Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Implementation of the energy transition in military infrastructure

Universiteit Hasselt
2026
Simon
Derwael
Belgian military infrastructure is entering a decisive investment cycle in which new-build projects, major renovations and electrical modernisation must support both climate objectives and operational resilience. This thesis addresses two questions: (1) which energy design criteria should guide defence infrastructure projects and (2) how an existing medium-voltage network can evolve into a resilient microgrid.

The study combines analysis of internal documentation and processes with a literature review and market consultations. First, the future planning process for military barracks is evaluated, alongside the internal technical design instructions. These instructions are updated to reflect recent HVAC developments. Cost-reduction strategies and a decision-support approach for early design stages are discussed, including an assessment of simplified modular building concepts and the outsourcing of geothermal energy systems.

Second, the thesis explores the adaptations needed to the medium-voltage network. The increasing integration of distributed energy sources, reliability demands and exposure to cyber risks require rethinking traditional networks. A conceptual framework is developed to convert the existing medium-voltage network into a resilient microgrid, including definitions, key components and a step-by-step roadmap.
Overall, the thesis provides practical design improvements for the cost-efficient implementation of military energy systems. Proposed measures include savings of up to 53% for new-build projects.
Meer lezen

A Research-Based Gamification Solution for Teaching Arrays to Novice Applied Science Students

KU Leuven
2026
Tine
Vervloet
Arrays zijn een basisonderdeel van leren programmeren, maar beginners vinden ze vaak het moeilijkste onderwerp. Dat geldt zeker voor studenten in toegepaste wetenschappen, voor wie programmeren eerder een hulpmiddel is dan hun hoofdinteresse. Deze masterproef onderzoekt hoe een gegamificeerde leeromgeving eerstejaarsstudenten Elektromechanica kan helpen om arrays te begrijpen.

Literatuur, examenresultaten en interviews met studenten en een expert brachten vier struikelblokken aan het licht: indexering, lussen combineren met arrays, waarden aanpassen tijdens een herhaling en veelvoorkomende bewerkingen. Op basis daarvan ontstond ArrayCamp. Die browsertool combineert het PRIMM-model, visuele oefeningen, Parsons-puzzels, gamificatie en AI-feedback.

Een evaluatie met 27 studenten toont dat ze de tool ondersteunend, gebruiksvriendelijk en motiverend vinden. Wel werkten weinig studenten de laatste opdrachten af, vooral door tijdsdruk vlak voor het examen. De AI-feedback in de tool was nog niet altijd consistent. Zo'n tool werkt dus pas echt als hij ook goed in de lessen wordt ingebed.
Meer lezen

The diversity of aquatic and moss-inhabiting diatom communities in the Westfjords, northern Iceland

Universiteit Antwerpen
2026
annika
coomans
De diversiteit van zoetwaterdiatomeeën in IJsland is nog onvoldoende gedocumenteerd, vooral in afgelegen regio's zoals de Westfjorden. Hierdoor blijft de biodiversiteit en ecologische structuur van diatomeeëngemeenschappen in deze regio grotendeels onbekend. In deze studie werd de zoetwaterdiatomeeënflora van de Westfjorden geïnventariseerd en werden patronen in de gemeenschapsstructuur onderzocht over verschillende aquatische en mosgebonden habitats. Tweeënzestig stalen afkomstig uit meren, poelen, rivieren, beken, watervallen en moshabitats werden geanalyseerd met behulp van lichtmicroscopie en, waar nodig, scanningelektronenmicroscopie. De diatomeeëngemeenschappen werden geïdentificeerd tot op het laagst mogelijke taxonomische niveau en geanalyseerd aan de hand van diversiteitsschattingen,
ordinatietechnieken en multivariate gemeenschapsanalyses. In totaal werden 403 taxa uit 71 genera geregistreerd, waaronder 317 taxa vastgesteld tijdens kwantitatieve tellingen en 86 aanvullende taxa die werden gedetecteerd tijdens kwalitatieve observaties. Schattingen van de soortenrijkdom suggereerden dat een aanzienlijk deel van de regionale flora nog niet werd waargenomen. Meer dan 60% van alle geregistreerde taxa kwam voor in minder dan 5% van de onderzochte stalen, wat wijst op het grote belang van zeldzame taxa binnen de diatomeeënflora van de Westfjorden. Er werden drie belangrijke diatomeeëngemeenschappen onderscheiden, die voornamelijk samenhingen met verschillen in habitattype en hydrologische omstandigheden. Daarnaast droeg het onderzoek bij aan de beschrijving en taxonomische herziening van verschillende taxa, waaronder de formele beschrijving van Planothidium islandicum als een nieuwe soort voor de wetenschap. De resultaten tonen aan dat de Westfjorden een uitzonderlijk diverse en ecologisch gedifferentieerde zoetwaterdiatomeeënflora herbergen. Deze studie levert een belangrijke basis voor toekomstig onderzoek naar biodiversiteit, biogeografie en ecologische veranderingen in IJslandse zoetwatersystemen.
Meer lezen

Wood identification and color technological research on 17th-century Flemish cabinets containing ebony (imitation)

