Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Ontwikkeling van een computationele ontwerppipeline die de ergonomische vormgeving van een parametrische 3D-geprinte bureaustoel automatiseert

Universiteit Gent
2026
Tom
De Deyn
De masterproef onderzoekt hoe computationeel en parametrisch ontwerpen kunnen worden ingezet om gepersonaliseerde ergonomische bureaustoelen automatisch te ontwerpen. Hiervoor werden bestaande methoden voor 3D-scanning, pose estimation en parametrische geometriegeneratie onderzocht en geëvalueerd. Op basis hiervan werd een computationele ontwerppipeline ontwikkeld die lichaamsgegevens vertaalt naar ergonomische ontwerpparameters en vervolgens automatisch een gepersonaliseerde stoel genereert.
Daarnaast werd een multivariaat regressiemodel ontwikkeld om de vorm van de rugleuning af te stemmen op de individuele lichaamshouding. De ontwikkelde methode werd gevalideerd aan de hand van verschillende lichaamsscans en rugleuningvarianten en beoordeeld op vlak van ergonomie, efficiëntie, betrouwbaarheid, stevigheid, gebruiksvriendelijkheid reproduceerbaarheid en maakbaarheid. Tot slot werd een volledig gepersonaliseerde bureaustoel op ware grootte geproduceerd met 3D-printtechnologie en fysiek geëvalueerd.
Meer lezen

Cancer onset prediction by applying extreme value theory

Universiteit Gent
2026
Lisa
Slachmuylders
Colorectal cancer (CRC) is increasingly diagnosed at younger ages, with early-onset CRC (EO-CRC) rising despite declining incidence among older adults. These early diagnoses form the lower tail of the age-at-diagnosis distribution, where observations are sparse and may be difficult to predict accurately using models fitted to the full distribution. Extreme value theory (EVT) provides a framework for directly modelling this tail behaviour.

Using SEER data, a Weibull accelerated failure time (AFT) model fitted to the full distribution was compared with a generalized Pareto distribution (GPD) fitted to threshold exceedances below age 50. The Weibull systematically underestimated early-diagnosis quantiles by one to two years, whereas the GPD closely tracked empirical quantiles across the tail, supporting the use of EVT for direct modelling of the lower tail.

The GPD framework was then applied to the GECCO consortium to investigate whether genetic burden contributes to earlier diagnosis. Eleven genetic variants were forward-selected by AIC as covariates on the scale parameter, and were summarized into a genetic scale score. This score was used to compute theoretical endpoint and expected age at diagnosis across representative percentiles of its distribution. Genetic burden was associated with progressively earlier EO-CRC diagnosis: individuals in the 90th percentile of the genetic scale score had a theoretical endpoint age 8.8 years younger (95% CI: 6.6, 11.0) and an expected age 3.3 years younger (95% CI: 2.5, 4.4) than those in the 10th percentile.

Applied to an external test cohort, the model retained good calibration, and the genetic
scale score discriminated early-onset from late-onset CRC (AUC = 0.618, 95% CI: 0.549, 0.688). Separately, an interaction test confirmed that the genetic effect was specific to CRC cases rather than age in general.

These findings demonstrate that EVT offers a more accurate characterization of the lower tail of the CRC age-at-diagnosis distribution than conventional bulk models, and that genetic burden measurably alters the timing of diagnosis within the early-onset range, with potential relevance for personalized screening.
Meer lezen

Langlezend!

Hogeschool PXL
2026
Nina
Reumers
Binnen deze bachelorproef werd onderzocht hoe bibliotheken en scholen sterker kunnen
samenwerken rond leesbevordering binnen de eerste graad A-stroom. Aan de hand van
literatuuronderzoek, interviews met bibliotheken en leerkrachten, analyses van leerplannen
en methodes en overlegmomenten binnen het project Langlezend! werd nagegaan welke
noden er vandaag bestaan rond leesmotivatie en leesbevordering binnen de
onderwijspraktijk.

Uit het onderzoek bleek dat veel leerkrachten nood hebben aan overzichtelijke, betrouwbare en direct bruikbare materialen rond lezen en literatuur. Tegelijk organiseren bibliotheken al heel wat sterke initiatieven, maar vinden deze niet altijd hun weg naar de klaspraktijk, of proberen ze veel dezelfde dingen uit in hun regio en zouden ook zij graag inspiratie opdoen.

Vanuit deze vaststellingen werd in samenwerking met smartICT een databank ontwikkeld waarin leesbevorderend materiaal, bibliotheekinitiatieven en lesideeën centraal verzameld worden. Deze databank zal in september 2026 officieel gelanceerd worden.

Daarnaast werd ook gewerkt rond een samenleesapp die in de toekomst gelanceerd zal
worden. Op basis van deze app werd een interactieve lessenreeks ontwikkeld waarin leerlingen samen lezen, reageren op teksten en deelnemen aan digitale leesgroepen. De lessenreeks werd geïntegreerd binnen de databank als voorbeeld van innovatief leesbevorderend materiaal.

Deze bachelorproef toont aan hoe belangrijk de ondersteuning van leerkrachten is binnen leesbevordering en hoe scholen en bibliotheken elkaar hierin kunnen versterken.
Meer lezen

Teddy’s Little Helper. Three Years of (Moderately) Controlled Chaos

Hogeschool PXL
2026
Ekaterina
Chistyakova
Deze scriptie onderzoekt hoe neurodivergentie en artistieke praktijk elkaar kunnen beïnvloeden aan de hand van een samenwerking tussen twee kunstenaars met verschillende manieren van denken, communiceren en werken. Het onderzoek resulteerde in twee met elkaar verbonden graphic novels. De eerste, Ted: 36 years on the move, brengt de 36-jarige artistieke praktijk van sieraadkunstenaar Ted Noten in beeld aan de hand van verhalen, anekdotes, archiefmateriaal en tekeningen. De tweede, Teddy’s Little Helper. Three Years of (Moderately) Controlled Chaos, reflecteert op het proces achter dit boek en onderzoekt hoe taal, tekenen, communicatie en verschillende manieren van informatie verwerken het artistieke samenwerkingsproces beïnvloeden. Tekenen wordt hierbij niet enkel als illustratiemiddel ingezet, maar als een manier van denken, onderzoeken, structureren en communiceren.
Meer lezen

Girl, so authentic...: Over percepties van authenticiteit, performativiteit en gender in hedendaagse popmuziek: de casus Brat van Charli xcx (2024)

Universiteit Gent
2026
Robin
De Bel
Mijn scriptie onderzoekt hoe authenticiteit wordt geconstrueerd en gepercipieerd binnen hedendaagse popmuziek, met Brat (2024) van Charli xcx als casus. Centraal staat de vraag hoe opvattingen over authenticiteit veranderen in een popcultuur die sterk wordt gekenmerkt door performance, commercialisering en digitalisering. Daarnaast wordt onderzocht hoe gender en de culturele positie van luisteraars deze percepties beïnvloeden.

