Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

PHASE CONTRAST TOMOGRAPHY OF HUMAN TISSUE WITH A LIQUID-METAL µCT X-RAY SOURCE

Universiteit Gent
2026
Christopher
Boateng
Deze scriptie toont aan dat een röntgenbron met een liquid-metaalanode in een labo 3D-beelden kan maken van menselijk weefsel in paraffineblokjes, zonder de blokjes te snijden. Daarbij speelt ook de energie, de 'kleur' van de bron, een cruciale rol.
Meer lezen

From Generation To Education

KU Leuven
2026
Gino
Van Cleemput
Mijn thesis zet een eerste stap naar een manier waarop leerkrachten en AI complementair kunnen samenwerken. AI helpt bij het genereren van programmeeroefeningen, terwijl de leerkracht de pedagogische keuzes en de controle behoudt. Op termijn kan zo meer differentiatie mogelijk worden en kunnen oefeningen beter aansluiten bij wat leerlingen interessant en relevant vinden.
Meer lezen

Towards a Sustainable Volunteer Structure for AFS Sweden’s Camps

Arteveldehogeschool Gent
2026
Jorren
Almey
Dit onderzoek onderzoekt hoe AFS Interkultur Sverige (in het Engels AFS Sweden genoemd) een duurzame vrijwilligersstructuur voor haar kampprogramma kan ontwikkelen die kenniscontinuïteit, effectieve werving en het behoud van vrijwilligers waarborgt. Het onderzoek hanteert een kwalitatieve aanpak die deskresearch (academische literatuur, interne AFS-documenten en vergelijkende casusanalyses) combineert met 13 semi-gestructureerde interviews verdeeld over drie belanghebbendengroepen: kampvrijwilligers (n = 8), SLUG-leden (n = 4) en een bestuursvertegenwoordiger (n = 1).

De resultaten tonen drie onderling verbonden oorzaken aan die ten grondslag liggen aan de huidige structurele uitdagingen: (1) het ontbreken van geformaliseerd bestuur en roldefinities creëert een zichzelf versterkend patroon van werkdrukconcentratie, (2) kennisbeheer is afhankelijk van individuen in plaats van systemen, wat leidt tot een cyclisch verlies van kennis en (3) de geografische en organisatorische afstand tussen het in Denemarken gevestigde kantoor en de Zweedse vrijwilligers verzwakt de coördinatie- en ondersteuningsstructuren. Deze oorzaken grijpen in elkaar in een zichzelf versterkende spiraal: gebreken in het bestuur leiden tot persoonsafhankelijke kennis, wat de pool van geschikte opvolgers beperkt, waardoor de werkdruk nog verder op een krimpende groep ervaren vrijwilligers komt te liggen.

Op basis van deze bevindingen worden vijf aanbevelingen gedaan: (1) formaliseer de vrijwilligersrollen en de nationale groepen, (2) bouw een gecentraliseerde, gestuurde kenniswerkomgeving, (3) opzet van gestructureerde communicatie-uitwisselingspunten tussen kantoor en vrijwilligers, (4) ontwerp een zichtbaar inwerk- en ontwikkelpad en (5) organiseer een jaarlijkse grensoverschrijdende Noordse vrijwilligersbijeenkomst. Een vergelijkende analyse van AFS Noorwegen en AFS Denemarken toonde aan dat er binnen het Noordse AFS-netwerk al praktische oplossingen bestaan voor deze uitdagingen, waaronder gedeelde digitale werkomgevingen, toegewijde planningscomités en gestandaardiseerde inwerkprocedures.

Het gekozen bedrijfsproduct, een co-creatief ontwikkelde Camp Volunteer Toolkit, pakt alle drie de kernoorzaken aan via een combinatie van rolmallen, overdrachtsprotocollen, kampleidingsmallen, een ontwikkelingspad voor vrijwilligers, een gereedschapskist voor evaluatie en leermomenten, en een communicatie-overzicht. De toolkit is ontworpen via een iteratief co-creatieproces met voormalige SLUG-leden en ervaren vrijwilligers, en is ingebouwd in de bestaande ONE AFS-omgeving van AFS Zweden voor directe uitrol tijdens het kampseizoen van zomer 2026. De effectiviteit ervan zal worden geëvalueerd aan de hand van vier criteria: adoptiegraad, kenniscontinuïteit, vrijwilligerservaring en de volledigheid van de overdracht.
Meer lezen

Neuro-inclusie als hefboom voor verandering. Empowerende ondersteuning van leerlingen met autisme en hun context

Odisee Hogeschool
2026
Steven
Van Delsen
Leerlingen met autisme botsen in het onderwijs nog te vaak op drempels die hun welbevinden, participatie, verbondenheid en positieve identiteitsontwikkeling onder druk zetten. Deze bachelorproef onderzoekt hoe een neurodiversiteitsaffirmatieve benadering richting kan geven aan neuro-inclusieve onderwijspraktijken die leerlingen met autisme en hun context versterken, binnen de bredere Vlaamse evolutie naar Scholen voor Iedereen.

De bachelorproef vertrekt vanuit een praktijkgerichte probleemverkenning in GO! SBSO Nautica en verbindt die met recente literatuur over neurodiversiteit, leerlingenstem, psycho-educatie, zelfacceptatie, zelfcompassie, zelfbehartiging, neuro-inclusieve pedagogiek en relationele samenwerking. De analyse maakt duidelijk dat inclusie niet kan worden herleid tot toegang tot onderwijs of individuele aanpassingen. Neuro-inclusie vraagt een verschuiving van tekortdenken en normalisering naar erkenning, waardigheid, contextafstemming, gedeelde verantwoordelijkheid en positieve autistische identiteit.

Op microniveau betekent dit dat leerlingen met autisme zich veilig, erkend en verbonden moeten kunnen voelen in de klaspraktijk. Daarvoor zijn voorspelbaarheid, prikkelbewuste leeromgevingen, ruimte voor leerlingenstem, zelfinzicht, zelfacceptatie en ondersteuning bij zelfbehartiging belangrijk. Op mesoniveau vraagt neuro-inclusie een schoolcultuur waarin gedeelde taal, ouderstem, sociale veiligheid, peer support, veilige plekken en samenwerking tussen leerlingen, ouders en onderwijsprofessionals structureel worden ingebed. Op macroniveau wordt duidelijk hoe neuro-inclusieve schoolontwikkeling kan bijdragen aan de Vlaamse evolutie naar Scholen voor Iedereen, op voorwaarde dat neurodiversiteitsaffirmatieve principes vanaf het begin worden meegenomen in visie, beleid, ondersteuning en schoolcultuur.