Universiteit Antwerpen
2026
Flynn
Hermsen
In de 17de eeuw was Antwerpen een belangrijk Europees handelscentrum voor luxegoederen. Daartoe behoorden ook rijkelijk vervaardigde kabinetten, die vaak versierd waren met kostbare materialen en decoratieve technieken, zoals zilver, zijde, paneelschilderijen, ivoor, schildpad en ebbenhout. Ebbenhout is een zeldzame, dure, exotische zwarte houtsoort die werd gebruikt voor fineer en lijstwerk. Historische bronnen wijzen er echter op dat meubelmakers ook imitatietechnieken toepasten om het uitzicht van ebbenhout na te bootsen. Deze thesis onderzoekt de materialen en methodes die bij deze imitaties werden gebruikt, met als doel ambachtelijke praktijken bloot te leggen die vandaag nog grotendeels onbekend zijn. Hiervoor werd een gemengde aanpak gehanteerd, waarbij historisch onderzoek werd gecombineerd met wetenschappelijke analyse van een selectie 17de-eeuwse Vlaamse kabinetten. Dit omvatte houtidentificatie via optische microscopie en scanning-elektronenmicroscopie (SEM), en chemische karakterisering met draagbare X-ray fluorescentie (pXRF) en SEM-EDX. De analyse bevestigde een wisselende aanwezigheid van ebbenhoutimitatie op de onderzochte objecten. Visuele inspectie bleek nuttig om imitatie in fineer en lijstwerk op te sporen. In drie kabinetten werd vermoedelijk Pyrus sp. geïdentificeerd in plaats van Diospyros sp. Voor het onderzoek naar kleurtechnieken leverden XRF-metingen op de kabinetten en op testpanelen, gebaseerd op eigentijdse geschreven bronnen, een veelbelovende overlap op, maar bleven er hiaten. De studie wordt beperkt door analytische beperkingen, waardoor de resultaten slechts een gedeeltelijk beeld geven van de bredere praktijk van ebbenhoutimitatie in het 17de-eeuwse Vlaanderen. Toch is verder onderzoek nodig om de omvang en de technieken van deze vroege vorm van materiaalsubstitutie volledig te begrijpen, onder meer via uitgebreidere XRF-referentiemetingen op zowel ebbenhout als inheemse houtsoorten.
Meer lezen

Op jacht naar de Wilde Jagers: Een vergelijkend onderzoek naar de karakterisering van de leider van de Wilde Jacht

KU Leuven
2026
Nele
Peeters
Dit paper onderzoekt de karakterisering van de leider van de Wilde Jacht. Dit gebeurde door middel van een reeks casestudies waarin verschillende figuren aan bod kwamen: Odin, vrouw Holle, Tilke, Herne the Hunter, Gwyn ap Nudd en Arawn. Van de eerste vijf personages uit deze selectie bestaan verhalen waarin ze functioneren als leider van de Wilde Jacht. Het laatste personage lijkt echter geen leider van de Wilde Jacht te zijn hoewel zijn attributen en karakterisering in zijn eigen mythologie verder grotendeels vergelijkbaar is met die van Gwyn ap Nudd die deze rol wel bekleed. Verder wordt ook de rol van het paard en de hond binnen de Wilde Jacht onder de loep genomen met Sleipnir, de Cŵn Annwn en de Britse black dog-folklore als voorbeelden. Bij het onderzoeken van de karakterisering van deze personages wordt er zowel naar hun eigen mythologie los van de Jacht, als naar hun Jachtverhalen gekeken. Wanneer deze personages vergeleken worden, blijkt dat er een archetype bestaat waaraan de leider van de Wilde Jacht moet voldoen: hij of zij moet zich vrij kunnen verplaatsen, is in staat om de grenzen tussen rijken over te steken, mag niet beperkt worden tot een normale menselijke levensspanne en moet moreel ambigu of kwaadaardig zijn.
Meer lezen

BelRAI in de praktijk: hoe vertalen we de resultaten naar zorg op maat?

Hogeschool VIVES
2026
Guillian
Vanhaelst
In woonzorgcentra wordt via BelRAI-LTCF veel informatie verzameld over het functioneren, de zorgnoden en de aandachtspunten van bewoners. De resultaten van deze inschaling worden echter niet altijd systematisch vertaald naar concrete en evalueerbare zorgdoelen en acties. Dit onderzoek ging daarom na hoe de resultaten van een BelRAI-inschaling systematisch kunnen worden vertaald naar SMART-zorgdoelstellingen en acties voor bewoners in een woonzorgcentrum.

Hiervoor werd eerst de bestaande wetenschappelijke literatuur en relevante richtlijnen onderzocht. Vervolgens werd het BelRAI-proces binnen de eigen voorziening in kaart gebracht en werd de werkwijze in twee andere zorgorganisaties onderzocht. Door deze bevindingen met elkaar te vergelijken, werden belangrijke stappen geïdentificeerd die nodig zijn om van een BelRAI-resultaat tot doelgerichte zorg te komen.

Uit het onderzoek bleek dat vooral het gericht verzamelen van aanvullende observaties, het multidisciplinair bespreken van resultaten, het betrekken van het perspectief van de bewoner en het concreet vastleggen en opvolgen van zorgdoelen belangrijke schakels vormen. Op basis hiervan werd een mogelijke werkwijze ontwikkeld, samen met ondersteunende hulpmiddelen zoals een observatiebundel, een voorstel voor taakverdeling, een voorbereiding voor het multidisciplinair overleg en een SMART-doelstellingensjabloon.

De ontwikkelde werkwijze en hulpmiddelen vormen een basis voor verdere implementatie en evaluatie in de praktijk. Zo wil het onderzoek bijdragen aan een zorgplanning waarin informatie uit BelRAI niet alleen wordt geregistreerd, maar ook daadwerkelijk wordt gebruikt om zorg af te stemmen op wat voor de individuele bewoner belangrijk is.
Meer lezen

Van kerk naar pedagogische ontmoetingsruimte

Hogeschool UCLL
2026
Maxime
Neven
Dit ontwerpgericht onderzoek verkent een mogelijke nieuwe indeling voor de Sint-Pieterskerk van Sint-Truiden. De kerkruimte fungeert iedere donderdagvoormiddag als spel- en ontmoetingsruimte bij de organisatie KOALA voor kwetsbare gezinnen met kinderen tussen de nul en drie jaar. De aanleiding voor dit onderzoek vloeit voort uit de signalen van de begeleiders over de indeling en inkleding van de kerkruimte. Die zou naar hun mening onvoldoende aansluiten bij hun eigen noden, hun visie, de noden van de ouders en die van de kinderen. De centrale onderzoeksvraag luidt: Hoe kan de kerkruimte van KOALA Sint-Truiden worden ingericht zodat ze aansluit bij de pedagogische noden en leefwereld van kwetsbare gezinnen met jonge kinderen (0-3 jaar)?
De studie is theoretisch onderbouwd met inzichten uit onder meer het ecocipatieperspectief (Cockx, 2007) en de visie omtrent de ruimte als derde pedagoog (Malaguzzi in Reggio Emilia Approach, 2022). Deze kader hielpen om de relevantie van die onderzoek te kaderen binnen de richting Sociale Readaptatiewetenschappen.
De onderzoeksmethode bestond enerzijds uit kwalitatieve dataverzameling via individuele, semigestructureerde interviews met de begeleiders en de ouders. Op deze manier werd de huidige beleving van de kerkruimte in kaart gebracht, alsook de noden en behoeften die er leefden. Anderzijds werden er na uit uitvoeren van een aantal aanpassingen participerende observaties gevoerd, om ook de jonge kinderen te laten participeren en mee te nemen in dit onderzoek. Daarnaast werden tussentijds de ouders en begeleiders bevraagd over de uitgevoerde aanpassingen.
Uit de resultaten van de interviews kwamen vijf belangrijke wensen naar boven: meer gebruik maken van de beschikbare speelruimte, duidelijkheid creëren omtrent de ingang (een warm welkom), zorgen voor herkenbaarheid en erkenbaarheid, een gezellige sfeer creëren en de koude overbruggen. Voor elk van deze wensen werd een ontwerp opgesteld en goedgekeurd.
Meer lezen

