Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

FinvictumX: Omdat iedereen recht heeft op financiële kennis

Hogeschool VIVES
2026
Sem
Bruynseraede
Dit eindwerk onderzoekt het belang van financiële educatie in een samenleving waarin steeds meer mensen zelfstandig toegang krijgen tot financiële markten. De drempel om te beleggen is sterk verlaagd, terwijl de hoeveelheid beschikbare financiële informatie voortdurend toeneemt. Die toegankelijkheid betekent echter niet automatisch dat mensen over voldoende kennis en vaardigheden beschikken om financiële producten, risico’s en beleggingsbeslissingen goed te begrijpen.

Het onderzoek gaat na welke rol financiële educatie kan spelen in het versterken van financiële kennis en vaardigheden. Daarbij wordt onderzocht welke kennis beleggers nodig hebben, hoe financiële concepten op een begrijpelijke en gestructureerde manier kunnen worden aangeleerd en welke factoren bijdragen aan een effectief leerproces. Naast financiële basiskennis wordt aandacht besteed aan onder meer risicobeheer, beleggingsstrategieën, beleggerspsychologie en het kritisch beoordelen van financiële informatie.

Ook wordt onderzocht hoe digitale technologie het aanbieden van financiële educatie kan ondersteunen. Daarbij komen onder meer gepersonaliseerde leertrajecten, interactieve leermethoden en artificiële intelligentie aan bod. Het onderzoek bekijkt daarnaast hoe financiële educatie kan worden opgebouwd voor verschillende niveaus van voorkennis, van beginnende tot meer ervaren beleggers.

Op basis van deze inzichten wordt een concreet concept voor een digitale leeromgeving uitgewerkt. Het eindwerk toont daarmee hoe financiële educatie kan bijdragen aan een beter begrip van financiële keuzes en mensen kan helpen om bewuster, kritischer en met meer inzicht met hun financiën en beleggingen om te gaan.
Meer lezen

Generative AI-Based Design of Electric Machines — A CVAE-based Framework for the Optimisation of Interior Permanent Magnet Motors for the Automotive Market

KU Leuven
2026
Lorenz
De Maeyer
Electric traction motors for hybrid and battery vehicles are currently designed by
wrapping a finite-element key-performance-indicator (KPI) evaluator in an evolu
tionary optimisation loop, an approach that can take days of compute on a multi-core
node per customer case. This thesis addresses the same problem from the inverse
direction: given a target peak performance profile together with the electrical limits
imposed by the inverter and battery, generate a diverse set of compliant double-V
interior permanent magnet synchronous machine (IPMSM) geometries. The pro
posed framework combines three components, using a dataset of 85384 physically
valid samples obtained by latin hypercube sampling of the 17 free geometric pa
rameters: (i) a residual multilayer-perceptron surrogate that maps geometry and
electrical limits to the 80-point peak torque–speed curve through a 19-component
principal-component bottleneck, (ii) a conditional variational autoencoder (CVAE)
with a 15-dimensional latent space that learns to generate performance-compliant
geometries, given the working conditions, and (iii) a gradient-based latent space
optimisation stage that refines a sampled candidate towards minimal volume under
soft performance-compliance and structural-integrity penalties driven by the frozen
surrogate.

On the held-out test set, the surrogate reaches a mean relative L2 error of 0.62%
on the denormalised torque curve at sub-millisecond inference cost. A performance
regularised CVAE variant, which augments the evidence lower bound with a dif
ferentiable compliance penalty derived from the frozen surrogate, lifts the mean
prior-sampling compliance on eight industrial conditions from 49.1% to 75.7% while
preserving roughly 86% of the per-feature design-range coverage. The subsequent
latent-space optimisation returns a compliant candidate for every one of the eight
conditions and for both CVAE variants, converging within roughly 100 iterations and
finishing in about 45s per condition on a single CPU core. A single FEM run con
firms that the optimised torque–speed curve passes through the requested operating
points. The framework therefore compresses what is currently a days-long search
into a sub-minute generative step. Thermal, efficiency, noise-vibration-harshness,
and demagnetisation behaviour remain out of scope and are identified as the prior
ity directions for further work.
Meer lezen

Whose Data Is It Anyway? Designing a User-Centric and Sovereign Architecture for Media Consumption in the European Digital Space

Odisee Hogeschool
2026
Michiel
Van de Velde
Streamingdiensten en videoplatformen bouwen op basis van kijk- en luistergedrag profielen van gebruikers op. Die profielen kunnen nuttig zijn voor personalisatie, maar gebruikers hebben vaak weinig zicht op welke gegevens worden verzameld en welke conclusies daaruit worden getrokken. In deze bachelorproef onderzoek ik hoe gebruikers meer controle kunnen krijgen over hun mediagegevens en de inzichten die daaruit ontstaan. Ik ontwierp een systeemarchitectuur en ontwikkelde een werkend prototype waarin gegevens van onder meer Spotify, YouTube en SoundCloud worden samengebracht in een persoonlijke digitale datakluis. De gebruiker kan zelf bepalen wie toegang krijgt tot welke gegevens en kan afgeleide inzichten bevestigen, corrigeren of tegenspreken. Daarnaast onderzocht ik hoe open standaarden en lokale AI-inferentie kunnen bijdragen aan interoperabiliteit en privacy. Het resultaat toont hoe personalisatie mogelijk blijft zonder dat de gebruiker de controle over zijn digitale profiel volledig uit handen hoeft te geven.
Meer lezen

The Mind of the UNHCR

KU Leuven
2026
Phebe
Vantomme
De Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor Vluchtelingen (UNHCR) wordt alom erkend voor zijn humanitaire rol, maar fungeert tevens als wereldwijde architect van het mondiale landschap van ontheemding. Deze thesis herpositioneert de organisatie als een centrale architecturale speler door te analyseren hoe haar interne richtlijnen en standaardcriteria, vastgelegd in een technisch handboek, fungeren als blauwdrukken voor vluchtelingenkampen wereldwijd. De digitalisering van dit handboek in 2015 markeerde een cruciaal keerpunt, waardoor het handboek veranderde van een handleiding in een dominant ruimtelijk instrument dat een proces van universalisering oplegt.

Het onderzoek is gestructureerd rond twee belangrijke analytische perspectieven: (1) Technisch perspectief: allereerst verdiepen we ons in ‘de gedachtegang van de UNHCR’ door bestaande literatuur en peer-reviewed artikelen te bestuderen, om zo de focus te verleggen van humanitaire hulp naar ruimtelijk ontwerp. Door deze academische inzichten te combineren met een grondige analyse van het digitale Emergency Handbook (2015) van de UNHCR, identificeren we de drie belangrijkste pijlers – tent, de context rondom de tent en het beheer – die samen het ‘ideale model’ van de organisatie vormen. Dit perspectief definieert het kader dat de organisatie wereldwijd als een ‘standaardscript’ zal implementeren. (2) Implementatieperspectief: dit ‘ideale model’ wordt geëvalueerd aan de hand van drie diepgaande wereldwijde casestudies: Griekenland (Europa), Kenia (Afrika) en Bangladesh (Azië). Aan de hand van een vergelijkende matrix onderzoeken we of dit ‘ideale model’ in al deze verschillende contexten consequent wordt toegepast. Hoewel het proces van universalisering impliceert dat het ruimtelijke resultaat in elke context identiek zou moeten zijn, brengt dit perspectief juist de specifieke situaties aan het licht waarin dit niet het geval is. Door ons te richten op deze inconsistenties, analyseren we de spanning tussen de universele normen van de UNHCR en de lokale realiteit.

