Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Lezen om jezelf en de ander te zien: Validatie van de TREQ-C en een dialogische literatuurinterventie bij tien- tot twaalfjarigen

Universiteit Antwerpen
2026
Steffi
Struys
Vanaf schooljaar 2026-2027 moeten Vlaamse basisscholen binnen de vakdiscipline Nederlands ook literatuur onderwijzen als elementair onderwerp. Het nieuwe minimumdoel 1.5.7 stelt dat leerlingen verbanden moeten leggen tussen elementen uit de tekst en hun eigen emoties en gedachten en deze met medeleerlingen bespreken. Hoewel er een groeiende evidentie is dat het lezen van literatuur zelfinzicht, empathie en inlevingsvermogen kan bevorderen, ontbreekt empirisch onderzoek binnen de Vlaamse basisschoolcontext. Deze masterproef adresseert deze lacune met twee gerelateerde
onderzoeksdoelen.
Het eerste doel was het valideren van de Transformative Reading Experiences Questionnaire (TREQ) voor gebruik in de basisschool, in de vorm van een aangepaste basisschoolversie (TREQ-C). De vragenlijst werd ingevuld door 368 leerlingen (leeftijd 10-13) uit elf Vlaamse basisscholen. Een principale componentenanalyse, aangevuld met een exploratieve factoranalyse en betrouwbaarheidsanalyse, toonde aan dat de originele zeven-dimensionale structuur niet volledig repliceerde. Een herziene vierdimensionale versie bleek wel robuust: Verbeelding, Zelfinzicht en inzicht in de ander, Oordelen over personages en Emotionele en esthetische respons. De TREQ-C
vertoonde een aanvaardbare tot goede betrouwbaarheid, met Zelfinzicht en inzicht in de ander als de sterkste schaal (α = .84).
Het tweede doel was het verkennen van het effect van een interventie bestaande uit zes dialogische literatuurlessen, gebaseerd op Transformative Dialogic Literature Teaching (TDLT), op 59 leerlingen uit het vijfde en zesde leerjaar. Een pre-post design zonder controlegroep toonde een klein maar significant positief effect op Zelfinzicht en inzicht in de ander (t(58) = 2.07, p = .043, d = 0.27); op de andere schalen werden geen significante effecten gevonden.
Samen leggen deze bevindingen een voorlopige empirische basis voor het evalueren en ondersteunen van transformatief literatuuronderwijs in Vlaamse basisscholen, in lijn met de verwachtingen in het vernieuwde curriculum
Meer lezen

Het onzichtbare gemis in spoedzorg

Thomas More Hogeschool
2026
Lauren
Claes
  • Caress
    Bruyndonckx
Deze bachelorproef onderzoekt welke factoren de patiënttevredenheid op de spoedgevallendienst beïnvloeden, met bijzondere aandacht voor wachttijden, overbevolking en communicatie. Daarnaast wordt nagegaan welke interventies de tevredenheid van patiënten kunnen verbeteren.

Uit de literatuur blijkt dat overbevolking op spoeddiensten wereldwijd een toenemend probleem vormt. Lange wachttijden leiden niet alleen tot frustratie en stress bij patiënten, maar verhogen ook de kans dat patiënten vertrekken zonder gezien te worden. Daarnaast zorgen personeelstekorten, beperkte beddencapaciteit en een hoge instroom van niet-dringende patiënten voor extra druk op de spoedgevallendienst.

De studie toont aan dat patiënttevredenheid niet uitsluitend afhangt van de objectieve wachttijd, maar vooral van de manier waarop patiënten deze wachttijd ervaren. Onvoldoende communicatie over wachttijden, triage en zorgprocessen zorgt voor onzekerheid, wantrouwen en een negatieve zorgervaring. Daartegenover staan duidelijke uitleg, empathische communicatie en persoonsgerichte zorg, die de tevredenheid aanzienlijk kunnen verhogen, zelfs wanneer de wachttijd zelf niet korter wordt. Verpleegkundigen spelen hierin een cruciale rol door patiënten te begeleiden, verwachtingen te managen en ondersteuning te bieden tijdens het wachten.

Binnen de bachelorproef werden verschillende interventies onderzocht. Effectieve maatregelen zijn onder andere duidelijke wachtrijsystemen, visuele informatie over wachttijden, informatieve video’s, verbeterde wachtomgevingen en extra aanspreekpunten voor patiënten. Ook technologische toepassingen, zoals zelfmeetkiosken en digitale dashboards, kunnen bijdragen aan een betere doorstroming en meer transparantie. Daarnaast benadrukt de studie het belang van een sterkere eerstelijnszorg om de druk op spoeddiensten te verminderen.

Op basis van de onderzoeksresultaten ontwikkelden wij het prototype “MyTurn”, een digitale applicatie voor patiënten op de spoedgevallendienst. Via deze app krijgen patiënten realtime informatie over wachttijden, uitleg over triage en inzicht in de actuele drukte op de dienst. De applicatie bevat daarnaast een digitale vragenlijst volgens de AMPLE-structuur om relevante gezondheidsinformatie vooraf te verzamelen. Het doel van MyTurn is niet om wachttijden effectief te verkorten, maar wel om frustratie, onzekerheid en stress te verminderen door transparante communicatie en betere betrokkenheid van de patiënt.

De conclusie van de bachelorproef is dat patiënttevredenheid op de spoedgevallendienst vooral bepaald wordt door de beleving van de patiënt. Heldere communicatie, empathische begeleiding en een persoonsgerichte aanpak blijken essentieel om de negatieve impact van wachttijden en drukte te beperken. Verpleegkundigen vormen hierbij een centrale schakel binnen kwaliteitsvolle en patiëntgerichte spoedzorg.
Meer lezen

FROM SPATIAL ECOLOGY TO ECOSYSTEM IMPACT: LARGE GRAZERS IN HEATH AND DUNE LANDSCAPES LINKING MOVEMENT BEHAVIOUR, HABITAT SELECTION, AND VEGETATION DYNAMICS IN THE WESTHOEK AND KALMTHOUTSE HEIDE