Oude meubels, nieuwe verbindingen : Een ontwerpend onderzoek naar hergebruik en combinatiemogelijkheden

Universiteit Hasselt
2026
Paulien
Ceyssens
In Vlaanderen vormt het aanwezige meubilair bij renovaties van oudere woningen en bij multigenerationele woonvormen, zoals kangoeroewonen, vaak een uitdaging voor overeenstemming tussen generaties. Gebrek aan consensus tussen generaties leidt er regelmatig toe dat waardevolle oude Vlaamse meubels en erfstukken worden afgedankt. Deze thesis onderzoekt op welke manier hergebruik en herontwerp van typische oude Vlaamse meubels uit woningen van (groot)ouders een verbindende rol kunnen spelen binnen multigenerationeel samenleven in bestaande Vlaamse woningen.
Het onderzoek richt zich op de omgang met aanwezige oudere meubelstukken en verkent hoe deze kunnen worden geïnventariseerd, herbestemd en opnieuw samengesteld tot hedendaagse meubels die door meerdere generaties als functioneel, bruikbaar en esthetisch waardevol worden ervaren. Het bestaande interieur wordt daarbij benaderd als een materialenbank, waarbij behoud en herinterpretatie worden onderzocht als alternatief voor afdanken. Daarnaast wordt het principe van urban mining toegepast op de schaal van meubels en interieur, met specifieke aandacht voor typische oude Vlaamse meubelstukken.
Methodologisch combineert de thesis literatuurstudie met ontwerpgericht onderzoek. Relevante theoretische kaders rond meubelhergebruik, duurzaamheid en intergenerationele verbondenheid worden aangevuld met drie eigen casestudy’s, die worden uitgewerkt aan de hand van 3D uitwerkingen en fotocollages als visuele en ontwerpende dragers van het onderzoek. Het hieraan gekoppelde masterproject bestaat uit een hands-on ontwerpend onderzoek naar hergebruik en combinatiemogelijkheden van oude meubels, die ik effectief op schaal 1/1 uitwerk.
De verworven inzichten monden uit in de ontwikkelingen van een methode en concrete ontwerpvoorbeelden voor het hergebruik en herontwerp van oude meubels als verbindende elementen binnen een multigenerationele woning. Deze methode wordt toegepast op verschillende oude meubels, waardoor de herontworpen meubelstukken een centrale rol innemen. De thesis biedt zo zowel een theoretische onderbouwing als een ontwerpgerichte vertaling van meubelhergebruik, met aandacht voor duurzaamheid, erfgoed en intergenerationele samenhang.
Meer lezen

Financiële geletterdheid bij jongeren Jongeren en hun gezin educatief ondersteunen richting meer financiële zelfredzaamheid

Odisee Hogeschool
2026
Sofie
Smits
Deze bachelorproef onderzoekt hoe ouders, onderwijs en hulpverlening kinderen en jongeren krachtgericht kunnen ondersteunen bij financiële zelfredzaamheid. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar wat jongeren zelf kunnen leren, maar ook naar de omgeving waarin ze opgroeien. Vanuit deze inzichten werd de toolbox Groeien met centjes ontwikkeld zodat financiële opvoeding meegroeit met de leeftijd. Zo biedt de toolbox ouders, scholen en hulpverleners concrete manieren om financiële thema’s bespreekbaar te maken en jongeren te laten oefenen. De belangrijkste conclusie is dat financiële zelfredzaamheid geen individuele opdracht is. Jongeren hebben niet alleen kennis en vaardigheden nodig, maar ook een stabiele basis, ondersteuning en ruimte om te leren, fouten te maken en te groeien. Samenwerking tussen gezin, onderwijs en hulpverlening kan zo bijdragen aan een sterkere financiële start en aan de preventie van financiële problemen en (generatie)armoede.
Meer lezen

Unraveling the Scent of Perfume Dupes

Universiteit Gent
2026
Frances
Aelbrecht
Parfumdupes zijn betaalbare alternatieven voor designerparfums die steeds populairder worden, mede dankzij sociale media zoals TikTok. Maar ruiken ze echt hetzelfde, en zijn ze even veilig? Deze masterproef vergelijkt twee designerparfums met vijftien dupes via chemische analyses en brengt zo hun geurverschillen en mogelijke veiligheidsrisico's in kaart.

De resultaten zijn verrassend. Dupes slagen er goed in de openingsaroma’s na te bootsen, maar naarmate de geur evolueert op de huid, worden de verschillen merkbaar. Diepere noten worden vaak vervangen door goedkopere ingrediënten of simpelweg weggelaten. Een dupe overtuigt dus bij de eerste indruk, maar is niet altijd een volwaardig alternatief.

Wat betreft veiligheid bleek er geen duidelijk verband tussen de prijs van een parfum en de aanwezigheid van problematische stoffen. De allergenen die opdoken in de dupes, waren dezelfde als in de designerparfums. Zorgwekkender was de vondst van safrol en isosafrol in twee parfums van een toeristenmarkt. Deze stoffen zijn in de Europese Unie verboden in cosmetica en worden beschouwd als potentieel kankerverwekkend. Hoewel bijkomende analyses nodig zijn om hun aanwezigheid definitief te bevestigen, is hun detectie opvallend en wijst ze op een mogelijk risico bij parfums die buiten het reguliere handelscircuit worden verkocht.

