Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

ALS HET WELKOM EEN AFSCHEID WORDT.

Arteveldehogeschool Gent
2026
Febe
Ruysschaert
Het verlies van een kind tijdens of kort na de zwangerschap is één van de meest ingrijpende ervaringen die ouders kunnen meemaken. Waar zwangerschap en geboorte doorgaans geassocieerd worden met vreugde en toekomstverwachtingen, worden ouders bij perinataal verlies geconfronteerd met intens verdriet, onzekerheid en rouw. In deze kwetsbare context neemt de vroedvrouw een centrale rol in, maar de zorgverlening bij perinataal verlies brengt ook een emotionele belasting en onzekerheid in het professioneel handelen met zich mee voor de zorgverlener zelf.

Deze bachelorproef onderzoekt hoe de vroedvrouw ouders die in het ziekenhuis geconfronteerd worden met perinataal verlies op een professionele, empathische en gestructureerde manier kan ondersteunen. Daarbij wordt rekening gehouden met medische, psychologische, juridische en sociale aspecten, evenals met de impact van deze zorg op de vroedvrouw.

Aan de hand van een literatuurstudie werden de verschillende vormen van zwangerschapsverlies, de relevante Belgische wet- en regelgeving en de fysieke en psychologische gevolgen voor ouders geanalyseerd. Daarnaast werd de rol van de vroedvrouw belicht op het vlak van communicatie, rouwbegeleiding, multidisciplinaire samenwerking en zelfzorg. Uit de resultaten blijkt dat vroedvrouwen een cruciale rol spelen in het bieden van erkenning, duidelijke informatie en continuïteit van zorg, maar dat zij nood hebben aan concrete en toepasbare richtlijnen om deze zorg op een veerkrachtige manier te kunnen blijven aanbieden.
Meer lezen

ONOPGEMERKT, TOCH VERMOORD. Een kwantitatief onderzoek naar de implicaties en uitdagingen wanneer de doodsoorzaak wordt vastgesteld door artsen die geen specialist zijn in de gerechtelijke geneeskunde

Vrije Universiteit Brussel
2025
Sofie
Wyloeck
Deze masterproef onderzoekt hoe huisartsen en urgentie-/spoedartsen hun kennisniveau en ondersteuning beoordelen bij het vaststellen van niet-natuurlijke doodsoorzaken. De hoofdonderzoeksvraag: "Hoe beoordelen huisartsen en urgentie-/spoedartsen hun kennisniveau en ondersteuning bij niet-natuurlijke doodsoorzaken en welke factoren dragen bij aan mogelijke tekortkomingen?" wordt in dit onderzoek beantwoord.

Het onderzoek werd uitgevoerd aan de hand van een online vragenlijst met 59 respondenten, verzameld via een convenience sampling. Door de korte onderzoeksperiode voor de dataverzameling en de gebruikte steekproefmethode is de representativiteit van de resultaten beperkt. De volledige onderzoeksperiode besloeg acht maanden.

Uit de resultaten blijkt dat vooral huisartsen hun kennisniveau als onvoldoende beoordelen, terwijl urgentieartsen vaker voldoende kennis rapporteren. Bijscholing wordt vooral door huisartsen als moeilijk toegankelijk ervaren. Beide groepen ervaren belemmeringen zoals tijdsdruk en druk vanuit politie of andere hulpverleners. Ze beschouwen de medische voorgeschiedenis, overleg met collega’s uit hun eigen praktijk of dienst en samenwerking met de politie als belangrijke ondersteuningsmiddelen.
Ondanks het gebruik van Ordomedic, maken artsen zelden gebruik van richtlijnen.

De conclusie is dat artsen behoefte hebben aan betere opleiding en ondersteuning bij het vaststellen van doodsoorzaken. Structurele scholing kan twijfels helpen verminderen. Daarnaast is aandacht nodig voor de samenwerking met politiediensten. Ten slotte verdient de invoering van digitale overlijdensaangifte zorgvuldige begeleiding om fouten en variatie in overlijdensregistratie te voorkomen.
Meer lezen

Radiografisch protocol bij de aan- en verkoop van paarden

Odisee Hogeschool
2025
Fien
Ditvoorts
Radiografische keuringen zijn een essentieel onderdeel bij de aankoop en verkoop van paarden, omdat ze helpen om orthopedische aandoeningen zoals osteochondrose, artrose en botcysten tijdig op te sporen. In België bestaat echter geen uniform radiografisch protocol, waardoor dierenartsen elk hun eigen aanpak hanteren. Dit leidt tot verschillen in beeldvorming, interpretatie en tot mogelijke misverstanden tussen koper en verkoper. Deze bachelorproef stelt een gestandaardiseerd radiografisch protocol voor dat gebaseerd is op literatuurstudie, buitenlandse richtlijnen (Nederland en Duitsland) en een bevraging van Belgische dierenartsen over hun werkwijze. Het protocol is bedoeld om meer uniformiteit, transparantie en betrouwbaarheid in veterinaire keuringen te waarborgen, met aandacht voor zowel diagnostische kwaliteit als stralingsveiligheid.
Meer lezen

Challenging standards: Analyzing the alternative audio description of the dance video Isomo

Universiteit Antwerpen
2025
Afifa
Kharchi
Deze thesis onderzoekt de evoluerende praktijken van audiobeschrijving in dans aan de hand van de dansvideo Isomo als casestudy, een hedendaagse dansvideo gemaakt door choreografe Iris Bouche voor het KMSKA. Traditioneel wordt audiobeschrijving beschouwd als een objectief hulpmiddel voor toegankelijkheid, maar recentelijk zijn alternatieve benaderingen die subjectiviteit en creativiteit omarmen in opkomst (Fryer & Cavallo, 2022). Het doel van dit onderzoek is om de strategieën die in de audiobeschrijving van de dansvideo Isomo worden gebruikt te identificeren en te onderzoeken in hoeverre deze afwijken van de traditionele richtlijnen. Het onderzoek combineert een vertaalanalyse met vijf semigestructureerde interviews met experts. De bevindingen geven aan dat de audiobeschrijving niet strikt kan worden gecategoriseerd als traditioneel of alternatief, maar eerder ergens tussen beide in ligt, aangezien deze elementen van beide bevat. Enerzijds maakt het gebruik van creatieve strategieën, waaronder eerste- en tweepersoonsvertellingen die door de dansers zelf worden ingesproken. Anderzijds bevat het elementen van traditionele AD, zoals het vasthouden aan een traditionele workflow.
Meer lezen

Ethiek in het tijdperk van AI: een lessenpakket

Hogeschool VIVES
2025
Jitske
Van Steenlandt
In mijn bachelorproef “Ethiek in het tijdperk van AI: een lessenpakket voor de tweede graad godsdienstonderwijs” onderzocht ik hoe jongeren bewust kunnen leren omgaan met de ethische grenzen van artificiële intelligentie. Uit mijn onderzoek bij leerkrachten en leerlingen bleek dat er grote interesse is in AI-ethiek, maar dat er weinig geschikt lesmateriaal bestaat. Daarom ontwikkelde ik een lessenpakket en ontwierp ik het bordspel Tussen Mens en Machine. Met dit spel denken leerlingen op een speelse manier na over morele dilemma’s, zoals: Mag een zelfrijdende auto kiezen wie overleeft? of Is AI altijd eerlijk? Het project wil jongeren leren kritisch omgaan met technologie en hen laten ontdekken dat AI niet enkel slim, maar ook menselijk doordacht moet zijn.
Meer lezen

