Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Ontwikkeling van een Energy Management System voor slim energiebeheer van een biogasinstallatie

Hogeschool UCLL
2026
Antoon
Grauls
Guilliams Green Power is een biogasinstallatie, opgericht door Ruben, Rohald en Reinout Guilliams, gelegen te Boutersem. Deze installatie verwerkt dagelijks 250 ton mest en organisch afval, wat overeenkomt met ongeveer 90.000 ton per jaar. Bij de vergisting van dit afval ontstaat biogas, dat in drie WKK-installaties wordt verbrand en zo 2.8 MW aan groene elektriciteit oplevert.
Anderhalf jaar vóór de start van deze stage werden op de site 24 elektrische loggings geïnstalleerd. Kort daarna werd ook een accu van 1MW/2MWh geplaatst om in te spelen op de FCR-markt, deze markt stabiliseert afwijkingen van de netfrequentie binnen 30 seconden rond 50 Hz. Verder werd tijdens de stageperiode door Fluvius een snelle digitale meter geïnstalleerd om het totaalvermogen van de site nauwkeuriger te monitoren.
De stageopdracht bestond uit het ontwikkelen van een Energy Management System (EMS) dat als doel heeft de import van elektriciteit te minimaliseren en overmatige injectie boven het contractueel vermogen te vermijden. In de eerste fase werden de teller- en loggingsgegevens theoretisch geanalyseerd en gevisualiseerd in Excel. In de tweede fase werd, in samenwerking met de externe programmeur, een eerste versie van de EMS-applicatie ontwikkeld.
Dit EMS automatiseert het aan- en uitschakelen van toestellen binnen de installatie op basis van de het gemeten totaalvermogen en de actuele energieprijs. Zo wordt de energie-import beperkt wanneer er te weinig opwekking is, en worden injectiepieken afgevlakt wanneer de accu injecteert en de WKK’s maximaal vermogen leveren. Dit EMS geeft Guilliams Green Power een duidelijk verbeterde controle over het energiebeheer van hun biogasinstallatie.
Meer lezen

POEMBAKterie: A characterisation of the household kitchen sink microbiome

Universiteit Antwerpen
2026
Jozefien
Mellebeek
The environmental microbiome plays a well-established role in influencing human health. While bacterial communities associated with hospital sinks have been extensively documented due to their relevance in infection control, the microbiome of sinks in non-clinical, domestic settings remains comparatively underexplored.
Therefore, the ongoing POEMBAKterie project in our research group aims to characterise the microbial composition of household kitchen sinks in Antwerp. In this thesis, a citizen science approach was employed to collect household kitchen sink samples and associated household metadata as part of the POEMBAKterie project.
Full-length 16S rRNA gene sequencing was performed to characterise bacterial community composition at high taxonomic resolution. In addition, cultivation-based methods using selective media were applied to detect viable opportunistic bacteria, with a focus on the detection of Escherichia coli. Sequencing data were analysed to assess
bacterial community composition, alpha and beta diversity and differences between sample types and households.
Sequencing revealed diverse microbial communities dominated by the phyla Pseudomonadota, Actinomycetota, Bacillota and Bacteroidota, consistent with previously described built-environment microbiomes. At the genus level, taxa such as Microbacterium, Acinetobacter, Paracoccus, Pseudomonas, Moraxella and Stenotrophomonas were most abundant, many of which have previously been associated with water systems, food-related environments, and human microbiota. Significant differences in bacterial community composition were observed between sample types, although substantial overlap and within-group variability were present. In contrast, variation between household locations was limited, likely due to the small sample size. Potential opportunistic bacterial taxa, including E. coli, were detected through both sequencing and cultivation-based approaches. However, overlap between the two methods was only partial, highlighting methodological differences related to viability assessment and methodological sensitivity. Importantly, the presence of these taxa alone is insufficient to infer pathogenicity or infection risk.
Overall, these findings indicate that kitchen sinks represent complex microbial ecosystems shaped by multiple environmental and human inputs and demonstrate the value of combining sequencing and cultivation to characterise both microbial diversity and viability.
Meer lezen

Zijn patronen de basis van de wiskunde?

Universiteit Antwerpen
2026
Goedele
Mertens
Deze studie onderzoekt het effect van een kortdurende interventie gericht op herhalende en groeiende patronen
bij 4-5 jarigen en de mogelijke transfer naar numerieke vaardigheden. In een quasi-experimenteel pretest
posttestdesign namen 116 kleuters deel, verdeeld over een interventie- en controlegroep. De interventie omvat
twaalf lessen, gespreid over vier weken. Tijdens de interventie verwerven kleuters inzicht in de structuur van
patronen via bewegingsactiviteiten, het identificeren van de patrooneenheid, expliciete instructie in wiskundige
taal en het gebruik van abstracte labels (bv. ABAB, AABAAB), ondersteund door spel, prentenboeken, concreet
materiaal en herhaling. Patroonvaardigheid en numerieke vaardigheden worden gemeten aan de hand van
gestandaardiseerde pre- en posttests, bestaande uit taken rond het uitbreiden, generaliseren en structureren
van zowel herhalende als groeiende patronen enerzijds en basisvaardigheden zoals tellen, vergelijken en
eenvoudige rekenhandelingen anderzijds. De interventie heeft een sterk significant effect op patroonvaardigheid
en een significant effect op numerieke vaardigheid. Voor patroonvaardigheid lijkt de interventie bovendien bij
te dragen aan het verkleinen van verschillen naar sociaaleconomische status. Deze bevindingen ondersteunen
het belang van expliciete directe instructie in patroonstructuren bij kleuters en dragen bij aan het debat rond
transfer in vroeg wiskundeonderwijs.
Meer lezen

Diagnostische vertraging bij endometriose

Arteveldehogeschool Gent
2026
Lineke
van Niejenhuis
In deze bachelorproef is literatuurstudie gedaan naar de oorzaken van de diagnostische vertraging bij endometriose en welke impact dit heeft op het psychologisch welzijn, de vruchtbaarheid en de levenskwaliteit bij vrouwen met een kinderwens. Uit de literatuurstudie kwam naar voren dat veel vertraging ontstaat door patiëntgerelateerde factoren. Jongeren en volwassenen hebben weinig kennis over normale en abnormale menstruatieklachten. Hierdoor is als praktijkdeel een educatief bordspel ontwikkelt wat bij kan dragen aan meer kennis over endometriose.
Meer lezen

Langlezend!

