Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Neuro-inclusie als hefboom voor verandering. Empowerende ondersteuning van leerlingen met autisme en hun context

Odisee Hogeschool
2026
Steven
Van Delsen
Leerlingen met autisme botsen in het onderwijs nog te vaak op drempels die hun welbevinden, participatie, verbondenheid en positieve identiteitsontwikkeling onder druk zetten. Deze bachelorproef onderzoekt hoe een neurodiversiteitsaffirmatieve benadering richting kan geven aan neuro-inclusieve onderwijspraktijken die leerlingen met autisme en hun context versterken, binnen de bredere Vlaamse evolutie naar Scholen voor Iedereen.

De bachelorproef vertrekt vanuit een praktijkgerichte probleemverkenning in GO! SBSO Nautica en verbindt die met recente literatuur over neurodiversiteit, leerlingenstem, psycho-educatie, zelfacceptatie, zelfcompassie, zelfbehartiging, neuro-inclusieve pedagogiek en relationele samenwerking. De analyse maakt duidelijk dat inclusie niet kan worden herleid tot toegang tot onderwijs of individuele aanpassingen. Neuro-inclusie vraagt een verschuiving van tekortdenken en normalisering naar erkenning, waardigheid, contextafstemming, gedeelde verantwoordelijkheid en positieve autistische identiteit.

Op microniveau betekent dit dat leerlingen met autisme zich veilig, erkend en verbonden moeten kunnen voelen in de klaspraktijk. Daarvoor zijn voorspelbaarheid, prikkelbewuste leeromgevingen, ruimte voor leerlingenstem, zelfinzicht, zelfacceptatie en ondersteuning bij zelfbehartiging belangrijk. Op mesoniveau vraagt neuro-inclusie een schoolcultuur waarin gedeelde taal, ouderstem, sociale veiligheid, peer support, veilige plekken en samenwerking tussen leerlingen, ouders en onderwijsprofessionals structureel worden ingebed. Op macroniveau wordt duidelijk hoe neuro-inclusieve schoolontwikkeling kan bijdragen aan de Vlaamse evolutie naar Scholen voor Iedereen, op voorwaarde dat neurodiversiteitsaffirmatieve principes vanaf het begin worden meegenomen in visie, beleid, ondersteuning en schoolcultuur.

Als veranderingsstrategie wordt het neuro-inclusief schoolkompas voorgesteld. Dit kompas ondersteunt scholen om stapsgewijs, participatief en haalbaar te groeien naar neurodiversiteitsaffirmatieve schoolpraktijken. Binnen deze aanpak worden drie deelstrategieën uitgewerkt die samen een doorlopende leerlijn vormen: LEANS als klasbrede neurodiversiteitseducatie en gedeelde schooltaal, een lessenreeks rond leerlingenstem, zelfacceptatie, zelfbehartiging en transitie, en een posterreeks die de stem van neurodivergente jongeren zichtbaar maakt in de schoolomgeving. Zo ontstaat een beweging van bewustwording naar persoonlijke betekenisgeving en vervolgens naar schoolbrede verankering.

De meerwaarde van deze bachelorproef ligt in de vertaling van een neurodiversiteitsaffirmatief waardekader naar concrete, haalbare en schoolbrede veranderingsstrategieën. Neuro-inclusie wordt zo geen bijkomende zorgmaatregel naast het bredere schoolbeleid, maar een hefboom om onderwijscontexten toegankelijker, veiliger en betekenisvoller te maken voor leerlingen met autisme en hun context. Tegelijk reikt deze benadering verder dan één doelgroep of één school: neurodiversiteitsaffirmatieve schoolontwikkeling kan uitgroeien van ondersteuning voor individuele leerlingen tot een richtinggevend principe voor de school van morgen.
Meer lezen

Burgervertrouwen in publieke organisaties na een AI-falen

Universiteit Gent
2026
Alex
Depinois
Wanneer een overheidsalgoritme burgers onterecht benadeelt, herstelt het vertrouwen in de verantwoordelijke leidinggevende aanzienlijk beter als die zelf de schuld op zich neemt. Wie naar het systeem of de leverancier wijst, blijft met een beschadigd vertrouwen zitten. Dat blijkt uit een experiment met 93 Belgen.
Meer lezen

Supermarkt Herontwikkeld: Betaalbaar wonen door een verkenning van het ontwikkelingspotentieel op onderbenutte supermarktsites

Universiteit Gent
2026
Renée
Van Nevel
Vlaanderen heeft nood aan veel extra woningen, terwijl de bouwshift vraagt om geen bijkomende open ruimte meer aan te snijden. Vooral de 'missing middle' raakt moeilijk aan een betaalbare woning. Deze masterproef onderzoekt of onderbenutte supermarktparkings hiervoor een oplossing kunnen bieden. Boven de bestaande parking komt een tafelstructuur op kolommen, waarop modulaire huurwoningen worden geplaatst terwijl de supermarkt operationeel blijft. Op lange termijn kan de winkel onder die tafel worden herbouwd, zodat de volledige site kan worden herontwikkeld. Het model werd ontwerpmatig uitgewerkt voor twee Gentse sites, de Delhaize aan de Watersportbaan en de Carrefour Hypermarket in Sint-Denijs-Westrem. Daarnaast werd het financieel doorgerekend vanuit betaalbare huurprijzen.
Meer lezen

GENDER DIVERSITY MEETS BDSM-SUBCULTURE: Experiencing and sharing kinks online: a FetLife reception study

Universiteit Gent
2026
Marie-Anne
Craenen
Leden uit subculturele BDSM-gemeenschappen groeperen zich in digitale ruimtes als de FetLife-website. De toenemende interesse in kink en BDSM is weerspiegeld in het aantal academische studies die het onderwerp vanuit verschillende invalshoeken benaderen, maar The Next Generation (TNG), namelijk jongere leden tussen 18 en 35 jaar, blijft onderbelicht. Het doel van deze studie was om de lived experiences van TNG binnen de online community te bestuderen via walkthroughs en semigestructureerde interviews, gecodeerd door middel van close reading en thematische analyse. Onderzoeksvragen betroffen gebruik van het platform, doel van gebruik, ervaringen rond veiligheid en betekenisgeving van intimiteit. De resultaten tonen aan dat FetLife fungeert als hybride omgeving waarin gebruikerservaringen vorm krijgen doormiddel van interactie tussen platformarchitectuur, waarden van de gemeenschap en bredere sociale structuren. Ervaringen verschillen volgens genderidentiteit, ervaringsniveau en positionering binnen de community. Doelstellingen convergeren rond informatieverwerving en betrokkenheid tot de gemeenschap, maar verschillen in bewustzijn over risico’s, waarbij vrouwen en non-binaire gebruikers namelijk voorzichtiger omgaan met het platform en beschermende strategieën hanteren. Tenslotte wordt intimiteit ervaren als gelaagd concept dat verder reikt dan louter seksualiteit.
Meer lezen

