Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

De-escalatietrainingen in het omgaan met agressie in de verpleegkunde

Hogeschool UCLL
2026
Yara
VERLEY
Agressie is de dag van vandaag een alomtegenwoordig probleem binnen de maatschappij, eveneens binnen de zorgsetting. Hierbij lijkt de kwaliteit van een veilige zorgomgeving en humane hulpverlening onder druk te staan. Zorgverleners, waaronder verpleegkundigen, ervaren steeds vaker oplopende spanningen en onvoorspelbaar gedrag. Daarnaast worden de verpleegkundigen vaker blootgesteld aan de zware gevolgen van agressie-incidenten, ondanks het bestaan van trainingen en protocollen. Een belangrijke oorzaak hiervan is het gebrek aan voldoende kennis, maar eveneens het gebrek aan vertrouwen in het correct handelen bij opkomende spanning en agressie. Er lijkt dus een groeiende nood te zijn aan effectieve de-escalatietraining in het omgaan met agressie.

De doelstelling van deze scriptie ligt in het onderzoeken van de effectiviteit van de-escalatietrainingen en bijgevolg ook uit te kunnen maken welke vorm van training het meest effectief is in het reduceren van agressie-incidenten.
Om dit mogelijk te maken werd in deze paper geopteerd voor een literatuurstudie uitgevoerd waarbij wetenschappelijke bronnen en systematische reviews werden geanalyseerd. De analyse focuste op drie kwaliteitscriteria: efficiëntie, doeltreffendheid en duurzaamheid.

Uit de resultaten blijkt dat de-escalatietrainingen effectief zijn in het verbeteren van de houding, competenties en het zelfvertrouwen van verpleegkundigen, maar dat er onvoldoende evidentie is dat trainingen als losstaande interventie voldoende zijn om het aantal agressie-incidenten te verminderen. Hiervoor is verder gespecificeerd onderzoek nodig.
Om de-escalerend te kunnen werken in het voorkomen van agressie-incidenten is een bredere multimodale aanpak nodig die zowel het individueel niveau omvat als het organisatorisch en structureel niveau.

Dit onderzoek toont aan dat investeren in de-escalatie loont. Desondanks zijn training alleen als interventie onvoldoende. Ze moeten ingebed worden in een duurzame, multimodale aanpak die zowel het individueel niveau van verpleegkundigen als het organisatieniveau aanpakt. Dit heeft als gevolg het creëren van een zorgomgeving waarin veiligheid, professionaliteit en menselijkheid centraal kunnen blijven staan.
Meer lezen

Ontwerpgerichte methodiek voor herbestemmingen van religieus erfgoed.

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Fleur
Sanchez
Overal ter wereld staan religieuze erfgoedsites onder druk. Door de secularisering van de maatschappij verliezen kerken en andere religieuze gebouwen hun oorspronkelijke functie en komen ze leeg te staan. Een nieuwe functie kan een gebouw een toekomst geven, maar een herbestemming is meer dan het simpelweg invullen van een nieuwe functie. Het is een complex proces waarin erfgoedwaarden, ontwerp, regelgeving, gebruikers en verschillende actoren voortdurend op elkaar inspelen.

Daarom onderzocht ik hoe een methodiek ontwikkeld kan worden die ontwerpers houvast biedt bij herbestemmingsprojecten van religieus erfgoed. Via literatuuronderzoek, analyse van bestaande procesmodellen, interviews en praktijkgerichte validatie bracht ik de verschillende aspecten, actoren en knelpunten van het proces in kaart. Ik onderzocht onder meer het Godshuis De Lichtervelde en het Begijnhof in Hasselt. Vervolgens toetste ik de ontwikkelde methodiek aan de Abdij van Herkenrode als testcase.

Uit het onderzoek bleek dat herbestemming geen strikt lineair proces is. Beslissingen veranderen voortdurend door nieuwe inzichten, randvoorwaarden en input van verschillende actoren. Daarom ontwikkelde ik een methodologisch model dat het proces opdeelt in vijf fases: vooronderzoek, haalbaarheidsstudie, ontwerp, uitvoering en ingebruikname. Terugkoppelingen verbinden deze fases met elkaar en maken zichtbaar wanneer eerdere keuzes opnieuw moeten worden onderzocht.

Daarnaast vormen ontwerpmethodieken en ruimtelijke ontwerpstrategieën een belangrijke schakel tussen analyse en ontwerp. Ze helpen ontwerpers om erfgoedwaarden, randvoorwaarden, het programma en ruimtelijke kwaliteit te vertalen naar concrete ontwerpkeuzes. Het model wordt aangevuld met digitale informatiefiches die per fase extra uitleg en praktische handvatten bieden.

Het eindresultaat is geen vast stappenplan dat voor elke kerk hetzelfde antwoord geeft. Het biedt ontwerpers een flexibel houvast om het complexe herbestemmingsproces te structureren, keuzes te onderbouwen en het ontwerp voortdurend af te toetsen. Zo bundelt de methodiek versnipperde kennis in één praktisch hulpmiddel voor toekomstige herbestemmingsprojecten van religieus erfgoed.
Meer lezen

artificiële intelligentie in de oncologische diëtetiek: digitale tool en promptgids voor diëtisten

Odisee Hogeschool
2026
Jonathan
Hoes
  • Emma
    Vico
Deze bachelorproef onderzoekt de mogelijkheden van artificiële intelligentie (AI) binnen de oncologische diëtetiek om de werkdruk van oncologische diëtisten te verlagen. Probleemstelling: De aanleiding voor dit onderzoek is de toenemende zorgvraag binnen de oncologie, gecombineerd met een hoge administratieve belasting en beperkte tijd voor individuele begeleiding. Hoewel AI theoretisch veel mogelijkheden biedt binnen de gezondheidszorg, blijkt de implementatie in de praktijk momenteel nog beperkt.
Methode: In deze bachelorproef werd onderzocht hoe Large Language Models via gestructureerde prompt engineering op een betrouwbare manier kunnen worden ingezet binnen de oncologische voedingszorg. Hiervoor werd eerst een bevraging afgenomen bij oncologische diëtisten om huidige noden, werkdruk, AI-gebruik en bezorgdheden rond AI in kaart te brengen. Daarnaast werd een literatuuronderzoek uitgevoerd naar recente prompttechnieken zoals role prompting, few-shot prompting, Chain-of-Thought prompting en Retrieval Augmented Generation. Vervolgens werden verschillende prompts en AI-modellen met elkaar vergeleken op basis van zowel kwantitatieve als kwalitatieve evaluatiecriteria. Met al deze bekomen informatie werd een praktische promptgids ontwikkeld en een prototype gebouwd waarmee gepersonaliseerde voedingsschema’s gegenereerd kunnen worden op basis van patiëntengegevens en nutritionele richtlijnen.
Resultaten: Uit de resultaten bleek dat oncologische diëtisten een hoge werkdruk ervaren en momenteel slechts beperkt gebruikmaken van AI, voornamelijk door bezorgdheden rond betrouwbaarheid, privacy en transparantie. De vergelijking tussen verschillende prompttechnieken toonde aan dat gestructureerde prompts die gebruik maken van gerichte prompttechnieken duidelijk betere resultaten opleverden dan eenvoudige prompts. De aangepaste prompts genereerden accuratere en consistenter voedingsschema’s die beter aansloten bij de ESPEN-richtlijnen en de klinische context van de patiënt. Daarnaast werden verschillen vastgesteld tussen de onderzochte AI-modellen. Sommige modellen slaagden er beter in om richtlijnen, symptomen en voedingsvereisten correct te integreren, terwijl andere modellen meer inconsistenties en afwijkingen vertoonden.
Besluit: Deze bachelorproef toont aan dat artificiële intelligentie een waardevolle ondersteunende rol kan spelen binnen de oncologische diëtetiek. Gestructureerde prompt engineering kan bijdragen aan meer consistente en klinisch relevante output.