Aan de hand van vijftien semigestructureerde diepte-interviews met jonge luisteraars en een reflexieve thematische analyse toont het onderzoek dat authenticiteit steeds minder wordt verbonden aan de afwezigheid van performance of commercie. Luisteraars blijken zich sterk bewust van de geconstrueerde aard van popmuziek, maar ervaren die constructie niet noodzakelijk als strijdig met authenticiteit. Zelfbewuste performance, ironie en hyperstilisering kunnen juist bijdragen aan de geloofwaardigheid van een artiest.

Tegelijk blijkt authenticiteit geen neutraal criterium. Heteromannelijke respondenten verbinden authenticiteit vaker aan artistieke ernst, muzikaliteit en afstand tot mainstream pop, terwijl vrouwelijke respondenten sterker nadruk leggen op emotionele herkenning en identificatie. Ook digitale platformen spelen een belangrijke rol: sociale media creëren een gevoel van nabijheid tussen artiest en publiek, hoewel luisteraars zich bewust blijven van de strategische en commerciële mechanismen daarachter.

De scriptie concludeert dat authenticiteit binnen hedendaagse popcultuur het best kan worden begrepen als een relationeel en voortdurend onderhandelingsproces tussen artiest, media en publiek. Brat illustreert daarbij hoe performativiteit, commercialiteit en authenticiteit niet noodzakelijk elkaars tegenpolen zijn, maar steeds sterker met elkaar verweven raken.
Meer lezen

Op jacht naar de Wilde Jagers: Een vergelijkend onderzoek naar de karakterisering van de leider van de Wilde Jacht

KU Leuven
2026
Nele
Peeters
Dit paper onderzoekt de karakterisering van de leider van de Wilde Jacht. Dit gebeurde door middel van een reeks casestudies waarin verschillende figuren aan bod kwamen: Odin, vrouw Holle, Tilke, Herne the Hunter, Gwyn ap Nudd en Arawn. Van de eerste vijf personages uit deze selectie bestaan verhalen waarin ze functioneren als leider van de Wilde Jacht. Het laatste personage lijkt echter geen leider van de Wilde Jacht te zijn hoewel zijn attributen en karakterisering in zijn eigen mythologie verder grotendeels vergelijkbaar is met die van Gwyn ap Nudd die deze rol wel bekleed. Verder wordt ook de rol van het paard en de hond binnen de Wilde Jacht onder de loep genomen met Sleipnir, de Cŵn Annwn en de Britse black dog-folklore als voorbeelden. Bij het onderzoeken van de karakterisering van deze personages wordt er zowel naar hun eigen mythologie los van de Jacht, als naar hun Jachtverhalen gekeken. Wanneer deze personages vergeleken worden, blijkt dat er een archetype bestaat waaraan de leider van de Wilde Jacht moet voldoen: hij of zij moet zich vrij kunnen verplaatsen, is in staat om de grenzen tussen rijken over te steken, mag niet beperkt worden tot een normale menselijke levensspanne en moet moreel ambigu of kwaadaardig zijn.
Meer lezen

Gepersonaliseerde cognitieve controletraining ter preventie van depressieherval: een single-case experimentele studie

Universiteit Gent
2026
Caro
Bruynen
Herval na een depressieve episode vormt nog steeds een belangrijk klinisch knelpunt,
hoewel behandelingen in de acute fase doorgaans doeltreffend zijn. Een mogelijke interventie om dit te voorkomen is cognitieve controletraining (CCT), gericht op onderliggende cognitieve kwetsbaarheden. Binnen dit domein wordt de adaptieve Paced Auditory Serial Addition Task (aPASAT) beschouwd als een van de meest veelbelovende en veelbestudeerde varianten. Deze studie onderzocht hoe depressieve symptomen zich doorheen de tijd ontwikkelen bij personen met depressie in remissie, en welke rol aPASAT hierin kan spelen. Zes participanten werden opgevolgd via een single-case experimenteel design met een multiple-baseline-opzet, waarbij de
duur van de baselinefase (twee, drie of vier weken) varieerde tussen groepen om toeval en tijdseffecten uit te sluiten. Gedurende drie fasen (baseline, interventie, monitoring) werden symptomen dagelijks gemeten via een visuele analoge schaal (VAS) 0-100. De resultaten tonen een heterogeen en overwegend bescheiden responspatroon. Slechts bij een deel van de participanten werd een significante symptoomdaling vastgesteld, terwijl bij anderen geen effect of zelfs een tijdelijke toename optrad. Bij een deel van de participanten trad de symptoomverbetering pas op tijdens de monitoringfase, wat wijst op een mogelijk vertraagde werkzaamheid van CCT. Symptomen daalden niet geleidelijk, maar bleven eerder stabiel binnen elke fase. De ernst van de klachten bij aanvang leek modererend. Participanten met hogere beginscores vertoonden eerder een merkbaar effect. Toekomstig onderzoek met grotere, meer diverse steekproeven is nodig om na te gaan hoe individuele kenmerken het effect van CCT modereren, hoe de behandeling hierop afgestemd kan worden, en wanneer en hoe lang behandeleffecten optreden. Daarnaast verdient de verkenning van aanvullende of alternatieve interventies verdere aandacht om herval bij depressie effectiever te voorkomen.
Meer lezen

Sterren komen, Sterren gaan

Universiteit Antwerpen
2026
Helena
Remans
Deze masterscriptie onderzoekt hoe de taal van het rouwen tot uiting komt en wordt begrepen in online herdenkingsberichten op sociale media na het overlijden van publieke figuren. Op basis van onderzoek naar digitaal rouwen, parasociale relaties en publieke emoties op sociale media benadert deze studie rouwen als een communicatief, cultureel en normatief proces dat plaatsvindt in openbare, gemedieerde omgevingen. Hoewel de bestaande literatuur aanzienlijke aandacht besteedt aan online uitingen van verdriet, blijft het minder duidelijk hoe dergelijke uitingen worden ontvangen, gevalideerd of betwist in openbare digitale contexten.
Om deze leemte te onderzoeken, maakt deze studie gebruik van een kwalitatieve, multimodale en vergelijkende casestudiebenadering. Concreet werden 1.200 reacties geanalyseerd op Facebook- en Instagram-berichten met betrekking tot het overlijden van Matthew Perry en Charlie Kirk. De analyse richtte zich op zes dimensies: uitingen van verdriet, verhalen en betekenisvorming, parasociale articulatie, reacties op betekenis, normativiteit en legitimiteit, en platformlogica.
De resultaten tonen aan dat digitaal rouwen in hoge mate gestandaardiseerd en multimodaal is, maar toch afhankelijk blijft van de culturele positie van de overledene. In het geval van Matthew Perry domineren affectieve, nostalgische en verbindende reacties, terwijl reacties op Charlie Kirk meer gepolariseerd, ideologisch geladen en normatief omstreden zijn. Bovendien lijkt het erop dat Facebook vaker narratieve diepgang mogelijk maakt, terwijl Instagram meer beknopte en visuele uitingen aanmoedigt. Dit onderzoek toont dus aan dat digitaal rouwen niet louter een uitdrukking van verlies is, maar ook een publieke praktijk waarin voortdurend wordt
onderhandeld over emoties, betekenissen en sociale normen.
Meer lezen

artificiële intelligentie in de oncologische diëtetiek: digitale tool en promptgids voor diëtisten