Knowledge clips assisted instructions during English lessons

Odisee Hogeschool
2025
Tine
Vercauteren
Genomineerde longlist Klasseprijs
Deze bachelorproef onderzoekt het gebruik van kennisclips als didactisch hulpmiddel in het tweede jaar Engels (eerste graad, A-stroom) ter ondersteuning van het leren van grammatica. De studie is gebaseerd op de theorie van multimedia learning, die het gecombineerde gebruik van gesproken uitleg en visuele elementen benadrukt om het leerproces te versterken. Het onderzoek gaat na of kennisclips kunnen bijdragen aan een beter begrip en een verbeterde retentie van complexe grammaticale onderwerpen bij leerlingen. Op basis van de ontwerprichtlijnen uit de theorie van multimedia learning werd een checklist ontwikkeld om het ontwerp en de integratie van kennisclips in het lesonderdeel te ondersteunen. De resultaten tonen aan dat kennisclips grammatica lessen efficiënt kunnen ondersteunen, als ze goed ontworpen zijn, de checklist volgen en worden geïntegreerd in lessen met Generative Activities onder begeleiding van de leerkracht. Hoewel het onderzoek een beperkte reikwijdte heeft, suggereren de bevindingen dat een kennisclip-ondersteunde instructie ook toepasbaar en waardevol kan zijn in andere leerjaren en vakken binnen het secundair onderwijs, en zo een hulpmiddel biedt waarmee leerkrachten hun lespraktijk kunnen versterken.
Meer lezen

Wat zijn de meest effectieve educatiestrategieën voor verpleegkundigen om het vocht- en natriumbeleid aan patiënten met hartfalen uit te leggen?

Hogeschool UCLL
2025
Luca
Van Wesemael
Tijdens mijn stages op de afdeling cardiologie viel het mij op hoe moeilijk het voor patiënten met hartfalen is om zich aan een strikt vocht- en natriumbeleid te houden. Vaak kregen ze tegenstrijdige adviezen van verschillende zorgverleners, wat leidde tot verwarring en frustratie. Daarom besloot ik mijn bachelorproef te wijden aan dit onderwerp. Met de vraag: “Wat zijn de meest effectieve educatiestrategieën voor verpleegkundigen om het vocht- en natriumbeleid aan patiënten met hartfalen uit te leggen?” ging ik opzoek naar een antwoord dat patiënten de weg wijst naar meer kennis en een betere ziektebeleving.
Uit mijn literatuurstudie kwamen drie strategieën naar voren die écht het verschil maken: de teach-back methode, waarbij patiënten in hun eigen woorden uitleggen wat ze hebben begrepen; multimedia educatie, die complexe informatie toegankelijk maakt via filmpjes en interactieve tools; en de constructivistische methode, die patiënten actief betrekt bij hun leerproces. Deze aanpakken verbeteren niet alleen kennis en therapietrouw, maar zorgen ook voor minder ziekenhuisopnames en een hogere levenskwaliteit.
Mijn onderzoek toont dat verpleegkundigen met duidelijke, interactieve educatie een cruciale impact hebben op de gezondheid en het welzijn van patiënten met hartfalen.
Meer lezen

Bipolair op ons scherm

Arteveldehogeschool Gent
2025
Marieke
Devoghel
  • Lotte
    Plessers
  • Héloïse
    Deridder
Onze bachelorproef gaat over hoe fictie het beeld over bipolariteit beïnvloedt. 1 op 20 Vlamingen heeft een bipolaire stoornis, en de stoornis kreeg de laatste jaren veel aandacht omwille van de razend populaire Vlaamse serie 'Knokke Off'. Vertrekkende vanuit de reeks en het bipolaire personage Louise, vertolkt door Pommelien Thijs, werpt deze multimediale bachelorproef een licht op de rol van fictie in beelvorming rond bipolariteit. Er werd gesproken met mensen die zelf een bipolaire stoornis hebben, de maker van 'Knokke Off' en enkele experten rond beeldvorming en de stoornis zelf.
Meer lezen

Investor protection in ESG ratings: A law and economics approach

KU Leuven
2025
Aline
Soenen
Duurzaamheid speelt vandaag de dag een sleutelrol in de financiële wereld, en roept tegelijk veel vragen op. ESG-ratings worden steeds vaker gebruikt door investeerders, terwijl de betrouwbaarheid en de transparantie ervan niet altijd gegarandeerd zijn. Deze masterthesis analyseert de agency kosten in verband met ESG-ratings. Daarnaast wordt de recente Europese regulering onder de loep genomen om te evalueren of deze adequaat is voor het aanpakken van de huidige uitdagingen, met nadruk op beleggersbescherming. Tot slot worden aanbevelingen gedaan voor verbeteringen in het proces.
Meer lezen

Liefde in vloeibare vorm, niet gedragen wel gevoed

Thomas More Hogeschool
2025
Lore
Wuyts
De bachelorproef *“Liefde in vloeibare vorm, niet gedragen wel gevoed”* onderzoekt hoe vroedvrouwen ouders kunnen ondersteunen bij **lactatie-inductie**, het proces waarbij melkproductie wordt opgewekt bij personen die niet zwanger zijn (geweest). Deze praktijk biedt niet alleen voeding voor het kind, maar versterkt ook de ouder-kindbinding en draagt bij aan inclusieve zorg, onder meer voor adoptieouders, co-lacterende koppels en transgender personen.

Aan de hand van een literatuurstudie werden de methoden, uitdagingen en de rol van vroedvrouwen in kaart gebracht. Zowel hormonale en medicamenteuze benaderingen als natuurlijke methoden zoals borststimulatie en voedingsondersteuning kwamen aan bod. Uit de resultaten blijkt dat vroedvrouwen een sleutelrol spelen in het informeren, begeleiden en psychosociaal ondersteunen van (wens)ouders. Belangrijke succesfactoren zijn een tijdige voorbereiding, empathische communicatie, multidisciplinaire samenwerking en aandacht voor diversiteit.

De conclusie luidt dat lactatie-inductie meer is dan een medische techniek: het is zorg die vraagt om kennis, openheid en respect. Er is nood aan meer sensibilisering en vorming, zodat vroedvrouwen deze vorm van borstvoeding op een veilige en inclusieve manier kunnen integreren in de perinatale zorg.
Meer lezen

Geen vluggertje, maar bewustzijn: de preventie van seksueel grensoverschrijdend gedrag in het secundair onderwijs

Vrije Universiteit Brussel
2025
Jolien
Roelens
Genomineerde longlist Klasseprijs
Dit onderzoek richt zich op de effectiviteit van Nederlandstalige preventieprogramma’s tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag (SGG) in het secundair onderwijs en onderzoekt de ervaringen van Vlaams schoolpersoneel met deze programma’s. Er is gebruikgemaakt van een mixed-methods benadering. Enerzijds is een inhoudsanalyse uitgevoerd van zeventien Nederlandstalige preventieprogramma’s. Anderzijds is een zelfrapportage enquête afgenomen bij 57 schoolmedewerkers die betrokken zijn bij relationele en seksuele vorming, inclusief de preventie van SGG.