Meer lezen

Closing the Carbon Loop: Integrated Process Design and Techno-Economic analysis of CO₂ capture and valorization pathways from chemical looping process of Blast Furnace Gas

Universiteit Gent
2026
Gunel
Rahimli
Hoogovengas is de grootste CO₂-bron van een geïntegreerde staalfabriek, maar het lage CO₂-gehalte maakt conventionele afvang duur. Deze masterthesis onderzoekt een geïntegreerd concept dat het hoogovengas eerst concentreert via een chemical-looping-proces met ijzeroxide (H2Loop) en daarna de CO₂ afvangt met twee alternatieve routes: cryogene destillatie en calciumlooping. Na een literatuurstudie van de beschikbare afvangtechnologieën (onder meer aminewassing, membranen, adsorptie, cryogene scheiding en calciumlooping) werden beide routes gemodelleerd in Aspen Plus voor een basisgeval van 1.000 Nm³/h hoogovengas. Een technisch-economische analyse met factoriële kostenraming en discounted cash flow vergelijkt de routes. De cryogene route levert vloeibare CO₂ met een zuiverheid van ≥ 99,9 mol% tegen ongeveer 351 €/t CO₂, de calciumloopingroute ongeveer 393 €/t CO₂. Op industriële schaal wordt enkel de cryogene route haalbaar. De resultaten worden weergegeven als een bandbreedte tussen een optimistische bovengrens en een conservatieve ondergrens.
Meer lezen

Water Dichter, een metabool ontwerp voor een zwembare Roosterbeek

Universiteit Hasselt
2026
Jilles
van der Linde
Deze masterscriptie onderzoekt de grens tussen lichaam en water, door een kleine waterloop als zwembaar te benaderen. Waterlopen werden in Vlaanderen lang beschouwd als infrastructuur, hygiënisch risico of juridische last, waardoor de directe lichamelijke ervaring van water uit het dagelijks leven verdween. De laatste jaren ontstaat een voorzichtige kentering die buitenzwemmen opnieuw op de politieke agenda heeft gezet. Binnen die context onderzoekt deze scriptie onder welke ruimtelijke, ecologische en lichamelijke voorwaarden een kleine, waterloop opnieuw zwembaar kan worden, en hoe een ontwerp deze voorwaarden in één samenhangend systeem kan brengen.

De Roosterbeek in Midden-Limburg dient als case. Het onderzoek combineert een lichamelijke verkenning van de beek, gesprekken met experts uit waterbeheer en ecologie, een literatuurstudie naar zwembeleid en de fenomenologische omgang met water, en ontwerpend onderzoek waarin de bevindingen ruimtelijk worden getoetst. De analyse brengt verschillende obstakels voor zwembaarheid naar voren. De beek is op meerdere plekken ingebuisd, snijdt zich steeds dieper in door versnelde afvoer, en wordt bij regen vervuild door een riooloverstort. Deze problemen zijn niet apart oplosbaar; ze vragen om een aanpak die ecologie, infrastructuur en lichamelijke beleving samenbrengt.

Het ontwerp Water Dichter vertaalt deze inzichten in een sequentie van ingrepen waarin elk obstakel niet wordt weggewerkt maar omgekeerd. Rioolslib wordt warmte, buizen worden constructies, vervuild water wordt gezuiverd en gevierd. Het ontwerp positioneert zwembaarheid als ontwerpcriterium en zorg, die uit lichamelijk contact ontstaat, als ontwerpvoorwaarde. Daarmee biedt het een aanpak voor de herdenking van vergelijkbare kleine waterlopen in Vlaanderen.
Meer lezen

Voorbij dysforie: betekenisgeving aan de vulva bij transmasculiene personen die geen genitale chirurgie ondergaan

Universiteit Gent
2026
Sem
Decraene
Bestaande literatuur focust hoofdzakelijk op lichaamsontevredenheid binnen de transgendergemeenschap en op de rol van chirurgie in het verhogen van lichaamsacceptatie. Hoewel genderdysforie vaak gepaard gaat met ongemak over de genitaliën, kiest een aanzienlijk aantal trans mannen er niet voor om phalloplastie te ondergaan. Eerder onderzoek wijst op zorgen over complicaties en ontevredenheid met de huidige mogelijkheden als belangrijke motiverende factoren voor de beslissing tegen chirurgie, maar besteedt nauwelijks aandacht aan de mogelijkheid dat sommige transmasculiene personen hun vulva als betekenisvol, neutraal of zelfs positief ervaren. Positieve lichaamsbeleving blijft daardoor grotendeels onderbelicht. Dit artikel onderzoekt daarom hoe transmasculiene personen die bewust geen phalloplastie ondergaan betekenis geven aan hun vulva, en doet dat aan de hand van dertien semi-gestructureerde diepte-interviews die werden geanalyseerd via een reflexieve thematische analyse.
Meer lezen

RFID implementatie in het materiaalbeheerproces: Case Study StandPlus

Hogeschool VIVES
2026
Lennert
Camps
Mijn bachelorproef onderzoekt hoe RFID-technologie het materiaalbeheer bij StandPlus kan verbeteren. StandPlus is een standenbouwer uit Roeselare en werkt met meer dan 3.000 herbruikbare aluminium BeMatrix-kaders. Die worden vandaag voor vertrek manueel door twee medewerkers geteld, en bij retour gebeurt er geen systematische controle. Dat kost tijd, leidt tot fouten en zorgt voor een onbetrouwbare voorraadregistratie.

Het onderzoek combineert literatuurstudie met praktijkonderzoek. Eerst werd het huidige proces in kaart gebracht en werden de manuele controles met een stopwatch gemeten. Daarna werd samen met Geartracking een RFID-pilot opgezet, met 100 getagde kaders. Omdat metaal RFID-signalen verstoort, werden verschillende labels en tagposities getest. Een on-metal sticker net onder de klittenband aan de buitenkant van het kader gaf een betrouwbare detectie.