Hogeschool PXL
2026
Nina
Reumers
Binnen deze bachelorproef werd onderzocht hoe bibliotheken en scholen sterker kunnen
samenwerken rond leesbevordering binnen de eerste graad A-stroom. Aan de hand van
literatuuronderzoek, interviews met bibliotheken en leerkrachten, analyses van leerplannen
en methodes en overlegmomenten binnen het project Langlezend! werd nagegaan welke
noden er vandaag bestaan rond leesmotivatie en leesbevordering binnen de
onderwijspraktijk.

Uit het onderzoek bleek dat veel leerkrachten nood hebben aan overzichtelijke, betrouwbare en direct bruikbare materialen rond lezen en literatuur. Tegelijk organiseren bibliotheken al heel wat sterke initiatieven, maar vinden deze niet altijd hun weg naar de klaspraktijk, of proberen ze veel dezelfde dingen uit in hun regio en zouden ook zij graag inspiratie opdoen.

Vanuit deze vaststellingen werd in samenwerking met smartICT een databank ontwikkeld waarin leesbevorderend materiaal, bibliotheekinitiatieven en lesideeën centraal verzameld worden. Deze databank zal in september 2026 officieel gelanceerd worden.

Daarnaast werd ook gewerkt rond een samenleesapp die in de toekomst gelanceerd zal
worden. Op basis van deze app werd een interactieve lessenreeks ontwikkeld waarin leerlingen samen lezen, reageren op teksten en deelnemen aan digitale leesgroepen. De lessenreeks werd geïntegreerd binnen de databank als voorbeeld van innovatief leesbevorderend materiaal.

Deze bachelorproef toont aan hoe belangrijk de ondersteuning van leerkrachten is binnen leesbevordering en hoe scholen en bibliotheken elkaar hierin kunnen versterken.
Meer lezen

Bijen op school

Odisee Hogeschool
2026
Mehdi
Brik
Deze bachelorproef onderzoekt hoe een schoolproject rond solitaire bijen kan bijdragen aan biodiversiteitseducatie in het lager onderwijs. Via ontwerpgericht onderzoek werd een schoolbrede werking uitgewerkt waarin drie elementen samenkomen: een educatieve leerlijn, de ecologische inrichting van de schoolomgeving en betrokkenheid van ouders en buurt. Leerlingen krijgen per graad een eigen rol als creatieve, planten- of nestelambassadeur. Ze observeren, planten, ontwerpen en bouwen onder meer aan een bijenburcht. Zo wordt de schoolomgeving ingezet als levende leeromgeving. De evaluatie toont vooral de meerwaarde van de koppeling tussen leren en handelen. Hoewel de leerwinst en ecologische impact niet kwantitatief werden gemeten, biedt het ontwerp een bruikbaar en haalbaar kader voor scholen die biodiversiteitseducatie concreet en betekenisvol willen maken.
Meer lezen

PROEF JIJ ZOET? EEN PRAKTIJKGERICHT ONDERZOEK NAAR DE INZET VAN SENSORISCHE EN NUTRITIONELE WERKVORMEN BIJ SUIKERREDUCTIE BINNEN DE DIEETPRAKTIJK.

Hogeschool UCLL
2026
Ilayda
Gümüs
  • Siska
    Vanderheyden
Deze scriptie onderzoekt hoe sensorische technieken kunnen helpen om minder suiker te consumeren zonder in te boeten aan smaakbeleving. Er werd nagegaan hoe sensorische eigenschappen zoals geur, kleur en textuur de zoetwaarneming beïnvloeden en hoe diëtisten deze inzichten kunnen toepassen in hun begeleiding. Op basis van de resultaten werd de workshop ‘Proef jij zoet?’ ontwikkeld, waarmee diëtisten op een praktische en interactieve manier kennismaken met sensorische technieken voor suikerreductie.
Meer lezen

A Research-Based Gamification Solution for Teaching Arrays to Novice Applied Science Students

KU Leuven
2026
Tine
Vervloet
Arrays zijn een basisonderdeel van leren programmeren, maar beginners vinden ze vaak het moeilijkste onderwerp. Dat geldt zeker voor studenten in toegepaste wetenschappen, voor wie programmeren eerder een hulpmiddel is dan hun hoofdinteresse. Deze masterproef onderzoekt hoe een gegamificeerde leeromgeving eerstejaarsstudenten Elektromechanica kan helpen om arrays te begrijpen.

Literatuur, examenresultaten en interviews met studenten en een expert brachten vier struikelblokken aan het licht: indexering, lussen combineren met arrays, waarden aanpassen tijdens een herhaling en veelvoorkomende bewerkingen. Op basis daarvan ontstond ArrayCamp. Die browsertool combineert het PRIMM-model, visuele oefeningen, Parsons-puzzels, gamificatie en AI-feedback.

