Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

In uniform gelijk, in carrière ongelijk? Een explorerend onderzoek naar de doorstroombarrières voor vrouwen binnen de Belgische politie

Universiteit Gent
2026
Meike
Dely
Deze masterproef onderzoekt waarom politievrouwen nog steeds sterk in de minderheid zijn in de hogere functies binnen de operationele politie in België. Hiervoor werd een tweedelige aanpak gebruikt. Eerst werden de personeelscijfers van de Belgische operationele politie bekeken om de ondervertegenwoordiging van vrouwen in kaart te brengen. Daarna werden acht politievrouwen geïnterviewd om meer inzicht te krijgen in hun ervaringen en in de mogelijke drempels die zij ervaren op weg naar hogere functies.
Meer lezen

Een rog als venster op plasticvervuiling

Vrije Universiteit Brussel
2026
Lize
Gijs
Deze thesis onderzoekt de aanwezigheid van microplastics in de blauwgevlekte maskerrog (Neotrygon indica) aan de oostkust van Sri Lanka. In 24 maagdarmkanalen werden microplastics geïdentificeerd en gekarakteriseerd op basis van hun hoeveelheid, grootte en polymeertype. In 16 van de 24 onderzochte roggen (66,7%) werden microplastics aangetroffen, waarbij PET het dominante polymeertype was. Daarnaast werd onderzocht of de hoeveelheid microplastics samenhing met de lichaamsgrootte van de roggen. Ten slotte werd een praktische en contaminatie-gecontroleerde methode ontwikkeld en geëvalueerd voor het extraheren en identificeren van microplastics uit het maagdarmkanaal van Elasmobranchen, met aandacht voor toepassing in laboratoria met beperkte middelen. De resultaten leveren zowel nieuwe informatie over microplasticblootstelling bij N. indica als een methodologische basis voor toekomstig onderzoek naar microplastics bij haaien en roggen.
Meer lezen

Verleden als kennis. Ontworpen voor de toekomst. Duurzaam koel- en bevochtigingssysteem voor kleinschalige boeren

Universiteit Antwerpen
2026
Salma
Abed Ali Abdel Jalil
Boroud is een modulair koel- en bevochtigingssysteem voor kleinschalige landbouwers, geïnspireerd op eeuwenoude technieken uit onder andere Mesopotamië en Perzië. Het systeem combineert natuurlijke verdampingskoeling met gecontroleerde luchtstroming om verschillende gewassen onder geschikte temperatuur- en luchtvochtigheidsomstandigheden te bewaren.

De masterproef onderzoekt hoe deze traditionele kennis kan worden vertaald naar een hedendaagse, energie-efficiënte opslagoplossing. Boroud bestaat uit drie afzonderlijke opslagunits die elk een verschillend microklimaat kunnen creëren, zodat meerdere gewassen binnen één systeem kunnen worden opgeslagen.

Door erfgoed en hedendaagse technologie te combineren, wil Boroud een toegankelijker alternatief bieden voor conventionele koelopslag en tegelijkertijd voedselverlies en energieverbruik verminderen.
Meer lezen

No more queueing at the ladies' room: modeling, analysis and simulation of waiting times at toilet facilities with "ladies first" scheduling policies

Universiteit Gent
2026
Stan
De Troyer
Op grote evenementen staan vrouwen vaak langer aan te schuiven voor het toilet dan mannen. Gelijke vloeroppervlakte betekent namelijk niet per se gelijke capaciteit: vrouwen doen langer over een toiletbezoek en mannen kunnen gebruikmaken van snelle urinoirs. In mijn masterproef onderzoek ik met een computersimulatie hoe je met dezelfde ruimte zowel de wachttijden als het verschil tussen mannen en vrouwen kunt verkleinen. Ik vergelijk zes toiletindelingen onder realistische, schommelende drukte, en test daarna vier voorrangsregels voor vrouwen op de beste indeling.

De beste indeling combineert 14 gedeelde hokjes met 8 urinoirs. Die verkort de gemiddelde wachttijd met 43% en het verschil tussen mannen en vrouwen met 84%, vergeleken met de beste gescheiden indeling. Een slimme voorrangsregel (Dynamic Aging) werkt het resterende verschil van ongeveer 12 seconden weg, maar enkel bij een gelijke verdeling van mannen en vrouwen (50/50).
Meer lezen

Onderzoek naar het gebruik van een zuurgevoelig eiwit voor (nucleaire) beeldvorming van solide tumoren

