Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

FROM SPATIAL ECOLOGY TO ECOSYSTEM IMPACT: LARGE GRAZERS IN HEATH AND DUNE LANDSCAPES LINKING MOVEMENT BEHAVIOUR, HABITAT SELECTION, AND VEGETATION DYNAMICS IN THE WESTHOEK AND KALMTHOUTSE HEIDE

Universiteit Gent
2026
Jobbe
Vermandere
Het inzetten van vrij rondlopende grote herbivoren vormt een hoeksteen van het natuurbeheer in Europa. De bedoeling is om via extensieve begrazing natuurlijke processen te herstellen, zoals het tegenhouden van snelle vegetatiesuccessie en het in stand houden van de structurele diversiteit van open landschappen. Hierdoor wordt dit type beheer ook wel procesbeheer genoemd. In voedselarme ecosystemen, zoals kustduinen en laaglandheiden, heeft de wijdverspreide stikstofdepositie en het wegvallen van historische verstoringen geleid tot een snelle structurele achteruitgang. Dit uit zich voornamelijk in de vestiging van sterk competitieve grassen en kruidachtigen (vergrassing of verruiging) en de vestiging van dicht struikgewas (verstruweling),
waardoor gespecialiseerde pioniersoorten worden verdrongen en de biodiversiteit afneemt. Hoewel begrazing voor natuurbeheer op grote schaal wordt ingezet om deze bedreigingen te verminderen, blijven de precieze ruimtelijke mechanismen waarmee deze dieren habitat selecteren en interageren met fysieke infrastructuur complex en contextgebonden. Deze studie evalueerde de ruimtelijke ecologie en het vermogen tot ecosysteembeïnvloeding van grote herbivoren in twee structureel verschillende landschappen: de kustduinen van de Westhoek (begraasd door een gemengde groep paardachtigen bestaande uit Konikpaarden en Shetlandpony’s en een kudde Schotse hooglanders) en de laaglandheide van de Kalmthoutse Heide (begraasd door een kudde Galloway-runderen). Om de kloof tussen de bewegingen van individuele dieren en successieveranderingen op landschapsschaal te overbruggen, maakte dit onderzoek gebruik van een meerledig
methodologisch kader dat was onderverdeeld in drie afzonderlijke werkpakketten (WP). Ten eerste
werd Continuous-Time Movement Modelling (ctmm) toegepast op GPS-telemetriegegevens om
het gebruik van ruimte met grensbeperkingen en ruimtelijke verzadiging in kaart te brengen (WP1).
Deze benadering corrigeerde wiskundig voor inherente temporele autocorrelatie en maakte gebruik
van Degrees of Freedom (DOF)-filtering om robuuste Autocorrelated Kernel Density Estimates
(AKDE) te extraheren. Ten tweede werden geïntegreerde Resource Selection Functions (iRSF)
ingezet om de habitatkeuze op kleine schaal en de onderliggende milieubeperkingen te evalueren
(WP2). De iRSF-modellen gebruikten specifiek het AKDE-gebied van elk dier als
beschikbaarheidsbasis, waardoor de habitatkeuze strikt werd geëvalueerd ten opzichte van het
toegankelijke landschap, terwijl tegelijkertijd rekening werd gehouden met continue variabelen
zoals topografie, afstand tot water en afstand tot antropogene infrastructuur (paden en hekken).
Ten slotte werden vegetatiehoogtekaarten met hoge resolutie uit 2020 en 2025 in de Westhoek
geanalyseerd om dit ruimtelijk gedrag te koppelen aan structurele landschapsveranderingen
(WP3). Door ruimtelijke pixels te categoriseren in vegetationele overgangstoestanden (Stabiel,
Regressie of Toename), werd de cumulatieve ruimtegebruiksintensiteit van de paarden
gemodelleerd tegen abiotische stressfactoren om de werkelijke drijvende krachten achter de
vegetatiedynamiek te bepalen.
De ruimtelijke modellen (WP1) brachten fundamentele verschillen in de ruimtelijke basisecologie
aan het licht, die worden bepaald door eigenschappen op soortniveau en de dynamiek binnen de
kudde. Uit de ruimtelijke tracking bleek dat noch de paardachtigen in de Westhoek (na de corridor
opening) noch de Galloway-runderen op de Kalmthoutse Heide biologisch verzadigd zijn. Hun
leefgebieden worden dus niet volledig bepaald door de fysieke grenzen van de reservaten, wat
wijst op actieve en doelgerichte ruimtelijke keuzes. De Galloway-runderen vertoonden relatief grote
seizoensgebonden schommelingen in de omvang van het leefgebied, wat wijst op dynamische
aanpassingen aan de beschikbaarheid van voedselbronnen. Omgekeerd vertoonden de
paardachtigen in de Westhoek het hele jaar door relatief stabiele leefgebieden, wat wijst op een
biologisch verschil waarbij paardachtigen minder gevoelig zijn voor seizoensgebonden fenologie.
De paardachtigen vertoonden echter wel significante seizoensgebonden verschuivingen in hun
kerngebieden, wat bevestigt dat, hoewel hun totale gebied stabiel blijft, hun interne foerageerfocus
dynamisch verschuift. Bovendien zorgde een lage interindividuele variatie voor een vrij
samenhangende kuddedynamiek bij de runderen, terwijl een hoge interindividuele variatie onder
de paardachtigen leidde tot duidelijke divergentie tussen subkuddes. Daarnaast evalueerde WP1
de impact van het herstel van de landschapsconnectiviteit in de Westhoek via de opening van een
corridor in de winter van 2022-2023. Hoewel de opening een aanzienlijke uitbreiding van de
absolute omvang van de leefgebieden van de paardachtigen veroorzaakte, werd deze uitbreiding
niet uniform door de hele groep overgenomen, wat benadrukt dat landschapsconnectiviteit wordt
gemedieerd door lokale locatietrouwheid en interne sociale structuren.
De evaluatie van de habitatkeuze op kleinschalig niveau (WP2) bevestigde deze verschillen op
soortniveau nog eens extra. Op de Kalmthoutse Heide fungeerden de runderen als biologische
filters: ze zochten actief habitat op met een begraasbare laag (bijvoorbeeld gras- of boomopslag)
en vermeden zuivere heidegebieden zonder begraasbare laag. Deze selectie was het sterkst
tijdens de voorjaarsgroei en werd geleidelijk breder naarmate het groeiseizoen ten einde liep. In
de Westhoek kozen paardachtigen onevenredig vaak voor open, grasrijke vegetatie boven dicht
struikgewas, hoewel morfologische verschillen de kleinere Shetlandpony's waarschijnlijk in staat
stelden om ijle vegetatie (bijv. Schaarsbegroeid) en laag struikgewas (Kruipwilg_laagstruweel)
gunstiger te exploiteren. Deze divergentie geeft aan dat kleinere paardachtigen niches kunnen
exploiteren die grotere paardachtigen negeren of waarin ze niet kunnen overleven door gebruik te
maken van andere biomechanische eigenschappen en kleinere beetgroottes, waardoor de totale
ecologische impact op het landschap wordt verbreed.
Naast de categorische vegetatie werd de ruimtelijke verspreiding aanzienlijk beïnvloed door
voortdurende abiotische en antropogene beperkingen. Nabijheid van water bleek in beide
reservaten geen beperkende factor te zijn; noch de paardachtigen, noch de runderen vertoonden
een afhankelijkheid van stilstaand oppervlaktewater, maar toonden ruimtelijke neutraliteit of actieve
vermijding. Topografisch gezien kozen de runderen (in de lente), de grotere Konik-paarden (in de
zomer en herfst) en de Shetlandpony (in de herfst) actief voor vlakker terrein, waarschijnlijk om de
metabolische bewegingskosten te minimaliseren. Hoewel de Shetlandpony deze voorkeur voor
vlakker terrein in de herfst deelde, week hij in de zomer af van de Koniks door topografisch neutraal
te blijven. Deze seizoensgebonden divergentie suggereert ofwel dat de kleinere lichaamsmassa
van de pony voor meer wendbaarheid zorgt, waardoor het relatieve metabolische nadeel van
voortbeweging op steilere hellingen afneemt, ofwel dat de solitaire pony door de Konik-kuddes of
de Schotse hooglander kudde competitief wordt verdrongen naar minder gunstige, steilere
topografie. Wat de menselijke infrastructuur betreft, dwongen de modellen een heroverweging af
van de visie van algemene antropogene vermijding. Terwijl de omheiningen van het reservaat
fungeerden als een ruimtelijke barrière voor de paardachtigen (in de lente en winter, voornamelijk
gedreven door de Shetlandpony), fungeerden ze als een ruimtelijk aantrekkingspunt voor de
Galloway-runderen in de lente. Gelijkaardig werkten de interne paden als ruimtelijke
aantrekkingspunten voor zowel de Shetlandpony als de Galloway-runderen. Dit toont aan dat grote
herbivoren, in plaats van menselijke infrastructuur universeel te vermijden, padennetwerken
potentieel kunnen gebruiken als navigatiecorridors, en omheiningen als structurele
oriëntatiepunten.
Terwijl WP1 en WP2 vaststelden hoe de paardachtigen in de Westhoek navigeren en hun habitat
selecteren, evalueert WP3 de wederzijdse ecologische impact: hoe de langdurige ruimtelijke
aanwezigheid van deze herbivoren actief het successietraject van de vegetatie in het reservaat
beïnvloedt. Door veranderingen in vegetatiehoogte te modelleren tegen de achtergrond van
cumulatieve ruimtegebruiksintensiteit en abiotische beperkingen, ontstaat een ruimtelijk verhaal
over de voordelen en beperkingen van top-downcontrole door grazers. De vegetatiemodellering
toonde aan dat een hoog cumulatief ruimtegebruik door paardachtigen fungeert als een effectieve
preventieve barrière tegen de initiële vorming en verspreiding van ruige vegetatie. De gegevens
definieerden echter tegelijkertijd de grenzen van deze top-down biologische controle. Zodra
houtige of ruige vegetatie de initiële herbivoriebarrière met succes doorbreekt, volstaat intens
ruimtegebruik niet meer om de terugtrekking ervan af te dwingen. Gedreven door een
synergetische combinatie van lokale nutriëntenafzetting, mechanische bodemverstoring en
verminderde concurrentie, kan intensief ruimtegebruik door paardachtigen zelfs de verticale groei
van gevestigd hoog struikgewas bevorderen. De ontmanteling van vegetatie in een laat, volwassen
stadium wordt uitsluitend aangedreven door bottom-up abiotische stressfactoren in plaats van top
down herbivorie. De diepte van het grondwater in het voorjaar had het meest uitgesproken effect
op de vegetatiedynamiek: het bepaalde de stabiliteit van pioniersmatrices, stimuleerde de
terugtrekking van ruige vegetatie en fungeerde als de belangrijkste natuurlijke stressfactor die de
voortdurende groei of aanwezigheid van laag en hoog struikgewas voorkwam. Bovendien werd de
dynamiek van ondieper gewortelde grassen en kruiden gedicteerd door hoge omgevingsstress,
waarbij deze matrices groeiden en afnamen in gebieden die gekenmerkt worden door diep
grondwater, steilere hellingen en een hoge blootstelling aan de zon.
Voor natuurbeheer biedt deze thesis duidelijke, op gegevens gebaseerde aanbevelingen met
betrekking tot het gebruik van vrij rondlopende grote herbivoren. Uiteindelijk toont deze studie aan
dat de impact van deze grote herbivoren als ecosysteemingenieurs niet uniform of absoluut is. De
ruimtelijke dynamiek bevestigt dat ruimtegebruik een effectief, gericht instrument kan zijn om
vroege successie te stoppen, open matrices in stand te houden en gedegradeerde habitats aan te
pakken. Omdat grazers echter geen gevestigd struikgewas kunnen ontmantelen, vereist het
terugdringen van volgroeide houtige begroeiing een strategische, dubbele beheersaanpak die
biologisch ruimtegebruik koppelt aan gerichte mechanische ingrepen. Bovendien benadrukt de
ruimtelijke divergentie van de Shetlandpony de cruciale waarde van morfologische diversiteit.
Specifiek geeft deze divergentie aan dat kleinere paardachtigen, door gebruik te maken van andere
biomechanische eigenschappen en een kleinere hapgrootte, niches kunnen benutten die grotere
paardachtigen negeren of waarop ze niet kunnen overleven, waardoor de totale ecologische impact
op het landschap wordt verbreed. Ten slotte wijst de aantrekkingskracht van paden en het
verspreidingseffect van corridors op nieuwe, proactieve beheersmogelijkheden. In plaats van
menselijke infrastructuur als een verstoring te beschouwen, kunnen beheerders strategisch interne
padennetwerken en corridors ontwerpen die als biologische trechters fungeren, waardoor grazers
naar specifieke doelgebieden worden geleid en de ecologische manipulatie (engineering) in het
bredere landschap wordt gemaximaliseerd.
Meer lezen