Een evaluatie met 27 studenten toont dat ze de tool ondersteunend, gebruiksvriendelijk en motiverend vinden. Wel werkten weinig studenten de laatste opdrachten af, vooral door tijdsdruk vlak voor het examen. De AI-feedback in de tool was nog niet altijd consistent. Zo'n tool werkt dus pas echt als hij ook goed in de lessen wordt ingebed.
Meer lezen

The diversity of aquatic and moss-inhabiting diatom communities in the Westfjords, northern Iceland

Universiteit Antwerpen
2026
annika
coomans
De diversiteit van zoetwaterdiatomeeën in IJsland is nog onvoldoende gedocumenteerd, vooral in afgelegen regio's zoals de Westfjorden. Hierdoor blijft de biodiversiteit en ecologische structuur van diatomeeëngemeenschappen in deze regio grotendeels onbekend. In deze studie werd de zoetwaterdiatomeeënflora van de Westfjorden geïnventariseerd en werden patronen in de gemeenschapsstructuur onderzocht over verschillende aquatische en mosgebonden habitats. Tweeënzestig stalen afkomstig uit meren, poelen, rivieren, beken, watervallen en moshabitats werden geanalyseerd met behulp van lichtmicroscopie en, waar nodig, scanningelektronenmicroscopie. De diatomeeëngemeenschappen werden geïdentificeerd tot op het laagst mogelijke taxonomische niveau en geanalyseerd aan de hand van diversiteitsschattingen,
ordinatietechnieken en multivariate gemeenschapsanalyses. In totaal werden 403 taxa uit 71 genera geregistreerd, waaronder 317 taxa vastgesteld tijdens kwantitatieve tellingen en 86 aanvullende taxa die werden gedetecteerd tijdens kwalitatieve observaties. Schattingen van de soortenrijkdom suggereerden dat een aanzienlijk deel van de regionale flora nog niet werd waargenomen. Meer dan 60% van alle geregistreerde taxa kwam voor in minder dan 5% van de onderzochte stalen, wat wijst op het grote belang van zeldzame taxa binnen de diatomeeënflora van de Westfjorden. Er werden drie belangrijke diatomeeëngemeenschappen onderscheiden, die voornamelijk samenhingen met verschillen in habitattype en hydrologische omstandigheden. Daarnaast droeg het onderzoek bij aan de beschrijving en taxonomische herziening van verschillende taxa, waaronder de formele beschrijving van Planothidium islandicum als een nieuwe soort voor de wetenschap. De resultaten tonen aan dat de Westfjorden een uitzonderlijk diverse en ecologisch gedifferentieerde zoetwaterdiatomeeënflora herbergen. Deze studie levert een belangrijke basis voor toekomstig onderzoek naar biodiversiteit, biogeografie en ecologische veranderingen in IJslandse zoetwatersystemen.
Meer lezen

Girl, so authentic...: Over percepties van authenticiteit, performativiteit en gender in hedendaagse popmuziek: de casus Brat van Charli xcx (2024)

Universiteit Gent
2026
Robin
De Bel
Mijn scriptie onderzoekt hoe authenticiteit wordt geconstrueerd en gepercipieerd binnen hedendaagse popmuziek, met Brat (2024) van Charli xcx als casus. Centraal staat de vraag hoe opvattingen over authenticiteit veranderen in een popcultuur die sterk wordt gekenmerkt door performance, commercialisering en digitalisering. Daarnaast wordt onderzocht hoe gender en de culturele positie van luisteraars deze percepties beïnvloeden.

Aan de hand van vijftien semigestructureerde diepte-interviews met jonge luisteraars en een reflexieve thematische analyse toont het onderzoek dat authenticiteit steeds minder wordt verbonden aan de afwezigheid van performance of commercie. Luisteraars blijken zich sterk bewust van de geconstrueerde aard van popmuziek, maar ervaren die constructie niet noodzakelijk als strijdig met authenticiteit. Zelfbewuste performance, ironie en hyperstilisering kunnen juist bijdragen aan de geloofwaardigheid van een artiest.

Tegelijk blijkt authenticiteit geen neutraal criterium. Heteromannelijke respondenten verbinden authenticiteit vaker aan artistieke ernst, muzikaliteit en afstand tot mainstream pop, terwijl vrouwelijke respondenten sterker nadruk leggen op emotionele herkenning en identificatie. Ook digitale platformen spelen een belangrijke rol: sociale media creëren een gevoel van nabijheid tussen artiest en publiek, hoewel luisteraars zich bewust blijven van de strategische en commerciële mechanismen daarachter.

De scriptie concludeert dat authenticiteit binnen hedendaagse popcultuur het best kan worden begrepen als een relationeel en voortdurend onderhandelingsproces tussen artiest, media en publiek. Brat illustreert daarbij hoe performativiteit, commercialiteit en authenticiteit niet noodzakelijk elkaars tegenpolen zijn, maar steeds sterker met elkaar verweven raken.
Meer lezen

L'Interpretazione Intralinguistica in Italia: Un quadro pratico e teorico

KU Leuven
2026
Vittorio
Mongelli
Deze masterproef onderzoekt de stand van zaken van intralinguaal tolken in Italië, met de nadruk op twee praktijken: tolken naar eenvoudige taal (Easy Language Interpreting, ELI) en respeaking. Na een systematisch literatuuronderzoek naar duidelijke en eenvoudige taal, de Duitse en Israëlische ELI-studies en de ontwikkeling van respeaking, wordt de praktijk in kaart gebracht aan de hand van interviews met Italiaanse experts en professionals.

De resultaten tonen een sterk contrast. Respeaking is in Italië een gevestigde praktijk, vooral in televisie en ondertiteling, mede dankzij de wetgeving. ELI blijft daarentegen beperkt tot sporadische initiatieven, deels omdat er in Italië geen sturing van bovenaf is zoals in Duitsland. Vervolgens wordt een theoretisch kader opgebouwd rond begrijpelijkheid, lexicon, ethiek, competenties en opleiding, en de rol van kunstmatige intelligentie. Beide praktijken wijzigen de brontekst, maar ELI steunt op weglating als kernprincipe, terwijl respeaking trouwer blijft aan het origineel.