FROM DRAINAGE TO RESERVOIR - The Ellewoutsdijk Peninsula as a Collective Freshwater Landscape

KU Leuven
2026
Carolina
Gonzales
Deze masterproef onderzoekt hoe de zoetwaterinfrastructuur in de polders langs de Westerschelde kan worden heringericht tot multifunctionele, collectieve waterlandschappen. Het project richt zich op Ellewoutsdijk, een polderdorp gevormd door dijken, afwateringssloten, landbouwvelden, de haven, het fort en het estuarium van de Westerschelde. Het speelt in op de toenemende druk van zeespiegelstijging, verzilting, seizoensgebonden droogte en veranderende neerslagpatronen.
In plaats van waterbeheer te beschouwen als een onzichtbaar technisch systeem, maakt het ontwerp van bestaande afwateringsroutes, bekkens en waterwerken zichtbare landschappen voor wateropvang, zuivering, herverdeling en collectief gebruik. Deze waterlandschappen ondersteunen de aanpassing van landbouw en aquacultuur en bieden tegelijk ruimte voor recreatie, verplaatsing en ontmoeting in de publieke ruimte.
De ontwerpstrategie verbindt kustmobiliteit en zoetwateropslag tot één samenhangend landschapssysteem. Een openbare route van oost naar west verbindt het voormalige station, het dorp, de dijk, de Wisselpolder, de haven, het fort en de Westerschelde. Tegelijk ordent een noord-zuidgerichte wateras de afwateringsroutes en bekkens opnieuw, dwars door productieve velden, langs ecologische randen en door collectieve ruimten. Op het kruispunt van beide wordt waterinfrastructuur zowel een dragend systeem voor het gebied als een toegankelijk onderdeel van het dagelijks leven.
Door voort te bouwen op de hydrologische en historische structuur van het schiereiland, verschuift het project van gecontroleerde afwatering naar een adaptief watersysteem dat deel uitmaakt van het dagelijks leven. Zo wordt zoetwaterinfrastructuur een ruimtelijk kader voor kustweerbaarheid, de aanpassing van productieve landschappen en het collectieve leven in Ellewoutsdijk.
Meer lezen

THE EFFECTIVENESS OF THE TYP10 PROGRAM FOR FOURTH-GRADE CHILDREN WITH AND WITHOUT NEURODEVELOPMENTAL DISORDERS IN MAINSTREAM EDUCATION IN FLANDERS (BELGIUM)

Universiteit Gent
2026
Sara
Maes
  • Christel
    Callewaert
  • Delphine
    Bauwens
In deze longitudinale haalbaarheidsstudie volgden 35 leerlingen uit het vierde leerjaar een gestructureerd Typ10-programma. Hun typsnelheid en typnauwkeurigheid werden op vier momenten gemeten: vóór, tijdens en na de interventie, inclusief een follow-upmeting acht weken later.
De typsnelheid nam significant toe over de tijd (p < 0,001), met de grootste vooruitgang onmiddellijk na de lessen. Ook de typnauwkeurigheid verbeterde significant (p = 0,010), waarbij de vooruitgang geleidelijker verliep. Kinderen met (een vermoeden van) neurobiologische ontwikkelingsstoornissen (NDD) startten met een lagere typsnelheid, maar boekten eveneens duidelijke vooruitgang. Hun toename was wel significant kleiner dan bij kinderen zonder NDD (p = 0,043). Voor typnauwkeurigheid waren er geen significante verschillen tussen beide groepen.
Er werd een zwakke maar significante samenhang gevonden tussen typsnelheid en nauwkeurigheid (p < 0,001), wat erop wijst dat beide vaardigheden zich gedeeltelijk onafhankelijk van elkaar ontwikkelen. Hand schrijfvaardigheid en totale oefentijd hingen daarentegen niet significant samen met de typresultaten.
De leerlingen rapporteerden een positieve ervaring met Typ10, met een duidelijke ervaren vooruitgang en een hoge competentiebeleving. De resultaten tonen daarmee dat gestructureerd typonderwijs kan leiden tot aanzienlijke verbeteringen in typsnelheid en geleidelijke verbeteringen in nauwkeurigheid, zowel bij kinderen met als zonder (vermoeden van) NDD. Door de kleine steekproef moet deze studie worden beschouwd als een eerste haalbaarheidsstudie en vertrekpunt voor verder onderzoek met grotere onderzoekspopulaties.
Meer lezen

"ACCIDENTAL? VILLAGE URBANISM" WORKING WITH RESIDUAL SPACE: LESSONS FROM JAPAN FOR FLEMISH VILLAGES

KU Leuven
2026
Ciel
Dockx
Vlaanderen wordt gekenmerkt door een versnipperd landschap waarin de grens tussen stad en platteland steeds verder vervaagt. Terwijl de bebouwde ruimte blijft toenemen en de resterende open ruimte onder druk staat, onderzoekt "Accidental? Village Urbanism" hoe de restruimtes binnen het bestaande weefsel kunnen bijdragen aan een meer verbonden, ecologische en sociaal betrokken leefomgeving.

Aan de hand van cartografisch onderzoek, literatuurstudie en veldwerk wordt Vlaanderen vergeleken met Japan. Japan dient daarbij niet als rechtstreeks te kopiëren model, maar als een context die toont hoe zelfs kleine en ogenschijnlijk onbelangrijke ruimtes een rol kunnen opnemen in het dagelijkse leven, ecologische systemen en ruimtelijke verbindingen.

Deze inzichten worden vertaald naar een ontwerptoolbox waarmee restruimtes kunnen worden opgespoord, geanalyseerd en geactiveerd. Via ontwerpend onderzoek in Berlaar wordt getest hoe gerichte ingrepen het bestaande dorpsweefsel van binnenuit kunnen versterken. Zo benadert het onderzoek restruimte niet als overgebleven ruimte of nieuwe bouwgrond, maar als ruimtelijk materiaal met potentieel.
Meer lezen

Potential of African Diasporic Spatiality in Adaptive Reuse and Postcolonial Placemaking

Universiteit Hasselt
2026
Brenda Jerotich
Maswan
By examining the postcolonial condition of the European metropole, as influenced by colonial and postcolonial migration, this thesis explores how African diasporic communities in Brussels engage in spatial practices as a legitimate form of architectural knowledge. Focusing on Molenbeek-Saint-Jean and Matongé, it argues that the incremental, vernacular adaptations through which African migrants appropriate and reinterpret the European built environment constitute an alternative approach to placemaking. This approach has often been overlooked by conventional heritage and planning systems.
Drawing on postcolonial theory, diasporic urbanism, and African diasporic spatial
practice, this thesis develops a critical framework for reading African diasporic spatial
practice not as informality or deficit, but as a culturally embedded, socially driven
architectural knowledge. This framework is tested through ethnographic research of
Luce Beeckmans and site-writing, following Jane Rendell’s concept of critical spatial
practice, and applied through a design project for a former industrial complex at Rue
De Courtrai and Rue d’Ostende in Molenbeek.
The design proposes an adaptive reuse strategy grounded in the African diasporic
logic of negotiated visibility—the practice of managing presence and withdrawal
across the city and building scales simultaneously. By preserving existing street
façades, directing transformation inward through the inner block, and retaining existing
users, the project translates African diasporic spatial qualities into an architectural
methodology capable of producing an inclusive social infrastructure while resisting the
displacement pressures of ongoing urban renewal. In doing so, it positions adaptive
reuse not as a technical or aesthetic strategy but as a cultural and political redefinition
of space—one that recognises the African diaspora community in Molenbeek as
spatial agents in postcolonial placemaking.
Meer lezen