Hormonale invloeden op zeeziekte

Antwerp Maritime Academy
2026
Margaux
Hermans
Zeeziekte is een veelvoorkomend fenomeen binnen de maritieme sector en kan een aanzienlijke
impact hebben op het functioneren en welzijn van zeevarenden. Hoewel bekend is dat vrouwen
mogelijk gevoeliger zijn voor zeeziekte dan mannen, is weinig onderzocht in welke mate hormonale
factoren hierin een rol spelen. Deze masterproef brengt dit onderbelichte thema in kaart aan de
hand van een observatiestudie uitgevoerd tijdens een vier weken durende zeereis aan boord van
het opleidingsschip Dar Mlodziezy.
In totaal registreerden 36 deelnemers dagelijks hun level van algemene gevoelstoestand,
misselijkheid, stress en hersenmist. Voor vrouwelijke deelnemers werd bijkomend het gebruik van
hormonale anticonceptie en, indien van toepassing, hun menstruele cyclus bijgehouden. Deze
systematische dataverzameling in een realistische maritieme setting bood een uitzonderlijke
mogelijkheid om patronen over langere tijd te analyseren zonder verstoringen van dagelijkse
omgeving.
Uit resultaten blijkt dat vrouwelijke deelnemers in deze groep gemiddeld meer zeeziekte
gerelateerde klachten rapporteerden dan mannelijke deelnemers. De verschillen waren zichtbaar
voor alle onderzochte variabelen en kwamen consequent terug doorheen de gehele
onderzoeksperiode. Binnen de vrouwelijke groep vertoonden vrouwen die hormonale
anticonceptie gebruikten op het merendeel van de dagen hogere symptoomscores dan vrouwen
zonder anticonceptie. In deze dataset werd dus geen aanwijzing gevonden dat anticonceptie
beschermend werkt tegen zeeziekte.
De analyses van de menstruele cyclus leverden geen duidelijke verschillen tussen cyclusfasen op,
voornamelijk door het beperkte aantal vrouwen met een natuurlijke cyclus. Hierdoor konden geen
uitspraken gedaan worden over variaties in gevoeligheid tijdens bijvoorbeeld menstruatie of
ovulatie. Daarnaast werd vastgesteld dat deelnemers die een zeeziektepil innamen gemiddeld
meer hersenmist rapporteerden. Dit sluit aan bij zowel de ernst van hun symptomen als bij bekende
bijwerkingen van dergelijke medicatie, zonder dat de oorzaak kon worden vastgesteld.
Deze bevindingen suggereren dat vrouwen in deze onderzoeksgroep gevoeliger waren voor
zeeziekte dan mannen, maar tonen geen duidelijk effect van de hormonale anticonceptie of
cyclusfasen op de ervaren klachten. De beperkte omvang van de subgroepen vraagt om
voorzichtigheid in de interpretatie. De resultaten benadrukken tegelijk de nood aan verder
onderzoek met grotere populaties en nauwkeurigere hormonale registratiemethoden, zodat de
relatie tussen hormonen en zeeziekte in de toekomst preciezer kan worden bepaald.
Meer lezen

Een participatief actie-onderzoek naar inclusieve stadsvernieuwing en de integratie van de Comunidade do Pilar.

Universiteit Antwerpen
2026
Delphine
De Roy
Hoe kan een binnenstedelijke, gemarginaliseerde gemeenschap zoals de Comunidade do Pilar mee vormgeven aan inclusievere stadsvernieuwingsconcepten voor haar onmiddellijke en ruimere omgeving, en zo de noodzakelijke kennis ontwikkelen om haar recht op ruimtelijke inspraak beter te versterken en structureel te verankeren?
Meer lezen

Forensisch betrouwbare 3D-reconstructie met Gaussian Splatting

Universiteit Hasselt
2026
Jamie
Withofs
Deze masterproef onderzoekt de inzetbaarheid van Gaussian Splatting als betrouwbare techniek voor forensische 3D-reconstructie van misdaadscènes. Gaussian Splatting is een recente neurale weergavemethode die vanuit multi-view videobeelden fotorealistische 3D-modellen genereert via ellipsvormige volumetrische primitieven, zogenaamde splats, die samen een continue en vloeiende representatie van de scène vormen. De techniek onderscheidt zich van klassieke mesh-based methoden door haar uitzonderlijke visuele kwaliteit en efficiënte renderingpipeline, maar brengt tegelijkertijd een fundamenteel forensisch probleem met zich mee: tijdens de trainingsoptimalisatie heeft het model de neiging om geometrische informatie bij te verzinnen om gaten in de initialisatiedata op te vullen. Wanneer de reconstructie als juridisch bewijsmateriaal dient, is dergelijke hallucinatie onaanvaardbaar, omdat elke weergegeven vorm of afstand herleidbaar moet blijven tot authentieke, meetbare brondata.

Om dit probleem aan te pakken werd een volledige onderzoeks- en ontwikkelingspipeline opgezet in samenwerking met de Federale Gerechtelijke Politie Limburg. De dataverzameling combineerde videobeelden en meervoudige LiDAR-scans van een gecontroleerde testscène. De videobeelden werden verwerkt via een COLMAP-gebaseerde Structure from Motion (SfM) pipeline die de relatieve camera-poses en een sparse puntenwolk reconstrueerde. De LiDAR-scans werden samengebracht tot één dense referentiepuntenwolk via iteratieve ICP-gebaseerde registratie met outlier filtering op basis van IQR-analyse, radiale filtering en asgeoriënteerde filtering, en vervolgens geëxporteerd als een geïntegreerd .e57-bestand.

De kern van de bijdrage is een alignment pipeline die de sparse COLMAP-puntenwolk uitlijnt met de dense LiDAR-data. De resulterende transformatiematrix wordt toegepast op alle camera-extrinsieken, zodat de LiDAR-geometrie als initialisatiebasis kan dienen voor de Gaussian Splatting-training zonder de architectuur van de trainingsomgeving te wijzigen. Een eigen visibility-based downsampling-stap geeft daarbij prioriteit aan de LiDAR-punten die zichtbaar zijn vanuit de gecalibreerde camera-posities, wat de trainingsefficiëntie verhoogt zonder de geometrische volledigheid te compromitteren.

