Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Welke operationele, technologische en regelgevende voorwaarden moeten vervuld zijn zodat ING stablecoin-gebaseerde betalingsnetwerken kan gebruiken om internationale transacties sneller en goedkoper te maken dan het huidige correspondentbankmodel?

Karel de Grote Hogeschool
2026
Johan
Van Steen
Stap 3 gaat over je scriptie zelf. Per veld:
Korte inhoud van je scriptie. Een beknopte samenvatting, neutraler van toon dan je artikel. Dit kun je gebruiken:
Deze bachelorproef onderzoekt onder welke operationele, technologische en regelgevende voorwaarden ING stablecoin-gebaseerde betalingsnetwerken kan inzetten om internationale transacties sneller en goedkoper te maken dan het huidige correspondentbankmodel. Via een kwalitatieve casestudy, gebaseerd op literatuur van onder meer de BIS en de ECB, de MiCA-verordening en expertgesprekken, wordt een voorwaardenkader uitgewerkt op drie niveaus: technologie, organisatie en regelgeving. De analyse toetst dit kader aan drie marktinitiatieven (JPMorgan Kinexys, Société Générale EURCV en het Qivalis-consortium) en mondt uit in een concreet stappenplan voor een MiCA-conforme implementatie.
Meer lezen

Hormonale invloeden op zeeziekte

Antwerp Maritime Academy
2026
Margaux
Hermans
Zeeziekte is een veelvoorkomend fenomeen binnen de maritieme sector en kan een aanzienlijke
impact hebben op het functioneren en welzijn van zeevarenden. Hoewel bekend is dat vrouwen
mogelijk gevoeliger zijn voor zeeziekte dan mannen, is weinig onderzocht in welke mate hormonale
factoren hierin een rol spelen. Deze masterproef brengt dit onderbelichte thema in kaart aan de
hand van een observatiestudie uitgevoerd tijdens een vier weken durende zeereis aan boord van
het opleidingsschip Dar Mlodziezy.
In totaal registreerden 36 deelnemers dagelijks hun level van algemene gevoelstoestand,
misselijkheid, stress en hersenmist. Voor vrouwelijke deelnemers werd bijkomend het gebruik van
hormonale anticonceptie en, indien van toepassing, hun menstruele cyclus bijgehouden. Deze
systematische dataverzameling in een realistische maritieme setting bood een uitzonderlijke
mogelijkheid om patronen over langere tijd te analyseren zonder verstoringen van dagelijkse
omgeving.
Uit resultaten blijkt dat vrouwelijke deelnemers in deze groep gemiddeld meer zeeziekte
gerelateerde klachten rapporteerden dan mannelijke deelnemers. De verschillen waren zichtbaar
voor alle onderzochte variabelen en kwamen consequent terug doorheen de gehele
onderzoeksperiode. Binnen de vrouwelijke groep vertoonden vrouwen die hormonale
anticonceptie gebruikten op het merendeel van de dagen hogere symptoomscores dan vrouwen
zonder anticonceptie. In deze dataset werd dus geen aanwijzing gevonden dat anticonceptie
beschermend werkt tegen zeeziekte.
De analyses van de menstruele cyclus leverden geen duidelijke verschillen tussen cyclusfasen op,
voornamelijk door het beperkte aantal vrouwen met een natuurlijke cyclus. Hierdoor konden geen
uitspraken gedaan worden over variaties in gevoeligheid tijdens bijvoorbeeld menstruatie of
ovulatie. Daarnaast werd vastgesteld dat deelnemers die een zeeziektepil innamen gemiddeld
meer hersenmist rapporteerden. Dit sluit aan bij zowel de ernst van hun symptomen als bij bekende
bijwerkingen van dergelijke medicatie, zonder dat de oorzaak kon worden vastgesteld.
Deze bevindingen suggereren dat vrouwen in deze onderzoeksgroep gevoeliger waren voor
zeeziekte dan mannen, maar tonen geen duidelijk effect van de hormonale anticonceptie of
cyclusfasen op de ervaren klachten. De beperkte omvang van de subgroepen vraagt om
voorzichtigheid in de interpretatie. De resultaten benadrukken tegelijk de nood aan verder
onderzoek met grotere populaties en nauwkeurigere hormonale registratiemethoden, zodat de
relatie tussen hormonen en zeeziekte in de toekomst preciezer kan worden bepaald.
Meer lezen

Productie en evaluatie van elektrogesponnen TEOS-gebaseerde nanovezelmembranen als SALDI-substraten voor fecale metabolomics via LA-REIMS

Odisee Hogeschool
2026
Elia Amnon
Bar On
Binnen een klinische en biomedische context zijn snelle en robuuste analysemethoden voor untargeted metabolomics essentieel. Laser-assisted rapid evaporative ionisation massaspectrometrie (LA-REIMS) maakt directe analyse van biofluïda mogelijk, maar de analytische prestaties worden bepaald door de intrinsieke matrixeigenschappen van het staal. Elektrogesponnen nanovezelmembranen kunnen via surface-assisted laser desorption/ionisation (SALDI) de desorptie en ionisatie verbeteren en zo de analyses versterken. Het potentieel van silicagebaseerde nanovezelmembranen als SALDI-substraten binnen LA-REIMS-gebaseerde metabolomics is echter nog onvoldoende geëvalueerd.

In deze studie wordt onderzocht in welke mate elektrogesponnen tetraethylorthosilicaat (TEOS)-gebaseerde nanovezelmembranen de prestaties van LA-REIMS-analyses voor fecale metabolomics beïnvloeden.

De productie van TEOS-membranen omvat het elektrospinnen van een sol-geloplossing, gevolgd door een thermische behandeling om een superhydrofiel membraan te verkrijgen. De morfologie en hydrofiliciteit worden gekarakteriseerd met scanning-elektronenmicroscopie, watercontacthoekmetingen en infraroodspectrometrie. De analytische prestaties worden geëvalueerd via LA-REIMS-analyse van fecale stalen en vergeleken met rechtstreekse analyse van feces en met geoptimaliseerde MetaSAMP-membranen. Data-analyse omvat principal component analysis, evaluatie van reproduceerbaarheid en vergelijking van metabolomische dekking.

LA-REIMS-analyses tonen aan dat met fecale stalen geïmpregneerde TEOS-membranen een metabolomische vingerafdruk genereren die vergelijkbaar is met die van feces as-such, met detectie van een groter aantal features. Tegelijkertijd worden, vergeleken met zowel MetaSAMP-membranen als feces as-such, beperkingen vastgesteld in reproduceerbaarheid en signaalintensiteit, met lagere signaalintensiteiten en meer variabele features (p < 0,01).