RFID-scanning bleek de controletijd met meer dan 85 procent te verminderen, en de controle kan door één persoon gebeuren in plaats van twee. In nagebootste scenario's werden ontbrekende, extra en vermengde items meteen gedetecteerd. Uit de kosten-batenanalyse blijkt een investering van ongeveer €12.677, tegenover een jaarlijkse besparing van €1.280 aan arbeidskosten. De grootste meerwaarde ligt echter in betere controle, foutreductie en voorraadnauwkeurigheid. Aanbevolen wordt om RFID gefaseerd in te voeren: eerst de kaders, daarna andere materialen.
Meer lezen

Kies de toekomst: van gesloten kloosters en abdijen tot bruisend buurthuis of stille studeerplaats. Een stem voor buurt en clerici

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Matti
De Gryze
Deze bachelorproef gaat over hoe abdijen en kloosters op een duurzame en respectvolle manier worden herbestemd, een nevenfunctie krijgen of gevaloriseerd worden in een tijd van religieuze transitie. Aan de hand van literatuurstudie, onderzoek naar geselecteerde cases en interviews heb ik een digitale participatietool ontworpen die bouwheer, (oud)bewoners, omwonenden en architect met elkaar verbindt. Het is een platform waar iedereen zijn bezorgdheden, meningen, bedenkingen en ideeën voor de site op een plaats brengt en ze bundelt voor de architect om de typologisch meest geschikte aan te duiden. Op deze manier ontstaat een voorstel voor een nieuwe functie voor de site die niet enkel voldoet aan de noden van de directe samenleving maar ook aanvaardbaar is voor de bewoners die het gebouw hun thuis noemen.
Meer lezen

Cultivating seaweed at home: benefits and limitations

Universiteit Antwerpen
2026
Lani
Vints
De voedingsindustrie legt een grote druk op de natuur en haar hulpbronnen. Vooral de druk die de
vleesproductie uitoefent, kan niet worden genegeerd. Er is behoefte aan plantaardige alternatieve
eiwitbronnen om deze druk te verminderen. Zeewier zou een van deze alternatieven kunnen zijn,
aangezien het een goede eiwitbron vormt en bovendien andere voordelen biedt. De grootschalige
teelt van zowel marien als op het land gekweekt zeewier kent echter haar eigen beperkingen. De
mariene teelt is gevoelig voor omgevingsfactoren en grootschalige teelt op het land vereist een hoog
energieverbruik. Thuis gekweekt zeewier zou een oplossing kunnen bieden, omdat het minder
gevoelig is voor omgevingsfactoren en minder energie vereist door de opstelling aan te passen aan
wat strikt noodzakelijk is. Dit proefschrift richt zich op de kansen, beperkingen en haalbaarheid van
het thuis kweken van zeewier door de economische aspecten, de milieu-impact en de
maatschappelijke vereisten te onderzoeken. Antwoorden worden gevormd door informatie te
verzamelen uit literatuuronderzoek, interviews en een casestudy, ondersteund door een lijst met
indicatoren om een duurzame aanpak te waarborgen. Geconcludeerd kan worden dat het technisch
haalbaar is om zeewier te kweken, maar dat er nog steeds beperkingen zijn. Verontreiniging is een van
de belangrijkste beperkingen van het kweken van zeewier thuis, wat resulteert in bezorgdheden
omtrent voedselveiligheid. Afhankelijk van het gebruikte materiaal kunnen ook de kosten en
verminderde opbrengst een barrière vormen. Het blijkt vooral belangrijk om de zeewiersoort
zorgvuldig te kiezen en omgevingsomstandigheden aan te passen. Kweek heeft vooral mogelijkheden
voor educatie en bewust zijn en kan gezien worden als hobby.
Meer lezen

Van spanning naar zelfvertrouwen: Faalangst verminderen in lichamelijke opvoeding

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Femke
Verplanken
Deze bachelorproef onderzoekt hoe leerkrachten lichamelijke opvoeding faalangst bij leerlingen in de eerste graad van het secundair onderwijs kunnen herkennen en verminderen. Tijdens de LO-les zijn prestaties zichtbaar voor klasgenoten. Sociale vergelijking, evaluaties en de angst om fouten te maken kunnen daardoor leiden tot onzekerheid en vermijdingsgedrag.

Via een literatuurstudie, enquêtes, gesprekken en lesobservaties werden de ervaringen van leerlingen, leerkrachten en leerlingenbegeleiders onderzocht. De bevindingen wijzen op het belang van een veilig klasklimaat, duidelijke instructies, oefeningen op verschillende niveaus en positieve feedback die inzet en vooruitgang benadrukt.

Deze inzichten werden vertaald naar de praktische gids Expeditie LO – Van faalangst naar zelfvertrouwen. Daarin begeleidt mascotte Cliff de Alpi-paca leerkrachten en leerlingen tijdens een symbolische bergtocht. De bijbehorende Hoogtemeter-methodiek biedt concrete hulpmiddelen om leerlingen stap voor stap te ondersteunen. Zo wil de gids bijdragen aan een leeromgeving waarin leerlingen durven proberen, fouten mogen maken en vertrouwen opbouwen in hun eigen mogelijkheden.

Meer lezen

Wondzorg in beweging: ontwikkeling van een evidence-based verpleegkundig protocol voor postoperatieve amputatiewondzorg

Hogeschool VIVES
2026
Maxim
Rommelaere
Deze bachelorproef vertrekt vanuit de vaststelling dat de postoperatieve wondzorg bij amputaties op een afdeling algemene heelkunde niet altijd op eenzelfde, gestructureerde manier verloopt. Om verpleegkundigen meer houvast te bieden, werd een evidence-based wondzorgprotocol ontwikkeld en voorbereid voor implementatie. Hiervoor werd wetenschappelijke literatuur gecombineerd met een praktijkgerichte audit bij 26 verpleegkundigen. De resultaten toonden vooral variatie en onzekerheid rond wondobservatie, verbandkeuze, rapportage en het bepalen wanneer artsencontact nodig is. Op basis daarvan werd een eerste protocol met flowchart ontwikkeld en beoordeeld door verpleegkundigen, een wondzorgverpleegkundige en een vaatchirurg. Hun feedback leidde tot een tweede, meer gestructureerde versie waarin onder meer het TIME-principe, duidelijke observatiecriteria, verbandcategorieën en een overzichtelijkere flowchart werden verwerkt. Het eindproduct biedt een praktisch kader dat verpleegkundigen ondersteunt bij klinische besluitvorming zonder die te vervangen.
Meer lezen

Generative AI-Based Design of Electric Machines — A CVAE-based Framework for the Optimisation of Interior Permanent Magnet Motors for the Automotive Market

KU Leuven
2026
Lorenz
De Maeyer
Electric traction motors for hybrid and battery vehicles are currently designed by
wrapping a finite-element key-performance-indicator (KPI) evaluator in an evolu
tionary optimisation loop, an approach that can take days of compute on a multi-core
node per customer case. This thesis addresses the same problem from the inverse
direction: given a target peak performance profile together with the electrical limits
imposed by the inverter and battery, generate a diverse set of compliant double-V
interior permanent magnet synchronous machine (IPMSM) geometries. The pro
posed framework combines three components, using a dataset of 85384 physically
valid samples obtained by latin hypercube sampling of the 17 free geometric pa
rameters: (i) a residual multilayer-perceptron surrogate that maps geometry and
electrical limits to the 80-point peak torque–speed curve through a 19-component
principal-component bottleneck, (ii) a conditional variational autoencoder (CVAE)
with a 15-dimensional latent space that learns to generate performance-compliant
geometries, given the working conditions, and (iii) a gradient-based latent space
optimisation stage that refines a sampled candidate towards minimal volume under
soft performance-compliance and structural-integrity penalties driven by the frozen
surrogate.