Op deze manier wil deze thesis aantonen dat de regels en standaardmaten van de UNHCR geen neutrale technische vereisten zijn, maar invloedrijke ruimtelijke instrumenten. Inzicht in deze normen illustreert hoe de fysieke inrichting van vluchtelingenkampen zowel de beleving als de fysieke realiteit van een permanent systeem van tijdelijk wonen vormgeeft.
Meer lezen

When does environmental destruction fall under Article II (c) of the Genocide Convention?

KU Leuven
2026
Matteo
Marsala
Mijn scriptie onderzoekt wanneer milieuvernietiging onder artikel II(c) van het Genocideverdrag kan vallen. Die bepaling omvat niet alleen rechtstreekse moord, maar ook het doelbewust opleggen van levensomstandigheden die een beschermde groep fysiek kunnen vernietigen. Aan de hand van verdragsinterpretatie en rechtspraak van het Rwanda- en Joegoslaviëtribunaal, het Internationaal Strafhof en het Internationaal Gerechtshof analyseer ik wanneer de vernietiging van water, voedselbronnen, landbouwgrond of bewoonbaar gebied zo’n indirecte vernietigingsmethode vormt. Hierbij ontwikkel ik een stapsgewijs juridisch toetsingskader om te beoordelen wanneer milieuschade zo’n indirecte vorm van genocide kan uitmaken. De scriptie concludeert dat milieuvernietiging als genocide kan worden beschouwd wanneer zij het fysieke voortbestaan van een beschermde groep bedreigt én gepaard gaat met de specifieke bedoeling die groep geheel of gedeeltelijk te vernietigen. Daarnaast verduidelijkt het onderzoek het onderscheid met ecocide en past het deze voorwaarden op een neutrale wijze toe op de situatie in Gaza.
Meer lezen

Generatieve AI in het programmeeronderwijs: Kansen, uitdagingen en de stand van zaken in Vlaanderen

Universiteit Gent
2026
Maxime
Debosschere
Generatieve artificiële intelligentie heeft zich op korte tijd stevig verankerd in softwareontwikkeling en beïnvloedt ook steeds vaker het programmeeronderwijs. Deze masterpraktijkproef onderzoekt de implicaties hiervan voor het leren en onderwijzen van programmeren en de wijze waarop lesgevers hiermee omgaan in hun onderwijspraktijk.

Het eerste luik bestaat uit een literatuurstudie over de invloed van generatieve AI op het aanleren van programmeervaardigheden en over didactische strategieën die hierbij kunnen worden ingezet. De literatuur beschrijft kansen op het vlak van ondersteuning, evaluatie, differentiatie en motivatie. Tegelijk worden uitdagingen aangehaald op het vlak van academische integriteit, afhankelijkheid en bias.

Het tweede luik omvat een vragenlijstonderzoek bij programmeerlesgevers in Vlaanderen (N = 37), met aandacht voor hun gebruik, ervaringen en opvattingen met betrekking tot generatieve AI. De resultaten wijzen erop dat generatieve AI inmiddels zowel bij lesgevers als bij lerenden een vaste plaats heeft verworven. De visies op het gebruik ervan lopen echter sterk uiteen: sommige lesgevers benadrukken het belang van een stevige programmeerbasis en kiezen voor een restrictieve aanpak, terwijl anderen generatieve AI beschouwen als een onmisbaar onderdeel van hedendaags programmeren en deze bewust integreren in hun onderwijspraktijk. Respondenten benadrukken daarnaast het groeiende belang van vaardigheden zoals probleemanalyse, het kritisch beoordelen en debuggen van code en het doordacht aanwenden van AI-hulpmiddelen.

Deze studie concludeert dat generatieve AI het programmeeronderwijs niet overbodig maakt, maar wel vraagt om een heroriëntatie van leerdoelen, didactiek en evaluatie.
Meer lezen

Voor als ik het even niet meer weet

LUCA School of Arts
2026
Timo
Schmeits
Hij weet niet altijd wie hij is of waar zijn plek is in de wereld. Daarom schrijft en tekent hij. Door kleine, absurde dingen serieus te nemen, ontstaan verhalen die me helpen om grote vragen te onderzoeken. Zijn scriptie heeft niet alle antwoorden, maar helpen hem zijn vergaarde wijsheid te onthouden.
Timo vergeet snel. Gelukkig maar dat het allemaal op papier staat. Voor als hij het even niet meer weet.
Meer lezen

In uniform gelijk, in carrière ongelijk? Een explorerend onderzoek naar de doorstroombarrières voor vrouwen binnen de Belgische politie

Universiteit Gent
2026
Meike
Dely
Deze masterproef onderzoekt waarom politievrouwen nog steeds sterk in de minderheid zijn in de hogere functies binnen de operationele politie in België. Hiervoor werd een tweedelige aanpak gebruikt. Eerst werden de personeelscijfers van de Belgische operationele politie bekeken om de ondervertegenwoordiging van vrouwen in kaart te brengen. Daarna werden acht politievrouwen geïnterviewd om meer inzicht te krijgen in hun ervaringen en in de mogelijke drempels die zij ervaren op weg naar hogere functies.
Meer lezen

Van 'hey matekes' tot 'beste burgers': een vergelijkende analyse naar de communicatie van jonge en oudere politici

Universiteit Antwerpen
2026
Max
Mooring
Jongeren zijn structureel ondervertegenwoordigd in Westerse parlementen, en de aanwezigheid van jonge politici wordt vaak naar voren geschoven als een brug tussen jongeren en politiek. Of die aanwezigheid zich ook reflecteert in andere communicatie blijft onderbelicht, zeker in een gemediatiseerde omgeving zoals sociale media. Vertrekkend vanuit theorieën over descriptieve en substantieve representatie worden vijf dimensies van politieke communicatie geanalyseerd: tijdsoriëntatie, representatieclaims gericht op jongeren, privatisering, emotioneel taalgebruik en informaliteit. Een grote dataset aan Facebookberichten (N = 239.525) werd geclassificeerd met behulp van large language models en geanalyseerd aan de hand van logistische regressie. Daarnaast werd een loopbaananalyse uitgevoerd om communicatieveranderingen doorheen politieke loopbanen in kaart te brengen. De bevindingen bieden slechts beperkte steun voor leeftijdsgebonden verschillen in politieke communicatie. Van de vijf dimensies wordt er slechts één consistent bevestigd: jonge politici communiceren informeler dan oudere politici. In de meeste modellen blijken de partij en tijd sterkere voorspellers dan de leeftijd. Bovendien communiceren politici van alle leeftijden na verloop van tijd steeds toekomstgerichter, jongerengerichter, meer over hun privéleven, positiever en informeler. De resultaten suggereren dat de descriptieve aanwezigheid van jonge politici zich niet automatisch vertaalt in inhoudelijk andere communicatie. In de Vlaamse context lijken partij- en mediatiseringsdynamieken zwaarder door te wegen dan de meeste leeftijdsgebonden verschillen, waarbij informaliteit een uitzondering vormt.
Meer lezen