De analyse toont aan dat geen enkel preventieprogramma volledig voldoet aan de achttien wetenschappelijk onderbouwde criteria voor effectieve interventies. Wel bevatten de meeste programma’s enkele positieve elementen, zoals actieve leervormen en duidelijke handleidingen. Tegelijkertijd blijken herhalingssessies, genderspecifieke kennis en ouderbetrokkenheid vaak te ontbreken. Uit de bevraging blijkt bovendien dat leerkrachten regelmatig programma’s aanpassen of zelf samenstellen, wat de effectiviteit onder druk kan zetten. Daarnaast geeft een aanzienlijk deel van het schoolpersoneel aan zich momenteel onvoldoende bekwaam of opgeleid te voelen om het thema SGG adequaat te behandelen bij middelbare scholieren.

Kortom, de bevindingen onderstrepen de nood aan een overkoepelend kader voor de evaluatie van SGG preventieprogramma’s. Duidelijke richtlijnen en structurele ondersteuning zijn essentieel om leerkrachten in staat te stellen het thema op een veilige, doeltreffende en wetenschappelijk onderbouwde manier aan te kaarten. Het systematisch trainen van schoolpersoneel vormt hierbij een cruciale stap. Een open, goed ondersteunde meldcultuur kan uiteindelijk bijdragen tot vroegtijdige detectie en preventie van SGG en kan mogelijk een daling in prevalentie tot gevolg hebben.
Meer lezen

Impact van Onyx-injectiesnelheid bij endovasculaire embolisatie: een computationele meerfasestromingsstudie van een patiënt-specifieke arterioveneuze malformatie

Universiteit Gent
2025
Kaat
Wille
Cerebrale arterioveneuze malformaties (AVM’s) zijn afwijkingen in de hersenvaten waarbij slagaders en aders rechtstreeks met elkaar verbonden zijn, zonder tussenliggende haarvaten. Dit veroorzaakt een complex netwerk van bloedvaten dat risico’s op bloedingen, epileptische aanvallen en neurologische aandoeningen met zich meebrengt. Een veelgebruikte behandeling is endovasculaire embolisatie, waarbij een vloeibaar embolisch middel – vaak Onyx – via een microkatheter wordt ingespoten om de AVM te blokkeren. Het succes van deze procedure hangt af van de ervaring van de behandelede arts, onder andere bij het bepalen van de katheterpositie en injectiesnelheid. Hierdoor groeit de interesse naar kwantificatie van deze parameters.
Hoewel de FDA (Food and Drug Administration) een aanbevolen injectiesnelheid van 0.16 ml/min en een bovengrens van 0.30 ml/min voorschrijft, wordt dit in de praktijk zelden actief gemonitord. In deze thesis wordt met behulp van computationele vloeistofdynamica (CFD) onderzocht hoe de injectiesnelheid de verdeling en stroming van Onyx beïnvloedt. Hiervoor worden de bloed- en Onyx-stromingen gemodelleerd in een patiënt-specifieke AVM-geometrie, gebaseerd op medische beeldvorming.
De resultaten tonen aan dat de injectiesnelheid een duidelijk effect heeft: hogere snelheden versnellen de verspreiding van Onyx, beïnvloeden de verdeling binnen de AVM en veroorzaken hogere lokale drukverschillen. Dit benadrukt dat de injectiesnelheid een kritische parameter is die in de klinische praktijk meer aandacht verdient. Verdere studies met uitgebreidere patiënten data en experimentele validatie zijn nodig om deze bevindingen te bevestigen en te vertalen naar de kliniek.
Meer lezen

Van chaos naar comfort

Karel de Grote Hogeschool
2025
Dorien
Van Durme
Mijn bachelorproef "Van chaos naar comfort" richt zich op de onderzoeksvraag: “Welke lijst met richtlijnen kan ik opstellen zodat een schooldirectie maatregelen kan nemen die ze schoolbreed kan integreren om, voor kleuters met (al dan niet bevestigde) ASS, een ASS-vriendelijke omgeving te creëren?”
Het doel is om scholen te inspireren en hen handvaten te geven om als het ware zo de overgang te maken van chaos naar comfort voor kleuters met autisme
Meer lezen

Bouwen met CLT: Een analyse voor een Best-Practice ontwerp- en bouwpraktijk in België

Universiteit Gent
2025
Tomas
De Landsheer
De bouwsector stoot wereldwijd bijna 40% van alle CO₂ uit. Hout kan een belangrijk alternatief zijn voor beton en baksteen, omdat het CO₂ opslaat en vaak sneller en efficiënter verwerkt kan worden. Een veelbelovende vorm van houtbouw is Cross-Laminated Timber (CLT), waarbij planken kruislings verlijmd worden tot sterke panelen. In landen als Zweden en Canada zijn al indrukwekkende houtprojecten gebouwd, maar in België blijft het gebruik voorlopig beperkt. De reden? Ons natte klimaat en een gebrek aan duidelijke richtlijnen rond vochtbescherming.

In mijn onderzoek bracht ik de risico’s voor CLT in België in kaart. Ik vergeleek internationale kennis en voorbeelden met de Vlaamse praktijk, interviewde bouwprofessionals en volgde een groot project op in Gent. Daaruit blijkt dat het klimaat op zich niet het grootste probleem is, maar wel de manier waarop we met vocht en hout omgaan. Daarom ontwikkelde ik een Vocht-Beheersings-Plan (VBP) en praktische tools die architecten, aannemers en ingenieurs kunnen gebruiken om houten gebouwen beter te beschermen.
Meer lezen

Wanneer is te veel, 'te veel'? Over het aantal kinderen per spermadonor (Deelonderzoek: Beleving van Donorkinderen)

KU Leuven
2025
Margot
Indekeu
De limieten op het aantal nakomelingen per donor (de donorquota) werden bepaald in een context van geheimhouding en anonimiteit rond donorconceptie. Ze zijn voornamelijk ingegeven door medische redenen, zoals het voorkomen van consanguïniteit. De opkomst van het internet en DNA-databanken, in combinatie met een maatschappelijke verschuiving naar meer openheid en recente wetswijzigingen, maakt het mogelijk dat nakomelingen van eenzelfde donor met elkaar in contact kunnen komen. Hierdoor is duidelijk geworden dat de wetten en richtlijnen in het verleden niet altijd nageleefd werden en dat er een gebrek is aan internationale wetgeving waardoor donorkinderen soms geconfronteerd worden met een onverwacht aantal donor half-sibilings. Deze onvoorziene contacten brengen nieuwe vragen en uitdagingen met zich mee, waardoor de psychosociale aspecten van het aantal nakomelingen per donor steeds meer op de voorgrond komen te staan.