Universiteit Gent
2026
Jobbe
Vermandere
Het inzetten van vrij rondlopende grote herbivoren vormt een hoeksteen van het natuurbeheer in Europa. De bedoeling is om via extensieve begrazing natuurlijke processen te herstellen, zoals het tegenhouden van snelle vegetatiesuccessie en het in stand houden van de structurele diversiteit van open landschappen. Hierdoor wordt dit type beheer ook wel procesbeheer genoemd. In voedselarme ecosystemen, zoals kustduinen en laaglandheiden, heeft de wijdverspreide stikstofdepositie en het wegvallen van historische verstoringen geleid tot een snelle structurele achteruitgang. Dit uit zich voornamelijk in de vestiging van sterk competitieve grassen en kruidachtigen (vergrassing of verruiging) en de vestiging van dicht struikgewas (verstruweling),
waardoor gespecialiseerde pioniersoorten worden verdrongen en de biodiversiteit afneemt. Hoewel begrazing voor natuurbeheer op grote schaal wordt ingezet om deze bedreigingen te verminderen, blijven de precieze ruimtelijke mechanismen waarmee deze dieren habitat selecteren en interageren met fysieke infrastructuur complex en contextgebonden. Deze studie evalueerde de ruimtelijke ecologie en het vermogen tot ecosysteembeïnvloeding van grote herbivoren in twee structureel verschillende landschappen: de kustduinen van de Westhoek (begraasd door een gemengde groep paardachtigen bestaande uit Konikpaarden en Shetlandpony’s en een kudde Schotse hooglanders) en de laaglandheide van de Kalmthoutse Heide (begraasd door een kudde Galloway-runderen). Om de kloof tussen de bewegingen van individuele dieren en successieveranderingen op landschapsschaal te overbruggen, maakte dit onderzoek gebruik van een meerledig
methodologisch kader dat was onderverdeeld in drie afzonderlijke werkpakketten (WP). Ten eerste
werd Continuous-Time Movement Modelling (ctmm) toegepast op GPS-telemetriegegevens om
het gebruik van ruimte met grensbeperkingen en ruimtelijke verzadiging in kaart te brengen (WP1).
Deze benadering corrigeerde wiskundig voor inherente temporele autocorrelatie en maakte gebruik
van Degrees of Freedom (DOF)-filtering om robuuste Autocorrelated Kernel Density Estimates
(AKDE) te extraheren. Ten tweede werden geïntegreerde Resource Selection Functions (iRSF)
ingezet om de habitatkeuze op kleine schaal en de onderliggende milieubeperkingen te evalueren
(WP2). De iRSF-modellen gebruikten specifiek het AKDE-gebied van elk dier als
beschikbaarheidsbasis, waardoor de habitatkeuze strikt werd geëvalueerd ten opzichte van het
toegankelijke landschap, terwijl tegelijkertijd rekening werd gehouden met continue variabelen
zoals topografie, afstand tot water en afstand tot antropogene infrastructuur (paden en hekken).
Ten slotte werden vegetatiehoogtekaarten met hoge resolutie uit 2020 en 2025 in de Westhoek
geanalyseerd om dit ruimtelijk gedrag te koppelen aan structurele landschapsveranderingen
(WP3). Door ruimtelijke pixels te categoriseren in vegetationele overgangstoestanden (Stabiel,
Regressie of Toename), werd de cumulatieve ruimtegebruiksintensiteit van de paarden
gemodelleerd tegen abiotische stressfactoren om de werkelijke drijvende krachten achter de
vegetatiedynamiek te bepalen.
De ruimtelijke modellen (WP1) brachten fundamentele verschillen in de ruimtelijke basisecologie
aan het licht, die worden bepaald door eigenschappen op soortniveau en de dynamiek binnen de
kudde. Uit de ruimtelijke tracking bleek dat noch de paardachtigen in de Westhoek (na de corridor
opening) noch de Galloway-runderen op de Kalmthoutse Heide biologisch verzadigd zijn. Hun
leefgebieden worden dus niet volledig bepaald door de fysieke grenzen van de reservaten, wat
wijst op actieve en doelgerichte ruimtelijke keuzes. De Galloway-runderen vertoonden relatief grote
seizoensgebonden schommelingen in de omvang van het leefgebied, wat wijst op dynamische
aanpassingen aan de beschikbaarheid van voedselbronnen. Omgekeerd vertoonden de
paardachtigen in de Westhoek het hele jaar door relatief stabiele leefgebieden, wat wijst op een
biologisch verschil waarbij paardachtigen minder gevoelig zijn voor seizoensgebonden fenologie.
De paardachtigen vertoonden echter wel significante seizoensgebonden verschuivingen in hun
kerngebieden, wat bevestigt dat, hoewel hun totale gebied stabiel blijft, hun interne foerageerfocus
dynamisch verschuift. Bovendien zorgde een lage interindividuele variatie voor een vrij
samenhangende kuddedynamiek bij de runderen, terwijl een hoge interindividuele variatie onder
de paardachtigen leidde tot duidelijke divergentie tussen subkuddes. Daarnaast evalueerde WP1
de impact van het herstel van de landschapsconnectiviteit in de Westhoek via de opening van een
corridor in de winter van 2022-2023. Hoewel de opening een aanzienlijke uitbreiding van de
absolute omvang van de leefgebieden van de paardachtigen veroorzaakte, werd deze uitbreiding
niet uniform door de hele groep overgenomen, wat benadrukt dat landschapsconnectiviteit wordt
gemedieerd door lokale locatietrouwheid en interne sociale structuren.
De evaluatie van de habitatkeuze op kleinschalig niveau (WP2) bevestigde deze verschillen op
soortniveau nog eens extra. Op de Kalmthoutse Heide fungeerden de runderen als biologische
filters: ze zochten actief habitat op met een begraasbare laag (bijvoorbeeld gras- of boomopslag)
en vermeden zuivere heidegebieden zonder begraasbare laag. Deze selectie was het sterkst
tijdens de voorjaarsgroei en werd geleidelijk breder naarmate het groeiseizoen ten einde liep. In
de Westhoek kozen paardachtigen onevenredig vaak voor open, grasrijke vegetatie boven dicht
struikgewas, hoewel morfologische verschillen de kleinere Shetlandpony's waarschijnlijk in staat
stelden om ijle vegetatie (bijv. Schaarsbegroeid) en laag struikgewas (Kruipwilg_laagstruweel)
gunstiger te exploiteren. Deze divergentie geeft aan dat kleinere paardachtigen niches kunnen
exploiteren die grotere paardachtigen negeren of waarin ze niet kunnen overleven door gebruik te
maken van andere biomechanische eigenschappen en kleinere beetgroottes, waardoor de totale
ecologische impact op het landschap wordt verbreed.
Naast de categorische vegetatie werd de ruimtelijke verspreiding aanzienlijk beïnvloed door
voortdurende abiotische en antropogene beperkingen. Nabijheid van water bleek in beide
reservaten geen beperkende factor te zijn; noch de paardachtigen, noch de runderen vertoonden
een afhankelijkheid van stilstaand oppervlaktewater, maar toonden ruimtelijke neutraliteit of actieve
vermijding. Topografisch gezien kozen de runderen (in de lente), de grotere Konik-paarden (in de
zomer en herfst) en de Shetlandpony (in de herfst) actief voor vlakker terrein, waarschijnlijk om de
metabolische bewegingskosten te minimaliseren. Hoewel de Shetlandpony deze voorkeur voor
vlakker terrein in de herfst deelde, week hij in de zomer af van de Koniks door topografisch neutraal
te blijven. Deze seizoensgebonden divergentie suggereert ofwel dat de kleinere lichaamsmassa
van de pony voor meer wendbaarheid zorgt, waardoor het relatieve metabolische nadeel van
voortbeweging op steilere hellingen afneemt, ofwel dat de solitaire pony door de Konik-kuddes of
de Schotse hooglander kudde competitief wordt verdrongen naar minder gunstige, steilere
topografie. Wat de menselijke infrastructuur betreft, dwongen de modellen een heroverweging af
van de visie van algemene antropogene vermijding. Terwijl de omheiningen van het reservaat
fungeerden als een ruimtelijke barrière voor de paardachtigen (in de lente en winter, voornamelijk
gedreven door de Shetlandpony), fungeerden ze als een ruimtelijk aantrekkingspunt voor de
Galloway-runderen in de lente. Gelijkaardig werkten de interne paden als ruimtelijke
aantrekkingspunten voor zowel de Shetlandpony als de Galloway-runderen. Dit toont aan dat grote
herbivoren, in plaats van menselijke infrastructuur universeel te vermijden, padennetwerken
potentieel kunnen gebruiken als navigatiecorridors, en omheiningen als structurele
oriëntatiepunten.
Terwijl WP1 en WP2 vaststelden hoe de paardachtigen in de Westhoek navigeren en hun habitat
selecteren, evalueert WP3 de wederzijdse ecologische impact: hoe de langdurige ruimtelijke
aanwezigheid van deze herbivoren actief het successietraject van de vegetatie in het reservaat
beïnvloedt. Door veranderingen in vegetatiehoogte te modelleren tegen de achtergrond van
cumulatieve ruimtegebruiksintensiteit en abiotische beperkingen, ontstaat een ruimtelijk verhaal
over de voordelen en beperkingen van top-downcontrole door grazers. De vegetatiemodellering
toonde aan dat een hoog cumulatief ruimtegebruik door paardachtigen fungeert als een effectieve
preventieve barrière tegen de initiële vorming en verspreiding van ruige vegetatie. De gegevens
definieerden echter tegelijkertijd de grenzen van deze top-down biologische controle. Zodra
houtige of ruige vegetatie de initiële herbivoriebarrière met succes doorbreekt, volstaat intens
ruimtegebruik niet meer om de terugtrekking ervan af te dwingen. Gedreven door een
synergetische combinatie van lokale nutriëntenafzetting, mechanische bodemverstoring en
verminderde concurrentie, kan intensief ruimtegebruik door paardachtigen zelfs de verticale groei
van gevestigd hoog struikgewas bevorderen. De ontmanteling van vegetatie in een laat, volwassen
stadium wordt uitsluitend aangedreven door bottom-up abiotische stressfactoren in plaats van top
down herbivorie. De diepte van het grondwater in het voorjaar had het meest uitgesproken effect
op de vegetatiedynamiek: het bepaalde de stabiliteit van pioniersmatrices, stimuleerde de
terugtrekking van ruige vegetatie en fungeerde als de belangrijkste natuurlijke stressfactor die de
voortdurende groei of aanwezigheid van laag en hoog struikgewas voorkwam. Bovendien werd de
dynamiek van ondieper gewortelde grassen en kruiden gedicteerd door hoge omgevingsstress,
waarbij deze matrices groeiden en afnamen in gebieden die gekenmerkt worden door diep
grondwater, steilere hellingen en een hoge blootstelling aan de zon.
Voor natuurbeheer biedt deze thesis duidelijke, op gegevens gebaseerde aanbevelingen met
betrekking tot het gebruik van vrij rondlopende grote herbivoren. Uiteindelijk toont deze studie aan
dat de impact van deze grote herbivoren als ecosysteemingenieurs niet uniform of absoluut is. De
ruimtelijke dynamiek bevestigt dat ruimtegebruik een effectief, gericht instrument kan zijn om
vroege successie te stoppen, open matrices in stand te houden en gedegradeerde habitats aan te
pakken. Omdat grazers echter geen gevestigd struikgewas kunnen ontmantelen, vereist het
terugdringen van volgroeide houtige begroeiing een strategische, dubbele beheersaanpak die
biologisch ruimtegebruik koppelt aan gerichte mechanische ingrepen. Bovendien benadrukt de
ruimtelijke divergentie van de Shetlandpony de cruciale waarde van morfologische diversiteit.
Specifiek geeft deze divergentie aan dat kleinere paardachtigen, door gebruik te maken van andere
biomechanische eigenschappen en een kleinere hapgrootte, niches kunnen benutten die grotere
paardachtigen negeren of waarop ze niet kunnen overleven, waardoor de totale ecologische impact
op het landschap wordt verbreed. Ten slotte wijst de aantrekkingskracht van paden en het
verspreidingseffect van corridors op nieuwe, proactieve beheersmogelijkheden. In plaats van
menselijke infrastructuur als een verstoring te beschouwen, kunnen beheerders strategisch interne
padennetwerken en corridors ontwerpen die als biologische trechters fungeren, waardoor grazers
naar specifieke doelgebieden worden geleid en de ecologische manipulatie (engineering) in het
bredere landschap wordt gemaximaliseerd.
Meer lezen