Uit de conclusie blijkt dat de erkenning van intralinguaal tolken niet alleen afhangt van technologie of opleiding, maar ook van de maatschappelijke waarde die aan het doelpubliek wordt toegekend. In een beroep dat door innovatie en AI verandert, worden de aanpassingsvaardigheden van de tolk steeds centraler.
Meer lezen

Op jacht naar de Wilde Jagers: Een vergelijkend onderzoek naar de karakterisering van de leider van de Wilde Jacht

KU Leuven
2026
Nele
Peeters
Dit paper onderzoekt de karakterisering van de leider van de Wilde Jacht. Dit gebeurde door middel van een reeks casestudies waarin verschillende figuren aan bod kwamen: Odin, vrouw Holle, Tilke, Herne the Hunter, Gwyn ap Nudd en Arawn. Van de eerste vijf personages uit deze selectie bestaan verhalen waarin ze functioneren als leider van de Wilde Jacht. Het laatste personage lijkt echter geen leider van de Wilde Jacht te zijn hoewel zijn attributen en karakterisering in zijn eigen mythologie verder grotendeels vergelijkbaar is met die van Gwyn ap Nudd die deze rol wel bekleed. Verder wordt ook de rol van het paard en de hond binnen de Wilde Jacht onder de loep genomen met Sleipnir, de Cŵn Annwn en de Britse black dog-folklore als voorbeelden. Bij het onderzoeken van de karakterisering van deze personages wordt er zowel naar hun eigen mythologie los van de Jacht, als naar hun Jachtverhalen gekeken. Wanneer deze personages vergeleken worden, blijkt dat er een archetype bestaat waaraan de leider van de Wilde Jacht moet voldoen: hij of zij moet zich vrij kunnen verplaatsen, is in staat om de grenzen tussen rijken over te steken, mag niet beperkt worden tot een normale menselijke levensspanne en moet moreel ambigu of kwaadaardig zijn.
Meer lezen

From soil to satellite: wildfire detection and vegetation recovery monitoring

Universiteit Gent
2026
Astrid
Peeters
Deze thesis onderzoekt de ecologische gevolgen van de bosbrand van 23 maart
2025 in de Clingse Bossen en evalueert het gebruik van satellietbeelden voor de
detectie van verbrande gebieden en de monitoring van vegetatieherstel. De brand
in Clinge vond plaats in een ecosysteem dat reeds onder druk stond door een
grootschalige fijnsparsterfte (Picea abies) als gevolg van aantastingen door de let
terzetter (Ips typographus). De resultaten tonen aan dat de brand, ondanks haar
relatief lage intensiteit, duidelijke effecten had op zowel de bodem als de vegetatie.
Verbrande bodems vertoonden veranderingen in waterafstotendheid, bulkdichtheid
en pH. Zowel de vegetatiebedekking als het aantal soorten namen toe tijdens het
eerste jaar na de brand, maar het herstel werd sterk gedomineerd door schapenzur
ing (Rumex acetosella), een pionierssoort die goed aangepast is aan droge, voed
selarme en verstoorde zandgronden.

Daarnaast werd onderzocht hoe verschillende spectrale indices op basis van Sentinel
2 kunnen worden ingezet voor branddetectie en post-brandmonitoring. Hiervoor
werden brandlocaties in Clinge, Arlon, Maasmechelen en Houffalize geanalyseerd.
Indices zoals NDVI, NDVI red edge, NBR, NBR+, NBR2, NDSWIR en BAI werden
vergeleken voor het detecteren van verbrande zones, waarbij NBR over het alge
meen de beste resultaten opleverde. Daarnaast werd de Post-Fire Stability Index
(PFSI), gebaseerd op NBR2, gebruikt om vegetatieherstel doorheen de tijd op te
volgen. De resultaten tonen aan dat Sentinel-2 en afgeleide indices waardevolle
instrumenten zijn voor het detecteren van natuurbranden en het monitoren van
herstelprocessen in België.
Meer lezen

Van kerk naar pedagogische ontmoetingsruimte

Hogeschool UCLL
2026
Maxime
Neven
Dit ontwerpgericht onderzoek verkent een mogelijke nieuwe indeling voor de Sint-Pieterskerk van Sint-Truiden. De kerkruimte fungeert iedere donderdagvoormiddag als spel- en ontmoetingsruimte bij de organisatie KOALA voor kwetsbare gezinnen met kinderen tussen de nul en drie jaar. De aanleiding voor dit onderzoek vloeit voort uit de signalen van de begeleiders over de indeling en inkleding van de kerkruimte. Die zou naar hun mening onvoldoende aansluiten bij hun eigen noden, hun visie, de noden van de ouders en die van de kinderen. De centrale onderzoeksvraag luidt: Hoe kan de kerkruimte van KOALA Sint-Truiden worden ingericht zodat ze aansluit bij de pedagogische noden en leefwereld van kwetsbare gezinnen met jonge kinderen (0-3 jaar)?
De studie is theoretisch onderbouwd met inzichten uit onder meer het ecocipatieperspectief (Cockx, 2007) en de visie omtrent de ruimte als derde pedagoog (Malaguzzi in Reggio Emilia Approach, 2022). Deze kader hielpen om de relevantie van die onderzoek te kaderen binnen de richting Sociale Readaptatiewetenschappen.
De onderzoeksmethode bestond enerzijds uit kwalitatieve dataverzameling via individuele, semigestructureerde interviews met de begeleiders en de ouders. Op deze manier werd de huidige beleving van de kerkruimte in kaart gebracht, alsook de noden en behoeften die er leefden. Anderzijds werden er na uit uitvoeren van een aantal aanpassingen participerende observaties gevoerd, om ook de jonge kinderen te laten participeren en mee te nemen in dit onderzoek. Daarnaast werden tussentijds de ouders en begeleiders bevraagd over de uitgevoerde aanpassingen.
Uit de resultaten van de interviews kwamen vijf belangrijke wensen naar boven: meer gebruik maken van de beschikbare speelruimte, duidelijkheid creëren omtrent de ingang (een warm welkom), zorgen voor herkenbaarheid en erkenbaarheid, een gezellige sfeer creëren en de koude overbruggen. Voor elk van deze wensen werd een ontwerp opgesteld en goedgekeurd.
Meer lezen

Oude meubels, nieuwe verbindingen : Een ontwerpend onderzoek naar hergebruik en combinatiemogelijkheden