On the held-out test set, the surrogate reaches a mean relative L2 error of 0.62%
on the denormalised torque curve at sub-millisecond inference cost. A performance
regularised CVAE variant, which augments the evidence lower bound with a dif
ferentiable compliance penalty derived from the frozen surrogate, lifts the mean
prior-sampling compliance on eight industrial conditions from 49.1% to 75.7% while
preserving roughly 86% of the per-feature design-range coverage. The subsequent
latent-space optimisation returns a compliant candidate for every one of the eight
conditions and for both CVAE variants, converging within roughly 100 iterations and
finishing in about 45s per condition on a single CPU core. A single FEM run con
firms that the optimised torque–speed curve passes through the requested operating
points. The framework therefore compresses what is currently a days-long search
into a sub-minute generative step. Thermal, efficiency, noise-vibration-harshness,
and demagnetisation behaviour remain out of scope and are identified as the prior
ity directions for further work.
Meer lezen

Ontwikkeling van een informatieve brochure voor ouder(s) en kind bij pediatrische hartkatheterisatie

Hogeschool VIVES
2026
Britney
Soenen
Ouders van kinderen die een hartkatheterisatie ondergaan, blijven vaak met onzekerheden zitten, zelfs wanneer zorgverleners de nodige uitleg hebben gegeven. Tijdens mijn stage op de Pediatrische Intensive Care Unit van het UZ Gent merkte ik dat angst, informatie-overload en een gebrek aan afstemming tussen diensten ervoor zorgen dat ouders dezelfde vragen blijven stellen. Wetenschappelijke literatuur bevestigt dat mondelinge uitleg alleen onvoldoende is en dat schriftelijke informatie angst vermindert en het begrip versterkt. Daarom ontwikkelde ik een nieuwe, toegankelijke brochure met eenvoudige taal, kindvriendelijke illustraties en duidelijke antwoorden op veelgestelde vragen. Dit kleine document biedt ouders houvast, ondersteunt consistente communicatie tussen zorgverleners en draagt bij aan warmere, gezinsgerichte zorg.
Meer lezen

Zien we het kind achter de gebroken arm?

Hogeschool UCLL
2026
Eline
Gressens
Deze bachelorproef onderzoekt de kloof tussen de aangeboden zorg en zorgnoden van kinderen en jongeren (<18 jaar) met een psychiatrische achtergrond die agitatie vertonen op de spoedgevallendienst. De prikkelrijke en onvoorspelbare spoedomgeving sluit niet altijd aan bij hun psychische en emotionele behoeften, wat het risico op stress, escalatie, therapieweigering en vrijheidsbeperkende maatregelen kan vergroten.

Aan de hand van een literatuurstudie van recente wetenschappelijke literatuur werden verpleegkundige interventies en praktijkgerichte handvatten onderzocht die kunnen bijdragen aan een veiligere, effectievere en meer patiëntgerichte aanpak. De resultaten benadrukken het belang van vroegdetectie, omgevingsaanpassingen, verbale de-escalatie, therapeutische communicatie, familieparticipatie en multidisciplinaire samenwerking. Gestandaardiseerde zorgpaden en gerichte opleiding van verpleegkundigen kunnen helpen om de zorg beter af te stemmen op deze kwetsbare doelgroep.
Meer lezen

Computational fluid dynamics (CFD) simulatie en validatie van wandbevochtiging voor methanol poortbrandstofinjectie

Universiteit Gent
2026
Lien
Spruytte
De wereldwijde maritieme sector staat onder toenemende druk om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, onder meer door regelgevingen zoals het Europese Fit for 55-pakket. Methanol wordt daarbij gezien als een veelbelovende alternatieve brandstof voor bestaande motoren die worden omgebouwd naar een dual-fuelwerking. De hoge verdampingswarmte en lage vluchtigheid van methanol zorgen er echter voor dat de brandstof gemakkelijk op de cilinderwand neerslaat. Dit kan leiden tot problemen met de homogeniteit van het brandstof-luchtmengsel en de stabiliteit van de motor.

Als eerste stap wordt in deze thesis een uitgebreide literatuurstudie uitgevoerd. Hierbij wordt de achtergrond van methanol als alternatieve brandstof besproken, samen met de belangrijkste gevolgen ervan voor de werking van de motor. Vervolgens wordt de huidige stand van de kennis over wandbevochtiging (wall wetting) in systemen met poortbrandstofinjectie (Port Fuel Injection, PFI) kritisch geanalyseerd. Op basis van deze literatuurstudie wordt een duidelijke onderzoekskloof geïdentificeerd en worden de onderzoeksvragen geformuleerd.

In deze thesis wordt vervolgens een op Computational Fluid Dynamics (CFD) gebaseerd model ontwikkeld en gevalideerd in CONVERGE om het gedrag van methanol op de cilinderwand bij poortbrandstofinjectie te simuleren. Het model maakt gebruik van een Lagrangiaanse-Euleriaanse aanpak, gecombineerd met het Bai-Gosman-model voor de interactie tussen de brandstofspray en de wand en met conjugate heat transfer. Het numerieke model wordt gevalideerd aan de hand van experimentele gegevens en de beperkingen van het model worden besproken.

Tot slot wordt met behulp van een systematische Latin Heuristic Sampling-studie onderzocht welke invloed de injectiedruk, brandstoftemperatuur en omgevingstemperatuur hebben op de dikte, oppervlakte en massa van de brandstoffilm op de wand.
Meer lezen

The Mind of the UNHCR

KU Leuven
2026
Phebe
Vantomme
De Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor Vluchtelingen (UNHCR) wordt alom erkend voor zijn humanitaire rol, maar fungeert tevens als wereldwijde architect van het mondiale landschap van ontheemding. Deze thesis herpositioneert de organisatie als een centrale architecturale speler door te analyseren hoe haar interne richtlijnen en standaardcriteria, vastgelegd in een technisch handboek, fungeren als blauwdrukken voor vluchtelingenkampen wereldwijd. De digitalisering van dit handboek in 2015 markeerde een cruciaal keerpunt, waardoor het handboek veranderde van een handleiding in een dominant ruimtelijk instrument dat een proces van universalisering oplegt.

Het onderzoek is gestructureerd rond twee belangrijke analytische perspectieven: (1) Technisch perspectief: allereerst verdiepen we ons in ‘de gedachtegang van de UNHCR’ door bestaande literatuur en peer-reviewed artikelen te bestuderen, om zo de focus te verleggen van humanitaire hulp naar ruimtelijk ontwerp. Door deze academische inzichten te combineren met een grondige analyse van het digitale Emergency Handbook (2015) van de UNHCR, identificeren we de drie belangrijkste pijlers – tent, de context rondom de tent en het beheer – die samen het ‘ideale model’ van de organisatie vormen. Dit perspectief definieert het kader dat de organisatie wereldwijd als een ‘standaardscript’ zal implementeren. (2) Implementatieperspectief: dit ‘ideale model’ wordt geëvalueerd aan de hand van drie diepgaande wereldwijde casestudies: Griekenland (Europa), Kenia (Afrika) en Bangladesh (Azië). Aan de hand van een vergelijkende matrix onderzoeken we of dit ‘ideale model’ in al deze verschillende contexten consequent wordt toegepast. Hoewel het proces van universalisering impliceert dat het ruimtelijke resultaat in elke context identiek zou moeten zijn, brengt dit perspectief juist de specifieke situaties aan het licht waarin dit niet het geval is. Door ons te richten op deze inconsistenties, analyseren we de spanning tussen de universele normen van de UNHCR en de lokale realiteit.

Op deze manier wil deze thesis aantonen dat de regels en standaardmaten van de UNHCR geen neutrale technische vereisten zijn, maar invloedrijke ruimtelijke instrumenten. Inzicht in deze normen illustreert hoe de fysieke inrichting van vluchtelingenkampen zowel de beleving als de fysieke realiteit van een permanent systeem van tijdelijk wonen vormgeeft.
Meer lezen

Generatieve AI in het programmeeronderwijs: Kansen, uitdagingen en de stand van zaken in Vlaanderen

Universiteit Gent
2026
Maxime
Debosschere
Generatieve artificiële intelligentie heeft zich op korte tijd stevig verankerd in softwareontwikkeling en beïnvloedt ook steeds vaker het programmeeronderwijs. Deze masterpraktijkproef onderzoekt de implicaties hiervan voor het leren en onderwijzen van programmeren en de wijze waarop lesgevers hiermee omgaan in hun onderwijspraktijk.