De Gaussian Splatting-training werd vervolgens uitgebreid met constraints die de geometrische trouw aan de LiDAR-meetdata waarborgen. In de volledig geconstrained variant worden zowel de positie-optimalisatie als de densification van Gaussians uitgeschakeld, waardoor elke splat exact op zijn initiële LiDAR-positie blijft staan. Dit levert een forensisch maximaal betrouwbaar model op, ten koste van visuele volledigheid in zones met beperkte LiDAR-dekking. Een uitgebreide parameterstudie onderzocht vervolgens tussenliggende configuraties, waarbij de interactie tussen de positie learning rate, de opacity learning rate, de opacity regularization en het MCMC-herplaatsingsmechanisme systematisch in kaart werd gebracht. De resultaten tonen aan dat een werkelijk compromis slechts beperkt haalbaar is: een gedeeltelijke vrijstelling van de positie-optimalisatie levert voor structurele elementen zoals wanden en vloer een aanvaardbare visuele kwaliteit op, maar biedt onvoldoende garantie voor dunne objecten met beperkte LiDAR-puntdichtheid. Op basis van de studie werden twee aanbevolen configuraties geformuleerd: één voor gebruik als visueel illustratiemateriaal voor rechters en jury's, en één als volledig geconstrained forensisch bewijsmiddel.

Aanvullend werd een forensische toolchain ontwikkeld die de integriteit van de reconstructie kwantitatief en visueel onderbouwt. De Lichtfeld Studio-module berekent per Gaussian een betrouwbaarheidsscore op basis van de afstand tot zijn initiële LiDAR-positie, en visualiseert deze als een groen-geel-rood kleuroverlay. Een hallucination mask maakt een binaire splitsing tussen originele en nieuw aangemaakte splats, met kleurcodering voor de mate van positionele drift. De juridische validatiemodule voert een kwantitatieve alignmentvalidatie uit op basis van RMSE en overlappercentage, en genereert een integriteitsgeborgd JSON-rapport met SHA-256-hashing over alle relevante velden, een gedocumenteerde chain of custody en een onafhankelijk verifieerbaar RFC 3161-tijdstempel. Tot slot werd een Electron-gebaseerde rechtbankviewer ontwikkeld die dit rapport omzet naar een formeel PDF-deskundigenverslag.

De evaluatie bevestigt dat Gaussian Splatting via de ontwikkelde constrained pipeline forensisch inzetbaar is, mits een duidelijk onderscheid wordt gehanteerd tussen het gebruik als illustratiemateriaal en het gebruik als geometrisch bewijsmiddel. In het laatste geval fungeert de Gaussian Splatting-reconstructie als visuele toelichting bij de LiDAR-puntenwolk, die als primaire meetreferentie bewaard en ingediend dient te worden. De ontwikkelde toolchain biedt de forensische praktijk een transparant en controleerbaar raamwerk om dit onderscheid procedureel te verankeren.
Meer lezen

Noot bij Cass. (1e k.) AR C.23.0112.N, 19 oktober 2023 (J.D.S. / K.S.): bestaan van een oorzaak - oorzaak van een beschikking bij testament - tijdstip van beoordeling

Universiteit Gent
2025
Benoît
Van Cauwenberghe
Het verval van een testament of legaat wegens het verdwijnen of wegvallen van de oorzaak, met bijzondere aandacht voor de rechtspraak van de hoven van beroep en het Hof van Cassatie. Daarnaast bevat de scriptie een rechtsvergelijkend luik met Frankrijk, het Groothertogdom Luxemburg en Nederland, met oog voor overeenkomsten, verschillen en mogelijke hervormingsinspiratie
Meer lezen

AI in het wiskundeonderwijs.

HOGENT
2025
Annelore
Liekens
  • Milan
    De Smet
AI in het wiskundeonderwijs.
Hoe kan leermateriaal binnen het wiskundeonderwijs met AI ontwikkeld
worden.
Meer lezen

Challenging standards: Analyzing the alternative audio description of the dance video Isomo

Universiteit Antwerpen
2025
Afifa
Kharchi
Deze thesis onderzoekt de evoluerende praktijken van audiobeschrijving in dans aan de hand van de dansvideo Isomo als casestudy, een hedendaagse dansvideo gemaakt door choreografe Iris Bouche voor het KMSKA. Traditioneel wordt audiobeschrijving beschouwd als een objectief hulpmiddel voor toegankelijkheid, maar recentelijk zijn alternatieve benaderingen die subjectiviteit en creativiteit omarmen in opkomst (Fryer & Cavallo, 2022). Het doel van dit onderzoek is om de strategieën die in de audiobeschrijving van de dansvideo Isomo worden gebruikt te identificeren en te onderzoeken in hoeverre deze afwijken van de traditionele richtlijnen. Het onderzoek combineert een vertaalanalyse met vijf semigestructureerde interviews met experts. De bevindingen geven aan dat de audiobeschrijving niet strikt kan worden gecategoriseerd als traditioneel of alternatief, maar eerder ergens tussen beide in ligt, aangezien deze elementen van beide bevat. Enerzijds maakt het gebruik van creatieve strategieën, waaronder eerste- en tweepersoonsvertellingen die door de dansers zelf worden ingesproken. Anderzijds bevat het elementen van traditionele AD, zoals het vasthouden aan een traditionele workflow.
Meer lezen

DE RECHTSVORDERING VAN RECHTSPERSONEN TER VERDEDIGING VAN ALGEMENE BELANGEN Aan poten en hoeven gebonden? De rechtsvordering van verenigingen ter verdediging van dierenwelzijn: een kritische toetsing

Vrije Universiteit Brussel
2025
Astrid
Pepermans
De mogelijkheid voor verenigingen om in rechte op te treden ter verdediging van algemene belangen – dat wil zeggen belangen die verband houden met hun statutair doel – vormt al jarenlang een bron van juridische en maatschappelijke discussie. Het vraagstuk werd recent opnieuw op scherp gesteld door het arrest van het Belgische Hof van Cassatie van 11 juni 2024, waarin de burgerlijke partijstelling van vzw Animal Rights onontvankelijk werd verklaard wegens een gebrek aan eigen belang in de zin van artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek. De vzw had zich, naar aanleiding van ernstige schendingen van dierenwelzijnswetgeving, burgerlijke partij gesteld in een strafprocedure tegen een slachthuis en diens zaakvoerder. Hoewel het Gentse Hof van beroep het jaar voordien nog had geoordeeld dat de vzw een eigen belang kon aantonen op basis van haar statutair doel, kwam het Hof van Cassatie tot een tegengestelde conclusie.

De vraag of, en onder welke voorwaarden, dergelijke rechtspersonen een rechtsvordering kunnen uitoefenen, raakt aan fundamentele beginselen van het procesrecht en aan de klassieke tweedeling tussen het private en publieke domein waarop het Belgisch recht steunt. Deze indeling onderscheidt enerzijds private belangen, die via de burgerlijke procedure worden verdedigd door titularissen van subjectieve rechten of hun gemachtigden, en anderzijds het publieke belang, waarvoor doorgaans het openbaar ministerie optreedt, meestal binnen het strafrecht.

Deze bijdrage beoogt een diepgaande analyse van de ontvankelijkheidsvoorwaarden die de Belgische rechtsorde hanteert voor rechtspersonen die algemene belangen in rechte willen verdedigen, met bijzondere aandacht voor dierenwelzijnsverenigingen. De uiteenzetting vertrekt dan ook vanuit de centrale onderzoeksvraag: Hoe verhoudt de invulling van het belang, de hoedanigheid en de (potentieel) geleden schade als ontvankelijkheidsvoorwaarden voor de rechtsvordering van rechtspersonen ter verdediging van de algemene belangen zich tot de behartiging van dierenwelzijn?

Al in de jaren 60 wees de koninklijk commissaris bij het ontwerp van het gerechtelijk wetboek op het ontbreken van een uitgewerkte theorie rond de rechtsvordering, met inbegrip van vorderingen ingesteld door rechtspersonen. Een eenduidige, coherente en systematische wettelijke regeling kwam er tot op heden niet. Een wisselvallige rechtsleer én rechtspraak is het gevolg.

Om de centrale onderzoeksvraag te beantwoorden, vat dit artikel aan met een verkenning van het juridisch en rechtsdogmatisch kader waarin de rechtsvordering, het belang, de hoedanigheid en de schade wordt geconceptualiseerd en geïnterpreteerd. Ook een overzicht van de historische en actuele positie van de rechtsvordering van rechtspersonen ter verdediging van algemene belangen is onontbeerlijk. Door de juridische en politieke premissen te onderzoeken waarop uiteenlopend invulling is gegeven aan de toepassingsvoorwaarden ervan, en door na te gaan hoe deze verschillende benaderingen zich tot op vandaag in de praktijk manifesteren, brengt dit artikel bestaande lacunes en begripsverwarring in kaart.

De focus wordt vervolgens, aan de hand van een veldstudie, toegespitst op de mogelijkheid voor verenigingen die milieubescherming en dierenwelzijn nastreven om als burgerlijke partij op te treden in strafzaken. Deze veldstudie, ingegeven door het arrest van 11 juni 2024, toont aan dat zelfs na de hervorming van artikel 17 Gerechtelijk Wetboek – waarmee de initiatiefnemers beoogden de juridische mist rond de rechtsvordering weg te nemen – nog steeds geen sluitende interpretatie bestaat over de ontvankelijkheidsvoorwaarden van de rechtsvordering van rechtspersonen.