Universiteit Hasselt
2026
Paulien
Ceyssens
In Vlaanderen vormt het aanwezige meubilair bij renovaties van oudere woningen en bij multigenerationele woonvormen, zoals kangoeroewonen, vaak een uitdaging voor overeenstemming tussen generaties. Gebrek aan consensus tussen generaties leidt er regelmatig toe dat waardevolle oude Vlaamse meubels en erfstukken worden afgedankt. Deze thesis onderzoekt op welke manier hergebruik en herontwerp van typische oude Vlaamse meubels uit woningen van (groot)ouders een verbindende rol kunnen spelen binnen multigenerationeel samenleven in bestaande Vlaamse woningen.
Het onderzoek richt zich op de omgang met aanwezige oudere meubelstukken en verkent hoe deze kunnen worden geïnventariseerd, herbestemd en opnieuw samengesteld tot hedendaagse meubels die door meerdere generaties als functioneel, bruikbaar en esthetisch waardevol worden ervaren. Het bestaande interieur wordt daarbij benaderd als een materialenbank, waarbij behoud en herinterpretatie worden onderzocht als alternatief voor afdanken. Daarnaast wordt het principe van urban mining toegepast op de schaal van meubels en interieur, met specifieke aandacht voor typische oude Vlaamse meubelstukken.
Methodologisch combineert de thesis literatuurstudie met ontwerpgericht onderzoek. Relevante theoretische kaders rond meubelhergebruik, duurzaamheid en intergenerationele verbondenheid worden aangevuld met drie eigen casestudy’s, die worden uitgewerkt aan de hand van 3D uitwerkingen en fotocollages als visuele en ontwerpende dragers van het onderzoek. Het hieraan gekoppelde masterproject bestaat uit een hands-on ontwerpend onderzoek naar hergebruik en combinatiemogelijkheden van oude meubels, die ik effectief op schaal 1/1 uitwerk.
De verworven inzichten monden uit in de ontwikkelingen van een methode en concrete ontwerpvoorbeelden voor het hergebruik en herontwerp van oude meubels als verbindende elementen binnen een multigenerationele woning. Deze methode wordt toegepast op verschillende oude meubels, waardoor de herontworpen meubelstukken een centrale rol innemen. De thesis biedt zo zowel een theoretische onderbouwing als een ontwerpgerichte vertaling van meubelhergebruik, met aandacht voor duurzaamheid, erfgoed en intergenerationele samenhang.
Meer lezen

Financiële geletterdheid bij jongeren Jongeren en hun gezin educatief ondersteunen richting meer financiële zelfredzaamheid

Odisee Hogeschool
2026
Sofie
Smits
Deze bachelorproef onderzoekt hoe ouders, onderwijs en hulpverlening kinderen en jongeren krachtgericht kunnen ondersteunen bij financiële zelfredzaamheid. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar wat jongeren zelf kunnen leren, maar ook naar de omgeving waarin ze opgroeien. Vanuit deze inzichten werd de toolbox Groeien met centjes ontwikkeld zodat financiële opvoeding meegroeit met de leeftijd. Zo biedt de toolbox ouders, scholen en hulpverleners concrete manieren om financiële thema’s bespreekbaar te maken en jongeren te laten oefenen. De belangrijkste conclusie is dat financiële zelfredzaamheid geen individuele opdracht is. Jongeren hebben niet alleen kennis en vaardigheden nodig, maar ook een stabiele basis, ondersteuning en ruimte om te leren, fouten te maken en te groeien. Samenwerking tussen gezin, onderwijs en hulpverlening kan zo bijdragen aan een sterkere financiële start en aan de preventie van financiële problemen en (generatie)armoede.
Meer lezen

Trustworthy Deep Learning Framework for LDI Perfusion Map Emulation: Towards Accessible Burn Wound Diagnostics

Universiteit Gent
2026
Emiel
Bonnier
Wist je dat artsen de ernst en genezing van brandwonden met het blote oog in wel 40% van de gevallen verkeerd inschatten? De beste methode om de schade aan de huid vandaag objectief te beoordelen is Laser Doppler Imaging, een techniek die de doorbloeding van het weefsel meet. Deze scanners zijn heel erg duur en zwaar, waardoor ze voor een groot deel van de wereld simpelweg onbereikbaar zijn. In mijn masterproef ontwikkelde ik daarom een alternatief: een betrouwbaar deep learning-model dat hetzelfde kan op basis van een gewone digitale foto. Het algoritme transformeert een standaardafbeelding naar een virtuele doorbloedingskaart, waardoor artsen overal ter wereld snel en nauwkeurig kunnen bepalen of een brandwond vanzelf geneest of een operatie vereist.
Meer lezen

Autogenic Pressure Carbonisation of Mixed Non-Recyclable Plastic Waste for Carbon Capture Applications

KU Leuven
2026
Wout
Deconninck
Deze masterproef onderzoekt of moeilijk recycleerbaar plasticafval, zoals PET-afval en sigarettenfilters, kan worden omgezet in poreuze actieve kool voor CO₂-capture. Hiervoor werd autogene drukcarbonisatie (APC) gecombineerd met KOH-activatie. Vooral PET-afval leverde veelbelovende resultaten op: het specifieke oppervlak steeg tot 1205 m²/g en er ontstond een sterk microporeuze structuur die geschikt is voor CO₂-adsorptie. Sigarettenfilters konden eveneens worden omgezet in koolstofrijk materiaal, terwijl een mengsel van beide afvalstromen geen positieve synergie vertoonde. De CO₂-opnametesten toonden hoge, maar nog verkennende waarden. Het onderzoek toont zo het potentieel om moeilijk recycleerbaar afval te valoriseren tot een materiaal met een mogelijke toepassing in CO₂-afvang.
Meer lezen

‘Kom mee op het leerpad van je kind!’ Groeien naar een educatief partnerschap in Basisschool Brugge Centrum

Arteveldehogeschool Gent
2026
Leilah
Lierman
Mijn scriptie beschrijft een verandertraject rond educatief partnerschap binnen Basisschool Brugge Centrum. Uit een praktijkonderzoek bleek dat zowel leerkrachten als ouders kansen zien om de samenwerking rond het leren van kinderen te versterken. Wetenschappelijke literatuur bevestigt bovendien dat een sterke samenwerking tussen school en ouders een positieve invloed kan hebben op de leerontwikkeling, motivatie en het welbevinden van leerlingen.