Of een dupe dus het origineel waard is, hangt uiteindelijk af van wat je zoekt: de geur, de beleving, of een betaalbare prijs. Maar één ding is zeker: weten wat er in je flesje zit, is nooit een overbodige luxe. Want een parfum kies je met je neus, maar de veiligheid ervan verdient een kritische blik.
Meer lezen

Autogenic Pressure Carbonisation of Mixed Non-Recyclable Plastic Waste for Carbon Capture Applications

KU Leuven
2026
Wout
Deconninck
Deze masterproef onderzoekt of moeilijk recycleerbaar plasticafval, zoals PET-afval en sigarettenfilters, kan worden omgezet in poreuze actieve kool voor CO₂-capture. Hiervoor werd autogene drukcarbonisatie (APC) gecombineerd met KOH-activatie. Vooral PET-afval leverde veelbelovende resultaten op: het specifieke oppervlak steeg tot 1205 m²/g en er ontstond een sterk microporeuze structuur die geschikt is voor CO₂-adsorptie. Sigarettenfilters konden eveneens worden omgezet in koolstofrijk materiaal, terwijl een mengsel van beide afvalstromen geen positieve synergie vertoonde. De CO₂-opnametesten toonden hoge, maar nog verkennende waarden. Het onderzoek toont zo het potentieel om moeilijk recycleerbaar afval te valoriseren tot een materiaal met een mogelijke toepassing in CO₂-afvang.
Meer lezen

Assessing nutrition in sarcoma patients throughout their treatment: malnutrition risk and dietary shifts

Universiteit Gent
2026
Mathilde
Majchrzak
  • Emiel
    De Moerloose
Ondervoeding blijft een onderschat probleem bij kankerpatiënten, terwijl de gevolgen voor behandelingstolerantie, herstel en levenskwaliteit groot zijn. Toch wordt de ondervoeding nog onvoldoende systematisch beoordeeld in de oncologische zorg. Sarcoompatiënten vormen daarbij een bijzonder kwetsbare groep: ze ondergaan vaak lange, intensieve therapieën, maar worden zelden opgenomen in bredere nutritionele studies door de zeldzaamheid van hun aandoening.
Deze masterproef toont dat bovenarmomtrek (mid-upper arm circumference, MUAC) een laagdrempelige en bruikbare manier is om voedingstoestand op te volgen, zowel in het ziekenhuis als thuis. De praktische haalbaarheid van deze meting maakt niet alleen vroegdetectie van achteruitgang mogelijk, maar biedt patiënten ook de kans actief betrokken te blijven bij hun eigen zorg via eenvoudige zelfmonitoring.
Ten slotte werpt deze studie licht op de vraag in welke mate sarcoompatiënten voedingsadvies ontvangen, via welke kanalen dit gebeurt en welke veranderingen zij zelf in hun eetpatroon doorvoeren. Zo laat de studie zien hoe eenvoudige, betrouwbare metingen gecombineerd met inzicht in patiëntgedrag kunnen bijdragen aan vroegtijdige opsporing van ondervoeding, versterking van patiënten hun autonomie en een meer systematische, patiëntgerichte voedingszorg in de oncologie.
Meer lezen

‘Kom mee op het leerpad van je kind!’ Groeien naar een educatief partnerschap in Basisschool Brugge Centrum

Arteveldehogeschool Gent
2026
Leilah
Lierman
Mijn scriptie beschrijft een verandertraject rond educatief partnerschap binnen Basisschool Brugge Centrum. Uit een praktijkonderzoek bleek dat zowel leerkrachten als ouders kansen zien om de samenwerking rond het leren van kinderen te versterken. Wetenschappelijke literatuur bevestigt bovendien dat een sterke samenwerking tussen school en ouders een positieve invloed kan hebben op de leerontwikkeling, motivatie en het welbevinden van leerlingen.

Op basis van een literatuurstudie, bevragingen bij ouders en leerkrachten en gesprekken binnen het schoolteam ontwikkelde ik aanbevelingen voor een schooleigen, evidence-informed visie op educatief partnerschap. Deze visie vormt het fundament voor een verandertraject van drie jaar, waarbij ouders steeds meer als partners worden betrokken bij het leerproces van hun kind.

Samen met een kernteam en het schoolteam werken we aan concrete, leergerichte ouderactiviteiten en initiatieven die de verbinding tussen school en thuis versterken. Daarbij vertrekken we vanuit wat al goed werkt binnen de school en bouwen we stap voor stap verder. Het uiteindelijke doel is om het educatief partnerschap duurzaam te verankeren in de schoolwerking en zo bij te dragen aan maximale leerwinst en ontwikkelingskansen voor elke leerling.
Meer lezen

Ingenieur in de Maak? De Impact van een Projectmatige STEM-Interventie op de Ingenieursidentiteit van Vlaamse Scholieren

KU Leuven
2026
Lola
Demol
Om maatschappelijke uitdagingen aan te pakken, is de vraag naar sterke STEM-profielen en ingenieurs groot. De instroom blijft echter beperkt doordat jongeren vaak een stereotiep beroepsbeeld hebben en drempels ervaren om zich met het vakgebied te identificeren. Projectmatige STEM-interventies in het secundair onderwijs trachten jongeren te motiveren door de kloof met de praktijk te dichten. De impact hiervan op de ontwikkeling van de ingenieursidentiteit is echter onvoldoende systematisch onderzocht. Deze masterproef brengt de ingenieursidentiteit van Vlaamse leerlingen in de derde graad secundair onderwijs in kaart. Specifiek wordt onderzocht welke factoren hiermee samenhangen aan de startlijn en hoe deze evolueert na deelname aan een STEM-interventie.