De zoete afstand

LUCA School of Arts
2026
Yasmin
Gheisari
Deze masterproef vertrekt vanuit een persoonlijke vraag: hoe kan baraka, een spirituele
kracht van goddelijke oorsprong die voorspoed en bescherming brengt, voelbaar
worden binnen beeldende kunst?
Baraka is voor mij geen abstract begrip. Ze zit in mijn culturele achtergrond, in mijn
familie, in mijn eigen zoektocht naar geloof en het spirituele. Vanuit die persoonlijke
basis kijk ik ook naar hoe baraka historisch en cultureel gevormd is binnen de
Marokkaanse context, hoe ze zich toont in mensen, materialen en alledaagse
handelingen.
Dit onderzoek beweegt zich tussen literatuur, gesprekken, inspirerende kunstenaars en
mijn eigen artistieke praktijk. Het resultaat is een werk waarin het maakproces een
ritueel karakter krijgt, en waarin kunst een ruimte opent waar het onzichtbare niet wordt
verklaard, maar voelbaar wordt.
Meer lezen

Mucus Diffusion of Apremilast Nanocrystals in Healthy and Cystic Fibrosis Models for Pulmonary Drug Delivery

Universiteit Gent
2026
Marion
Van Hulle
Dit onderzoek focust op nanogeneeskunde, in het bijzonder voor pulmonale geneesmiddeltoediening, waarbij zowel de beperkte wateroplosbaarheid van veel geneesmiddelen als de barrièrefunctie van mucus belangrijke formulatie uitdagingen vormen. Apremilast (APR), een slecht wateroplosbare fosfodiësterase 4 inhibitor met therapeutisch potentieel voor cystic fibrosis (CF), vereist een formulering die de oplosbaarheid verhoogt en diffusie door mucus mogelijk maakt. De centrale vraag is of APR nanokristallen (NCs) diffunderen door gezonde en CF-mucusmodellen en welke formulatie en mucusgerelateerde parameters deze diffusie bepalen. Hiervoor beoogt dit onderzoek de ontwikkeling en karakterisering van APR NCs, het formuleren van gezonde en CF mucusmodellen en de evaluatie van APR NC transport doorheen deze barrières.
APR NCs worden geproduceerd via geminiaturiseerde natte kogelmaling (WBM) en gestabiliseerd met Lutrol F127 (Lut), natriumcholaat (NaChol) of NaChol gecombineerd met chitosan HCl (Chit). De NCs worden gekarakteriseerd op deeltjesgrootte, polydispersiteit, zeta potentiaal (ZP) en structurele integriteit. Alle formuleringen leveren gemiddelde deeltjesgroottes onder 250 nm, ruim binnen het vereiste bereik van 200–400 nm en FT IR bevestigt dat APR zijn structuur behoudt. Na één maand opslag bij 4 °C worden kleine deeltjesgroottetoenames gezien voor APR NaChol en APR Chit NaChol. De ZP weerspiegelt de gebruikte stabilisator en duidt op matig stabiele dispersies. Gezonde en CF mucusmodellen met en zonder mucine worden ontwikkeld en gevalideerd via reologie. Shear thinning en visco elastisch gedrag wordt waargenomen, kenmerkend voor luchtwegmucus. CF modellen vertonen hogere viscositeiten en moduli dan gezonde modellen, conform met literatuurgegevens. De diffusie van APR NCs door de mucusmodellen wordt beoordeeld met Franz cellen en gekwantificeerd via HPLC. In alle mucinebevattende modellen is de permeatie van de drie APR NC formuleringen na 6 u consequent 14–40% lager dan in de mucinevrije varianten, wat aangeeft dat mucine een meer restrictieve en fysiologisch realistische diffusiebarrière vormt. In het CF-model met mucine vertoont APR Lut de hoogste permeatie na 6u, waarbij ongeveer 50% geneesmiddeldiffusie wordt bereikt, APR NaChol vertoont een zeer vergelijkbaar niveau en APR Chit NaChol vertoont duidelijk minder permeatie.
Dit onderzoek benadrukt dat WBM de controle over deeltjesgrootte en oppervlaktesamenstelling van NCs mogelijk maakt, waarbij de stabilisator de uiteindelijke oppervlakte eigenschappen en daarmee de mucusdiffusie bepaalt. Een geschikte stabilisator moet een muco inert, sterisch gehydrateerd en neutraal oppervlak creëren dat elektrostatische en hydrofobe interacties met mucine minimaliseert. Dit onderzoek bevestigt de waarde van alginaat/mucine hydrogels als reproduceerbaar platform voor vroege screening van mucustransport. Toekomstig werk omvat langetermijn stabiliteitsstudies, extra oppervlaktemodificaties van NCs en de incorporatie van meer CF specifieke componenten in de mucusmodellen.
Meer lezen

Hormonale invloeden op zeeziekte

Antwerp Maritime Academy
2026
Margaux
Hermans
Zeeziekte is een veelvoorkomend fenomeen binnen de maritieme sector en kan een aanzienlijke
impact hebben op het functioneren en welzijn van zeevarenden. Hoewel bekend is dat vrouwen
mogelijk gevoeliger zijn voor zeeziekte dan mannen, is weinig onderzocht in welke mate hormonale
factoren hierin een rol spelen. Deze masterproef brengt dit onderbelichte thema in kaart aan de
hand van een observatiestudie uitgevoerd tijdens een vier weken durende zeereis aan boord van
het opleidingsschip Dar Mlodziezy.
In totaal registreerden 36 deelnemers dagelijks hun level van algemene gevoelstoestand,
misselijkheid, stress en hersenmist. Voor vrouwelijke deelnemers werd bijkomend het gebruik van
hormonale anticonceptie en, indien van toepassing, hun menstruele cyclus bijgehouden. Deze
systematische dataverzameling in een realistische maritieme setting bood een uitzonderlijke
mogelijkheid om patronen over langere tijd te analyseren zonder verstoringen van dagelijkse
omgeving.
Uit resultaten blijkt dat vrouwelijke deelnemers in deze groep gemiddeld meer zeeziekte
gerelateerde klachten rapporteerden dan mannelijke deelnemers. De verschillen waren zichtbaar
voor alle onderzochte variabelen en kwamen consequent terug doorheen de gehele
onderzoeksperiode. Binnen de vrouwelijke groep vertoonden vrouwen die hormonale
anticonceptie gebruikten op het merendeel van de dagen hogere symptoomscores dan vrouwen
zonder anticonceptie. In deze dataset werd dus geen aanwijzing gevonden dat anticonceptie
beschermend werkt tegen zeeziekte.
De analyses van de menstruele cyclus leverden geen duidelijke verschillen tussen cyclusfasen op,
voornamelijk door het beperkte aantal vrouwen met een natuurlijke cyclus. Hierdoor konden geen
uitspraken gedaan worden over variaties in gevoeligheid tijdens bijvoorbeeld menstruatie of
ovulatie. Daarnaast werd vastgesteld dat deelnemers die een zeeziektepil innamen gemiddeld
meer hersenmist rapporteerden. Dit sluit aan bij zowel de ernst van hun symptomen als bij bekende
bijwerkingen van dergelijke medicatie, zonder dat de oorzaak kon worden vastgesteld.
Deze bevindingen suggereren dat vrouwen in deze onderzoeksgroep gevoeliger waren voor
zeeziekte dan mannen, maar tonen geen duidelijk effect van de hormonale anticonceptie of
cyclusfasen op de ervaren klachten. De beperkte omvang van de subgroepen vraagt om
voorzichtigheid in de interpretatie. De resultaten benadrukken tegelijk de nood aan verder
onderzoek met grotere populaties en nauwkeurigere hormonale registratiemethoden, zodat de
relatie tussen hormonen en zeeziekte in de toekomst preciezer kan worden bepaald.
Meer lezen

Warme transities: samen naar een warme start in de instapklas

Hogeschool PXL
2026
Itha
Noukens
In mijn bachelorproef onderzoek ik hoe ik jonge kinderen een warme, veilige en herkenbare overgang kan bieden van de voorschoolse opvang of thuis naar de instapklas. Tijdens mijn werk in de opvang zag ik hoe ingrijpend deze stap is voor peuters, en hoe groot de nood is aan emotionele veiligheid, voorspelbaarheid en samenwerking tussen alle betrokken volwassenen.