Na optimalisatie van de membraandikte en het staalvolume worden TEOS-membranen verkregen die significant hogere signaalintensiteiten opleveren dan feces as-such (p < 0,01; g > 1), met een hoger aantal gedetecteerde features (p < 0,01) en een aanvaardbare reproduceerbaarheid (> 75 % van de features met een variatiecoëfficiënt ≤ 30 %).

De resultaten tonen aan dat elektrogesponnen TEOS-gebaseerde nanovezelmembranen doeltreffend zijn als SALDI-substraat binnen LA-REIMS-gebaseerde metabolomics. Toekomstige studies kunnen zich richten op het optimaliseren van de membraanproductie, functionalisatiestappen en het verder afstemmen van de LA-REIMS-methode.
Meer lezen

REBUILDING AND VALIDATING AN AERODYNAMIC BALANCE FOR WIND TUNNEL TESTING

Vrije Universiteit Brussel
2026
Reda
Lamrani
Een tweeassige krachtbalans voor de windtunnel van de VUB-onderzoeksgroep FLOW: ontworpen, gebouwd, gekalibreerd en gevalideerd op drie klassieke windtunnelmodellen.
Meer lezen

Naar meer inclusieve sociale evenementen: de rol van omgevingsaanpassingen en een rustruimte

Hogeschool VIVES
2026
Jente
Vanslambrouck
  • Jana
    Storme
Een onderzoek naar passende aanpassingen voor sociale evenementen en een evaluatie van de effectiviteit van een rustruimte tijdens een familie-evenement voor kinderen met prikkelverwerkingsverschillen.
Meer lezen

Key drivers and motivations for joining and participating in agricultural marketing cooperatives: The impact of farm size

KU Leuven
2025
Jef
Desmedt
  • Ariël
    Verschueren
  • Laurens
    Fievet
This thesis investigates the motivations and barriers that shape farmers’ participation in agricultural marketing cooperatives, with a focus on how farm size influences these dynamics. While established literature highlights economic, social, and governance-related drivers of participation, less is known about how these are perceived and prioritised by farmers of varying scales. Drawing on the Mutual Incentives Theory and elements of Self-Determination Theory, this study uses qualitative interviews with a diverse group of Flemish fruit and vegetable producers to explore motivational variation. Findings show that smaller farmers often highlight the cooperative’s stabilising role and deem their membership as critical, while larger farmers adopt a more strategic stance, valuing efficiency, autonomy, and access to alternative sales channels. Furthermore, the study reveals how collectivistic incentives, such as shared goals, are frequently internalised as individual business advantages. Ambitious, growth-oriented farmers, in particular, reported tensions between their entrepreneurial drive and the cooperative’s collective framework. This study contributes to the literature in three ways: by documenting how member motivations are interpreted through the lens of farm scale; by refining theoretical models of participation to account for strategic constraints; and by highlighting how motivation is shaped by context-specific perceptions, not fixed categories. These insights provide a more nuanced understanding of cooperative participation and offer broader relevance for motivation theory in collective organisational forms.
Meer lezen

Een goed leven binnen planetaire grenzen in genk: focus op Warm Waterschei

Universiteit Hasselt
2025
Jade
Daems
Hoe kan het concept van coöperatieve en collectieve wijkwarmte specifiek worden toegepast in Waterschei, vertrekkende vanuit een milieu- en mensbewuste visie? Vanuit deze centrale vraagstelling vertrekt dit onderzoek.
De gedachtegang van Daniel Christian Wahl, waarbij het stellen van de juiste vragen vóór het handelen centraal staat, vormt de rode draad doorheen dit onderzoek. Volgens deze filosofie wijzen vragen, meer nog dan antwoorden, de weg naar collectieve wijsheid. Daarom worden vraagstellingen van verschillende auteurs gebruikt om elk hoofdstuk in te leiden en fungeren ze als leidraad bij het zoeken naar antwoorden.
Het bewuste gebruik van deze vragen heeft geleid tot diepere reflectie over ontwerpbeslissingen en tot een grondiger onderbouwd onderzoek.
Deze masterthesis is opgedeeld in drie grote delen. Het eerste deel begint met een korte situering om de lezer wegwijs te maken. Hierin worden de probleemstelling, onderzoeksvraag, gehanteerde methodologie, de geschiedenis van de locatie, het station van Waterschei en de relevantie binnen het masterplan toegelicht.

Het tweede deel is de ruggengraat van dit onderzoek en wordt gevormd door de literatuurstudie. Deze bestaat uit een theoretisch en een praktisch denkkader. Het theoretisch denkkader bundelt diverse boeken en wetenschappelijke artikels die het onderzoek onderbouwen. De literatuur wordt besproken in een logische volgorde van een brede visie naar een steeds specifiekere focus. Vertrekkende vanuit het boek The Good Ancestor: How to Think Long-Term in a Short-Term World van Roman Krznaric, wordt een eerste denkkader geschetst rond langetermijndenken en intergenerationele
verantwoordelijkheid. Vervolgens wordt de filosofie van Bruno Latour besproken aan de hand van Waar kunnen we landen. Latour toont aan dat er vandaag een gemeenschappelijke visie ontbreekt en dat menselijke en niet-menselijke actoren onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Hierna wordt dieper ingezoomd op regeneratief denken via Designing Regenerative Cultures van Daniel Christian Wahl. Dit
boek nodigt uit om verder te denken dan duurzaamheid en moedigt aan om de juiste vragen te stellen in plaats van vluchtige antwoorden te zoeken. Het theoretisch denkkader sluit af met het boek Postcapitalist Countrysides – From Commoning to Community Wealth Building dat bestaat uit een verzameling van essays. Hierbinnen wordt de essay Unpacking the energy commons geschreven door Thomas Bauwens and Robert Wade (pagina 327 tot 351) bestudeerd. Deze essay beschrijft specifiek hoe energie als gemeengoed kan beschouwd worden.

