarmomtrek (mid-upper arm circumference, MUAC) een laagdrempelige en bruikbare manier is om voedingstoestand op te volgen, zowel in het ziekenhuis als thuis. De praktische haalbaarheid van deze meting maakt niet alleen vroegdetectie van achteruitgang mogelijk, maar biedt patiënten ook de kans actief betrokken te blijven bij hun eigen zorg via eenvoudige zelfmonitoring.
Ten slotte werpt deze studie licht op de vraag in welke mate sarcoompatiënten voedingsadvies ontvangen, via welke kanalen dit gebeurt en welke veranderingen zij zelf in hun eetpatroon doorvoeren. Zo laat de studie zien hoe eenvoudige, betrouwbare metingen gecombineerd met inzicht in patiëntgedrag kunnen bijdragen aan vroegtijdige opsporing van ondervoeding, versterking van patiënten hun autonomie en een meer systematische, patiëntgerichte voedingszorg in de oncologie.
Meer lezen

Het ontwikkelen en valideren van de Nurse Intuition Patient Deterioration Scale - Pediatrics (NIPDS-PED) om klinische achteruitgang te voorspellen bij pediatrische patiënten <1 jaar

Universiteit Antwerpen
2026
Charlotte
Bombeke
  • Noor
    Fransen
Klinische achteruitgang bij baby’s kan snel en subtiel verlopen. Verpleegkundigen voelen soms al dat er iets niet klopt voordat meetbare parameters duidelijk afwijkend zijn. In deze masterproef ontwikkelden en testten we daarom de Nurse Intuition Patient Deterioration Scale – Pediatrics (NIPDS-PED), een schaal met acht observeerbare signalen die het buikgevoel van verpleegkundigen concreter maakt. De schaal werd getest op twee pediatrische afdelingen bij 95 kinderen jonger dan één jaar, goed voor 131 beoordelingen. In 60 beoordelingen trad binnen 24 uur klinische achteruitgang op. De NIPDS-PED bleek ongeveer even goed in staat om achteruitgang te onderscheiden als de bestaande Pediatric Early Warning Score (PEWS). Daarnaast onderzochten we ouderlijke bezorgdheid en de gebruiksvriendelijkheid van de schaal. Ouderlijke bezorgdheid hing samen met de NIPDS-PED-score, maar voorspelde achteruitgang op zichzelf minder goed. Verpleegkundigen beoordeelden de gebruiksvriendelijkheid doorgaans met 8 op 10. De NIPDS-PED lijkt daarmee een veelbelovende aanvulling op bestaande waarschuwingsscores, maar verdere validatie in grotere en meer diverse patiëntengroepen is nodig.
Meer lezen

Water Dichter, een metabool ontwerp voor een zwembare Roosterbeek

Universiteit Hasselt
2026
Jilles
van der Linde
Deze masterscriptie onderzoekt de grens tussen lichaam en water, door een kleine waterloop als zwembaar te benaderen. Waterlopen werden in Vlaanderen lang beschouwd als infrastructuur, hygiënisch risico of juridische last, waardoor de directe lichamelijke ervaring van water uit het dagelijks leven verdween. De laatste jaren ontstaat een voorzichtige kentering die buitenzwemmen opnieuw op de politieke agenda heeft gezet. Binnen die context onderzoekt deze scriptie onder welke ruimtelijke, ecologische en lichamelijke voorwaarden een kleine, waterloop opnieuw zwembaar kan worden, en hoe een ontwerp deze voorwaarden in één samenhangend systeem kan brengen.

De Roosterbeek in Midden-Limburg dient als case. Het onderzoek combineert een lichamelijke verkenning van de beek, gesprekken met experts uit waterbeheer en ecologie, een literatuurstudie naar zwembeleid en de fenomenologische omgang met water, en ontwerpend onderzoek waarin de bevindingen ruimtelijk worden getoetst. De analyse brengt verschillende obstakels voor zwembaarheid naar voren. De beek is op meerdere plekken ingebuisd, snijdt zich steeds dieper in door versnelde afvoer, en wordt bij regen vervuild door een riooloverstort. Deze problemen zijn niet apart oplosbaar; ze vragen om een aanpak die ecologie, infrastructuur en lichamelijke beleving samenbrengt.