In dit onderzoek werd een kwantitatief design met een voor- en nameting via vragenlijsten gehanteerd om de impact van verschillende projectmatige STEM-interventies doorheen het schooljaar te evalueren. De initiële steekproef bestond uit 459 leerlingen uit de derde graad van het secundair onderwijs met minstens enige interesse in ingenieurswetenschappen. Voor de effectmeting werd een subset van 283 leerlingen geanalyseerd die zowel de pre- als de post-test voltooiden. De data werden geanalyseerd via t-testen, variantieanalyses en meervoudige lineaire regressies. Uit de startmeting bleken significante structurele verschillen: binnen de geïnteresseerde groep scoorden jongens hoger dan meisjes op alle componenten van ingenieursidentiteit: interesse, competentie en erkenning. Daarnaast rapporteerden leerlingen van wie de ouders een master- of doctoraatsdiploma bezaten een hogere perceptie van de eigen competentie dan de leerlingen van wie de ouders een bachelor diploma bezaten. Wat betreft de psychologische componenten toonden de regressiemodellen aan dat sense of belonging (het gevoel erbij te horen) met voorsprong de sterkste verklarende factor was voor de opbouw van een ingenieursidentiteit, met een aanzienlijk grotere invloed dan louter de initiële interesse in engineering of STEM. Verder wezen de pre-post analyses op een algemene daling van de ingenieursidentiteit na de projecten, ongeacht het type interventie of de periode in het schooljaar. Bij leerlingen met een matige interesse (de 'twijfelaars') vertaalde dit zich in een afname op alle identiteitsschalen. Bij sterk geïnteresseerde leerlingen daalde enkel de interesse, terwijl hun gevoel van competentie en erkenning stabiel bleef.

De resultaten suggereren dat sense of belonging een fundamentelere laag vormt voor de ontwikkeling van een ingenieursidentiteit dan louter inhoudelijke interesse. Dit impliceert dat onderwijsinterventies niet uitsluitend moeten inzetten op technologische uitdagingen, maar expliciet moeten investeren in een inclusief leerklimaat om drempels voor ondervertegenwoordigde groepen, zoals meisjes, weg te werken. De geobserveerde daling in identiteitsscores hoeft niet als falen geïnterpreteerd te worden. Naast ongemeten doelen zoals leerwinst, fungeerde de interventie voor velen immers als een realistische oriëntatietool om verwachtingen te kalibreren voor het hoger onderwijs.
Meer lezen

Hoe kan je kleuters op een zelfsturende manier aan de nieuwe minimumdoelen van wiskunde laten werken?

Karel de Grote Hogeschool
2026
Noor
Van Hoeydonck
Vanuit de praktijk heb ik in mijn bachelorproef onderzoek gevoerd naar een manier hoe kleuters zelfsturend aan de slag kunnen gaan met de nieuwe wiskundige minimumdoelen. Bij de uitwerking van mijn activiteiten ligt de nadruk ook op het ontwikkelen van de executieve functies naast het behalen van de nieuwe wiskundige minimumdoelen via open, speelse en betekenisvolle activiteiten in een wiskundige kieskast. Uit observaties en screening heb ik enkele besluiten getrokken voor een verdere uitwerking van de kieskast daar dit wel een middel is tot het behalen van de wiskundige minimumdoelen en het ontwikkelen van executieve functies op een zelfsturende manier.
Meer lezen

Digital Payment Use Intensity and Consumer Spending Behavior Among Young Adults in Morocco

Andere
2026
Yassmine
Bassain
Deze scriptie omvat een onderzoek naar het verband tussen digitaal betalen en het doen van impulsaankopen en het beheersen van je budget. 53 Marokkanen uit mijn omgeving vulden een vragenlijst in over hun aankoopgedrag. Uit de analyses bleek dat digitaal betalen samenhangt met impulsaankopen maar niet met meer zelfcontrole over je uitgaven. Voor het precieze verband is meer onderzoek nodig. Ik doe enkele aanbevelingen om impulsaankopen tegen te gaan.
Meer lezen

Seks, intimiteit en romantische relaties in de gevangenis vanuit een mensenrechtelijk perspectief.

KU Leuven
2026
Elise
Dedier
Deze masterproef behandelt de vraag of mensen in detentie toegang zouden moeten krijgen tot ongestoord bezoek met een sekswerker, gelet op het normaliseringsbeginsel, het fundamentele recht om te kiezen met wie men intieme relaties wil aangaan en onderhouden als deel van het recht op privéleven, het gelijkheidsbeginsel en de recente hervormingen in de wetgeving inzake sekswerk.
Meer lezen

Het ontwikkelen en valideren van de Nurse Intuition Patient Deterioration Scale - Pediatrics (NIPDS-PED) om klinische achteruitgang te voorspellen bij pediatrische patiënten <1 jaar

Universiteit Antwerpen
2026
Charlotte
Bombeke
  • Noor
    Fransen
Klinische achteruitgang bij baby’s kan snel en subtiel verlopen. Verpleegkundigen voelen soms al dat er iets niet klopt voordat meetbare parameters duidelijk afwijkend zijn. In deze masterproef ontwikkelden en testten we daarom de Nurse Intuition Patient Deterioration Scale – Pediatrics (NIPDS-PED), een schaal met acht observeerbare signalen die het buikgevoel van verpleegkundigen concreter maakt. De schaal werd getest op twee pediatrische afdelingen bij 95 kinderen jonger dan één jaar, goed voor 131 beoordelingen. In 60 beoordelingen trad binnen 24 uur klinische achteruitgang op. De NIPDS-PED bleek ongeveer even goed in staat om achteruitgang te onderscheiden als de bestaande Pediatric Early Warning Score (PEWS). Daarnaast onderzochten we ouderlijke bezorgdheid en de gebruiksvriendelijkheid van de schaal. Ouderlijke bezorgdheid hing samen met de NIPDS-PED-score, maar voorspelde achteruitgang op zichzelf minder goed. Verpleegkundigen beoordeelden de gebruiksvriendelijkheid doorgaans met 8 op 10. De NIPDS-PED lijkt daarmee een veelbelovende aanvulling op bestaande waarschuwingsscores, maar verdere validatie in grotere en meer diverse patiëntengroepen is nodig.
Meer lezen