Pictogrammen als ondersteunend hulpmiddel bij medicatiemanagement voor mensen met een taalbarrière in de eerstelijnszorg

Universiteit Antwerpen
2026
Hanne
Jacobs
De toenemende diversiteit in de maatschappij brengt uitdagingen in de gezondheidszorg met zich mee. Patiëntgerichte zorg en veiligheid worden bedreigd door taalbarrières, wat kan leiden tot medicatiefouten en frustraties. Eerstelijnszorginstellingen gebruiken tolkdiensten en vertaalapplicaties om deze barrières te overbruggen. Bovendien tonen studies aan dat hulpmiddelen, zoals pictogrammen met medicatie-instructies, de kennis en therapietrouw kunnen verbeteren. Culturele afstemming van pictogrammen is echter cruciaal voor
effectieve begrijpelijkheid. Deze studie onderzoekt de begrijpelijkheid en moeilijkheidsgraad van USP-pictogrammen voor geneesmiddeleninstructies bij mensen met een taalbarrière in de eerstelijnszorg. Ook relaties met en de invloed van sociodemografische factoren worden geanalyseerd.
Er werd een kwantitatieve cross-sectionele studie uitgevoerd. Twee huisartsenpraktijken, wijkgezondheidscentra en het opvangcentrum Fedasil in Arendonk namen deel. De datacollectie werd uitgevoerd met behulp een digitale, meertalig vertaalde vragenlijst. Begrijpelijkheid van USP-pictogrammen werd beoordeeld volgens de ISO-normen.
Meer lezen

Een rog als venster op plasticvervuiling

Vrije Universiteit Brussel
2026
Lize
Gijs
Deze thesis onderzoekt de aanwezigheid van microplastics in de blauwgevlekte maskerrog (Neotrygon indica) aan de oostkust van Sri Lanka. In 24 maagdarmkanalen werden microplastics geïdentificeerd en gekarakteriseerd op basis van hun hoeveelheid, grootte en polymeertype. In 16 van de 24 onderzochte roggen (66,7%) werden microplastics aangetroffen, waarbij PET het dominante polymeertype was. Daarnaast werd onderzocht of de hoeveelheid microplastics samenhing met de lichaamsgrootte van de roggen. Ten slotte werd een praktische en contaminatie-gecontroleerde methode ontwikkeld en geëvalueerd voor het extraheren en identificeren van microplastics uit het maagdarmkanaal van Elasmobranchen, met aandacht voor toepassing in laboratoria met beperkte middelen. De resultaten leveren zowel nieuwe informatie over microplasticblootstelling bij N. indica als een methodologische basis voor toekomstig onderzoek naar microplastics bij haaien en roggen.
Meer lezen

Normativiteit in het "niet-opvangbeleid"

KU Leuven
2026
Manon
Rupus
In 2023 kondigde Staatssecretaris voor Asiel en Migratie Nicole de Moor aan dat alleenstaande mannelijke asielzoekers tijdelijk geen opvang meer zullen krijgen in het netwerk van Fedasil. Terwijl deze maatregel vaak wordt voorgesteld als een praktisch antwoord op een capaciteitstekort, stelt dit onderzoek de vraag in hoeverre onderliggende cis-heteronormatieve ideeën over gender, gezin en kwetsbaarheid doorwerken in deze beleidskeuze.

Enerzijds kijkt een kritische discoursanalyse naar hoe beleid, media en middenveldorganisaties spreken over (mannelijke) asielzoekers en hun "deservingness" voor opvang. Anderzijds wordt aan de hand van interviews en via narratieve en visuele methoden ingezoomd op de ervaringen van queer asielzoekers in België. Hoe worden zij geconfronteerd met deze normatieve assumpties? Hoe beïnvloeden die hun traject naar en binnen huisvesting? En hoe gaan ze daarmee om in hun dagelijkse leven?

Het onderzoek toont dat "deservingness" voor opvang sterk afhankelijk is van normatieve constructies van herkenbaarheid en kwetsbaarheid, wat resulteert in inclusie of exclusie van de opvang. Alleenstaande mannelijke asielzoekers worden binnen het dominante discours zelden als inherent kwetsbaar erkend en hun nood aan opvang komt vooral voor in de vorm van uitzonderingen. De voorrang van gezinnen en kinderen blijkt bovendien ingebed in cisheteronormatieve ideeën over het ‘normale’ en herkenbare asielzoekers. En hoewel men vaak stelt dat queer asielzoekers kwetsbaar zijn, wordt ook hun toegang tot opvang beïnvloed door hun gender, hun gezinsstatus en hoe hun kwetsbaarheid wordt ingeschat. Echter negotiëren ze die assumpties ook zelf. In hun huisvestingstraject bewegen ze tussen hun queerness zichtbaar maken of juist niet, ze benadrukken hun kwetsbaarheid wanneer dat nodig is tegenover overheidsinstanties, maar kloppen ook aan bij hulporganisaties en informele netwerken. Bovendien passen queer asielzoekers strategieën toe in hun dagelijks leven in asielopvang om het leven daar leefbaar te houden.

Deze thesis stelt dat uitsluiting in het opvangbeleid niet los kan worden gezien van bredere normatieve structuren rond gender, seksualiteit en kwetsbaarheid. Door deze mechanismen bloot te leggen, draagt het onderzoek bij aan een kritischer begrip van huisvesting voor asielzoekers als politiek en normatief geladen domein. Tegelijk wil de thesis aanzetten tot verder onderzoek én tot reflectie in beleid en praktijk. In een context waarin het recht op opvang steeds meer onder druk staat en het debat verhardt, pleit dit onderzoek voor een benadering die vertrekt vanuit menselijke waardigheid, in plaats van uit normatieve vooringenomenheid.
Meer lezen

The Dutch Translation and Validation of the Dizziness Handicap Inventory for Patient Caregivers (DHI-PC)

Universiteit Gent
2026
Noor
Temmerman
Evenwichtstesten in het ziekenhuis tonen precies hoe een evenwichtsorgaan werkt, maar ze laten niet altijd zien hoeveel last een kind er op school of tijdens het spelen echt van heeft. Om die dagelijkse hinder toch goed te kunnen meten, is in deze masterproef een internationale vragenlijst vertaald naar het Nederlands: de Pediatrische Evenwichtsimpact Vragenlijst voor Ouders/Verzorgers (PEV-OV). Ouders van 33 kinderen bij wie het evenwichtsorgaan niet goed werkt, vulden de vragenlijst in om te onderzoeken of de vragen duidelijk, eerlijk en betrouwbaar zijn. Uit het onderzoek blijkt dat de vragenlijst uitstekend werkt en een helder beeld geeft van de problemen waar het kind tegenaan loopt. Zo gaven ouders van kinderen met een dubbelzijdige uitval, bijkomend gehoorverlies of een later ontstane stoornis aan dat hun kind meer moeite heeft met dagelijkse activiteiten of emoties. Met deze vragenlijst hebben artsen en therapeuten nu een waardevol hulpmiddel in handen om de zorg beter af te stemmen op de leefwereld van het kind.
Meer lezen

Verplichte Anticonceptie bij onverantwoord Ouderschap: Een juridisch-interdisciplinaire analyse van de toelaatbaarheid in het Belgisch recht

Universiteit Antwerpen
2026
Sven
Lams
Deze scriptie onderzoekt of verplichte anticonceptie bij onverantwoord ouderschap op juridisch en ethisch vlak mogelijk is in België.
Meer lezen

In welke mate brengt de D-QUEST de tevredenheid van gebruikers over het hulpmiddelenproces en de verstrekking van een hulpmiddel in kaart?