Ik verzamelde inzichten via literatuur, observaties, interviews met experts en een enquête bij ouders. Daaruit leerde ik dat een warme transitie staat of valt met nabijheid, herkenbare elementen, duidelijke communicatie en continuïteit tussen opvang, ouders en school.

Op basis van deze bevindingen ontwikkelde ik drie praktijkgidsen: ouderbundel, leerkrachtenbundel en opvangbundel. Deze gidsen bevatten concrete tips, visuele ondersteuning, rituelen en materialen die helpen om peuters zacht te laten landen in de instapklas.

Met dit pakket wil ik bijdragen aan een instap waarin elk kind zich veilig, gezien en gedragen voelt. En dat is precies wat jonge kinderen nodig hebben om te kunnen groeien.
Meer lezen

Productie en evaluatie van elektrogesponnen TEOS-gebaseerde nanovezelmembranen als SALDI-substraten voor fecale metabolomics via LA-REIMS

Odisee Hogeschool
2026
Elia Amnon
Bar On
Binnen een klinische en biomedische context zijn snelle en robuuste analysemethoden voor untargeted metabolomics essentieel. Laser-assisted rapid evaporative ionisation massaspectrometrie (LA-REIMS) maakt directe analyse van biofluïda mogelijk, maar de analytische prestaties worden bepaald door de intrinsieke matrixeigenschappen van het staal. Elektrogesponnen nanovezelmembranen kunnen via surface-assisted laser desorption/ionisation (SALDI) de desorptie en ionisatie verbeteren en zo de analyses versterken. Het potentieel van silicagebaseerde nanovezelmembranen als SALDI-substraten binnen LA-REIMS-gebaseerde metabolomics is echter nog onvoldoende geëvalueerd.

In deze studie wordt onderzocht in welke mate elektrogesponnen tetraethylorthosilicaat (TEOS)-gebaseerde nanovezelmembranen de prestaties van LA-REIMS-analyses voor fecale metabolomics beïnvloeden.

De productie van TEOS-membranen omvat het elektrospinnen van een sol-geloplossing, gevolgd door een thermische behandeling om een superhydrofiel membraan te verkrijgen. De morfologie en hydrofiliciteit worden gekarakteriseerd met scanning-elektronenmicroscopie, watercontacthoekmetingen en infraroodspectrometrie. De analytische prestaties worden geëvalueerd via LA-REIMS-analyse van fecale stalen en vergeleken met rechtstreekse analyse van feces en met geoptimaliseerde MetaSAMP-membranen. Data-analyse omvat principal component analysis, evaluatie van reproduceerbaarheid en vergelijking van metabolomische dekking.

LA-REIMS-analyses tonen aan dat met fecale stalen geïmpregneerde TEOS-membranen een metabolomische vingerafdruk genereren die vergelijkbaar is met die van feces as-such, met detectie van een groter aantal features. Tegelijkertijd worden, vergeleken met zowel MetaSAMP-membranen als feces as-such, beperkingen vastgesteld in reproduceerbaarheid en signaalintensiteit, met lagere signaalintensiteiten en meer variabele features (p < 0,01).

Na optimalisatie van de membraandikte en het staalvolume worden TEOS-membranen verkregen die significant hogere signaalintensiteiten opleveren dan feces as-such (p < 0,01; g > 1), met een hoger aantal gedetecteerde features (p < 0,01) en een aanvaardbare reproduceerbaarheid (> 75 % van de features met een variatiecoëfficiënt ≤ 30 %).

De resultaten tonen aan dat elektrogesponnen TEOS-gebaseerde nanovezelmembranen doeltreffend zijn als SALDI-substraat binnen LA-REIMS-gebaseerde metabolomics. Toekomstige studies kunnen zich richten op het optimaliseren van de membraanproductie, functionalisatiestappen en het verder afstemmen van de LA-REIMS-methode.
Meer lezen

EmbedLLM from legacy documents to embedded XR instructions: automatic context aware content generation to support manual task execution

Universiteit Hasselt
2026
Bram
Verstappen
This thesis addresses the cognitive friction associated with executing manual tasks using flat 2D documentation in spatial computing environments, where users must constantly shift attention between instructions, physical tools, and machinery. To solve this, we present EmbedLLM, the first automated, context-aware content reformatting framework that adapts both content design and presentation to the user’s environment and specific goal. EmbedLLM converts unstructured step-based PDF manuals into 3D spatially embedded instructions in Virtual Reality (VR). The system operates via a pipeline that abstracts the environment into a semantic scene graph, leverages a multi-stage Large Language Model (LLM) reasoning chain to construct step-based instruction nodes and semantic edges, and instantiates these panels using a novel, semantically aware force-directed 3D label placement algorithm to achieve spatial equilibrium and prevent visual clutter.
We evaluated EmbedLLM through a preliminary preference survey (n = 20) across diverse environments and a within-subjects user study (n = 12) comparing the framework to a traditional floating PDF window during 3D printer maintenance tasks. The preference survey showed that EmbedLLM achieves significantly higher environmental alignment than traditional baseline documents, with participants strongly favoring spatial orchestration for complex, structurally demanding procedures. However, the task execution study revealed a clear trade-off: active task support with EmbedLLM resulted in significantly longer completion times (996.93 s vs. 580.46 s) and increased cognitive load (3.00 vs. 2.31 on the NASA-TLX scale). Qualitative feed-back suggests these performance costs stem from the rigid sequential pacing of the generated interface and novices struggling with hardware terminology.
This work contributes the technical pipeline of EmbedLLM, a semantically enhanced physics layout algorithm, and empirical insights on context-aware XR instruction delivery. Future research directions include real-time situated action updates, user skill level adaptation, and integration with agentic GUI automation and text-to-3D models.
Meer lezen

ALS training in het Kanifing General Hospital in The Gambia

Hogeschool PXL
2026
Britt
Motten
  • Aude
    Nuyts
  • Nomie
    Haazen
Mijn scriptie in het kort gaat over het verbeteren van Advanced Life Support (ALS)-training voor verpleegkundigen in een ziekenhuis in een lage-inkomenscontext (Kanifing General Hospital in Gambia).

Het doel van het onderzoek is om te bekijken of een aangepaste ALS-training, gebaseerd op simulatiegericht leren en herhaalde oefening, een invloed heeft op de kennis, praktische vaardigheden en het zelfvertrouwen van verpleegkundigen bij reanimatie.

In de literatuurstudie werd onderzocht welke didactische methoden het meest effectief zijn voor ALS-opleidingen. Hieruit bleek dat vooral simulatiegebaseerd leren, gecombineerd met feedback en regelmatige herhaling, leidt tot betere leerresultaten en meer zelfvertrouwen. Daarnaast werd duidelijk dat kennis en vaardigheden snel afnemen zonder opfrissing.

Op basis van deze inzichten werd een contextgerichte ALS-training ontwikkeld en uitgevoerd in Kanifing General Hospital. De training werd aangepast aan de beperkte middelen in het ziekenhuis en bestond uit een korte theoretische sessie, praktische simulaties en visuele hulpmiddelen zoals een flowchart/poster.

Om het effect van de training te meten, werd gewerkt met een voor- en nameting bij verpleegkundigen uit de spoed-, medische en chirurgische afdelingen. De resultaten tonen een duidelijke verbetering in kennis en zelfvertrouwen, vooral bij het gebruik van de AED en het toepassen van ALS-protocollen.