Als veranderingsstrategie wordt het neuro-inclusief schoolkompas voorgesteld. Dit kompas ondersteunt scholen om stapsgewijs, participatief en haalbaar te groeien naar neurodiversiteitsaffirmatieve schoolpraktijken. Binnen deze aanpak worden drie deelstrategieën uitgewerkt die samen een doorlopende leerlijn vormen: LEANS als klasbrede neurodiversiteitseducatie en gedeelde schooltaal, een lessenreeks rond leerlingenstem, zelfacceptatie, zelfbehartiging en transitie, en een posterreeks die de stem van neurodivergente jongeren zichtbaar maakt in de schoolomgeving. Zo ontstaat een beweging van bewustwording naar persoonlijke betekenisgeving en vervolgens naar schoolbrede verankering.

De meerwaarde van deze bachelorproef ligt in de vertaling van een neurodiversiteitsaffirmatief waardekader naar concrete, haalbare en schoolbrede veranderingsstrategieën. Neuro-inclusie wordt zo geen bijkomende zorgmaatregel naast het bredere schoolbeleid, maar een hefboom om onderwijscontexten toegankelijker, veiliger en betekenisvoller te maken voor leerlingen met autisme en hun context. Tegelijk reikt deze benadering verder dan één doelgroep of één school: neurodiversiteitsaffirmatieve schoolontwikkeling kan uitgroeien van ondersteuning voor individuele leerlingen tot een richtinggevend principe voor de school van morgen.
Meer lezen

Mapping and understanding farmers’ responses to gully-induced problems in the Abaya-Chamo Sub-Basin, Southern Ethiopia

KU Leuven
2026
Jeanne
Vandenbrande
Gully erosion threatens the livelihoods of rural farmers by causing direct cropland loss and reducing agricultural productivity. In the Shafe catchment of southern Ethiopia, smallholder farmers facing severe food insecurity have implemented gully interventions (GIs) to counter this land degradation. Yet the spatial distribution of these GIs remains highly uneven. This study investigates which GIs have been implemented, what drives their adoption, and whether this adoption has spread as a diffusion process over time.

To investigate GI adoption, fieldwork was conducted across two rural administrative units in the Shafe catchment. GI presence was mapped for 751 gullies based on field observations and drone surveys. Additionally, a household survey of 178 farmers was conducted, providing socio-economic and perceptual data of the farmers, their plots and their gullies. Variables were tested through univariate screening and logistic regression models. Finally, spatial clustering and spatio-temporal modelling were used to investigate the adoption of GIs over time.

Results indicate that GIs in the Shafe catchment are dominated by loose rock check dams and banana plantations. Conservation and economic motivations drive farmers to combine these interventions, since they promote gully stabilisation through sediment infilling while simultaneously creating additional agricultural opportunities on the gully floor. Field observations identified at least one GI in 18% of mapped gullies, with treated gullies being larger and located closer to roads and settlements.

The household survey, capturing individual farmer decisions across multiple gullies, suggests 48% of farmer-reported gullies have been treated at some point. Farmers across the study area share a broadly similar subsistence-oriented profile. With 88% of the farmers having implemented at least one GI somewhere on their land, motivation is near-universal. The central question is therefore not who adopts, but where: farmers preferentially treat gullies that are accessible, on productive plots close to the homestead, exclusively owned, and perceived as severely impacted. Adoption likelihood is slightly higher for farmers exclusively dependent on agriculture and those with sufficient economic surplus. Predictive models based on spatial variables and socio-economic variables provide a step towards a practical targeting framework.

This study also presents one of the first attempts to diffusion analysis for gully interventions. GI adoption shows significant spatial clustering. A weak but detectable diffusion effect suggesting that farmers are more likely to adopt GI when neighbouring farmers have done so in prior years, pointing to informal knowledge spreading. However, data limitations remain substantial and further research should confirm this with more complete data.
Meer lezen

Supermarkt Herontwikkeld: Betaalbaar wonen door een verkenning van het ontwikkelingspotentieel op onderbenutte supermarktsites

Universiteit Gent
2026
Renée
Van Nevel
Vlaanderen heeft nood aan veel extra woningen, terwijl de bouwshift vraagt om geen bijkomende open ruimte meer aan te snijden. Vooral de 'missing middle' raakt moeilijk aan een betaalbare woning. Deze masterproef onderzoekt of onderbenutte supermarktparkings hiervoor een oplossing kunnen bieden. Boven de bestaande parking komt een tafelstructuur op kolommen, waarop modulaire huurwoningen worden geplaatst terwijl de supermarkt operationeel blijft. Op lange termijn kan de winkel onder die tafel worden herbouwd, zodat de volledige site kan worden herontwikkeld. Het model werd ontwerpmatig uitgewerkt voor twee Gentse sites, de Delhaize aan de Watersportbaan en de Carrefour Hypermarket in Sint-Denijs-Westrem. Daarnaast werd het financieel doorgerekend vanuit betaalbare huurprijzen.
Meer lezen

GENDER DIVERSITY MEETS BDSM-SUBCULTURE: Experiencing and sharing kinks online: a FetLife reception study

Universiteit Gent
2026
Marie-Anne
Craenen
Leden uit subculturele BDSM-gemeenschappen groeperen zich in digitale ruimtes als de FetLife-website. De toenemende interesse in kink en BDSM is weerspiegeld in het aantal academische studies die het onderwerp vanuit verschillende invalshoeken benaderen, maar The Next Generation (TNG), namelijk jongere leden tussen 18 en 35 jaar, blijft onderbelicht. Het doel van deze studie was om de lived experiences van TNG binnen de online community te bestuderen via walkthroughs en semigestructureerde interviews, gecodeerd door middel van close reading en thematische analyse. Onderzoeksvragen betroffen gebruik van het platform, doel van gebruik, ervaringen rond veiligheid en betekenisgeving van intimiteit. De resultaten tonen aan dat FetLife fungeert als hybride omgeving waarin gebruikerservaringen vorm krijgen doormiddel van interactie tussen platformarchitectuur, waarden van de gemeenschap en bredere sociale structuren. Ervaringen verschillen volgens genderidentiteit, ervaringsniveau en positionering binnen de community. Doelstellingen convergeren rond informatieverwerving en betrokkenheid tot de gemeenschap, maar verschillen in bewustzijn over risico’s, waarbij vrouwen en non-binaire gebruikers namelijk voorzichtiger omgaan met het platform en beschermende strategieën hanteren. Tenslotte wordt intimiteit ervaren als gelaagd concept dat verder reikt dan louter seksualiteit.
Meer lezen

Lokale en cloud-AI in webontwikkeling: Ecologische impact, kosten en een beslissingskader voor duurzame integratie

HOGENT
2026
Alexandru-George
Poenaru
Drie taalmodellen werden zowel lokaal als in de cloud getest. Op basis van 6.241 aanvragen werden energieverbruik, geschatte CO₂-uitstoot, snelheid, kosten en inhoudelijke juistheid vergeleken. Een correctie op de cloudschattingen bracht ook het energieverbruik voor het lezen van lange documenten in rekening. Voor de onderzochte toepassing bleek de cloud naar schatting gemiddeld vijf keer energiezuiniger en bij het verwachte bedrijfsvolume financieel aantrekkelijker. Tegelijk toonden de tests dat correct gevormde antwoorden inhoudelijke fouten kunnen bevatten.