In deze masterproef werd onderzocht hoe donorkinderen genetische verwanten die ontstaan zijn uit donaties van dezelfde donor beleven, binnen het bredere maatschappelijke vraagstuk rond donorquota. Om een diepgaand inzicht te verkrijgen in deze belevingen werd gekozen voor een explorerende, kwalitatieve onderzoeksbenadering. Semigestructureerde interviews werden afgenomen en geanalyseerd aan de hand van een thematische analyse, gebaseerd op de aanpak van Braun en Clarke (2006). Aan het onderzoek namen twaalf personen deel uit alleenstaande-moeder, moeder-moeder en moeder-vader gezinnen. Uit de analyse van de interviews blijkt dat de beleving van de deelnemende donorkinderen gevarieerd en complex is en zich situeert op verschillende niveaus: individueel (bewustzijn rondom donor half-siblings, impact op identiteit), interpersoonlijk (woordgebruik, betekenis van genen en verwantschap, vormgeven aan de relatie, relationele dynamieken, familiale grenzen) en beleidsmatig (kindperspectief, centraal register, donorquota). De deelnemers gaven aan een sterke behoefte te ervaren naar vrijheid om zelf betekenis en vorm te mogen geven aan de genetische connectie met hun donor half-siblings, zonder zich te moeten verdedigen voor hun gevoelens en gedachten. Tegelijkertijd was er ook een duidelijke behoefte aan informatie en ondersteuning, mede doordat er weinig sociale kaders bestaan om deze relaties te duiden. De meerderheid van de deelnemers vond dat er een internationaal, centraal register moet komen dat transparantie en overzicht biedt over het aantal nakomelingen per donor. Daarnaast was er unanimiteit over de noodzaak van een duidelijk donorquotum dat nageleefd en opgevolgd wordt.

Binnen de klinische praktijk is het belangrijk om begeleiding en ondersteuning te bieden aan donorkinderen bij het verkennen van mogelijke betekenissen van de genetische connectie met donor half-siblings, zonder deze voor hen in te vullen. Daarnaast spraken deelnemers de wens uit om het onderbelichte kindperspectief centraal te stellen in het maatschappelijke en politieke debat rond de praktijk van donorconceptie. Ze voelden daarbij een nood aan erkenning van donorkinderen als personen met eigen rechten en informatiebehoeften.
Meer lezen

Glulamstructuren hergebruikt: Analyse van terugwinningsprocessen en milieu-impact aan de hand van 7 recente casussen

Universiteit Gent
2025
Emiel
Feys
  • Emiel
    Defever
Deze masterproef onderzoekt het structureel hergebruik van gelijmd gelamelleerd houten elementen in bouwprojecten. Via zeven casussen werden processen en strategieën in kaart gebracht, wat de technische haalbaarheid en het potentieel op grote schaal aantoont. Een levenscyclusanalyse bewijst daarnaast de aanzienlijke milieuvoordelen ten opzichte van nieuw materiaal. Het eindwerk vormt zo zowel een praktische gids als een kwantitatieve onderbouwing van de milieuvoordelen van deze hergebruikpraktijk.
Meer lezen

Het directe effect van een mondhygiënische behandeling op de slikact bij CVA-patiënten met orofaryngeale dysfagie: een pilootstudie.

Universiteit Gent
2025
Gwendolyn
Blancquaert
Kan iets schijnbaar eenvoudigs zoals mondverzorging het herstel na een beroerte beïnvloeden? Deze pilootstudie onderzocht hoe drie eenvoudige mondverzorgingsmethoden de slikfunctie van patiënten na een beroerte beïnvloeden. De resultaten tonen dat een gezonde mond niet alleen eten aangenamer maakt, maar ook complicaties kan voorkomen. Ontdek hoe een kleine verandering in zorg een grote impact kan hebben op herstel en levenskwaliteit.
Meer lezen

Using common gen-AI tools to generate reading materials for A2-level ESL learners.

Universiteit Gent
2025
Annelies
Pandelaers
De toenemende beschikbaarheid van generatieve artificiële intelligentie (genAI) biedt taalonderwijzers nieuwe mogelijkheden om leesmateriaal op maat van hun leerlingen te ontwikkelen. Deze masterpraktijkproef onderzoekt of vrij toegankelijke gen-AI-platformen (met name ChatGPT en Google Gemini) in staat zijn om Engelstalige leesteksten te genereren die aansluiten bij het ERK niveau A2. Via een vergelijkende corpusanalyse werden AI-gegenereerde teksten geëvalueerd tegenover teksten uit twee gevestigde bronnen: Vlaamse handboeken en het Key A2 English-examen van Cambridge. De lexicale profilering gebeurde met behulp van AntWordProfiler om de woorddekkingsgraad van elke tekst te analyseren. Uit de resultaten van dit beperkte corpus blijkt dat de AI-gegenereerde teksten een hogere lexicale dekking bereikten dan de handboek- en examenteksten. De AI-teksten benaderden de drempel van 95% dekking die volgens het Coverage Comprehension Model noodzakelijk wordt geacht voor tekstbegrip. De teksten gegenereerd door Google Gemini bleken lexicaal sterker en beter afgestemd op pedagogische richtlijnen dan die van ChatGPT. De bevindingen suggereren dat genAI, mits aangestuurd door zorgvuldig geformuleerde prompts, inderdaad niveau-adequate teksten kan produceren. Dit kan mogelijk de werklast van leerkrachten verlichten en hen in staat stellen om leesteksten af te stemmen op specifieke onderwerpen of onderwijsnoden. Deze studie formuleert praktische richtlijnen voor promptontwikkeling en benadrukt de nood aan verder praktijkgericht onderzoek naar het begrip en de ervaring van AI-gegenereerde teksten door leerlingen.
Meer lezen

Rookpreventie en Behandeling in de Jeugdpsychiatrie

Hogeschool UCLL
2025
Elise-Marie
Weets
Roken onder jongeren in de jeugdpsychiatrie is een groot probleem dat zowel de fysieke gezondheid als het psychisch welzijn schaadt. Veel jongeren gebruiken roken als manier om met stress om te gaan, terwijl hun hersenen nog in ontwikkeling zijn, wat de risico’s op lange termijn vergroot. Een groot deel van de jongeren in de residentiële jeugdzorg rookt dagelijks wat tijdens mijn stage duidelijk zichtbaar werd.

Deze bachelorproef onderzocht hoe zorgverleners, zoals verpleegkundigen, effectiever kunnen bijdragen aan rookpreventie en het ondersteunen van jongeren bij het stoppen met roken. Het doel is de schadelijke gevolgen van roken te beperken door haalbare en effectieve strategieën te identificeren.

Uit de analyse blijkt dat vroege en regelmatige screening van rookgedrag belangrijk is ook bij jongeren die nog niet roken. Educatie over tabaksgebruik en het corrigeren van misvattingen helpt jongeren bewust te worden van de risico’s. Motivatiegesprekken en het gebruik van het 5A-model zijn effectieve methoden bij rookstopinterventies. Hoewel farmacologische interventies bij deze groep nog beperkt onderzocht zijn bieden gedragsmatige interventies veel kansen. Zorgverleners spelen een cruciale rol maar hebben zelf de juiste training en ondersteuning nodig om jongeren effectief te begeleiden.

