Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Lokale en cloud-AI in webontwikkeling: Ecologische impact, kosten en een beslissingskader voor duurzame integratie

HOGENT
2026
Alexandru-George
Poenaru
Drie taalmodellen werden zowel lokaal als in de cloud getest. Op basis van 6.241 aanvragen werden energieverbruik, geschatte CO₂-uitstoot, snelheid, kosten en inhoudelijke juistheid vergeleken. Een correctie op de cloudschattingen bracht ook het energieverbruik voor het lezen van lange documenten in rekening. Voor de onderzochte toepassing bleek de cloud naar schatting gemiddeld vijf keer energiezuiniger en bij het verwachte bedrijfsvolume financieel aantrekkelijker. Tegelijk toonden de tests dat correct gevormde antwoorden inhoudelijke fouten kunnen bevatten.

De resultaten zijn vertaald naar een praktische beslissingsboom die bedrijven helpt kiezen op basis van onder meer privacy, beschikbare apparatuur, gebruiksvolume, stroommix en antwoordkwaliteit.
Meer lezen

De wilde bij als sleutel tot duurzaamheidseducatie

Odisee Hogeschool
2026
Soeze
Windey
  • Ilinka
    Devillé
Biodiversiteit vormt de basis van goed functionerende ecosystemen en is onmisbaar voor het leven op aarde. Toch staat deze biodiversiteit wereldwijd onder druk. In Vlaanderen nemen steeds meer planten- en diersoorten af of verdwijnen ze volledig. Een van de groepen die bijzonder kwetsbaar is, zijn de wilde bijen. Hoewel ze vaak minder bekend zijn dan honingbijen, spelen wilde bijen een cruciale rol in de bestuiving van planten en gewassen. Hierdoor dragen ze niet alleen bij aan het behoud van
biodiversiteit, maar ook aan onze voedselproductie en de kwaliteit van onze leefomgeving.
De achteruitgang van wilde bijen wordt veroorzaakt door verschillende factoren, waaronder het verlies van geschikte leefgebieden, een afname van bloemenrijke omgevingen, het gebruik van bestrijdingsmiddelen en de gevolgen van klimaatverandering. Ondanks het grote belang van deze bestuivers merken we dat hun rol en betekenis binnen het onderwijs vaak beperkt aan bod komen.
Nochtans biedt dit thema tal van kansen om leerlingen bewust te maken van de samenhang tussen mens, natuur en milieu.
Vanuit deze vaststelling groeide onze interesse voor dit onderwerp. Natuur, biodiversiteit en duurzaamheid zijn thema’s die ons persoonlijk sterk aanspreken. Daarnaast geloven wij dat het onderwijs een belangrijke rol speelt in het ontwikkelen van kennis, vaardigheden en attitudes die bijdragen aan een duurzame samenleving. Door leerlingen inzicht te geven in het belang van wilde bijen en biodiversiteit, kunnen zij bewustere keuzes maken en een groter verantwoordelijkheidsgevoel ontwikkelen ten aanzien van hun omgeving. Binnen deze bachelorproef staat daarom de volgende onderzoeksvraag centraal: "Op welke manier kan duurzaamheidseducatie rond de wilde bij worden geïntegreerd in een betekenisvol en onderzoekend lessenpakket voor de derde graad van het lager onderwijs?"
Om deze onderzoeksvraag te beantwoorden, werd eerst een theoretisch kader uitgewerkt rond duurzaamheidseducatie, biodiversiteit, bestuiving, bestuivers en de wilde bij. Daarnaast werd onderzocht welke kenmerken van betekenisvol en onderzoekend leren aansluiten bij leerlingen uit de derde graad van het lager onderwijs. Op basis van deze inzichten werd een lessenpakket ontwikkeld dat bestaat uit zes lessen van telkens 100 minuten. Aan de hand van onderzoekende activiteiten,
observaties, samenwerking, reflectie en praktijkgerichte opdrachten ontdekken leerlingen stap voor stap het belang van wilde bijen binnen ecosystemen en biodiversiteit. Tegelijk worden zij gestimuleerd om kritisch na te denken over de impact van menselijk handelen op de natuur en over hun eigen rol binnen een duurzame samenleving.
Met deze bachelorproef willen we niet alleen een bruikbaar en onderbouwd lessenpakket aanbieden voor leerkrachten, maar ook bijdragen aan de ontwikkeling van ecologische bewustwording en handelingsbekwaamheid bij leerlingen. We willen hen laten ervaren dat zij, ondanks hun jonge leeftijd, een verschil kunnen maken voor biodiversiteit en bestuivers in hun eigen omgeving. Op die manier hopen we een bijdrage te leveren aan duurzaamheidseducatie en aan de vorming van betrokken burgers die zorg dragen voor natuur, milieu en toekomstige generaties.
Meer lezen

Oude meubels, nieuwe verbindingen : Een ontwerpend onderzoek naar hergebruik en combinatiemogelijkheden

Universiteit Hasselt
2026
Paulien
Ceyssens
In Vlaanderen vormt het aanwezige meubilair bij renovaties van oudere woningen en bij multigenerationele woonvormen, zoals kangoeroewonen, vaak een uitdaging voor overeenstemming tussen generaties. Gebrek aan consensus tussen generaties leidt er regelmatig toe dat waardevolle oude Vlaamse meubels en erfstukken worden afgedankt. Deze thesis onderzoekt op welke manier hergebruik en herontwerp van typische oude Vlaamse meubels uit woningen van (groot)ouders een verbindende rol kunnen spelen binnen multigenerationeel samenleven in bestaande Vlaamse woningen.
Het onderzoek richt zich op de omgang met aanwezige oudere meubelstukken en verkent hoe deze kunnen worden geïnventariseerd, herbestemd en opnieuw samengesteld tot hedendaagse meubels die door meerdere generaties als functioneel, bruikbaar en esthetisch waardevol worden ervaren. Het bestaande interieur wordt daarbij benaderd als een materialenbank, waarbij behoud en herinterpretatie worden onderzocht als alternatief voor afdanken. Daarnaast wordt het principe van urban mining toegepast op de schaal van meubels en interieur, met specifieke aandacht voor typische oude Vlaamse meubelstukken.
Methodologisch combineert de thesis literatuurstudie met ontwerpgericht onderzoek. Relevante theoretische kaders rond meubelhergebruik, duurzaamheid en intergenerationele verbondenheid worden aangevuld met drie eigen casestudy’s, die worden uitgewerkt aan de hand van 3D uitwerkingen en fotocollages als visuele en ontwerpende dragers van het onderzoek. Het hieraan gekoppelde masterproject bestaat uit een hands-on ontwerpend onderzoek naar hergebruik en combinatiemogelijkheden van oude meubels, die ik effectief op schaal 1/1 uitwerk.
De verworven inzichten monden uit in de ontwikkelingen van een methode en concrete ontwerpvoorbeelden voor het hergebruik en herontwerp van oude meubels als verbindende elementen binnen een multigenerationele woning. Deze methode wordt toegepast op verschillende oude meubels, waardoor de herontworpen meubelstukken een centrale rol innemen. De thesis biedt zo zowel een theoretische onderbouwing als een ontwerpgerichte vertaling van meubelhergebruik, met aandacht voor duurzaamheid, erfgoed en intergenerationele samenhang.
Meer lezen

‘Kom mee op het leerpad van je kind!’ Groeien naar een educatief partnerschap in Basisschool Brugge Centrum

Arteveldehogeschool Gent
2026
Leilah
Lierman
Mijn scriptie beschrijft een verandertraject rond educatief partnerschap binnen Basisschool Brugge Centrum. Uit een praktijkonderzoek bleek dat zowel leerkrachten als ouders kansen zien om de samenwerking rond het leren van kinderen te versterken. Wetenschappelijke literatuur bevestigt bovendien dat een sterke samenwerking tussen school en ouders een positieve invloed kan hebben op de leerontwikkeling, motivatie en het welbevinden van leerlingen.