Het praktisch denkkader vertrekt vanuit het concept van coöperatieve en collectieve wijkwarmte. Deze worden toegelicht waarna er kenmerken voor coöperatieve en collectieve wijkwarmte worden gedefinieerd. Vervolgens worden verschillende relevante referentieprojecten onderzocht. Deze zijn onderverdeeld in twee categorieën: enerzijds warmtenetten, waarbij warmte netwerken als model worden bekeken, en
anderzijds energiestations, waarbij specifiek naar gebouwen wordt gekeken die functioneren als opslagen distributiesysteem. Beide categorieën worden geanalyseerd op basis van de eerder gedefinieerde kenmerken van coöperatieve wijkwarmte.
Het derde deel omvat de ontwerpstudie, deze vertrekt eveneens vanuit het concept van coöperatieve en collectieve wijkwarmte. Op stedelijke schaal wordt eerst de situatie in Genk onderzocht, waarna de focus verschuift naar de wijk Waterschei. In waterschei wordt een coöperatief en collectief warmtenet ontworpen dat werkt op basis van mijnwater. Het uitgangspunt is de herbestemming van het voormalige station tot
een energiestation met bijhorende botanische tuin. Beide functies worden inhoudelijk onderzocht en er wordt toegelicht hoe ze relevant kunnen zijn voor de gemeenschap.
Vanuit de hoofdfunctie van een energiestation wordt de technische werking uiteengezet, gevolgd door enkele basisberekeningen die nodig zijn om de dimensionering te bepalen, zoals de grootte van het warmteopslagtanks. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een overzicht van de noodzakelijke installaties. Voor de bijhorende botanische tuin wordt de typologie van botanische tuinarchitectuur onderzocht. Daarnaast bevat dit onderdeel een analyse van plantensoorten die bijdragen aan het binnenklimaat en de beleving van de ruimte versterken. Het architecturale ontwerp vertrekt vanuit het idee dat technische elementen integraal deel uitmaken van de beleefde ruimte. Aangezien het programma van een energiestation uitbreiding vraagt wordt het bestaande stationsgebouw als uitgangspunt genomen voor het verdere ontwerp. De herbestemming en uitbreiding van het gebouw worden benaderd vanuit een duurzaam perspectief. Het ontwerp baseert zich op drie samenhangende strategieën: ‘Trias Energetica’, ‘Trias Materia’ en ‘Trias
Aquatica’. Elk van deze strategieën wordt toegelicht wat betreft de betekenis en de doelstelling, waarna wordt verduidelijkt hoe ze concreet zijn toegepast in het ontwerp.

De conclusie bundelt de resultaten van het onderzoek en formuleert een mogelijke oplossing voor de oorspronkelijke onderzoeksvraag.
Meer lezen

Analysis of Circular Economy Maturity of Dutch Seaports

Vrije Universiteit Brussel
2025
Kübra
Obali
Het take-make-use-dispose-model van de dominante lineaire economie legt een steeds grotere druk op het milieu en de natuurlijke hulpbronnen. Dit benadrukt de noodzaak om economische groei los te koppelen van milieuschade en grondstoffengebruik door middel van een overgang naar een circulaire economie (CE). Als cruciale knooppunten in mondiale toeleveringsketens en centra van industriële clustering kunnen havens een sleutelrol spelen in deze transitie naar CE.
Deze thesis beoordeelt de CE-volwassenheid van vier Nederlandse zeehavens door circulaire initiatieven, zoals geïdentificeerd in recente documenten van havenautoriteiten, in kaart te brengen volgens een CE-volwassenheidsmodel. De bevindingen tonen aan dat deze havens zich voornamelijk richten op initiatieven rond energieterugwinning, wat wijst op een laag niveau van CE-volwassenheid. Een beperkt aantal initiatieven met betrekking tot het organiseren van nieuwe circulaire goederenstromen suggereert echter dat er potentieel is om door te groeien naar hogere niveaus van CE-volwassenheid.
Met name de focus op de import en export van groene waterstof biedt een veelbelovende kans om verdere vooruitgang te boeken in de CE-transitie. Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat de CE-volwassenheid van Nederlandse zeehavens grotendeels vergelijkbaar is met die van Belgische havens. Deze thesis levert waardevolle inzichten op voor havenautoriteiten en kan bijdragen aan de ontwikkeling van strategieën om de CE-transitie te versnellen, door verder te gaan dan energieterugwinning en door te groeien naar hogere niveaus van CE-volwassenheid.
Meer lezen

The Role of Coffee Cooperatives in the Socio-Economic Transition of Rebel Returnees in Sulu, Southern Philippines

Universiteit Gent
2025
Moh. Shanizee
Sarabi
Reintegrating former rebels into civilian life remains a major challenge in post-conflict societies, where sustainable livelihoods and social cohesion are essential for long-term peace. The Philippines is one of the most conflict-affected countries in the world, sharing the 29th spot with Afghanistan and ranks second in ASEAN after Myanmar. The Bangsamoro Autonomous Region in Muslim Mindanao (BARMM) in the southern Philippines has been particularly affected by decades of armed conflict and
institutional weaknesses, notably in provinces such as Sulu. In response, the Philippine government is promoting the integration of returnees into coffee cooperatives as part of its peace and reintegration strategy. Despite persistent volatility, the BARMM, particularly Sulu province, has emerged as one of the country’s leading coffee-producing regions contributing over a quarter of national production and providing a strategic pathway to economic recovery. It is therefore crucial to understand how these cooperatives contribute to both livelihoods and social reintegration. This study examines how membership in a coffee cooperative is associated to the socio-economic transition of rebel returnees in Sulu. Based on the Disarmament, Demobilization, and Reintegration (DDR) framework and social capital theory, a comparative cross-sectional design with survey data from 101 returnees was used. Through regression analysis and structural equation modelling, we show that membership in a cooperative is associated with higher productivity, financial stability, and stronger social capital, even if infrastructural challenges, conflict vulnerabilities, governance, and market difficulties persist. The study demonstrates how locally rooted cooperatives can transform conflict legacies into peace dividends that foster economic gains, social cohesion, and inclusive development. These findings highlight the potential of cooperatives as a pathway for durable socio-economic transitions in fragile contexts. Moreover, the study underscores the importance of targeted support, capacity building, and improved market access to enable returnee cooperatives to fully realize their role in promoting sustainable livelihoods, facilitating social reintegration, and contributing to lasting peace.
Meer lezen

Van literatuur naar audiodescriptie: een verkennend onderzoek naar de toepassing van embodied cognition-theorieën in AD