De resultaten zijn vertaald naar een praktische beslissingsboom die bedrijven helpt kiezen op basis van onder meer privacy, beschikbare apparatuur, gebruiksvolume, stroommix en antwoordkwaliteit.
Meer lezen

DEATH LITERACY VANUIT HET HEDENDAAGSE JONGERENPERSPECTIEF Een kwalitatief onderzoek naar hoe religieuze en levensbeschouwelijke invloeden bijdragen aan de perceptie en omgang met sterfelijkheid bij jongvolwassenen in Vlaanderen en Brussel

Vrije Universiteit Brussel
2026
Mahdia
Bourouina
Deze masterproef onderzoekt hoe jongvolwassenen (18-30 jaar) hun Death Literacy ervaren en welke rol religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of de afwezigheid daarvan, hierin spelen. Er werden tien semigestructureerde interviews afgenomen met jongvolwassenen in Vlaanderen en Brussel, met een diverse levensbeschouwelijke achtergrond: praktiserende moslims, een praktiserende katholiek, een praktiserende boeddhist, niet-praktiserende moslims, atheïsten en agnosten.
Uit de resultaten blijkt dat persoonlijke verlieservaringen een centrale rol spelen in de ontwikkeling van Death literacy: wie een naaste verloor, beschikt over een uitgewerkter kader dan wie geen verlies meemaakte. Zowel moslim, katholieke als boeddhistische respondenten ervaren hun geloof als een krachtig houvast: het hiernamaals (islam en katholicisme) of wedergeboorte (boeddhisme), gebed of meditatie, en gemeenschappelijke rituelen bieden troost en structuur. Atheïstische en agnostische respondenten beschrijven zowel vrijheid als kwetsbaarheid; zij missen soms de gemeenschap en rituelen die religieuze jongeren als vanzelfsprekend ervaren.
De bevindingen benadrukken het belang van een levensbeschouwelijk sensitieve benadering in rouwbegeleiding. Voor de agogische praktijk betekent dit dat professionals oog moeten hebben voor diversiteit aan overtuigingen, én voor de betekenis van het ontbreken daarvan.
Meer lezen

Manifest voor autismevriendelijke schoolarchitectuur - ASPECTSS als methodiek voor een inclusieve brede school

Universiteit Hasselt
2026
Anouck
Cautaert
Genk is een zeer diverse en cultureel
rijke stad, waar ook sociaal-economische
ongelijkheden aanwezig zijn. Aan de hand
van deze scriptie probeer ik bij te dragen aan
de inclusie in de stad door in te zetten op
onder andere autismevriendelijk maken van
de schoolinfrastructuur van Zwartberg-Zuid.
De principes die later worden toegepast
voor de schoolsite De Appelboom en De
Wissel kunnen veralgemeend worden naar
de andere twee scholenclusters in Zwartberg.

Het eerste luik van de scriptie omvat dan
ook het onderzoek naar onder andere de
noden van mensen met autisme en het
algemeen gebrek - volgens Mostafa - aan
autismevriendelijke infrastructuur.
Hierna wordt er een link gemaakt naar
de projectlocatie, namelijk Zwartberg,
waarbij er een groeiende nood is aan
autismevriendelijke ondersteuning
binnen bestaande organisaties en
gebouwen, alsmede naar onderwijs- en
ontwikkelingskansen voor kinderen en
jongeren, te concluderen uit het interview met
de wijkmanager van Zwartberg. Momenteel
wordt er binnen deze infrastructuur minimaal
ingezet op autismeondersteunende
infrastructuur, waarbij datgene dat aanwezig
is niet kwalitatief is.
Ook wordt er een link gemaakt naar
Zwartberg door de relatie tussen autisme en
migratieachtergrond verder te onderzoeken,
onder andere blijkens het interview met
directeur Frank Bartholomé. Binnen deze
autismevriendelijke aanpak wordt er verder
ingegaan op de ASPECTSS-richtlijnen,
waarbij deze richtlijnen als ondersteunend
middel worden gezien.

Als tweede luik wordt er ingegaan op
het brede school-principe, waarbij in dit
beleidsidee wordt ingezet op onder andere
de maximale ontwikkelingskansen en de
brede leer- en leefomgeving van kinderen en
jongeren. Hierbij wordt er dieper ingegaan
op de organisatorische en ruimtelijke
organisatie van de brede school.
Als derde en tevens laatste luik wordt
voorgaande verzamelde info ruimtelijk
vertaald aan de hand van een case study
van twee projecten, die inzetten op
autismevriendelijke architectuur en het brede
school-principe.

De onderzoeksvraag van de scriptie is als
volgt: “Hoe kan architectuur bijdragen
om scholen, als ondersteunende
ontmoetingsplek, inclusiever te maken voor
kinderen en jongeren met autisme?”. Dit
wordt onder andere onderzocht aan de hand
van de theoretische ASPECTSS-richtlijnen
en het principe van de brede school. Echter
is het belangrijk om te benadrukken dat
de ASPECTSS-richtlijnen en het principe
van de brede school als hulpmiddel
dienen om de bestaande site in Zwartberg
autismevriendelijk te maken en in te zetten
op de sociale noden - in tegenstelling tot het
utopische beeld dat momenteel rond deze
principes hangt. Bijkomend dient vermeld
dat dit een persoonlijke interpretatie zal zijn
van hoe deze twee theoretische modellen
kunnen worden toegepast binnen een
nieuwbouw en herbestemming.

Dit onderzoek wordt aan de hand van
literatuuronderzoek, interviews en case
onderzoek gevoerd, om op deze manier
meer inzicht te krijgen in onder andere de
noden van deze doelgroep.
Meer lezen

FROM DRAINAGE TO RESERVOIR - The Ellewoutsdijk Peninsula as a Collective Freshwater Landscape

KU Leuven
2026
Carolina
Gonzales
Deze masterproef onderzoekt hoe de zoetwaterinfrastructuur in de polders langs de Westerschelde kan worden heringericht tot multifunctionele, collectieve waterlandschappen. Het project richt zich op Ellewoutsdijk, een polderdorp gevormd door dijken, afwateringssloten, landbouwvelden, de haven, het fort en het estuarium van de Westerschelde. Het speelt in op de toenemende druk van zeespiegelstijging, verzilting, seizoensgebonden droogte en veranderende neerslagpatronen.
In plaats van waterbeheer te beschouwen als een onzichtbaar technisch systeem, maakt het ontwerp van bestaande afwateringsroutes, bekkens en waterwerken zichtbare landschappen voor wateropvang, zuivering, herverdeling en collectief gebruik. Deze waterlandschappen ondersteunen de aanpassing van landbouw en aquacultuur en bieden tegelijk ruimte voor recreatie, verplaatsing en ontmoeting in de publieke ruimte.
De ontwerpstrategie verbindt kustmobiliteit en zoetwateropslag tot één samenhangend landschapssysteem. Een openbare route van oost naar west verbindt het voormalige station, het dorp, de dijk, de Wisselpolder, de haven, het fort en de Westerschelde. Tegelijk ordent een noord-zuidgerichte wateras de afwateringsroutes en bekkens opnieuw, dwars door productieve velden, langs ecologische randen en door collectieve ruimten. Op het kruispunt van beide wordt waterinfrastructuur zowel een dragend systeem voor het gebied als een toegankelijk onderdeel van het dagelijks leven.
Door voort te bouwen op de hydrologische en historische structuur van het schiereiland, verschuift het project van gecontroleerde afwatering naar een adaptief watersysteem dat deel uitmaakt van het dagelijks leven. Zo wordt zoetwaterinfrastructuur een ruimtelijk kader voor kustweerbaarheid, de aanpassing van productieve landschappen en het collectieve leven in Ellewoutsdijk.
Meer lezen