Op basis van een literatuurstudie, bevragingen bij ouders en leerkrachten en gesprekken binnen het schoolteam ontwikkelde ik aanbevelingen voor een schooleigen, evidence-informed visie op educatief partnerschap. Deze visie vormt het fundament voor een verandertraject van drie jaar, waarbij ouders steeds meer als partners worden betrokken bij het leerproces van hun kind.

Samen met een kernteam en het schoolteam werken we aan concrete, leergerichte ouderactiviteiten en initiatieven die de verbinding tussen school en thuis versterken. Daarbij vertrekken we vanuit wat al goed werkt binnen de school en bouwen we stap voor stap verder. Het uiteindelijke doel is om het educatief partnerschap duurzaam te verankeren in de schoolwerking en zo bij te dragen aan maximale leerwinst en ontwikkelingskansen voor elke leerling.
Meer lezen

Gepersonaliseerde cognitieve controletraining ter preventie van depressieherval: een single-case experimentele studie

Universiteit Gent
2026
Caro
Bruynen
Herval na een depressieve episode vormt nog steeds een belangrijk klinisch knelpunt,
hoewel behandelingen in de acute fase doorgaans doeltreffend zijn. Een mogelijke interventie om dit te voorkomen is cognitieve controletraining (CCT), gericht op onderliggende cognitieve kwetsbaarheden. Binnen dit domein wordt de adaptieve Paced Auditory Serial Addition Task (aPASAT) beschouwd als een van de meest veelbelovende en veelbestudeerde varianten. Deze studie onderzocht hoe depressieve symptomen zich doorheen de tijd ontwikkelen bij personen met depressie in remissie, en welke rol aPASAT hierin kan spelen. Zes participanten werden opgevolgd via een single-case experimenteel design met een multiple-baseline-opzet, waarbij de
duur van de baselinefase (twee, drie of vier weken) varieerde tussen groepen om toeval en tijdseffecten uit te sluiten. Gedurende drie fasen (baseline, interventie, monitoring) werden symptomen dagelijks gemeten via een visuele analoge schaal (VAS) 0-100. De resultaten tonen een heterogeen en overwegend bescheiden responspatroon. Slechts bij een deel van de participanten werd een significante symptoomdaling vastgesteld, terwijl bij anderen geen effect of zelfs een tijdelijke toename optrad. Bij een deel van de participanten trad de symptoomverbetering pas op tijdens de monitoringfase, wat wijst op een mogelijk vertraagde werkzaamheid van CCT. Symptomen daalden niet geleidelijk, maar bleven eerder stabiel binnen elke fase. De ernst van de klachten bij aanvang leek modererend. Participanten met hogere beginscores vertoonden eerder een merkbaar effect. Toekomstig onderzoek met grotere, meer diverse steekproeven is nodig om na te gaan hoe individuele kenmerken het effect van CCT modereren, hoe de behandeling hierop afgestemd kan worden, en wanneer en hoe lang behandeleffecten optreden. Daarnaast verdient de verkenning van aanvullende of alternatieve interventies verdere aandacht om herval bij depressie effectiever te voorkomen.
Meer lezen

Hoe kan je kleuters op een zelfsturende manier aan de nieuwe minimumdoelen van wiskunde laten werken?

Karel de Grote Hogeschool
2026
Noor
Van Hoeydonck
Vanuit de praktijk heb ik in mijn bachelorproef onderzoek gevoerd naar een manier hoe kleuters zelfsturend aan de slag kunnen gaan met de nieuwe wiskundige minimumdoelen. Bij de uitwerking van mijn activiteiten ligt de nadruk ook op het ontwikkelen van de executieve functies naast het behalen van de nieuwe wiskundige minimumdoelen via open, speelse en betekenisvolle activiteiten in een wiskundige kieskast. Uit observaties en screening heb ik enkele besluiten getrokken voor een verdere uitwerking van de kieskast daar dit wel een middel is tot het behalen van de wiskundige minimumdoelen en het ontwikkelen van executieve functies op een zelfsturende manier.
Meer lezen

"Natuur zorgt voor de wereld": definities en percepties van het concept natuur bij Vlaamse lagereschoolkinderen en de verschillen daarin tussen rurale en urbane omgevingen

Universiteit Gent
2026
Manon
Dhelft
De band tussen kinderen en de natuur staat onder druk. Toenemende verstedelijking en digitalisering reduceren hun tijd buiten en in natuur, terwijl natuurcontact juist veel mentale en fysieke voordelen heeft voor het kind. Bovendien zijn die ervaringen cruciaal voor de ontwikkeling van milieubewust gedrag op latere leeftijd. Hoe kinderen natuur mentaal vormgeven vormt daarbij de basis van de mens-natuurrelatie. Toch is onderzoek naar hun conceptualisatie van natuur schaars en is het nog nooit uitgevoerd in Vlaanderen, of zelfs maar in België. De centrale onderzoeksvraag luidt daarom: “Welke definities en percepties hebben Vlaamse lagereschoolkinderen van het concept natuur en hoe verschillen die tussen rurale en urbane omgevingen?”. Voor dit onderzoek werd een vergelijkende casestudie uitgevoerd waarbij 56 Vlaamse kinderen uit het vierde leerjaar (9-10 jaar) werden bevraagd in de Westhoek (ruraal) en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (urbaan). Hiervoor werd gebruikgemaakt van verschillende methodes, bestaande uit de draw, write & tell-methode, de Connection to Nature Index, een vragenlijst en interviews met de schooldirecties. De kinderen bouwen natuur op vanuit een biotische kern (bomen, gras, bloemen, vogels), aangevuld met abiotische elementen zoals de zon. Een opvallende bevinding is dat de mens een prominente plaats inneemt in hun conceptualisatie van natuur. Daarnaast zien de kinderen natuur als een plek voor spel en exploratie. Rurale kinderen vertonen een grotere soortenkennis en een sterker gevoel van eenheid met hun omgeving, terwijl urbane kinderen natuur vaker associëren met sport en een goede luchtkwaliteit. Natuur wordt overwegend positief beleefd door de kinderen, roept rust op en wordt gewaardeerd om haar nut en haar intrinsieke waarde. Hun gedrag wijst echter ook op een kloof. Vrije tijd wordt namelijk vaker achter een scherm gespendeerd dan in de natuur. Vlaamse lagereschoolkinderen blijken zo een rijk, betrokken, maar kwetsbaar natuurbeeld te hebben. Inzicht in dat beeld is essentieel om leervolle momenten in natuur- en milieueducatie op te zetten en hen op een effectieve manier terug naar de natuur te krijgen.
Meer lezen