Dit is niet alleen problematisch in de burgerlijke rechtspraak. Zoals de analyse in deze bijdrage aantoont, treden verenigingen ook in strafzaken op om dierenleed onder de aandacht van de rechter te brengen, met inconsistente rechtspraak als resultaat. Gezien de maatschappelijke urgentie en het toenemende draagvlak voor handhaving van dierenwelzijnswetgeving, is de nood aan een eenduidig wettelijk kader en aan rechtszekerheid des te groter. In dat opzicht overstijgt deze bijdrage de technisch-processuele discussie over ontvankelijkheid, en raakt ze ook aan fundamentelere vragen over wie er het best geplaatst is om dierenwelzijn te verdedigen in het gerecht, op welke manier dierenleed kan worden gesignaleerd, erkend en gecompenseerd, en welke belangen – vooral wanneer ze niet worden gestut door eigen subjectieve rechten – al dan niet een juridische stem verdienen.

Daarbij wordt ook stilgestaan bij de mogelijkheid van verdere wetgevende actie. Twee wetsvoorstellen van 16 september 2024 en van 11 oktober 2024 trachtten het hiaat in de toegang van dierenwelzijnsverenigingen tot de rechter op te vullen door in artikel 17 Gerechtelijk Wetboek een uitdrukkelijke rechtsvordering toe te kennen aan deze verenigingen. Dit roept de vraag op of het wenselijk is om opnieuw een bijzonder wettelijk regime in te voeren, dan wel of het tijd is om de conventionele, binaire fundamenten van de rechtsvordering in België te herzien, in het licht van belangen die vandaag nog te vaak noodgedwongen zonder juridisch klankbord blijven.
Meer lezen

Exploring the mechanobiology of Cancer Associated Fibroblasts

KU Leuven
2025
Giel
Vankevelaer
Fibroblasten zijn een diverse groep cellen die zorgen voor het onderhoud van de extracellulaire matrix (ECM). Ze kunnen inactief zijn (quiescente fibroblasten) of actief (myofibroblasten). De actieve myofibroblast, herkenbaar aan het eiwit α-smooth muscle actin (αSMA), speelt een belangrijke rol bij wondgenezing en fibrose. Een speciale subgroep hiervan zijn de kanker-geassocieerde fibroblasten (CAFs), die in de tumoromgeving bijdragen aan tumorgroei en uitzaaiing. Hun activatie wordt gestimuleerd door factoren zoals TGF-β en mechanische spanning vanuit de ECM, wat een terugkoppelingslus creëert: spanning activeert CAFs, en CAFs versterken op hun beurt de spanning door ECM-remodellering.
In deze studie werd de mechanobiologie van CAFs onderzocht met behulp van een FRET-gebaseerde vinculine-tensiesensor, die mechanische krachten in focale adhesies meet. Er werd vergeleken tussen onbehandelde CAFs en met TGF-β geactiveerde (myofibroblast-achtige) CAFs. De geactiveerde cellen vertoonden hogere mechanische spanning in vinculine en meer adhesiecomplexen per cel, wat wijst op grotere contractiliteit.
Daarnaast werd geprobeerd een fluorescente reporter te ontwikkelen om de differentiatie in levende cellen te volgen. De gebruikte ACTA2-promotor bleek echter onvoldoende actief, maar het concept biedt aanknopingspunten voor verdere optimalisatie.
Conclusie: TGF-β zorgt voor snelle en efficiënte differentiatie van CAFs naar een meer contractiel, myofibroblastachtig type met verhoogde mechanische spanning in vinculine. Dit benadrukt het belang van mechanotransductie bij CAF-activatie en hun interactie met de tumoromgeving.
Meer lezen

Biedt het rechterlijk toezicht van het Amerikaanse Hooggerechtshof op discriminatie op grond van seksuele geaardheid een doeltreffendere bescherming dan het rechterlijk toezicht van het Hof van Justitie van de Europese Unie?

Vrije Universiteit Brussel
2025
Eline
Canon
Hoewel gelijkheid en non-discriminatie tot de hoekstenen van onze samenleving behoren, worden LGBTQ+-personen wereldwijd nog steeds geconfronteerd met discriminatie en juridische uitsluiting van bescherming. Om dit spanningsveld tussen theorie en praktijk te onderzoeken en te contrasteren, analyseert deze thesis hoe twee invloedrijke rechtsstelsels — het Europese en het Amerikaanse — omgaan met discriminatie op grond van seksuele geaardheid.

Om de waarborgen van non-discriminatie op grond van seksuele geaardheid in de praktijk te kunnen begrijpen, wordt aan de hand van een rechtsvergelijkende analyse van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Amerikaanse Hooggerechtshof nagegaan welk systeem vandaag de meest doeltreffende bescherming biedt, en of beide rechtssystemen iets van elkaar kunnen leren.

De bevindingen tonen aan dat het Hof van Justitie een coherent, consistent en stabiel beschermingskader biedt, in overeenstemming met de fundamentele waarden waarop de Unie is gebouwd, en met een sterke nadruk op de effectiviteit van het recht. In de Verenigde Staten daarentegen blijft de bescherming wisselvallig en kwetsbaar. Hoewel het Europese systeem institutionele en bevoegdheidsbeperkingen kent, waarborgt het een meer gestructureerde en voorspelbare bescherming.

Toch mag niet worden genegeerd dat bepaalde uitspraken van het Amerikaanse Hooggerechtshof in sommige gevallen verder gaan in hun bescherming. Die vaststelling moet echter worden genuanceerd in het licht van het huidige politieke klimaat en de samenstelling van het Hof, die weinig garanties bieden op verdere vooruitgang.

Meer lezen

Onrechtmatig verkregen bewijs en de Antigoon-leer

Thomas More Hogeschool
2025
Jamie
Saelen
Deze scriptie onderzoekt de Belgische bewijsuitsluitingsregel van onrechtmatig verkregen bewijs en de invloed van de Antigoon-doctrine hierop. Er wordt gekeken naar de wijze van bewijsvoering en het belang van bewijsmateriaal, de evolutie hiervan en de kritiek die het met zich meebrengt vandaag de dag. De uitsluitingsregel wordt uitgebreid besproken met als keerpunt het Antigoon-arrest. Er wordt gekeken naar de problematiek die het met zich meebrengt en het conflict tussen het bestraffen van misdrijven en het eerbiedigen van het recht op een eerlijk proces. Hoewel deze scriptie zich vooral focust op het strafrecht, wordt er toch ook gekeken naar de Antigoon-doctrine binnen andere rechtstakken en wordt er een vergelijking gemaakt met het burgerlijk recht. Tot slot wordt de mogelijke impact van het nieuwe Strafwetboek bekeken, dat een objectievere afweging van bewijs kan ondersteunen.
Meer lezen

De Hersteltrajectkamer: Een procesevaluatie

Universiteit Gent
2025
Victor
Buyl
Deze masterproef evalueert de werking van de Hersteltrajectkamer - een nieuwe soort rechtbank in het Belgisch strafrechtsysteem. Hoewel hersteltrajecten pas tegen 2028 verplicht zijn in het volledige land, ging de Gentse rechtbank al van start. Deze scriptie toont aan dat het model breed gedragen wordt door de betrokkenen, maar dat een duurzame implementatie nog verdere inspanning vereist.
Meer lezen

De rol van schuldinzicht, berouw en spijtbetuigingen in het kader van de verslaggeving van de psychosociale dienst van de gevangenis

Universiteit Antwerpen
2025
Claudie
Van Opstal
In deze meesterproef zal aan de hand van een combinatie van klassiek juridisch en empirisch onderzoek onderzocht worden welke rol schuldinzicht, berouw en spijtbetuigingen in de verslaggeving van de psychosociale dienst (PSD) van de gevangenis spelen.

Beslissingnemers inzake de straftenuitvoerlegging zoals de strafuitvoeringsrechter (SUR), de strafuitvoeringsrechtbank (SURB) en de (vertegenwoordiger van de) minister van Justitie, in het bijzonder de centrale gevangenisadministratie sectie externe rechtspositie van de Directie Detentiebeheer (DDB) hebben grote vrijheid bij het nemen van beslissingen over de toekenning van strafuitvoeringsmodaliteiten.

Aan de veroordeelde kunnen verschillende strafuitvoeringsmodaliteiten worden toegekend voor zover er in hoofde van deze veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan niet tegemoet kan worden gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Deze tegenaanwijzingen hebben onder andere betrekking op het gevaar dat de veroordeelde het slachtoffer zou lastigvallen, een manifest risico voor de fysieke integriteit van derden, het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten, de houding van de veroordeelde ten aanzien van de slachtoffers, enzovoort.

Bij de inschatting van deze tegenindicaties kan de ingesteldheid van de veroordeelde tegenover de feiten en het slachtoffer en meer specifiek de aan- of afwezigheid van schuldinzicht, berouw en spijtbetuigingen in hoofde van de veroordeelde een relevante factor zijn.

Om te kunnen beoordelen of deze tegenaanwijzingen al dan niet aanwezig zijn, dienen de beslissingnemers aldus een goed beeld te hebben over de persoon van de veroordeelde. Daarom voorziet de Wet externe rechtspositie (WER) een verplicht advies van de gevangenisdirecteur met betrekking tot de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit. Voor de opmaak van zijn advies zal de gevangenisdirecteur zich laten inspireren door het verslag van de PSD, een orgaan dat deel uitmaakt van het Directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen (DGEPI) en een lokale vestiging heeft in iedere strafinrichting.

De kerntaak van de PSD bestaat er immers in advies te verlenen over de toekenning van een bepaalde strafuitvoeringsmodaliteit in het kader van de uitvoering van een vrijheidsberovende straf. In het PSD-verslag wordt daarom aan de hand van de criminogene domeinen of een formele risicotaxatie een inschatting van de mogelijke risico’s gemaakt. Deze inschatting dient om vervolgens de tegenindicaties te kunnen beoordelen en een advies over de toekenning van de gevorderde modaliteit te kunnen opstellen.