"ACCIDENTAL? VILLAGE URBANISM" WORKING WITH RESIDUAL SPACE: LESSONS FROM JAPAN FOR FLEMISH VILLAGES

KU Leuven
2026
Ciel
Dockx
Vlaanderen wordt gekenmerkt door een versnipperd landschap waarin de grens tussen stad en platteland steeds verder vervaagt. Terwijl de bebouwde ruimte blijft toenemen en de resterende open ruimte onder druk staat, onderzoekt "Accidental? Village Urbanism" hoe de restruimtes binnen het bestaande weefsel kunnen bijdragen aan een meer verbonden, ecologische en sociaal betrokken leefomgeving.

Aan de hand van cartografisch onderzoek, literatuurstudie en veldwerk wordt Vlaanderen vergeleken met Japan. Japan dient daarbij niet als rechtstreeks te kopiëren model, maar als een context die toont hoe zelfs kleine en ogenschijnlijk onbelangrijke ruimtes een rol kunnen opnemen in het dagelijkse leven, ecologische systemen en ruimtelijke verbindingen.

Deze inzichten worden vertaald naar een ontwerptoolbox waarmee restruimtes kunnen worden opgespoord, geanalyseerd en geactiveerd. Via ontwerpend onderzoek in Berlaar wordt getest hoe gerichte ingrepen het bestaande dorpsweefsel van binnenuit kunnen versterken. Zo benadert het onderzoek restruimte niet als overgebleven ruimte of nieuwe bouwgrond, maar als ruimtelijk materiaal met potentieel.
Meer lezen

ASSESSMENT OF DIAGNOSTIC PROTOCOLS OF ACUTE-PHASE APHASIA IN RELATION TO SIGN LANGUAGES [BEOORDELING VAN DIAGNOSTISCHE PROTOCOLLEN VOOR ACUTE AFASIE IN RELATIE TOT GEBARENTALEN]

Vrije Universiteit Brussel
2026
Nina
Driesmans
Deze studie onderzoekt acute afasiediagnostiek binnen de context van
de Vlaamse Gebarentaal (VGT). Afasie, een verworven neurologische
taalstoornis, wordt voornamelijk onderzocht vanuit een westers, eentalig
en audiocentrisch perspectief. Omdat gebarentaligen de visueel-gestuele
modaliteit gebruiken, in tegenstelling tot de oraal-auditieve modaliteit
van gesproken talen, zijn huidige diagnostische instrumenten niet
aangepast aan hun noden. Een rapid review onderzocht de neurale
representatie van gebarentalen in relatie tot afasie. Resultaten uit 29
beeldvormingsstudies tonen aan dat gebarentalen een
linksgelateraliseerd perisylvisch netwerk activeren, vergelijkbaar met
gesproken talen, maar met modaliteitsspecifieke aanpassingen.
Daarnaast leidt schade aan de linkerhersenhelft systematisch tot
verstoring van fundamentele taalaspecten, terwijl schade aan de
rechterhersenhelft visuospatiële vaardigheden selectief beïnvloedt. Een
enquête onder 20 Vlaamse clinici toont aan dat diagnostiek gebaseerd is
op Nederlandstalige instrumenten en informele vertaalmethoden, met
beperkte aandacht voor VGT-gebruikers. Deze bevindingen
onderstrepen de noodzaak van gevalideerde diagnostische instrumenten
voor gebarentaligen, verbeterde training van clinici, en een meer
rechtvaardige gezondheidszorg.
Meer lezen

Een regeneratieve toekomst voor Zwartberg - Het productieve bos

Universiteit Hasselt
2026
Daan
Driessen
  • Rayna
    Bongaerts
  • Yarne
    Claes
  • Connor
    De Smet
  • Elias
    Doyen
  • Liza
    Hendrickx
  • Jorien
    Houben
  • Evelyne
    Gielkens
  • Joppe
    Loodts
  • Kato
    Martens
  • Rens
    Neyens
  • Arne
    Pellaers
  • Britt
    Raskin
  • Sara
    Simons
  • Anke
    Surinx
  • Tineke
    Vandekerkhof
Mijn masterproef onderzoekt hoe de productiebossen rond Genk kunnen evolueren naar biodiverse en klimaatrobuuste bossen, terwijl ze lokaal hout blijven leveren. In Zwartberg vertaal ik dit naar een lokale houtketen en houtzagerij, waarbij de ecologische draagkracht van het bos bepaalt hoeveel hout kan worden geoogst en gebruikt.
Meer lezen

Bepaling van vers- en drooggewicht van sla op basis van RGB-camerabeelden met een convolutional neural network (CNN)

KU Leuven
2026
Brent
Beyers
Het doel van deze scriptie was om de mogelijkheden te onderzoeken voor het gebruik van CNN's met RGB-afbeeldingen voor de bepaling van het vers- en drooggewicht van sla gedurende een gehele teeltronde onder praktijkomstandigheden.
Van verschillende sla-cultivars (Emeldia RZ, Limambo RZ en Volumia) werden RGB
afbeeldingen verzameld. De cultivars Emeldia RZ en Limambo RZ werden elks twee keer zelf opgekweekt om slaplanten afkomstig van twee verschillende teeltrondes te bekomen. Daarnaast waren de slaplanten van de cultivar Volumia afkomstig van een externe slateler en van éénzelfde teeltronde. Van de slaplanten werden RGB-afbeeldingen verzameld onder een camerahoek van 0°, 45° en 90° ten opzichte van het grondoppervlak. Na verzameling van de RGB-afbeeldingen van de slaplanten werd een CNN-model ontworpen met het meest accurate
schattingsvermogen. Tenslotte werd het schattings- en generalisatievermogen van het
ontwikkelde CNN-model onderzocht.
De resultaten tonen aan dat het meest accurate CNN-model, afgestemd op een relatief kleine dataset, bestond uit 5 convolutielagen en volgende hyperparameters: een leerfrequentie van 0,001; een batchgrootte van 10 en 200 epochs. Het ontwikkelde model schat het vers- en drooggewicht van sla accuraat, met R2 ~ 0,92 – 0,97 en NRMSE ~ 0,19 – 0,34, voor cultivars die in de trainingsdata aanwezig zijn en onder gelijkaardige omstandigheden werden geteeld, mits voldoende trainingsdata. De schattings- en generalisatieprestaties variëren echter sterk
per cultivar, mogelijks door morfologische verschillen. Het model toont een zekere robuustheid voor variatie in camerahoeken, al resulteerden de beelden onder een camerahoek van 45° en 90° in de beste schattingen.
Meer lezen