Universiteit Antwerpen
2025
Steven
Baars
  • Ajshe
    Gashi
Audiodescriptie (AD) maakt audiovisuele content toegankelijk voor blinden en slechtzienden middels een aanvullend audiospoor dat visuele stimuli verbaliseert. Daarbij staat het tweeledige doel van begrip en beleving centraal. Binnen het domein van AD voeren theoretici echter een discussie of dit doel het beste kan worden bereikt met een objectieve AD enerzijds of een subjectieve AD anderzijds. Het theoretisch kader hieromtrent wees uit dat er hierop geen eenduidig antwoord bestaat en dat er veel terminologische discrepantie en inconsistentie heerst. Het debat markeerde ook de opkomst van alternatieve AD-benaderingen, waarbij AD wordt gezien als een continuüm of functionele benadering. In een poging dit debat meer richting te geven, voorziet deze scriptie eveneens een theoretisch kader voor diverse embodied cognition-theorieën waarbij filmkijken, lezen en luisteren worden beschouwd als lichamelijke activiteiten. Aan de hand van deze theorieën probeert deze scriptie een antwoord te bieden op de centrale onderzoeksvraag: “Kunnen de theorieën van embodied spectatorship, embodied cognition, embodied reading en embodied listening in theorie de keuze motiveren voor een objectieve AD enerzijds of een subjectieve AD anderzijds opdat het AD-doelpubliek een immersievere beleving heeft?”. Uit de literatuur blijkt dat AD als vorm van literatuur gebruik kan maken van embodied writing-strategieën zoals actie- en emotiewoorden, impliciete beschrijvingen van emoties aan de hand van interne en externe fysiologische reacties, zintuiglijke metaforen, embodied metaphors gebaseerd op tactiele en olfactorische eigenschappen, bijwoorden van wijze, troponiemen en het ik-vertelperspectief. Een casestudy van AD-fragmenten uit drie Vlaamse fictie- en dramaseries, Tabula Rasa (Netflix), Arcadia (Earcatch) en Knokke Off (VRTmax) toonde ten eerste aan dat bijna de helft van de AD-fragmenten visueel-semantisch zijn. Ten tweede wees het onderzoek uit dat de AD-fragmenten vooral actiewoorden, bijwoorden van wijze en verwijzingen naar het lichaam bevatten als embodied writing-strategieën. Ten derde werd er geen significante correlatie gevonden tussen de AD-stijlen en het aantal gebruikte embodied writing-strategieën. De scriptie stelt daarom voor om de dichotomische kijk op AD los te laten en AD-strategieën te ontwikkelen op basis van het gewenste AD-doel.
Meer lezen

STANDALONE ON-SITE LIGHTING MEA- SUREMENTS FOR INSECT STUDIES

Vrije Universiteit Brussel
2025
Zakaria
El Gharbaoui Ben Mekki
Voortgaande verstedelijking en de wereldwijde overstap naar energiezuinige LED-
verlichting vergroten de blootstelling aan kunstlicht ’s nachts, wat bezorgdheid
wekt over de effecten op gemeenschappen van nachtactieve insecten. De meeste
bestaande veldstudies zijn kort van duur en beperkt in ruimtelijke dekking van-
wege de arbeidsintensieve aard van traditionele bemonstering. Dit proefschrift
pakt deze lacune aan door het ontwerpen, implementeren en valideren van een
goedkope, op camera’s gebaseerde, op afstand werkende monitoringsunit voor
seizoenslange inzet in diverse buitenomgevingen. Het systeem registreert weerpa-
rameters (temperatuur, relatieve vochtigheid), locatie (GPS), verlichtingsparame-
ters (gecorreleerde kleurtemperatuur) en tijdgestempelde beelden van aangetrokken
insecten.
Om classificatiestrategieën te evalueren zonder grootschalige inzet, werd in een
kleinschalige casestudy het gebruik van twee algemene vision–language modellen
getest op zorgvuldig geselecteerde insectenbeelden met gezaghebbende ObsIdentify-
bepalingen. De resultaten positioneren vision–language modellen als effectieve
hulpmiddelen voor voorlopige tagging, triage en kwaliteitscontrole, terwijl geza-
ghebbende labels afkomstig moeten zijn van specialisten of gespecialiseerde soorten-
herkenningsdiensten.
Toekomstig werk dient eerst de minimaal vereiste taxonomische diepte voor ALAN-
impactstudies vast te stellen en vervolgens herkenningstools aan te passen om
aan deze eis te voldoen. Verdere stappen omvatten het uitbreiden van de pij-
plijn naar tellingen en abundantiematen, het ontwikkelen van een robuuste con-
tainergebaseerde implementatie-architectuur, het migreren van de database naar
een beveiligde cloud- of NAS-infrastructuur en het implementeren van sterke
cyberbeveiligingsmaatregelen voor externe units. Deze verbeteringen zullen ge-
standaardiseerde, seizoenslange, multisitecampagnes mogelijk maken die robu-
uste beoordelingen van ALAN-effecten onder door LED gedomineerde lichtom-
standigheden opleveren.
Meer lezen

Het verband tussen scores op de Doctor Patient Scale, Skills Attitude Scale, Leeds Attitude Towards Concordance Scale en de Scale of Physician Empathy, en de communicatievaardigheden van arts assistenten in opleiding

AP Hogeschool Antwerpen
2025
Billie
De Sterck
  • Mats
    Van Camp
  • Julia
    Lisek
  • Yael
    Bracquiné
Een effectieve communicatie tussen arts en patiënt is essentieel voor kwalitatieve zorg en een beter herstel. Zwakke communicatievaardigheden kunnen negatieve gevolgen hebben, zoals verhoogde stress en bezorgdheid bij patiënten. Eerder onderzoek toont aan dat arts-assistenten vaak tekortschieten op dit vlak.

Het doel van dit onderzoek is het nagaan of de attitudevragenlijsten, die door arts-assistenten worden ingevuld, een voorspellende waarde hebben voor de kwaliteit van hun communicatie. De attitudevragenlijsten meten aan de hand van stellingen, de houding van arts-assistenten ten opzichte van communicatie, het leren van communicatievaardigheden en hun benadering van ziekte of patiëntgerichtheid. De onderzochte attitudevragenlijsten zijn de Doctor-Patient Scale, Communication Skills Attitude Scale, Leeds Attitude Towards Concordance Scale en de Jefferson Scale of Physician Empathy. De communicatievaardigheden van de arts-assistenten werden gemeten via drie vragenlijsten ingevuld door externe beoordelaars na een consultatie met de arts-assistent. De beoordelingsinstrumenten die hiervoor werden gebruikt zijn de Maastrichtse Anamnese en Advies Scorelijst, de Consultation and Relational Empathy vragenlijst en de Non-verbale communicatievragenlijst.

Om significante verbanden tussen de attitudebeoordelingsvragenlijsten en communicatievaardigheden te analyseren, werd de Spearman-correlatiecoëfficiënt toegepast.

Verder werd onderzocht of demografische kenmerken (zoals specialisatie, geslacht, jaren klinische ervaring, universiteit van opleiding en bewustzijn van beoordeling) samenhangen met verschillen in communicatievaardigheden of attitudebeoordeling. Hiervoor werden de Mann-Whitney U-toets en de Kruskal-Wallis toets gebruikt.

De resultaten tonen aan dat de Leeds Attitude Towards Concordance Scale de grootste voorspellende waarde heeft voor de communicatievaardigheden van arts-assistenten. In tegenstelling hiermee blijken de Doctor Patient Scale, Communication Skills Attitude Scale en de Jefferson Scale of Physician Empathy geen significante voorspellende waarde te hebben. Daarnaast geeft het onderzoek aan dat demografische factoren invloed hebben op de communicatievaardigheden van arts-assistenten.
Echter de voorspellende waarde van de attitudevragenlijsten berust niet op de demografische factoren van de arts-assistenten.