Bepaling van vers- en drooggewicht van sla op basis van RGB-camerabeelden met een convolutional neural network (CNN)

KU Leuven
2026
Brent
Beyers
Het doel van deze scriptie was om de mogelijkheden te onderzoeken voor het gebruik van CNN's met RGB-afbeeldingen voor de bepaling van het vers- en drooggewicht van sla gedurende een gehele teeltronde onder praktijkomstandigheden.
Van verschillende sla-cultivars (Emeldia RZ, Limambo RZ en Volumia) werden RGB
afbeeldingen verzameld. De cultivars Emeldia RZ en Limambo RZ werden elks twee keer zelf opgekweekt om slaplanten afkomstig van twee verschillende teeltrondes te bekomen. Daarnaast waren de slaplanten van de cultivar Volumia afkomstig van een externe slateler en van éénzelfde teeltronde. Van de slaplanten werden RGB-afbeeldingen verzameld onder een camerahoek van 0°, 45° en 90° ten opzichte van het grondoppervlak. Na verzameling van de RGB-afbeeldingen van de slaplanten werd een CNN-model ontworpen met het meest accurate
schattingsvermogen. Tenslotte werd het schattings- en generalisatievermogen van het
ontwikkelde CNN-model onderzocht.
De resultaten tonen aan dat het meest accurate CNN-model, afgestemd op een relatief kleine dataset, bestond uit 5 convolutielagen en volgende hyperparameters: een leerfrequentie van 0,001; een batchgrootte van 10 en 200 epochs. Het ontwikkelde model schat het vers- en drooggewicht van sla accuraat, met R2 ~ 0,92 – 0,97 en NRMSE ~ 0,19 – 0,34, voor cultivars die in de trainingsdata aanwezig zijn en onder gelijkaardige omstandigheden werden geteeld, mits voldoende trainingsdata. De schattings- en generalisatieprestaties variëren echter sterk
per cultivar, mogelijks door morfologische verschillen. Het model toont een zekere robuustheid voor variatie in camerahoeken, al resulteerden de beelden onder een camerahoek van 45° en 90° in de beste schattingen.
Meer lezen

PROEF JIJ ZOET? EEN PRAKTIJKGERICHT ONDERZOEK NAAR DE INZET VAN SENSORISCHE EN NUTRITIONELE WERKVORMEN BIJ SUIKERREDUCTIE BINNEN DE DIEETPRAKTIJK.

Hogeschool UCLL
2026
Ilayda
Gümüs
  • Siska
    Vanderheyden
Deze scriptie onderzoekt hoe sensorische technieken kunnen helpen om minder suiker te consumeren zonder in te boeten aan smaakbeleving. Er werd nagegaan hoe sensorische eigenschappen zoals geur, kleur en textuur de zoetwaarneming beïnvloeden en hoe diëtisten deze inzichten kunnen toepassen in hun begeleiding. Op basis van de resultaten werd de workshop ‘Proef jij zoet?’ ontwikkeld, waarmee diëtisten op een praktische en interactieve manier kennismaken met sensorische technieken voor suikerreductie.
Meer lezen

Implementation of the energy transition in military infrastructure

Universiteit Hasselt
2026
Simon
Derwael
Belgian military infrastructure is entering a decisive investment cycle in which new-build projects, major renovations and electrical modernisation must support both climate objectives and operational resilience. This thesis addresses two questions: (1) which energy design criteria should guide defence infrastructure projects and (2) how an existing medium-voltage network can evolve into a resilient microgrid.

The study combines analysis of internal documentation and processes with a literature review and market consultations. First, the future planning process for military barracks is evaluated, alongside the internal technical design instructions. These instructions are updated to reflect recent HVAC developments. Cost-reduction strategies and a decision-support approach for early design stages are discussed, including an assessment of simplified modular building concepts and the outsourcing of geothermal energy systems.

Second, the thesis explores the adaptations needed to the medium-voltage network. The increasing integration of distributed energy sources, reliability demands and exposure to cyber risks require rethinking traditional networks. A conceptual framework is developed to convert the existing medium-voltage network into a resilient microgrid, including definitions, key components and a step-by-step roadmap.
Overall, the thesis provides practical design improvements for the cost-efficient implementation of military energy systems. Proposed measures include savings of up to 53% for new-build projects.
Meer lezen

Training Klebsiella phage KP32 and engineered variants to improve effectiveness against the RBP2-specific host

Universiteit Gent
2026
Elian
Lievens
De verspreiding van multiresistente bacteriën heeft geleid tot een antibioticaresistentie-crisis. Hierdoor is er een noodzaak voor het ontwikkelen van nieuwe antimicrobiële strategieën en een mogelijke oplossing is het gebruik van faagtherapiën. Fagen zijn virussen die specifiek bacteriën aanvallen. Ze bezitten receptor-bindende proteïnen (RBPs) die tijdens een infectie worden gebruikt voor het herkennen en hechten aan hun gastheer. In deze thesis werd onderzocht hoe fagen kunnen getraind worden om hun RBPs aan te passen om beter gewenste bacteriën aan te vallen.
Meer lezen

Hoe kan je kleuters op een zelfsturende manier aan de nieuwe minimumdoelen van wiskunde laten werken?

Karel de Grote Hogeschool
2026
Noor
Van Hoeydonck
Vanuit de praktijk heb ik in mijn bachelorproef onderzoek gevoerd naar een manier hoe kleuters zelfsturend aan de slag kunnen gaan met de nieuwe wiskundige minimumdoelen. Bij de uitwerking van mijn activiteiten ligt de nadruk ook op het ontwikkelen van de executieve functies naast het behalen van de nieuwe wiskundige minimumdoelen via open, speelse en betekenisvolle activiteiten in een wiskundige kieskast. Uit observaties en screening heb ik enkele besluiten getrokken voor een verdere uitwerking van de kieskast daar dit wel een middel is tot het behalen van de wiskundige minimumdoelen en het ontwikkelen van executieve functies op een zelfsturende manier.
Meer lezen

Ruimte voor biodiversiteit op bedrijventerreinen: een kritische systematisering van natuurinclusieve (her)ontwikkeling van bedrijventerreinen in Vlaanderen

Universiteit Gent
2026
Andres
Bourgonjon
Bedrijventerreinen creëren een aanzienlijke negatieve impact op de Vlaamse biodiversiteit. Tegelijk vormen ze de ideale basis voor een nieuwe vorm van natuurherstel. Hoe drastisch is het gesteld met de natuurkwaliteit op bedrijventerreinen? En hoe kunnen we aandacht voor biodiversiteit structureel inbedden in de (her)ontwikkeling en het beheer van bedrijventerreinen?
Meer lezen

Ontwerpgerichte methodiek voor herbestemmingen van religieus erfgoed.