When prediction is not enough: multimodal causal discovery from ICU vasospasm data

Universiteit Gent
2026
Maico
Bruyneel
Cerebraal vasospasme na een aneurysmatische subarachnoïdale bloeding (aSAH) is moeilijk te bestuderen in routinematige intensievezorggegevens omdat het niet als één consistente variabele wordt geregistreerd. Bewijs kan voorkomen in diagnosecodes, ontslagbrieven, radiologieverslagen, behandelingsgegevens of monitoringpatronen, en deze bronnen beschrijven niet altijd hetzelfde klinische beeld. Deze thesis onderzoekt of zulke heterogene informatie kan worden gecombineerd tot een representatie op opnameniveau voor exploratieve causale ontdekking rond vasospasme.

Met behulp van MIMIC-IV werd een cohort van waarschijnlijke aSAH-opnames samengesteld door gestructureerde selectie van kandidaatopnames, gevolgd door extractie met een groot taalmodel uit ontslagbrieven en radiologieverslagen. Het uiteindelijke cohort bevatte 470 opnames. Gestructureerde EHR-variabelen werden gecombineerd met informatie die uit klinische verslagen was afgeleid over bewijs voor vasospasme, de ernst van de bloeding, hydrocefalie, behandeling van het aneurysma, de aanwezigheid van een externe ventrikeldrain en fysiologische toestanden. Een vergelijking tussen verschillende modaliteiten toonde aan dat vasospasme bij 13,8% van de opnames gecodeerd was, terwijl ontslagbrieven en radiologieverslagen aanwijzingen voor vasospasme gaven bij respectievelijk 48,3% en 52,6% van de beoordeelde opnames. Dit suggereert dat op LLM gebaseerde extractie uit klinische tekst bewijs voor vasospasme vollediger kon vastleggen dan ICD-codering alleen, terwijl de bronspecifieke verschillen tussen ontslagbrieven en radiologieverslagen behouden bleven.

Vervolgens werd causale ontdekking toegepast met PC-stable, FGES en FCIT over verschillende hyperparameterinstellingen en stabiliteitsanalyses. De meest terugkerende structuur verbond de hoeveelheid bloedstolsel, hydrocefalie, EVD, leukocytose, hyperglykemie en vasospasme. Opvallend was dat de hoeveelheid bloedstolsel niet naar voren kwam als een stabiele directe buur van vasospasme, ondanks het feit dat dit een van de sterkst bekende klinische risicofactoren is. In plaats daarvan verscheen het vooral als een stroomopwaarts signaal van ernst dat verbonden was met hydrocefalie, intensievere zorgtrajecten en latere inflammatoir-metabole ontregeling. Hyperglykemie was de meest consistente systemische buur van vasospasme binnen FGES en FCIT, terwijl leukocytose vaker via hyperglykemie verbonden was dan als een stabiele directe buur. Deze bevindingen suggereren een biologisch plausibele hypothese waarin leukocytose en hyperglykemie mogelijk directer verband houden met vasospasme, mogelijk als weerspiegeling van inflammatoire en metabole stress die de kwetsbaarheid van bloedvaten zou kunnen vergroten.

Over het geheel genomen suggereren de resultaten dat multimodale causale ontdekking administratieve, tekstuele, fysiologische en zorgprocesgerelateerde signalen rond vasospasme explicieter kan maken en nuttige hypotheses kan opleveren voor gerichte vervolgstudies.
Meer lezen

Zijn patronen de basis van de wiskunde?

Universiteit Antwerpen
2026
Goedele
Mertens
Deze studie onderzoekt het effect van een kortdurende interventie gericht op herhalende en groeiende patronen
bij 4-5 jarigen en de mogelijke transfer naar numerieke vaardigheden. In een quasi-experimenteel pretest
posttestdesign namen 116 kleuters deel, verdeeld over een interventie- en controlegroep. De interventie omvat
twaalf lessen, gespreid over vier weken. Tijdens de interventie verwerven kleuters inzicht in de structuur van
patronen via bewegingsactiviteiten, het identificeren van de patrooneenheid, expliciete instructie in wiskundige
taal en het gebruik van abstracte labels (bv. ABAB, AABAAB), ondersteund door spel, prentenboeken, concreet
materiaal en herhaling. Patroonvaardigheid en numerieke vaardigheden worden gemeten aan de hand van
gestandaardiseerde pre- en posttests, bestaande uit taken rond het uitbreiden, generaliseren en structureren
van zowel herhalende als groeiende patronen enerzijds en basisvaardigheden zoals tellen, vergelijken en
eenvoudige rekenhandelingen anderzijds. De interventie heeft een sterk significant effect op patroonvaardigheid
en een significant effect op numerieke vaardigheid. Voor patroonvaardigheid lijkt de interventie bovendien bij
te dragen aan het verkleinen van verschillen naar sociaaleconomische status. Deze bevindingen ondersteunen
het belang van expliciete directe instructie in patroonstructuren bij kleuters en dragen bij aan het debat rond
transfer in vroeg wiskundeonderwijs.
Meer lezen

Langlezend!

Hogeschool PXL
2026
Nina
Reumers
Binnen deze bachelorproef werd onderzocht hoe bibliotheken en scholen sterker kunnen
samenwerken rond leesbevordering binnen de eerste graad A-stroom. Aan de hand van
literatuuronderzoek, interviews met bibliotheken en leerkrachten, analyses van leerplannen
en methodes en overlegmomenten binnen het project Langlezend! werd nagegaan welke
noden er vandaag bestaan rond leesmotivatie en leesbevordering binnen de
onderwijspraktijk.

Uit het onderzoek bleek dat veel leerkrachten nood hebben aan overzichtelijke, betrouwbare en direct bruikbare materialen rond lezen en literatuur. Tegelijk organiseren bibliotheken al heel wat sterke initiatieven, maar vinden deze niet altijd hun weg naar de klaspraktijk, of proberen ze veel dezelfde dingen uit in hun regio en zouden ook zij graag inspiratie opdoen.

Vanuit deze vaststellingen werd in samenwerking met smartICT een databank ontwikkeld waarin leesbevorderend materiaal, bibliotheekinitiatieven en lesideeën centraal verzameld worden. Deze databank zal in september 2026 officieel gelanceerd worden.

Daarnaast werd ook gewerkt rond een samenleesapp die in de toekomst gelanceerd zal
worden. Op basis van deze app werd een interactieve lessenreeks ontwikkeld waarin leerlingen samen lezen, reageren op teksten en deelnemen aan digitale leesgroepen. De lessenreeks werd geïntegreerd binnen de databank als voorbeeld van innovatief leesbevorderend materiaal.