Hogeschool VIVES
2026
Quincy
De cat
Deze bachelorproef onderzoekt de tevredenheid van gebruikers over de verstrekking van mobiliteitshulpmiddelen en de geschiktheid van de D-QUEST om deze tevredenheid in kaart te brengen. Eerst werd via een systematische literatuurstudie onderzocht welke factoren de tevredenheid van gebruikers beïnvloeden en welke wetenschappelijke onderbouwing bestaat voor de QUEST en QUEST 2.0. Uit de literatuur blijkt dat tevredenheid niet alleen wordt bepaald door eigenschappen van het hulpmiddel, maar ook door het service delivery process, waaronder behoeftebepaling, advies, selectie, training en opvolging. De QUEST en QUEST 2.0 blijken betrouwbare en valide instrumenten te zijn, al is de responsiviteit ervan nog beperkt onderzocht.

Daarnaast werd een praktijkstudie uitgevoerd bij 60 volwassenen en ouderen met een mobiliteitsbeperking die via het RAR van AZ Sint-Jan Brugge een mobiliteitshulpmiddel ontvingen. Aan de hand van de D-QUEST werd de tevredenheid over het hulpmiddel en de dienstverlening bevraagd. In totaal was 90% van de deelnemers tevreden tot zeer tevreden over het mobiliteitshulpmiddel. Duurzaamheid, effectiviteit en gebruiksgemak kregen de hoogste tevredenheidsscores. Veiligheid en verstelbaarheid vormden belangrijke aandachtspunten. Vooral bij actieve rolwagens werd een opvallend lagere tevredenheid vastgesteld.

De resultaten tonen aan dat de D-QUEST een bruikbaar instrument is om gebruikerstevredenheid over mobiliteitshulpmiddelen en de bijbehorende dienstverlening systematisch te evalueren. De studie benadrukt daarnaast het belang van een goede individuele afstemming, cliëntgerichte begeleiding en voldoende opvolging na de verstrekking van een hulpmiddel.
Meer lezen

No more queueing at the ladies' room: modeling, analysis and simulation of waiting times at toilet facilities with "ladies first" scheduling policies

Universiteit Gent
2026
Stan
De Troyer
Op grote evenementen staan vrouwen vaak langer aan te schuiven voor het toilet dan mannen. Gelijke vloeroppervlakte betekent namelijk niet per se gelijke capaciteit: vrouwen doen langer over een toiletbezoek en mannen kunnen gebruikmaken van snelle urinoirs. In mijn masterproef onderzoek ik met een computersimulatie hoe je met dezelfde ruimte zowel de wachttijden als het verschil tussen mannen en vrouwen kunt verkleinen. Ik vergelijk zes toiletindelingen onder realistische, schommelende drukte, en test daarna vier voorrangsregels voor vrouwen op de beste indeling.

De beste indeling combineert 14 gedeelde hokjes met 8 urinoirs. Die verkort de gemiddelde wachttijd met 43% en het verschil tussen mannen en vrouwen met 84%, vergeleken met de beste gescheiden indeling. Een slimme voorrangsregel (Dynamic Aging) werkt het resterende verschil van ongeveer 12 seconden weg, maar enkel bij een gelijke verdeling van mannen en vrouwen (50/50).
Meer lezen

Hey Alexa, help mij leren!

Universiteit Hasselt
2026
Liese
Dewyngaert
Diversiteit wint steeds meer aan belang. Om hierop in te spelen, moeten leerkrachten inzetten op inclusief onderwijs. Tegelijkertijd moet het onderwijs meegaan in een steeds ontwikkelende digitale wereld met AI en virtuele spraakassistenten (VSA’s). Deze technologieën bieden veel potentieel, maar er ontbreekt empirisch onderzoek naar de meerwaarde ervan in het basisonderwijs. Deze masterproef onderzoekt in welke mate de inzet van een VSA voor verlengde instructie bijdraagt aan inclusie en welke vaardigheden de leerlingen nodig hebben om deze technologie te gebruiken. Om dit te beantwoorden, werd een mixed-method quasi-experimentele interventiestudie uitgevoerd bij 30 leerlingen uit het basisonderwijs. Een VSA bood een verlengde instructie binnen de vakdiscipline wiskunde aan. De dataverzameling gebeurde via logboeken, vragenlijsten en transcripties van de gesprekken. De kwantitatieve gegevens werden beschrijvend geanalyseerd en de kwalitatieve gegevens werden verwerkt via een thematische analyse. De resultaten tonen aan dat een VSA een waardevolle ondersteuning kan zijn tijdens een inclusieve verlengde instructie. De extra uitleg werd door de leerlingen als ondersteunend ervaren en stimuleerde actieve participatie en actief denken, wat bijdroeg aan een beter leerstofbegrip. De effectiviteit blijft wel afhankelijk van een doordachte inzet en de kwaliteit van de interactie. Omdat de VSA regelmatig fouten maakte, blijken kritisch denken en andere hogere-orde-denkvaardigheden essentieel. Vooral oudere leerlingen konden deze fouten beter zelfstandig herkennen. Leerlingen hebben daarom aanvankelijk ondersteuning nodig om de VSA doelgericht en kritisch te leren gebruiken.
Meer lezen

Contextafhankelijke modellering van de vervangratio bij autodelen in Vlaamse gemeenten: Een beslissingsondersteunend model voor onderbouwde inschattingen van privéautovervanging

Universiteit Hasselt
2026
Ole
Siemons
In deze masterproef wordt onderzocht hoe lokale factoren in een gemeente van invloed kunnen zijn op het aantal privéauto's dat vervangen wordt door één deelwagen. Aan de hand van twee gebruikerspopulaties die doen aan autodelen worden contextafhankelijke factoren geïdentificeerd en gemodelleerd. De resultaten worden vertaald naar een rekenmodel en een beslissingsondersteunend model waarmee voor Vlaamse gemeenten een onderbouwde, contextafhankelijke vervangratio kan worden ingeschat. De praktische toepasbaarheid hiervan wordt getoetst aan de hand van een Use Case in de Stad Gent.
Meer lezen

Waarom kiezen jongeren voor een politieke carrière?