Op basis van de resultaten worden jaarlijks communicatieworkshops voor arts-assistenten en het gebruik van communicatiechecklists tijdens stages aanbevolen.
Meer lezen

Design for recycling of electric machines

Universiteit Gent
2025
Vincent
Van de Peer
Mijn masterproef onderzoekt hoe elektrische machines, in het bijzonder permanent-magneet-synchrone motoren (PMSM), recycleerbaar kunnen worden ontworpen zonder prestatieverlies. Vandaag worden deze motoren meestal versnipperd, waardoor waardevolle materialen zoals koper en zeldzame aardmetalen verloren gaan. Het grootste obstakel is het gebruik van lijmen en thermohardende harsen, die demontage onmogelijk maken. In mijn onderzoek ontwikkelde ik een rotorconcept waarin magneten mechanisch worden gefixeerd met bouten in plaats van lijm. Dit ontwerp werd gevalideerd via elektromagnetische en mechanische simulaties en vervolgens gerealiseerd in een prototype. De lijmloze rotor bleek structureel robuust en presteerde vergelijkbaar met conventionele motoren, terwijl hij volledig demonteerbaar is. Daarnaast werd een opschalingsstudie uitgevoerd, waaruit bleek dat radiale bouten geschikt zijn voor grotere motoren zoals in elektrische voertuigen. Dit werk toont aan dat design-for-recycling haalbaar is en een belangrijke stap vormt naar circulaire elektrische aandrijfsystemen.
Meer lezen

Van Uniformiteit naar Veelzijdigheid: Een Ruimtelijk Renovatiekader voor de Adaptieve Transformatie van Kantoorgebouwen

KU Leuven
2025
Nathan
Verstappen
Stedelijke kantoorgebouwen uit de vorige eeuw bereiken massaal het einde van hun levenscyclus. Slopen lijkt vanzelfsprekend, maar is dat wel zo slim? Een samengestelde strategie die renovatie-ontwerp en kwantificatie van milieu-impact combineert, toont dat behoud niet alleen beter is voor onze klimaatdoelstellingen, maar ook een kans biedt om woningen, publieke ruimte en levendigheid terug te brengen in de stad.
Meer lezen

Prototyping novel length measurement instruments

Universiteit Hasselt
2025
Stig
Konings
Genomineerde longlist mtech+prijs
Mijn scriptie draagt de titel Prototyping Novel Length Measurement Instruments. Het doel van dit onderzoek was het ontwikkelen van een meetinstrument dat meer gericht is op de mens en gebruiksvriendelijker is, in deze scriptie is StoryStick++ ontstaan.
Meer lezen

Game of Tones A longitudinal analysis of media tone towards political parties in Flemish newspapers (2004-2024)

Universiteit Antwerpen
2025
Janne
Verschraegen
Hoe politieke partijen in de media worden voorgesteld, beïnvloedt hoe burgers hen waarnemen, beoordelen en uiteindelijk ook stemmen. Evaluatieve toon functioneert daarbij als een belangrijke interpretatieve shortcut. Deze studie onderzoekt hoe de toon van nieuwsberichtgeving over Vlaamse politieke partijen geëvolueerd is tussen 2004 en 2024, en in welke mate er structurele verschillen bestaan tussen partijen en tussen kranten.

Met behulp van een RoBERTa-taalmodel wordt op zinsniveau het sentiment gemeten in meer dan 275.000 artikels uit zeven Vlaamse kranten. De analyse toont dat negatieve berichtgeving structureel overheerst, maar dat deze geleidelijk is afgenomen over de tijd. Tegelijkertijd worden systematische verschillen vastgesteld tussen partijen en tussen kranten. Vlaams Belang en N-VA worden over de hele periode het meest negatief voorgesteld, terwijl Groen vaker voorkomt in positieve contexten. Kwaliteitskranten zoals De Morgen, De Standaard en De Tijd zijn in het algemeen kritischer dan populaire kranten zoals Het Laatste Nieuws, Het Nieuwsblad, Gazet van Antwerpen en Het Belang van Limburg. Opvallend is dat die kwaliteitskranten relatief minder negatief zijn over Vlaams Belang dan de populaire kranten.

Hoewel alle partijen een lichte afname in negativiteit vertonen, daalt het negatieve sentiment tegenover Vlaams Belang het sterkst, wat mogelijk wijst op een proces van normalisering. PVDA vormt hierop een uitzondering: de partij is de enige waarvoor het negatieve sentiment (licht) toeneemt over de tijd. Beperkingen van het onderzoek liggen in het feit dat het model niet gefinetuned werd op de Vlaamse politieke context, en dat de analyse geen objectieve maatstaf hanteert voor bias, maar enkel patronen van toon in kaart brengt. Toekomstig onderzoek kan nagaan welke factoren bijdragen aan verschillen in toon, bijvoorbeeld door te controleren voor electorale macht, partijcommunicatie en issue coverage.
Meer lezen

Exploring the mechanobiology of Cancer Associated Fibroblasts

KU Leuven
2025
Giel
Vankevelaer
Fibroblasten zijn een diverse groep cellen die zorgen voor het onderhoud van de extracellulaire matrix (ECM). Ze kunnen inactief zijn (quiescente fibroblasten) of actief (myofibroblasten). De actieve myofibroblast, herkenbaar aan het eiwit α-smooth muscle actin (αSMA), speelt een belangrijke rol bij wondgenezing en fibrose. Een speciale subgroep hiervan zijn de kanker-geassocieerde fibroblasten (CAFs), die in de tumoromgeving bijdragen aan tumorgroei en uitzaaiing. Hun activatie wordt gestimuleerd door factoren zoals TGF-β en mechanische spanning vanuit de ECM, wat een terugkoppelingslus creëert: spanning activeert CAFs, en CAFs versterken op hun beurt de spanning door ECM-remodellering.
In deze studie werd de mechanobiologie van CAFs onderzocht met behulp van een FRET-gebaseerde vinculine-tensiesensor, die mechanische krachten in focale adhesies meet. Er werd vergeleken tussen onbehandelde CAFs en met TGF-β geactiveerde (myofibroblast-achtige) CAFs. De geactiveerde cellen vertoonden hogere mechanische spanning in vinculine en meer adhesiecomplexen per cel, wat wijst op grotere contractiliteit.
Daarnaast werd geprobeerd een fluorescente reporter te ontwikkelen om de differentiatie in levende cellen te volgen. De gebruikte ACTA2-promotor bleek echter onvoldoende actief, maar het concept biedt aanknopingspunten voor verdere optimalisatie.
Conclusie: TGF-β zorgt voor snelle en efficiënte differentiatie van CAFs naar een meer contractiel, myofibroblastachtig type met verhoogde mechanische spanning in vinculine. Dit benadrukt het belang van mechanotransductie bij CAF-activatie en hun interactie met de tumoromgeving.
Meer lezen