Door screening, educatie, motivatiegesprekken en praktische ondersteuning kunnen jongeren geholpen worden hun rookgedrag te veranderen. Het trainen van zorgverleners vergroot hun effectiviteit en het gebruik van gestructureerde modellen en bewezen gedragsinterventies helpt jongeren gezondere keuzes te maken en meer controle over hun welzijn te ervaren.
Meer lezen

Projectverslag: infographic informele melkdeling: Ter ondersteuning van educatie voor zorgverleners

AP Hogeschool Antwerpen
2025
Femke
Rylant
Informele melkdeling, een kant van melkdeling die weinig aandacht krijgt en vooral geheim wordt besproken.
Met de nieuwe donormelkbanken is er ook breder gekeken naar zorgverleners die in aanraking komen met vragen naar informele deling. Zij hebben nood aan een ondersteunende tool om ook dit gesprek te kunnen voeren en vooral de veiligheid te verhogen in het mate van het mogelijke. Deze bacherlorproef legt zich toe op zo'n tool en maakt nog extra aanbevelingen.
Meer lezen

Turning learning data into meaningful Learning Analytics Dashboards

KU Leuven
2025
Jonas
Van Hove
Genomineerde longlist mtech+prijs
Genomineerde longlist Vlaamse Scriptieprijs
Genomineerde shortlist Klasseprijs
Competentiegericht onderwijs (CBE) wordt steeds vaker toegepast in het Vlaams secundair
onderwijs. Voor leerkrachten brengt dit uitdagingen met zich mee bij het interpreteren
van leerlinggegevens en het nemen van gepaste acties. Deze masterproef onderzoekt
hoe een learning analytics dashboard (LAD) leerkrachten kan ondersteunen tijdens
klassenraden, waar belangrijke beslissingen over leerlingen genomen worden.
Via een participatief ontwerpproces werd CLAIRE ontwikkeld, een proof-of-concept
dashboard. Dit dashboard sluit aan bij het Vlaamse competentiekader en is technisch
ge¨ıntegreerd met Moodle, het leerplatform van de partnerschool. Het ontwerp richtte
zich op gebruiksvriendelijkheid, visuele helderheid en praktische toepasbaarheid in het
dagelijkse lesgebeuren.
Feedback van leerkrachten wees op de nood aan duidelijke inzichten, intu¨ıtieve interfaces
en ondersteuning bij het opvolgen van leertrajecten op verschillende niveaus. Hoewel
artifici¨ele intelligentie werd verkend als mogelijke uitbreiding, ligt de focus in het uiteindelijke
prototype op begrijpelijke en bruikbare visualisaties van leerdata.
Kwalitatieve evaluatie toonde aan dat leerkrachten het visuele overzicht erg nuttig
vonden en de duidelijke structuur van competenties per vakgebied sterk waardeerden. Iteratieve
prototyping bracht het belang aan het licht van minimale manuele input, voortgangsvisualisaties
en flexibele filters die aansluiten bij de dagelijkse praktijk. Tijdens een
feedbacksessie op school werd het ontwerp van CLAIRE positief onthaald; leerkrachten
gaven aan dat het dashboard het analyseren van leerlinggegevens aanzienlijk vereenvoudigt.
Deze thesis levert een bijdrage aan het ontwerpen van gebruiksvriendelijke dashboards
voor leerkrachten en biedt concrete richtlijnen voor datagedreven besluitvorming binnen
CBE-contexten.
Meer lezen

Hoe dragen muzikale verhalen bij aan het creëren van een veilige ervaring voor kinderen van 4 tot 8 jaar tijdens medische procedures volgens de PROSA-aanpak?

Hogeschool UCLL
2025
Kim
Van Vlaenderen
Muzikale verhalen als afleidingsmethodiek binnen de PROSA-aanpak

Deze bachelorproef onderzoekt hoe muzikale verhalen kunnen bijdragen aan een veilige ervaring voor kinderen van 4 tot 8 jaar tijdens medische procedures. Het praktijkgericht onderzoek werd uitgevoerd op de kinderafdeling van het Noorderhart Mariaziekenhuis in Pelt en sluit aan bij de PROSA-aanpak (Procedurele Sedatie en Analgesie), die comfort, veiligheid en verbondenheid centraal stelt.

Muziek bleek vanuit literatuur en praktijk een krachtige bron van troost en afleiding. Het activeert het limbisch systeem, stimuleert dopamine-afgifte en verlaagt stress. Binnen de methodiek kiezen kinderen interactieve verhalen en sturen ze het verloop mee door instrumenten te bespelen. Deze combinatie van verbeelding, muziek en keuzevrijheid vergroot hun gevoel van autonomie en controle, passend bij hun ontwikkelingsfase.

Drie casussen tonen de meerwaarde en nuances van de aanpak. Bij een 4-jarige jongen met traumatische voorgeschiedenis bood het verhaal aanvankelijk rust, maar was aanvullende ondersteuning nodig bij hernieuwde paniek. Een bijna 6-jarig meisje zonder trauma bleef volledig ontspannen en merkte de prik nauwelijks op. Een 8-jarig meisje bleef gefocust en wilde de methode bij een volgend bezoek opnieuw gebruiken. Ouders en verpleegkundigen rapporteerden consequent positieve effecten zoals ontspanning, verminderde angst en plezier.

De analyse wijst uit dat effectiviteit afhankelijk is van leeftijd, eerdere ervaringen en procedureduur. Bij kinderen zonder trauma volstaat de methodiek vaak, terwijl bij belaste voorgeschiedenis extra interventies nodig kunnen zijn. Cruciaal zijn de keuzemomenten in het verhaal, die kinderen controle en betrokkenheid geven.

Voor duurzame implementatie werden een draaiboek voor pedagogisch medewerkers en een ouderfolder ontwikkeld. Deze bevatten praktische richtlijnen voor voorbereiding, opstelling, interactieve verteltechnieken en ouderbetrokkenheid. Zo wordt de methodiek structureel verankerd in de zorgpraktijk.

De conclusie luidt dat muzikale verhalen een waardevolle, kindgerichte afleidingsmethodiek zijn binnen de PROSA-aanpak. Ze bieden kinderen rust, plezier en controle, versterken de verbinding met ouders en zorgverleners, en kunnen in veel gevallen ingezet worden zonder sedatie. De methodiek is praktisch uitvoerbaar en vormt een duurzame aanvulling op bestaande comfortzorg. Verdere samenwerking en uitbreiding van de verhalenbundel kunnen het aanbod in de toekomst verrijken.
Meer lezen

De Perimenopauze in Nederland en België: het Diagnoseproces en de Mogelijke Rol van Verpleegkundigen in de Zorg

HOGENT
2025
Leen
Reynvoet
Deze bachelorproef van Leen Marie Reynvoet, student verpleegkunde aan Hogeschool Gent, onderzoekt het diagnoseproces van de perimenopauze bij vrouwen in België en Nederland. Het doel was om de ervaringen van vrouwen, de impact van hun symptomen en de rol van zorgverleners (met name verpleegkundigen) in kaart te brengen.

Belangrijkste bevindingen
• Vertraagde diagnose: Het onderzoek, gebaseerd op een online vragenlijst onder ruim 2000 vrouwen, toont aan dat het diagnoseproces vaak aanzienlijk vertraagd is. Voor een groot deel van de vrouwen in zowel België als Nederland duurde het 2 tot 10 jaar tussen het begin van de symptomen en het krijgen van een formele diagnose.
• Oorzaken: De vertraging wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door een kennistekort, zowel bij vrouwen zelf (die moeilijk betrouwbare Nederlandstalige informatie vinden) als bij zorgverleners in de eerste en tweede lijn. Veelvoorkomende misvattingen bij artsen, zoals het uitsluiten van de diagnose bij een regelmatige menstruatie of bij afwezigheid van opvliegers, dragen hieraan bij. Klachten worden vaak onterecht toegeschreven aan stress of burn-out.
• Impact op vrouwen: De symptomen hebben een grote negatieve impact op de levenskwaliteit, het sociale leven en de professionele carrière. Veel vrouwen voelen zich niet serieus genomen door zorgverleners en gaven aan weinig inspraak te hebben in het diagnoseproces.
• Rol van verpleegkundigen: De rol van verpleegkundigen in het diagnoseproces is momenteel zeer beperkt. Weinig vrouwen voelen zich comfortabel om hun klachten met een verpleegkundige te bespreken en de meerderheid heeft dit ook nooit gedaan.
De conclusie is dat structurele investeringen nodig zijn in de opleiding van zorgverleners en in de toegang tot betrouwbare informatie voor vrouwen om het diagnoseproces te verbeteren en de ernstige gevolgen van de vertraging te beperken
Meer lezen