Odisee Hogeschool
2026
Jonathan
Hoes
  • Emma
    Vico
Deze bachelorproef onderzoekt de mogelijkheden van artificiële intelligentie (AI) binnen de oncologische diëtetiek om de werkdruk van oncologische diëtisten te verlagen. Probleemstelling: De aanleiding voor dit onderzoek is de toenemende zorgvraag binnen de oncologie, gecombineerd met een hoge administratieve belasting en beperkte tijd voor individuele begeleiding. Hoewel AI theoretisch veel mogelijkheden biedt binnen de gezondheidszorg, blijkt de implementatie in de praktijk momenteel nog beperkt.
Methode: In deze bachelorproef werd onderzocht hoe Large Language Models via gestructureerde prompt engineering op een betrouwbare manier kunnen worden ingezet binnen de oncologische voedingszorg. Hiervoor werd eerst een bevraging afgenomen bij oncologische diëtisten om huidige noden, werkdruk, AI-gebruik en bezorgdheden rond AI in kaart te brengen. Daarnaast werd een literatuuronderzoek uitgevoerd naar recente prompttechnieken zoals role prompting, few-shot prompting, Chain-of-Thought prompting en Retrieval Augmented Generation. Vervolgens werden verschillende prompts en AI-modellen met elkaar vergeleken op basis van zowel kwantitatieve als kwalitatieve evaluatiecriteria. Met al deze bekomen informatie werd een praktische promptgids ontwikkeld en een prototype gebouwd waarmee gepersonaliseerde voedingsschema’s gegenereerd kunnen worden op basis van patiëntengegevens en nutritionele richtlijnen.
Resultaten: Uit de resultaten bleek dat oncologische diëtisten een hoge werkdruk ervaren en momenteel slechts beperkt gebruikmaken van AI, voornamelijk door bezorgdheden rond betrouwbaarheid, privacy en transparantie. De vergelijking tussen verschillende prompttechnieken toonde aan dat gestructureerde prompts die gebruik maken van gerichte prompttechnieken duidelijk betere resultaten opleverden dan eenvoudige prompts. De aangepaste prompts genereerden accuratere en consistenter voedingsschema’s die beter aansloten bij de ESPEN-richtlijnen en de klinische context van de patiënt. Daarnaast werden verschillen vastgesteld tussen de onderzochte AI-modellen. Sommige modellen slaagden er beter in om richtlijnen, symptomen en voedingsvereisten correct te integreren, terwijl andere modellen meer inconsistenties en afwijkingen vertoonden.
Besluit: Deze bachelorproef toont aan dat artificiële intelligentie een waardevolle ondersteunende rol kan spelen binnen de oncologische diëtetiek. Gestructureerde prompt engineering kan bijdragen aan meer consistente en klinisch relevante output.

Meer lezen

FinvictumX: Omdat iedereen recht heeft op financiële kennis

Hogeschool VIVES
2026
Sem
Bruynseraede
Dit eindwerk onderzoekt het belang van financiële educatie in een samenleving waarin steeds meer mensen zelfstandig toegang krijgen tot financiële markten. De drempel om te beleggen is sterk verlaagd, terwijl de hoeveelheid beschikbare financiële informatie voortdurend toeneemt. Die toegankelijkheid betekent echter niet automatisch dat mensen over voldoende kennis en vaardigheden beschikken om financiële producten, risico’s en beleggingsbeslissingen goed te begrijpen.

Het onderzoek gaat na welke rol financiële educatie kan spelen in het versterken van financiële kennis en vaardigheden. Daarbij wordt onderzocht welke kennis beleggers nodig hebben, hoe financiële concepten op een begrijpelijke en gestructureerde manier kunnen worden aangeleerd en welke factoren bijdragen aan een effectief leerproces. Naast financiële basiskennis wordt aandacht besteed aan onder meer risicobeheer, beleggingsstrategieën, beleggerspsychologie en het kritisch beoordelen van financiële informatie.

Ook wordt onderzocht hoe digitale technologie het aanbieden van financiële educatie kan ondersteunen. Daarbij komen onder meer gepersonaliseerde leertrajecten, interactieve leermethoden en artificiële intelligentie aan bod. Het onderzoek bekijkt daarnaast hoe financiële educatie kan worden opgebouwd voor verschillende niveaus van voorkennis, van beginnende tot meer ervaren beleggers.

Op basis van deze inzichten wordt een concreet concept voor een digitale leeromgeving uitgewerkt. Het eindwerk toont daarmee hoe financiële educatie kan bijdragen aan een beter begrip van financiële keuzes en mensen kan helpen om bewuster, kritischer en met meer inzicht met hun financiën en beleggingen om te gaan.
Meer lezen

Whose Data Is It Anyway? Designing a User-Centric and Sovereign Architecture for Media Consumption in the European Digital Space

Odisee Hogeschool
2026
Michiel
Van de Velde
Streamingdiensten en videoplatformen bouwen op basis van kijk- en luistergedrag profielen van gebruikers op. Die profielen kunnen nuttig zijn voor personalisatie, maar gebruikers hebben vaak weinig zicht op welke gegevens worden verzameld en welke conclusies daaruit worden getrokken. In deze bachelorproef onderzoek ik hoe gebruikers meer controle kunnen krijgen over hun mediagegevens en de inzichten die daaruit ontstaan. Ik ontwierp een systeemarchitectuur en ontwikkelde een werkend prototype waarin gegevens van onder meer Spotify, YouTube en SoundCloud worden samengebracht in een persoonlijke digitale datakluis. De gebruiker kan zelf bepalen wie toegang krijgt tot welke gegevens en kan afgeleide inzichten bevestigen, corrigeren of tegenspreken. Daarnaast onderzocht ik hoe open standaarden en lokale AI-inferentie kunnen bijdragen aan interoperabiliteit en privacy. Het resultaat toont hoe personalisatie mogelijk blijft zonder dat de gebruiker de controle over zijn digitale profiel volledig uit handen hoeft te geven.
Meer lezen

Reframing Sexual Violence: The Female Gaze and the Reimagining of Female Sexual Trauma in Post-#MeToo Feature Films