De verslagen van de PSD blijken in de praktijk een belangrijke rol te hebben bij de besluitvorming over de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit. Ondanks het grote belang van de PSD-verslagen is er nauwelijks informatie over het PSD-verslag beschikbaar. Het is immers onduidelijk of de PSD met schuldinzicht, berouw en spijtbetuigingen rekening houdt, hoe zij deze begrippen invult, hoe zij de aanwezigheid en oprechtheid ervan beoordeelt, waar deze begrippen in het PSD-verslag aan bod kunnen komen alsook welke impact schuldinzicht, berouw en spijtbetuigingen op het uiteindelijke advies hebben. Het doel van het onderzoek is dan ook om hierover meer inzicht te vergaren.
Meer lezen

De betrokkenheid van het kind in (echt)scheidingsbemiddeling

Universiteit Hasselt
2025
Britt
Vastmans
Artikel 12 van het IVRK erkent het recht van kinderen om betrokken te worden in alle aangelegenheden die het kind aanbelangen. Bovendien moet aan hun mening passend belang worden gehecht, in overeenstemming met hun leeftijd en maturiteit. Hoewel dit spreekrecht stevig verankerd is in gerechtelijke procedures via artikel 1004/1 van het Gerechtelijk Wetboek, is er tot op heden geen juridische grondslag voor de uitoefening van dit recht in bemiddelingsprocessen die het kind aanbelangen. In het licht hiervan gaat deze masterthesis na hoe het spreekrecht van kinderen in het kader van (echt)scheidingsbemiddeling in België juridisch kan worden versterkt en verankerd. Hiertoe wordt een interdisciplinair onderzoek gevoerd, bestaande uit een juridische analyse van de wetgeving, rechtsleer en – in beperkte mate – rechtspraak, aangevuld met een empirisch onderzoek, waarin de huidige bemiddelingspraktijk in kaart wordt gebracht.
Meer lezen

Hoe komt Just Resilience aan bod in klimaatadaptatiebeleid? Een analyse van procedurele rechtvaardigheid in Belgisch waterbeheerbeleid

Universiteit Gent
2025
Eva
Shaw
Naarmate de klimaatverandering toeneemt, wint het concept Just Resilience aan terrein als een benadering die rechtvaardigheid wil integreren in klimaatadaptatie. Deze thesis onderzoekt één belangrijke dimensie van Just Resilience: procedurele rechtvaardigheid, die betrekking heeft op de eerlijkheid en inclusiviteit van beleidsprocessen.

Met België als casus, een land dat geconfronteerd wordt met toenemende, aan water gerelateerde klimaatuitdagingen, onderzoekt de studie in welke mate procedurele rechtvaardigheid is ingebed in het waterbeheerbeleid, met bijzondere aandacht voor twee kwetsbare groepen: landbouwers en personen met een lage sociaaleconomische status.

Via een mixed-methods benadering, die documentanalyse combineert met semigestructureerde interviews op verschillende bestuursniveaus, beoordeelt het onderzoek hoe de belangrijkste indicatoren van procedurele rechtvaardigheid (i.e, participatie, inclusie, transparantie, consistentie, ethiek/vertrouwen en erkenning van impact) zowel in theorie als in de praktijk worden toegepast.

De bevindingen tonen aan dat, hoewel beleidskaders en -documenten procedurele rechtvaardigheid soms in principe erkennen, de feitelijke uitvoering beperkt en gefragmenteerd blijft. Kwetsbare groepen worden onvoldoende betrokken bij het vormgeven van het beleid dat hen het meest raakt. Deze beperkte betrokkenheid neemt vaak de vorm aan van symbolische of eenmalige consultaties, zonder wezenlijke invloed of blijvende deelname.
Daardoor ontstaat een kloof tussen formele toezeggingen rond participatie en de daadwerkelijke ervaringen van de meest getroffen groepen, wat wijst op een blijvende procedurele lacune binnen het waterbeheer en, ruimer gezien, binnen het klimaatadaptatiebeleid.

De thesis concludeert dat het dichten van deze kloof vraagt om sterkere participatiestructuren en een betekenisvollere betrokkenheid van kwetsbare groepen gedurende het volledige beleidsproces. Ze eindigt met een oproep tot een diepere ethische en politieke inzet voor werkelijk inclusieve klimaatadaptatie.
Meer lezen

Een duurzaamheidstoets van het nieuwe goederenrecht in relatie tot ondernemingen: was duurzaamheid écht een belangrijke doelstelling?

Universiteit Gent
2025
Noor
Buyssens
Samenvatting van mijn thesis:

Duurzaamheid was een belangrijke doelstelling bij de totstandkoming van het nieuwe goederenrecht. Bijgevolg onderzoekt dit werk het nieuwe goederenrecht, dat sinds 2021 in werking trad, door de lens van duurzaamheid, met een bijzondere focus op ecologische duurzaamheid. Centraal staat daarbij steeds de rol van de onderneming. Deze focus op ondernemingen vormt een nieuwe invalshoek binnen bestaande literatuur over duurzaamheid in relatie tot het nieuwe goederenrecht.

Vertrekkend vanuit de onderwerpen die in bestaande literatuur over duurzaamheid in relatie tot het nieuwe goederenrecht aan bod komen, gaat deze bijdrage verder op die onderwerpen die in het bijzonder relevant zijn voor ondernemingen: res communes, opstalrechten (waarbij zijn rol in de circulaire vastgoedeconomie en bij het recent ingevoerde volume-eigendom wordt besproken), en ten slotte de milieu-erfdienstbaarheid.

Voor elk van deze onderwerpen worden de tekortkomingen en obstakels geanalyseerd die ertoe leiden dat zij duurzaamheid belemmeren of onvoldoende ondersteunen. Telkens wordt onderzocht hoe en op welke manier duurzaamheid nu precies wordt tegengewerkt. Zo wordt aangetoond hoe de figuur van de res communes juridisch is uitgehold en daardoor in de praktijk nauwelijks bescherming biedt, hoe het eenheidsbeginsel – en meer bepaald het zelfstandigheidsbeginsel – de ontwikkeling van een circulaire economie binnen de vastgoedsector tegenwerkt, en hoe de invoering van (eeuwigdurend) volume-eigendom grote risico’s creëert op ongebreidelde vastgoedgroei, waarbij duurzaamheid slechts een voorwaardelijk en toevallig neveneffect blijkt te zijn. Ook de milieu-erfdienstbaarheid blijkt onder het huidige goederenrecht onwerkbaar.

Na het analyseren van deze knelpunten worden telkens mogelijke oplossingen of, minstens, suggesties en denkpistes aangereikt die kunnen bijdragen tot verdere verbetering. Kritiek wordt hier immers niet als destructief benaderd, maar juist als een eerste stap richting vooruitdenken.

Het werk sluit af met een filosofische noot waarin de rode draad tussen de besproken onderwerpen wordt blootgelegd. Diep onder de juridische spanningen die zich voordoen rond duurzaamheid blijkt een “structureel” probleem te schuilen: het goederenrecht is historisch gebouwd op liberale en kapitalistische fundamenten, wat duurzame ontwikkeling structureel belemmert. Dit werk eindigt dan ook met een oproep tot structurele verandering en geeft een eerste stap in de richting van dergelijke verandering.
Meer lezen

Auteursrecht in het post-GenAI-tijdperk: actuele vraagstukken en eerste tendensen in de internationale rechtspraak

HOGENT
2025
Kwinten
Masureel
Deze bachelorproef betreft een rechtsdogmatisch onderzoek in de lacunes die opduiken in het bestaande Belgische auteursrecht wanneer gepoogd wordt om deze toe te passen op generatieve artificiële intelligentie (GenAI).

Generatieve AI is een relatief nieuw fenomeen en het is vaak niet duidelijk hoe juristen het auteursrecht moeten interpreteren in functie hiervan. Twee cruciale aspecten m.b.t. GenAI belicht dit onderzoek dan ook. Enerzijds onderzoekt deze studie of het bestaande juridische kader een antwoord kan bieden op auteursrechtelijke vraagstukken die opduiken bij input-zijde van het AI-model. Anderzijds wordt ook de auteursrechtelijke status van de gegenereerde output geanalyseerd. Telkens vertrekt het onderzoek van de Belgische en Europese wetgeving inzake het auteursrecht, daarna de bestaande internationale rechtspraak, en tenslotte de rechtsleer.

Deze bachelorproef toont aan dat er nog heel wat onduidelijkheid is m.b.t. beide aspecten van GenAI.

Toch zijn er al een aantal duidelijke conclusieste trekken uit de internationale rechtspraak en rechtsleer.

De rechtspraak en rechtsleer werd bijgehouden tot 26 mei 2025
Meer lezen

Too hot to handle? Wat is de impact van de Brexit op rechtsmacht en toepasselijk recht in Business en Human-Rightszaken tegen multinationale ondernemingen in de EU en het VK?