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Fleur
Sanchez
Overal ter wereld staan religieuze erfgoedsites onder druk. Door de secularisering van de maatschappij verliezen kerken en andere religieuze gebouwen hun oorspronkelijke functie en komen ze leeg te staan. Een nieuwe functie kan een gebouw een toekomst geven, maar een herbestemming is meer dan het simpelweg invullen van een nieuwe functie. Het is een complex proces waarin erfgoedwaarden, ontwerp, regelgeving, gebruikers en verschillende actoren voortdurend op elkaar inspelen.

Daarom onderzocht ik hoe een methodiek ontwikkeld kan worden die ontwerpers houvast biedt bij herbestemmingsprojecten van religieus erfgoed. Via literatuuronderzoek, analyse van bestaande procesmodellen, interviews en praktijkgerichte validatie bracht ik de verschillende aspecten, actoren en knelpunten van het proces in kaart. Ik onderzocht onder meer het Godshuis De Lichtervelde en het Begijnhof in Hasselt. Vervolgens toetste ik de ontwikkelde methodiek aan de Abdij van Herkenrode als testcase.

Uit het onderzoek bleek dat herbestemming geen strikt lineair proces is. Beslissingen veranderen voortdurend door nieuwe inzichten, randvoorwaarden en input van verschillende actoren. Daarom ontwikkelde ik een methodologisch model dat het proces opdeelt in vijf fases: vooronderzoek, haalbaarheidsstudie, ontwerp, uitvoering en ingebruikname. Terugkoppelingen verbinden deze fases met elkaar en maken zichtbaar wanneer eerdere keuzes opnieuw moeten worden onderzocht.

Daarnaast vormen ontwerpmethodieken en ruimtelijke ontwerpstrategieën een belangrijke schakel tussen analyse en ontwerp. Ze helpen ontwerpers om erfgoedwaarden, randvoorwaarden, het programma en ruimtelijke kwaliteit te vertalen naar concrete ontwerpkeuzes. Het model wordt aangevuld met digitale informatiefiches die per fase extra uitleg en praktische handvatten bieden.

Het eindresultaat is geen vast stappenplan dat voor elke kerk hetzelfde antwoord geeft. Het biedt ontwerpers een flexibel houvast om het complexe herbestemmingsproces te structureren, keuzes te onderbouwen en het ontwerp voortdurend af te toetsen. Zo bundelt de methodiek versnipperde kennis in één praktisch hulpmiddel voor toekomstige herbestemmingsprojecten van religieus erfgoed.
Meer lezen

Familie, migratie en de vele gezichten van verbondenheid. Sense of beloning binnen het Belgisch-Vlaams landbouwmigrantengezin Walraet in Frankrijk (1920-1967).

Universiteit Antwerpen
2026
Kaat
Vanderstukken
Deze masterproef onderzoekt hoe gevoelens van verbondenheid vorm kregen binnen het Belgisch-Vlaamse landbouwersgezin Walraet, dat zich in 1920 vanuit Vlaanderen in Frankrijk vestigde. Vertrekkend vanuit de vraag met welke gemeenschappen de gezinsleden zich verbonden voelden, analyseert dit onderzoek hoe sense of belonging werd gevormd, beleefd en onderhandeld tussen 1920 en 1967. De studie situeert zich binnen de migratiegeschiedenis van Belgische migranten in Frankrijk en kiest voor een microhistorische en cultureel-historische benadering waarin de subjectieve beleving van migratie centraal staat.
Het onderzoek vertrekt vanuit de eigen familiegeschiedenis als casus, wat toegang biedt tot moeilijk traceerbare ervaringen en aansluit bij “history from within”. De familie Walraet fungeert zo als venster op bredere processen van migratie en identiteitsvorming.
Theoretisch steunt het onderzoek op het concept place-belongingness van Marco Antonsich, waarin verbondenheid wordt begrepen als een dynamisch en relationeel proces. Methodologisch wordt orale geschiedenis gecombineerd met familiale bronnen en archiefmateriaal, waaronder interviews, postkaarten en naturalisatiedossiers.
De analyse toont dat verbondenheid geen homogeen of lineair proces was, maar het resultaat van een complexe wisselwerking tussen familiale, culturele, economische en persoonlijke factoren. De gezinsleden ontwikkelden uiteenlopende en soms contra-intuïtieve vormen van verbondenheid met België, Frankrijk en lokale gemeenschappen. Onderwijs, huwelijk en nationaliteitskeuzes speelden hierin een belangrijke rol. De studie benadrukt dat verbondenheid niet samenvalt met taal, nationaliteit of geboorteplaats, maar voortdurend wordt heronderhandeld in dagelijkse praktijken en familiale relaties.
Meer lezen