Samen bouwen aan klasmanagement. De ondersteunende rol van schoolbeleid

Universiteit Antwerpen
2025
Karlien
Tiebout
Klasmanagement vormt een van de grootste uitdagingen in het onderwijs, met een directe impact op leerprestaties en welzijn van leerlingen en leraren. Waar klasmanagement traditioneel wordt beschouwd als een individuele competentie van leraren, toont recent onderzoek een verschuiving naar schoolbrede benaderingen. Deze studie onderzoekt welk beleid basisscholen met sterk klasmanagement voeren om leraren te ondersteunen en welke maatregelen leraren als ondersteunend ervaren.
Via een kwalitatief exploratief onderzoek werden semi-gestructureerde interviews afgenomen met schoolleiders en leraren van vijf basisscholen die schoolbreed sterk presteren op klasmanagement.
De onderzochte scholen kenmerken zich door een bewuste evolutie van reactief naar proactief klasmanagementbeleid. Die verschuiving werd vaak ingegeven door urgentie en door inzichten uit de cognitieve psychologie. Alle scholen investeren sterk in structuur en schoolbrede routines, maar hanteren twee verschillende benaderingen: een expliciete gestandaardiseerde aanpak met gedetailleerde richtlijnen versus een meer impliciete aanpak via observatie en informele uitwisseling. Leraren ervaren gemeenschappelijke routines, gedeelde verwachtingen en concrete ondersteuningsmaterialen als meest ondersteunend. Daarnaast waarderen zij professionalisering via collegiale ondersteuning, coaching en expertiserollen, waarbij tijd voor implementatie als cruciale voorwaarde wordt benoemd.
Effectief klasmanagement blijkt geen louter individuele opdracht maar wordt mede mogelijk gemaakt door doordacht schoolbeleid. De combinatie van structuur en warme relaties, ondersteund door gemeenschappelijke afspraken, gerichte professionalisering en betrokken leiderschap, creëert een omgeving waarin leraren zich ondersteund voelen. Deze bevindingen bieden concrete handvatten voor schoolleiders en teams om klasmanagement als gedeelde verantwoordelijkheid aan te pakken.
Meer lezen

Human Oversight in EU Data Protection Law: A Study of the GDPR and the AI Act

Vrije Universiteit Brussel
2025
Michaël
Thomas
Deze masterproef onderzoekt de wisselwerking tussen de Algemene Verordening Gegevensbescherming (GDPR) en de nieuwe Europese verordening inzake artificiële intelligentie (AI Act) met bijzondere aandacht voor de rol van menselijk toezicht bij geautomatiseerde besluitvorming. Vertrekkend van de centrale onderzoeksvraag hoe de AI Act het kader van de GDPR voor human oversight versterkt of daarvan afwijkt, wordt een doctrinale juridische methode gevolgd. De analyse omvat primaire rechtsbronnen, waaronder de GDPR en de AI Act met hun voorbereidende documenten en relevante rechtspraak van het Hof van Justitie, evenals beleidsrichtsnoeren en academische literatuur.

De studie toont aan dat artikel 22 GDPR, dat het recht biedt om niet te worden onderworpen aan uitsluitend geautomatiseerde besluiten met rechtsgevolgen of een vergelijkbaar significant effect, in de praktijk op aanzienlijke beperkingen stuit. De criteria “uitsluitend geautomatiseerd” en “significant effect” blijken moeilijk toepasbaar en de vereiste van menselijke tussenkomst blijft inhoudelijk vaag. De AI Act introduceert daarentegen een risicogebaseerd regelgevend kader dat voor hoog-risicosystemen proactieve waarborgen oplegt, waaronder specifieke verplichtingen inzake menselijk toezicht die al in de ontwerpfase moeten worden ingebouwd en gedurende de werking van het systeem behouden.

Hoewel de AI Act zo enkele structurele tekortkomingen van de GDPR corrigeert, blijven fundamentele vragen bestaan over de reikwijdte en de effectiviteit van het opgelegde toezicht. Niet alle maatschappelijk risicovolle toepassingen vallen immers onder de hoog-risicocategorie en de wettelijke vereisten voor daadwerkelijke menselijke controle laten ruimte voor interpretatie en voor louter symbolische naleving. De analyse maakt duidelijk dat het juridisch verankeren van een menselijke factor in processen die per definitie niet-menselijk beslissen een hardnekkige spanning blootlegt: het blijft een onoplosbare paradox om menselijk toezicht als waarborg op te leggen in een domein dat precies gekenmerkt wordt door geautomatiseerde systemen.
Meer lezen

Van scène naar systematiek. Over het documenteren van creatieve processen in de podiumkunsten, aan de hand van het archief van Greet Vissers

Vrije Universiteit Brussel
2025
Renée
Ryckx
Dit onderzoeksartikel verkent hoe het archief van een kunstenaar kan helpen om creatieve processen in de podiumkunsten zichtbaar en toegankelijk te maken binnen de context van archiefinstellingen. Aan de hand van een casestudy rond theatermaker Greet Vissers wordt onderzocht hoe archiefbeschrijving en -structuur de werkmethodes van een kunstenaar kunnen weerspiegelen, zonder hun complexiteit te vereenvoudigen. De inclusieve praktijk van Vissers toont hoe hybride rollen en creatieve keuzes sporen nalaten in archiefmateriaal. Vanuit het concept van het performatief archief wordt de interactie tussen documentatie en artistieke praktijk geanalyseerd. Methodologisch combineert het project archiefanalyse, literatuurstudie en samenwerking met de kunstenaar. Op basis van de bevindingen werden vier aanbevelingen geformuleerd en besproken in dialoog met een archiefinstelling en een dienstverlenende organisatie binnen het erfgoedveld. Dit artikel draagt zo bij aan lopende discussies over kunstenaarsarchieven en de rol van archiefinstellingen in het bewaren en doorgeven van artistieke praktijken.
Meer lezen

t' Vroetwijf met cloecken verstande. Een genderhistorische analyse van t'Boeck vande Vroet-Wijfs van Maarten Everaert uit de late zestiende eeuw.