Op basis van een literatuurstudie, bevragingen bij ouders en leerkrachten en gesprekken binnen het schoolteam ontwikkelde ik aanbevelingen voor een schooleigen, evidence-informed visie op educatief partnerschap. Deze visie vormt het fundament voor een verandertraject van drie jaar, waarbij ouders steeds meer als partners worden betrokken bij het leerproces van hun kind.

Samen met een kernteam en het schoolteam werken we aan concrete, leergerichte ouderactiviteiten en initiatieven die de verbinding tussen school en thuis versterken. Daarbij vertrekken we vanuit wat al goed werkt binnen de school en bouwen we stap voor stap verder. Het uiteindelijke doel is om het educatief partnerschap duurzaam te verankeren in de schoolwerking en zo bij te dragen aan maximale leerwinst en ontwikkelingskansen voor elke leerling.
Meer lezen

De-escalatietrainingen in het omgaan met agressie in de verpleegkunde

Hogeschool UCLL
2026
Yara
VERLEY
Agressie is de dag van vandaag een alomtegenwoordig probleem binnen de maatschappij, eveneens binnen de zorgsetting. Hierbij lijkt de kwaliteit van een veilige zorgomgeving en humane hulpverlening onder druk te staan. Zorgverleners, waaronder verpleegkundigen, ervaren steeds vaker oplopende spanningen en onvoorspelbaar gedrag. Daarnaast worden de verpleegkundigen vaker blootgesteld aan de zware gevolgen van agressie-incidenten, ondanks het bestaan van trainingen en protocollen. Een belangrijke oorzaak hiervan is het gebrek aan voldoende kennis, maar eveneens het gebrek aan vertrouwen in het correct handelen bij opkomende spanning en agressie. Er lijkt dus een groeiende nood te zijn aan effectieve de-escalatietraining in het omgaan met agressie.

De doelstelling van deze scriptie ligt in het onderzoeken van de effectiviteit van de-escalatietrainingen en bijgevolg ook uit te kunnen maken welke vorm van training het meest effectief is in het reduceren van agressie-incidenten.
Om dit mogelijk te maken werd in deze paper geopteerd voor een literatuurstudie uitgevoerd waarbij wetenschappelijke bronnen en systematische reviews werden geanalyseerd. De analyse focuste op drie kwaliteitscriteria: efficiëntie, doeltreffendheid en duurzaamheid.

Uit de resultaten blijkt dat de-escalatietrainingen effectief zijn in het verbeteren van de houding, competenties en het zelfvertrouwen van verpleegkundigen, maar dat er onvoldoende evidentie is dat trainingen als losstaande interventie voldoende zijn om het aantal agressie-incidenten te verminderen. Hiervoor is verder gespecificeerd onderzoek nodig.
Om de-escalerend te kunnen werken in het voorkomen van agressie-incidenten is een bredere multimodale aanpak nodig die zowel het individueel niveau omvat als het organisatorisch en structureel niveau.

Dit onderzoek toont aan dat investeren in de-escalatie loont. Desondanks zijn training alleen als interventie onvoldoende. Ze moeten ingebed worden in een duurzame, multimodale aanpak die zowel het individueel niveau van verpleegkundigen als het organisatieniveau aanpakt. Dit heeft als gevolg het creëren van een zorgomgeving waarin veiligheid, professionaliteit en menselijkheid centraal kunnen blijven staan.
Meer lezen

In welke mate brengt de D-QUEST de tevredenheid van gebruikers over het hulpmiddelenproces en de verstrekking van een hulpmiddel in kaart?

Hogeschool VIVES
2026
Quincy
De cat
Deze bachelorproef onderzoekt de tevredenheid van gebruikers over de verstrekking van mobiliteitshulpmiddelen en de geschiktheid van de D-QUEST om deze tevredenheid in kaart te brengen. Eerst werd via een systematische literatuurstudie onderzocht welke factoren de tevredenheid van gebruikers beïnvloeden en welke wetenschappelijke onderbouwing bestaat voor de QUEST en QUEST 2.0. Uit de literatuur blijkt dat tevredenheid niet alleen wordt bepaald door eigenschappen van het hulpmiddel, maar ook door het service delivery process, waaronder behoeftebepaling, advies, selectie, training en opvolging. De QUEST en QUEST 2.0 blijken betrouwbare en valide instrumenten te zijn, al is de responsiviteit ervan nog beperkt onderzocht.

Daarnaast werd een praktijkstudie uitgevoerd bij 60 volwassenen en ouderen met een mobiliteitsbeperking die via het RAR van AZ Sint-Jan Brugge een mobiliteitshulpmiddel ontvingen. Aan de hand van de D-QUEST werd de tevredenheid over het hulpmiddel en de dienstverlening bevraagd. In totaal was 90% van de deelnemers tevreden tot zeer tevreden over het mobiliteitshulpmiddel. Duurzaamheid, effectiviteit en gebruiksgemak kregen de hoogste tevredenheidsscores. Veiligheid en verstelbaarheid vormden belangrijke aandachtspunten. Vooral bij actieve rolwagens werd een opvallend lagere tevredenheid vastgesteld.

De resultaten tonen aan dat de D-QUEST een bruikbaar instrument is om gebruikerstevredenheid over mobiliteitshulpmiddelen en de bijbehorende dienstverlening systematisch te evalueren. De studie benadrukt daarnaast het belang van een goede individuele afstemming, cliëntgerichte begeleiding en voldoende opvolging na de verstrekking van een hulpmiddel.
Meer lezen

Het onbetaakbaarheidsnarratief: Over de invloed van mediaberichtgeving op het vertrouwen in en de steun voor het Belgisch wettelijk pensioenstelsel