Universiteit Antwerpen
2026
Ine
Maris
Deze thesis onderzoekt hoe post-#MeToo-films via een vrouwelijke blik (female gaze)
alternatieve representaties van seksueel geweld en het daaruit voortvloeide trauma creëren. Hierbij wordt gebruikgemaakt van een interdisciplinair theoretisch kader dat feministische filmtheorie, traumastudies, het post-#MeToo-discours en theorieën over handelingsvermogen en identiteit combineert. Aan de hand van visuele, narratieve en thematische analyses van The Tale (Jennifer Fox, 2018) en How To Have Sex (Molly Manning Walker, 2023), onderzoekt deze thesis hoe deze theorieën in praktijk worden toegepast. De analyses tonen aan dat representaties van seksueel geweld, gevormd door de female gaze en beïnvloed door #MeToo, kunnen leiden tot realistischere en genuanceerdere representaties. Bovendien brengen deze films noodzakelijke discussies over seksueel geweld op gang. Door vrouwelijke subjectiviteit en handelingsvermogen centraal te plaatsen, contrasteren ze met eerdere representaties die gevormd werden door patriarchale opvattingen en de male gaze. Uiteindelijk beargumenteert
deze thesis dat post-#MeToo-films over trauma als gevolg van seksueel geweld die een female gaze hanteren, het potentieel hebben om kijkers bewust te maken van de diepgaande identiteitsgerelateerde gevolgen van seksueel geweld.
Meer lezen

Voor als ik het even niet meer weet

LUCA School of Arts
2026
Timo
Schmeits
Hij weet niet altijd wie hij is of waar zijn plek is in de wereld. Daarom schrijft en tekent hij. Door kleine, absurde dingen serieus te nemen, ontstaan verhalen die me helpen om grote vragen te onderzoeken. Zijn scriptie heeft niet alle antwoorden, maar helpen hem zijn vergaarde wijsheid te onthouden.
Timo vergeet snel. Gelukkig maar dat het allemaal op papier staat. Voor als hij het even niet meer weet.
Meer lezen

MoralPersona Sandbox: A Testbed for Persona-Conditioned Moral Reasoning in LLMs

Universiteit Hasselt
2026
Ruben
Boone
Hoewel moderne grote taalmodellen (LLM's) moeiteloos verschillende persona's kunnen aannemen via prompting, worden ze streng begrensd door ingebouwde veiligheidsregels en ethische richtlijnen van ontwikkelaars. Wanneer dergelijke AI-systemen geconfronteerd worden met complexe, ethisch situaties, vallen ze vaak terug op een algemeen standaardantwoord. Dit onderzoek brengt deze kloof, die bekend staat als de "personality illusion" in kaart. Hiervoor werd de MoralPersona Sandbox ontwikkeld: een modulair softwareplatform dat de omgevingscontext, het psychologische profiel (gebaseerd op het Big Five OCEAN-model) en het onderliggende taalmodel strikt van elkaar isoleert. Om te valideren of dergelijke modellen daadwerkelijk menselijk gedrag weerspiegelen, werd een empirische gebruikersstudie uitgevoerd met 71 deelnemers. Deelnemers koppelden hun eigen psychologische profiel aan AI-configuraties en doorliepen 6 diverse morele dilemma's.
De resultaten tonen aan dat deelnemers de tegenovergestelde persoonlijkheidsagenten weliswaar betrouwbaar als 'minst overeenstemmend' aanduidden, maar dat er tegelijkertijd een sterke personality illusion optreedt: slechts een beperkte groep herkende hun eigen gepersonaliseerde agent als de beste match. Bovendien bleek de sturing minimaal; beslissingsomslagen vonden slechts in 2,35% van de gevallen plaats. Dit duidt erop dat hoewel LLM's uitblinken in stilistisch rollenspel, ze fundamentele moeite hebben met het spiegelen van authentieke menselijke, morele redeneerpatronen.
Meer lezen

EHBH: Eerste Hulp Bij gebruik van Handpoppen

Arteveldehogeschool Gent
2026
Amber
De Decker
Deze bachelorproef onderzoekt hoe een kleuterleerkracht van de oudste kleuters ondersteund kan worden om drama op een laagdrempelige en geïntegreerde manier een plaats te geven binnen het klasaanbod. De aanleiding voor dit onderzoek kwam voort uit een verkennend gesprek met de betrokken leerkracht, waarin ze aangaf onzekerheid te ervaren rond drama en dit bovendien beschouwde als organisatorisch uitdagend, waardoor het aanbod van drama in de klas beperkt bleef, ondanks haar bereidheid om meer drama te integreren in het klasaanbod. Deze bereidheid vormde een belangrijk uitgangspunt voor dit onderzoek.

Op basis van deze probleemstelling werd de volgende ontwerpvraag geformuleerd: “Hoe kan een kleuterleerkracht van de oudste kleuters, die onzekerheid ervaart bij het integreren van drama in de klaspraktijk, ondersteund worden om drama een meer geïntegreerde plaats te geven binnen het klasaanbod?”

Met behulp van een literatuurstudie werd een theoretisch kader rond het thema opgebouwd. Vervolgens werd de eerste deelvraag onderzocht met behulp van reflectie en bevraging, waaruit bleek dat de betrokken leerkracht aanvankelijk een beperkt beeld had van drama binnen het kleuteronderwijs. Op basis van de geanalyseerde noden en drempels werd drama vervolgens verder afgebakend tot het integreren van handpoppen in de klaspraktijk.

Er werd een verdiepende literatuurstudie uitgevoerd, samen met een klasobservatie en interviews met de betrokken leerkracht om de specifieke drempels en noden verder in kaart te brengen. Daarnaast werd een bevraging afgenomen bij andere kleuterleerkrachten om hun ervaringen rond dit onderwerp te verzamelen. Deze inzichten werden verdiept en gekoppeld aan bestaande literatuur.

Op basis van deze bevindingen werden concrete ontwerpeisen opgesteld die leidden tot een ontwerp bestaande uit verschillende onderdelen. Het ontwerp omvat een toolkit EHBH: Eerste Hulp Bij gebruik van Handpoppen, met ondersteuningskaarten die afgestemd zijn op de drempels en behoeften van de betrokken leerkracht. Daarnaast werden twee handpoppen geïntegreerd binnen talige en wiskundige activiteiten met inspiratiefiches die de implementatie ondersteunen en mogelijkheden tot verdere uitwerking in de klaspraktijk bieden.

Doordat het ontwerp een geleidelijk proces is in combinatie met de korte testfase zijn de conclusies nog beperkt, maar in relatie tot het onderzoeksdoel, kan gesteld worden dat het ontwerp een sterke basis vormt om drama, en specifiek het gebruik van handpoppen, sterker te integreren in de klaspraktijk van de betrokken leerkracht.
Meer lezen

Ontwikkeling van een interactief voorleesboek voor kinderen over stemproblemen en over de impact van stemproblemen bij leerkrachten.