Erasmushogeschool Brussel
2026
Noura
Lazaar
Deze bachelorproef onderzocht of het pH-gevoelige eiwit T-SorTag potentieel kan worden gebruikt voor nucleaire beeldvorming van solide tumoren. Veel tumoren hebben een zuurdere omgeving dan gezond weefsel. T-SorTag is ontwikkeld om op die lagere pH te reageren. In het onderzoek werd nagegaan hoe het eiwit van structuur verandert bij een zure pH en hoe sterk het bindt aan MC38-darmkankercellen bij verschillende pH-waarden. Daarnaast werd T-SorTag gekoppeld aan een chelator en radioactief gelabeld met gallium-68. De resultaten toonden aan dat T-SorTag sterker aan de onderzochte kankercellen bindt naarmate de omgeving zuurder wordt. Ook na radioactieve labeling bleef dit pH-afhankelijke gedrag zichtbaar. Verdere optimalisatie van onder andere de conjugatie, stabiliteit en radiolabeling is nodig voordat het eiwit verder in vivo kan worden onderzocht.
Meer lezen

Tussen podium en dansvloer: de migratie van performatieve ravepraktijken naar theater- en clubcontext

Universiteit Gent
2026
Otto
van Sloun
In deze scritpie over "rave tussen podium en dansvloer", wordt onderzocht wat er gebeurt met de energie en collectiviteit van ravecultuur wanneer deze terechtkomen in meer georganiseerde artistieke contexten.
De scriptie vertrekt vanuit het idee dat een rave meer is dan muziek en dans: het is een collectieve lichamelijke ervaring waarin lichaam, muziek, ruimte, ritme en publiek voortdurend op elkaar reageren. De zogenaamde rave-energy ontstaat daardoor niet bij één individu, maar tussen mensen en hun omgeving.
Aan de hand van twee casestudy’s wordt onderzocht hoe deze energie verandert:
- Room With A View van (LA)HORDE toont hoe rave-elementen naar het theater worden vertaald. De spontane en horizontale rave-ervaring wordt daar meer geënsceneerd, zichtbaar en gecontroleerd.
- Choreomania van Temporary Pleasure onderzoekt hoe choreografie, licht en camera juist kunnen worden ingezet om publieksparticipatie en collectieve energie in een clubomgeving te versterken.
De centrale conclusie is dat rave niet simpelweg een stijl of esthetiek is die naar het theater of de club wordt gekopieerd. Rave kan beter worden begrepen als een methode om collectiviteit, lichamelijkheid, ritme en gedeelde intensiteit te organiseren. Wanneer de rave naar een andere context verhuist, verandert ook de manier waarop publiek, performer, ruimte en energie zich tot elkaar verhouden.
Meer lezen

ERVARINGEN VAN STRAATVERPLEEGKUNDIGEN IN DE ZORG AAN DAK- EN THUISLOZEN IN VLAANDEREN EN BRUSSEL:

Universiteit Gent
2026
Margeaux
Lefevere
  • Enya
    Neiring
Deze masterproef onderzoekt hoe straatverpleegkundigen in Vlaanderen en Brussel de zorgverlening aan dak- en thuisloze personen ervaren en welke factoren hun werk beïnvloeden. Dak- en thuislozen kampen vaak met complexe lichamelijke, psychische en sociale problemen, terwijl de toegang tot reguliere gezondheidszorg voor hen vaak moeilijk blijft.
Met een mixed-methods onderzoek werden enerzijds bestaande registratiedata geanalyseerd en anderzijds vijftien straatverpleegkundigen geïnterviewd. De resultaten tonen dat straatverpleegkundigen hun werk ervaren als betekenisvol en noodzakelijk, maar tegelijkertijd als intens, complex en onvoorspelbaar. Somatische zorg, zoals wondzorg of hygiënische ondersteuning, blijkt vaak het startpunt om vertrouwen op te bouwen en cliënten verder te begeleiden naar psychosociale en medische hulp.
De studie maakt duidelijk dat straatverpleegkundigen veel meer doen dan medische zorg verlenen. Ze fungeren als brugfiguren tussen een kwetsbare doelgroep en een gefragmenteerd zorg- en welzijnssysteem. Daarbij proberen ze niet alleen gezondheidsproblemen aan te pakken, maar ook menswaardigheid, vertrouwen en sociale verbinding te herstellen. Tegelijk botsen zij op structurele drempels zoals stigma, administratieve barrières, beperkte samenwerking tussen diensten en een gebrek aan duurzame financiering. Daarnaast toont het onderzoek aan dat de huidige registratiesystemen onvoldoende inzicht geven in de relationele en langdurige aard van straatverpleegkundige zorg. Op basis van de bevindingen worden aanbevelingen geformuleerd voor een betere registratie van dak- en thuisloosheid, meer aandacht voor deze doelgroep in zorgopleidingen en een sterkere structurele verankering van straatverpleegkunde binnen het Belgische zorglandschap.

Meer lezen

EHBH: Eerste Hulp Bij gebruik van Handpoppen

Arteveldehogeschool Gent
2026
Amber
De Decker
Deze bachelorproef onderzoekt hoe een kleuterleerkracht van de oudste kleuters ondersteund kan worden om drama op een laagdrempelige en geïntegreerde manier een plaats te geven binnen het klasaanbod. De aanleiding voor dit onderzoek kwam voort uit een verkennend gesprek met de betrokken leerkracht, waarin ze aangaf onzekerheid te ervaren rond drama en dit bovendien beschouwde als organisatorisch uitdagend, waardoor het aanbod van drama in de klas beperkt bleef, ondanks haar bereidheid om meer drama te integreren in het klasaanbod. Deze bereidheid vormde een belangrijk uitgangspunt voor dit onderzoek.