Naar een territoriaal verankerde landbouw: De rol van slachthuisinfrastructuur als gedeelde en strategische voorziening

Universiteit Gent
2025
Basiel
Van Rillaer
Deze masterproef onderzoekt de rol van slachthuisinfrastructuur in de territoriale verankering van landbouw. Slachthuizen worden doorgaans gezien als technische voorzieningen, maar in werkelijkheid bepalen ze in hoge mate hoe voedselproductie georganiseerd wordt, wie toegang heeft tot verwerking en hoe producenten en consumenten met elkaar verbonden blijven. De centrale onderzoeksvraag luidt: hoe hebben slachthuisinfrastructuren bijgedragen aan de verankering van landbouw in haar territorium, welke transformaties hebben geleid tot hun ontkoppeling, en onder welke voorwaarden kan herterritorialisering plaatsvinden?
De relevantie van dit onderzoek ligt in de hedendaagse context. Terwijl de vraag naar korte ketens, dierenwelzijn en duurzame voedselvoorziening groeit, verdwijnen kleinschalige slachthuizen of worden ze opgeschaald tot industriële complexen. Dit creëert knelpunten voor boeren die niet in dat grootschalige model passen en ondermijnt de veerkracht van lokale voedselnetwerken. Slachthuizen vormen zo een vaak vergeten, maar cruciale schakel in de transitie naar duurzamere landbouwsystemen.
Methodologisch steunt de studie op vijf casestudy’s die verschillende vormen van slachthuisinfrastructuur in beeld brengen: de thuisslachter Erik De Vogelaere, Slagerij Vande Walle, het private slachthuis Matanza, de coöperatie WAPICOWP en de mobiele slachtunit voor pluimvee. Via interviews, historische analyse en beleidskaders worden deze praktijken onderzocht. De vergelijking resulteert in een typologie met vier hoofdtypes: geïntegreerd ambachtelijke infrastructuur, private slachthuizen met gedeeld gebruik, mobiele slachtunits en coöperatieve modellen. Deze typologie toont dat slachthuisinfrastructuren zich bewegen in een spanningsveld tussen schaalvergroting en lokale verankering, privaat ondernemerschap en collectieve organisatie, formele regelgeving en informele praktijken.
De cases laten zien dat kleinschalige infrastructuur kan overleven wanneer bepaalde randvoorwaarden aanwezig zijn, zoals familiale opvolging, ondernemerschap, sterke lokale netwerken of gedeeld eigenaarschap. Tegelijkertijd blijkt dat deze voorwaarden uitzonderlijk zijn en niet vanzelfsprekend reproduceerbaar. Beleidsmatig betekent dit dat de toekomst van kleinschalige infrastructuur niet enkel kan afhangen van toeval of familiale continuïteit, maar dat actieve ondersteuning noodzakelijk is. Herterritorialisering vraagt om randvoorwaarden zoals regelgeving op maat, institutionele steun en maatschappelijke herwaardering van voedselproductie.
Het besluit van deze masterproef is dat slachthuisinfrastructuur méér is dan een technische schakel: ze is een strategische en gedeelde voorziening die bepaalt hoe landbouw lokaal verankerd kan blijven. Herterritorialisering is daarbij geen terugkeer naar het verleden, maar een hedendaagse strategie om landbouwsystemen veerkrachtiger, duurzamer en sociaal rechtvaardiger te maken.
Meer lezen

Decentralised Motion Planning for Holonomic Multi-Agent Systems Using a Hybrid ADMM-CBF Approach: Application to Industrial Magnetic Levitation Platforms

KU Leuven
2025
Bavo
Tistaert
  • Stan
    Servaes
Genomineerde shortlist mtech+prijs
De industrie vereist elke dag complexere processen en logistiek, wat heeft geleid tot de opkomst van multi-agent systemen. Hierbij werken meerdere robots, voertuigen of machines in dezelfde omgeving. Dit stimuleert de behoefte aan multi-agent bewegingsplanners die de bewegingen van deze agents op een efficiënte en veilige manier coördineren en plannen.

Daarom presenteert deze scriptie een nieuwe, op model predictieve controle (MPC) gebaseerde bewegingsplanner voor holonomische multi-agent systemen, door een gedecentraliseerde formulering van de alternating direction method of multipliers (ADMM) te combineren met een gecentraliseerde formulering van control barrier functions (CBF's). De methode is ontwikkeld met het oog op, maar niet beperkt tot, industriële magnetische levitatieplatforms zoals het Beckhoff XPlanar-systeem.

De klassieke gecentraliseerde MPC-benadering blijkt te schalen met ∼ O(N^2,96), waardoor de methode onuitvoerbaar wordt bij een toenemend aantal agents. Hoewel gedecentraliseerde ADMM de tijdcomplexiteit aanzienlijk vermindert, kan deze de veiligheid niet garanderen, d.w.z. er bestaat een risico op botsingen. Daarom wordt de methode aangevuld met een extra optimalisatieprobleem waarin CBF's zijn opgenomen. Het resultaat is een veilige methode die schaalt met ∼ O(N^1,82). Deze veiligheidsgarantie stelt ons in staat om het aantal ADMM-iteraties vast te leggen, waarbij een afweging wordt gemaakt tussen prestaties en rekenkracht.

Om de realtimeprestaties verder te verbeteren, biedt dit werk een C++-implementatie van de hybride methode, die gebruikmaakt van de gedecentraliseerde ADMM-structuur door de code te parallelliseren. Dit vermindert de rekentijd voor 5 en 10 agents met respectievelijk 90,1% en 60,5%. De hybride methode wordt vervolgens kwalitatief en kwantitatief vergeleken met de gecentraliseerde MPC-methode. Ten slotte wordt een proof of concept gepresenteerd door de algoritmen te implementeren en te testen op het XPlanar-systeem.
Meer lezen

Ongehoorde Stemmen, Diverse Ervaringen: Een vergelijkende studie van de actieve en receptieve deelname aan de podiumkunsten, de motivaties en de drempels van dove, slechthorende en horende personen in Vlaanderen.