KU Leuven
2026
Cleo
Pavoncelli
Onderzoek toont aan dat jongeren vaak ondervertegenwoordigd zijn in parlementen (Stockemer & Sundström, 2025). Een gebrek aan vertegenwoordiging kan ertoe leiden dat hun belangen onderbelicht blijven en dat zij vervreemden van het traditionele politieke systeem. Bestaand onderzoek naar jongerenparticipatie richt zich voornamelijk op structurele en institutionele factoren, zoals het kiesstelsel. Deze benaderingen bieden echter geen afdoende verklaring waarom individuen politieke ambitie ontwikkelen en uiteindelijk beslissen om zich kandidaat te stellen (Fox & Lawless, 2005; Lawless, 2011). Daardoor blijft het onduidelijk welke persoonlijke motivaties jongeren tot deze stap aanzetten en welke drempels zij daarbij ervaren.
Een mogelijk verklarend kader is Public Service Motivation (PSM), een concept dat veelvuldig wordt toegepast in onderzoek naar werknemers in de publieke sector. De toepassing ervan in een politieke context is echter nog beperkt onderzocht.
Dit kwalitatieve onderzoek heeft tot doel de motivaties van jonge volksvertegenwoordigers (maximaal 35 jaar bij de start van de legislatuur) in het Vlaams Parlement in kaart te brengen. Hiervoor werden semi-gestructureerde interviews afgenomen bij negen respondenten. Er werd gezorgd voor variatie in leeftijd (zowel respondenten boven als onder de 30 jaar), partijaffiliatie, gender en migratieachtergrond.
De resultaten van dit onderzoek tonen aan dat de omgeving een rol kan spelen in de ontwikkeling van politieke interesse en ideologische voorkeuren. Zowel de interesse voor een politiek mandaat als de specifieke partijkeuze worden echter niet noodzakelijk doorgegeven binnen het gezin. Respondenten wijzen op uiteenlopende motivaties voor hun engagement, waaronder onvrede met huidige situaties, de wens om verandering te realiseren, rolmodellen en de interne partijcultuur. Daarnaast wijst dit onderzoek op de rol van PSM: alle vier dimensies van dit concept komen naar voren in de data. ‘Aantrekking tot beleidsvorming’ lijkt vaker voor te komen bij eerder conservatieve respondenten, terwijl progressieve respondenten vaker verwijzen naar ‘toewijding aan het algemeen belang’ en ‘medeleven’. Voor de dimensie zelfopoffering treden dergelijke verschillen minder duidelijk op. Verder kwantitatief onderzoek is echter nodig om deze tendensen te bevestigen.
Verder wijzen de resultaten op de belangrijke rol van politieke partijen in het lijstvormingsproces. Gevraagd worden door de partij blijkt dan ook een belangrijke factor in de beslissing om zich kandidaat te stellen, evenals in de keuze van het bestuursniveau. Desondanks vertonen de respondenten een uitgesproken voorkeur voor het Vlaams Parlement, voornamelijk omwille van de specifieke bevoegdheidsdomeinen. Tot slot worden verschillende drempels geïdentificeerd. Een politieke carrière nastreven blijkt minder evident voor minderheidsgroepen, zoals vrouwen met een migratieachtergrond. Andere obstakels zijn het bindend karakter van een politieke carrière, en een gebrek aan netwerk en ervaring en de tijdsintensiteit van het mandaat. De respondenten beschouwen hun jonge leeftijd eerder als een troef dan als een nadeel, onder meer vanwege hun grotere voeling met de leefwereld van jongeren.
Meer lezen

Onderzoek naar het gebruik van een zuurgevoelig eiwit voor (nucleaire) beeldvorming van solide tumoren

Erasmushogeschool Brussel
2026
Noura
Lazaar
Deze bachelorproef onderzocht of het pH-gevoelige eiwit T-SorTag potentieel kan worden gebruikt voor nucleaire beeldvorming van solide tumoren. Veel tumoren hebben een zuurdere omgeving dan gezond weefsel. T-SorTag is ontwikkeld om op die lagere pH te reageren. In het onderzoek werd nagegaan hoe het eiwit van structuur verandert bij een zure pH en hoe sterk het bindt aan MC38-darmkankercellen bij verschillende pH-waarden. Daarnaast werd T-SorTag gekoppeld aan een chelator en radioactief gelabeld met gallium-68. De resultaten toonden aan dat T-SorTag sterker aan de onderzochte kankercellen bindt naarmate de omgeving zuurder wordt. Ook na radioactieve labeling bleef dit pH-afhankelijke gedrag zichtbaar. Verdere optimalisatie van onder andere de conjugatie, stabiliteit en radiolabeling is nodig voordat het eiwit verder in vivo kan worden onderzocht.
Meer lezen

Het onbetaakbaarheidsnarratief: Over de invloed van mediaberichtgeving op het vertrouwen in en de steun voor het Belgisch wettelijk pensioenstelsel

KU Leuven
2026
Jessica
Steenacker
De Belgische bevolking veroudert snel. Sinds het einde van de jaren 1980 maken beleidsmakers zich dan ook zorgen over de mogelijke gevolgen die deze vergrijzing zou kunnen hebben voor de overheidsfinanciën en, specifieker, voor het wettelijk pensioenstelsel. Dit stelsel, dat georganiseerd is binnen de Belgische sociale zekerheid en gefinancierd wordt via repartitie, steunt immers in belangrijke mate op een evenwicht tussen het aantal werkende bijdragers en het aantal gepensioneerde uitkeringsgerechtigden. Doorheen de voorbije decennia hebben verschillende studies en beleidsrapporten ondertussen gewezen op de dringende noodzaak aan diepgaande, structurele hervormingen die het wettelijk pensioenstelsel robuuster en toekomstbestendig zouden maken. Tot op heden blijven deze hervormingen echter uit. In deze context is doorheen de afgelopen decennia een dominant onbetaalbaarheidsnarratief ontstaan, waarin de vergrijzing vooral wordt voorgesteld als een financiële last en waarbij de financiële duurzaamheid van het wettelijk pensioenstelsel impliciet in vraag wordt gesteld. Recente maatschappelijke signalen doen echter vermoeden dat dit narratief potentieel zeer reële gevolgen kan hebben voor het vertrouwen in en de steun voor dit stelsel, die beide gegrond zijn in de principes van wederkerigheid en intergenerationele solidariteit en die ook zonder dit narratief al onder druk staan door de maatschappelijke effecten van vergrijzing. De gehanteerde mediaframing van het onbetaalbaarheidsnarratief zou deze dynamiek mogelijk kunnen versterken. Volgens theorieën zoals het illusory truth effect en het Thomas-theorema kan herhaalde negatieve berichtgeving immers een vicieuze cirkel van wantrouwen en onderfinanciering in gang zetten, met mogelijk systeemfalen tot gevolg. Om te onderzoeken of het onbetaalbaarheidsnarratief daadwerkelijk invloed uitoefent op vertrouwen en steun, werd een kwantitatief onderzoek opgezet onder de vorm van een between-subjects vignetsurvey. Een steekproef van de Belgische beroepsactieve bevolking, getrokken door middel van multichannel purposive sampling, werd willekeurig blootgesteld aan één van drie experimentele condities: mediaberichtgeving over de betaalbaarheid van het wettelijk pensioenstelsel met negatieve, neutrale of positieve waardengeladenheid. Nadien werden hun scores voor vertrouwen en steun systematisch opgemeten, en werd ook gepolst naar relevante achtergrondkenmerken. De onderzoeksresultaten tonen aan dat de waardengeladenheid van mediaberichtgeving geen rechtstreeks effect lijkt te hebben op het globale vertrouwen of op de globale steun voor het Belgisch wettelijk pensioenstelsel, maar dat beide vooral samenhangen met enkele demografische, sociaaleconomische en ideologische factoren. Toch lijken enkele cruciale, onderliggende dimensies van vertrouwen en steun echter wel gevoelig voor de gehanteerde framing en ook specifieke sociale groepen blijken vatbaarder voor sommige onderzochte framingeffecten. Tenslotte kon, opvallend genoeg, geen noemenswaardig verband worden vastgesteld tussen vertrouwen en steun, ondanks de wijdverspreide veronderstelling in academische en beleidskringen van een sterk, zelfs causaal verband tussen beide.
Meer lezen