KU Leuven
2026
Jessica
Steenacker
De Belgische bevolking veroudert snel. Sinds het einde van de jaren 1980 maken beleidsmakers zich dan ook zorgen over de mogelijke gevolgen die deze vergrijzing zou kunnen hebben voor de overheidsfinanciën en, specifieker, voor het wettelijk pensioenstelsel. Dit stelsel, dat georganiseerd is binnen de Belgische sociale zekerheid en gefinancierd wordt via repartitie, steunt immers in belangrijke mate op een evenwicht tussen het aantal werkende bijdragers en het aantal gepensioneerde uitkeringsgerechtigden. Doorheen de voorbije decennia hebben verschillende studies en beleidsrapporten ondertussen gewezen op de dringende noodzaak aan diepgaande, structurele hervormingen die het wettelijk pensioenstelsel robuuster en toekomstbestendig zouden maken. Tot op heden blijven deze hervormingen echter uit. In deze context is doorheen de afgelopen decennia een dominant onbetaalbaarheidsnarratief ontstaan, waarin de vergrijzing vooral wordt voorgesteld als een financiële last en waarbij de financiële duurzaamheid van het wettelijk pensioenstelsel impliciet in vraag wordt gesteld. Recente maatschappelijke signalen doen echter vermoeden dat dit narratief potentieel zeer reële gevolgen kan hebben voor het vertrouwen in en de steun voor dit stelsel, die beide gegrond zijn in de principes van wederkerigheid en intergenerationele solidariteit en die ook zonder dit narratief al onder druk staan door de maatschappelijke effecten van vergrijzing. De gehanteerde mediaframing van het onbetaalbaarheidsnarratief zou deze dynamiek mogelijk kunnen versterken. Volgens theorieën zoals het illusory truth effect en het Thomas-theorema kan herhaalde negatieve berichtgeving immers een vicieuze cirkel van wantrouwen en onderfinanciering in gang zetten, met mogelijk systeemfalen tot gevolg. Om te onderzoeken of het onbetaalbaarheidsnarratief daadwerkelijk invloed uitoefent op vertrouwen en steun, werd een kwantitatief onderzoek opgezet onder de vorm van een between-subjects vignetsurvey. Een steekproef van de Belgische beroepsactieve bevolking, getrokken door middel van multichannel purposive sampling, werd willekeurig blootgesteld aan één van drie experimentele condities: mediaberichtgeving over de betaalbaarheid van het wettelijk pensioenstelsel met negatieve, neutrale of positieve waardengeladenheid. Nadien werden hun scores voor vertrouwen en steun systematisch opgemeten, en werd ook gepolst naar relevante achtergrondkenmerken. De onderzoeksresultaten tonen aan dat de waardengeladenheid van mediaberichtgeving geen rechtstreeks effect lijkt te hebben op het globale vertrouwen of op de globale steun voor het Belgisch wettelijk pensioenstelsel, maar dat beide vooral samenhangen met enkele demografische, sociaaleconomische en ideologische factoren. Toch lijken enkele cruciale, onderliggende dimensies van vertrouwen en steun echter wel gevoelig voor de gehanteerde framing en ook specifieke sociale groepen blijken vatbaarder voor sommige onderzochte framingeffecten. Tenslotte kon, opvallend genoeg, geen noemenswaardig verband worden vastgesteld tussen vertrouwen en steun, ondanks de wijdverspreide veronderstelling in academische en beleidskringen van een sterk, zelfs causaal verband tussen beide.
Meer lezen

Leiderschap in turbulente tijden. Een studie naar hoe leidinggevenden omgaan met onzekerheid, verandering en druk in multinationale consultancyorganisaties

Vrije Universiteit Brussel
2026
Mika
Gillioen
Deze masterproef onderzoekt hoe senior leiders in multinationale consultancyorganisaties omgaan met hoge werkdruk, onzekerheid en internationale complexiteit. Op basis van 19 semigestructureerde diepte-interviews met leiders van Senior Manager tot topmanagement, bij zes internationale organisaties, wordt nagegaan hoe zij betekenis geven aan hun leiderschap. De analyse combineert het Job Demands-Resources-model (JD-R) met de sensemaking-traditie en maakt gebruik van abductieve template-analyse.

Daaruit komen drie mechanismen naar voren, die bij een deel van de respondenten samengaan. Bij 11 van de 19 respondenten functioneert sensemaking als hulpbron om veeleisende situaties hanteerbaar te maken. Bij eveneens 11 respondenten wordt maatschappelijke waarde wel erkend, maar speelt ze geen rol in hoe zij hun leiderschap vertellen. Bij 5 respondenten krijgt internationale ervaring een identiteitsvormende betekenis.

De kernbijdrage is een verschuiving van wat leiders hebben naar wat ze doen: omgaan met turbulentie wordt benaderd als een proces van betekenisgeving. Sensemaking wordt daarbij voorgesteld als een mogelijke procesmatige hulpbron binnen het JD-R-model: een analytische herconceptualisering, geen uitgewerkt nieuw model.
Meer lezen

Determining coefficient of friction between combat vehicles and trailers according to NBN EN 12195-1

Hogeschool PXL
2026
Robbie
Vandeputte
Defensie transporteert gevechtsvoertuigen op basis van laadplannen die uitgaan van niet-gevalideerde wrijvingscoëfficiënten van 10% en 30%. Deze studie bepaalt de praktische wrijvingscoëfficiënt in overeenstemming met de Europese norm NBN EN 12195-1. Een horizontale trektestmethodologie, die gebruikmaakt van beschikbaar militair materieel, registreert de trekkrachten. Pilootstesten op beton bevestigen de betrouwbaarheid van de opstelling met een dynamische wrijvingscoëfficiënt van 57,43%. Empirische proeven met zes gevechtsvoertuigen op twee types aanhangwagens tonen aan dat de werkelijke wrijving de historische baselines aanzienlijk overschrijdt. Voor trailerdekken met opgeruwd metaal ligt de praktische waarde tussen 70,34% en 77,69%, terwijl vloeren bestaand uit een mix van hout en traanplaat tot 98,91% behalen. Onderzoek naar externe factoren, waaronder variërende omgevingsomstandigheden en aanpassingen van de bandenspanning, stelt hun praktische effecten op de wrijvingsstabiliteit vast. Deze op data gebaseerde resultaten bewijzen dat de huidige veiligheidsmarges overdreven conservatief zijn, wat een wetenschappelijke basis biedt om sjorconfiguraties veilig te vereenvoudigen en de operationele veiligheid te verhogen.
Meer lezen

Assessing the social impact of electronics fabrication

Universiteit Gent
2026
Laura
Sondakh
De groei van de elektronica-industrie gaat gepaard met toenemende gevolgen. De impact op het milieu wordt reeds onderzocht, maar de sociale gevolgen blijven onderbelicht. In dit werk wordt een werkwijze voorgesteld om de sociale gevolgen van de productie van PCBA’s te analyseren. Eerst worden de stappen overlopen voor de productie van IC’s, PCB’s en afzonderlijke componenten, packaging en assemblage, waarna een overzicht wordt gemaakt van de gebruikte materialen. Voor deze materialen worden de sociale gevolgen geëvalueerd aan de hand van de mijnbouwfase. De gevolgen worden gekwantificeerd op basis van de volgende categorieën: kinderarbeid, informele mijnbouw, gewelddadige conflicten, sterkte van de rechtsstaat, controle van corruptie en menselijke ontwikkeling. Voor elk materiaal worden ze geëvalueerd door aan elk van de vijf meest producerende landen een score toe te kennen en een gewogen gemiddelde te berekenen. Het resultaat is een overzicht van de sociale gevolgen van de verschillende materialen die gebruikt worden voor de productie van elektronica. De materialen met de grootste sociale gevolgen zijn kobalt, tantaal, tin, iridium, ruthenium en chroom. Materialen met lagere sociale gevolgen zijn ijzer, beryllium en lithium. Om in te schatten of veranderingen in het productieproces een groot effect zouden hebben, wordt nagegaan welk aandeel van de globale productie van een materiaal gebruikt wordt binnen de elektronica-industrie. Op basis van deze twee analyses worden kobalt, tantaal en zilver geselecteerd voor een extra analyse, waarin toepassingen en alternatieven worden besproken, rekening houdend met technische eigenschappen en kostprijs. De alternatieven hebben meestal bepaalde nadelen. Voor sommige toepassingen zijn er zelfs geen alternatieven mogelijk. Ten slotte worden de milieu- en sociale gevolgen vergeleken. Hieruit blijkt dat bepaalde materialen met grote sociale gevolgen weinig milieu-gevolgen hebben en vice versa. Het wordt dus duidelijk dat er geen ‘ideaal’ materiaal bestaat: er is steeds een afweging nodig tussen milieu- en sociale gevolgen, technische eigenschappen en kostprijs.
Meer lezen

The influence of decay on the load-bearing capacity of CLT-elements and connections