KU Leuven
2025
Anna
Cartuyvels
Deze masterproef analyseert hoe de Brexit de inhoud, toepassing en interpretatie inzake rechtsmacht en toepasselijk recht beïnvloedt in Business and Human Rights-zaken in het Verenigd Koninkrijk (VK) en de Europese Unie (EU). In de huidige geglobaliseerde economie besteden multinationale ondernemingen (MNO’s) hun productie vaak uit aan landen met goedkopere productiemogelijkheden, waar mensenrechten- en milieuschendingen geen uitzondering zijn. Slachtoffers botsen in de zoektocht naar gerechtigheid op een complex weefsel van ondernemingen waardoor de aansprakelijkheid vertroebelt en slachtoffers met lege handen achterblijven. Door zich juridisch af te schermen via dochtervennootschappen, proberen MNO’s aansprakelijkheid te ontlopen. In veel derde landen bemoeilijken rechtsonzekerheid, corruptie, partijdige rechtspraak en beperkte middelen de toegang tot gerechtigheid.
In het spanningsveld tussen mondiale bedrijfsactiviteiten en territoriaal begrensde rechtsmacht speelt het Internationaal Privaatrecht een sleutelrol. Via foreign direct liability-zaken proberen slachtoffers de moedervennootschap in haar thuisstaat aansprakelijk te stellen voor het falen in haar zorgplicht ten aanzien van een dochtervennootschap in het buitenland. Het Internationaal Privaatrecht bepaalt onder welke voorwaarden dat mogelijk is en welk recht van toepassing is. Door de Brexit is het VK niet langer gebonden aan de geharmoniseerde Europese regels waardoor er nieuwe risico’s maar ook opportuniteiten ontstaan. Is het VK na de Brexit een juridische schuilplaats geworden voor MNO’s, of stelt het zich net actief op als forum voor aansprakelijkheid?
Deze masterproef onderzoekt aan de hand van wetgeving, rechtspraak en rechtsleer, het Europees kader rond rechtsmacht en toepasselijk recht en in welke mate dat tekortschiet bij de behandeling van foreign direct liability-zaken. Vervolgens wordt het Brits kader geanalyseerd en vergeleken met dat van de EU, met bijzondere aandacht voor het standpunt van slachtoffers in Business and Human Rights-zaken.
Meer lezen

De toetsingsintensiteit van de Raad van State bij beperkingen op fundamentele rechten en vrijheden

Universiteit Gent
2025
Tristan
Deleersnyder
Deze masterscriptie onderzoekt de mate van toetsingsintensiteit van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak wanneer beperkingen van fundamentele rechten en vrijheden aan de orde zijn. De centrale onderzoeksvraag werd opgesplitst in drie deelvragen: (i) wat is de variërende toetsingsintensiteit van de Raad van State (ii) welke factoren verklaren een terughoudende toets, en (iii) welke omstandigheden leiden tot een meer indringende toetsing. Er werden 109 arresten geanalyseerd die in de voorbije tien jaar zijn uitgesproken. Daarbij werd zowel de structurele als de epistemologische toetsingsintensiteit onderzocht, met andere woorden: enerzijds welke
voorwaarden worden gesteld aan beperkingen van fundamentele rechten en vrijheden, en anderzijds in welke mate de Raad deze voorwaarden inhoudelijk toetst.
Uit de analyse blijkt dat de Raad van State zich ook in zaken omtrent fundamentele rechten en vrijheden doorgaans terughoudend opstelt. De proportionaliteitstoets wordt meestal ingevuld via het gebruikelijke redelijkheidsbeginsel. In tien arresten paste de Raad enkel de ‘kennelijk-niet onevenredigheidscontrole’ toe, al werd in uitzonderlijke gevallen ook een striktere toets gehanteerd.
Meer lezen

De internationale doorgifte van persoonsgegevens van de Europese Unie naar China in de wetgeving en de praktijk

KU Leuven
2025
Arne
Vincken
Sinds 2016 delen miljarden gebruikers op TikTok korte video’s waarin ze aspecten van hun dagelijks leven tonen. De applicatie zorgde echter niet alleen voor een expansie aan creativiteit maar ook voor een enorme verzameling van persoonsgegevens. Zo verzamelt het Chinese moederbedrijf, ByteDance, onder andere locatiegegevens, apparaatgegevens en surfgedrag om de beste video’s aan te bieden.1 Er rees al snel de vraag of de gegevens van gebruikers op het EU- grondgebied wel voldoende beschermd worden wanneer ze naar China worden doorgegeven. Daarnaast overwoog de Verenigde Staten een verbod op TikTok vanwege mogelijke bedreigingen voor de nationale veiligheid.2 Binnen Europa groeit de bezorgdheid dat data die naar China wordt geëxporteerd, kan worden ingezet voor de training van kunstmatige intelligentie, mogelijk met steun van de Chinese overheid. Deze masterscriptie onderzoekt de overdracht van persoonsgegevens van de EU naar China, met TikTok als praktijkvoorbeeld. Wanneer data de EU verlaat, is het cruciaal te bepalen of de rechten van EU-inwoners gewaarborgd blijven onder het wetgevingskader en de praktijk van het derde land. Het EU-recht, zoals vastgelegd in de AVG en ondersteund door de arresten Schrems I en Schrems II, vereist namelijk dat deze rechten worden beschermd. Aangezien China niet geniet van een adequaatheidsbesluit, ligt de focus op standaardcontractbepalingen en het beschermingsniveau onder het Chinese wetgevingskader, waaronder de PIPL. Daarnaast wordt onderzocht hoe TikTok meent een gelijkwaardig beschermingsniveau te bieden, onder meer via hun privacybeleid en standaardcontractbepalingen. Ook wordt nagegaan of de gegevens voldoende beschermd zijn tegen bijvoorbeeld overheidsinmenging. De scriptie toont aan dat juridische en praktische problemen bij gegevensdoorgiften blijven bestaan, mede door gebreken in de Chinese wetgeving en TikTok’s beperkte transparantie en onvoldoende waarborgen in hun standaardcontractbepalingen.
Meer lezen

Weet ik het zeker? Metacognitie en informatiezoekgedrag bij kinderen van 8 tot 10 jaar: een experimenteel onderzoek

KU Leuven
2025
Nele
Delie
Beslissingen maken integraal deel uit van ons dagelijks leven, ook bij kinderen. Bij elke beslissing ervaren we een gevoel van zekerheid of twijfel, ook wel beslissingsvertrouwen genoemd. Dit vertrouwen helpt ons om ons eigen gedrag bij te sturen, zoals het al dan niet zoeken naar extra informatie. Het vermogen om onze eigen beslissingen te evalueren en daarop gedrag en keuzes af te stemmen is een vorm van metacognitie. Er is nog weinig bekend over hoe kinderen deze metacognitieve vaardigheden inzetten bij perceptuele besluitvorming. Dit vormt een belangrijk hiaat gezien de rol van metacognitie voor zelfregulerend leren en academisch succes.

In deze masterproef werd onderzocht in welke mate kinderen metacognitieve monitoring (beslissingsvertrouwen) gebruiken om hun metacognitieve controle te sturen (informatie zoeken). Daarnaast werd nagegaan hoe de accuraatheid van hun keuzes en metacognitieve efficiëntie (hoe goed hun vertrouwen overeenkomt met hun prestaties) deze keuzes mee beïnvloeden. Hiervoor namen 91 kinderen uit het vierde leerjaar van de lagere school deel aan een fijnmazige, experimentele perceptuele taak. In deze taak moesten de kinderen telkens een keuze maken tussen twee visuele stimuli, vervolgens hun vertrouwen in die keuze inschatten, en tot slot beslissen of ze de stimuli opnieuw wilden bekijken alvorens hun definitieve antwoord te geven. Dit design maakte het mogelijk om op gedetailleerd niveau te analyseren hoe vertrouwen, accuraatheid en informatiezoekgedrag met elkaar samenhangen. Bovendien werd er gebruikgemaakt van modelgebaseerde maten om metacognitieve efficiëntie te meten (M-ratio en V-ratio), los van taakmoeilijkheid of bias.

Dit onderzoek toonde aan dat kinderen in staat zijn om hun beslissingen te monitoren en daar via metacognitieve controle op te reageren. Kinderen zochten vaker extra informatie wanneer zij minder vertrouwen hadden in hun keuze of wanneer die keuze fout bleek te zijn. Beslissingsvertrouwen bleek een sterkere voorspeller van informatiezoekgedrag dan de objectieve accuraatheid van de keuze. Hoewel kinderen hun prestaties al deels kunnen inschatten, wezen de resultaten ook op een algemene tendens tot overmoed en een suboptimale metacognitieve efficiëntie. Kinderen met een hogere metacognitieve efficiëntie pasten hun informatiezoekgedrag beter aan naar de juistheid van hun keuzes. Dit ondersteunt het belang van een goed samenspel tussen metacognitieve monitoring en controle voor effectieve besluitvorming.

Dit onderzoek draagt bij aan het begrijpen van de ontwikkeling van metacognitie en besluitvorming bij kinderen en wijst op het belang van het gebruik van verfijnde metingen in toekomstig onderzoek naar de ontwikkeling van metacognitieve vaardigheden.
Meer lezen

Human Oversight in EU Data Protection Law: A Study of the GDPR and the AI Act

Vrije Universiteit Brussel
2025
Michaël
Thomas
Deze masterproef onderzoekt de wisselwerking tussen de Algemene Verordening Gegevensbescherming (GDPR) en de nieuwe Europese verordening inzake artificiële intelligentie (AI Act) met bijzondere aandacht voor de rol van menselijk toezicht bij geautomatiseerde besluitvorming. Vertrekkend van de centrale onderzoeksvraag hoe de AI Act het kader van de GDPR voor human oversight versterkt of daarvan afwijkt, wordt een doctrinale juridische methode gevolgd. De analyse omvat primaire rechtsbronnen, waaronder de GDPR en de AI Act met hun voorbereidende documenten en relevante rechtspraak van het Hof van Justitie, evenals beleidsrichtsnoeren en academische literatuur.

De studie toont aan dat artikel 22 GDPR, dat het recht biedt om niet te worden onderworpen aan uitsluitend geautomatiseerde besluiten met rechtsgevolgen of een vergelijkbaar significant effect, in de praktijk op aanzienlijke beperkingen stuit. De criteria “uitsluitend geautomatiseerd” en “significant effect” blijken moeilijk toepasbaar en de vereiste van menselijke tussenkomst blijft inhoudelijk vaag. De AI Act introduceert daarentegen een risicogebaseerd regelgevend kader dat voor hoog-risicosystemen proactieve waarborgen oplegt, waaronder specifieke verplichtingen inzake menselijk toezicht die al in de ontwerpfase moeten worden ingebouwd en gedurende de werking van het systeem behouden.