“Van motivatie naar maatschappelijk handelen: de rol van projectonderwijs in de ontwikkeling van actiecompetentie bij Vlaamse leerlingen”

Universiteit Antwerpen
2026
Britta Quinevere Davina
Vandervorst
Deze masterscriptie onderzoekt de rol van projectonderwijs in het versterken van motivatie, basispsychologische behoeften en maatschappelijk engagement binnen het Vlaamse secundair onderwijs. De studie vertrekt vanuit signalen van lage betrokkenheid bij leerlingen, waarbij eerdere bevragingen wijzen op beperkte motivatie en participatie in onderwijscontexten.

Methodologisch wordt een sequentieel verklarend mixed-methods design gehanteerd. In een eerste, kwantitatieve fase worden de relaties tussen autonomie-ondersteuning, basispsychologische behoeften en motivatie onderzocht aan de hand van gevalideerde meetschalen. Vervolgens wordt in een kwalitatieve fase via semigestructureerde
interviews dieper ingegaan op de context en mechanismen achter deze verbanden.

De kwantitatieve resultaten tonen dat autonomie-ondersteuning sterk samenhangt met de vervulling van de basisbehoeften autonomie, competentie en verbondenheid, waarbij vooral autonomie centraal staat in het motivationele proces. Autonomie blijkt bovendien de enige significante directe voorspeller van autonome motivatie, terwijl competentie en verbondenheid enkel indirect bijdragen via hun relatie met autonomie. Mediatieanalyses bevestigen dat het effect van autonomie-ondersteuning op motivatie volledig wordt gemedieerd door ervaren autonomie.

Daarnaast worden geen significante verschillen gevonden in motivatie tussen leerlingen binnen en buiten projectonderwijs, noch een modererend effect van deze werkvorm op de relatie tussen autonomie-ondersteuning en basisbehoeften. Dit suggereert dat projectonderwijs op zich geen directe invloed uitoefent op motivationele
processen.

De kwalitatieve resultaten tonen dat de implementatie en effectiviteit van projectonderwijs sterk afhankelijk zijn van contextuele factoren zoals tijdsdruk, organisatorische randvoorwaarden, samenwerking en de mate van
leerkrachtondersteuning. Deze elementen beïnvloeden in belangrijke mate de manier waarop basisbehoeften in de praktijk worden ondersteund.

De integratie van beide onderzoeksfasen wijst erop dat autonomie de centrale schakel vormt in het motivationele proces, terwijl de impact van projectonderwijs vooral indirect en contextgebonden is. Dit onderzoek benadrukt dat de effectiviteit van projectonderwijs niet inherent is aan de werkvorm zelf, maar afhankelijk van de mate waarin de leeromgeving structureel behoefte-ondersteunend wordt ingericht.
Meer lezen

Kortverhalen in de klas: een kwalitatieve analyse van "Literatuur op School"

KU Leuven
2026
Rosa
Cleiren
Deze masterproef situeert zich binnen twee parallelle ontwikkelingen in het Vlaams onderwijs: een dalende leesvaardigheid bij leerlingen en een steeds beperktere plaats voor literatuur in het curriculum.
In 2024-2025 startte het Xaveriuscollege in Borgerhout met het driejarig project “Literatuur op School”, dat op een innovatieve manier op die uitdagingen inspeelt door meer literatuur te integreren in het curriculum. Deze masterproef onderzoekt enerzijds hoe het project pedagogisch wordt onderbouwd en praktisch wordt vormgegeven, en anderzijds hoe de betrokken leerkrachten en leerlingen het ervaren op basis van kwalitatief onderzoek.
Het project werd ontwikkeld door Dennis Melsen, een leerkracht Nederlands en filosofie, en heeft als doel om een coherente aanpak van literatuuronderwijs over alle (moderne) talen en graden heen te implementeren. Kortverhalen functioneren daarbij als centraal didactisch instrument: als toegankelijke en meerduidige literaire vorm worden ze zowel in taalvakken als in niet-taalvakken ingezet. Door kortverhalen te koppelen aan concrete lesonderwerpen, verbindt het project vakinhoudelijke doelstellingen met bredere vormende ambities. De lessen binnen het project verlopen via een vast stappenplan, dat de uitvoering van het dialogisch en perspectivisch lezen ondersteunt. Dat stappenplan nodigt de leerlingen uit om zich persoonlijk te betrekken bij de tekst door hun vragen bij
het verhaal te expliciteren en om daarna de antwoorden in groep te bespreken. Onderzoek van Applebee et al. koppelt die vraaggestuurde leeshouding en de uitwisseling van ideeën in een open klasgesprek aan een verhoogde leesvaardigheid. Door eerst met de tekst in dialoog te treden en vervolgens met elkaar, bouwen de leerlingen hun kennis en interpretaties gezamenlijk op en groeit ook hun openheid voor andere perspectieven.
Dit onderzoek gaat na hoe deze principes vertaald worden naar de klaspraktijk. Uit interviews met leerkrachten, focusgesprekken met leerlingen en klasobservaties blijkt dat de doelstellingen van het project grotendeels worden gerealiseerd. Leerkrachten en leerlingen ervaren de lessen als leerrijk, activerend en verfrissend. De dialogische klasdynamiek stimuleert rijke uitwisselingen over de verhalen en de maatschappelijke thema’s die ze aanreiken, waardoor leerlingen tot een ruimer begrip van de
lesinhoud komen. Daarnaast zorgt de herhaalde confrontatie met kortverhalen voor meer
vertrouwdheid met literatuur en voor de frequente oefening van het gebruik van literaire begrippen.