Universiteit Gent
2026
Johannes
Renette
  • Hannes
    Renette
Mijn scriptie onderzocht wat de invloed is van houtrot op het draagvermogen van CLT panelen en verbindingen in een Belgisch klimaat. Wat zijn de aandachtspunten, problemen en hoe reken je rot door bijvoorbeeld langdurige openstelling aan vocht in op een veilige en economische manier. Dit werd onderzocht aan de hand van een referentie gezinswoning uit Boortmeerbeek in een 'worst case' klimaat voor België.
Meer lezen

Tussen drukte en afstand: Sociale Micro Scenario's als medium in een gefragmenteerde samenleving

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Daphné
De Waele
Deze thesis onderzoekt hoe tijdelijke, zintuiglijke interventies in de publieke ruimte spontane ontmoeting en sociale verbondenheid kunnen stimuleren. Aan de hand van de Hoedhaar wijk te Lokeren werden verschillende ‘Sociale Micro Scenario’s’ ontworpen en getest. Hoe kunnen kleine ingrepen rond geur, beeld, aanraking en beweging mensen uitnodigen om te vertragen, te blijven en contact te maken met anderen, zonder dat ontmoeting wordt opgelegd.
Meer lezen

De psychologische drijfveren achter de adoptie van herbruikbare verpakkingen in de Belgische retailsector

Universiteit Antwerpen
2026
Jonas
Nooyens
Deze masterproef onderzoekt welke factoren bepalen of consumenten bereid zijn herbruikbare verpakkingen te gebruiken in de Belgische retailsector. Via een survey bij 371 consumenten en interviews met drie praktijk- en academische experts werd nagegaan hoe duurzaamheid, attitude, persoonlijke verantwoordelijkheid, gewoonten en vooral de ervaren haalbaarheid van een systeem samenhangen met gebruiksintentie.

De resultaten tonen dat praktische haalbaarheid de sterkste voorspeller is: consumenten staan positiever tegenover hergebruik wanneer een systeem eenvoudig, begrijpelijk en makkelijk inpasbaar is in hun dagelijkse routine. De vergelijking tussen twee concrete toepassingen, SIXPACK en REPASYS, toont bovendien dat productcategorie, ontwerp en vertrouwdheid een belangrijke rol spelen.

De studie concludeert dat succesvolle herbruikbare verpakkingen meer vragen dan milieubewustzijn alleen. Ook retourprocessen, standaardisatie, logistiek, ketensamenwerking en economische haalbaarheid moeten op elkaar worden afgestemd. Zo draagt het onderzoek bij aan de ontwikkeling van meer circulaire en duurzame consumptiesystemen.
Meer lezen

Een tweede leven voor merken? Fashion upcycling en de grenzen van het merkenrecht in de Europese Unie en Japan

KU Leuven
2026
Natacha
Nagnensky
Deze thesis onderzoekt de spanning tussen de bescherming van merkhouders en de opkomst van fashion upcycling als circulaire praktijk. Centraal staat de vraag in welke mate het Europese merkenrecht upcyclers rechtszekerheid biedt en ruimte laat voor ecologische duurzaamheid, en welke inzichten het Japanse merkenrecht daarbij kan bieden. De analyse richt zich op drie niveaus waarop het merkenrecht upcycling raakt: de drempel van ‘gebruik als merk’, de individuele inbreukgronden, en de wettelijke uitzonderingen op het merkrecht. Deze drie niveaus afzonderlijk worden eerst vanuit het Europese en vervolgens vanuit het Japanse merkenrecht onderzocht en met elkaar vergeleken.

De thesis beoordeelt beide rechtstelsels aan de hand van de criteria van rechtszekerheid en ecologische duurzaamheid. Daarbij staat centraal of upcyclers op basis van het geldende recht kunnen voorzien welke vormen van merkgebruik zijn toegestaan en of het merkenrecht voldoende ruimte laat voor circulaire praktijken. Uit die vergelijking blijkt dat noch het Europese, noch het Japanse merkenrecht op dit moment een volledig bevredigend evenwicht bereikt tussen bescherming van merkhouders en de ruimte voor circulair hergebruik. De knelpunten verschillen echter per rechtstelsel.

Op basis van deze bevindingen formuleert de thesis een concrete aanbeveling om de rechtszekerheid van upcyclers binnen het Europese merkenrecht te versterken, zonder de bescherming van merkhouders daarbij overbodig te beperken.
Meer lezen

Design and Analysis of an AI-Class Solar Boat Race Hull for Performance, Stability & Competition Compliance

Universiteit Antwerpen
2026
Bram
Dupré
Al vele jaren neemt het UAntwerp Solar Boat Team het op tegen universiteiten van over de hele wereld in de Solar Class tijdens de jaarlijkse Monaco Energy Boat Challenge. Sinds 2025 is deze klasse vervangen door de AI-Class, waarin alle vaartuigen autonoom moeten opereren in meerdere disciplines. De inzichten die het team tijdens het eerste jaar in de AI-klasse heeft opgedaan, vormden een solide basis voor een systematische ontwerpbenadering gericht op het ontwikkelen van een geoptimaliseerde romp en het verbeteren van de huidige ontwerpen door middel van uitgebreide simulaties, iteratieve tests en validatie, waardoor ze meer vermogen aankunnen, hogere kruissnelheden halen en zeewaardiger zijn.
De analyse van bestaande ontwerpen biedt inzicht in het potentieel en de tekortkomingen en suggereert aanpassingen om de prestaties te verbeteren en de levensduur te verlengen. Het nieuwe rompontwerp leert van de tekortkomingen in eerdere ontwerpen en houdt rekening met zowel hydrodynamische als aerodynamische effecten om de efficiëntie, wendbaarheid en stabiliteit tijdens races op zee te maximaliseren. Bijzondere nadruk werd gelegd op het bereiken van een moderne, hoogwaardige, snelle en zeewaardige configuratie die veilig snelheden tot 30-50
knopen kan halen op rechte banen. Lessen uit eerdere ontwerpen en industrienormen werden zorgvuldig geanalyseerd om bekende tekortkomingen te elimineren, en een modulaire en gemakkelijk te vervaardigen architectuur te bereiken met een hogere sponsor en mediawaarde. Bovendien is de romp ontworpen met het oog op aanpasbaarheid op lange termijn, waardoor ze toekomstbestendig is voor gebruik tijdens meerdere wedstrijdcycli.
Meer lezen

Local production for Global Streamers: A Production Studies Analysis of Netflix within Flemish TV-Productions

Universiteit Gent
2026
Jolan
Colpaert
Deze thesis onderzoekt hoe Vlaamse audiovisuele professionals de samenwerking met
Netflix ervaren en hoe zij de invloed van het platform op lokale productiepraktijken
waarnemen.
Meer lezen

Falling in love with automatic fall detection

Hogeschool UCLL
2026
Mirke
Brichard
Titel bachelorproef: Falling in love with automatic fall detection

Onderzoeksvraag: Wat is het effect van het gebruik van automatische draagbare valdetectiesystemen op de werking en responstijd bij valincidenten in vergelijking met traditionele draagbare valdetectiesystemen zonder automatische valdetectie bij thuiswonende ouderen vanaf 65 jaar met een valincident?