Universiteit Gent
2025
Marthe
Clymans
Dit onderzoek bekijkt hoe man-vrouw verhoudingen aan bod komen in t’ Boeck vande Vroet-Wijfs. Dat werd geschreven door Maarten Everaert in de late zestiende eeuw. Aan de hand van een discoursanalyse onderzoekt de scriptie hoe mannelijke inmenging in de geneeskundige zorg terug te vinden is in een handboek voor vroedvrouwen. In het inleidend deel kadert de thesis de bron aan de hand van de auteur en het doelpubliek, de situatie van vroedvrouwen in de zestiende eeuw en de theorieën die het onderzoek ondersteunen. Het betoog is opgebouwd aan de hand van vier stadia waarbij de taak van de vroedvrouw beschreven wordt: preconceptionele fase, zwangerschap, bevalling en de postpartumzorg. Uit deze analyse blijkt dat er een verschil is in hoe Everaert zwangere vrouwen en vroedvrouwen beschrijft. Het onderzoek ent zich op verschillende vakgebieden en pleegt daartoe een bijdrage. Zo blijkt dat abortus een gangbare praktijk was en verbloemd werd, maar ook dat vroedvrouwen wel degelijk taken tijdens de bevalling mochten uitvoeren, zoals het gebruiken van operatieve instrumenten, die in de literatuur eerder aan mannen worden gekoppeld. Waar de bewegingsvrijheid van de zwangere vrouw in t’ Boeck van de Vroet-Wijfs uitermate beperkt wordt, krijgt de vroedvrouw veel beslissende en uitvoerende rollen toegelegd. Het onderzoek legt veel spanningsvelden in één van de eerste handboeken voor vroedvrouwen bloot. De verhoudingen tussen praktische en theoretische kennis, mannelijke en vrouwelijke zorgers en verschillende vrouwen onderling lagen nog niet vast en in die ruimte kon dit handboek ontstaan.
Meer lezen

Het prijsgeven van de identiteit van daders en slachtoffers van misdrijven door de journalist

Universiteit Antwerpen
2025
Nathalie
Voss
Het idee van mijn onderzoek is ontstaan door de recente ontwikkelingen in de samenleving. De burger is verontwaardigd wanneer de identiteit van verdachten en daders op een niet consistente wijze wordt vermeld in de media. Wegens onwetendheid en frustratie laat de samenleving zich dan ook horen, met alle gevolgen vandien. Hoewel ik zelf eerst onbegrip toonde voor de niet-standvastigheid van de media inzake het prijsgeven van de identiteit, heeft dit mij aan het denken gezet: zijn er dan geen regels waaraan journalisten zich moeten houden?
Wegens deze bedenking viel mijn oog op de Code van de Raad voor de Journalistiek. Deze Code geldt als leidraad voor journalisten en bevat verschillende onderwerpen die worden uitgewerkt in artikels en richtlijnen. De belangrijkste richtlijnen voor dit onderzoek zijn te vinden in artikel 23 van de Code en omvatten: identificatie in gerechtelijke context, identificatie van slachtoffers en respect voor het privéleven van publieke figuren. Omdat een onderzoek naar de volledige Code ons te ver zou leiden, heb ik gekozen om mijn onderzoek af te bakenen tot dit artikel 23 (mits bepaalde kanttekeningen). Hiernaast wordt het onderzoek gevoerd vanuit de situatie van dader en slachtoffer. De focus ligt dus niet op de verdachte.
Zo heb ik de Code op zichzelf onderzocht en ging ik na wat de grenzen zijn aan het prijsgeven van identiteit van daders en slachtoffers van misdrijven door de journalist. Hierdoor is de vraag ontstaan hoe buurlanden dit invullen. Vooraleer ik dus een oordeel vel over onze Code, acht ik het noodzakelijk om te kijken hoe Nederland hiermee omgaat. Ik heb dan ook gekozen om een vergelijking te maken tussen de code in Nederland, namelijk de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek, en onze Code.
Uit deze vergelijking blijkt dat beide codes belang hechten aan een zorgvuldige afweging tussen het recht op privacy en het belang van het publiek om toegang te krijgen tot informatie. De Code is enorm gestructureerd met verwijzingen naar verschillende artikels en richtlijnen die per onderwerp uiteenzetten hoe de journalist moet handelen in een bepaalde situatie. Toch blijft de praktische toepassing afhankelijk van de journalist/redactie. Redacties beslissen binnen de marges van de Code zelf hoe zij identificeren, al geldt de Code wel als een minimumregel. De Raad treedt pas op wanneer een klacht wordt ingediend. Zij zal kijken of de Code effectief gevolgd werd of niet.
In België bestaat geen vaste praktijk zoals de Nederlandse initialenregel (voornaam, gevolgd door initiaal van de familienaam), hierdoor is er meer ruimte voor volledige identificatie, wat leidt tot inconsistentie. De Leidraad is op haar beurt minder gestructureerd en veel kleiner van omvang dan de Code. Ondanks dat de initialenregel niet bindend is, zorgt dit voor een brede toepassing in de praktijk door journalisten. Toch verwijst de Leidraad ook naar uitzonderingen waardoor er opnieuw ruimte is voor interpretatie. Dit leidt soms tot absurde situaties waarbij eerst de volledige naam wordt gegeven (bij een arrestatie) om nadien de initialenregel te gebruiken. Mijns inziens is het kwaad dan al geschied. Concluderend kan worden gesteld dat in Nederland de praktijk terughoudender is, terwijl België meer formele richtlijnen geeft maar minder terughoudend is in de uitvoering ervan.
Voor slachtoffers biedt de Code een expliciete richtlijn die de berichtgeving van hun identiteit streng reguleert. In de Leidraad staat dit ook, al wordt hier minder diep op ingegaan en is er geen aparte sectie voorzien. Hoewel de Leidraad minder structuur biedt, wordt impliciet een bredere invulling gegeven aan het begrip ‘identiteit’ door te verwijzen naar onder meer etniciteit of religie. Al leidt dit wel tot vragen over de volledigheid van de opsomming.
Nadat ik bovenstaande codes met elkaar heb vergeleken, dook een nieuwe vraag op: is onze Code van de Raad in overeenstemming met de grond- en mensenrechten van het EVRM, en hoe verhoudt de Code zich tot de rechtspraak van het EHRM? Om hier een antwoord op te kunnen bieden heb ik artikel 10 EVRM afgewogen tegen verschillende (grond)rechten, zoals recht op privacy, recht op afbeelding, recht op vergetelheid, recht op eer en goede naam, recht op antwoord en het vermoeden van onschuld als onderdeel van het recht op een eerlijk proces.
De hoofdonderzoeksvraag luidt dan ook als volgt: “In hoeverre is de deontologische code voor journalistiek met betrekking tot het prijsgeven van identiteit van daders en slachtoffers, in overeenstemming met de grondrechten en mensenrechten van het EHRM?”
De rechten en rechtspraak van het EHRM werden eerst apart besproken om vervolgens de Code hieraan te kunnen toetsen. Zo kon worden geconcludeerd dat de Code voor zowel het vrijgeven van de identiteit van daders als slachtoffers, in grote lijnen in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof. Er wordt nadruk gelegd op de afweging van het recht op privéleven en het recht op informatie. Hoewel de Code de mogelijkheid biedt tot beperkte of volledige identificatie, maakt het Hof dit onderscheid niet. Het Hof blijkt systematisch zijn eigen zes criteria af te toetsen voor de afweging tussen artikel 10 en 8 EVRM. Deze criteria worden niet expliciet opgesomd door de Code maar vallen hier impliciet grotendeels mee samen. Vooral wat betreft de richtlijn bij de identificatie van slachtoffers, sluit de Code nauw aan bij het Hof. Hier gelden strengere regels en minder bewegingsruimte voor de journalist. Het recht op afbeelding wordt, als onderdeel van artikel 8 EVRM, niet expliciet besproken in de Code. Wel wordt verwezen naar een hogere mate van voorzichtigheid bij het publiceren van herkenbaar beeldmateriaal. De terughoudendheid bij bekendmaking van beelden van slachtoffers wordt ook effectief bevolen door het Hof. Over het algemeen kan bij slachtoffers worden gesteld dat de Code de lijn volgt die wordt getrokken door het EHRM.
Vanuit het daderperspectief kon een bespreking van het recht op vergetelheid niet ontbreken. Artikel 23 verwijst naar de afweging van het belang van berichtgeving tegenover de reclassering en herintegratie van de veroordeelde. Toch mist de Code belangrijke aanvullingen die wel worden aangehaald in de criteria van het Hof: de verstreken tijd en toegankelijkheid van de publicatie. Ik ben dan ook van mening dat de Raad zou kunnen overwegen om deze factoren te benoemen in de Code. De toetsing aan het recht op eer en goede naam kon tevens niet ontbreken. Ook hier valt de Code te verzoenen met de rechtspraak van het Hof.
Wat betreft het recht van antwoord, in de zin van artikel 10 EVRM, voorziet de Code in een alternatieve bepaling inzake wederwoord. Opmerkelijk is dat het Hof ook verwijst naar deze mogelijkheid tot correctie als beslissend criterium. Zoals andere auteurs stel ik deze tendens tot inmenging in de redactionele vrijheid in vraag. Ook bij het vermoeden van onschuld wordt aan de alarmbel getrokken. De Code vereist een hoge mate van zorgvuldigheid en verantwoordelijkheid waardoor dit mogelijks de waakhondfunctie van de pers beperkt. Ik ben echter van mening dat voorzichtigheid mag worden verwacht van journalisten. Bij vrijheid hoort nu eenmaal verantwoordelijkheid.
Over het algemeen kan dus worden gesteld dat de Code in overeenstemming is met de besproken rechten en rechtspraak van het EHRM, mits gemaakte kanttekeningen en nuanceringen.
Omdat theorie niet alomvattend is, sloot ik mijn onderzoek af met een interview met een deskundige. Haar praktische kijk bracht nuance en bood een waardevolle reflectie op bepaalde delen van mijn onderzoek.
Meer lezen