Op basis van deze probleemstelling werd de volgende ontwerpvraag geformuleerd: “Hoe kan een kleuterleerkracht van de oudste kleuters, die onzekerheid ervaart bij het integreren van drama in de klaspraktijk, ondersteund worden om drama een meer geïntegreerde plaats te geven binnen het klasaanbod?”

Met behulp van een literatuurstudie werd een theoretisch kader rond het thema opgebouwd. Vervolgens werd de eerste deelvraag onderzocht met behulp van reflectie en bevraging, waaruit bleek dat de betrokken leerkracht aanvankelijk een beperkt beeld had van drama binnen het kleuteronderwijs. Op basis van de geanalyseerde noden en drempels werd drama vervolgens verder afgebakend tot het integreren van handpoppen in de klaspraktijk.

Er werd een verdiepende literatuurstudie uitgevoerd, samen met een klasobservatie en interviews met de betrokken leerkracht om de specifieke drempels en noden verder in kaart te brengen. Daarnaast werd een bevraging afgenomen bij andere kleuterleerkrachten om hun ervaringen rond dit onderwerp te verzamelen. Deze inzichten werden verdiept en gekoppeld aan bestaande literatuur.

Op basis van deze bevindingen werden concrete ontwerpeisen opgesteld die leidden tot een ontwerp bestaande uit verschillende onderdelen. Het ontwerp omvat een toolkit EHBH: Eerste Hulp Bij gebruik van Handpoppen, met ondersteuningskaarten die afgestemd zijn op de drempels en behoeften van de betrokken leerkracht. Daarnaast werden twee handpoppen geïntegreerd binnen talige en wiskundige activiteiten met inspiratiefiches die de implementatie ondersteunen en mogelijkheden tot verdere uitwerking in de klaspraktijk bieden.

Doordat het ontwerp een geleidelijk proces is in combinatie met de korte testfase zijn de conclusies nog beperkt, maar in relatie tot het onderzoeksdoel, kan gesteld worden dat het ontwerp een sterke basis vormt om drama, en specifiek het gebruik van handpoppen, sterker te integreren in de klaspraktijk van de betrokken leerkracht.
Meer lezen

Robot traject generatie voor het stapelen van willekeurige dozen

Universiteit Gent
2026
Jasper
Verdoodt
  • Louis
    Claes
In veel grote magazijnen worden dozen van verschillende maten nog steeds handmatig op pallets gestapeld. Dit is zwaar fysiek werk voor magazijniers en leidt er vaak toe dat pallets niet optimaal benut worden, waardoor vrachtwagens met veel lege lucht rondrijden. In deze masterproef ontwikkelden we daarom een automatische 'Tetris-robot' die dit werk overneemt. Het systeem scant passerende dozen op de lopende band met een 3D-camera om de exacte afmetingen te bepalen. Vervolgens herkent een slim camerasysteem met artificiële intelligentie automatisch scheuren, deuken of vochtschade, waarna beschadigde dozen meteen van de band worden geduwd. Om de goedgekeurde dozen zo compact en stabiel mogelijk op elkaar te stapelen, ontwikkelden en trainden we slimme rekenmodellen en zelflerende algoritmes. Om te bewijzen dat dit ook in de praktijk werkt, bouwden we een werkend fysiek prototype met een robotarm, een vacuümgrijper en een industriële besturing, waarmee de hard- en software naadloos samensmelten tot één autonoom geheel.
Meer lezen

Integratie van AI in het softwareontwikkelproces

Hogeschool VIVES
2026
Simon
Stijnen
AI-gestuurde ontwikkeltools zoals Large Language Models (LLM's), prompt engineering en het Model Context Protocol (MCP) veranderen de softwareontwikkeling snel, maar roepen vragen op over codekwaliteit, afhankelijkheid en de rol van de ontwikkelaar. Deze bachelorproef onderzoekt hoe AI-ondersteuning het ontwikkelproces van een cloudgebaseerde applicatie kan versnellen en verbeteren, en welke risico's daarbij horen. De casestudie is Lexis, een applicatie van CERM die e-mails van drukkerijklanten met een LLM analyseert en de gegevens doorstuurt naar het ERP systeem.

Na een theoretisch overzicht van prompt engineering, MCP, skills en agents werden drie implementaties opgeleverd: een authenticatie-oplossing voor meerdere klanten, een interne tool voor testdatabeheer en een gemoderniseerde API-testinfrastructuur. AI versnelde de oplevering aanzienlijk, maar zonder gerichte sturing bleef de code niet steeds productieklaar. AI werkt het best als verlengstuk van de ontwikkelaar, niet als vervanger, binnen duidelijke processen met heldere instructies.
Meer lezen

The spaces of democratic self-management and collective care in cooperative student housing: Insights from Ghent and Collegium Academicum Heidelberg.