De conclusie van de scriptie is dat een gestructureerde, contextgerichte en herhaalde ALS-training op basis van simulatie effectief is om de competentie van verpleegkundigen te verbeteren, zelfs in omgevingen met beperkte middelen.
Meer lezen

Door dik en dun, voor dik en dun. Gewichtsstigma in de zorg: de rol van ergotherapie in inclusieve gezondheidszorg

Hogeschool PXL
2026
Katrien
Driesen
Personen met een hoger lichaamsgewicht worden in zorgcontexten regelmatig gereduceerd tot hun gewicht, eerder dan benaderd vanuit hun volledige gezondheidssituatie. Dit kan leiden tot stigmatisering, zorgvermijding en verminderde participatie. Gewichtsstigma wordt daarom steeds vaker erkend als een sociale determinant van gezondheid met een negatieve impact op zorgervaringen en gezondheidsuitkomsten.
Deze bachelorproef onderzoekt hoe ergotherapie kan bijdragen aan het verminderen van gewichtsstigma en het bevorderen van inclusieve participatie binnen een zorgcontext.
Meer lezen

De optimalisatie van het psychosociaal welzijn van verpleegkundestudenten op de klinische stageplaats.

Hogeschool UCLL
2026
Jules
Buyle
Het psychosociaal welzijn van verpleegkundestudenten tijdens klinische stages staat onder toenemende druk door hoge werkdruk, onduidelijke verwachtingen en wisselende teamculturen. Media‑getuigenissen en parlementaire vragen tonen dat negatieve stage-ervaringen geen uitzonderingen zijn, maar structurele problemen blootleggen. Tegelijkertijd bestaan er afdelingen waar studenten zich wél veilig, welkom en ondersteund voelen, wat bewijst dat kwaliteitsvolle begeleiding mogelijk is wanneer teams bewust investeren in een sterk leerklimaat.

Uit recente wetenschappelijke literatuur blijkt dat vier factoren het welzijn van studenten bepalen: kwalitatieve begeleiding, een veilig en pedagogisch leerklimaat, individuele veerkracht en structurele randvoorwaarden zoals werkdruk en toegankelijkheid van mentoren. Vooral een vaste, competente mentor blijkt cruciaal voor veiligheid, duidelijkheid en professionele groei.
Meer lezen

Theorie ontmoet praktijk: een innovatieve learning skid voor de techniekers van morgen

Hogeschool VIVES
2026
Henri
Vervenne
  • Quentin
    Mary
Tijdens onze bachelorproef ontwierpen en realiseerden we een traningsmodule rond motion control. Deze testopstelling wordt ingezet om techniekers op een praktijkgerichte manier inzicht te geven in de aansturing en positionering van bewegingen binnen een industriële omgeving. De learning skid ondersteunt door middel van een bijhorende e-learning een technische opleiding rond toepassingen met servomotoren, frequentieregelaars en asynchrone motoren.

Meer lezen

ALS HET WELKOM EEN AFSCHEID WORDT.

Arteveldehogeschool Gent
2026
Febe
Ruysschaert
Het verlies van een kind tijdens of kort na de zwangerschap is één van de meest ingrijpende ervaringen die ouders kunnen meemaken. Waar zwangerschap en geboorte doorgaans geassocieerd worden met vreugde en toekomstverwachtingen, worden ouders bij perinataal verlies geconfronteerd met intens verdriet, onzekerheid en rouw. In deze kwetsbare context neemt de vroedvrouw een centrale rol in, maar de zorgverlening bij perinataal verlies brengt ook een emotionele belasting en onzekerheid in het professioneel handelen met zich mee voor de zorgverlener zelf.

Deze bachelorproef onderzoekt hoe de vroedvrouw ouders die in het ziekenhuis geconfronteerd worden met perinataal verlies op een professionele, empathische en gestructureerde manier kan ondersteunen. Daarbij wordt rekening gehouden met medische, psychologische, juridische en sociale aspecten, evenals met de impact van deze zorg op de vroedvrouw.

Aan de hand van een literatuurstudie werden de verschillende vormen van zwangerschapsverlies, de relevante Belgische wet- en regelgeving en de fysieke en psychologische gevolgen voor ouders geanalyseerd. Daarnaast werd de rol van de vroedvrouw belicht op het vlak van communicatie, rouwbegeleiding, multidisciplinaire samenwerking en zelfzorg. Uit de resultaten blijkt dat vroedvrouwen een cruciale rol spelen in het bieden van erkenning, duidelijke informatie en continuïteit van zorg, maar dat zij nood hebben aan concrete en toepasbare richtlijnen om deze zorg op een veerkrachtige manier te kunnen blijven aanbieden.
Meer lezen

Key drivers and motivations for joining and participating in agricultural marketing cooperatives: The impact of farm size

KU Leuven
2025
Jef
Desmedt
  • Ariël
    Verschueren
  • Laurens
    Fievet
This thesis investigates the motivations and barriers that shape farmers’ participation in agricultural marketing cooperatives, with a focus on how farm size influences these dynamics. While established literature highlights economic, social, and governance-related drivers of participation, less is known about how these are perceived and prioritised by farmers of varying scales. Drawing on the Mutual Incentives Theory and elements of Self-Determination Theory, this study uses qualitative interviews with a diverse group of Flemish fruit and vegetable producers to explore motivational variation. Findings show that smaller farmers often highlight the cooperative’s stabilising role and deem their membership as critical, while larger farmers adopt a more strategic stance, valuing efficiency, autonomy, and access to alternative sales channels. Furthermore, the study reveals how collectivistic incentives, such as shared goals, are frequently internalised as individual business advantages. Ambitious, growth-oriented farmers, in particular, reported tensions between their entrepreneurial drive and the cooperative’s collective framework. This study contributes to the literature in three ways: by documenting how member motivations are interpreted through the lens of farm scale; by refining theoretical models of participation to account for strategic constraints; and by highlighting how motivation is shaped by context-specific perceptions, not fixed categories. These insights provide a more nuanced understanding of cooperative participation and offer broader relevance for motivation theory in collective organisational forms.
Meer lezen

Een goed leven binnen planetaire grenzen in genk: focus op Warm Waterschei

Universiteit Hasselt
2025
Jade
Daems
Hoe kan het concept van coöperatieve en collectieve wijkwarmte specifiek worden toegepast in Waterschei, vertrekkende vanuit een milieu- en mensbewuste visie? Vanuit deze centrale vraagstelling vertrekt dit onderzoek.
De gedachtegang van Daniel Christian Wahl, waarbij het stellen van de juiste vragen vóór het handelen centraal staat, vormt de rode draad doorheen dit onderzoek. Volgens deze filosofie wijzen vragen, meer nog dan antwoorden, de weg naar collectieve wijsheid. Daarom worden vraagstellingen van verschillende auteurs gebruikt om elk hoofdstuk in te leiden en fungeren ze als leidraad bij het zoeken naar antwoorden.
Het bewuste gebruik van deze vragen heeft geleid tot diepere reflectie over ontwerpbeslissingen en tot een grondiger onderbouwd onderzoek.
Deze masterthesis is opgedeeld in drie grote delen. Het eerste deel begint met een korte situering om de lezer wegwijs te maken. Hierin worden de probleemstelling, onderzoeksvraag, gehanteerde methodologie, de geschiedenis van de locatie, het station van Waterschei en de relevantie binnen het masterplan toegelicht.

Het tweede deel is de ruggengraat van dit onderzoek en wordt gevormd door de literatuurstudie. Deze bestaat uit een theoretisch en een praktisch denkkader. Het theoretisch denkkader bundelt diverse boeken en wetenschappelijke artikels die het onderzoek onderbouwen. De literatuur wordt besproken in een logische volgorde van een brede visie naar een steeds specifiekere focus. Vertrekkende vanuit het boek The Good Ancestor: How to Think Long-Term in a Short-Term World van Roman Krznaric, wordt een eerste denkkader geschetst rond langetermijndenken en intergenerationele
verantwoordelijkheid. Vervolgens wordt de filosofie van Bruno Latour besproken aan de hand van Waar kunnen we landen. Latour toont aan dat er vandaag een gemeenschappelijke visie ontbreekt en dat menselijke en niet-menselijke actoren onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Hierna wordt dieper ingezoomd op regeneratief denken via Designing Regenerative Cultures van Daniel Christian Wahl. Dit
boek nodigt uit om verder te denken dan duurzaamheid en moedigt aan om de juiste vragen te stellen in plaats van vluchtige antwoorden te zoeken. Het theoretisch denkkader sluit af met het boek Postcapitalist Countrysides – From Commoning to Community Wealth Building dat bestaat uit een verzameling van essays. Hierbinnen wordt de essay Unpacking the energy commons geschreven door Thomas Bauwens and Robert Wade (pagina 327 tot 351) bestudeerd. Deze essay beschrijft specifiek hoe energie als gemeengoed kan beschouwd worden.