1. De kern van het probleem en de maatschappelijke maat
In België valt jaarlijks bijna één op de vier 65-plussers minstens één keer. Vallen is niet alleen een medisch incident, maar vormt ook de start van een verhoogd risico op fysieke verwondingen, functionele achteruitgang, sociale isolatie en angst om opnieuw te vallen.
Traditionele personenalarmsystemen, zoals de klassieke alarmknop aan de hals of pols, kennen in de praktijk enkele beperkingen. Ze vereisen een actieve handeling van het slachtoffer. Bij bewusteloosheid, verwarring of wanneer het toestel niet gedragen wordt, blijft hulp uit. Dit kan leiden tot het zogenaamde long lie-fenomeen, waarbij ouderen langere tijd op de grond blijven liggen. Dit kan het risico op complicaties zoals hypothermie, dehydratie en rhabdomyolyse verhogen en in ernstige gevallen zelfs bijdragen aan overlijden. Daarnaast kunnen valincidenten leiden tot ziekenhuisopnames en een bijkomende belasting voor de zorgverlening.

2. De vernieuwende oplossing: automatische valdetectie
Deze bachelorproef onderzoekt en vergelijkt de werking, betrouwbaarheid en responstijd van automatische draagbare valdetectiesystemen, zoals gespecialiseerde sensoren, smartwatches en man-downsystemen, met traditionele alarmknoppen bij thuiswonende 65-plussers.
Automatische systemen maken gebruik van bewegingssensoren, zoals accelerometers en gyroscopen, en algoritmen om bewegingspatronen te herkennen. Ze kunnen een val automatisch detecteren en een alarm activeren, ook wanneer de oudere dit zelf niet meer kan.
Belangrijkste inzichten en resultaten:
• Responstijd: De onderzochte automatische systemen vertoonden over het algemeen een korte responstijd. Bij gespecialiseerde valdetectiesystemen varieerde deze in de gevonden studies van 1 tot 50 seconden.
• Gespecialiseerde systemen: Systemen die op of dicht bij het lichaamszwaartepunt worden gedragen, lieten in de onderzochte studies doorgaans goede resultaten zien op het vlak van valdetectie.
• Smartwatches en man-downsystemen: Smartwatches bieden het voordeel van een hoge draagbaarheid en sociale aanvaarding, maar kennen in de onderzochte systemen een tragere responstijd van ongeveer 60–90 seconden en kunnen gevoeliger zijn voor fout-positieve meldingen door dagelijkse polsbewegingen. Man-downsystemen richten zich voornamelijk op het detecteren van langdurige immobiliteit en kunnen daarom een aanvullende functie hebben bij bepaalde doelgroepen.

3. Waarde voor verpleegkunde, thuiszorg en CM
Automatische valdetectie kan aansluiten bij kwaliteitsvolle, mensgerichte en duurzame thuiszorg.
1. Patiëntgerichtheid en zelfstandigheid: Automatische detectie kan bijdragen aan een groter gevoel van veiligheid en kan ouderen ondersteunen om langer zelfstandig thuis te wonen.
2. Duurzaamheid van zorg: Door een val sneller te detecteren, kan de periode waarin iemand zonder hulp op de grond ligt worden verkort. Hierdoor kunnen bepaalde complicaties mogelijk worden beperkt en kan de druk op de zorgverlening worden verminderd.
3. Proactieve verpleegkundige rol: Verpleegkundigen kunnen een belangrijke rol spelen bij het inschatten van de noden van de patiënt, het kiezen van een geschikt systeem en het begeleiden van de oudere bij het gebruik ervan.

4. Concrete aanbevelingen voor het werkveld
• Inzetten op draagbare sensoren dicht bij het lichaamszwaartepunt: Bij de keuze van een systeem kan worden nagegaan of een sensor ter hoogte van de heup of romp geschikt is voor de individuele gebruiker, aangezien dergelijke systemen in de onderzochte studies goede resultaten lieten zien.
• Focus op sensitiviteit: Geef bij de keuze van een automatisch valdetectiesysteem de voorkeur aan systemen met een hoge sensitiviteit, zodat het risico dat een val niet wordt gedetecteerd zo klein mogelijk blijft en de kans op complicaties door een long lie mogelijk wordt beperkt.
• AI en machine learning verder opvolgen: Verdere ontwikkelingen binnen AI en machine learning kunnen in de toekomst bijdragen aan een betere herkenning van bewegingspatronen en mogelijk het aantal fout-positieve meldingen verminderen. Dit vraagt echter nog verder onderzoek in realistische thuissituaties.
• Multidisciplinaire samenwerking en praktijkonderzoek: Verder onderzoek in de daadwerkelijke thuissituatie is belangrijk om na te gaan hoe betrouwbaar, gebruiksvriendelijk en haalbaar deze systemen zijn. Hierbij is samenwerking tussen verpleegkundigen, andere zorgverleners, technologieontwikkelaars en beleidsmakers relevant.

Conclusie
Automatische valdetectie biedt perspectief om de veiligheid van thuiswonende ouderen te vergroten en de tijd tussen een val en het inschakelen van hulp te verkorten. De technologie kan een belangrijke aanvulling vormen op bestaande personenalarmsystemen, vooral voor ouderen die na een val niet zelfstandig een alarm kunnen activeren.
Voor de verpleegkundige praktijk ligt hierbij een belangrijke rol in het beoordelen van de individuele noden van de oudere en het mee zoeken naar een systeem dat aansluit bij diens mogelijkheden, leefomgeving en bereidheid om het te gebruiken. Op die manier kan technologie niet de zorg vervangen, maar verpleegkundigen ondersteunen in het bieden van veilige, patiëntgerichte en toekomstgerichte thuiszorg.
Meer lezen

Oddie - Hulpmiddel voor agressieregulatie bij kinderen in een zorgcontext

Universiteit Antwerpen
2026
Hebe
Van Bel
Boos zijn we allemaal wel eens en dat mag. Maar de manier waarop kinderen die boosheid uiten, moet veilig zijn, voor henzelf en hun omgeving. Leren omgaan met boosheid en agressie is niet vanzelfsprekend, zeker niet bij een bijkomende stoornis of kwetsbaarheid. Mijn thesis onderzoekt hoe we kinderen kunnen ondersteunen bij hevige emoties en houvast bieden op moeilijke momenten.
Onderzoek bij en met de doelgroep toonde aan dat vroegtijdig leren omgaan met emoties cruciaal is, waardoor de focus kwam te liggen op agressieregulatie bij kinderen van zes tot twaalf jaar.

Na gesprekken met experten en met de kinderen zelf groeide het idee om geborgenheid te combineren met bewustwording van de ademhaling: twee elementen die elk afzonderlijk kalmeren en samen krachtiger zijn.

Zo ontstond Oddie: een verzwaarde knuffel met ademhalingsbegeleiding, gemaakt van duurzaam materiaal. Via een visuele indicator leert het kind de eigen ademhaling bewust in te zetten. Regelmatig oefenen maakt dit een vertrouwd patroon, toepasbaar zodra emoties opkomen. Oddie stigmatiseert niet en is bedoeld voor iedereen die nood heeft aan rust.