Universiteit Gent
2026
Lies
De Saegher
Studentenhuisvesting in Gent staat onder druk: het aantal studenten steeg de afgelopen twintig jaar met meer dan 34.000, terwijl er slechts 3.800 erkende kamers bijkwamen. De huurprijzen stijgen, de markt is grotendeels privaat en de homes van de UGent geven bewoners weinig inspraak.

Deze scriptie onderzoekt hoe eigendomsmodellen, universitair beheer versus coöperatief eigenaarschap, het dagelijks zelfbeheer organiseren en hoe de ruimtelijke praktijk van bewoners op haar beurt de bestuursstructuur vormgeeft. Daarvoor combineert ze een vergelijkende studie van de woonsituatie in Gent en Heidelberg met een architecturale etnografie van het Collegium Academicum (CA), een zelfbeheerde studentenwooncoöperatie in Heidelberg. Het onderzoek steunt op twee weken veldverblijf met participerende observatie, semigestructureerde interviews, beleidsdocumenten en etnografische tekeningen, en kwam tot stand in overleg met de Stad Gent.

De scriptie besluit dat eigendomsmodellen bepalend zijn voor collectief onderhoud, continuïteit en betrokkenheid van bewoners: coöperatief wonen creëert zorg en gedeelde verantwoordelijkheid die in universitair beheerde homes ontbreken. De scriptie sluit af met een kader van institutionele, organisatorische en ruimtelijke voorwaarden voor een Gentse studentenwooncoöperatie, en pleit ervoor ontwerp te zien als iets dat uit gebruik en gemeenschappelijke routines ontstaat.
Meer lezen

Taal op maat - Frans na OKAN - Jade Deseigne en Emma Kooreman

Hogeschool VIVES
2026
Emma
Kooreman
  • Jade
    Deseigne
In onze bachelorproef ontwikkelen we lesmateriaal op maat van ex-OKAN-leerlingen die instromen in de tweede graad van het reguliere Vlaamse onderwijs en voor het eerst Frans leren. Om tegemoet te komen aan de noden van zowel leerlingen als leerkrachten, ontwikkelden we digitale leerpaden, een theoriebundel en een lerarenbundel. Het materiaal is gericht op zelfstandig leren, stapsgewijze taalverwerving en functionele communicatie.
Meer lezen

Versnipperd voorgelicht. Een mondelinge geschiedenis van de seksuele opvoeding van Vlaamse vrouwen in de jaren 1960 en 1970

KU Leuven
2026
Sam
Franssen
Deze masterproef onderzoekt de ervaringen van Vlaamse vrouwen met seksuele opvoeding in de jaren 1960 en 1970. Waar de Belgische geschiedschrijving zich tot nu toe vooral heeft gericht op de institutionele context en de producenten van deze voorlichting, bleef de manier waarop individuen seksuele informatie ontvingen, interpreteerden en toepasten grotendeels onderbelicht. Aan de hand van elf diepte-interviews en aanvullend archiefmateriaal analyseert deze thesis niet enkel via welke kanalen vrouwen seksuele opvoeding ontvingen, maar ook hoe zij deze voorlichting beleefden en hoe deze informatie betekenis kreeg. Het onderzoek sluit daarmee aan bij een internationale tendens om de geschiedenis van seksualiteit te benaderen vanuit mondelinge geschiedenis, terwijl het ook een lacune in de Belgische historiografie opvult door de nadruk te verschuiven van productie naar ervaring.

De getuigenissen maken duidelijk dat de toenemende seksuele vrijheid en openheid van deze tijdsperiode zich niet automatisch vertaalden in een mentaliteitswijziging in het spreken over seksualiteit. Seksuele voorlichting in de jaren zestig en zeventig kan dan ook niet louter begrepen worden als een proces van kennisoverdracht, maar veeleer als een complex en gelaagd proces waarin informatie, normen, emoties en sociale relaties onlosmakelijk met elkaar verbonden waren.
Meer lezen

Emotionele Intelligentie in Multicultureel leiderschap

Hogeschool VIVES
2026
Tongfa
Jeffers
Deze bachelorproef onderzoekt hoe emotionele intelligentie (EQ) en cultuur de communicatie en het leiderschap van leidinggevenden beïnvloeden in een multiculturele context. Er werden zeven semigestructureerde interviews afgenomen met mensen met een leidinggevende functie, zoals oprichters, directeuren en managers, van bedrijven die aangesloten zijn bij de Netherlands-Thai Chamber of Commerce in Bangkok. De resultaten werden geanalyseerd aan de hand van Golemans model van emotionele intelligentie en leiderschapsstijlen en Meyers culture map. Alle respondenten tonen de vier EQ-domeinen en schakelen tussen meerdere leiderschapsstijlen. Zes van de zeven bevinden zich aan de indirecte kant van Meyers communicatieschaal, wat wijst op een "culturele pull": de Thaise omgeving trekt leidinggevenden naar een vergelijkbare communicatiestijl, ongeacht hun herkomst. Opvattingen over hiërarchie, autonomie en besluitvorming blijven sterk persoonlijk bepaald. EQ helpt leiders om culturele verschillen te herkennen en er bewust mee om te gaan.
Meer lezen