Polair gefunctionaliseerde polyolefinen vertrekkende van NBR

KU Leuven
2026
Luka
Wouters
Jaarlijks wordt meer dan 230 miljoen ton polyolefinen geproduceerd, waarmee ze de meest geproduceerde kunststoffen wereldwijd zijn. Hun populariteit is voornamelijk te danken aan hun lage kost, lichtgewicht, slijtvastheid en goede verwerkbaarheid. Niettemin vertonen polyolefinen belangrijke beperkingen op het vlak van ontwerpvrijheid en compatibiliteit met polaire materialen. Door hun apolaire structuur hebben ze beperkte bedrukbaarheid, adhesie en mechanische performantie. Daardoor worden polyolefinen vaak gecombineerd met potentieel schadelijke additieven of verwerkt in complexe polymeermengsels en multilayerstructuren, wat hun recycleerbaarheid drastisch vermindert. Hierdoor eindigen intrinsiek recycleerbare materialen zoals polyolefinen vaak alsnog in verbrandingsinstallaties of stortplaatsen.
Polair-gefunctionaliseerde polyolefinen vormen een veelbelovend alternatief dat deze beperkingen kan aanpakken zonder de nood aan schadelijke additieven of complexe polymeermengsels. Zelfs een lage functionalisatiegraad kan leiden tot aanzienlijke verbeteringen in compatibiliteit met polaire materialen, adhesie, bedrukbaarheid en taaiheid, terwijl de intrinsiek gunstige eigenschappen van conventionele polyolefinen zoals slijtvastheid en verwerkbaarheid behouden blijven. Huidige synthesestrategieën vereisen echter vaak dure monomeren, extreme reactieomstandigheden, en bieden daarenboven weinig controle over het gehalte aan ingebouwde functionele groepen.
Om deze tekortkomingen aan te pakken, ontwikkelden we een nieuwe driestapsmethode voor de synthese van polair-gefunctionaliseerde polyolefinen met nauwkeurige controle over het gehalte aan polaire groepen, zonder gebruik te maken van extreme reactieomstandigheden of dure reagentia. Het commercieel beschikbare poly(acrylonitril-co-butadieen) (NBR) werd gekozen als startmateriaal en werd succesvol omgezet in een reeks polair-gefunctionaliseerde polyolefinen. In tegenstelling tot bestaande methoden vertrekt deze synthese van een polymeer dat reeds een hoog gehalte aan functionele groepen (nitrillen) bevat. In een retro-hydrocyanatiestap wordt vervolgens selectief een gecontroleerde fractie nitrilgroepen geëlimineerd tot dubbele bindingen, wat een precieze afstemming van het gehalte aan functionele groepen mogelijk maakt. Een daaropvolgende ruthenium-gekatalyseerde hydrogenering leidt tot de vorming van een amino-gefunctionaliseerde polyolefine. In een derde stap worden de aminogroepen van dit intermediaire polymeer verder gefunctionaliseerd tot diverse stikstofgefunctionaliseerde polyolefinen. In deze studie ligt de focus op de acylatie en ftalimidevorming, hoewel de methode kan worden uitgebreid naar andere functionalisaties.
Samenvattend biedt deze nieuwe methode een flexibele syntheseroute naar stikstofgefunctionaliseerde polyolefinen, die een veelbelovend alternatief vormen voor toepassingen waarin verbeterde eigenschappen zoals taaiheid, bedrukbaarheid, adhesie en compatibiliteit met polaire materialen vereist zijn. Toekomstig onderzoek zal zich richten op een diepgaande karakterisatie van de mechanische eigenschappen en het identificeren van potentiële toepassingen van deze polymeren.
Meer lezen

FinvictumX: Omdat iedereen recht heeft op financiële kennis

Hogeschool VIVES
2026
Sem
Bruynseraede
Dit eindwerk onderzoekt het belang van financiële educatie in een samenleving waarin steeds meer mensen zelfstandig toegang krijgen tot financiële markten. De drempel om te beleggen is sterk verlaagd, terwijl de hoeveelheid beschikbare financiële informatie voortdurend toeneemt. Die toegankelijkheid betekent echter niet automatisch dat mensen over voldoende kennis en vaardigheden beschikken om financiële producten, risico’s en beleggingsbeslissingen goed te begrijpen.

Het onderzoek gaat na welke rol financiële educatie kan spelen in het versterken van financiële kennis en vaardigheden. Daarbij wordt onderzocht welke kennis beleggers nodig hebben, hoe financiële concepten op een begrijpelijke en gestructureerde manier kunnen worden aangeleerd en welke factoren bijdragen aan een effectief leerproces. Naast financiële basiskennis wordt aandacht besteed aan onder meer risicobeheer, beleggingsstrategieën, beleggerspsychologie en het kritisch beoordelen van financiële informatie.

Ook wordt onderzocht hoe digitale technologie het aanbieden van financiële educatie kan ondersteunen. Daarbij komen onder meer gepersonaliseerde leertrajecten, interactieve leermethoden en artificiële intelligentie aan bod. Het onderzoek bekijkt daarnaast hoe financiële educatie kan worden opgebouwd voor verschillende niveaus van voorkennis, van beginnende tot meer ervaren beleggers.

Op basis van deze inzichten wordt een concreet concept voor een digitale leeromgeving uitgewerkt. Het eindwerk toont daarmee hoe financiële educatie kan bijdragen aan een beter begrip van financiële keuzes en mensen kan helpen om bewuster, kritischer en met meer inzicht met hun financiën en beleggingen om te gaan.
Meer lezen

Wandelend door de bewaakte stad. Tussen beleid en beleving: folk theories over CCTV-surveillance in Hasselt

KU Leuven
2026
Benthe
Peeters
Deze masterproef onderzoekt hoe burgers betekenis geven aan CCTV-surveillance in de publieke ruimte en hoe hun percepties zich verhouden tot de institutionele werking van cameratoezicht in Hasselt. Vertrekkend vanuit het concept van folk theories analyseert dit onderzoek hoe burgers intuïtieve verklaringen ontwikkelen over wie surveilleert (bron), waarom camera’s worden geplaatst (doel), hoe het systeem technisch werkt (mechanisme) en welke rol de locatie van camera’s speelt (plaats). Methodologisch hanteerde dit onderzoek tien data walks met 22 deelnemers, aangevuld met expertinterviews, een observatiebezoek en een analyse van webpagina’s van Stad Hasselt en Politie Limburg Regio Hoofdstad.

De resultaten tonen een discrepantie tussen het officiële luik en burgerpercepties. Terwijl lokale autoriteiten cameratoezicht beschrijven als een juridisch gereguleerd, grotendeels retroactief en doelgebonden systeem, ervaren burgers het cameranetwerk vaak als een ondoorzichtig systeem waarvan de werking onduidelijk blijft. Onvolledige informatie wordt aangevuld met folk theories, waarbij vooral onzekerheid bestaat over live monitoring, bewaartermijnen, datakoppeling, AI en gezichtsherkenning. Dit onderzoek identificeert plaats als een tot nu toe onderbelichte dimensie: dezelfde camera kan anders worden geïnterpreteerd afhankelijk van de locatie. Burgers hanteren verschillende copingstrategieën, van relativering en onverschilligheid tot actief vragen stellen of begrip tonen voor het officiële perspectief. Sociale identiteit en smart-citytoepassingen kleuren de betekenisgeving verder, onder meer via zorgen over sociale sortering, function creep en AI-bias.

Deze studie toont aan dat CCTV niet louter een technisch veiligheidsinstrument is, maar een sociotechnische assemblage waarin camera’s, signalisatie, regelgeving, locatie en communicatie samen betekenis produceren. De bevindingen onderstrepen het belang van transparantere
communicatie over cameratoezicht, zodat burgers beter geïnformeerd kunnen deelnemen aan het democratisch debat over surveillance in de publieke ruimte.
Meer lezen

Generatieve AI in het programmeeronderwijs: Kansen, uitdagingen en de stand van zaken in Vlaanderen

Universiteit Gent
2026
Maxime
Debosschere
Generatieve artificiële intelligentie heeft zich op korte tijd stevig verankerd in softwareontwikkeling en beïnvloedt ook steeds vaker het programmeeronderwijs. Deze masterpraktijkproef onderzoekt de implicaties hiervan voor het leren en onderwijzen van programmeren en de wijze waarop lesgevers hiermee omgaan in hun onderwijspraktijk.

Het eerste luik bestaat uit een literatuurstudie over de invloed van generatieve AI op het aanleren van programmeervaardigheden en over didactische strategieën die hierbij kunnen worden ingezet. De literatuur beschrijft kansen op het vlak van ondersteuning, evaluatie, differentiatie en motivatie. Tegelijk worden uitdagingen aangehaald op het vlak van academische integriteit, afhankelijkheid en bias.