Tegelijk wijst de analyse op enkele praktische en structurele uitdagingen: klasgrootte, tijdsduur, evaluatie, leesvaardigheid en de nood aan meer didactische ondersteuning voor leerkrachten en leerlingen vormen aandachtspunten voor tijdens het laatste projectjaar. Ook de structurele verankering van de methode binnen de taalvakken en de uitbouw van een duurzame leescultuur op school vragen verdere ontwikkeling. Deze masterproef concludeert daarom dat “Literatuur op School” een veelbelovend model is voor een geïntegreerd literatuurbeleid, waarvan de impact nog kan worden versterkt door gerichte ondersteuning en meer systematische inbedding.
Meer lezen

MEROO Ondersteuning bij verslaglegging tijdens de zorgronde

Universiteit Antwerpen
2026
Eva
Visser
Gebruik hiervoor een korte, zakelijke samenvatting. Bijvoorbeeld:
Korte inhoud van je scriptie
Mijn scriptie onderzoekt hoe zorgverleners in de ouderenzorg ondersteund kunnen worden bij het vastleggen van observaties tijdens of direct na een zorgmoment. Uit interviews, een enquête en workflowanalyse bleek dat rapportage vaak pas later gebeurt, waardoor zorgverleners veel informatie moeten onthouden tijdens een drukke zorgronde. Dit vergroot de mentale belasting en kan ervoor zorgen dat details verloren gaan.
Als antwoord hierop ontwikkelde ik MEROO: een product-service-systeem met een borstgedragen wearable, NFC-tags, een laadstation en een digitale inbox. Zorgverleners kunnen korte observaties inspreken op het moment dat ze ontstaan. De opnames worden later verwerkt tot conceptnotities, die de zorgverlener controleert voordat ze in het cliëntendossier worden overgenomen.
Met een proof of concept testte ik de technische haalbaarheid van opnemen, transcriberen en controleren. MEROO wil administratieve druk verminderen, zonder de zorgverlener te vervangen. Het systeem brengt rapportage dichter bij het zorgmoment en creëert meer ruimte voor directe, menselijke zorg.
Meer lezen

Een regeneratieve toekomst voor Zwartberg - Naar een inclusieve en prikkelregulerende leeromgeving: Architectuur voor kinderen met een autismespectrumstoornis

Universiteit Hasselt
2026
Kato
Martens
  • Rayna
    Bongaerts
  • Yarne
    Claes
  • Connor
    De Smet
  • Elias
    Doyen
  • Daan
    Driessen
  • Liza
    Hendrickx
  • Jorien
    Houben
  • Evelyne
    Gielkens
  • Joppe
    Loodts
  • Rens
    Neyens
  • Arne
    Pellaers
  • Britt
    Raskin
  • Sara
    Simons
  • Anke
    Surinx
  • Tineke
    Vandekerkhof
Deze masterproef onderzoekt hoe architectuur, materialiteit en bouwfysische principes kunnen bijdragen aan een prikkelregulerende en voorspelbare leeromgeving voor kinderen met een autismespectrumstoornis (ASS). Het onderzoek combineert literatuurstudie, case study-analyse en materiaalonderzoek en vertaalt de inzichten naar concrete ontwerpprincipes. Deze worden toegepast in een nieuw schoolontwerp voor De Wissel in Zwartberg, waarin ruimtelijke leesbaarheid, verschillende gradaties van prikkels, natuur, overgangsruimtes en comfort samenkomen. Het project wordt gekaderd binnen een bredere regeneratieve toekomstvisie voor Zwartberg, waarin ecologische, sociale en maatschappelijke aspecten met elkaar worden verbonden.
Meer lezen

Communicatie over het verlangen naar het levenseinde: ervaringen van verpleegkundigen met ouderen in woonzorgcentra

Vrije Universiteit Brussel
2026
Esmee
Sterckx
De gemiddelde levensverwachting blijft stijgen, maar ook het aantal jaren waarin mensen leven met een verminderde gezondheid neemt toe. Hierdoor groeit de behoefte aan langdurige woonzorgvoorzieningen. Hoewel een daling in levenstevredenheid doorgaans pas optreed in de allerlaatste levensfase, ervaart een groeiende groep ouderen eerder moeilijkheden met het latere leven. In sommige gevallen leidt dit tot een verlangen naar het levenseinde. De context van een woonzorgcentrum kan deze gevoelens versterken. Binnen deze context vervullen verpleegkundigen een sleutelrol. Toch voelen verpleegkundigen zich regelmatig machteloos in deze situaties. Deze studie onderzoekt hoe verpleegkundigen hun communicatie over het verlangen naar het levenseinde met ouderen in woonzorgcentra ervaren.
Meer lezen

Mondeling advies over de huisvesting van konijnen (Oryctolagus cuniculus) in Vlaamse dierenspeciaalzaken

Hogeschool VIVES
2026
Yasmine
Degroot
Dit onderzoek analyseert het mondelinge advies dat medewerkers van Vlaamse dierenspeciaalzaken geven over de huisvesting van gezelschapskonijnen (Oryctolagus cuniculus) en in welke mate dit overeenkomt met de richtlijnen van Dierenwelzijn Vlaanderen. Correcte huisvesting is essentieel voor konijnenwelzijn, maar eigenaars zijn sterk afhankelijk van het advies dat zij in winkels ontvangen.
In totaal werden 25 medewerkers uit vijf verschillende winkelketens geïnterviewd via een gestructureerde vragenlijst. De vragen bevroegen de achtergrond van medewerkers, advies over hokformaat, sociale huisvesting en kennis van de Vlaamse dierenwelzijnsrichtlijnen. Slechts 6 van de 25 medewerkers hebben een diergerelateerde opleiding; de overige baseren hun advies op interne opleiding of
ervaring, wat leidt tot grote variatie in gegeven advies.
Advies over hokgrootte is zeer uitlopend, 14 medewerkers noemen enkel een minimale lengte, waarvan acht medewerkers 1,20 m aanhalen. Anderen geven het aan in oppervlakte, zoals 1 of 4 m² of benadrukken dat een hok “zo groot mogelijk” moet zijn. Slechts vier medewerkers adviseren spontaan een ren, hoewel literatuur
het belang hiervan duidelijk aantoont. Het winkelassortiment beïnvloedt het advies bij 16 medewerkers. Zij geven aan dat het beschikbare aanbod hun aanbevelingen stuurt, waarbij traliekooien het vaakst worden verkocht.
Wat verrijking betreft, bevelen 15 medewerkers knaagmateriaal, speelgoed of schuilplaatsen aan, maar ondanks bekende gezondheidsrisico’s verwijzen twee nog naar knaagstenen. Advies over sociale huisvesting is eveneens inconsistent. Hoewel 11 medewerkers aangeven dat konijnen niet alleen gehouden mogen worden, vinden 16 medewerkers dat andere diersoorten zoals cavia’s geschikt gezelschap zijn. Dit is tegenstrijdig met de soortspecifieke behoeften en de Vlaamse dierenwelzijnsrichtlijnen. De bekendheid met de richtlijnen van Dierenwelzijn Vlaanderen is bijzonder laag.
Achttien medewerkers kennen ze niet en geen enkele kan minimale afmetingen benoemen. Hierdoor ontvangen eigenaars vaak onvolledige of foutieve informatie.
De resultaten tonen een duidelijke kloof tussen wetenschappelijke aanbevelingen en het verstrekte advies. Beperkte opleiding, variatie in ervaring, commerciële assortimentskeuzes en onbekendheid met richtlijnen leiden tot inconsistente en soms incorrecte aanbevelingen. Het onderzoek benadrukt de nood aan gerichte opleidingen, een welzijnsgericht assortiment en betere opvolging van de Vlaamse richtlijnen, om het welzijn van gezelschapskonijnen systematisch te kunnen verbeteren.
Meer lezen