De-escalatietrainingen in het omgaan met agressie in de verpleegkunde

Hogeschool UCLL
2026
Yara
VERLEY
Agressie is de dag van vandaag een alomtegenwoordig probleem binnen de maatschappij, eveneens binnen de zorgsetting. Hierbij lijkt de kwaliteit van een veilige zorgomgeving en humane hulpverlening onder druk te staan. Zorgverleners, waaronder verpleegkundigen, ervaren steeds vaker oplopende spanningen en onvoorspelbaar gedrag. Daarnaast worden de verpleegkundigen vaker blootgesteld aan de zware gevolgen van agressie-incidenten, ondanks het bestaan van trainingen en protocollen. Een belangrijke oorzaak hiervan is het gebrek aan voldoende kennis, maar eveneens het gebrek aan vertrouwen in het correct handelen bij opkomende spanning en agressie. Er lijkt dus een groeiende nood te zijn aan effectieve de-escalatietraining in het omgaan met agressie.

De doelstelling van deze scriptie ligt in het onderzoeken van de effectiviteit van de-escalatietrainingen en bijgevolg ook uit te kunnen maken welke vorm van training het meest effectief is in het reduceren van agressie-incidenten.
Om dit mogelijk te maken werd in deze paper geopteerd voor een literatuurstudie uitgevoerd waarbij wetenschappelijke bronnen en systematische reviews werden geanalyseerd. De analyse focuste op drie kwaliteitscriteria: efficiëntie, doeltreffendheid en duurzaamheid.

Uit de resultaten blijkt dat de-escalatietrainingen effectief zijn in het verbeteren van de houding, competenties en het zelfvertrouwen van verpleegkundigen, maar dat er onvoldoende evidentie is dat trainingen als losstaande interventie voldoende zijn om het aantal agressie-incidenten te verminderen. Hiervoor is verder gespecificeerd onderzoek nodig.
Om de-escalerend te kunnen werken in het voorkomen van agressie-incidenten is een bredere multimodale aanpak nodig die zowel het individueel niveau omvat als het organisatorisch en structureel niveau.

Dit onderzoek toont aan dat investeren in de-escalatie loont. Desondanks zijn training alleen als interventie onvoldoende. Ze moeten ingebed worden in een duurzame, multimodale aanpak die zowel het individueel niveau van verpleegkundigen als het organisatieniveau aanpakt. Dit heeft als gevolg het creëren van een zorgomgeving waarin veiligheid, professionaliteit en menselijkheid centraal kunnen blijven staan.
Meer lezen

Ontwerpgerichte methodiek voor herbestemmingen van religieus erfgoed.

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Fleur
Sanchez
Overal ter wereld staan religieuze erfgoedsites onder druk. Door de secularisering van de maatschappij verliezen kerken en andere religieuze gebouwen hun oorspronkelijke functie en komen ze leeg te staan. Een nieuwe functie kan een gebouw een toekomst geven, maar een herbestemming is meer dan het simpelweg invullen van een nieuwe functie. Het is een complex proces waarin erfgoedwaarden, ontwerp, regelgeving, gebruikers en verschillende actoren voortdurend op elkaar inspelen.

Daarom onderzocht ik hoe een methodiek ontwikkeld kan worden die ontwerpers houvast biedt bij herbestemmingsprojecten van religieus erfgoed. Via literatuuronderzoek, analyse van bestaande procesmodellen, interviews en praktijkgerichte validatie bracht ik de verschillende aspecten, actoren en knelpunten van het proces in kaart. Ik onderzocht onder meer het Godshuis De Lichtervelde en het Begijnhof in Hasselt. Vervolgens toetste ik de ontwikkelde methodiek aan de Abdij van Herkenrode als testcase.

Uit het onderzoek bleek dat herbestemming geen strikt lineair proces is. Beslissingen veranderen voortdurend door nieuwe inzichten, randvoorwaarden en input van verschillende actoren. Daarom ontwikkelde ik een methodologisch model dat het proces opdeelt in vijf fases: vooronderzoek, haalbaarheidsstudie, ontwerp, uitvoering en ingebruikname. Terugkoppelingen verbinden deze fases met elkaar en maken zichtbaar wanneer eerdere keuzes opnieuw moeten worden onderzocht.

Daarnaast vormen ontwerpmethodieken en ruimtelijke ontwerpstrategieën een belangrijke schakel tussen analyse en ontwerp. Ze helpen ontwerpers om erfgoedwaarden, randvoorwaarden, het programma en ruimtelijke kwaliteit te vertalen naar concrete ontwerpkeuzes. Het model wordt aangevuld met digitale informatiefiches die per fase extra uitleg en praktische handvatten bieden.

Het eindresultaat is geen vast stappenplan dat voor elke kerk hetzelfde antwoord geeft. Het biedt ontwerpers een flexibel houvast om het complexe herbestemmingsproces te structureren, keuzes te onderbouwen en het ontwerp voortdurend af te toetsen. Zo bundelt de methodiek versnipperde kennis in één praktisch hulpmiddel voor toekomstige herbestemmingsprojecten van religieus erfgoed.
Meer lezen

¿Ofensivo o no? La detección automática de misoginia en Twitter mediante un modelo neuronal multilingüe

Universiteit Gent
2026
Jirky
Dumon
Deze scriptie onderzoekt in hoeverre een meertalig AI-systeem haatspraak tegen vrouwen automatisch kan opsporen op X - het voormalige Twitter - in het Nederlands, Engels en Spaans. De focust lag daarbij niet alleen op expliciet haatdragend taalgebruik, maar ook op impliciet vrouwonvriendelijke berichten. Een meertalig AI-systeem kreeg 4 320 tweets voorgeschoteld en moest vervolgens voorspellen of ze haatspraak bevatten of niet. Uit de resultaten is gebleken dat het systeem heel goed kan omgaan met expliciet haatdragende berichten, maar veel minder goed met impliciete gevallen (vooral in het Nederlands). De conclusie? Gezien hun snelheid is het erg nuttig om AI-tools in te zetten, maar het is essentieel dat hun werk een aanvulling is op en geen vervanging van menselijke moderatoren. De handen in elkaar slaan is de boodschap!
Meer lezen

Werk-Woorden-Ruimte

LUCA School of Arts
2026
Nick
Proot
Voor mijn educatieve masterscriptie onderzocht ik hoe studenten in het deeltijds kunstonderwijs zelf richting kunnen geven aan hun artistieke proces wanneer ze vastlopen. Daarvoor ontwikkelde ik Werk-Woorden-Ruimte: een doos met werkwoordkaarten, focuskaarten, een lexicon en een handleiding. Studenten combineren woorden, interpreteren ze vanuit hun eigen onderzoek en formuleren instructies voor zichzelf.