HOGENT
2026
Pauline
Morel
Veel kinderen in het lager onderwijs ervaren stemproblemen, maar deze worden vaak pas laat opgemerkt, zowel door de kinderen zelf als door hun ouders en leerkrachten. Nochtans kunnen stemproblemen op jonge leeftijd een aanzienlijke impact hebben op sociaal, emotioneel en schools vlak. Ondanks het belang van vroegtijdige aandacht voor stemproblemen is er momenteel weinig aantrekkelijk, kindgericht en educatief materiaal beschikbaar. Deze bachelorproef heeft daarom als doel een interactief voorleesboek te ontwikkelen dat dit tekort aan aangepast psycho-educatief materiaal helpt opvangen.
Meer lezen

Linking microbiome and physicochemical soil parameters to optimize nitrification inhibition

Universiteit Gent
2026
Amber
Meulemeester
Deze scriptie onderzoekt hoe de werking van nitrificatie-inhibitoren verschilt per landbouwgrond in de Benelux. Omdat de effectiviteit van huidige producten in de praktijk sterk uiteenloopt, brengt dit onderzoek via een grootschalige bodemanalyse in kaart hoe specifieke bodemeigenschappen en doseringen deze stoffen beïnvloeden. Daarnaast evalueert de studie de ecologische impact van nieuwe kandidaat-nitrificatie-inhibitoren op het bredere bodemleven, om te garanderen dat toekomstige oplossingen de biologische balans en gezondheid van de bodem behouden.
Meer lezen

Local production for Global Streamers: A Production Studies Analysis of Netflix within Flemish TV-Productions

Universiteit Gent
2026
Jolan
Colpaert
Deze thesis onderzoekt hoe Vlaamse audiovisuele professionals de samenwerking met
Netflix ervaren en hoe zij de invloed van het platform op lokale productiepraktijken
waarnemen.
Meer lezen

Gezelschapsspellen als educatieve en motiverende tools

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Rembrandt
Verbrugghe
Dit is een onderzoek naar de invloed van bordspellen op de motivatie en betrokkenheid van leerlingen uit de tweede graad in de geschiedenisles. Daarnaast werd er een bordspel ontworpen om het literatuuronderzoek en de bevraging verder te ondersteunen.
Meer lezen

When the Lit hits the Fan: Shaping skilled literary readers in the English as a foreign language classroom through the use of fanfiction.

KU Leuven
2026
Margo
Roosen
Deze masterproef onderzoekt hoe fanfiction kan functioneren als een motiverende toegangspoort tot literair vaardig lezen binnen de EFL-klas in de derde graad van het Vlaams secundair onderwijs. Vanuit de vaststelling dat internationale onderzoeken, zoals PISA en PIRLS, wijzen op een dalende leesmotivatie en leesvaardigheid bij adolescenten, vertrekt dit onderzoek vanuit een nood aan krachtige en activerende vormen van literatuuronderwijs.
Het theoretische kader combineert inzichten uit de literatuurdidactiek, leesonderzoek en de motivatiepsychologie. Literair vaardig lezen wordt daarbij benaderd als een combinatie van beleving, interpretatie, evaluatie en analyse. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de factoren die de lezer en de leesontwikkeling beïnvloeden, zoals de leesdriehoek en de bredere leescontext. Vanuit motivatietheorieën zoals de Self-Determination Theory en de Expectancy-Value Theory worden D’hoker’s vier pijlers van leesbevordering centraal geplaatst: competentie, autonomie, relevantie en interactie. Fanfiction wordt vervolgens onderzocht als een praktijk die deze vier pijlers mogelijk ondersteunt.
Het empirische luik van deze thesis vertrekt vanuit een action research-benadering waarin een concrete onderwijsinterventie werd ontwikkeld, uitgevoerd en geëvalueerd. Een testgroep werkte gedurende drie lessen met fanfiction-gebaseerde EFL-lessen, terwijl een controlegroep werkte met meer algemeen gangbare praktijken in het literatuuronderwijs. De studie combineerde hierbij kwantitatieve dataverzameling met kwalitatieve dataverzameling via leesprofielen, de Intrinsic Motivation Inventory (IMI), interviews en klasobservaties.
De resultaten suggereren dat fanfiction potentieel heeft om leerlingen sterker te betrekken bij literaire activiteiten en om de intrinsieke leesmotivatie te ondersteunen. Vooral de herkenbaarheid van narratieve werelden, de ruimte voor persoonlijke interpretatie en de interactieve aard van de fanfiction praktijk werden door leerlingen als motiverend ervaren. Tegelijkertijd tonen de resultaten aan dat leesmotivatie sterk afhankelijk blijft van de individuele leesprofielen en eerdere leeservaringen, en dat het inherente karakter van fanfiction als autonoom en interactief ook als een valkuil kan worden ervaren.
Hoewel deze studie geen verregaande uitspraken kan toelaten over langetermijneffecten op leesvaardigheid of literaire competentie, benadrukt ze wel het belang van activerend en participatief literatuuronderwijs dat aansluit bij de leefwereld van leerlingen.
Meer lezen

Het gebruik van lentivirale partikels in CAR-T-Celtherapie.

Erasmushogeschool Brussel
2026
Tiebe
Kestelyn
Deze bachelorproef onderzoekt het gebruik van lentivirale partikels voor de productie van CD70-gerichte CAR-T-cellen. CAR-T-celtherapie is een innovatieve vorm van immuuntherapie waarbij T-cellen van een patiënt genetisch worden aangepast om kankercellen gericht te herkennen en te vernietigen. Lentivirale partikels worden hierbij gebruikt als vector voor de overdracht van het CAR-gen naar de T-cellen.

In deze studie werd een productieproces voor lentivirale partikels opgezet in HEK293SF-3F6-cellen door transfectie met vier plasmiden (CAR, Gag/Pol, VSV-G en REV). De fysieke titer van de geproduceerde lentivirale partikels werd bepaald met behulp van een HIV-1 p24-ELISA. Daarnaast werd onderzocht welke omstandigheden voor de benzonasebehandeling het meest geschikt zijn om vrij DNA af te breken, en wat het effect hiervan is op de steriele filtratie van de virusoogst.