Systematic Analysis of Simulated Atrial Electrograms to Distinguish Scar from Slow Conduction

Universiteit Gent
2026
Robbe
Daelman
Inleiding: Het plannen van cardiale ablatie vereist een nauwkeurige identificatie van niet-geleidend weefsel. Huidige methoden, zoals fasekaarten en voltagekaarten, overschatten vaak de omvang van niet-geleidende gebieden en geven slechts een vereenvoudigde weergave van de onderliggende elektrogram (EGM)-signalen. Bovendien kunnen huidige markers structurele remodellering niet betrouwbaar onderscheiden van functionele trage geleiding. Deze thesis onderzoekt of bijkomende, uit EGM afgeleide kenmerken gebruikt kunnen worden om verschillen in de elektrische geleidingssnelheid doorheen hartweefsel te onderscheiden.

Methoden: Simulaties werden uitgevoerd voor vijf verschillende weefselconfiguraties met toenemende complexiteit en afnemende symmetrie. Alle simulaties werden in 2D uitgevoerd met een enkele stimulus en bevatten een centraal obstakel omringd door een raster van EGM-elektroden. Uit elk EGM-signaal werden 11 kenmerken geëxtraheerd, gebaseerd op grootheden die eerder in de literatuur beschreven zijn of vaak gebruikt worden in ECG-analyse. Vervolgens werd PCA toegepast om de lineaire combinaties van kenmerken te identificeren die de grootste variantie in de data verklaren. De belangrijkste principal components werden daarna gebruikt in gesuperviseerde machine learning-benaderingen om de geleidingssnelheid en de afstand tot aangetast weefsel te voorspellen.

Resultaten: De eerste principal component verklaarde 65–70% van de variantie over alle simulatietypes en werd gedomineerd door kenmerken gerelateerd aan signaalsterkte, waaronder de maximale amplitude en de totale signaaloppervlakte. De tweede tot en met de vierde principal components verklaarden samen ongeveer 25% van de variantie en bevatten voornamelijk kenmerken gerelateerd aan piekstructuur, timing en signaalasymmetrie. De waarden van deze principale componenten, in het bijzonder de eerste component, verschilden systematisch tussen simulaties met verschillende geleidingssnelheden. Een logistische regressie classificeerde tussen het wel of niet in aangetast weefsel liggen met een balanced accuracy van 89,3%. Een random forest regressor kon de gemiddelde geleiding voorspellen met een absolute gemiddelde fout (MAE) van 1,2%.

Conclusie: Uit EGM-afgeleide kenmerken, naast fase en maximale spanning, ontstaat onderscheidende informatie over de geleidingseigenschappen van hartweefsel. De laagdimensionale structuur geïdentificeerd door PCA generaliseert over weefselconfiguraties met toenemende complexiteit, en de resulterende kenmerkrepresentaties ondersteunen zowel de classificatie van de afstand van de elektrode tot aangetast weefsel als de voorspelling van de lokale geleidingssnelheid. Deze bevindingen suggereren dat multidimensionale EGM-kenmerkanalyse een geschikter kader biedt om littekenweefsel te onderscheiden van functionele trage-geleidingsgebieden dan geïsoleerde signaalmerkers alleen.
Meer lezen

The symbolic legal protection of the environment in armed conflict: Form, function and reform of Articles 35(3) and 55(1) of Additional Protocol I

KU Leuven
2026
Simon
Sterck
Gewapende conflicten vernietigen meer dan mensen en infrastructuur. Ze vervuilen ook water, bodem en lucht, beschadigen ecosystemen, en maken daardoor regio’s decennialang minder leefbaar. Conflicten in Vietnam, Koeweit, Oekraïne of Gaza illustreren dit duidelijk.

Het internationaal humanitair recht regelt dergelijke milieuschade in artikelen 35(3) en 55(1) van het Eerste Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève (1977). Deze bepalingen verbieden oorlogvoering waarvan verwacht wordt dat ze “wijdverspreide, langdurige en ernstige” milieuschade veroorzaakt. Op papier lijkt dat een bijzonder sterke bescherming. Toch werd in bijna vijftig jaar nooit gezaghebbend vastgesteld dat deze drempel werd overschreden, ook niet in conflicten die bekend staan om hun ecologische gevolgen.

De rechtsleer beschouwt dat doorgaans als een mislukking en focust vooral op hervormingsvoorstellen. Mijn masterproef zet echter een stap terug en vraagt eerst wat voor soort norm dit eigenlijk is. Met twee theoretische kaders die niet eerder op deze bepalingen werden toegepast, analyseer ik hun juridische vorm, maatschappelijke functie en mogelijke hervorming.