Het tweede luik omvat een vragenlijstonderzoek bij programmeerlesgevers in Vlaanderen (N = 37), met aandacht voor hun gebruik, ervaringen en opvattingen met betrekking tot generatieve AI. De resultaten wijzen erop dat generatieve AI inmiddels zowel bij lesgevers als bij lerenden een vaste plaats heeft verworven. De visies op het gebruik ervan lopen echter sterk uiteen: sommige lesgevers benadrukken het belang van een stevige programmeerbasis en kiezen voor een restrictieve aanpak, terwijl anderen generatieve AI beschouwen als een onmisbaar onderdeel van hedendaags programmeren en deze bewust integreren in hun onderwijspraktijk. Respondenten benadrukken daarnaast het groeiende belang van vaardigheden zoals probleemanalyse, het kritisch beoordelen en debuggen van code en het doordacht aanwenden van AI-hulpmiddelen.

Deze studie concludeert dat generatieve AI het programmeeronderwijs niet overbodig maakt, maar wel vraagt om een heroriëntatie van leerdoelen, didactiek en evaluatie.
Meer lezen

Normativiteit in het "niet-opvangbeleid"

KU Leuven
2026
Manon
Rupus
In 2023 kondigde Staatssecretaris voor Asiel en Migratie Nicole de Moor aan dat alleenstaande mannelijke asielzoekers tijdelijk geen opvang meer zullen krijgen in het netwerk van Fedasil. Terwijl deze maatregel vaak wordt voorgesteld als een praktisch antwoord op een capaciteitstekort, stelt dit onderzoek de vraag in hoeverre onderliggende cis-heteronormatieve ideeën over gender, gezin en kwetsbaarheid doorwerken in deze beleidskeuze.

Enerzijds kijkt een kritische discoursanalyse naar hoe beleid, media en middenveldorganisaties spreken over (mannelijke) asielzoekers en hun "deservingness" voor opvang. Anderzijds wordt aan de hand van interviews en via narratieve en visuele methoden ingezoomd op de ervaringen van queer asielzoekers in België. Hoe worden zij geconfronteerd met deze normatieve assumpties? Hoe beïnvloeden die hun traject naar en binnen huisvesting? En hoe gaan ze daarmee om in hun dagelijkse leven?

Het onderzoek toont dat "deservingness" voor opvang sterk afhankelijk is van normatieve constructies van herkenbaarheid en kwetsbaarheid, wat resulteert in inclusie of exclusie van de opvang. Alleenstaande mannelijke asielzoekers worden binnen het dominante discours zelden als inherent kwetsbaar erkend en hun nood aan opvang komt vooral voor in de vorm van uitzonderingen. De voorrang van gezinnen en kinderen blijkt bovendien ingebed in cisheteronormatieve ideeën over het ‘normale’ en herkenbare asielzoekers. En hoewel men vaak stelt dat queer asielzoekers kwetsbaar zijn, wordt ook hun toegang tot opvang beïnvloed door hun gender, hun gezinsstatus en hoe hun kwetsbaarheid wordt ingeschat. Echter negotiëren ze die assumpties ook zelf. In hun huisvestingstraject bewegen ze tussen hun queerness zichtbaar maken of juist niet, ze benadrukken hun kwetsbaarheid wanneer dat nodig is tegenover overheidsinstanties, maar kloppen ook aan bij hulporganisaties en informele netwerken. Bovendien passen queer asielzoekers strategieën toe in hun dagelijks leven in asielopvang om het leven daar leefbaar te houden.

Deze thesis stelt dat uitsluiting in het opvangbeleid niet los kan worden gezien van bredere normatieve structuren rond gender, seksualiteit en kwetsbaarheid. Door deze mechanismen bloot te leggen, draagt het onderzoek bij aan een kritischer begrip van huisvesting voor asielzoekers als politiek en normatief geladen domein. Tegelijk wil de thesis aanzetten tot verder onderzoek én tot reflectie in beleid en praktijk. In een context waarin het recht op opvang steeds meer onder druk staat en het debat verhardt, pleit dit onderzoek voor een benadering die vertrekt vanuit menselijke waardigheid, in plaats van uit normatieve vooringenomenheid.
Meer lezen

Hey Alexa, help mij leren!

Universiteit Hasselt
2026
Liese
Dewyngaert
Diversiteit wint steeds meer aan belang. Om hierop in te spelen, moeten leerkrachten inzetten op inclusief onderwijs. Tegelijkertijd moet het onderwijs meegaan in een steeds ontwikkelende digitale wereld met AI en virtuele spraakassistenten (VSA’s). Deze technologieën bieden veel potentieel, maar er ontbreekt empirisch onderzoek naar de meerwaarde ervan in het basisonderwijs. Deze masterproef onderzoekt in welke mate de inzet van een VSA voor verlengde instructie bijdraagt aan inclusie en welke vaardigheden de leerlingen nodig hebben om deze technologie te gebruiken. Om dit te beantwoorden, werd een mixed-method quasi-experimentele interventiestudie uitgevoerd bij 30 leerlingen uit het basisonderwijs. Een VSA bood een verlengde instructie binnen de vakdiscipline wiskunde aan. De dataverzameling gebeurde via logboeken, vragenlijsten en transcripties van de gesprekken. De kwantitatieve gegevens werden beschrijvend geanalyseerd en de kwalitatieve gegevens werden verwerkt via een thematische analyse. De resultaten tonen aan dat een VSA een waardevolle ondersteuning kan zijn tijdens een inclusieve verlengde instructie. De extra uitleg werd door de leerlingen als ondersteunend ervaren en stimuleerde actieve participatie en actief denken, wat bijdroeg aan een beter leerstofbegrip. De effectiviteit blijft wel afhankelijk van een doordachte inzet en de kwaliteit van de interactie. Omdat de VSA regelmatig fouten maakte, blijken kritisch denken en andere hogere-orde-denkvaardigheden essentieel. Vooral oudere leerlingen konden deze fouten beter zelfstandig herkennen. Leerlingen hebben daarom aanvankelijk ondersteuning nodig om de VSA doelgericht en kritisch te leren gebruiken.
Meer lezen

Kortverhalen in de klas: een kwalitatieve analyse van "Literatuur op School"