De geproduceerde lentivirale partikels behaalden fysieke titers tussen 1,47 × 10⁹ en 2,62 × 10⁹ partikels. De benzonasebehandeling bleek onder alle geteste omstandigheden effectief voor de afbraak van residueel DNA. Bij de steriele filtratie gaf de PES-filter de hoogste opbrengst, terwijl celluloseacetaatfilters nauwelijks lentivirale partikels doorlieten. Opvallend was dat de benzonasebehandeling leidde tot een lagere opbrengst na filtratie, wat afwijkt van bevindingen uit de literatuur. De resultaten dragen bij aan de verdere optimalisatie van productieprocessen voor lentivirale vectoren binnen CAR-T-celtherapie.
Meer lezen

Identifying Next-Generation RAS Pathway Inhibitors for the Treatment of High Hyperdiploid B-cell Acute Lymphoblastic Leukemia

KU Leuven
2026
Lander
Aelbrecht
Acute lymfatische leukemie (ALL) is de meest voorkomende kanker bij kinderen. Binnen deze groep is het hoog-hyperdiploïde subtype (HeH B-ALL) het meest voorkomende. Deze patiënten hebben een uniek biologisch kenmerk: hun kankercellen bevatten veel meer chromosomen dan de normale 46, doorgaans tussen 51 en 67. Hoewel 95% van deze kinderen aanvankelijk geneest, zijn zij toch verantwoordelijk voor het hoogste absolute aantal hervalgevallen van alle vormen van kinderkanker, omdat het om zo’n grote patiëntengroep gaat.

Naast de extra chromosomen werd recent ontdekt dat vrijwel elke patiënt met deze vorm van leukemie ook mutaties in RAS-eiwitten draagt. In een gezonde cel fungeren deze eiwitten als binaire aan-uit-schakelaars die de cel vertellen wanneer ze moet groeien en delen. In deze leukemiecellen zit de schakelaar echter permanent vast in de ‘aan’-stand. Een belangrijke theorie stelt dat de kankercellen dit constante groeisignaal nodig hebben om de interne stress te overleven die wordt veroorzaakt door hun extra chromosomen.

In dit onderzoek gingen we na of een nieuwe generatie geavanceerde geneesmiddelen deze vastgelopen RAS-schakelaars kan uitschakelen. Met behulp van een gespecialiseerd laboratoriummodel van B-cellen testten we verschillende geneesmiddelen die ontworpen zijn om verschillende onderdelen van de RAS-groeisignaalroute te blokkeren. Het doel was om behandelingen te vinden die de kanker doeltreffend kunnen stoppen en die patiënten in de toekomst hopelijk kunnen behoeden voor de zware bijwerkingen van standaard chemotherapie met meerdere geneesmiddelen.

De resultaten zijn veelbelovend. Geneesmiddelen zoals Daraxonrasib en Trametinib bleken bijzonder krachtig en stopten de proliferatie van de cellen al bij zeer lage concentraties. Sommige geneesmiddelen werken als specifieke sleutels voor specifieke sloten. Sotorasib was alleen werkzaam tegen één specifieke mutatie (G12C), terwijl BI-2865 de celgroei bij KRAS-mutaties kon blokkeren. Een nieuwe verbinding, ABD957, bleek werkzaam tegen een specifieke NRAS-variant die vaak bij deze patiënten voorkomt. Het belangrijkste is dat deze doelgerichte geneesmiddelen in onze tests geen schade toebrachten aan gezonde menselijke cellen, in tegenstelling tot traditionele chemotherapie.

Dit onderzoek legt de basis voor een meer gepersonaliseerde aanpak van de behandeling van kinderleukemie. Door het geneesmiddel af te stemmen op de specifieke genetische afwijking in de tumor van een kind, zouden artsen mogelijk doeltreffendere behandelingen met minder complicaties op lange termijn kunnen aanbieden. De volgende stap voor de best presterende geneesmiddelen is het testen ervan in geavanceerde modellen die de menselijke ziekte nog beter nabootsen. Zo komen we opnieuw een stap dichter bij toepassing in de kliniek.
Meer lezen

Optimalisatie-Interactie: Educatieve chatbots voor leerlingen met leerstoornissen

Hogeschool PXL
2026
Josephine
Bouwens
In deze bachelorproef wordt onderzocht hoe AI-gestuurde educatieve chatbots kunnen worden afgestemd op de noden van leerlingen met leerstoornissen, met een focus op dyslexie en dysfasie. De stage vindt plaats binnen Eureka Expert BV, onderdeel van Eureka Leuven, een toonaangevend Belgisch expertisecentrum die personen met leerstoornissen begeleidt.
Binnen deze context wordt een prototype ontwikkeld van een AI-gedreven chatbot die optreedt als digitale studiebegeleider. Het systeem moet studeren ondersteunen door de leerling te ondervragen en gericht feedback te geven op basis van het studiemateriaal van de gebruiker. Hierbij wordt specifiek rekening gehouden met de noden van leerlingen met dyslexie en/of dysfasie.
Het systeem wordt ontwikkeld in React (TypeScript/Vite). De AI-functionaliteit wordt gerealiseerd via een Node.js/Express-backend met Google Gemini voor tekst- en spraakverwerking. Door gebruik te maken van Retrieval-Augmented Generation (RAG) via Gemini File Search worden antwoorden inhoudelijk afgestemd op het studiemateriaal.
Daarnaast wordt een literatuurstudie uitgevoerd naar informatieverwerking en effectieve leerstrategieën bij leerlingen met dyslexie en/of dysfasie. Op basis hiervan wordt onderzocht hoe een AI-chatbot deze strategieën kan ondersteunen. Daarnaast wordt onderzocht hoe system prompts geoptimaliseerd kunnen worden en wordt een promptstrategie uitgewerkt.
Tot slot wordt een evaluatie uitgevoerd met leerlingen gericht op hun gebruikservaring. Aan de hand van gerichte vragen wordt gepeild naar gebruiksvriendelijkheid, duidelijkheid, motivatie en ondersteuning. De resultaten worden verwerkt in een evaluatiematrix, die toelaat om verbeterpunten te formuleren voor zowel de chatbotinterface als de onderliggende promptstructuur.
Uit de ontwikkeling en evaluatie blijkt dat de AI-gestuurde chatbot potentieel heeft als aanvullende studieondersteuning voor leerlingen met dyslexie en/of dysfasie. De combinatie van Retrieval-Augmented Generation, aangepaste promptstrategieën, eenvoudige taal, herhaling en multimodale interactie zorgt ervoor dat de chatbot beter kan aansluiten bij de noden van deze doelgroep. Doordat de antwoorden gebaseerd worden op het studiemateriaal van de leerling, kan de ondersteuning inhoudelijk relevanter en meer contextgericht worden aangeboden.
De gebruikerstesten tonen aan dat de chatbot door leerlingen als motiverend en behulpzaam kan worden ervaren. Vooral de mogelijkheid om zelfstandig te oefenen, vragen te stellen, uitleg te krijgen en via spraak te communiceren, maakt de toepassing toegankelijker voor leerlingen die moeilijkheden ervaren met lezen, schrijven of taalverwerking. De chatbot biedt bovendien ruimte voor herhaling en directe feedback, wat kan bijdragen aan meer zelfvertrouwen en zelfstandigheid tijdens het studeren.
Tegelijkertijd moet de chatbot worden gezien als een ondersteunend hulpmiddel en niet als vervanging van een leerkracht of begeleider. De resultaten tonen aan dat AI waardevol kan zijn binnen gepersonaliseerde leerondersteuning, op voorwaarde dat de technologie zorgvuldig wordt afgestemd op de doelgroep en ingebed wordt in een veilige, pedagogisch verantwoorde leercontext. Deze bachelorproef toont daarmee aan dat een AI-gestuurde studiebegeleider een veelbelovende aanvulling kan vormen op bestaande digitale leerplatformen voor leerlingen met leerstoornissen.
Meer lezen