Oddie is inzetbaar in scholen, jeugdzorg, kinderpsychiatrie en thuis. Een begeleidend boekje leert kinderen het product zelfstandig te gebruiken, wat hun autonomie bevordert. Een app helpt begeleiders vertrouwd te raken met de ademhalingstechnieken en Oddie.
Meer lezen

Geïntegreerde zorg als normatief kompas: Beleidslogica’s en spanningen in België

KU Leuven
2026
Maartje
Reyniers
Geïntegreerde zorg is een belangrijk begrip in de Belgische gezondheidszorg en welzijnssector. Het verwijst naar een betere samenwerking tussen zorgverleners en organisaties, zodat mensen meer samenhang ervaren in hun zorg en ondersteuning. Het gaat daarbij niet alleen om medische zorg, maar ook om hulp in het dagelijks leven, zoals ondersteuning vanuit sociale en welzijnsdiensten. Hoewel er brede overeenstemming bestaat over het belang hiervan, vullen mensen die betrokken zijn bij het beleid dit begrip in de praktijk verschillend in. Deze studie onderzoekt hoe zij geïntegreerde zorg begrijpen, welke doelen zij belangrijk vinden en hoe zij omgaan met spanningen tussen die doelen.
Hiervoor werd eerst gekeken naar belangrijke beleidsdocumenten over geïntegreerde zorg, gevolgd door gesprekken met beleidsactoren op Vlaams en federaal niveau. Op basis daarvan werd onderzocht welke accenten zij leggen en hoe zij hun keuzes toelichten.
De resultaten tonen dat vaak dezelfde doelen terugkomen, zoals zorgkwaliteit, betaalbaarheid, gelijke toegang tot zorg en ziektepreventie. Toch verschillen betrokkenen in welke doelstellingen ze het belangrijkst vinden en hoe ze die interpreteren. Sommigen leggen meer nadruk op efficiënt gebruik van middelen, terwijl anderen vooral focussen op toegankelijkheid of de wensen van de patiënt. Deze verschillen brengen spanningen met zich mee. Zo kan efficiëntie botsen met persoonlijke zorg, en kan centrale aansturing moeilijk samengaan met lokale flexibiliteit. In de praktijk worden deze spanningen niet opgelost, maar wordt gezocht naar manieren om verschillende benaderingen te combineren.
Deze manier van werken hangt samen met hoe geïntegreerde zorg in deze studie wordt begrepen, namelijk niet als één vast model met duidelijke regels, maar als een soort “kompas”. Dat kompas geeft geen vaste antwoorden en schrijft ook niet voor hoe keuzes moeten worden gemaakt. In plaats daarvan helpt het beleidsactoren om hun eigen ideeën, prioriteiten en manier van kijken op geïntegreerde zorg expliciet te maken en in verhouding tot elkaar te plaatsen.
Door deze verschillen zichtbaar te maken, wordt het eenvoudiger om ze te bespreken en beter te begrijpen hoe ze zich tot elkaar verhouden. In sommige gevallen kunnen verschillende visies elkaar versterken of aanvullen. In andere situaties is het nodig om een evenwicht te zoeken tussen uiteenlopende accenten. Het kompas helpt zo vooral om dit gesprek te structureren en om tot een meer gedeelde, maar niet noodzakelijk uniforme invulling van geïntegreerde zorg te komen. Op die manier biedt deze studie nieuwe inzichten in de uitdagingen en mogelijkheden van geïntegreerde zorg in België en in hoe samenwerking tussen zorg en ondersteuning in de praktijk vorm krijgt.
Meer lezen

Tweedehands kopen bij De Kringwinkel West: motivaties en barrières. Een verkennende survey naar motivaties, barrières en gedragsverschillen.

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Sébastien
Vandenberghe
Deze bachelorproef onderzoekt welke motivaties en barrières samenhangen met het koopgedrag rond tweedehands goederen bij huidige en potentiële klanten van De Kringwinkel West. Het onderzoek combineert een literatuurstudie met een online hoofdbevraging bij 262 volwassenen en een afzonderlijk gerapporteerde aanvullende survey bij 52 respondenten.

Geld besparen, unieke of vintage vondsten en winkelplezier komen naar voren als de sterkste motivaties. Niet vinden wat men zoekt en onzekerheid over garantie, kwaliteit en hygiëne vormen de relatief sterkste gemeten drempels. Schaamte speelt binnen deze respondentengroep een kleinere rol.

Voor De Kringwinkel West wijzen de bevindingen op kansen om bekendheid en winkelbezoek beter te vertalen naar aankoop en herhaalbezoek. De aanbevelingen richten zich op een beter vindbaar assortiment, zichtbare kwaliteits- en netheidscommunicatie en een heldere prijs- en waardecommunicatie. Zo biedt de studie concrete aanknopingspunten voor de praktijk van een sociale circulaire onderneming. Door de niet-representatieve steekproef en de verschillen tussen beide bevragingen zijn de resultaten verkennend; de effecten van de voorgestelde verbeteringen werden niet getest.
Meer lezen

Recurite: Duurzaam afvalbeheer op intensieve zorgen

Universiteit Antwerpen
2026
Quinten
Hensbergen
Op de afdeling intensieve zorgen belandt gemiddeld 46% van het afval in de verkeerde container. Niet door onwil of onwetendheid, maar omdat de fysieke omgeving zorgverleners daar op het drukste moment van hun werkdag onbewust toe dwingt. Deze thesis onderzoekt de menskundige, technische en contextuele factoren die foutieve afvaltriage op intensieve zorgafdelingen beïnvloeden, en vertaalt die inzichten naar een ontwerpgedreven oplossing.

Recurite is een modulaire verzorgingskar die correcte afvalsortering structureel integreert in de bestaande workflow van de zorgverlener. Door PMD, karton en niet-risicohoudend medisch afval op te vangen op de exacte plaats en het exacte moment waarop die stromen ontstaan tijdens de zorghandeling, wordt correct sorteren een vanzelfsprekend onderdeel van de zorgroutine in plaats van een bewuste extra stap.

Het project werd initieel aangevraagd door ZAS Middelheim en is inmiddels opgenomen binnen het Ontzorg-project van het ReuseLab van de Universiteit Antwerpen. Recurite is het eerste product dat afvaltriage aan de bron faciliteert en tegelijkertijd een fysieke inzameloplossing biedt voor circulaire initiatieven rechtstreeks op de ziekenhuisvloer.
Meer lezen

Theorie ontmoet praktijk: een innovatieve learning skid voor de techniekers van morgen

Hogeschool VIVES
2026
Henri
Vervenne
  • Quentin
    Mary
Tijdens onze bachelorproef ontwierpen en realiseerden we een traningsmodule rond motion control. Deze testopstelling wordt ingezet om techniekers op een praktijkgerichte manier inzicht te geven in de aansturing en positionering van bewegingen binnen een industriële omgeving. De learning skid ondersteunt door middel van een bijhorende e-learning een technische opleiding rond toepassingen met servomotoren, frequentieregelaars en asynchrone motoren.

Meer lezen

Key drivers and motivations for joining and participating in agricultural marketing cooperatives: The impact of farm size

KU Leuven
2025
Jef
Desmedt
  • Ariël
    Verschueren
  • Laurens
    Fievet
This thesis investigates the motivations and barriers that shape farmers’ participation in agricultural marketing cooperatives, with a focus on how farm size influences these dynamics. While established literature highlights economic, social, and governance-related drivers of participation, less is known about how these are perceived and prioritised by farmers of varying scales. Drawing on the Mutual Incentives Theory and elements of Self-Determination Theory, this study uses qualitative interviews with a diverse group of Flemish fruit and vegetable producers to explore motivational variation. Findings show that smaller farmers often highlight the cooperative’s stabilising role and deem their membership as critical, while larger farmers adopt a more strategic stance, valuing efficiency, autonomy, and access to alternative sales channels. Furthermore, the study reveals how collectivistic incentives, such as shared goals, are frequently internalised as individual business advantages. Ambitious, growth-oriented farmers, in particular, reported tensions between their entrepreneurial drive and the cooperative’s collective framework. This study contributes to the literature in three ways: by documenting how member motivations are interpreted through the lens of farm scale; by refining theoretical models of participation to account for strategic constraints; and by highlighting how motivation is shaped by context-specific perceptions, not fixed categories. These insights provide a more nuanced understanding of cooperative participation and offer broader relevance for motivation theory in collective organisational forms.
Meer lezen