Het eerste luik bestaat uit een literatuurstudie over de invloed van generatieve AI op het aanleren van programmeervaardigheden en over didactische strategieën die hierbij kunnen worden ingezet. De literatuur beschrijft kansen op het vlak van ondersteuning, evaluatie, differentiatie en motivatie. Tegelijk worden uitdagingen aangehaald op het vlak van academische integriteit, afhankelijkheid en bias.

Het tweede luik omvat een vragenlijstonderzoek bij programmeerlesgevers in Vlaanderen (N = 37), met aandacht voor hun gebruik, ervaringen en opvattingen met betrekking tot generatieve AI. De resultaten wijzen erop dat generatieve AI inmiddels zowel bij lesgevers als bij lerenden een vaste plaats heeft verworven. De visies op het gebruik ervan lopen echter sterk uiteen: sommige lesgevers benadrukken het belang van een stevige programmeerbasis en kiezen voor een restrictieve aanpak, terwijl anderen generatieve AI beschouwen als een onmisbaar onderdeel van hedendaags programmeren en deze bewust integreren in hun onderwijspraktijk. Respondenten benadrukken daarnaast het groeiende belang van vaardigheden zoals probleemanalyse, het kritisch beoordelen en debuggen van code en het doordacht aanwenden van AI-hulpmiddelen.

Deze studie concludeert dat generatieve AI het programmeeronderwijs niet overbodig maakt, maar wel vraagt om een heroriëntatie van leerdoelen, didactiek en evaluatie.
Meer lezen

In welke mate brengt de D-QUEST de tevredenheid van gebruikers over het hulpmiddelenproces en de verstrekking van een hulpmiddel in kaart?

Hogeschool VIVES
2026
Quincy
De cat
Deze bachelorproef onderzoekt de tevredenheid van gebruikers over de verstrekking van mobiliteitshulpmiddelen en de geschiktheid van de D-QUEST om deze tevredenheid in kaart te brengen. Eerst werd via een systematische literatuurstudie onderzocht welke factoren de tevredenheid van gebruikers beïnvloeden en welke wetenschappelijke onderbouwing bestaat voor de QUEST en QUEST 2.0. Uit de literatuur blijkt dat tevredenheid niet alleen wordt bepaald door eigenschappen van het hulpmiddel, maar ook door het service delivery process, waaronder behoeftebepaling, advies, selectie, training en opvolging. De QUEST en QUEST 2.0 blijken betrouwbare en valide instrumenten te zijn, al is de responsiviteit ervan nog beperkt onderzocht.

Daarnaast werd een praktijkstudie uitgevoerd bij 60 volwassenen en ouderen met een mobiliteitsbeperking die via het RAR van AZ Sint-Jan Brugge een mobiliteitshulpmiddel ontvingen. Aan de hand van de D-QUEST werd de tevredenheid over het hulpmiddel en de dienstverlening bevraagd. In totaal was 90% van de deelnemers tevreden tot zeer tevreden over het mobiliteitshulpmiddel. Duurzaamheid, effectiviteit en gebruiksgemak kregen de hoogste tevredenheidsscores. Veiligheid en verstelbaarheid vormden belangrijke aandachtspunten. Vooral bij actieve rolwagens werd een opvallend lagere tevredenheid vastgesteld.

De resultaten tonen aan dat de D-QUEST een bruikbaar instrument is om gebruikerstevredenheid over mobiliteitshulpmiddelen en de bijbehorende dienstverlening systematisch te evalueren. De studie benadrukt daarnaast het belang van een goede individuele afstemming, cliëntgerichte begeleiding en voldoende opvolging na de verstrekking van een hulpmiddel.
Meer lezen

Contextafhankelijke modellering van de vervangratio bij autodelen in Vlaamse gemeenten: Een beslissingsondersteunend model voor onderbouwde inschattingen van privéautovervanging

Universiteit Hasselt
2026
Ole
Siemons
In deze masterproef wordt onderzocht hoe lokale factoren in een gemeente van invloed kunnen zijn op het aantal privéauto's dat vervangen wordt door één deelwagen. Aan de hand van twee gebruikerspopulaties die doen aan autodelen worden contextafhankelijke factoren geïdentificeerd en gemodelleerd. De resultaten worden vertaald naar een rekenmodel en een beslissingsondersteunend model waarmee voor Vlaamse gemeenten een onderbouwde, contextafhankelijke vervangratio kan worden ingeschat. De praktische toepasbaarheid hiervan wordt getoetst aan de hand van een Use Case in de Stad Gent.
Meer lezen

Rekentaal in prentenboeken

Arteveldehogeschool Gent
2026
Kika
Boden
  • Elise
    Siau
Deze bachelorproef onderzoekt de rol van rekentaal in prentenboeken en de invloed hiervan op de ontwikkeling van voorbereidende en latere rekenvaardigheden. Rekentaal is essentieel voor het begrip en gebruik van wiskundige begrippen. Er worden vijf indelingen van rekentaal besproken. Daarnaast wordt de rol van leerkrachten en ouders aangehaald bij het stimuleren van rekentaal via interactief voorlezen.

Het onderzoek richt zich op de mate waarin rekentaal voorkomt in prentenboeken die niet expliciet bedoeld zijn om rekenvaardigheden te stimuleren. Daarnaast wordt onderzocht welke begrippen het meest en het minst vaak voorkomen. De 40 prentenboeken worden geanalyseerd volgens een eigen indeling, aan de hand van de categorieën hoeveelheden, meten en metend rekenen, meetkunde, bewerkingen en tijd. Dit toont aan dat rekentaal vaak onbewust wordt geïntegreerd, maar dat abstractere begrippen niet vaak voorkomen. Het benadrukt het belang van een bewuste boekkeuze bij het ondersteunen van voorbereidende rekenvaardigheden. In deze bachelorproef worden enkele prentenboeken aangeraden.
Meer lezen

Kortverhalen in de klas: een kwalitatieve analyse van "Literatuur op School"