Vrije Universiteit Brussel
2025
Lies
Gijsen
Een vergelijkende studie van de actieve en receptieve
deelname aan de podiumkunsten, de motivaties en de
drempels van dove, slechthorende en horende
personen in Vlaanderen.
Meer lezen

Development and Validation of a CFD Multiphase Model for Micro‐channels

Universiteit Hasselt
2025
Sven
Jaspers
Deze masterscriptie beschrijft de ontwikkeling en validatie van een Computational
Fluid Dynamics-model voor adiabatische en diabatisch twee-fasenstroming in een mi-
crokanaal, met focus op toepassingen in Microkanaal-Warmtewisselaars voor Small
Modular Reactors. De Euleriaans–Euleriaanse methode werd toegepast en meerdere
interfaciale krachten en warmteoverdrachtsmodellen werden getest op toepasbaarheid
binnen experimentele configuraties. Een modulaire strategie werd gevolgd, van een
adiabatisch basismodel (verticale kleine kanaal), tot een verfijnd adiabatisch model
(horizontaal microkanaal), naar een volledig kookmodel (verticaal microkanaal). De
eerste twee modellen toonden sterke overeenkomst met experimentele data voor vol-
umefracties, snelheidsprofielen, stromingsregimes en drukverliezen. Voor horizontale
stroming vormde het gebrek aan gedetailleerde data en geschikte submodellen echter
een beperking. De kooksimulaties voorspelden drukverliezen en wandoververhitting
correct, maar toonden gevoeligheid voor de stabiliteit van de vloeistoffilm aan de wand.
De modellen vormen een degelijke basis voor thermo-hydraulisch gedrag in annulair
regime, maar zijn beperkt bij extremere condities. Toekomstig werk moet zich richten
op horizontale data en robuustere krachtmodellen voor bredere stromingsregimes.
Meer lezen

Design of self-healing composites using functionalized nanofibers

Universiteit Gent
2025
Wolf
Landuyt
Composieten zijn materialen met een uitstekende sterkte-gewichtsverhouding en over het algemeen een hoge stijfheid. Vanwege hun sterk anisotrope aard zijn ze echter meestal zeer kwetsbaar voor belastingen loodrecht op het vlak, zoals impact. Dit veroorzaakt schade, zoals delaminatie (het loslaten van twee lagen), die zeer moeilijk te herstellen is.
Daarom wordt een nieuwe oplossing voorgesteld, waarbij superparamagnetische magnetiet-nanodeeltjes coaxiaal worden geëlectrospind tot nanovezels. Deze nanovezels kunnen vervolgens worden geplaatst tussen twee lagen van een composiet, op de plaatsen waar doorgaans delaminatie optreedt. Dankzij de superparamagnetische eigenschappen van deze nanovezels zouden ze in staat moeten zijn hyperthermie op te wekken als reactie op een wisselend magnetisch veld. Dit zou ervoor moeten zorgen dat de nanovezels smelten en de delaminaties herstellen, waardoor uiteindelijk zelfherstellende composieten ontstaan.
Meer lezen

Productconditie-evaluatie via multisensoriële beeldverwerking

KU Leuven
2025
Jan
Van Huffel
  • Kavishk
    Kathayat
Deze masterproef pakt de beperkingen van manuele kwaliteitscontrole aan door een modulair, hybride inspectiesysteem te ontwikkelen. Het platform combineert 3D-scans voor geometrische analyse (deuken, ontbrekende onderdelen) met 2D-beeldanalyse voor oppervlaktedefecten. Centraal staat een innovatieve AI-aanpak die zowel flexibele 'zero-shot' detectie (objecten vinden op basis van tekst) als hypernauwkeurige, getrainde modellen inzet. Door het fuseren van verschillende sensoren (RGB, diepte, nabij-infrarood) is het systeem gevalideerd op industriële steigerpijpen en e-bike batterijen, wat de brede toepasbaarheid voor veiligere en efficiëntere productie aantoont.
Meer lezen

Circulair gebruik van natuurmaaisel: Een case study voor veengebied De Zegge

Universiteit Antwerpen
2025
Lien
Van Breda
Het beheer van veengebied De Zegge genereert jaarlijks een aanzienlijke hoeveelheid natuurmaaisel, die tegen hoge kosten wordt afgevoerd naar composteringsinstallaties. Tegelijkertijd wordt natuurmaaisel in Vlaanderen erkend als biomassareststroom met circulair potentieel. Deze masterproef onderzoekt welke circulaire waardeketens toepasbaar en rendabel zijn voor De Zegge.
De jaarlijkse maaiselopbrengst wordt geschat op 94,5 ton droge stof. Een brede inventarisatie brengt tien mogelijke waardeketens rond natuurmaaisel in beeld, waarbij de ketens rond veenvrije potgrond, grasisolatie en graspapier het meeste perspectief bieden. Ook is er toekomstpotentieel voor boerderijcompostering, zodra het nieuwe wettelijk kader hiervoor wordt uitgerold. Belangrijke knelpunten voor circulaire inzet van natuurmaaisel zijn biologische stabilisatie, een efficiënte logistiek en de ontwikkeling van verdienmodellen die aantrekkelijk zijn voor alle partijen binnen een strikt en complex regelgevend kader. De vier geselecteerde waardeketens demonstreren echter voldoende technologische maturiteit, ecologische meerwaarde en economisch potentieel om deze knelpunten te overkomen.
Meer lezen

Een niet-farmacologische interventie gericht op pijn, angst en stress bij kinderen op de spoedgevallendienst tussen zes en twaalf jaar.

Odisee Hogeschool
2025
Donatella
Polizzi
  • /
    /
In dit praktijkonderzoek werd nagegaan of een niet-farmacologische interventie, namelijk het gebruik van een zelfgemaakte pop, een effect heeft op de pijn, angst en stresservaringen van kinderen tussen 6 en 12 jaar die een medische handeling moeten ondergaan op de spoedgevallendienst van een algemeen Vlaams ziekenhuis. Het onderzoek werd uitgevoerd met 20 kinderen, waarvan 10 zonder en 10 met gebruik van de pop. De metingen werden verricht met behulp van verschillende gevalideerde meetschalen. De resultaten bieden inzichten in de mogelijke meerwaarde van eenvoudige, kindvriendelijke interventies om de zorgervaring op spoed voor kinderen aangenamer te maken.
Meer lezen

Optimization of establishing and growing an axenic black soldier fly larvae (Hermetia illucens) model

Thomas More Hogeschool
2025
Jill
Anthonissen
De steeds toenemende hoeveelheid voedselafval en de vraag naar alternatieve eiwitbronnen zorgen voor extra belangstelling in de industrialisering van de zwarte soldatenvlieg larven (BSFL) kweek. BSFL worden steeds meer erkend vanwege hun potentieel voor duurzaam afvalbeheer en als eiwitrijke voedselbron vanwege hun vermogen om organisch afval om te zetten in waardevolle biomassa. Echter is de invloed van hun darmmicrobiota op hun groei en ontwikkeling nog onvoldoende bekend.

Deze studie richt zich op de ontwikkeling en optimalisatie van een axenisch (kiemvrij)
model voor BSFL, Hermetia illucens, om de rol van de microbiota in de larvale ontwikkeling beter te begrijpen en de efficiëntie van op BSFL gebaseerde bioconversie-systemen
te verbeteren. De sterilisatie van BSFL-eieren werd uiteindelijk bereikt door afwisselende behandelingen met ethanol en natriumhypochloriet.