Deze bachelorproef toont aan hoe belangrijk de ondersteuning van leerkrachten is binnen leesbevordering en hoe scholen en bibliotheken elkaar hierin kunnen versterken.
Meer lezen

Implementation of the energy transition in military infrastructure

Universiteit Hasselt
2026
Simon
Derwael
Belgian military infrastructure is entering a decisive investment cycle in which new-build projects, major renovations and electrical modernisation must support both climate objectives and operational resilience. This thesis addresses two questions: (1) which energy design criteria should guide defence infrastructure projects and (2) how an existing medium-voltage network can evolve into a resilient microgrid.

The study combines analysis of internal documentation and processes with a literature review and market consultations. First, the future planning process for military barracks is evaluated, alongside the internal technical design instructions. These instructions are updated to reflect recent HVAC developments. Cost-reduction strategies and a decision-support approach for early design stages are discussed, including an assessment of simplified modular building concepts and the outsourcing of geothermal energy systems.

Second, the thesis explores the adaptations needed to the medium-voltage network. The increasing integration of distributed energy sources, reliability demands and exposure to cyber risks require rethinking traditional networks. A conceptual framework is developed to convert the existing medium-voltage network into a resilient microgrid, including definitions, key components and a step-by-step roadmap.
Overall, the thesis provides practical design improvements for the cost-efficient implementation of military energy systems. Proposed measures include savings of up to 53% for new-build projects.
Meer lezen

The diversity of aquatic and moss-inhabiting diatom communities in the Westfjords, northern Iceland

Universiteit Antwerpen
2026
annika
coomans
De diversiteit van zoetwaterdiatomeeën in IJsland is nog onvoldoende gedocumenteerd, vooral in afgelegen regio's zoals de Westfjorden. Hierdoor blijft de biodiversiteit en ecologische structuur van diatomeeëngemeenschappen in deze regio grotendeels onbekend. In deze studie werd de zoetwaterdiatomeeënflora van de Westfjorden geïnventariseerd en werden patronen in de gemeenschapsstructuur onderzocht over verschillende aquatische en mosgebonden habitats. Tweeënzestig stalen afkomstig uit meren, poelen, rivieren, beken, watervallen en moshabitats werden geanalyseerd met behulp van lichtmicroscopie en, waar nodig, scanningelektronenmicroscopie. De diatomeeëngemeenschappen werden geïdentificeerd tot op het laagst mogelijke taxonomische niveau en geanalyseerd aan de hand van diversiteitsschattingen,
ordinatietechnieken en multivariate gemeenschapsanalyses. In totaal werden 403 taxa uit 71 genera geregistreerd, waaronder 317 taxa vastgesteld tijdens kwantitatieve tellingen en 86 aanvullende taxa die werden gedetecteerd tijdens kwalitatieve observaties. Schattingen van de soortenrijkdom suggereerden dat een aanzienlijk deel van de regionale flora nog niet werd waargenomen. Meer dan 60% van alle geregistreerde taxa kwam voor in minder dan 5% van de onderzochte stalen, wat wijst op het grote belang van zeldzame taxa binnen de diatomeeënflora van de Westfjorden. Er werden drie belangrijke diatomeeëngemeenschappen onderscheiden, die voornamelijk samenhingen met verschillen in habitattype en hydrologische omstandigheden. Daarnaast droeg het onderzoek bij aan de beschrijving en taxonomische herziening van verschillende taxa, waaronder de formele beschrijving van Planothidium islandicum als een nieuwe soort voor de wetenschap. De resultaten tonen aan dat de Westfjorden een uitzonderlijk diverse en ecologisch gedifferentieerde zoetwaterdiatomeeënflora herbergen. Deze studie levert een belangrijke basis voor toekomstig onderzoek naar biodiversiteit, biogeografie en ecologische veranderingen in IJslandse zoetwatersystemen.
Meer lezen

Clean energy, but contaminated waters? Assessing the effects of indium and gallium emissions from offshore wind farms on Corophium volutator and Danio rerio

Universiteit Antwerpen
2026
Jens
Broeckx
Offshore windparken (OWF’s) breiden zich in hoog tempo uit als onderdeel van de wereldwijde energietransitie, maar de ecotoxicologische gevolgen van hun chemische emissies zijn nog steeds slecht begrepen. Opofferingsanodes die worden gebruikt voor kathodische bescherming in turbinefunderingen geven de voor de technologie essentiële elementen indium (In) en gallium (Ga) af aan het mariene milieu. Terwijl andere metalen afkomstig van OWF’s, waaronder aluminium, zink, koper, cadmium en lood, uitgebreid zijn onderzocht, zijn er nog steeds weinig ecotoxicologische gegevens over In en Ga beschikbaar. In deze studie werden de effecten van In en Ga op twee modelorganismen beoordeeld: de in marien sediment levende amfipode Corophium volutator, die gedurende 28 dagen werd blootgesteld aan met metalen verrijkt sediment, en de zoetwaterzebravis Danio rerio, die gedurende 120 uur na bevruchting afzonderlijk werd blootgesteld aan In en Ga in het water.

Bij geen van beide soorten werd bij de geteste concentraties een significante sterfte waargenomen. Bij C. volutator was de specifieke groeisnelheid bij de hoogste concentratie significant verhoogd, wat mogelijk wijst op hormesis. In het weefsel en het sediment van C. volutator werd een concentratieafhankelijke accumulatie van beide metalen aangetoond. Indium werd bijna volledig in de sedimentfase vastgehouden en bleef bij alle behandelingen onder de detectielimiet in het bovenliggende water. De accumulatiefactoren voor biota en sediment (BSAF’s) waren significant hoger voor In dan voor Ga, wat wijst op een onevenredig hogere biologische beschikbaarheid van In ondanks de lagere concentraties in opgeloste vorm. Bij D. rerio accumuleerden beide metalen op een concentratieafhankelijke manier. Gallium bleef overwegend opgelost (>80%) en vertoonde een duidelijke monotone dosis-respons in larvenweefsel. Indium daarentegen was grotendeels in de vorm van deeltjes (<2% opgelost), wat de blootstelling via het water beperkte. Een nieuwe bevinding was een mogelijke omgekeerde relatie tussen de blootstellingsconcentratie van In en de Ga-accumulatie bij aan In blootgestelde larven, wat wijst op remming van de Ga-opname door In, mogelijk via gedeelde ijzertransportroutes. Morfologische afwijkingen bij D. rerio kwamen zelden voor en konden niet op betrouwbare wijze worden toegeschreven aan blootstelling aan metalen.