Een goed leven binnen planetaire grenzen in genk: focus op Warm Waterschei

Universiteit Hasselt
2025
Jade
Daems
Hoe kan het concept van coöperatieve en collectieve wijkwarmte specifiek worden toegepast in Waterschei, vertrekkende vanuit een milieu- en mensbewuste visie? Vanuit deze centrale vraagstelling vertrekt dit onderzoek.
De gedachtegang van Daniel Christian Wahl, waarbij het stellen van de juiste vragen vóór het handelen centraal staat, vormt de rode draad doorheen dit onderzoek. Volgens deze filosofie wijzen vragen, meer nog dan antwoorden, de weg naar collectieve wijsheid. Daarom worden vraagstellingen van verschillende auteurs gebruikt om elk hoofdstuk in te leiden en fungeren ze als leidraad bij het zoeken naar antwoorden.
Het bewuste gebruik van deze vragen heeft geleid tot diepere reflectie over ontwerpbeslissingen en tot een grondiger onderbouwd onderzoek.
Deze masterthesis is opgedeeld in drie grote delen. Het eerste deel begint met een korte situering om de lezer wegwijs te maken. Hierin worden de probleemstelling, onderzoeksvraag, gehanteerde methodologie, de geschiedenis van de locatie, het station van Waterschei en de relevantie binnen het masterplan toegelicht.

Het tweede deel is de ruggengraat van dit onderzoek en wordt gevormd door de literatuurstudie. Deze bestaat uit een theoretisch en een praktisch denkkader. Het theoretisch denkkader bundelt diverse boeken en wetenschappelijke artikels die het onderzoek onderbouwen. De literatuur wordt besproken in een logische volgorde van een brede visie naar een steeds specifiekere focus. Vertrekkende vanuit het boek The Good Ancestor: How to Think Long-Term in a Short-Term World van Roman Krznaric, wordt een eerste denkkader geschetst rond langetermijndenken en intergenerationele
verantwoordelijkheid. Vervolgens wordt de filosofie van Bruno Latour besproken aan de hand van Waar kunnen we landen. Latour toont aan dat er vandaag een gemeenschappelijke visie ontbreekt en dat menselijke en niet-menselijke actoren onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Hierna wordt dieper ingezoomd op regeneratief denken via Designing Regenerative Cultures van Daniel Christian Wahl. Dit
boek nodigt uit om verder te denken dan duurzaamheid en moedigt aan om de juiste vragen te stellen in plaats van vluchtige antwoorden te zoeken. Het theoretisch denkkader sluit af met het boek Postcapitalist Countrysides – From Commoning to Community Wealth Building dat bestaat uit een verzameling van essays. Hierbinnen wordt de essay Unpacking the energy commons geschreven door Thomas Bauwens and Robert Wade (pagina 327 tot 351) bestudeerd. Deze essay beschrijft specifiek hoe energie als gemeengoed kan beschouwd worden.

Het praktisch denkkader vertrekt vanuit het concept van coöperatieve en collectieve wijkwarmte. Deze worden toegelicht waarna er kenmerken voor coöperatieve en collectieve wijkwarmte worden gedefinieerd. Vervolgens worden verschillende relevante referentieprojecten onderzocht. Deze zijn onderverdeeld in twee categorieën: enerzijds warmtenetten, waarbij warmte netwerken als model worden bekeken, en
anderzijds energiestations, waarbij specifiek naar gebouwen wordt gekeken die functioneren als opslagen distributiesysteem. Beide categorieën worden geanalyseerd op basis van de eerder gedefinieerde kenmerken van coöperatieve wijkwarmte.
Het derde deel omvat de ontwerpstudie, deze vertrekt eveneens vanuit het concept van coöperatieve en collectieve wijkwarmte. Op stedelijke schaal wordt eerst de situatie in Genk onderzocht, waarna de focus verschuift naar de wijk Waterschei. In waterschei wordt een coöperatief en collectief warmtenet ontworpen dat werkt op basis van mijnwater. Het uitgangspunt is de herbestemming van het voormalige station tot
een energiestation met bijhorende botanische tuin. Beide functies worden inhoudelijk onderzocht en er wordt toegelicht hoe ze relevant kunnen zijn voor de gemeenschap.
Vanuit de hoofdfunctie van een energiestation wordt de technische werking uiteengezet, gevolgd door enkele basisberekeningen die nodig zijn om de dimensionering te bepalen, zoals de grootte van het warmteopslagtanks. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een overzicht van de noodzakelijke installaties. Voor de bijhorende botanische tuin wordt de typologie van botanische tuinarchitectuur onderzocht. Daarnaast bevat dit onderdeel een analyse van plantensoorten die bijdragen aan het binnenklimaat en de beleving van de ruimte versterken. Het architecturale ontwerp vertrekt vanuit het idee dat technische elementen integraal deel uitmaken van de beleefde ruimte. Aangezien het programma van een energiestation uitbreiding vraagt wordt het bestaande stationsgebouw als uitgangspunt genomen voor het verdere ontwerp. De herbestemming en uitbreiding van het gebouw worden benaderd vanuit een duurzaam perspectief. Het ontwerp baseert zich op drie samenhangende strategieën: ‘Trias Energetica’, ‘Trias Materia’ en ‘Trias
Aquatica’. Elk van deze strategieën wordt toegelicht wat betreft de betekenis en de doelstelling, waarna wordt verduidelijkt hoe ze concreet zijn toegepast in het ontwerp.

De conclusie bundelt de resultaten van het onderzoek en formuleert een mogelijke oplossing voor de oorspronkelijke onderzoeksvraag.
Meer lezen

EVALUATING DISINFECTION STRATEGIES FOR SUSTAINABLE REUSE OF MEDICAL DRUG ADMINISTRATION CUPS: A LIFE CYCLE ASSESSMENT

Universiteit Gent
2025
Camille
Masselis
Deze thesis vergelijkt de milieu-impact van drie alternatieve systemen die de dienst van geneesmiddelentoediening met een niet-kritisch medisch hulpmiddel leveren, met name een plastic geneesmiddelentoedieningsbekertje. Het doel is om de hypothese te toetsen of het vervangen van het huidige wegwerpsysteem in het Universitair Ziekenhuis Gent door een hergebruikssysteem via desinfectie van het bekertje leidt tot een lagere milieu-impact. Voor het herbruikbare systeem worden twee types desinfectie geëvalueerd en vergeleken met het wegwerpsysteem aan de hand van een attributionele milieugerichte Levenscyclusanalyse (LCA). De eerste vorm van desinfectie gebeurt met een gebruiksklare desinfecterende polyesterdoek van Clinell®. De tweede methode betreft geautomatiseerd wassen en desinfecteren in een thermodesinfector van Miele®. Primaire data zijn verzameld in nauwe samenwerking met het Universitair Ziekenhuis Gent en aangevuld met secundaire data, zoals uit de ecoinvent-database. De impacten zijn beoordeeld met behulp van de software SimaPro 9.5.0.1 en de ReCiPe2016 v1.07-methode. In het basisscenario (gemiddeld 270 keer hergebruikt) vertoont het systeem met het herbruikbare bekertje dat wordt gedesinfecteerd in de thermodesinfector de laagste netto-impact op vier van de zeven hotspot-middenindicatoren en op alle drie de eindpuntindicatoren. Daarentegen blijkt het herbruikbare systeem met natte doekjes minder gunstig, voornamelijk omdat het gebruik van wegwerpdoekjes voor herbruikbare bekertjes de milieulast verschuift van het ene product naar het andere. Bovendien worden de doekjes geproduceerd in China, wat extra impact veroorzaakt door transport. Wel kunnen gewijzigde aannames over de productie en de afvalverwerking van de thermodesinfector, evenals het aantal keren hergebruik de voorkeur voor dit systeem verminderen.
Meer lezen

Duurzaamheid in de leveranciersketen: een strategisch model voor het monitoren en verbeteren van duurzame prestaties van non-paintleveranciers bij BOSS paints in lijn met de CSRD-wetgeving

HOGENT
2025
Xander
Vansteenkiste
Korte inhoud – Bachelorproef “Duurzaamheid in de leveranciersketen: een strategisch model voor het monitoren en verbeteren van duurzame prestaties van non-paintleveranciers bij BOSS paints”

Deze bachelorproef werd uitgevoerd binnen de opleiding KMO-management aan HOGENT in samenwerking met BOSS paints. Het onderzoek ontwikkelt, implementeert en evalueert een CSRD-conform leveranciersscoremodel dat de duurzaamheidsprestaties van non-paintleveranciers op systematische wijze in kaart brengt.