Gedurende vijf weken volgde ik het gebruik in twee groepen van het Projectatelier, bij volwassenen in de vierde graad Beeld. Via hun procesboeken onderzocht ik hoe de kaarten het experimenteren, reflecteren en benoemen van keuzes ondersteunden. Verschillende studenten vonden na een blokkade zelf een nieuwe werkrichting. Het onderzoek verkent zo hoe een open structuur houvast kan bieden en tegelijk ruimte laat voor autonomie en een eigen artistieke stem.
Meer lezen

Behaviour of the invasive lionfish Pterois miles in the Aegean Sea

HOGENT
2026
Wout
Vandenberghe
Onderzoek van het gedrag en de activiteit van de invasieve Indische koraalduivel Pterois miles in de Egeïsche Zee, meer specifiek rond het Griekse eiland Samos.
Meer lezen

Water Dichter, een metabool ontwerp voor een zwembare Roosterbeek

Universiteit Hasselt
2026
Jilles
van der Linde
Deze masterscriptie onderzoekt de grens tussen lichaam en water, door een kleine waterloop als zwembaar te benaderen. Waterlopen werden in Vlaanderen lang beschouwd als infrastructuur, hygiënisch risico of juridische last, waardoor de directe lichamelijke ervaring van water uit het dagelijks leven verdween. De laatste jaren ontstaat een voorzichtige kentering die buitenzwemmen opnieuw op de politieke agenda heeft gezet. Binnen die context onderzoekt deze scriptie onder welke ruimtelijke, ecologische en lichamelijke voorwaarden een kleine, waterloop opnieuw zwembaar kan worden, en hoe een ontwerp deze voorwaarden in één samenhangend systeem kan brengen.

De Roosterbeek in Midden-Limburg dient als case. Het onderzoek combineert een lichamelijke verkenning van de beek, gesprekken met experts uit waterbeheer en ecologie, een literatuurstudie naar zwembeleid en de fenomenologische omgang met water, en ontwerpend onderzoek waarin de bevindingen ruimtelijk worden getoetst. De analyse brengt verschillende obstakels voor zwembaarheid naar voren. De beek is op meerdere plekken ingebuisd, snijdt zich steeds dieper in door versnelde afvoer, en wordt bij regen vervuild door een riooloverstort. Deze problemen zijn niet apart oplosbaar; ze vragen om een aanpak die ecologie, infrastructuur en lichamelijke beleving samenbrengt.

Het ontwerp Water Dichter vertaalt deze inzichten in een sequentie van ingrepen waarin elk obstakel niet wordt weggewerkt maar omgekeerd. Rioolslib wordt warmte, buizen worden constructies, vervuild water wordt gezuiverd en gevierd. Het ontwerp positioneert zwembaarheid als ontwerpcriterium en zorg, die uit lichamelijk contact ontstaat, als ontwerpvoorwaarde. Daarmee biedt het een aanpak voor de herdenking van vergelijkbare kleine waterlopen in Vlaanderen.
Meer lezen

Heide onder druk

LUCA School of Arts
2026
Sophia
van Sloun
Klimaatverandering is geen abstract begrip meer: bos- en heidebranden,
overstromingen en andere rampen maken het zintuiglijk
tastbaar. Toch blijft de noodzaak tot een paradigmashift (waar
een nieuwe manier van denken op de voorgrond komt en oude
structuren doorbroken worden) vaak te ver van ons dagelijkse leven.
Door deze feiten subtiel te vertalen in objecten, kan distantie
doorbroken en bewustwording gestimuleerd worden om zo
onze vanzelfsprekende kijk op het heidelandschap, sterker nog
de klimaatverandering te herdenken. Om dit te realiseren richt
ik mijn onderzoek op een scala aan perspectieven met inbegrip
van de heide zelf om bestaande fricties transparant te duiden.
Mijn doel is de vaak verborgen ecologische en symbolische betekenissen
te vertalen naar een tastbaar, discursief ontwerp (een
ontwerpmethode die uitnodigt tot reflectie en dialoog).
Meer lezen

Protocol Identificatie Tweetalige TOS/OD (PITTO): de invloed van kind-interne en kind-externe factoren en afkapwaarden

KU Leuven
2026
Stien
Vankriekelsvenne
  • Emma
    Delbaere
Talige diversiteit is een realiteit in Vlaanderen en Brussel. Tijdens de taaldiagnostiek bij een tweetalig kind is het essentieel een onderscheid te maken tussen een typische tweetalige taalontwikkeling en een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Vandaag staan logopedisten zonder concrete handvaten voor deze uitdaging, wat leidt tot over- en onderdiagnose van TOS bij tweetalige kinderen. Bovendien compliceert de diversiteit binnen de tweetalige taalontwikkeling deze uitdaging. Verschillende factoren spelen hierin een rol: de leeftijd van het kind, de leeftijd waarop het kind voor het eerst met het Nederlands in contact komt, de hoeveelheid Nederlands het dagelijks hoort en spreekt, en de socio-economische context. Een holistisch beeld is dus noodzakelijk om een eventuele TOS correct te diagnosticeren. Deze masterproef biedt drempelwaarden voor een eerder ontwikkelde testcombinatie (PITTO) die het identificeren van TOS bij tweetalige kinderen mogelijk maakt. De drempelwaarden nemen de diversiteit binnen de tweetalige taalontwikkeling in acht en maken de implementatie van deze testcombinatie in de praktijk mogelijk. Dit is een grote en belangrijke stap richting een eerlijke taaldiagnostiek die het unieke taalverhaal van elk kind erkent.
Meer lezen