Hoewel de AI Act zo enkele structurele tekortkomingen van de GDPR corrigeert, blijven fundamentele vragen bestaan over de reikwijdte en de effectiviteit van het opgelegde toezicht. Niet alle maatschappelijk risicovolle toepassingen vallen immers onder de hoog-risicocategorie en de wettelijke vereisten voor daadwerkelijke menselijke controle laten ruimte voor interpretatie en voor louter symbolische naleving. De analyse maakt duidelijk dat het juridisch verankeren van een menselijke factor in processen die per definitie niet-menselijk beslissen een hardnekkige spanning blootlegt: het blijft een onoplosbare paradox om menselijk toezicht als waarborg op te leggen in een domein dat precies gekenmerkt wordt door geautomatiseerde systemen.
Meer lezen

Hoe beïnvloedt de opvangcrisis sinds 2021 de uitvoering van het rechtsstaatsbeginsel in België?

HOGENT
2025
Sari
Demil
Deze scriptie onderzoekt hoe de opvangcrisis sinds 2021 de uitvoering van het rechtsstaatsbeginsel in België aantast. Er wordt aangetoond dat het wettelijk recht op opvang vaak geschonden wordt, vooral voor alleenstaande mannelijke asielzoekers. Door literatuur, rechtspraak en observaties wordt geanalyseerd hoe structurele tekorten, politieke keuzes en administratieve praktijken leiden tot systematische inbreuken op fundamentele rechten. Individuele en collectieve procedures bevestigen dat de Belgische overheid haar verplichtingen niet naleeft en rechterlijke uitspraken negeert. Dit ondermijnt de rechtszekerheid en wijst op een zorgwekkende uitholling van de rechtsstaat.
Als laatste wordt er ook een blik geworpen op het Federaal regeerakkoord van 2025, meer bepaald de maatregelen daarin betreffende opvang.
Meer lezen

Assisen in vraag gesteld: een kwantitatief onderzoek naar de publieke perceptie van lekenrechtspraak in België

Universiteit Gent
2025
Janne
Vandenberghe
Deze masterproef onderzoekt hoe het publiek het jurysysteem binnen het Belgische hof van assisen percipieert. Hoewel de assisenprocedure diep verankerd is in de Belgische rechtscultuur, staat zij steeds vaker onder druk door hedendaagse uitdagingen zoals budgettaire beperkingen en de roep om efficiëntie. Ondanks het fundamentele uitgangspunt van lekenparticipatie blijft de stem van de burger opvallend afwezig in academische en publieke debatten. Dit onderzoek vult die kenniskloof op door de centrale onderzoeksvraag te stellen: ‘Hoe wordt het systeem van de volksjury binnen het Belgische hof van assisen door het publiek ervaren?’

Om deze vraag te beantwoorden werd een gemengd juridisch-sociologisch kader ontwikkeld. De empirische kern van het onderzoek bestaat uit een kwantitatieve online survey (n=380). Deze survey onderzocht de houding van burgers tegenover de volksjury en hun voorkeuren inzake behoud of hervorming van het systeem. Sociodemografische kenmerken, juridische scholing en slachtofferschap werden meegenomen als verklarende variabelen. Het theoretisch kader werd opgebouwd via een kritische literatuurstudie en een vergelijkende rechtsanalyse met Frankrijk en Nederland.

De resultaten van de survey tonen een genuanceerde publieke houding. Enerzijds geniet de volksjury symbolische legitimiteit door haar democratisch karakter, anderzijds bestaan er aanhoudende twijfels over de juridische expertise van juryleden in complexe strafzaken. Twee derde van de respondenten steunt het systeem van de volksjury. Daarnaast verkiest maar liefst 83% een gemengd model waarin burgers en beroepsrechters samen beraadslagen. Juridische professionals en personen met een juridische opleiding stonden significant kritischer tegenover het huidige jurysysteem. Bovendien bleken attitudes ten aanzien van correctionele straffen een sterke voorspeller van steun voor de volksjury: respondenten die bestaande straffen te mild vonden, waren vaker voorstander van burgerparticipatie. Sociodemografische variabelen en slachtofferschap bleken daarentegen weinig verklarende waarde te hebben.

Dit onderzoek levert een bijdrage aan de juridische en criminologische literatuur door publieke houdingen tegenover het eeuwenoude instituut van participatieve justitie empirisch in kaart te brengen. Daarnaast is het beleidsmatig relevant, aangezien het de maatschappelijke steun voor hervormingsscenario’s in beeld brengt.
Meer lezen

De pluriformiteit van de overheid

Universiteit Hasselt
2025
Yorunn
Beeckelaers
Deze scriptie onderzoekt het overheidsbegrip binnen de Belgische rechtsorde met bijzondere aandacht voor de pluriformiteit ervan. De centrale vraag luidt: Wat is het juridische overheidsbegrip en hoe vertaalt de pluriformiteit ervan zich binnen de Belgische rechtsstaat?
Uit de analyse blijkt dat er geen eenduidige en alomvattende definitie bestaat, wat kan leiden tot rechtsonzekerheid en lacunes in de toepassing van het bestuursrecht. Daarnaast concluderen we echter ook dat het niet altijd wenselijk en mogelijk is om dit begrip volledig af te bakenen.
Deze scriptie bespreekt verschillende vormen waarin de overheid zich voordoet in onze staat. Zo
gaan we dieper in op de administratieve overheid, bestuursinstanties en overheidsinstanties en
openbare instellingen en diensten. Elk van deze begrippen kent een eigen juridische kwalificatie die
afhankelijk is van het toepassingsgebied. Ook behandelen we de toepassing van de
imperiumbevoegdheid binnen deze verschillende begrippen.
Daarnaast zullen we ook een rechtsvergelijking doen met onze buurlanden; Nederland en Frankrijk.
Dit toont de verschillende benaderingen en uitkomsten van beide landen en het verschil met België.
Nederland werkt met een functioneel overheidsbegrip in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wat
zorgt voor rechtszekerheid en ruime toepasselijkheid. Frankrijk leunt dan weer sterk op de jurisprudentie van de Raad van State. België blijft achter met een fragmentarische regelgeving en een gebrek aan systematische afbakening.
De conclusie van deze scriptie is dan ook dat het streven naar een alomvattende en omlijnde definitie van het overheidsbegrip in België niet wenselijk of haalbaar is. In plaats daarvan moet er sterk worden ingezet op een specifieke benadering waarbij men elke regelgeving individueel bekijkt en specifieke criteria opstelt. Enkel zo kan het overheidsbegrip worden afgestemd op de realiteit van een gelaagde en evoluerende bestuursstructuur.
Meer lezen

Een analyse naar de effectiviteit van faciliteiten op leer- en werkprestaties bij dyslectische jongeren tussen de 16 en 25 jaar.

Hogeschool UCLL
2025
Sarah
Wouters
Deze bachelorproef onderzoekt de bijdrage van ondersteuningsmaatregelen aan de leer- en werkprestaties van jongeren met dyslexie tussen 16 en 25 jaar, en de manier waarop zij deze ondersteuning ervaren. Internationaal ligt het prevalentiecijfer op 4–8%. Niet alleen heeft dyslexie gevolgen voor schoolprestaties, maar ook voor de participatie aan de arbeidsmarkt.
1. Onderzoeksvragen en methodologie
Door middel van een literatuurstudie werden de behoeften en bestaande ondersteuning met betrekking tot dyslexie in kaart gebracht. Het praktijkonderzoek bestond uit: interviews met logopedisten en jongeren met dyslexie, een online enquête met 20 respondenten. Er werd onderzocht in welke mate de huidige faciliteiten aansluiten bij de noden van dyslectici, welke belemmeringen er zijn en waar verbeterpotentieel is.
2. Resultaten
De effectiviteit van ondersteuningsmaatregelen varieert per onderwijsinstelling en hangt af van het beleid en de houding van individuele leerkrachten. Jongeren zijn vaak onvoldoende geïnformeerd over beschikbare hulpmiddelen of durven deze niet te gebruiken uit angst ‘anders’ over te komen. Veel jongeren ervaren stress, een laag zelfvertrouwen en prestatiedruk. Faciliteiten zoals ‘extra tijd’ en voorleessoftware worden het meest toegepast. De ondersteuning verschilt per onderwijsniveau: na de lagere school valt de ondersteuning vaak weg.
Er is een gebrek aan psycho-educatie bij zowel leerlingen als leerkrachten. Jongeren vragen om een duidelijk en rechtlijnig beleid dat rekening houdt met hun individuele behoeften. Professionals benadrukken dat structurele aanpassingen nodig zijn om effectieve ondersteuning te bevorderen.
3. Eindproduct
Als eindproduct is het BEWUST-model ontwikkeld. Het acroniem BEWUST bevat zes kernwaarden:
- Begrip: Jongeren en leerkrachten krijgen meer inzicht in wat dyslexie inhoudt.
- Eigenheid: Erkenning dat elke jongere met dyslexie uniek is en andere noden heeft.
- Wijsheid: Vanuit wetenschappelijke kennis kan er een diepgaander beeld gevormd worden van de leerstoornis.
- Uitdagingen: Door moeilijkheden bespreekbaar te maken, ontstaat ruimte voor ondersteuning en realistische aanpassingen.
- Sterktes: Positieve eigenschappen van dyslectische jongeren worden meer erkend.
- Toekomstgericht: Dyslexie speelt levenslang een rol, daarom wordt er gekeken naar duurzame ondersteuning.