Het ontwerp Water Dichter vertaalt deze inzichten in een sequentie van ingrepen waarin elk obstakel niet wordt weggewerkt maar omgekeerd. Rioolslib wordt warmte, buizen worden constructies, vervuild water wordt gezuiverd en gevierd. Het ontwerp positioneert zwembaarheid als ontwerpcriterium en zorg, die uit lichamelijk contact ontstaat, als ontwerpvoorwaarde. Daarmee biedt het een aanpak voor de herdenking van vergelijkbare kleine waterlopen in Vlaanderen.
Meer lezen

Zintuiglijke beleving in WZC Wilgendries te Voorde

HOGENT
2026
Jan
Desmet
  • Stephanie
    De Vreese
  • Hannah
    Libbrecht
  • Kim
    Robrecht
Deze bachelorproef onderzoekt hoe laagdrempelige zintuiglijke prikkeling dwaalgedrag bij mensen met (jong)dementie kan ombuigen naar rust en geborgenheid. Aan de basis ligt een cruciale paradigmaverschuiving: afstappen van een medisch tekortmodel dat dwaalgedrag ziet als ‘probleemgedrag’, naar een sociaal-relationele benadering waarin dwaalgedrag wordt erkend als een betekenisvolle, menselijke zoektocht naar veiligheid en identiteit.

In woonzorgcentrum Wilgendries te Voorde werd een ingetogen gang van 140 meter getransformeerd op basis van onderzoeksmethodes, de levensverhalen en zintuiglijke voorkeuren van de bewoners. Interventies zoals houten voelboxen met een schapenvacht, een vogelhuisje op bewegingssensor en snuistermandjes tonen aan dat eenvoudige, herkenbare voorwerpen effectiever en duurzamer kunnen zijn dan dure technologie. Ook werd een praktijkgids ontwikkeld met onderbouwde gebruikerstips en toekomstige ideeën, voor een duurzame verankering.
Meer lezen

Protocol Identificatie Tweetalige TOS/OD (PITTO): de invloed van kind-interne en kind-externe factoren en afkapwaarden

KU Leuven
2026
Stien
Vankriekelsvenne
  • Emma
    Delbaere
Talige diversiteit is een realiteit in Vlaanderen en Brussel. Tijdens de taaldiagnostiek bij een tweetalig kind is het essentieel een onderscheid te maken tussen een typische tweetalige taalontwikkeling en een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Vandaag staan logopedisten zonder concrete handvaten voor deze uitdaging, wat leidt tot over- en onderdiagnose van TOS bij tweetalige kinderen. Bovendien compliceert de diversiteit binnen de tweetalige taalontwikkeling deze uitdaging. Verschillende factoren spelen hierin een rol: de leeftijd van het kind, de leeftijd waarop het kind voor het eerst met het Nederlands in contact komt, de hoeveelheid Nederlands het dagelijks hoort en spreekt, en de socio-economische context. Een holistisch beeld is dus noodzakelijk om een eventuele TOS correct te diagnosticeren. Deze masterproef biedt drempelwaarden voor een eerder ontwikkelde testcombinatie (PITTO) die het identificeren van TOS bij tweetalige kinderen mogelijk maakt. De drempelwaarden nemen de diversiteit binnen de tweetalige taalontwikkeling in acht en maken de implementatie van deze testcombinatie in de praktijk mogelijk. Dit is een grote en belangrijke stap richting een eerlijke taaldiagnostiek die het unieke taalverhaal van elk kind erkent.
Meer lezen

Voorbij dysforie: betekenisgeving aan de vulva bij transmasculiene personen die geen genitale chirurgie ondergaan

Universiteit Gent
2026
Sem
Decraene
Bestaande literatuur focust hoofdzakelijk op lichaamsontevredenheid binnen de transgendergemeenschap en op de rol van chirurgie in het verhogen van lichaamsacceptatie. Hoewel genderdysforie vaak gepaard gaat met ongemak over de genitaliën, kiest een aanzienlijk aantal trans mannen er niet voor om phalloplastie te ondergaan. Eerder onderzoek wijst op zorgen over complicaties en ontevredenheid met de huidige mogelijkheden als belangrijke motiverende factoren voor de beslissing tegen chirurgie, maar besteedt nauwelijks aandacht aan de mogelijkheid dat sommige transmasculiene personen hun vulva als betekenisvol, neutraal of zelfs positief ervaren. Positieve lichaamsbeleving blijft daardoor grotendeels onderbelicht. Dit artikel onderzoekt daarom hoe transmasculiene personen die bewust geen phalloplastie ondergaan betekenis geven aan hun vulva, en doet dat aan de hand van dertien semi-gestructureerde diepte-interviews die werden geanalyseerd via een reflexieve thematische analyse.
Meer lezen