De bijdrage van groene infrastructuur aan koolstofopslag op campus Schoonmeersen

HOGENT
2026
Tristan
Kerger
Deze bachelorproef onderzoekt de koolstofopslag in de bodem van campus Schoonmeersen (HOGENT), en de wijze waarop bodemkoolstof meegenomen kan worden in het klimaatbeleid.
Meer lezen

Pulled in the Wrong Direction! Rethinking Response Control in Computational Models of Conflict Tasks

KU Leuven
2026
Stien
Mommen
In daily life, we constantly make decisions that require us to navigate multiple sources of information. For example, when deciding whether to push or pull to open a door, the design of the door handle may trigger the automatic response tendency to pull, while a “push” sign indicates the opposite response. This mismatch illustrates how various informational cues can signal different response options that compete for activation, thereby placing demands on our ability to control responses. Such situations have sparked a large body of research to study how well individuals can flexibly control their responses during cognitive conflict.

The central problem identified and addressed in this Master Thesis is that current conceptualizations of response control lack the specificity to provide a complete picture of this control ability. Traditionally, researchers have relied on summary statistics that only provide a coarse description of response control. The move toward computational modeling, with the Diffusion Model for Conflict tasks (DMC), allows response control to be studied in terms of latent processes that give rise to behavior. Despite these advances, I argue that a critical oversight remains: current model-based measures of response control neglect the full state of the decision-maker. Specifically, distractor strength, as quantified by the model’s “peak amplitude” parameter, is used as a proxy for response control. In other words, the notion of response control is often approached in a narrow and isolated manner. To address this oversight, the present thesis aims to refine the conceptualization of response control by taking the broader decision context into account. The first part therefore investigates how peak amplitude interacts with other DMC parameters, using a simulation-based approach. Based on these findings, alternative measures of response control are developed and systematically evaluated against comparative criteria. In the final part of the present work, the most robust measure is applied on empirical data in relation to the existence of a common response control mechanism underlying performance in different conflict tasks.

Through theoretical simulations, the results show that peak amplitude should not be considered in isolation to study response control. Rather, the effect of distractor strength (peak amplitude) on behavior depends on the amount of evidence one accumulates (decision boundary) and efficiency of evidence accumulation (drift rate). This has important implications: two individuals with the same peak amplitude may nevertheless differ greatly in how cognitive conflict impacts their decision formation. Therefore, I provide a novel conceptualization of response control that accounts for the dynamic interplay between automatic and controlled activation. Specifically, Triple R emerges as the most robust model-based measure of response control among the set of candidates outlined in this thesis. Furthermore, when applied to empirical data, the significant positive correlation of Triple R between different conflict tasks provides evidence for a common response control mechanism across contexts. This finding speaks directly to the long-standing debate on the domain-generality of response control and demonstrates the value of Triple R as a context-sensitive measure of response control.
Meer lezen

ERVARINGEN VAN OUDERS VAN JONGE KINDEREN (3 T.E.M. 6 JAAR) MET EEN AANGEBOREN IMMUUNSTOORNIS: EEN KWALITATIEVE EXPLORATIEVE STUDIE

Universiteit Gent
2026
Lobke
Bonte
Achtergrond: Een aangeboren immuunstoornis (inborn error of immunity, IEI) beïnvloedt niet alleen de gezondheid van het kind, maar ook het dagelijks functioneren van ouders en de gezinsdynamiek. Over de ervaringen van ouders van jonge kinderen met IEI is nog weinig bekend.

Doel: inzicht verwerven in hoe ouders het leven ervaren met een kind van 2 tot 6 jaar oud met IEI.

Methode: In een tertiair universitair centrum in Vlaanderen werd een kwalitatief exploratief onderzoek uitgevoerd. Zeven moeders namen deel aan semigestructureerde diepte-interviews. De gegevens werden primair inductief geanalyseerd met reflexieve thematische analyse, met aandacht voor expliciete en onderliggende betekenissen.

Resultaten: De analyse resulteerde in vijf onderling verbonden thema’s. ‘Voortdurende waakzaamheid’ beschrijft hoe moeders alert blijven op ziektesignalen en ervaringskennis opdoen. ‘De onzichtbare prijs van voortdurende waakzaamheid’ omvat de lichamelijke, mentale, professionele, financiële en sociale gevolgen van de zorg. ‘Een moeizaam traject naar erkenning en ondersteuning’ toont de zoektocht naar een diagnose, erkenning en passende ondersteuning. ‘Het gezin en de omgeving in beweging’ beschrijft verschuivingen in partnerrelaties, aandacht voor broers en zussen, gezinskeuzes en het familienetwerk. ‘Verlies en groei naast elkaar’ laat zien hoe verlies, trots, veerkracht en betekenisgeving samen kunnen komen.

Conclusie: Leven met een jong kind met IEI werd door zeven moeders van kinderen van 3 tot 6 jaar ervaren als een aanhoudende mentale waakzaamheid die verschillende levensdomeinen en het gezin beïnvloedt. De bevindingen onderstrepen het belang van gezinsgerichte zorg die naast medische noden ook aandacht heeft voor de vaak onzichtbare cognitieve en emotionele belasting van ouders.
Meer lezen

AI-ondersteunde vergelijkende analyse van internationale evoluties in de officina-apotheekpraktijk en hun relevantie voor de Belgische praktijk

Universiteit Antwerpen
2026
Cassandra
Krols
Deze masterproef onderzoekt hoe apothekers internationaal een ruimere rol opnemen in de zorg en wat België daarvan kan leren. Ik vergeleek twaalf landen aan de hand van veertien thema’s, waaronder bevoegdheden, opleiding, financiering en samenwerking met andere zorgverleners. Artificiële intelligentie ondersteunde het verzamelen en ordenen van informatie. De broncontrole en interpretatie voerde ik zelf uit. De vergelijking toont dat extra zorgtaken ook voldoende tijd, passende vergoeding, opleiding en toegang tot medische gegevens vragen. De bevindingen werden gebundeld in een interactief landenoverzicht.
Meer lezen