ChatGPT in de les Nederlands

Thomas More Hogeschool
2025
Sarah
Van Mol
Deze bachelorproef onderzoekt de inzet van ChatGPT in het secundair
onderwijs, specifiek binnen de lessen Nederlands. Artificiële intelligentie
(AI) speelt een steeds grotere rol in onze samenleving en biedt diverse
mogelijkheden voor gepersonaliseerd leren en ondersteuning bij
taalvaardigheid. In deze bachelorproef wordt AI gedefinieerd (zie 1.1) en
de impact ervan op de samenleving geanalyseerd (zie 1.2). AI wordt
breed toegepast in verschillende sectoren, waaronder gezondheidszorg en
onderwijs. Dit biedt kansen en uitdagingen, zoals ethische vraagstukken
en de invloed op werkgelegenheid.
In de literatuurstudie wordt dieper ingegaan op ChatGPT als specifieke AItoepassing (zie 2.1), de rol ervan in de samenleving (zie 2.2) en de
toepassing binnen het onderwijs, met een bijzondere focus op het vak
Nederlands (zie 2.3). ChatGPT ondersteunt leerkrachten bij
lesvoorbereiding, het geven van gerichte feedback en het differentiëren
van instructie. Voor leerlingen biedt ChatGPT voordelen bij
schrijfopdrachten, tekstanalyses en gepersonaliseerde leerroutes. Toch
zijn er risico’s, zoals het gevaar van plagiaat en afhankelijkheid. Het
gebruik van ChatGPT vereist een bewuste en kritische inzet van alle
gebruikers, dus zowel leerlingen als leerkrachten.
De literatuurstudie behandelt verder effectieve strategieën voor de
implementatie van ChatGPT in het onderwijs (zie 2.3), zoals het gebruik
van schrijfkaders en effectieve promptconstructie (zie 2.3.4). Daarnaast
wordt het belang van digitale geletterdheid en ethiek bij het gebruik van
AI benadrukt (zie 2.3.5). Leerkrachten moeten worden ondersteund bij
het kritisch evalueren en begeleiden van leerlingen in het gebruik van
ChatGPT, om zo de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen.
Tot slot werd een praktijkgerichte handleiding ontwikkeld op basis van de
literatuur, stage-ervaringen (zie 4.1) en feedback van leerkrachten uit het
werkveld (zie 4.2). Deze handleiding bundelt concrete toepassingen,
prompts en lesideeën waarmee leerkrachten in de eerste graad secundair
onderwijs doelgericht met ChatGPT aan de slag kunnen. De positieve
reacties uit het werkveld tonen aan dat ChatGPT een meerwaarde kan
betekenen in de klas, op voorwaarde dat het gebruik ervan kritisch
begeleid wordt en goed ingebed is in de didactische aanpak.
Meer lezen

Van pen naar prompt: eindwerken in een AI-era

Vrije Universiteit Brussel
2025
Lennerd
Kevelaerts
De opkomst van generatieve artificiële intelligentie (Gen-AI) stelt het hoger onderwijs
voor nieuwe uitdagingen op vlak van onderwijskwaliteit en evaluatie-aanpak. AI-tools zoals ChatGPT bieden opportuniteiten op vlak van efficiëntie en personalisatie, maar wanneer studenten de tools ongecontroleerd inzetten, kan dit de pedagogische waarde en geloofwaardigheid van opleidingen en hun evaluaties ondermijnen. Gen-AI maakt het mogelijk dat studenten met minimale input uitgebreide, grammaticaal correcte teksten genereren, die al snel de indruk wekken dat ze de materie beheersen.
Vooral bij eindwerken heerst momenteel een spanning tussen technologische
ondersteuning en valide evaluaties van studentenwerk. Waar het eindwerk vroeger volstond om na te gaan of eindcompetenties bereikt werden, blijkt uit dit onderzoek dat Gen-AI deze evaluatie sterk kan vertekenen. Wanneer studenten AI inzetten zonder kritisch inzicht of inhoudelijk begrip, komt de waarde van diploma’s onder druk te staan. Beleidsmatige sturing vanuit de Vlaamse overheid blijft beperkt, waardoor instellingen zelf richting moeten geven aan hun AI-beleid, vaak zonder overkoepelend kader.
Deze masterproef onderzoekt hoe evaluatiemethoden van eindwerken hertekend
kunnen worden om kerncompetenties te blijven borgen in een AI-tijdperk. Via een holistische single-case study binnen het domein Economie en Management werden expertinterviews en documentanalyses gecombineerd. De resultaten tonen aan dat competenties zoals domeinkennis, onderzoeksvaardigheden en kritisch denken essentieel blijven. Klassieke eindwerkvormen, zoals de academische paper, schieten echter tekort in het valide toetsen van deze vaardigheden. Tegelijkertijd wint AI-geletterdheid aan belang als nieuwe en onmisbare competentie.
Vier paradoxen (expertise, innovatie, equity en transparantie) illustreren de spanningsvelden die Gen-AI met zich meebrengt. Opvallend is vooral de vierde, nieuwe
paradox die tijdens de interviews naar voren kwam: de Transparantie Paradox. Deze tot dan toe onbenoemde paradox onderstreept hoe het streven naar transparantie, de controle op authenticiteit kan ondermijnen. Respondenten pleiten voor een verschuiving van productgerichte naar procesgerichte evaluatie, met nadruk op eigenaarschap, transparantie en contextgerichtheid. Beleidsmakers en instellingen worden uitgedaagd om voorbij het klassieke spanningsveld tussen controle en loslaten te denken, richting betekenisvolle vernieuwing van procesevaluatie.
Meer lezen