Rittenplanning voor het leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs

KU Leuven
2026
Indra
Coppens
Deze masterproef onderzoekt hoe een geautomatiseerd planningsalgoritme kan bijdragen aan beter leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs. Het ontwikkelde algoritme stelt automatisch rittenplanningen op en werd gebruikt om de impact van factoren zoals het aantal bussen, aankomstvensters en de planningsschaal te analyseren. De ontwikkelde dataset, wiskundige formulering en het algoritme kunnen bijdragen aan toekomstig onderzoek naar het verbeteren van het leerlingenvervoer.
Meer lezen

Stedenbouwkundige verhardingscompensatie: een verordening ter activatie van ontharding’

KU Leuven
2026
Eline
Van de Steene
Vlaanderen is een van de meest verharde regio’s van Europa en de verhardingsgraad blijft jaarlijks toenemen. De Vlaamse overheid heeft onthardingsdoelstellingen tegen 2050 geformuleerd. Deze doelstellingen werden recent herbevestigd in de Conceptnota van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Verharding doet de natuurlijke functies van de bodem verloren gaan. Verschillende studies benadrukken de noodzaak van ontharding voor mens en milieu, bepalen de omvang van de onthardingsopgave, inventariseren bestaande initiatieven en formuleren aanbevelingen voor een ruimtelijk beleid dat bijkomende verharding kan vermijden, beperken en compenseren. Daarbij wordt vastgesteld dat de huidige initiatieven onvoldoende zijn om de vooropgestelde doelstellingen te bereiken en de grootschalige ingrepen zich bovendien voornamelijk beperken tot het publiek domein. Een bijdrage vanuit de private zijde is daarom noodzakelijk om de doelstellingen te behalen.

Deze masterproef onderzoekt hoe de Vlaamse reductieopgaven vertaald kunnen worden naar het instrument van de stedenbouwkundige last, dat eigenaars verplicht te ontharden of ontharding elders financieel te compenseren. Dit resulteert in een stedenbouwkundige verordening die een verhardingscompensatie oplegt bij omgevingsvergunningen waarbij bijkomende verharding wordt aangevraagd. De verhardingscompensatie beschikt over het potentieel om de stijgende verhardingsgraad om te keren en de netto toename aan verharding in Vlaanderen een halt toe te roepen.

Het onderzoek werd uitgevoerd aan de hand van een literatuuronderzoek in combinatie met een overlegmoment met experten. Het literatuuronderzoek bood inzicht in het thema, de beleidsdoelstellingen, de bestaande instrumenten en initiatieven, het instrument van de stedenbouwkundige last en de toepassing ervan in praktijkvoorbeelden. Uit de analyse van deze praktijkvoorbeelden bleek dat weinig Vlaamse gemeenten lasten opleggen ter compensatie van verharding of bij het niet behalen van de vooropgestelde groennorm. Hieruit wordt geconcludeerd dat er in Vlaanderen nog aanzienlijke stappen moeten gezet worden om de transitie van een verhardingspraktijk naar een onthardingscultuur te realiseren.

Tijdens de workshop met een diverse groep experten, waaronder vertegenwoordigers van de Vlaamse overheid, lokale besturen, academici, zelfstandige experten en een omgevingsjurist, werd een conceptverordening besproken aan de hand van verschillende stellingen uit dit onderzoek. De expertentafel leverde waardevolle aanvullingen en droeg bij aan de verdere verfijning van de conceptverordening. De geformuleerde aanbevelingen
gaven mee vorm aan de finale verordening. Daarbij primeerde de keuze voor een gewestelijke financiële last boven een gemeentelijke last in natura, omwille van uniformiteit en meer effectiviteit in Vlaanderen.

De finale verordening omvat een financiële last voor alle bijkomende verharding. Deze draagt bij aan een gesloten systeem waarbij ontharding elders kan worden gefinancierd en subsidies kunnen worden verleend aan grootschalige onthardingsprojecten van private eigenaars. Tot slot laat de flexibiliteit van de verordening de gemeenten toe deze al in te voeren in afwachting van een invoering door de Vlaamse Regering. De lokale besturen beschikken daarbij over de bijkomende mogelijkheid om lasten in natura op te leggen indien zij van oordeel zijn dat dit type lasten beter aansluit bij hun lokale onthardingsambities.
Meer lezen

Assessing the social impact of electronics fabrication

Universiteit Gent
2026
Laura
Sondakh
De groei van de elektronica-industrie gaat gepaard met toenemende gevolgen. De impact op het milieu wordt reeds onderzocht, maar de sociale gevolgen blijven onderbelicht. In dit werk wordt een werkwijze voorgesteld om de sociale gevolgen van de productie van PCBA’s te analyseren. Eerst worden de stappen overlopen voor de productie van IC’s, PCB’s en afzonderlijke componenten, packaging en assemblage, waarna een overzicht wordt gemaakt van de gebruikte materialen. Voor deze materialen worden de sociale gevolgen geëvalueerd aan de hand van de mijnbouwfase. De gevolgen worden gekwantificeerd op basis van de volgende categorieën: kinderarbeid, informele mijnbouw, gewelddadige conflicten, sterkte van de rechtsstaat, controle van corruptie en menselijke ontwikkeling. Voor elk materiaal worden ze geëvalueerd door aan elk van de vijf meest producerende landen een score toe te kennen en een gewogen gemiddelde te berekenen. Het resultaat is een overzicht van de sociale gevolgen van de verschillende materialen die gebruikt worden voor de productie van elektronica. De materialen met de grootste sociale gevolgen zijn kobalt, tantaal, tin, iridium, ruthenium en chroom. Materialen met lagere sociale gevolgen zijn ijzer, beryllium en lithium. Om in te schatten of veranderingen in het productieproces een groot effect zouden hebben, wordt nagegaan welk aandeel van de globale productie van een materiaal gebruikt wordt binnen de elektronica-industrie. Op basis van deze twee analyses worden kobalt, tantaal en zilver geselecteerd voor een extra analyse, waarin toepassingen en alternatieven worden besproken, rekening houdend met technische eigenschappen en kostprijs. De alternatieven hebben meestal bepaalde nadelen. Voor sommige toepassingen zijn er zelfs geen alternatieven mogelijk. Ten slotte worden de milieu- en sociale gevolgen vergeleken. Hieruit blijkt dat bepaalde materialen met grote sociale gevolgen weinig milieu-gevolgen hebben en vice versa. Het wordt dus duidelijk dat er geen ‘ideaal’ materiaal bestaat: er is steeds een afweging nodig tussen milieu- en sociale gevolgen, technische eigenschappen en kostprijs.
Meer lezen