Ik besluit dat het huidige kader vooral symboolwetgeving is. Het erkent het belang van
milieubescherming tijdens oorlogen, zonder militaire acties in de praktijk sterk te beperken. Vanuit dat inzicht ontwikkel ik een nieuwe manier om het hervormingsdebat te benaderen
Meer lezen

Zo gezien, zo genudged? Onderzoek naar aandacht voor (transparante) attention- leading nudges

KU Leuven
2026
Eline
Vranken
Deze masterproef onderzoekt in welke mate bezoekers aandacht hebben voor (transparante) attention-leading nudges. Nudges zijn laagdrempelige aanpassingen in de keuzeomgeving die gedrag proberen te sturen zonder keuzes te verbieden of economische beloningen te geven. Verschillende types van nudges hebben aandacht nodig om te werken, dit zijn de attention-leading nudges. Hoewel het instrument steeds meer wordt gebruikt, krijgt het ook kritiek. Critici stellen dat nudges de autonomie van de burger ondermijnen, waardoor het gebruik ervan door overheden als ondemocratisch wordt beschouwd. Als antwoord hierop worden transparante nudges gebruikt, waarbij
expliciet wordt uitgelegd hoe de nudges werken. Deze transparantie kan echter enkel effectief werken wanneer de boodschap wordt opgemerkt.
Aandacht voor de (transparante) attention-leading nudges is echter geen vanzelfsprekendheid. Zo kunnen omgevingsfactoren de weinige aandacht die mensen schenken aan hun omgeving al snel opeisen. Daarom onderzoekt deze masterproef de cognitieve aandacht voor (transparante) attention-leading nudges. Cognitieve aandacht houdt hierbij in dat bezoekers de nudges opmerken, de teksten lezen en de boodschap begrijpen. Het onderzoek vond plaats in de Sint-Pieterskerk in Leuven, waar bezoekers een donatie
konden doen via twee betaalterminals. Er werd een controleopstelling, saliencenudges en wederkerigheidsnudges geplaatst. Van deze twee laatste werden twee varianten met transparante boodschappen geïnstalleerd. In totaal namen 785 bezoekers deel aan het vrijwillige surveyonderzoek, dat werden goedgekeurd door SMEC. Bezoekers werden pas na hun bezoek gevraagd om te participeren om de real-life setting te bewaren.
Uit de resultaten blijkt dat vijf van de zes opstellingen met een nudge significant vaker werden waargenomen dan de controleopstelling. Toch las slechts één derde van de bezoekers ook de tekst bij de betaalterminals. De cognitieve aandacht voor de transparante nudges was ook beperkt. Maximaal één op vijf bezoekers heeft een transparante nudge waargenomen, de tekst gelezen en ook correct kunnen begrijpen hoe het instrument werkt. Wanneer het cognitieve proces wel doorlopen werd, bleek dat de Odds om de werking van de nudge bij transparante nudges te begrijpen significant hoger lag dan bij de niet-transparante nudges. Als de bezoekers dus cognitieve aandacht investeerden in de nudge, kon de boodschap wel doorgegeven worden. Tot slot bleek ook dat gender en leeftijd een rol speelden in het proces rond het geven van aandacht en de houding ten opzichte van de nudges. Zo namen vrouwen de nudges vaker waar, al hadden mannen een hogere acceptatiegraad. Een hogere leeftijd hing positief samen met de leesfrequentie van de tekst, een hoger zelfingeschat subjectief begrip van de nudge en een hogere acceptatiegraad.
De studie toont aan dat aandacht een cruciale voorwaarde is voor de effectiviteit en de legitimiteit van nudges. Academici moeten in het literair debat rekening houden met de beperkte mate van aandacht voor nudges in een praktijksetting en hierdoor aandacht als belangrijke voorwaarde meenemen in studies. Beleidsmakers moeten niet alleen delibereren over de inhoud van de nudges, maar ook over de mate waarin burgers aandacht kunnen besteden aan de nudge en de eventuele transparante boodschap. Zonder voldoende aandacht blijft het democratische en ethische nut van transparante nudges beperkt.
Meer lezen

VALIDATIESTUDIE VAN DE PAEDIATRIC PALLIATIVE SCREENING SCALE

Universiteit Gent
2026
Stefanie
Thienpont
Probleemstelling: Hoewel de medische vooruitgang de mortaliteit bij kinderen doet
dalen, neemt het aantal pediatrische patiënten met levensbedreigende en
levensbeperkende aandoeningen toe. Ondanks de noodzaak aan gespecialiseerde
pediatrische palliatieve zorg, ontbreekt er in België een meetinstrument om palliatieve
zorgnoden te identificeren bij kinderen.