The effects of urban environments and air pollution on precipitation microphysics: an exploratory study using disdrometers in Belgium

Universiteit Gent
2026
Armani
Passtoors
Deze thesis onderzoekt hoe verstedelijking en luchtvervuiling de microfysische eigenschappen van neerslag in België beïnvloeden. Hiervoor werden meerjarige metingen van regendruppels nabij Brussel, Gent en Luik gecombineerd met meteorologische, landgebruiks- en luchtkwaliteitsgegevens. De resultaten tonen dat grootschalige weersomstandigheden de neerslagmicrofysica het sterkst bepalen. De invloed van verstedelijking is zwak en wisselend, terwijl fijnstof een duidelijker, maar regime-afhankelijk verband vertoont: hogere fijnstofconcentraties hangen samen met minder intense neerslag en kleinere druppels op dagelijkse schaal, terwijl vervuilde onweersbuien juist grotere druppels en meer kinetische energie vertonen.
Meer lezen

Developing eDNA as a tool for assessing fish diversity on East African coral reefs

Vrije Universiteit Brussel
2026
Tara
Sarwar
In deze studie werd onderzocht in welke mate environmental DNA (eDNA) geschikt is om de biodiversiteit van vissen in Keniaanse koraalriffen te bestuderen. In totaal werden er 41 vissenfamilies en 71 soorten gedetecteerd. De geografische liggen van de riffen had een duidelijke invloed op de soortensamenstelling, terwijl beschermingsstatus geen significant effect vertoonde. Bovendien bleek eDNA-metabarcoding in staat om soorten te detecteren die tijdens visuele tellingen niet werden opgenomen. Hoewel beide methoden een vergelijkbare aantal taxa identificeerden, verschilde ze in de soorten die ze detecteren. Deze resultaten toonden aan dat beide methoden elkaar aanvullen en dat eDNA een veelbelovende en minder invasieve techniek is voor de monitoring van koraalriffen, ondanks de technische beperkingen ondervonden in deze studie.

Beschermingsstatus had geen duidelijk effect op de soortengemeenschappen in tegenstelling tot geografische locatie. Bovendien bleek eDNA meer succesvol in het detecteren van taxa dan visuele tellingen die tijdens het verzamelen van de stalen plaatsvonden. Beide methoden vonden wel een gelijkaardig aantal taxa, maar namen riffen op een fundamentele manier anders waar. Deze studie toonde aan dat beide methoden elkaar complementeerde en dat eDNA een veelbelovende en minder invasieve methode voorsteld voor het monitoiren van koraalriffen ondanks de technische beperkingen ondervonden in deze thesis.
Meer lezen

Ruimte voor biodiversiteit op bedrijventerreinen: een kritische systematisering van natuurinclusieve (her)ontwikkeling van bedrijventerreinen in Vlaanderen

Universiteit Gent
2026
Andres
Bourgonjon
Bedrijventerreinen creëren een aanzienlijke negatieve impact op de Vlaamse biodiversiteit. Tegelijk vormen ze de ideale basis voor een nieuwe vorm van natuurherstel. Hoe drastisch is het gesteld met de natuurkwaliteit op bedrijventerreinen? En hoe kunnen we aandacht voor biodiversiteit structureel inbedden in de (her)ontwikkeling en het beheer van bedrijventerreinen?
Meer lezen

Seks, intimiteit en romantische relaties in de gevangenis vanuit een mensenrechtelijk perspectief.

KU Leuven
2026
Elise
Dedier
Deze masterproef behandelt de vraag of mensen in detentie toegang zouden moeten krijgen tot ongestoord bezoek met een sekswerker, gelet op het normaliseringsbeginsel, het fundamentele recht om te kiezen met wie men intieme relaties wil aangaan en onderhouden als deel van het recht op privéleven, het gelijkheidsbeginsel en de recente hervormingen in de wetgeving inzake sekswerk.
Meer lezen

Het ontwikkelen en valideren van de Nurse Intuition Patient Deterioration Scale - Pediatrics (NIPDS-PED) om klinische achteruitgang te voorspellen bij pediatrische patiënten <1 jaar

Universiteit Antwerpen
2026
Charlotte
Bombeke
  • Noor
    Fransen
Klinische achteruitgang bij baby’s kan snel en subtiel verlopen. Verpleegkundigen voelen soms al dat er iets niet klopt voordat meetbare parameters duidelijk afwijkend zijn. In deze masterproef ontwikkelden en testten we daarom de Nurse Intuition Patient Deterioration Scale – Pediatrics (NIPDS-PED), een schaal met acht observeerbare signalen die het buikgevoel van verpleegkundigen concreter maakt. De schaal werd getest op twee pediatrische afdelingen bij 95 kinderen jonger dan één jaar, goed voor 131 beoordelingen. In 60 beoordelingen trad binnen 24 uur klinische achteruitgang op. De NIPDS-PED bleek ongeveer even goed in staat om achteruitgang te onderscheiden als de bestaande Pediatric Early Warning Score (PEWS). Daarnaast onderzochten we ouderlijke bezorgdheid en de gebruiksvriendelijkheid van de schaal. Ouderlijke bezorgdheid hing samen met de NIPDS-PED-score, maar voorspelde achteruitgang op zichzelf minder goed. Verpleegkundigen beoordeelden de gebruiksvriendelijkheid doorgaans met 8 op 10. De NIPDS-PED lijkt daarmee een veelbelovende aanvulling op bestaande waarschuwingsscores, maar verdere validatie in grotere en meer diverse patiëntengroepen is nodig.
Meer lezen

De Mannenpil: (on)gewenst?