ERVARINGEN VAN OUDERS VAN JONGE KINDEREN (3 T.E.M. 6 JAAR) MET EEN AANGEBOREN IMMUUNSTOORNIS: EEN KWALITATIEVE EXPLORATIEVE STUDIE

Universiteit Gent
2026
Lobke
Bonte
Achtergrond: Een aangeboren immuunstoornis (inborn error of immunity, IEI) beïnvloedt niet alleen de gezondheid van het kind, maar ook het dagelijks functioneren van ouders en de gezinsdynamiek. Over de ervaringen van ouders van jonge kinderen met IEI is nog weinig bekend.

Doel: inzicht verwerven in hoe ouders het leven ervaren met een kind van 2 tot 6 jaar oud met IEI.

Methode: In een tertiair universitair centrum in Vlaanderen werd een kwalitatief exploratief onderzoek uitgevoerd. Zeven moeders namen deel aan semigestructureerde diepte-interviews. De gegevens werden primair inductief geanalyseerd met reflexieve thematische analyse, met aandacht voor expliciete en onderliggende betekenissen.

Resultaten: De analyse resulteerde in vijf onderling verbonden thema’s. ‘Voortdurende waakzaamheid’ beschrijft hoe moeders alert blijven op ziektesignalen en ervaringskennis opdoen. ‘De onzichtbare prijs van voortdurende waakzaamheid’ omvat de lichamelijke, mentale, professionele, financiële en sociale gevolgen van de zorg. ‘Een moeizaam traject naar erkenning en ondersteuning’ toont de zoektocht naar een diagnose, erkenning en passende ondersteuning. ‘Het gezin en de omgeving in beweging’ beschrijft verschuivingen in partnerrelaties, aandacht voor broers en zussen, gezinskeuzes en het familienetwerk. ‘Verlies en groei naast elkaar’ laat zien hoe verlies, trots, veerkracht en betekenisgeving samen kunnen komen.

Conclusie: Leven met een jong kind met IEI werd door zeven moeders van kinderen van 3 tot 6 jaar ervaren als een aanhoudende mentale waakzaamheid die verschillende levensdomeinen en het gezin beïnvloedt. De bevindingen onderstrepen het belang van gezinsgerichte zorg die naast medische noden ook aandacht heeft voor de vaak onzichtbare cognitieve en emotionele belasting van ouders.
Meer lezen

Hydrogels for space radiation shielding applications

Universiteit Gent
2026
Sara
Declerck
Mijn masterthesis onderzoekt innovatieve hydrogels als stralingsbescherming voor toekomstige ruimtemissies. Daarnaast werd een menselijk driedimensionaal huidmodel ontwikkeld om de biologische effecten van ruimtestraling te bestuderen en in de toekomst de beschermende werking van deze hydrogels te evalueren.
Meer lezen

Cultivating seaweed at home: benefits and limitations

Universiteit Antwerpen
2026
Lani
Vints
De voedingsindustrie legt een grote druk op de natuur en haar hulpbronnen. Vooral de druk die de
vleesproductie uitoefent, kan niet worden genegeerd. Er is behoefte aan plantaardige alternatieve
eiwitbronnen om deze druk te verminderen. Zeewier zou een van deze alternatieven kunnen zijn,
aangezien het een goede eiwitbron vormt en bovendien andere voordelen biedt. De grootschalige
teelt van zowel marien als op het land gekweekt zeewier kent echter haar eigen beperkingen. De
mariene teelt is gevoelig voor omgevingsfactoren en grootschalige teelt op het land vereist een hoog
energieverbruik. Thuis gekweekt zeewier zou een oplossing kunnen bieden, omdat het minder
gevoelig is voor omgevingsfactoren en minder energie vereist door de opstelling aan te passen aan
wat strikt noodzakelijk is. Dit proefschrift richt zich op de kansen, beperkingen en haalbaarheid van
het thuis kweken van zeewier door de economische aspecten, de milieu-impact en de
maatschappelijke vereisten te onderzoeken. Antwoorden worden gevormd door informatie te
verzamelen uit literatuuronderzoek, interviews en een casestudy, ondersteund door een lijst met
indicatoren om een duurzame aanpak te waarborgen. Geconcludeerd kan worden dat het technisch
haalbaar is om zeewier te kweken, maar dat er nog steeds beperkingen zijn. Verontreiniging is een van
de belangrijkste beperkingen van het kweken van zeewier thuis, wat resulteert in bezorgdheden
omtrent voedselveiligheid. Afhankelijk van het gebruikte materiaal kunnen ook de kosten en
verminderde opbrengst een barrière vormen. Het blijkt vooral belangrijk om de zeewiersoort
zorgvuldig te kiezen en omgevingsomstandigheden aan te passen. Kweek heeft vooral mogelijkheden
voor educatie en bewust zijn en kan gezien worden als hobby.
Meer lezen