KU Leuven
2026
Rosa
Cleiren
Deze masterproef situeert zich binnen twee parallelle ontwikkelingen in het Vlaams onderwijs: een dalende leesvaardigheid bij leerlingen en een steeds beperktere plaats voor literatuur in het curriculum.
In 2024-2025 startte het Xaveriuscollege in Borgerhout met het driejarig project “Literatuur op School”, dat op een innovatieve manier op die uitdagingen inspeelt door meer literatuur te integreren in het curriculum. Deze masterproef onderzoekt enerzijds hoe het project pedagogisch wordt onderbouwd en praktisch wordt vormgegeven, en anderzijds hoe de betrokken leerkrachten en leerlingen het ervaren op basis van kwalitatief onderzoek.
Het project werd ontwikkeld door Dennis Melsen, een leerkracht Nederlands en filosofie, en heeft als doel om een coherente aanpak van literatuuronderwijs over alle (moderne) talen en graden heen te implementeren. Kortverhalen functioneren daarbij als centraal didactisch instrument: als toegankelijke en meerduidige literaire vorm worden ze zowel in taalvakken als in niet-taalvakken ingezet. Door kortverhalen te koppelen aan concrete lesonderwerpen, verbindt het project vakinhoudelijke doelstellingen met bredere vormende ambities. De lessen binnen het project verlopen via een vast stappenplan, dat de uitvoering van het dialogisch en perspectivisch lezen ondersteunt. Dat stappenplan nodigt de leerlingen uit om zich persoonlijk te betrekken bij de tekst door hun vragen bij
het verhaal te expliciteren en om daarna de antwoorden in groep te bespreken. Onderzoek van Applebee et al. koppelt die vraaggestuurde leeshouding en de uitwisseling van ideeën in een open klasgesprek aan een verhoogde leesvaardigheid. Door eerst met de tekst in dialoog te treden en vervolgens met elkaar, bouwen de leerlingen hun kennis en interpretaties gezamenlijk op en groeit ook hun openheid voor andere perspectieven.
Dit onderzoek gaat na hoe deze principes vertaald worden naar de klaspraktijk. Uit interviews met leerkrachten, focusgesprekken met leerlingen en klasobservaties blijkt dat de doelstellingen van het project grotendeels worden gerealiseerd. Leerkrachten en leerlingen ervaren de lessen als leerrijk, activerend en verfrissend. De dialogische klasdynamiek stimuleert rijke uitwisselingen over de verhalen en de maatschappelijke thema’s die ze aanreiken, waardoor leerlingen tot een ruimer begrip van de
lesinhoud komen. Daarnaast zorgt de herhaalde confrontatie met kortverhalen voor meer
vertrouwdheid met literatuur en voor de frequente oefening van het gebruik van literaire begrippen.

Tegelijk wijst de analyse op enkele praktische en structurele uitdagingen: klasgrootte, tijdsduur, evaluatie, leesvaardigheid en de nood aan meer didactische ondersteuning voor leerkrachten en leerlingen vormen aandachtspunten voor tijdens het laatste projectjaar. Ook de structurele verankering van de methode binnen de taalvakken en de uitbouw van een duurzame leescultuur op school vragen verdere ontwikkeling. Deze masterproef concludeert daarom dat “Literatuur op School” een veelbelovend model is voor een geïntegreerd literatuurbeleid, waarvan de impact nog kan worden versterkt door gerichte ondersteuning en meer systematische inbedding.
Meer lezen

Een regeneratieve toekomst voor Zwartberg - Naar een inclusieve en prikkelregulerende leeromgeving: Architectuur voor kinderen met een autismespectrumstoornis

Universiteit Hasselt
2026
Kato
Martens
  • Rayna
    Bongaerts
  • Yarne
    Claes
  • Connor
    De Smet
  • Elias
    Doyen
  • Daan
    Driessen
  • Liza
    Hendrickx
  • Jorien
    Houben
  • Evelyne
    Gielkens
  • Joppe
    Loodts
  • Rens
    Neyens
  • Arne
    Pellaers
  • Britt
    Raskin
  • Sara
    Simons
  • Anke
    Surinx
  • Tineke
    Vandekerkhof
Deze masterproef onderzoekt hoe architectuur, materialiteit en bouwfysische principes kunnen bijdragen aan een prikkelregulerende en voorspelbare leeromgeving voor kinderen met een autismespectrumstoornis (ASS). Het onderzoek combineert literatuurstudie, case study-analyse en materiaalonderzoek en vertaalt de inzichten naar concrete ontwerpprincipes. Deze worden toegepast in een nieuw schoolontwerp voor De Wissel in Zwartberg, waarin ruimtelijke leesbaarheid, verschillende gradaties van prikkels, natuur, overgangsruimtes en comfort samenkomen. Het project wordt gekaderd binnen een bredere regeneratieve toekomstvisie voor Zwartberg, waarin ecologische, sociale en maatschappelijke aspecten met elkaar worden verbonden.
Meer lezen

Mona Hatoum voor ontwerpers: Strategieën toegepast op een pendeltraject tussen Lokeren en Gent

Universiteit Gent
2026
Aslinur
Cakal
Deze masterproef onderzoekt hoe we met een open blik naar onze alledaagse, vertrouwde omgeving kunnen kijken. Het onderzoek vertrekt vanuit een diepgaande analyse van het oeuvre van kunstenares Mona Hatoum. Hatoum transformeert huiselijke objecten tot installaties die thema's als ontheemding en 'thuis' tastbaar maken. Uit haar werk zijn specifieke beeldmanipulatiestrategieën gedistilleerd, zoals schaalmanipulatie, herkaderen en vervangen. Deze artistieke strategieën zijn vervolgens vertaald naar de schaal van architectuur en openbare infrastructuur. Als case-study fungeert het dagelijkse pendeltraject van de auteur tussen Lokeren en Gent. Dit resulteert in hybride collages waarin publieke transitruimtes versmelten met de intieme, private sfeer van thuis. Het project is fysiek vormgegeven als een enorme, gelaagde en opvouwbare kaart die vraagt om zintuiglijke interactie. Daarnaast biedt het werk een kritische reflectie op hoe politieke grenzen in de wereld ruimtes vaak eenzijdig benaderen. Uiteindelijk is deze thesis een krachtige oproep om meer te observeren en minder snel te oordelen.
Het eerste deel is de analyse van Mona Hatoums werk. Het tweede deel is een zoektocht naar strategieën. Het derde deel is het experiment met de strategieën in de vorm van collages en het laatste deel is de reflectie op wereldgrenzen.
Meer lezen

Robot traject generatie voor het stapelen van willekeurige dozen

Universiteit Gent
2026
Jasper
Verdoodt
  • Louis
    Claes
In veel grote magazijnen worden dozen van verschillende maten nog steeds handmatig op pallets gestapeld. Dit is zwaar fysiek werk voor magazijniers en leidt er vaak toe dat pallets niet optimaal benut worden, waardoor vrachtwagens met veel lege lucht rondrijden. In deze masterproef ontwikkelden we daarom een automatische 'Tetris-robot' die dit werk overneemt. Het systeem scant passerende dozen op de lopende band met een 3D-camera om de exacte afmetingen te bepalen. Vervolgens herkent een slim camerasysteem met artificiële intelligentie automatisch scheuren, deuken of vochtschade, waarna beschadigde dozen meteen van de band worden geduwd. Om de goedgekeurde dozen zo compact en stabiel mogelijk op elkaar te stapelen, ontwikkelden en trainden we slimme rekenmodellen en zelflerende algoritmes. Om te bewijzen dat dit ook in de praktijk werkt, bouwden we een werkend fysiek prototype met een robotarm, een vacuümgrijper en een industriële besturing, waarmee de hard- en software naadloos samensmelten tot één autonoom geheel.
Meer lezen

Perditum in Translatione: Culturele overdracht in de handen van AI.