KU Leuven
2026
Rosa
Cleiren
Deze masterproef situeert zich binnen twee parallelle ontwikkelingen in het Vlaams onderwijs: een dalende leesvaardigheid bij leerlingen en een steeds beperktere plaats voor literatuur in het curriculum.
In 2024-2025 startte het Xaveriuscollege in Borgerhout met het driejarig project “Literatuur op School”, dat op een innovatieve manier op die uitdagingen inspeelt door meer literatuur te integreren in het curriculum. Deze masterproef onderzoekt enerzijds hoe het project pedagogisch wordt onderbouwd en praktisch wordt vormgegeven, en anderzijds hoe de betrokken leerkrachten en leerlingen het ervaren op basis van kwalitatief onderzoek.
Het project werd ontwikkeld door Dennis Melsen, een leerkracht Nederlands en filosofie, en heeft als doel om een coherente aanpak van literatuuronderwijs over alle (moderne) talen en graden heen te implementeren. Kortverhalen functioneren daarbij als centraal didactisch instrument: als toegankelijke en meerduidige literaire vorm worden ze zowel in taalvakken als in niet-taalvakken ingezet. Door kortverhalen te koppelen aan concrete lesonderwerpen, verbindt het project vakinhoudelijke doelstellingen met bredere vormende ambities. De lessen binnen het project verlopen via een vast stappenplan, dat de uitvoering van het dialogisch en perspectivisch lezen ondersteunt. Dat stappenplan nodigt de leerlingen uit om zich persoonlijk te betrekken bij de tekst door hun vragen bij
het verhaal te expliciteren en om daarna de antwoorden in groep te bespreken. Onderzoek van Applebee et al. koppelt die vraaggestuurde leeshouding en de uitwisseling van ideeën in een open klasgesprek aan een verhoogde leesvaardigheid. Door eerst met de tekst in dialoog te treden en vervolgens met elkaar, bouwen de leerlingen hun kennis en interpretaties gezamenlijk op en groeit ook hun openheid voor andere perspectieven.
Dit onderzoek gaat na hoe deze principes vertaald worden naar de klaspraktijk. Uit interviews met leerkrachten, focusgesprekken met leerlingen en klasobservaties blijkt dat de doelstellingen van het project grotendeels worden gerealiseerd. Leerkrachten en leerlingen ervaren de lessen als leerrijk, activerend en verfrissend. De dialogische klasdynamiek stimuleert rijke uitwisselingen over de verhalen en de maatschappelijke thema’s die ze aanreiken, waardoor leerlingen tot een ruimer begrip van de
lesinhoud komen. Daarnaast zorgt de herhaalde confrontatie met kortverhalen voor meer
vertrouwdheid met literatuur en voor de frequente oefening van het gebruik van literaire begrippen.

Tegelijk wijst de analyse op enkele praktische en structurele uitdagingen: klasgrootte, tijdsduur, evaluatie, leesvaardigheid en de nood aan meer didactische ondersteuning voor leerkrachten en leerlingen vormen aandachtspunten voor tijdens het laatste projectjaar. Ook de structurele verankering van de methode binnen de taalvakken en de uitbouw van een duurzame leescultuur op school vragen verdere ontwikkeling. Deze masterproef concludeert daarom dat “Literatuur op School” een veelbelovend model is voor een geïntegreerd literatuurbeleid, waarvan de impact nog kan worden versterkt door gerichte ondersteuning en meer systematische inbedding.
Meer lezen

Een regeneratieve toekomst voor Zwartberg - Naar een inclusieve en prikkelregulerende leeromgeving: Architectuur voor kinderen met een autismespectrumstoornis

Universiteit Hasselt
2026
Kato
Martens
  • Rayna
    Bongaerts
  • Yarne
    Claes
  • Connor
    De Smet
  • Elias
    Doyen
  • Daan
    Driessen
  • Liza
    Hendrickx
  • Jorien
    Houben
  • Evelyne
    Gielkens
  • Joppe
    Loodts
  • Rens
    Neyens
  • Arne
    Pellaers
  • Britt
    Raskin
  • Sara
    Simons
  • Anke
    Surinx
  • Tineke
    Vandekerkhof
Deze masterproef onderzoekt hoe architectuur, materialiteit en bouwfysische principes kunnen bijdragen aan een prikkelregulerende en voorspelbare leeromgeving voor kinderen met een autismespectrumstoornis (ASS). Het onderzoek combineert literatuurstudie, case study-analyse en materiaalonderzoek en vertaalt de inzichten naar concrete ontwerpprincipes. Deze worden toegepast in een nieuw schoolontwerp voor De Wissel in Zwartberg, waarin ruimtelijke leesbaarheid, verschillende gradaties van prikkels, natuur, overgangsruimtes en comfort samenkomen. Het project wordt gekaderd binnen een bredere regeneratieve toekomstvisie voor Zwartberg, waarin ecologische, sociale en maatschappelijke aspecten met elkaar worden verbonden.
Meer lezen

Mondeling advies over de huisvesting van konijnen (Oryctolagus cuniculus) in Vlaamse dierenspeciaalzaken

Hogeschool VIVES
2026
Yasmine
Degroot
Dit onderzoek analyseert het mondelinge advies dat medewerkers van Vlaamse dierenspeciaalzaken geven over de huisvesting van gezelschapskonijnen (Oryctolagus cuniculus) en in welke mate dit overeenkomt met de richtlijnen van Dierenwelzijn Vlaanderen. Correcte huisvesting is essentieel voor konijnenwelzijn, maar eigenaars zijn sterk afhankelijk van het advies dat zij in winkels ontvangen.
In totaal werden 25 medewerkers uit vijf verschillende winkelketens geïnterviewd via een gestructureerde vragenlijst. De vragen bevroegen de achtergrond van medewerkers, advies over hokformaat, sociale huisvesting en kennis van de Vlaamse dierenwelzijnsrichtlijnen. Slechts 6 van de 25 medewerkers hebben een diergerelateerde opleiding; de overige baseren hun advies op interne opleiding of
ervaring, wat leidt tot grote variatie in gegeven advies.
Advies over hokgrootte is zeer uitlopend, 14 medewerkers noemen enkel een minimale lengte, waarvan acht medewerkers 1,20 m aanhalen. Anderen geven het aan in oppervlakte, zoals 1 of 4 m² of benadrukken dat een hok “zo groot mogelijk” moet zijn. Slechts vier medewerkers adviseren spontaan een ren, hoewel literatuur
het belang hiervan duidelijk aantoont. Het winkelassortiment beïnvloedt het advies bij 16 medewerkers. Zij geven aan dat het beschikbare aanbod hun aanbevelingen stuurt, waarbij traliekooien het vaakst worden verkocht.
Wat verrijking betreft, bevelen 15 medewerkers knaagmateriaal, speelgoed of schuilplaatsen aan, maar ondanks bekende gezondheidsrisico’s verwijzen twee nog naar knaagstenen. Advies over sociale huisvesting is eveneens inconsistent. Hoewel 11 medewerkers aangeven dat konijnen niet alleen gehouden mogen worden, vinden 16 medewerkers dat andere diersoorten zoals cavia’s geschikt gezelschap zijn. Dit is tegenstrijdig met de soortspecifieke behoeften en de Vlaamse dierenwelzijnsrichtlijnen. De bekendheid met de richtlijnen van Dierenwelzijn Vlaanderen is bijzonder laag.
Achttien medewerkers kennen ze niet en geen enkele kan minimale afmetingen benoemen. Hierdoor ontvangen eigenaars vaak onvolledige of foutieve informatie.
De resultaten tonen een duidelijke kloof tussen wetenschappelijke aanbevelingen en het verstrekte advies. Beperkte opleiding, variatie in ervaring, commerciële assortimentskeuzes en onbekendheid met richtlijnen leiden tot inconsistente en soms incorrecte aanbevelingen. Het onderzoek benadrukt de nood aan gerichte opleidingen, een welzijnsgericht assortiment en betere opvolging van de Vlaamse richtlijnen, om het welzijn van gezelschapskonijnen systematisch te kunnen verbeteren.
Meer lezen

De taken en verantwoordelijkheden van de mondhygiënist in de oncologische zorgsetting binnen het ziekenhuis

Hogeschool UCLL
2026
Laura
Janssens
  • Mauranne
    Lazard
Mondproblemen komen vaak voor tijdens kankerbehandelingen en kunnen een aanzienlijke impact hebben op het welzijn van patiënten en het verloop van de behandeling. Toch blijft mondzorg binnen de oncologische zorg vaak onderbelicht en ontbreekt een vast aanspreekpunt. Uit een literatuurstudie en interviews met zorgprofessionals blijkt dat de mondhygiënist een belangrijke rol kan spelen in preventie, screening en opvolging van mondproblemen. Voor een succesvolle integratie zijn echter duidelijke taakafspraken, structurele financieringen multidisciplinaire samenwerking noodzakelijk.
Meer lezen