Doelstelling: Psychometrische evaluatie en validatie van de Nederlandstalige
Paediatric Palliative Screening schaal (PaPaS).
Design en methode: Psychometrische evaluatiestudie. In fase één werd een forward-
backward vertaling gedaan. In fase twee werd een Delphi-studie uitgevoerd. In fase drie
werden de predictieve validiteit beoordeeld op basis van een retrospectieve chart review,
waar de PaPaS schaal werd ingevuld op basis van het patiëntendossier.

Resultaten: De Nederlandse PaPaS resulteerde uit de forward-backward vertaling en
werd gebruikt in een Delphi-studie. Na ronde twee was er consensus, waarbij voor elk
item een I-CVI >0.78 en een S-CVI=0.98 werd behaald. Er werden enkel aanpassingen
gedaan in de woordkeuze. De analyse van de betrouwbaarheid vertoonde bij de test-
hertest een ICC=0.88 en een WK=0.81. De inter-rater beoordeling gaf een ICC= 0.73 en
een WK= 0.47. Somscores 15 tot en met 24 (OR= 75.41; p<0.001) en somscore 25
(OR=1811.66; p<0.001) hebben significante verhoogde kans op het feitelijk krijgen van
PPZ ten opzichte van de referentiegroep.

Conclusie: De Nederlandse PaPaS schaal toonde een goede face- en content validity
en een hoge test-hertest betrouwbaarheid. De lagere inter-rater betrouwbaarheid wijst
op de subjectiviteit van de schaal. De predictieve validiteit is het sterkste bij somscore
25. De PaPaS schaal kan zorgverleners ondersteunen in hun klinisch oordeel.
Meer lezen

Hoe kan De Wijkpraktijk haar patiëntenpopulatie heroriënteren naar de afgebakende werkzone zonder de continuïteit of toegankelijkheid van zorg in het gedrang te brengen?

AP Hogeschool Antwerpen
2026
Sarah
Van Camp
Mijn bachelorproef onderzoekt hoe De Wijkpraktijk haar patiëntenpopulatie opnieuw kan afstemmen op de vooropgestelde werkzone, zonder de continuïteit en toegankelijkheid van zorg in het gedrang te brengen.
Uit analyses blijkt dat een aanzienlijk deel van de patiënten buiten deze werkzone woont, waardoor de draagkracht van de praktijk en de wijkgerichte werking onder druk komen te staan.
Aan de hand van een analyse van de patiëntenpopulatie, literatuuronderzoek en gesprekken binnen de praktijk werd onderzocht welke patiënten prioriteit krijgen en hoe een geleidelijke heroriëntering kan verlopen. Hierbij werden onder meer afstand, kwetsbaarheid, de therapeutische relatie en de beschikbaarheid van huisartsen in de regio meegenomen.
Het resultaat is een concreet en gefaseerd actieplan waarbij nieuwe patiënten buiten de werkzone niet langer worden aangenomen en bestaande patiënten geleidelijk worden begeleid naar een huisarts dichter bij hun woonplaats. Daarbij wordt aandacht besteed aan communicatie, opvolging, begeleiding, overdracht van medische gegevens en duidelijke verantwoordelijkheden binnen het praktijkteam.
De bachelorproef wil zo bijdragen aan een duurzame organisatie van de huisartsenzorg, waarbij de praktijk haar wijkgerichte opdracht kan blijven waarmaken en tegelijk de continuïteit en de toegankelijkheid van zorg voor bestaande patiënten zoveel mogelijk waarborgt.
Meer lezen

Local production for Global Streamers: A Production Studies Analysis of Netflix within Flemish TV-Productions

Universiteit Gent
2026
Jolan
Colpaert
Deze thesis onderzoekt hoe Vlaamse audiovisuele professionals de samenwerking met
Netflix ervaren en hoe zij de invloed van het platform op lokale productiepraktijken
waarnemen.
Meer lezen

Gezelschapsspellen als educatieve en motiverende tools

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Rembrandt
Verbrugghe
Dit is een onderzoek naar de invloed van bordspellen op de motivatie en betrokkenheid van leerlingen uit de tweede graad in de geschiedenisles. Daarnaast werd er een bordspel ontworpen om het literatuuronderzoek en de bevraging verder te ondersteunen.
Meer lezen

Unraveling the drivers of river lamprey migration using telemetry data

Universiteit Gent
2026
Wannes
Perdaen
Wereldwijd worden rivieren gefragmenteerd door menselijke constructies zoals sluizen en stuwen. Ze vormen barrières die de migratie van vissen bemoeilijken en hun levenscyclus ernstig verstoren. In het kader van dit probleem onderzoekt deze masterproef de impact van rivierfragmentatie op de stroomopwaartse migratie van de Europese rivierprik (Lampetra fluviatilis). Met akoestische zendertechnologie werden vijftig rivierprikken doorheen de Schelde gevolgd, en werd hun migratiegedrag geanalyseerd, samen met de factoren die hun migratiesucces beïnvloeden. Daarnaast werden overlevingsanalyse en een individu-gebaseerd model gebruikt om migratiepatronen te bestuderen en verschillende scenario’s voor rivierbeheer te simuleren.