De centrale onderzoeksvraag luidt:
“Hoe kan BOSS paints een systematische leveranciersranking ontwikkelen en implementeren voor non-paintproducten die voldoet aan de eisen van de CSRD en bijdraagt aan haar duurzame doelstellingen?”

Na een literatuurstudie over duurzaam supply-chain- en ESG-beheer werd een digitale vragenlijst ontworpen op basis van internationale standaarden zoals EcoVadis en de European Sustainability Reporting Standards (ESRS). De vragenlijst omvatte thema’s als bedrijfsgegevens, milieu, ethiek en duurzaam aankopen, en werd in vier talen verspreid naar 124 non-paintleveranciers.

De resultaten werden verwerkt in een Excel-geautomatiseerd scoremodel met gewichten en correcties op basis van bedrijfsgrootte. De empirische analyse (respons van 48 leveranciers, goed voor 70% van het aankoopvolume) toonde duidelijke verschillen in duurzaamheidsprestaties tussen grote ondernemingen en kleinere KMO’s. Structurele tekortkomingen werden vastgesteld op het vlak van CO₂-meting, transportelektrificatie en ketentransparantie.

Daarnaast werd een CO₂-nulmeting uitgevoerd van het inkomend transport van non-paintgoederen. In 2024 bedroeg de uitstoot 819.795 kg CO₂, een stijging van 11,84% tegenover 2022, waarbij drie leveranciers meer dan 54% van de emissies veroorzaakten. Gemiddeld werd 8,61 kg CO₂ per €1.000 aankoopwaarde uitgestoten.

Het model werd in mei 2025 gepresenteerd aan het Supply Chain Team van BOSS paints en formeel geïntegreerd in het aankoopbeleid. De aanbevelingen omvatten verdere benchmarking, de formalisering van een leveranciersgedragscode, en de uitbouw van ketentransparantie en transportoptimalisatie.

Deze bachelorproef bewijst dat datagedreven leveranciersbeheer binnen een KMO niet alleen haalbaar is, maar ook een hefboom vormt voor structurele verduurzaming in lijn met de CSRD-wetgeving.
Meer lezen

Nieuw kapitalisme: Juridische middelen om kapitaal te sturen naar ESG bedrijven

Vrije Universiteit Brussel
2025
Sara
Faes
Genomineerde shortlist NBN Sustainability Award
Mijn masterproef omvat een onderzoek naar welke ESG criteria reeds zijn opgenomen in de Belgische Corporate Governance Code en hoe deze laatste kan worden verbeterd opdat ESG de nieuwe bedrijfsfilosofie wordt.
Meer lezen

Design for recycling of electric machines

Universiteit Gent
2025
Vincent
Van de Peer
Mijn masterproef onderzoekt hoe elektrische machines, in het bijzonder permanent-magneet-synchrone motoren (PMSM), recycleerbaar kunnen worden ontworpen zonder prestatieverlies. Vandaag worden deze motoren meestal versnipperd, waardoor waardevolle materialen zoals koper en zeldzame aardmetalen verloren gaan. Het grootste obstakel is het gebruik van lijmen en thermohardende harsen, die demontage onmogelijk maken. In mijn onderzoek ontwikkelde ik een rotorconcept waarin magneten mechanisch worden gefixeerd met bouten in plaats van lijm. Dit ontwerp werd gevalideerd via elektromagnetische en mechanische simulaties en vervolgens gerealiseerd in een prototype. De lijmloze rotor bleek structureel robuust en presteerde vergelijkbaar met conventionele motoren, terwijl hij volledig demonteerbaar is. Daarnaast werd een opschalingsstudie uitgevoerd, waaruit bleek dat radiale bouten geschikt zijn voor grotere motoren zoals in elektrische voertuigen. Dit werk toont aan dat design-for-recycling haalbaar is en een belangrijke stap vormt naar circulaire elektrische aandrijfsystemen.
Meer lezen

Hoe kunnen klanten eenvoudig bouwmaterialen met een lage milieu-impact kiezen voor houten bijgebouwen?

HOGENT
2025
Peter
Vanduffel
Deze bachelorproef onderzoekt hoe klanten van Ostyn, een producent van houtskeletconstructies voor bijgebouwen, op een eenvoudige manier bewust kunnen kiezen voor duurzame bouwmaterialen op basis van levenscyclusanalyses (LCA’s). Aangezien voor bijgebouwen geen normering bestaat rond milieu-impact, is er behoefte aan een eenvoudige methode die transparantie biedt met betrekking tot de duurzaamheid van materialen. Dit werk richt zich op het onderzoeken van een manier waarop Ostyn klanten kan ondersteunen in hun materiaalkeuzes.

De methodologie omvat een vergelijkende analyse van bestaande tools voor milieu-impactberekening, waaronder de Nederlandse Nationale Milieudatabase (NMD) en de Belgische tool TOTEM (Tool to Optimise the Total Environmental impact of Materials). Hierbij wordt gekeken naar hun toepasbaarheid voor Ostyn’s constructies, met aandacht voor de beschikbaarheid van data en de nauwkeurigheid van de resultaten.

Uit het onderzoek blijkt dat een vergelijking op productniveau binnen een element, zoals gevelbekleding en isolatie, relevanter is dan een analyse op constructieniveau vanwege de standaardisatie van veel onderdelen. Een belangrijke bevinding is dat de beperkte beschikbaarheid van productspecifieke data de betrouwbaarheid van de vergelijkingen beïnvloedt.

De conclusie luidt dat Ostyn met tools als TOTEM de mogelijkheid heeft om klanten te informeren over duurzame opties, mits er geïnvesteerd wordt in betere dataverzameling en heldere communicatie. Verdere ontwikkeling van databases en tools is essentieel om de keuze voor duurzame bouwmaterialen verder te reguleren en normaliseren.

Meer lezen

Van Uniformiteit naar Veelzijdigheid: Een Ruimtelijk Renovatiekader voor de Adaptieve Transformatie van Kantoorgebouwen

KU Leuven
2025
Nathan
Verstappen
Stedelijke kantoorgebouwen uit de vorige eeuw bereiken massaal het einde van hun levenscyclus. Slopen lijkt vanzelfsprekend, maar is dat wel zo slim? Een samengestelde strategie die renovatie-ontwerp en kwantificatie van milieu-impact combineert, toont dat behoud niet alleen beter is voor onze klimaatdoelstellingen, maar ook een kans biedt om woningen, publieke ruimte en levendigheid terug te brengen in de stad.
Meer lezen