Stedenbouwkundige verhardingscompensatie: een verordening ter activatie van ontharding’

KU Leuven
2026
Eline
Van de Steene
Vlaanderen is een van de meest verharde regio’s van Europa en de verhardingsgraad blijft jaarlijks toenemen. De Vlaamse overheid heeft onthardingsdoelstellingen tegen 2050 geformuleerd. Deze doelstellingen werden recent herbevestigd in de Conceptnota van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Verharding doet de natuurlijke functies van de bodem verloren gaan. Verschillende studies benadrukken de noodzaak van ontharding voor mens en milieu, bepalen de omvang van de onthardingsopgave, inventariseren bestaande initiatieven en formuleren aanbevelingen voor een ruimtelijk beleid dat bijkomende verharding kan vermijden, beperken en compenseren. Daarbij wordt vastgesteld dat de huidige initiatieven onvoldoende zijn om de vooropgestelde doelstellingen te bereiken en de grootschalige ingrepen zich bovendien voornamelijk beperken tot het publiek domein. Een bijdrage vanuit de private zijde is daarom noodzakelijk om de doelstellingen te behalen.

Deze masterproef onderzoekt hoe de Vlaamse reductieopgaven vertaald kunnen worden naar het instrument van de stedenbouwkundige last, dat eigenaars verplicht te ontharden of ontharding elders financieel te compenseren. Dit resulteert in een stedenbouwkundige verordening die een verhardingscompensatie oplegt bij omgevingsvergunningen waarbij bijkomende verharding wordt aangevraagd. De verhardingscompensatie beschikt over het potentieel om de stijgende verhardingsgraad om te keren en de netto toename aan verharding in Vlaanderen een halt toe te roepen.

Het onderzoek werd uitgevoerd aan de hand van een literatuuronderzoek in combinatie met een overlegmoment met experten. Het literatuuronderzoek bood inzicht in het thema, de beleidsdoelstellingen, de bestaande instrumenten en initiatieven, het instrument van de stedenbouwkundige last en de toepassing ervan in praktijkvoorbeelden. Uit de analyse van deze praktijkvoorbeelden bleek dat weinig Vlaamse gemeenten lasten opleggen ter compensatie van verharding of bij het niet behalen van de vooropgestelde groennorm. Hieruit wordt geconcludeerd dat er in Vlaanderen nog aanzienlijke stappen moeten gezet worden om de transitie van een verhardingspraktijk naar een onthardingscultuur te realiseren.

Tijdens de workshop met een diverse groep experten, waaronder vertegenwoordigers van de Vlaamse overheid, lokale besturen, academici, zelfstandige experten en een omgevingsjurist, werd een conceptverordening besproken aan de hand van verschillende stellingen uit dit onderzoek. De expertentafel leverde waardevolle aanvullingen en droeg bij aan de verdere verfijning van de conceptverordening. De geformuleerde aanbevelingen
gaven mee vorm aan de finale verordening. Daarbij primeerde de keuze voor een gewestelijke financiële last boven een gemeentelijke last in natura, omwille van uniformiteit en meer effectiviteit in Vlaanderen.

De finale verordening omvat een financiële last voor alle bijkomende verharding. Deze draagt bij aan een gesloten systeem waarbij ontharding elders kan worden gefinancierd en subsidies kunnen worden verleend aan grootschalige onthardingsprojecten van private eigenaars. Tot slot laat de flexibiliteit van de verordening de gemeenten toe deze al in te voeren in afwachting van een invoering door de Vlaamse Regering. De lokale besturen beschikken daarbij over de bijkomende mogelijkheid om lasten in natura op te leggen indien zij van oordeel zijn dat dit type lasten beter aansluit bij hun lokale onthardingsambities.
Meer lezen

Unraveling the microbial ecology of drinking water distribution systems and the persistence of non-tuberculous mycobacteria

Universiteit Gent
2026
Fien
Van Poelvoorde
Drinkwater wordt gezuiverd om de microbiologische veiligheid te waarborgen, maar blijft een dynamisch microbieel ecosysteem waarin micro-organismen kunnen overleven, zich opnieuw kunnen ontwikkelen of via het distributienetwerk en het leidingwerk in woningen kunnen binnendringen. In deze thesis werd de microbiële dynamiek in Vlaamse drinkwatersystemen onderzocht aan de hand van drie complementaire experimenten. Ten eerste werden veranderingen in het drinkwater geanalyseerd door de uitgaande leidingen van watertorens te vergelijken met de aangesloten kranen bij de eindgebruikers. Ten tweede volgde een source-to-tap-experiment de microbiële gemeenschappen tijdens de hele drinkwaterbehandeling en -distributie, waarbij niet-tuberculeuze mycobacteriën (NTM) werden gedetecteerd. Ten derde werden het voorkomen en de ecologische relevantie van NTM verder onderzocht. Flowcytometrie werd gebruikt om celconcentraties en fenotypische vingerafdrukken te beoordelen, terwijl 16S- en 18S-rRNA sequencing werd toegepast om de samenstelling van de prokaryotische en eukaryotische gemeenschappen te karakteriseren.
De resultaten lieten consistente verschillen zien tussen de uitgaande leidingen van watertorens en de keukenkranen in huishoudens wat betreft celconcentraties, fenotypische kenmerken en de samenstelling van het holobioom. Deze bevindingen wijzen erop dat leidingwaterkwaliteit ook wordt beïnvloed door consumenteninfrastructuur, waar stilstaand water, biofilms en waterinstallaties microbiële gemeenschappen kunnen sturen. Hoewel er duidelijke microbiologische verschuivingen werden waargenomen, mogen deze niet automatisch worden geïnterpreteerd als een afname van de drinkwaterveiligheid. NTM werden gedetecteerd toen het drinkwaterbehandelings- en distributiesysteem op netwerkniveau werd geanalyseerd. Hun aanwezigheid is relevant omdat sommige NTM-soorten opportunistisch pathogeen zijn en persistentie kan worden ondersteund door biofilms en interacties met vrijlevende amoeben. Deze thesis benadrukt zo het belang van geïntegreerde microbiële monitoring in drinkwatersystemen.
Meer lezen

Perinatale zorg door de ogen van Afrikaanse vrouwen en zorgverleners

Hogeschool VIVES
2026
Soha
Agredousse
Deze bachelorproef onderzoekt hoe vrouwen met een Afrikaanse migratieachtergrond de perinatale zorg in België ervaren en welke barrières zij ondervinden bij de communicatie met zorgverleners. De bestaande literatuur werd in kaart gebracht door middel van een literatuurstudie. Daarnaast werd een praktijkonderzoek uitgevoerd aan de hand van de podcast "Luisteren naar zorg", waarin vier vrouwen met verschillende Afrikaanse migratieachtergronden en vier zorgverleners uit verschillende disciplines hun ervaringen en perspectieven deelden.