KU Leuven
2026
Inès
Mammerickx
Deze scriptie onderzoekt attitudes tegenover mannelijke anticonceptie en gedeelde anticonceptieverantwoordelijkheid bij Nederlandstalige volwassenen in België. Hoewel zowel mannen als vrouwen positief staan tegenover toekomstige mannelijke anticonceptiemethoden, blijven vertrouwen, controle en traditionele rolpatronen belangrijke factoren in de acceptatie ervan. De resultaten tonen aan dat de invoering van mannelijke anticonceptie niet alleen een medische, maar ook een sociale en relationele uitdaging vormt.
Meer lezen

De-escalatietrainingen in het omgaan met agressie in de verpleegkunde

Hogeschool UCLL
2026
Yara
VERLEY
Agressie is de dag van vandaag een alomtegenwoordig probleem binnen de maatschappij, eveneens binnen de zorgsetting. Hierbij lijkt de kwaliteit van een veilige zorgomgeving en humane hulpverlening onder druk te staan. Zorgverleners, waaronder verpleegkundigen, ervaren steeds vaker oplopende spanningen en onvoorspelbaar gedrag. Daarnaast worden de verpleegkundigen vaker blootgesteld aan de zware gevolgen van agressie-incidenten, ondanks het bestaan van trainingen en protocollen. Een belangrijke oorzaak hiervan is het gebrek aan voldoende kennis, maar eveneens het gebrek aan vertrouwen in het correct handelen bij opkomende spanning en agressie. Er lijkt dus een groeiende nood te zijn aan effectieve de-escalatietraining in het omgaan met agressie.

De doelstelling van deze scriptie ligt in het onderzoeken van de effectiviteit van de-escalatietrainingen en bijgevolg ook uit te kunnen maken welke vorm van training het meest effectief is in het reduceren van agressie-incidenten.
Om dit mogelijk te maken werd in deze paper geopteerd voor een literatuurstudie uitgevoerd waarbij wetenschappelijke bronnen en systematische reviews werden geanalyseerd. De analyse focuste op drie kwaliteitscriteria: efficiëntie, doeltreffendheid en duurzaamheid.

Uit de resultaten blijkt dat de-escalatietrainingen effectief zijn in het verbeteren van de houding, competenties en het zelfvertrouwen van verpleegkundigen, maar dat er onvoldoende evidentie is dat trainingen als losstaande interventie voldoende zijn om het aantal agressie-incidenten te verminderen. Hiervoor is verder gespecificeerd onderzoek nodig.
Om de-escalerend te kunnen werken in het voorkomen van agressie-incidenten is een bredere multimodale aanpak nodig die zowel het individueel niveau omvat als het organisatorisch en structureel niveau.

Dit onderzoek toont aan dat investeren in de-escalatie loont. Desondanks zijn training alleen als interventie onvoldoende. Ze moeten ingebed worden in een duurzame, multimodale aanpak die zowel het individueel niveau van verpleegkundigen als het organisatieniveau aanpakt. Dit heeft als gevolg het creëren van een zorgomgeving waarin veiligheid, professionaliteit en menselijkheid centraal kunnen blijven staan.
Meer lezen

Ontwerpgerichte methodiek voor herbestemmingen van religieus erfgoed.

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Fleur
Sanchez
Overal ter wereld staan religieuze erfgoedsites onder druk. Door de secularisering van de maatschappij verliezen kerken en andere religieuze gebouwen hun oorspronkelijke functie en komen ze leeg te staan. Een nieuwe functie kan een gebouw een toekomst geven, maar een herbestemming is meer dan het simpelweg invullen van een nieuwe functie. Het is een complex proces waarin erfgoedwaarden, ontwerp, regelgeving, gebruikers en verschillende actoren voortdurend op elkaar inspelen.

Daarom onderzocht ik hoe een methodiek ontwikkeld kan worden die ontwerpers houvast biedt bij herbestemmingsprojecten van religieus erfgoed. Via literatuuronderzoek, analyse van bestaande procesmodellen, interviews en praktijkgerichte validatie bracht ik de verschillende aspecten, actoren en knelpunten van het proces in kaart. Ik onderzocht onder meer het Godshuis De Lichtervelde en het Begijnhof in Hasselt. Vervolgens toetste ik de ontwikkelde methodiek aan de Abdij van Herkenrode als testcase.

Uit het onderzoek bleek dat herbestemming geen strikt lineair proces is. Beslissingen veranderen voortdurend door nieuwe inzichten, randvoorwaarden en input van verschillende actoren. Daarom ontwikkelde ik een methodologisch model dat het proces opdeelt in vijf fases: vooronderzoek, haalbaarheidsstudie, ontwerp, uitvoering en ingebruikname. Terugkoppelingen verbinden deze fases met elkaar en maken zichtbaar wanneer eerdere keuzes opnieuw moeten worden onderzocht.

Daarnaast vormen ontwerpmethodieken en ruimtelijke ontwerpstrategieën een belangrijke schakel tussen analyse en ontwerp. Ze helpen ontwerpers om erfgoedwaarden, randvoorwaarden, het programma en ruimtelijke kwaliteit te vertalen naar concrete ontwerpkeuzes. Het model wordt aangevuld met digitale informatiefiches die per fase extra uitleg en praktische handvatten bieden.

Het eindresultaat is geen vast stappenplan dat voor elke kerk hetzelfde antwoord geeft. Het biedt ontwerpers een flexibel houvast om het complexe herbestemmingsproces te structureren, keuzes te onderbouwen en het ontwerp voortdurend af te toetsen. Zo bundelt de methodiek versnipperde kennis in één praktisch hulpmiddel voor toekomstige herbestemmingsprojecten van religieus erfgoed.
Meer lezen