Deze resultaten wijzen erop dat het belangrijkste ecologische risico van uit OWF’s afkomstig In en Ga in het sediment ligt, waarbij benthische organismen waarschijnlijk een groter risico op blootstelling aan deze metalen hebben dan pelagische organismen. Dit onderzoek vormt een basis voor toekomstige risicobeoordelingen en benadrukt de noodzaak om monitoring van de sedimentkwaliteit op te nemen in kaders voor milieurisicobeoordeling en -beheer met betrekking tot OWF’s.
Meer lezen

Autogenic Pressure Carbonisation of Mixed Non-Recyclable Plastic Waste for Carbon Capture Applications

KU Leuven
2026
Wout
Deconninck
Deze masterproef onderzoekt of moeilijk recycleerbaar plasticafval, zoals PET-afval en sigarettenfilters, kan worden omgezet in poreuze actieve kool voor CO₂-capture. Hiervoor werd autogene drukcarbonisatie (APC) gecombineerd met KOH-activatie. Vooral PET-afval leverde veelbelovende resultaten op: het specifieke oppervlak steeg tot 1205 m²/g en er ontstond een sterk microporeuze structuur die geschikt is voor CO₂-adsorptie. Sigarettenfilters konden eveneens worden omgezet in koolstofrijk materiaal, terwijl een mengsel van beide afvalstromen geen positieve synergie vertoonde. De CO₂-opnametesten toonden hoge, maar nog verkennende waarden. Het onderzoek toont zo het potentieel om moeilijk recycleerbaar afval te valoriseren tot een materiaal met een mogelijke toepassing in CO₂-afvang.
Meer lezen

Developing eDNA as a tool for assessing fish diversity on East African coral reefs

Vrije Universiteit Brussel
2026
Tara
Sarwar
In deze studie werd onderzocht in welke mate environmental DNA (eDNA) geschikt is om de biodiversiteit van vissen in Keniaanse koraalriffen te bestuderen. In totaal werden er 41 vissenfamilies en 71 soorten gedetecteerd. De geografische liggen van de riffen had een duidelijke invloed op de soortensamenstelling, terwijl beschermingsstatus geen significant effect vertoonde. Bovendien bleek eDNA-metabarcoding in staat om soorten te detecteren die tijdens visuele tellingen niet werden opgenomen. Hoewel beide methoden een vergelijkbare aantal taxa identificeerden, verschilde ze in de soorten die ze detecteren. Deze resultaten toonden aan dat beide methoden elkaar aanvullen en dat eDNA een veelbelovende en minder invasieve techniek is voor de monitoring van koraalriffen, ondanks de technische beperkingen ondervonden in deze studie.

Beschermingsstatus had geen duidelijk effect op de soortengemeenschappen in tegenstelling tot geografische locatie. Bovendien bleek eDNA meer succesvol in het detecteren van taxa dan visuele tellingen die tijdens het verzamelen van de stalen plaatsvonden. Beide methoden vonden wel een gelijkaardig aantal taxa, maar namen riffen op een fundamentele manier anders waar. Deze studie toonde aan dat beide methoden elkaar complementeerde en dat eDNA een veelbelovende en minder invasieve methode voorsteld voor het monitoiren van koraalriffen ondanks de technische beperkingen ondervonden in deze thesis.
Meer lezen

Ruimte voor biodiversiteit op bedrijventerreinen: een kritische systematisering van natuurinclusieve (her)ontwikkeling van bedrijventerreinen in Vlaanderen

Universiteit Gent
2026
Andres
Bourgonjon
Bedrijventerreinen creëren een aanzienlijke negatieve impact op de Vlaamse biodiversiteit. Tegelijk vormen ze de ideale basis voor een nieuwe vorm van natuurherstel. Hoe drastisch is het gesteld met de natuurkwaliteit op bedrijventerreinen? En hoe kunnen we aandacht voor biodiversiteit structureel inbedden in de (her)ontwikkeling en het beheer van bedrijventerreinen?
Meer lezen

Ontwerpgerichte methodiek voor herbestemmingen van religieus erfgoed.

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Fleur
Sanchez
Overal ter wereld staan religieuze erfgoedsites onder druk. Door de secularisering van de maatschappij verliezen kerken en andere religieuze gebouwen hun oorspronkelijke functie en komen ze leeg te staan. Een nieuwe functie kan een gebouw een toekomst geven, maar een herbestemming is meer dan het simpelweg invullen van een nieuwe functie. Het is een complex proces waarin erfgoedwaarden, ontwerp, regelgeving, gebruikers en verschillende actoren voortdurend op elkaar inspelen.

Daarom onderzocht ik hoe een methodiek ontwikkeld kan worden die ontwerpers houvast biedt bij herbestemmingsprojecten van religieus erfgoed. Via literatuuronderzoek, analyse van bestaande procesmodellen, interviews en praktijkgerichte validatie bracht ik de verschillende aspecten, actoren en knelpunten van het proces in kaart. Ik onderzocht onder meer het Godshuis De Lichtervelde en het Begijnhof in Hasselt. Vervolgens toetste ik de ontwikkelde methodiek aan de Abdij van Herkenrode als testcase.

Uit het onderzoek bleek dat herbestemming geen strikt lineair proces is. Beslissingen veranderen voortdurend door nieuwe inzichten, randvoorwaarden en input van verschillende actoren. Daarom ontwikkelde ik een methodologisch model dat het proces opdeelt in vijf fases: vooronderzoek, haalbaarheidsstudie, ontwerp, uitvoering en ingebruikname. Terugkoppelingen verbinden deze fases met elkaar en maken zichtbaar wanneer eerdere keuzes opnieuw moeten worden onderzocht.

Daarnaast vormen ontwerpmethodieken en ruimtelijke ontwerpstrategieën een belangrijke schakel tussen analyse en ontwerp. Ze helpen ontwerpers om erfgoedwaarden, randvoorwaarden, het programma en ruimtelijke kwaliteit te vertalen naar concrete ontwerpkeuzes. Het model wordt aangevuld met digitale informatiefiches die per fase extra uitleg en praktische handvatten bieden.

Het eindresultaat is geen vast stappenplan dat voor elke kerk hetzelfde antwoord geeft. Het biedt ontwerpers een flexibel houvast om het complexe herbestemmingsproces te structureren, keuzes te onderbouwen en het ontwerp voortdurend af te toetsen. Zo bundelt de methodiek versnipperde kennis in één praktisch hulpmiddel voor toekomstige herbestemmingsprojecten van religieus erfgoed.
Meer lezen

Werk-Woorden-Ruimte

LUCA School of Arts
2026
Nick
Proot
Voor mijn educatieve masterscriptie onderzocht ik hoe studenten in het deeltijds kunstonderwijs zelf richting kunnen geven aan hun artistieke proces wanneer ze vastlopen. Daarvoor ontwikkelde ik Werk-Woorden-Ruimte: een doos met werkwoordkaarten, focuskaarten, een lexicon en een handleiding. Studenten combineren woorden, interpreteren ze vanuit hun eigen onderzoek en formuleren instructies voor zichzelf.