Het praktisch denkkader vertrekt vanuit het concept van coöperatieve en collectieve wijkwarmte. Deze worden toegelicht waarna er kenmerken voor coöperatieve en collectieve wijkwarmte worden gedefinieerd. Vervolgens worden verschillende relevante referentieprojecten onderzocht. Deze zijn onderverdeeld in twee categorieën: enerzijds warmtenetten, waarbij warmte netwerken als model worden bekeken, en
anderzijds energiestations, waarbij specifiek naar gebouwen wordt gekeken die functioneren als opslagen distributiesysteem. Beide categorieën worden geanalyseerd op basis van de eerder gedefinieerde kenmerken van coöperatieve wijkwarmte.
Het derde deel omvat de ontwerpstudie, deze vertrekt eveneens vanuit het concept van coöperatieve en collectieve wijkwarmte. Op stedelijke schaal wordt eerst de situatie in Genk onderzocht, waarna de focus verschuift naar de wijk Waterschei. In waterschei wordt een coöperatief en collectief warmtenet ontworpen dat werkt op basis van mijnwater. Het uitgangspunt is de herbestemming van het voormalige station tot
een energiestation met bijhorende botanische tuin. Beide functies worden inhoudelijk onderzocht en er wordt toegelicht hoe ze relevant kunnen zijn voor de gemeenschap.
Vanuit de hoofdfunctie van een energiestation wordt de technische werking uiteengezet, gevolgd door enkele basisberekeningen die nodig zijn om de dimensionering te bepalen, zoals de grootte van het warmteopslagtanks. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een overzicht van de noodzakelijke installaties. Voor de bijhorende botanische tuin wordt de typologie van botanische tuinarchitectuur onderzocht. Daarnaast bevat dit onderdeel een analyse van plantensoorten die bijdragen aan het binnenklimaat en de beleving van de ruimte versterken. Het architecturale ontwerp vertrekt vanuit het idee dat technische elementen integraal deel uitmaken van de beleefde ruimte. Aangezien het programma van een energiestation uitbreiding vraagt wordt het bestaande stationsgebouw als uitgangspunt genomen voor het verdere ontwerp. De herbestemming en uitbreiding van het gebouw worden benaderd vanuit een duurzaam perspectief. Het ontwerp baseert zich op drie samenhangende strategieën: ‘Trias Energetica’, ‘Trias Materia’ en ‘Trias
Aquatica’. Elk van deze strategieën wordt toegelicht wat betreft de betekenis en de doelstelling, waarna wordt verduidelijkt hoe ze concreet zijn toegepast in het ontwerp.

De conclusie bundelt de resultaten van het onderzoek en formuleert een mogelijke oplossing voor de oorspronkelijke onderzoeksvraag.
Meer lezen

Analysis of Circular Economy Maturity of Dutch Seaports

Vrije Universiteit Brussel
2025
Kübra
Obali
Het take-make-use-dispose-model van de dominante lineaire economie legt een steeds grotere druk op het milieu en de natuurlijke hulpbronnen. Dit benadrukt de noodzaak om economische groei los te koppelen van milieuschade en grondstoffengebruik door middel van een overgang naar een circulaire economie (CE). Als cruciale knooppunten in mondiale toeleveringsketens en centra van industriële clustering kunnen havens een sleutelrol spelen in deze transitie naar CE.
Deze thesis beoordeelt de CE-volwassenheid van vier Nederlandse zeehavens door circulaire initiatieven, zoals geïdentificeerd in recente documenten van havenautoriteiten, in kaart te brengen volgens een CE-volwassenheidsmodel. De bevindingen tonen aan dat deze havens zich voornamelijk richten op initiatieven rond energieterugwinning, wat wijst op een laag niveau van CE-volwassenheid. Een beperkt aantal initiatieven met betrekking tot het organiseren van nieuwe circulaire goederenstromen suggereert echter dat er potentieel is om door te groeien naar hogere niveaus van CE-volwassenheid.
Met name de focus op de import en export van groene waterstof biedt een veelbelovende kans om verdere vooruitgang te boeken in de CE-transitie. Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat de CE-volwassenheid van Nederlandse zeehavens grotendeels vergelijkbaar is met die van Belgische havens. Deze thesis levert waardevolle inzichten op voor havenautoriteiten en kan bijdragen aan de ontwikkeling van strategieën om de CE-transitie te versnellen, door verder te gaan dan energieterugwinning en door te groeien naar hogere niveaus van CE-volwassenheid.
Meer lezen

Assembling a Storyworld: A Layered Analysis of Narrative Construction in the Marvel Cinematic Universe

KU Leuven
2025
Robbe
De Bruyn
The Marvel Cinematic Universe is a large entertainment franchise that engages in
transmedia storytelling, or the spreading of narrative content over multiple media. This
implies both transfictionality (the sharing of story elements over multiple texts) and
transmediality (the spreading of texts over multiple media). As transmedial franchises
become increasingly prevalent, a thorough narratological analysis is needed in order to
understand the way in which their stories are told. This thesis attempts to develop a
method for describing the narrative structure of this transmedia storytelling by means of
Marie-Laure Ryan’s idea of the storyworld as a guiding framework. We begin by outlining
key theoretical definitions of transmediality and storyworlds as explained by Ryan in
order to establish a theoretical foundation. The Marvel Cinematic Universe is then
introduced as a solid case to explore these concepts. First, we focus on the notion of
transfictionality within several individual subfranchises of the MCU, diachronically
tracing how self-contained narratives gradually converge into a larger shared universe,
forcing the audience to constantly rethink the MCU’s storyworld. We analyse the impact
of this phenomenon by looking at the converging of the subfranchises’ ontologies in a
narrative content – such as film, television, theme parks, video games and comics – to
understand their role in building and complicating the storyworld. We conclude that
some formats are canonically more central than other formats, and that contradictions
can arise between these and the dominant cinematic narrative. Finally, we explore the
impact of the multiverse as a narrative device within the MCU, particularly its role in
integrating alternate storyworlds – including storyworlds from different media or
unrelated cinematic franchises. A conclusion presents a view of the MCU in which we
should distinguish the notion of the storyworld on several narrative levels, highlighting
the complexity of a narratological analysis in a transmedia context.
Meer lezen

The Role of Coffee Cooperatives in the Socio-Economic Transition of Rebel Returnees in Sulu, Southern Philippines

Universiteit Gent
2025
Moh. Shanizee
Sarabi
Reintegrating former rebels into civilian life remains a major challenge in post-conflict societies, where sustainable livelihoods and social cohesion are essential for long-term peace. The Philippines is one of the most conflict-affected countries in the world, sharing the 29th spot with Afghanistan and ranks second in ASEAN after Myanmar. The Bangsamoro Autonomous Region in Muslim Mindanao (BARMM) in the southern Philippines has been particularly affected by decades of armed conflict and
institutional weaknesses, notably in provinces such as Sulu. In response, the Philippine government is promoting the integration of returnees into coffee cooperatives as part of its peace and reintegration strategy. Despite persistent volatility, the BARMM, particularly Sulu province, has emerged as one of the country’s leading coffee-producing regions contributing over a quarter of national production and providing a strategic pathway to economic recovery. It is therefore crucial to understand how these cooperatives contribute to both livelihoods and social reintegration. This study examines how membership in a coffee cooperative is associated to the socio-economic transition of rebel returnees in Sulu. Based on the Disarmament, Demobilization, and Reintegration (DDR) framework and social capital theory, a comparative cross-sectional design with survey data from 101 returnees was used. Through regression analysis and structural equation modelling, we show that membership in a cooperative is associated with higher productivity, financial stability, and stronger social capital, even if infrastructural challenges, conflict vulnerabilities, governance, and market difficulties persist. The study demonstrates how locally rooted cooperatives can transform conflict legacies into peace dividends that foster economic gains, social cohesion, and inclusive development. These findings highlight the potential of cooperatives as a pathway for durable socio-economic transitions in fragile contexts. Moreover, the study underscores the importance of targeted support, capacity building, and improved market access to enable returnee cooperatives to fully realize their role in promoting sustainable livelihoods, facilitating social reintegration, and contributing to lasting peace.
Meer lezen

Long-term public transport accessibility in Flanders and the Brussels-Capital Region, 2016–2025