Zien we het kind achter de gebroken arm?

Hogeschool UCLL
2026
Eline
Gressens
Deze bachelorproef onderzoekt de kloof tussen de aangeboden zorg en zorgnoden van kinderen en jongeren (<18 jaar) met een psychiatrische achtergrond die agitatie vertonen op de spoedgevallendienst. De prikkelrijke en onvoorspelbare spoedomgeving sluit niet altijd aan bij hun psychische en emotionele behoeften, wat het risico op stress, escalatie, therapieweigering en vrijheidsbeperkende maatregelen kan vergroten.

Aan de hand van een literatuurstudie van recente wetenschappelijke literatuur werden verpleegkundige interventies en praktijkgerichte handvatten onderzocht die kunnen bijdragen aan een veiligere, effectievere en meer patiëntgerichte aanpak. De resultaten benadrukken het belang van vroegdetectie, omgevingsaanpassingen, verbale de-escalatie, therapeutische communicatie, familieparticipatie en multidisciplinaire samenwerking. Gestandaardiseerde zorgpaden en gerichte opleiding van verpleegkundigen kunnen helpen om de zorg beter af te stemmen op deze kwetsbare doelgroep.
Meer lezen

Reframing Sexual Violence: The Female Gaze and the Reimagining of Female Sexual Trauma in Post-#MeToo Feature Films

Universiteit Antwerpen
2026
Ine
Maris
Deze thesis onderzoekt hoe post-#MeToo-films via een vrouwelijke blik (female gaze)
alternatieve representaties van seksueel geweld en het daaruit voortvloeide trauma creëren. Hierbij wordt gebruikgemaakt van een interdisciplinair theoretisch kader dat feministische filmtheorie, traumastudies, het post-#MeToo-discours en theorieën over handelingsvermogen en identiteit combineert. Aan de hand van visuele, narratieve en thematische analyses van The Tale (Jennifer Fox, 2018) en How To Have Sex (Molly Manning Walker, 2023), onderzoekt deze thesis hoe deze theorieën in praktijk worden toegepast. De analyses tonen aan dat representaties van seksueel geweld, gevormd door de female gaze en beïnvloed door #MeToo, kunnen leiden tot realistischere en genuanceerdere representaties. Bovendien brengen deze films noodzakelijke discussies over seksueel geweld op gang. Door vrouwelijke subjectiviteit en handelingsvermogen centraal te plaatsen, contrasteren ze met eerdere representaties die gevormd werden door patriarchale opvattingen en de male gaze. Uiteindelijk beargumenteert
deze thesis dat post-#MeToo-films over trauma als gevolg van seksueel geweld die een female gaze hanteren, het potentieel hebben om kijkers bewust te maken van de diepgaande identiteitsgerelateerde gevolgen van seksueel geweld.
Meer lezen

“Nous sommes des Eugénistes chrétiens”: Eugenetica in de Belgisch-katholieke Société de Saint-Luc (1922-1956)