Vervolgens werden de axenische larven gekweekt op verschillende behandelingen en met elkaar vergeleken. De onderzochte behandelingen waren steriele, niet-steriele en voorgeïncubeerde vormen van kippenvoer en tarwezemelen. Door voorafgaande incubatie konden micro-organismen, voor sterilisatie, potentieel gunstige metabolieten produceren. Met deze proefopzet kon worden beoordeeld of deze microbiële metabolieten de groei konden ondersteunen zonder de aanwezigheid van levende micro-organismen. Hieruit is er dan gebleken dat de microbiële activiteit een positieve invloed heeft op de groei van axenische BSFL voor het minder kwaliteitsvolle tarwezemelen als kweeksubstraat.

Kippenvoer en tarwezemelen bieden echter een beperkte flexibiliteit bij het aanpassen van hun samenstelling. Hiervoor zijn op bouillon gebaseerde diëten een veelbelovende
oplossing. Echter is er gebleken dat de larven een driedimensionale structuur nodig hebben om hun natuurlijke kruip- en voedingsgedrag te ondersteunen. Uit de onderzochte bouillons en matrices, leverde vlas in combinatie met een eiwitrijke bouillon de beste resultaten op. Daarmee is dit dieet veelbelovend voor toekomstig onderzoek naar optimalisatie van de kweeksubstraten.
Meer lezen

Denken of doen over de auto: Mindset-analyse van stadsplanners tijdens de heropbouw van Antwerpen (1940-1973)

KU Leuven
2025
Lenn
De Buysscher
Deze scriptie onderzoekt de evolutie van de gedachten van stadsplanners tijdens de heropbouw van Antwerpen in de periode 1940 tot 1973. Daarbij heeft deze scriptie specifieke aandacht voor de auto en bijhorende ontwikkelingen. Dit onderzoek gebruikt daarvoor bronnen uit het Felixarchief, het Vlaams Architectuur Instituut, het Rijksarchief te Antwerpen en verschillende bibliotheken van KULeuven. Die bronnen tonen via een close reading aan dat de gedachten van de stadsplanners doorheen de jaren heen evolueerden. Die evolutie was weliswaar niet rechtlijnig en verschillende elementen zoals stedelijk groen of historische monumenten kregen, afhankelijk van de periode, meer of minder aandacht binnen de gedachten van stadsplanners. Daarnaast beïnvloedde een combinatie van verschillende internationale tendensen de gedachten van de stadsplanners. Hun gedachten waren namelijk eerder een combinatie van verschillende invloeden uit andere landen zoals Groot-Brittannië, Duitsland of de Verenigde Staten.
Meer lezen

Understanding the effect of microclimate on marram grass

Universiteit Gent
2025
Samantha
De Gottal
Mijn masterscriptie beantwoordt de vraag hoe de groei van helmgras, een ecosysteemingenieur van onze Belgische kust, beïnvloedt wordt door de kleine, lokale klimaatschommelingen in een duin.

Ik heb mijn onderzoek gedaan door helmgras in een natuurlijke duinomgeving te planten en nauwkeurig de groei en de abiotische omgeving op te volgen. Zo meette ik wekelijks verschillende planteigenschappen alsook hoe warm de grond was, hoe vochtig de bodem en hoeveel zand er verplaatste aan de hand van loggers. Dit onderzoek toonde aan dat, hoewel de lokale omstandigheden enorm verschilden doorheen de duin, de groei van het helmgras hierdoor niet significant werd beïnvloed.

De conclusie is dat de duinbouwer onverwacht veerkrachtig is. Dit suggereert dat onze duinen meer stabiliteit bezitten tegen geleidelijke klimaatschommelingen dan we dachten. Dit inzicht is cruciaal, omdat het directe toepassing heeft op het ontwerp van duurzame kustbescherming in de toekomst.
Meer lezen

Virtual Gravity: Simulating Weight Sensation in Virtual Reality by Rendering Gravity using Haptic Interfaces

KU Leuven
2025
Sindja
Lika
  • Marta
    Rozycka
The growing accessibility and capabilities of Virtual Reality (VR) have made it an increasingly valuable tool for training applications. Enabling multimodality, beyond purely visual feedback, enhances the realism and effectiveness of training. This is especially relevant for astronaut training conducted in environments that differ from those on Earth. Incorporating haptic devices can introduce tactile feedback in VR, but the current research focuses mainly on devices meant for users’ hands. In comparison, this work explores the integration of tactile sensations specifically in the forearm region. The aim is to investigate whether exoskeletons primarily used in the medical field can be implemented to simulate weight sensation for astronaut training in VR. Gravity is rendered through torque control based on the angular position of the forearm. The system is designed with a focus on its portability and accessibility. Initial results indicate that the technical implementation is promising for simulating varying gravitational conditions. By introducing a way to simulate weight sensation, this research contributes to the underexplored
area of multimodal VR experiences, particularly in tactile feedback on the user’s forearm.
Meer lezen

Isoleren of Isoleren? Een analyse van conflicterende belangen tussen energie-renovatie en huur(betaal)baarheid

Universiteit Gent
2025
Gaëlle
Detrooz
Naarmate Europa richting een duurzame toekomst beweegt, herschept een groeiende golf aan groene beleidsmaatregelen het woonlandschap en ontstaan er kansen voor een meer rechtvaardige samenleving. De weg vooruit kent echter ook uitdagingen, vooral op het vlak van woonbetaalbaarheid.

Energiezuinige renovaties vragen vaak aanzienlijke investeringen vooraf, meestal gedragen door verhuurders, terwijl de resulterende energiebesparing bij de huurders terechtkomt. Die misalignment tussen kosten en baten staat bekend als het “split-incentive”-probleem. Het roept kritische vragen op over de manier waarop de renovatieagenda de huurprijzen en de beschikbaarheid van betaalbare woningen beïnvloedt. Al vóór deze groene transitie stonden huurders vaak op achterstand ten opzichte van eigenaars. Vandaag dringt zich een urgente vraag op: zal de golf van energierenovaties bestaande ongelijkheden vergroten?

Om dit aan te pakken biedt het concept van “just resilience” een zinvol kader. Het pleit voor benaderingen die ervoor zorgen dat de kosten van duurzame vooruitgang eerlijk worden verdeeld, in het bijzonder dat mensen met beperkte middelen niet onevenredig worden belast. In deze context wil rechtvaardige veerkracht de noden van de huurders van vandaag verzoenen met de langetermijndoelstellingen van het klimaatbeleid.

Deze thesis onderzoekt het kruispunt van ambitieuze renovatiepolitiek en woonrechtvaardigheid, en nodigt uit tot reflectie over hoe we deze transitie kunnen vormgeven op een manier die zowel ecologisch doeltreffend als sociaal rechtvaardig is.
Meer lezen