Lezen om jezelf en de ander te zien: Validatie van de TREQ-C en een dialogische literatuurinterventie bij tien- tot twaalfjarigen

Universiteit Antwerpen
2026
Steffi
Struys
Vanaf schooljaar 2026-2027 moeten Vlaamse basisscholen binnen de vakdiscipline Nederlands ook literatuur onderwijzen als elementair onderwerp. Het nieuwe minimumdoel 1.5.7 stelt dat leerlingen verbanden moeten leggen tussen elementen uit de tekst en hun eigen emoties en gedachten en deze met medeleerlingen bespreken. Hoewel er een groeiende evidentie is dat het lezen van literatuur zelfinzicht, empathie en inlevingsvermogen kan bevorderen, ontbreekt empirisch onderzoek binnen de Vlaamse basisschoolcontext. Deze masterproef adresseert deze lacune met twee gerelateerde
onderzoeksdoelen.
Het eerste doel was het valideren van de Transformative Reading Experiences Questionnaire (TREQ) voor gebruik in de basisschool, in de vorm van een aangepaste basisschoolversie (TREQ-C). De vragenlijst werd ingevuld door 368 leerlingen (leeftijd 10-13) uit elf Vlaamse basisscholen. Een principale componentenanalyse, aangevuld met een exploratieve factoranalyse en betrouwbaarheidsanalyse, toonde aan dat de originele zeven-dimensionale structuur niet volledig repliceerde. Een herziene vierdimensionale versie bleek wel robuust: Verbeelding, Zelfinzicht en inzicht in de ander, Oordelen over personages en Emotionele en esthetische respons. De TREQ-C
vertoonde een aanvaardbare tot goede betrouwbaarheid, met Zelfinzicht en inzicht in de ander als de sterkste schaal (α = .84).
Het tweede doel was het verkennen van het effect van een interventie bestaande uit zes dialogische literatuurlessen, gebaseerd op Transformative Dialogic Literature Teaching (TDLT), op 59 leerlingen uit het vijfde en zesde leerjaar. Een pre-post design zonder controlegroep toonde een klein maar significant positief effect op Zelfinzicht en inzicht in de ander (t(58) = 2.07, p = .043, d = 0.27); op de andere schalen werden geen significante effecten gevonden.
Samen leggen deze bevindingen een voorlopige empirische basis voor het evalueren en ondersteunen van transformatief literatuuronderwijs in Vlaamse basisscholen, in lijn met de verwachtingen in het vernieuwde curriculum
Meer lezen

Eindelevensgesprekken met personen met een ernstige en persisterende psychiatrische aandoening (EPPA). Een kwalitatieve studie naar ervaringen met de Amforamethodiek.

Universiteit Gent
2026
Annelies
Cuypers
Personen met een ernstige en persisterende psychiatrische aandoening (EPPA) ervaren vaak langdurig psychisch lijden, waarbij existentiële vragen en levenseindethema’s een belangrijke rol kunnen spelen. Het voeren van existentiële eindelevensgesprekken binnen de geestelijke gezondheidszorg blijkt echter niet vanzelfsprekend, en hulpverleners ervaren hierbij regelmatig handelingsverlegenheid. Narratieve interventies, zoals het Amforagesprek, bieden een mogelijke ingang om deze thema’s bespreekbaar te maken, maar hun toepasbaarheid bij personen met een EPPA is nog weinig onderzocht.

Deze studie verkent hoe het Amforagesprek wordt ervaren door personen met een EPPA, hun naastbetrokkenen en Amforaschrijvers, en welke betekenis deze methodiek kan hebben in het omgaan met existentiële vragen aan het levenseinde.

Er werd gekozen voor een kwalitatief, multiperspectivistisch onderzoeksdesign. Data werden verzameld via semigestructureerde interviews met zes personen met een EPPA en zes naastbetrokkenen, aangevuld met schriftelijke reflecties en een groepsinterview met vier Amforaschrijvers. De data werden geanalyseerd via thematische analyse volgens Braun en Clarke (2006).

De resultaten tonen een ambivalent en gelaagd beeld van het Amforaproces. Participanten ervaarden het gesprek overwegend als betekenisvol, doordat het ruimte bood voor erkenning, emotionele expressie en het delen van hun levensverhaal. Het eindelevensverhaal kon bijdragen aan verbinding, begrip en afscheid, maar deze impact bleek vaak beperkt en contextafhankelijk. Daarnaast brachten de gesprekken ook uitdagingen met zich mee, zoals confrontatie met pijnlijke levensverhalen, ambivalentie rond het delen van het eindelevensverhaal en spanning tussen de noden van participanten en het oorspronkelijke Amforaconcept.

Deze studie suggereert dat narratieve interventies zoals het Amforagesprek een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan existentiële zorg bij personen met een EPPA, maar dat verdere theoretische, empirische en ethische uitdieping noodzakelijk blijft.
Meer lezen

Productie en evaluatie van elektrogesponnen TEOS-gebaseerde nanovezelmembranen als SALDI-substraten voor fecale metabolomics via LA-REIMS

Odisee Hogeschool
2026
Elia Amnon
Bar On
Binnen een klinische en biomedische context zijn snelle en robuuste analysemethoden voor untargeted metabolomics essentieel. Laser-assisted rapid evaporative ionisation massaspectrometrie (LA-REIMS) maakt directe analyse van biofluïda mogelijk, maar de analytische prestaties worden bepaald door de intrinsieke matrixeigenschappen van het staal. Elektrogesponnen nanovezelmembranen kunnen via surface-assisted laser desorption/ionisation (SALDI) de desorptie en ionisatie verbeteren en zo de analyses versterken. Het potentieel van silicagebaseerde nanovezelmembranen als SALDI-substraten binnen LA-REIMS-gebaseerde metabolomics is echter nog onvoldoende geëvalueerd.

In deze studie wordt onderzocht in welke mate elektrogesponnen tetraethylorthosilicaat (TEOS)-gebaseerde nanovezelmembranen de prestaties van LA-REIMS-analyses voor fecale metabolomics beïnvloeden.