KU Leuven
2026
Kaat
Goossens
De masterproef ‘“Nous sommes des Eugénistes chrétiens”: Eugenetica in de Belgisch-katholieke Société de Saint-Luc (1922-1956)’ onderzoekt hoe de Belgische katholieke vereniging van Saint-Luc keek naar eugenetica tussen 1922 en 1956. Aan de hand van discoursanalyse analyseert deze masterproef de eugenetische standpunten van de leden van Saint-Luc. In de historiografie over eugenetica werd lang aangenomen dat er alleen in protestantse landen aan eugenetica gedaan werd en dat het eugenetische denken verdween na de Tweede Wereldoorlog. Pas recent werd er ook aandacht besteed aan de positieve eugenetica in katholieke landen, maar die werd in sterke oppositie geplaatst met de negatieve eugenetica van protestantse landen. Aan de hand van de tot nu toe onderbelicht gebleven eugenetische casus van België toont deze thesis aan dat eugenetisch denken niet enkel aanwezig was in België, maar wijder verspreid was dan tot nu toe werd aangenomen. Positieve eugenetica werd gepropageerd en eugenetische terminologie was deel geworden van het gehanteerde discours. Hoewel eugenetische sterilisatie afgewezen werd, werden verschillende andere negatieve eugenetische maatregelen voorgesteld als alternatief, namelijk prenuptiale maatregelen, segregatie en therapeutische sterilisatie. Die maatregelen mochten niet verplicht opgelegd worden door de staat, maar moesten volgens de leden van Saint-Luc gepromoot worden onder de Belgische bevolking. Op die manier kon er een eugenetisch bewustzijn gecreëerd worden, dat verplichte eugenetische maatregelen overbodig maakte. Op die manier bleef de controle over de eugenetica in handen van leden van Saint-Luc. Daarnaast kon dat eugenetisch bewustzijn op termijn ook zorgen voor een grotere mate van acceptatie van meer verregaande eugenetische maatregelen. Vooral de Vlaamse leden van Saint-Luc waren op dat vlak radicaler dan de Waalse leden. Dat verschil en ook welke eugenetische maatregelen als noodzakelijk geacht werden, bleef consistent na de Tweede Wereldoorlog. Alleen in het discours dat gehanteerd werd was een duidelijk verschil te zien. In tegenstelling tot het idee dat België dus niet of alleen aan positieve eugenetica deed, toont deze thesis dus aan dat het eugenetische denken in België sterk aanwezig was en zowel positieve als negatieve eugenetische maatregelen promootte. De Belgische casus toont dus dat het dichotome beeld dat een strak onderscheid maakt tussen een katholieke positieve eugenetica en een protestantse negatieve eugenetica in vraag gesteld moet worden.
Meer lezen

De rol van verpleegkundigen in de preventie van kathetergeassocieerde urineweginfecties bij gehospitaliseerde CVA-patiënten

Hogeschool VIVES
2026
Florien
Vangheluwe
CVA-patiënten hebben een verhoogd risico op het ontwikkelen van kathetergeassocieerde urineweginfecties als gevolg van immunosuppressie, een neurogene blaas, immobiliteit of een verminderd bewustzijn. Daarnaast is er op de werkvloer onvoldoende kennis over de juiste indicaties voor blaaskatheterisatie, mogelijke alternatieven en de preventieve maatregelen. Dit draagt bij aan onnodige katheterisatie, waardoor het risico op kathetergeassocieerde urineweginfecties verder toeneemt. Deze bachelorproef richt zich op het formuleren van aanbevelingen ter preventie van kathetergeassocieerde urineweginfecties bij CVA-patiënten.
Meer lezen

Een rog als venster op plasticvervuiling

Vrije Universiteit Brussel
2026
Lize
Gijs
Deze thesis onderzoekt de aanwezigheid van microplastics in de blauwgevlekte maskerrog (Neotrygon indica) aan de oostkust van Sri Lanka. In 24 maagdarmkanalen werden microplastics geïdentificeerd en gekarakteriseerd op basis van hun hoeveelheid, grootte en polymeertype. In 16 van de 24 onderzochte roggen (66,7%) werden microplastics aangetroffen, waarbij PET het dominante polymeertype was. Daarnaast werd onderzocht of de hoeveelheid microplastics samenhing met de lichaamsgrootte van de roggen. Ten slotte werd een praktische en contaminatie-gecontroleerde methode ontwikkeld en geëvalueerd voor het extraheren en identificeren van microplastics uit het maagdarmkanaal van Elasmobranchen, met aandacht voor toepassing in laboratoria met beperkte middelen. De resultaten leveren zowel nieuwe informatie over microplasticblootstelling bij N. indica als een methodologische basis voor toekomstig onderzoek naar microplastics bij haaien en roggen.
Meer lezen