KU Leuven
2025
Jonas
Vanhoef
Deze masterscriptie richt zich op de bereikbaarheid met het openbaar vervoer in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tussen 2016 en 2025. De studie maakt gebruik van een gravity-based model om de uitrol van het decreet basisbereikbaarheid van de Vlaamse overheid te evalueren. Dit decreet was erop gericht het openbaar vervoer van een aanbodgestuurd naar een vraaggestuurd model te brengen door middel van een resem aanpassingen aan de dienstregeling. Door de reistijden van en naar middelbare scholen en musea te berekenen kon de lokale en regionale bereikbaarheid afgeleid worden. Aangezien de bereikbaarheid berekend werd voor 2016, 2023, 2024 en 2025 kon het onderzoek de evolutie van de bereikbaarheid volgen over de verschillende fases van implementatie van het nieuwe beleid. Hieruit bleek dat de verbetering tijdens fase 2 in 2024 teniet werd gedaan door scherpe dalingen die samenvielen met fase 3 in 2025. Alles samengenomen was er tussen 2016 en 2025 een negatieve impact op de bereikbaarheid op lokaal niveau. Op regionaal niveau was er eerder een stabilisatie waarneembaar. Verder werd in de scriptie ook onderzocht of er verschillen waren in veranderingen van de bereikbaarheid tussen gebieden met een hoge en lage bevolkingsdichtheid. En tot slot werd er voor twee casestudies gekeken naar de invloed van specifieke wijzigingen in het openbaarvervoersnetwerk, zoals wijzigingen in de busfrequentie, haltelocaties, en reistijden.
Meer lezen

Nieuw kapitalisme: Juridische middelen om kapitaal te sturen naar ESG bedrijven

Vrije Universiteit Brussel
2025
Sara
Faes
Genomineerde shortlist NBN Sustainability Award
Mijn masterproef omvat een onderzoek naar welke ESG criteria reeds zijn opgenomen in de Belgische Corporate Governance Code en hoe deze laatste kan worden verbeterd opdat ESG de nieuwe bedrijfsfilosofie wordt.
Meer lezen

STANDALONE ON-SITE LIGHTING MEA- SUREMENTS FOR INSECT STUDIES

Vrije Universiteit Brussel
2025
Zakaria
El Gharbaoui Ben Mekki
Voortgaande verstedelijking en de wereldwijde overstap naar energiezuinige LED-
verlichting vergroten de blootstelling aan kunstlicht ’s nachts, wat bezorgdheid
wekt over de effecten op gemeenschappen van nachtactieve insecten. De meeste
bestaande veldstudies zijn kort van duur en beperkt in ruimtelijke dekking van-
wege de arbeidsintensieve aard van traditionele bemonstering. Dit proefschrift
pakt deze lacune aan door het ontwerpen, implementeren en valideren van een
goedkope, op camera’s gebaseerde, op afstand werkende monitoringsunit voor
seizoenslange inzet in diverse buitenomgevingen. Het systeem registreert weerpa-
rameters (temperatuur, relatieve vochtigheid), locatie (GPS), verlichtingsparame-
ters (gecorreleerde kleurtemperatuur) en tijdgestempelde beelden van aangetrokken
insecten.
Om classificatiestrategieën te evalueren zonder grootschalige inzet, werd in een
kleinschalige casestudy het gebruik van twee algemene vision–language modellen
getest op zorgvuldig geselecteerde insectenbeelden met gezaghebbende ObsIdentify-
bepalingen. De resultaten positioneren vision–language modellen als effectieve
hulpmiddelen voor voorlopige tagging, triage en kwaliteitscontrole, terwijl geza-
ghebbende labels afkomstig moeten zijn van specialisten of gespecialiseerde soorten-
herkenningsdiensten.
Toekomstig werk dient eerst de minimaal vereiste taxonomische diepte voor ALAN-
impactstudies vast te stellen en vervolgens herkenningstools aan te passen om
aan deze eis te voldoen. Verdere stappen omvatten het uitbreiden van de pij-
plijn naar tellingen en abundantiematen, het ontwikkelen van een robuuste con-
tainergebaseerde implementatie-architectuur, het migreren van de database naar
een beveiligde cloud- of NAS-infrastructuur en het implementeren van sterke
cyberbeveiligingsmaatregelen voor externe units. Deze verbeteringen zullen ge-
standaardiseerde, seizoenslange, multisitecampagnes mogelijk maken die robu-
uste beoordelingen van ALAN-effecten onder door LED gedomineerde lichtom-
standigheden opleveren.
Meer lezen

Erfgoediseren van digitale cultuur: door musea en andere erfgoedinstellingen

KU Leuven
2025
Floor
Arnauts
Digitale cultuur ontwikkelt zich in een ongekend tempo en wordt gekenmerkt door zowel overvloed als kwetsbaarheid. De vluchtigheid van digitale creaties, van interactieve installaties tot websites, sociale mediaplatformen en andere databestanden, stelt musea en erfgoedinstellingen voor fundamentele vragen. Hoe kan born-digital erfgoed worden geïdentificeerd als cultureel waardevol, duurzaam worden vastgelegd en vervolgens toegankelijk en betekenisvol worden gepresenteerd? Dit onderzoek benadert deze uitdaging vanuit het proces van erfgoedisering, waarbij de vier kernfuncties waarderen, verzamelen, bewaren en presenteren centraal staan. In de digitale context blijken deze functies niet los van elkaar te opereren, maar voortdurend op elkaar in te grijpen. Door middel van beleidsanalyse, theoretische kaders en casestudies van Vlaamse erfgoedinstellingen, waaronder Design Museum Gent, Amsab, de Hendrik Conscience Bibliotheek en KADOC, wordt zichtbaar hoe technische, juridische en beleidsmatige drempels een structurele inbedding van born-digital erfgoed bemoeilijken. Tegelijkertijd tonen innovatieve praktijken aan dat interdisciplinariteit, het gebruik van open standaarden en samenwerking met makers en publiek effectieve strategieën kunnen opleveren. De bevindingen wijzen erop dat een geïntegreerde en structureel verankerde aanpak onontbeerlijk is om digitale cultuur niet alleen te bewaren, maar ook haar betekenis te behouden voor toekomstige generaties.
Meer lezen

[de leegte in het landschap en het gecureerd verval.]

Universiteit Hasselt
2025
Thomas
Cuyt
We leven in een wereld vol met dingen die zijn achtergelaten door degenen die vóór ons kwamen, maar we pikken een aantal van deze dingen eruit voor onze aandacht en zorg. We vragen bepaalde gebouwen, objecten en landschappen om te functioneren als
geheugensteuntjes, om het verleden te herinneren dat hen heeft voortgebracht, en om dit verleden beschikbaar te maken voor onze overpeinzing en zorg. Die geheugensteuntjes, of junk-space zoals Rem Koolhaas (Koolhaas & Foster, 2013) het omschrijft, is het residu dat de mensheid op deze planeet achterlaat. Het product van modernisme is niet moderne architectuur, maar junkspace, ruimteafval of gecureerd verval.
Hoe kan er worden omgegaan met dat verval wat bij wegnemen leidt tot littekens in het landschap en hoe kan deze leegte opnieuw een plaats krijgen?

In het samengaan van leegte en verval ontstaat een dialoog. Het landschap, datgene wat ooit de achtergrond was van menselijke activiteit, neemt langzaam zijn plek terug. Gras groeit door scheuren in het asfalt, klimop verslindt de bakstenen huid van verlaten panden. Wat ooit strak en gecontroleerd was, wordt nu een canvas voor de natuur, voor de tijd. De architectuur vertelt verhalen van tijd en vergankelijkheid, laat los wat het vasthield. De perfecte symmetrie van muren wordt vervangen door grillige lijnen en onvolmaakte vormen. De leegte in het landschap benadrukt dit proces; het biedt een podium zonder afleiding. In de leegte die hierdoor ontstaat, openbaart zich een nieuwe ruimte: een plek waar natuur en herinnering zich verstrengelen. Het is juist door het ontpitten en cureren van gebouwen in verval, of structuren die hun functie verloren, dat leegte ontstaat. Deze leegte, als een litteken in het landschap, kan uitgroeien tot een schakel. Een fluïde zone waar natuurlijke en menselijke processen elkaar ontmoeten. De grens tussen het kunstmatige en het natuurlijke vervaagt, verschuift, en wordt geen harde lijn meer, maar een overgangsgebied, een ademende ruimte die verbindt in plaats van scheidt.
Het is juist deze “junkspace”, zoals Koolhaas (Koolhaas & Foster, 2013) het noemt, of het “gecureerd verval” waar Caitlin DeSilvey (DeSilvey, 2017) over schrijft, die kan worden ingezet als verbinder. Een transitiegebied dat een dubbel doel dient: zowel als collectieve ruimte voor een omliggende woonwijk, als schakel tussen natuur en woonomgeving. Hier ontstaat geen nieuwe scheiding, maar een netwerk waarin de grenzen vervagen en een nieuwe harmonie kan groeien.
Meer lezen