4. Conclusie
Er is nood aan een rechtlijnig beleid, meer informatie-uitwisseling en een empathische houding in het onderwijssysteem. Door de nadruk te verleggen naar sterktes, begrip en psycho-educatie, kunnen dyslectische jongeren adequaat ondersteund worden in hun ontwikkeling naar zelfstandige en succesvolle volwassenen.
Meer lezen

Navigating Post-mortem Genetic Data Protection in the Digital Hereafter: If DNA Decays, Does Privacy Stay?

KU Leuven
2025
Thierry
Torfs
Deze scriptie onderzoekt het juridische landschap rond post-mortem genetische gegevens binnen de Europese Unie (EU) en gaat in op de vraag hoe individuen na hun overlijden controle kunnen houden over hun genetische gegevens. Hoewel de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG, GDPR) in de eerste plaats de rechten van levende personen beschermt, zorgt het relationele karakter van genetische gegevens, waarbij genetische informatie over overledenen ook informatie over biologische familieleden kan onthullen, voor unieke uitdagingen voor het beheer van postmortale gegevens.
Het onderzoek analyseert het gefragmenteerde juridische landschap in de EU-lidstaten en benadrukt het gebrek aan geharmoniseerde wetgeving en de daaruit voortvloeiende onzekerheid over de bescherming van postmortale genetische gegevens. Door nationale wetten, EU-richtlijnen en relevante jurisprudentie te bekijken, identificeert het proefschrift hiaten in zowel de wettelijke bescherming als de handhaving.
Het onderzoek maakt gebruik van een gemengde methodologie, waarbij juridisch doctrinair onderzoek, vergelijkende juridische analyse en casestudy's worden gecombineerd om een uitgebreide analyse te bieden. Belangrijke rechterlijke uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) worden geanalyseerd om inzicht te krijgen in de voortdurend evoluerende beginselen rond de bescherming van postmortale genetische gegevens.
Technologische ontwikkelingen, zoals geavanceerde toestemmingsbeheersystemen en privacyversterkende technologieën, worden geëvalueerd op hun potentieel om de controle op postmortale gegevens te verbeteren. De integratie van deze instrumenten in bestaande wettelijke kaders blijft echter onduidelijk. Deze thesis concludeert met de aanbeveling voor een meer coherente Europese aanpak, waarbij juridische verduidelijking, technologische waarborgen en betrokkenheid van belanghebbenden worden gecombineerd om ervoor te zorgen dat genetische privacy postmortaal wordt gerespecteerd.
Meer lezen

Medisch beroepsgeheim onder druk: tussen willen spreken en mogen spreken in verband met vaststellingen/ vermoedens van kindermishandeling

Hogeschool UCLL
2025
Caithlyn
Reyns
Wat een arts niet mag doen in verband met zijn beroepsgeheim is duidelijk bepaald in de Strafwet. Het is echter een andere situatie wanneer het gaat om de gevallen waarbij een arts zijn beroepsgeheim kan doorbreken en welke voorwaarden dienen vervuld te zijn vooraleer dit kan gebeuren. Zo kan het beroepsgeheim, buiten de gevallen bij wet bepaald, doorbroken worden wanneer de arts hiervoor de toestemming van de patiënt heeft, of wanneer hij zich beroept op het principe van de noodtoestand, vermits voldaan is aan de voorwaarden.

De situatie is echter veel complexer wanneer het over een minderjarige patiënt gaat. In dat geval is de persoon in kwestie handelingsonbekwaam en kan deze onmogelijk zijn patiëntenrechten zelf uitoefenen. Bijgevolg kan de arts ook geen geldige toestemming van een handelingsonbekwame, minderjarige patiënt verkrijgen en moet hij de wettelijke vertegenwoordiger hiervoor aanspreken. Bij deze concrete casussen moet er een bijzondere aandacht gevestigd worden op het ontbreken van een wettelijke grondslag die voorziet in een procedure betreffende de melding van vermoedens van kindermishandeling. Hetgeen wel bij wet bepaald is, zorgt ervoor dat een arts de misdrijven waarvan hij kennis heeft genomen, kan meedelen aan de Procureur des Konings en dit dus geen wettelijke verplichting inhoudt. Later zal blijken dat dit slechts gebeurt bij de meest ernstige situaties. De ziekenhuizen trachten eerst de interne procedure te volgen die minder verregaande plichten oplegt.

Wat sterk benadrukt wordt in deze procedures is de samenwerking zowel intern als extern in verschillende fases en situaties van de vermoedens en vaststellingen van kindermishandeling. Aan de hand van een stappenplan, gebaseerd op begeleidende vragen, zal de geheimhouder een begeleidde beslissing kunnen maken in verband met het al dan niet raadplegen van hulp.

Wanneer een geheimhouder zijn beroepsgeheim schendt, zonder dat de voorwaarden van artikel 458 Sw. en 458bis Sw. vervuld zijn, kan hij op enkele verschillende manieren aansprakelijk gesteld worden. De eerste vorm van aansprakelijkheid betreft de strafrechtelijke aansprakelijkheid, vermits de schending van het beroepsgeheim een misdrijf uitmaakt. Dit misdrijf kan bestraft worden met een gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en een geldboete van honderd euro tot duizend euro of met een van die straffen alleen. Daarnaast is er ook de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, die opgedeeld wordt in buitencontractuele en contractuele aansprakelijkheid. De contractuele aansprakelijkheid primeert steeds op de buitencontractuele aansprakelijkheid, tenzij de fout een misdrijf uitmaakt, of geen onderdeel is van een contract. Wanneer het gaat om een medische fout, is er sprake van buitencontractuele aansprakelijkheid. Een interne vorm van aansprakelijkheid is de tuchtrechtelijke aansprakelijkheid, waarbij de dader tuchtrechtelijk aangesproken kan worden voor het schenden van de interne plichtenleer van zijn bepaalde groep waarbinnen de belangen van die groep verdedigd worden.

Aan de hand van dit onderzoek is duidelijk geworden dat er veel onzekerheden zijn bij hulpverleners in het kader van het medisch beroepsgeheim en de grenzen die ze hierin moeten trekken en/of verleggen. De nood aan een duidelijk wettelijk kader is bijgevolg groot.
Meer lezen

De beoordelingsvrijheid van de jeugdrechter en het belang van de minderjarige in het jeugddelinquentierecht

Vrije Universiteit Brussel
2025
Damra
Citak
Mijn masterproef onderzoekt de beoordelingsvrijheid van Vlaamse jeugdrechters onder het Jeugddelinquentiedecreet van 15 februari 2019 en de wijze waarop het belang van de minderjarige in hun beslissingen doorweegt. Het decreet markeert een paradigmaverschuiving van een beschermingsgericht model naar een benadering waarin vooral responsabilisering centraal staat, naast herstel, beveiliging en sanctionering.

De ruime discretionaire bevoegdheid van jeugdrechters laat zowel juridische (legale) als buiten-juridische (extralegale) factoren toe in de besluitvorming, zoals leeftijd, geslacht, etnisch-culturele achtergrond, sociale context, gezinsstructuur, het gedrag van de minderjarige en de persoonlijkheid van de jeugdrechter. Ook praktische factoren, zoals de beschikbaarheid van voorzieningen, beïnvloeden de uiteindelijke sancties en maatregelen.

Het onderzoek combineert een juridische analyse van nationale en internationale regelgeving, rechtsleer en rechtspraak met een empirisch luik via interviews met zes Vlaamse jeugdrechters. Hierbij worden onder meer de interpretatie van het belang van de minderjarige, de toepassing van proces- en rechtswaarborgen en de rol van juridische en extralegale factoren onderzocht.

De bevindingen tonen dat jeugdrechters sterk rekening houden met de context van de minderjarige, maar dat de ruime beoordelingsvrijheid ook leidt tot variatie in beslissingen. De studie levert zowel een wetenschappelijke als praktijkgerichte bijdrage aan het begrip van de toepassing van het Jeugddelinquentiedecreet en benadrukt het spanningsveld tussen responsabilisering, bescherming en kindvriendelijkheid.
Meer lezen

Afstammelingen van de polders

KU Leuven
2025
Frauke
Soetewey
Ik, Frauke Soetewey, navigeer tijdens deze masterproef door het ontdekken van een familiegeschiedenis die me eerder nog onbekend was. Het horen over een kerk in de haven van Antwerpen zette dit proces op gang, en hoewel die kerk me in eerste instantie aansprak door de absurde situatie waar die zich in bevindt, bleek later dat die veel meer betekenis draagt over mij en mijn familie. Vier polderdorpen moesten verdwijnen voor de uitbreiding van de haven waardoor 4500 inwoners werden onteigend, onder wie mijn grootouders.
Mijn positie als afstammeling en drie andere rollen werden de leidraad doorheen dit project.
Ten eerste ik als voyeur. Ik onderzocht de hele historie van de polders door het gebruik van verschillende bronnen binnen en buiten mijn familie. Ik bestudeerde de polders door op verschillende manieren te (blijven) kijken naar objecten en architectuur die nog bestaan. Het gaat over alledaagse architectuur te midden van haar absurde omgeving.
Ten tweede ik als tekenaar. Ik liet de architectuur aan het woord door middel van het visualiseren van geschreven getuigenissen van inwoners en afstammelingen. Het tekenen werkt als een verwerkingsproces om vervolgens er mee aan te slag te gaan als ontwerper.
En ten derde ik als ontwerper, waar ik architectuur gebruik om te spreken. Door middel van de ontwerpen geef ik kritiek op de verstoring van de haven en zijn problematieken via de nieuwe ruimtelijkheid. Hierbij gebruik ik bestaande elementen in een ongewone combinatie.
Meer lezen