Uit de literatuur en het praktijkonderzoek kwamen terugkerende barrières naar voren. Deze situeren zich op individueel, interactie- en maatschappelijk niveau. De resultaten van dit onderzoek tonen aan dat deze factoren elkaar kunnen versterken en de toegankelijkheid en kwaliteit van de perinatale zorg kunnen beïnvloeden. Tegelijkertijd verschillen de ervaringen sterk van vrouw tot vrouw. De bachelorproef benadrukt daarom het belang van cultuursensitieve, toegankelijke en persoonsgerichte zorg, waarbij zowel aandacht is voor de bredere context van deze vrouwen als voor effectieve communicatie.
Meer lezen

EHBH: Eerste Hulp Bij gebruik van Handpoppen

Arteveldehogeschool Gent
2026
Amber
De Decker
Deze bachelorproef onderzoekt hoe een kleuterleerkracht van de oudste kleuters ondersteund kan worden om drama op een laagdrempelige en geïntegreerde manier een plaats te geven binnen het klasaanbod. De aanleiding voor dit onderzoek kwam voort uit een verkennend gesprek met de betrokken leerkracht, waarin ze aangaf onzekerheid te ervaren rond drama en dit bovendien beschouwde als organisatorisch uitdagend, waardoor het aanbod van drama in de klas beperkt bleef, ondanks haar bereidheid om meer drama te integreren in het klasaanbod. Deze bereidheid vormde een belangrijk uitgangspunt voor dit onderzoek.

Op basis van deze probleemstelling werd de volgende ontwerpvraag geformuleerd: “Hoe kan een kleuterleerkracht van de oudste kleuters, die onzekerheid ervaart bij het integreren van drama in de klaspraktijk, ondersteund worden om drama een meer geïntegreerde plaats te geven binnen het klasaanbod?”

Met behulp van een literatuurstudie werd een theoretisch kader rond het thema opgebouwd. Vervolgens werd de eerste deelvraag onderzocht met behulp van reflectie en bevraging, waaruit bleek dat de betrokken leerkracht aanvankelijk een beperkt beeld had van drama binnen het kleuteronderwijs. Op basis van de geanalyseerde noden en drempels werd drama vervolgens verder afgebakend tot het integreren van handpoppen in de klaspraktijk.

Er werd een verdiepende literatuurstudie uitgevoerd, samen met een klasobservatie en interviews met de betrokken leerkracht om de specifieke drempels en noden verder in kaart te brengen. Daarnaast werd een bevraging afgenomen bij andere kleuterleerkrachten om hun ervaringen rond dit onderwerp te verzamelen. Deze inzichten werden verdiept en gekoppeld aan bestaande literatuur.

Op basis van deze bevindingen werden concrete ontwerpeisen opgesteld die leidden tot een ontwerp bestaande uit verschillende onderdelen. Het ontwerp omvat een toolkit EHBH: Eerste Hulp Bij gebruik van Handpoppen, met ondersteuningskaarten die afgestemd zijn op de drempels en behoeften van de betrokken leerkracht. Daarnaast werden twee handpoppen geïntegreerd binnen talige en wiskundige activiteiten met inspiratiefiches die de implementatie ondersteunen en mogelijkheden tot verdere uitwerking in de klaspraktijk bieden.

Doordat het ontwerp een geleidelijk proces is in combinatie met de korte testfase zijn de conclusies nog beperkt, maar in relatie tot het onderzoeksdoel, kan gesteld worden dat het ontwerp een sterke basis vormt om drama, en specifiek het gebruik van handpoppen, sterker te integreren in de klaspraktijk van de betrokken leerkracht.
Meer lezen

Ontwikkeling van een interactief voorleesboek voor kinderen over stemproblemen en over de impact van stemproblemen bij leerkrachten.

HOGENT
2026
Pauline
Morel
Veel kinderen in het lager onderwijs ervaren stemproblemen, maar deze worden vaak pas laat opgemerkt, zowel door de kinderen zelf als door hun ouders en leerkrachten. Nochtans kunnen stemproblemen op jonge leeftijd een aanzienlijke impact hebben op sociaal, emotioneel en schools vlak. Ondanks het belang van vroegtijdige aandacht voor stemproblemen is er momenteel weinig aantrekkelijk, kindgericht en educatief materiaal beschikbaar. Deze bachelorproef heeft daarom als doel een interactief voorleesboek te ontwikkelen dat dit tekort aan aangepast psycho-educatief materiaal helpt opvangen.
Meer lezen

Exploring AI Approaches to Identify Social Anxiety Disorder: A Scoping Review

KU Leuven
2026
Charlotte
Van Bogaert
  • Charlotte
    Van Bogaert
Een sociale angststoornis is een veelvoorkomende psychische aandoening die het dagelijks functioneren aanzienlijk kan beïnvloeden, maar in de praktijk vaak onopgemerkt blijft. De herkenning ervan berust traditioneel op klinische interviews en zelfrapportagevragenlijsten. Die kosten tijd en hebben beperkingen, zoals vertekening door het geheugen, beperkt inzicht in de eigen klachten en de neiging om sociaal wenselijke antwoorden te geven. Tegen deze achtergrond onderzoekt deze masterproef welke rol artificiële intelligentie (AI) kan spelen bij het herkennen van mensen met een sociale angststoornis of klinisch relevante symptomen van sociale angst.

Deze masterproef is een scoping review van peerreviewde, empirische studies over het gebruik van AI om sociale angst te herkennen. De centrale vragen zijn welke AI-methoden worden gebruikt om sociale angst op basis van psychologische en gedragsgegevens te detecteren of te classificeren, welke gegevens als input dienen en hoe goed de modellen presteren. Daarnaast onderzoekt de review hoe de studies zijn opgezet, in welke populaties en contexten de methoden zijn onderzocht en welke ethische en praktische aandachtspunten uit de literatuur naar voren komen.

De review volgt de richtlijnen van het Joanna Briggs Institute en werd gerapporteerd volgens PRISMA-ScR. Er werd gezocht in APA PsycINFO, Embase, Scopus, PubMed/MEDLINE, Web of Science en Google Scholar. De selectie van studies gebeurde in Rayyan. Na het verwijderen van dubbele publicaties werden 203 studies gescreend op titel en samenvatting. Daarvan gingen er 46 door naar de beoordeling van de volledige tekst. Uiteindelijk werden 17 studies opgenomen. De gegevens werden verzameld met een gestandaardiseerd extractieformulier en vervolgens samengevat in tabellen en een beschrijvende synthese.

Deze review laat zien dat AI mogelijkheden biedt als hulpmiddel bij het herkennen van sociale angst, maar dat de huidige wetenschappelijke onderbouwing zich nog in een vroeg stadium bevindt en heterogeen is. De opgenomen studies gebruikten zowel klassieke methoden van machinaal leren als deep learning. Vragenlijstgegevens werden het vaakst als input gebruikt. Sommige modellen maakten daarnaast gebruik van complexere gegevens, zoals digitale sporen, taalgebruik tijdens interviews en oogbewegingsgegevens. Daarmee kunnen zij gedrags- en taalpatronen in kaart brengen die via traditionele vragenlijsten of interviews minder rechtstreeks zichtbaar zijn.

Tegelijkertijd hadden veel studies nog het karakter van een eerste haalbaarheidsstudie, hanteerden zij uiteenlopende definities van sociale angststoornis en gebruikten zij vooral interne validatie. Verdere vooruitgang vraagt om externe validatie, transparantere rapportage, diversere datasets en zorgvuldige aandacht voor privacy, vertekening en foutenmarges. Ook hebben clinici voldoende kennis van AI nodig om de uitkomsten van deze modellen verantwoord te kunnen interpreteren en gebruiken.
Meer lezen