Hope for basic hygiene in Uganda: Developing a participatory hygiene education package for vulnerable children in Uganda

Hogeschool UCLL
2025
Lieselotte
Ingels
Deze bachelorscriptie onderzoekt hoe goedkope, participatieve en visuele hygiënevoorlichting de basishygiënepraktijken onder kwetsbare kinderen in Oeganda kan verbeteren. Het onderzoek werd uitgevoerd tijdens een stage van zes maanden bij Uganda Hands for Hope (UHfH) in de sloppenwijk Namuwongo in Kampala, en door middel van vergelijkend veldwerk in het landelijke district Kamuli. De centrale onderzoeksvraag was: “Hoe kunnen goedkope, participatieve en educatieve hygiëne-interventies de hygiënepraktijken onder kwetsbare kinderen en adolescenten in Oeganda verbeteren?” Met behulp van kwalitatieve methoden zoals participerende observatie, diepte-interviews en focusgroepen, bracht het onderzoek belangrijke hiaten in het hygiënebewustzijn en de hygiënepraktijken aan het licht, ondanks de beschikbaarheid van waterinfrastructuur. Er werd een kindvriendelijk hygiënevoorlichtingspakket ontwikkeld en getest, met visuele hulpmiddelen zoals stickers, posters en boekjes met pictogrammen. Uit de resultaten bleek dat interactief, visueel materiaal de betrokkenheid van kinderen aanzienlijk vergrootte en hun hygiëneroutines verbeterde. Leraren en verzorgers meldden ook positieve gedragsveranderingen bij kinderen. De studie concludeert dat effectieve hygiënevoorlichting moet worden geïntegreerd in het dagelijks leven en zo moet worden ontworpen dat deze toegankelijk, betaalbaar en lokaal relevant is. Visuele en participatieve methoden bieden een krachtige manier om hygiënearmoede in informele nederzettingen en plattelandsgemeenschappen aan te pakken.
Meer lezen

Van Uniformiteit naar Veelzijdigheid: Een Ruimtelijk Renovatiekader voor de Adaptieve Transformatie van Kantoorgebouwen

KU Leuven
2025
Nathan
Verstappen
Stedelijke kantoorgebouwen uit de vorige eeuw bereiken massaal het einde van hun levenscyclus. Slopen lijkt vanzelfsprekend, maar is dat wel zo slim? Een samengestelde strategie die renovatie-ontwerp en kwantificatie van milieu-impact combineert, toont dat behoud niet alleen beter is voor onze klimaatdoelstellingen, maar ook een kans biedt om woningen, publieke ruimte en levendigheid terug te brengen in de stad.
Meer lezen

Political connections, corruption and road traffic safety: a Russian case study

Universiteit Gent
2025
Seppe
Van Den Berge
Een onzichtbaar sociaal mechanisme kwam aan het licht. Dat was geen evidente opdracht, want de gegevens om nepotisme of vriendjespolitiek aan te tonen zijn schaars, van wisselende kwaliteit en bovendien gevoelig. Toch leveren grote, ongefilterde datasets onverwachte schatten op. In mijn datagedreven thesis gebruik ik Russische cijfers om nepotistische effecten op te sporen in een nieuw domein: het verkeer. Een terrein dat tot nu toe grotendeels buiten het onderzoek naar nepotisme bleef, dat zich vooral op de arbeidsmarkt richtte.
Meer lezen

De Metamorfose van Zwartberg: Een Industrieel Landschap in Beweging

Universiteit Hasselt
2025
Robine
Lemmens
De voormalige mijnsite van Zwartberg kent een rijke gelaagde geschiedenis. Van een heidelandschap, naar een mijsite, tot een industrieterrein. Vandaag is het gebied geëvolueerd tot een anonieme gefragmenteerde plek. Mijn project wil identiteit en verbondenheid herstellen, vertrekkend vanuit het idee van voortdurende verandering. Via een flexibele, modulaire structuur die inspeelt op de noden van de gemeenschap, ontstaat ruimte voor diverse functies: winkels, bedrijven, recreatie en verblijf. Deze structuur groeit mee met de transitie van industrie naar natuur en weerspiegelt de vergankelijkheid van het landschap. Het masterplan stelt een clustering van functies voor. Oude industriegebouwen maken plaats voor zones met halfopen binnengebieden, ingericht voor zachte circulatie en rust. Met inheemse beplanting, water en heidefragmenten ontstaan plekken van ontmoeting en verstilling. Het contrast tussen bedrijvigheid en rustplekken creëert gelaagdheid en karakter. Zo krijgt deze generieke plek opnieuw betekenis in een toekomstgerichte visie
Meer lezen

EEN ‘GROENE’ FAST-FASHION WAARDEKETEN: UTOPIE OF OPTIE?

KU Leuven
2025
Anna
Sato
Genomineerde longlist Vlaamse Scriptieprijs
Deze thesis met als titel “Een ‘groene’ fast-fashion waardeketen: utopie of optie?” heeft als overkoepelend onderwerp de ecologische duurzaamheid van de fast-fashion waardeketen. Het onderzoekt meer specifiek of het huidig juridisch kader van de Europese Unie een transparante en duurzame fast-fashion waardeketen mogelijk maakt. Het onderzoek focust zich hierbij op drie onderscheiden fases in de waardeketen, namelijk de productie-, communicatie- en afdankfase, waarrond ook de structuur van de thesis is opgebouwd. De keuze hiervoor is ingegeven door de situering in deze fases van de drie problemen uit de probleemstelling.

In de productiefase wordt meer bepaald gekeken naar het materiaal waarmee kleding geproduceerd wordt en de ecologische gevolgen ervan. In de communicatiefase krijgen greenwashing en misleidende groene claims vervolgens bijzondere aandacht. Ten slotte in de afdankfase staan kleding- en textielafval en de verwerking ervan of het gebrek eraan centraal. Voor elk van deze drie fases worden verschillende (nieuwe) Europese instrumenten nader besproken en wordt er vergeleken met de aanpak door Frankrijk, een koploper op het vlak van regelgeving over mode en duurzaamheid. Er wordt meer specifiek nagegaan of de EU- regelgeving ervoor zorgt dat de consument uiteindelijk verzekerd kan zijn dat hij een kledingstuk heeft aangekocht dat gemaakt is van recycleerbare materialen, zonder greenwashing claims op de markt is gebracht en op het einde van zijn levensduur niet op een afvalberg belandt. De evaluatiecriteria die hierbij de rode draad vormen, zijn: duurzaamheid, bescherming van de consument en rechtszekerheid. Door de verschillende instrumenten te beschrijven en daarna te evalueren, hoopt deze thesis zowel de successen als lacunes ervan in kaart te kunnen brengen. De evaluatie zal duidelijk maken dat ondanks stappen in de goede richting, er in elke fase nog tekortkomingen bestaan waardoor het lineaire bedrijfsmodel te weinig uitgedaagd wordt en de transitie naar een duurzamer model bemoeilijkt wordt.

Ten slotte heeft deze thesis als doel om op basis van de beoordelingsresultaten faseoverstijgende aanbevelingen te doen aan het huidig Europees regelgevend kader om het performanter te maken. Hoewel de werkelijke impact afhangt van de gedelegeerde handelingen, de effectieve implementatie en de kwaliteit van toezicht kunnen toch enkele suggesties gegeven worden.
Meer lezen

Sjorren aan de toekomst: een beleidsanalyse in functie van een duurzame toekomst voor Vlaamse jeugdbewegingen

Universiteit Gent
2025
Cato
De Roover
Het onderzoek analyseert de kwetsbaarheid van Vlaamse jeugdbewegingen, die onder druk staan door gebrekkige infrastructuur, administratieve lasten, dalende ledenaantallen en veranderend vrijwilligersengagement. Via een kwalitatieve beleidsanalyse, gebaseerd op literatuur, interviews en een participatiemoment, werden vijf beleidsalternatieven ontwikkeld om een duurzame toekomst voor Vlaamse jeugdbewegingen te stimuleren. Twee daarvan, "Zelfstandiger Jeugdwerk" en "Opgewaardeerd Jeugdwerk", bieden het meeste potentieel. Het eerste bevordert de oprichting van ondersteunende vzw’s om lokale groepen meer autonomie te geven. Het tweede stelt een onderzoek en campagne voor om de maatschappelijke en economische waarde van jeugdwerk beter in de verf te zetten. Daarnaast formuleert de scriptie nog twee bijkomende aanbevelingen: het verminderen van de versnippering van administratieve taken via het Verenigingsloket en het versterken van de Vlaamse Jeugdraad als participatiekanaal.
Meer lezen