Gedurende vijf weken volgde ik het gebruik in twee groepen van het Projectatelier, bij volwassenen in de vierde graad Beeld. Via hun procesboeken onderzocht ik hoe de kaarten het experimenteren, reflecteren en benoemen van keuzes ondersteunden. Verschillende studenten vonden na een blokkade zelf een nieuwe werkrichting. Het onderzoek verkent zo hoe een open structuur houvast kan bieden en tegelijk ruimte laat voor autonomie en een eigen artistieke stem.
Meer lezen

Oostende: een onverwachte wereldhaven en veeleisende meesteres: Een onderzoek naar scheepsongevallen in en rond de haven van Oostende tussen 1770 en 1792.

KU Leuven
2026
Arne
Hanson
Deze masterscriptie doet onderzoek naar scheepsongevallen in de haven van Oostende op het einde van de achttiende eeuw. Dat doet ze via de onderzoeksvraag: Welke soorten scheepsongevallen; welke oorzaken en welke evoluties kenmerkten die scheepsongevallen in en rond de haven van Oostende in de periode 1770 tot 1792 en wat was het gevolg voor deze schepen? Het onderzoek maakte gebruik van vier bronnen: de ‘Gazette van Gend’ een krant waarin scheepsongevallen vermeldt staan; de ‘Nauwkeurige beschryving der Oude en Beroemde Zee-Stad Oostende gelegen in Oostenrycksch Vlaenderen’ van Jacobus Bowens, een kroniek die contemporaine context verschaft; een rapport van Thomas de Grysperre dat een aantal oorzaken aangaf voor de scheepsongevallen die in voorkwamen in Oostende en tenslotte zeeprotesten uit het notariaat van Caillie. De zeeprotesten zijn aktes waarin kapiteins hun verslag deden over een ongeval en probeerden de schuld van zich af te schuiven door ze op de zee te leggen, vandaar de naam zeeprotest.
De meeste scheepsongevallen die in Oostende gebeurden waren strandingen. Andere ongevallen waren zinkende schepen, schepen met lekkages en schepen met averij. Er zijn vier mogelijke oorzaken voor deze ongevallen: het weer, strandingen, de verzanding van de haven en tenslotte onkunde. Bij slecht weer gebeurden er ongevallen omdat schepen afhankelijk waren van het weer en omdat Oostende onbeschut lag. Strandingen waren soms zodanig hard dat schepen aan stukken sloegen. Daardoor zijn zij zowel een soort als een oorzaak. Door verzanding was de haven ondiep waardoor zij verraderlijk was en soms voor ongevallen zorgde. Daarnaast was Oostende ook moeilijk te bereiken waardoor veel ervaring nodig was. Onkunde speelde dus ook een rol. Meestal gebeurde een ongeval door een combinatie van deze factoren.
Vervolgens werd de evolutie van het aantal scheepsongevallen bestudeerd. Een Pearson-Correlatiecoëfficiënt toont aan dat er een zwakke, positieve samenhang was tussen het aantal scheepsongevallen en het aantal inkomende schepen. Daarnaast was de correlatie statistisch niet significant. De evolutie van het aantal scheepsongevallen fluctueerde daarvoor te veel. De fluctuaties werden veroorzaakt door geïsoleerde gebeurtenissen en door de verbetering van de haveninfrastructuur in Oostende.
Het laatste aspect van dit onderzoek zijn de gevolgen voor de schepen na een ongeval. De schepen zelf konden meestal de haven van Oostende toch bereiken, waar ze gerepareerd werden. Als ze te beschadigd waren werden ze gerecycleerd, materiaal dat nog in goede staat was werd verkocht en het schip zelf werd tot brandhout gehakt. Wrakken bleven op de bodem liggen, waar ze op hun beurt ongevallen konden veroorzaken. Als de kapitein aan land kwam tekende hij een zeeprotest waardoor hij gevrijwaard was van schadeclaims op het schip of de lading. De bemanning speelde daarbij een belangrijke rol want zij moesten de onschuld van de kapitein bevestigen. Soms werd de schuld ook op de loods gelegd als hij in fout was. Tot slot konden handelaars hun goederen ophalen, maar konden geen schadeclaims opleggen door het zeeprotest. Dat was dus een zeer handig document om op zak te hebben.
Meer lezen

Water Dichter, een metabool ontwerp voor een zwembare Roosterbeek

Universiteit Hasselt
2026
Jilles
van der Linde
Deze masterscriptie onderzoekt de grens tussen lichaam en water, door een kleine waterloop als zwembaar te benaderen. Waterlopen werden in Vlaanderen lang beschouwd als infrastructuur, hygiënisch risico of juridische last, waardoor de directe lichamelijke ervaring van water uit het dagelijks leven verdween. De laatste jaren ontstaat een voorzichtige kentering die buitenzwemmen opnieuw op de politieke agenda heeft gezet. Binnen die context onderzoekt deze scriptie onder welke ruimtelijke, ecologische en lichamelijke voorwaarden een kleine, waterloop opnieuw zwembaar kan worden, en hoe een ontwerp deze voorwaarden in één samenhangend systeem kan brengen.

De Roosterbeek in Midden-Limburg dient als case. Het onderzoek combineert een lichamelijke verkenning van de beek, gesprekken met experts uit waterbeheer en ecologie, een literatuurstudie naar zwembeleid en de fenomenologische omgang met water, en ontwerpend onderzoek waarin de bevindingen ruimtelijk worden getoetst. De analyse brengt verschillende obstakels voor zwembaarheid naar voren. De beek is op meerdere plekken ingebuisd, snijdt zich steeds dieper in door versnelde afvoer, en wordt bij regen vervuild door een riooloverstort. Deze problemen zijn niet apart oplosbaar; ze vragen om een aanpak die ecologie, infrastructuur en lichamelijke beleving samenbrengt.

Het ontwerp Water Dichter vertaalt deze inzichten in een sequentie van ingrepen waarin elk obstakel niet wordt weggewerkt maar omgekeerd. Rioolslib wordt warmte, buizen worden constructies, vervuild water wordt gezuiverd en gevierd. Het ontwerp positioneert zwembaarheid als ontwerpcriterium en zorg, die uit lichamelijk contact ontstaat, als ontwerpvoorwaarde. Daarmee biedt het een aanpak voor de herdenking van vergelijkbare kleine waterlopen in Vlaanderen.
Meer lezen

De bijdrage van groene infrastructuur aan koolstofopslag op campus Schoonmeersen

HOGENT
2026
Tristan
Kerger
Deze bachelorproef onderzoekt de koolstofopslag in de bodem van campus Schoonmeersen (HOGENT), en de wijze waarop bodemkoolstof meegenomen kan worden in het klimaatbeleid.
Meer lezen

Hydrogels for space radiation shielding applications

Universiteit Gent
2026
Sara
Declerck
Mijn masterthesis onderzoekt innovatieve hydrogels als stralingsbescherming voor toekomstige ruimtemissies. Daarnaast werd een menselijk driedimensionaal huidmodel ontwikkeld om de biologische effecten van ruimtestraling te bestuderen en in de toekomst de beschermende werking van deze hydrogels te evalueren.
Meer lezen