De productie van TEOS-membranen omvat het elektrospinnen van een sol-geloplossing, gevolgd door een thermische behandeling om een superhydrofiel membraan te verkrijgen. De morfologie en hydrofiliciteit worden gekarakteriseerd met scanning-elektronenmicroscopie, watercontacthoekmetingen en infraroodspectrometrie. De analytische prestaties worden geëvalueerd via LA-REIMS-analyse van fecale stalen en vergeleken met rechtstreekse analyse van feces en met geoptimaliseerde MetaSAMP-membranen. Data-analyse omvat principal component analysis, evaluatie van reproduceerbaarheid en vergelijking van metabolomische dekking.

LA-REIMS-analyses tonen aan dat met fecale stalen geïmpregneerde TEOS-membranen een metabolomische vingerafdruk genereren die vergelijkbaar is met die van feces as-such, met detectie van een groter aantal features. Tegelijkertijd worden, vergeleken met zowel MetaSAMP-membranen als feces as-such, beperkingen vastgesteld in reproduceerbaarheid en signaalintensiteit, met lagere signaalintensiteiten en meer variabele features (p < 0,01).

Na optimalisatie van de membraandikte en het staalvolume worden TEOS-membranen verkregen die significant hogere signaalintensiteiten opleveren dan feces as-such (p < 0,01; g > 1), met een hoger aantal gedetecteerde features (p < 0,01) en een aanvaardbare reproduceerbaarheid (> 75 % van de features met een variatiecoëfficiënt ≤ 30 %).

De resultaten tonen aan dat elektrogesponnen TEOS-gebaseerde nanovezelmembranen doeltreffend zijn als SALDI-substraat binnen LA-REIMS-gebaseerde metabolomics. Toekomstige studies kunnen zich richten op het optimaliseren van de membraanproductie, functionalisatiestappen en het verder afstemmen van de LA-REIMS-methode.
Meer lezen

ALTER.UP, Een digitaal upcyclingplatform als duurzaam alternatief voor trendgevoelige overconsumptie

Universiteit Antwerpen
2026
Marthe
Schouwenaars
Deze masterproef, uitgevoerd binnen de opleiding Productontwikkeling, onderzoekt hoe een digitaal product-dienstsysteem consumenten kan stimuleren om kleding te upcyclen als duurzaam alternatief voor trendgevoelige overconsumptie. Vanuit een uitgebreid onderzoeks- en ontwerpproces werden menskundige, technologische en economische inzichten vertaald naar een concreet concept, ALTER.UP, een digitaal upcyclingplatform. Het iteratieve ontwerpproces, met conceptontwikkeling, prototyping, gebruikersvalidaties en verfijningen, vormt de kern van deze thesis en toont hoe een doordachte productontwikkelingsmethodologie kan leiden tot een innovatieve, gebruiksvriendelijke en duurzame oplossing.

ALTER.UP begeleidt gebruikers gedurende het volledige upcyclingproces. Via een 3D-lichaamsscan wordt een persoonlijke avatar aangemaakt waarop bestaande kledingstukken digitaal kunnen worden gevisualiseerd. Gebruikers kunnen vervolgens verschillende upcyclingontwerpen uitproberen en aanpassen aan hun eigen stijl, waardoor ze vooraf een realistisch beeld krijgen van het eindresultaat. Na het kiezen van een ontwerp biedt het platform stapsgewijze instructies, materiaalsuggesties en ondersteuning van experten en de community om de uitvoering te vergemakkelijken. Door onzekerheid over het eindresultaat weg te nemen en inspiratie, begeleiding en vertrouwen te bieden, verlaagt ALTER.UP de drempel tot upcycling. Zo worden consumenten gestimuleerd om bestaande kleding langer te gebruiken, de emotionele en esthetische waarde ervan te verhogen en de levensduur van kleding te verlengen als alternatief voor de aankoop van nieuwe kleding.
Meer lezen

The lost creatives

Karel de Grote Hogeschool
2026
Melisa
Kurti
  • Emile
    De Pooter
Via dit document willen we de verschillende complexe processen achter het verhaal van de verloren creatievelingen onder de aandacht brengen. Eerst en vooral willen we een belangrijke evolutie van dit project verduidelijken die zal helpen de tijdlijn duidelijker te maken.

Aanvankelijk begon dit verhaal als een soloproject van mij, Melisa, waarbij het de bedoeling was dat het verhaal live zou worden uitgevoerd. Maar op advies en steun van mijn leraren besloot ik over te schakelen naar een stop-motion formaat om het artistieke aspect en de vaardigheden die ik tijdens mijn academische jaren had verworven, waardoor ik ze goed kon laten zien, niet te verliezen. Tijdens het productieproces had ik Emile bij me, wat leidde tot de evolutie van het verhaal van de Lost artist naar wat nu het verhaal is van de lost creatives.

oorspronkelijk ging ik ( Emile ) aan een ander project meewerken. Dit is door onzekerheid over mijn mogelijkheid om af te studeren met een buis op project audio-video in twijfel getrokken. eens er besloten was toch mijn bachelorproef dit jaar te doen. Ik was niet meer welkom in mijn groep, wat ervoor zorgde dat ik halverwege het tweede semester er alleen voor stond. Ik was doorheen het jaar op de hoogte van Melisa haar visie op de bachelorproef en vond het een zeer interessant concept grotendeels vanuit mijn eigen levenservaring. Dus heb ik snel de beslissing gemaakt te horen of er nog plaats was voor een extra groepsgenoot die graag zijn mening en visie op het verhaal en onderwerp wilde delen. Hierdoor zijn we een team geworden dat zich volledig wijdt aan het verhaal van de lost creatives. Dat ons nou aan het hart ligt.

Meer lezen

Onderwijsongelijkheid bespreekbaar maken in de klas: Een verkennend onderzoek naar de inzet van het spel Kansrijk? in de onderwijspraktijk

Thomas More Hogeschool
2026
Lien
Resseler
Het bordspel Kansrijk? helpt toekomstige leerkrachten om onderwijsongelijkheid niet alleen te begrijpen, maar ook écht te voelen. Het onderzoek toont hoe het spel werkt, wat het losmaakt bij studenten en welke extra tools nodig zijn om het spel goed te begeleiden.
Meer lezen

Inclusie in de musicalsector

Hogeschool VIVES
2026
Fran
Van Besauw
Mijn scriptie onderzoekt hoe inclusief en divers de Vlaamse musicalsector vandaag is, zowel voor publiek als voor performers. Via een literatuurstudie en een online survey wordt duidelijk dat musical warm en verbindend aanvoelt, maar dat er nog belangrijke drempels bestaan: beperkte representatie, onvoldoende fysieke toegankelijkheid en weinig publiekswerking naar diverse groepen. Makers erkennen het belang van inclusie, maar botsen op beperkte middelen en expertise. De scriptie besluit dat inclusie een artistieke en maatschappelijke meerwaarde biedt en formuleert aanbevelingen om de sector toegankelijker en toekomstgerichter te maken.
Meer lezen