KU Leuven
2026
Kobe
Geerts
De snelle opkomst van Large Language Models (LLM's) roept vragen op over hun omgang met low-resource-talen en het daarin vervatte culturele gedachtegoed. Deze studie onderzoekt hoe general-purpose LLM's culturele concepten uit het Latijn vertalen, met de epigrammen van Martialis als casus. Om de aard van deze vertaalverschuivingen te kwantificeren, is een handmatige annotatie uitgevoerd volgens het Multidimensional Quality Metrics (MQM)-framework, gefaciliteerd door aangepaste categorieën en een speciaal hiertoe ontwikkelde applicatie. Hierbij worden de vertalingen door de modellen Gemini 3.1 Pro, M365 Copilot Chat en Kimi-K2.6 vergeleken met de brontekst en twee menselijke referentievertalingen. Uit de analyse blijkt enerzijds een duidelijke tendens naar letterlijkere, generiekere vertalingen die culturele nuance missen, anderzijds een assimilerende vertaalstrategie, vermoedelijk gedreven door een Engelstalige bias in de trainingsdata. Bij de modelvergelijking produceerde Gemini 3.1 Pro significant minder verschuivingen dan de andere twee modellen. Ten slotte tonen de resultaten aan dat langere bronteksten resulteren in een proportioneel hoger aantal verschuivingen per vers.
Meer lezen

Zelfregulerend leren bij kleuters

Karel de Grote Hogeschool
2026
Jits
Goossens
In mijn bachelorproef heb ik onderzocht hoe je zelfregulatie bij kleuters kan ondersteunen van de eerste tot de derde kleuterklas. Hiervoor ontwikkelde ik een visueel zelfregulatiebord met drie vragen: Wat ga ik doen? Hoe ga ik het doen? en Hoe ging het? Het bord werd aangepast aan de leeftijd en noden van de kinderen en tijdens mijn eindstage uitgeprobeerd. De resultaten tonen dat kleuters door gerichte begeleiding en een duidelijke structuur kunnen groeien in zelfstandigheid.
Meer lezen

Van leesstrategie naar wereldkennis: een ondersteuningspakket bij het kennisrijk curriculum voor begrijpend lezen.

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Amber
Adriaens
De aanhoudend dalende resultaten voor begrijpend lezen, zoals zichtbaar in internationale studies als PISA en PIRLS, en de invoering van de nieuwe minimumdoelen Nederlands markeren een keerpunt voor het Vlaamse basisonderwijs. Deze studie focust specifiek op de fundamentele visieverandering binnen het domein Nederlands: de wetenschappelijke verschuiving van het trainen van losse leesstrategieën naar een
kennisrijk curriculum vraagt om een herziening van de didactische praktijk. Voor veel leerkrachten blij de vertaalslag van deze abstracte, bindende doelen naar de dagelijkse klaspraktijk echter een complexe uitdaging.
Deze bachelorproef onderzoekt hoe de theoretische kaders rond kennisrijk onderwijs vertaald kunnen worden naar bruikbaar lesmateriaal. De centrale onderzoeksvraag luidt: Hoe kan een praktijkgericht ondersteuningspakket, gebaseerd op de specifieke noden en uitdagingen van leerkrachten in het Vlaamse lager onderwijs, de voorbereiding op en implementatie van de nieuwe, kennisrijke minimumdoelen voor
begrijpend lezen ondersteunen? Het doel is leerkrachten concrete handvaten te geven waarmee ze de nieuwe minimumdoelen in de klaspraktijk kunnen uitvoeren.
Het onderzoek is opgebouwd als een triangulatie van bronnen: een literatuurstudie met comparatieve analyse van de oude eindtermen en de nieuwe minimumdoelen, een digitale nodenbevraging bij 42 Vlaamse leerkrachten en zorgleerkrachten, en een semigestructureerd interview met een ervaren zorgcoördinator.
Uit de literatuurstudie blijkt dat leesbegrip niet verbetert door strategie-instructie in isolatie, maar door thematische kennisopbouw, conceptuele coherentie en convergente differentiatie. De nodenbevraging bevestigt die nood: leerkrachten geven aan dat de huidige methodes te verarmd zijn, dat klasdiversiteit hun grootste struikelblok vormt en dat de tijd ontbreekt om zelf rijker materiaal te ontwikkelen. Als antwoord op deze noden werd een lessenreeks van drie lessen over de Olympische Spelen voor het 4de leerjaar ontwikkeld, met volledig uitgewerkte leerkrachtenhandleidingen, leerlingenbundels en een digitale app met klikbare woordverklaringen en een ingebouwde thuistaaloptie voor anderstalige leerlingen. Les 1 werd uitgetest door een leerkracht in het vierde leerjaar van basisschool De Zonnetuin.
Meer lezen

Metacognitive Insight into Interfering Information During Decision-Making Processes

KU Leuven
2026
Eren
Aslan
The ability to control and suppress unwanted influences on decision-making processes is essential for adaptive behaviour. While research has shown that people can adjust their behaviour following conflict between two competing response alternatives, it remains unclear whether individuals have metacognitive insight into the extent to which conflicting and irrelevant information affects their decisions. Insight into interfering information can facilitate the optimisation of cognitive control strategies during the decision process.

This study aimed to understand whether subjective experiences of interference align with objective conflict modulation and whether these experiences correspond to behavioural performance and conflict levels induced by task manipulations. Fifty-one participants completed a Flanker task in which stimulus congruency and flanker distance were manipulated. After each trial, participants rated the degree of interference on a continuous scale, obtaining a trial-by-trial measure of their metacognitive sense of conflict. Linear mixed-effects models revealed that reaction times, accuracy, and interference ratings were sensitive to congruency and flanker distance. By fitting the Diffusion Model for Conflict (DMC) to empirical data, we showed that flanker distance primarily modulates latent parameters that measure conflict strength. We assessed the relationship between objective and subjective measures of interference by regressing peak amplitude, a proxy of interference in the DMC, and stimulus congruency on subjective reports. To further understand this relationship, simulation techniques were
leveraged to model the relationship between peak amplitude and subjective interference.

The regression model provided evidence that individuals have insight into interfering information during decision-making. Model simulations further supported this claim by generating results that closely replicated the qualitative features of the empirical data. These findings support an account of conflict monitoring theory that bridges behavioural performance, computational modelling and subjective experience. Future research should extend these findings to other conflict tasks and incorporate neuroimaging techniques to further validate the results. Ultimately, combining subjective reports and objective measures of interference offers a more comprehensive approach to understanding adaptive decision-making when interfering information is present.
Meer lezen