Slechts drie van de vijftig gezenderde rivierprikken raakten voorbij de eerste twee grote migratieknelpunten. De resultaten toonden aan dat waterafvoer, waterniveau en de bediening van stuwen de kans op een succesvolle passage beïnvloeden. Aangelegde vispassages maakten oversteek mogelijk voor de beperkte groep vissen die ze bereikte. Bovendien benadrukten simulaties het belang van vispassages en aangepast stuwbeheer voor het verbeteren van de vismigratie. De resultaten brengen belangrijke knelpunten in kaart en bieden aanknopingspunten voor een beter rivierbeheer, ook met het oog op toekomstige droogteperiodes.
Meer lezen

(T)huis in de stad? Een participatief actieonderzoek naar de percepties van dak- en thuisloze personen over (alternatieve) woonvormen in Antwerpen

Universiteit Antwerpen
2026
Tine
Embrechts
Dit onderzoek gaat na wat er gebeurt in de leemte die ontstaat door een ontoereikend huisvestingsbeleid en sociale voorzieningen voor dak- en thuisloze personen. Aan de hand van participatief actieonderzoek onderzoekt dit onderzoek de percepties van dak-en thuisloze personen in Antwerpen met betrekking tot (alternatieve) woonvormen en de eigenschappen die nodig zijn om van een huis een thuis te maken.

Samen met een team bestaande uit leden van het Antwerps Straatsyndicaat vzw en ervaringsdeskundigen werd de methodologie ontwikkeld en werden dertien semi-gestructureerde interviews afgenomen. Deze interviews werden geanalyseerd aan de hand van het conceptuele kader van Sommerville (2009), dat gebruik maakt van de dimensies onderdak, haard, hart, privacy, wortels, verblijfplaats en paradijs om te begrijpen wat een huis tot een thuis maakt.

Uit de resultaten blijkt dat daklozen verblijven in een breed scala aan niet-officieel erkende woonvormen (zoals een tent, kraken, een auto of de openbare ruimte). Velen geven de voorkeur aan deze woonvormen vanwege het gevoel van veiligheid en rust dat ze bieden, met name in vergelijking met opvangcentra voor daklozen. De respondenten melden echter ook nadelen, zoals kou, de voortdurende noodzaak tot waakzaamheid en onrust. Reguliere woonvormen worden als ideaal beschouwd, maar zijn vaak onbereikbaar vanwege structurele belemmeringen zoals lange wachtlijsten, onbetaalbaarheid en discriminatie.

De dimensies ‘onderdak’ en ‘privacy’ van Sommerville (2009) kwamen tijdens de interviews het vaakst ter sprake, en de dimensie ‘wortels’ werd vaak besproken in verband met thema’s als ontologische (on)veiligheid en een gevoel van ontheemding en het gevoel niet welkom te zijn in de samenleving.

Deze studie beveelt aan dat het huisvestingsbeleid rekening houdt met de behoeften van dak- en thuisloze personen door te investeren in sociale huisvesting en de regelgeving inzake co-housing te herzien, zodat dit geen belemmering vormt voor mensen die in aanmerking komen voor een uitkering. Verder pleit deze studie voor voorzieningen die tegemoetkomen aan de behoeften van dak- en thuisloze personen, zoals voor het publiek toegankelijke lockers en toiletten.
Meer lezen

Global Climate Attribution of Pluvial Floods: A deep learning framework for pluvial flood modelling

Vrije Universiteit Brussel
2026
Robbe
Buls
In deze thesis onderzoek ik wat het effect van klimaatverandering is op het voorkomen van regenoverstromingen. Dat zijn overstromingen die ontstaan doordat de neerslag té intens is voor de bodem en de riolering om alles te slikken, en dus niet omdat een rivier buiten haar oevers treedt.

De effecten van klimaatverandering op regenoverstromingen zijn nog niet eerder op wereldschaal onderzocht, omdat modellen vaak berusten op lokale bodemkarakteristieken, vegetatiekenmerken, enzovoort. Ik omzeil het probleem van zulke beschrijvende modellen door artificiële intelligentie (AI) in te zetten: in plaats van alle processen (zoals infiltratie, verdamping, enzovoort) expliciet te gaan beschrijven met formules, laat ik het model de relatie zoeken tussen omgevingskarakteristieken en geobserveerde overstromingen. Die observaties zijn gebaseerd op satelietbeelden.

Mijn model werkt oké, maar zeker nog niet perfect. Het ziet bepaalde verbanden, zoals lager gelegen plaatsen die doorgaans natter zijn en bossen die doorgaans minder overstromen, hetgeen betekent dat het model effectief iets leert. De grootste problemen zitten hem voorlopig nog in het modelleren van de omvang van de overstroming. Het model heeft de neiging om steeds een gemiddelde waarde te voorspellen, in plaats van bij zeer hevige neerslag een écht grote overstroming te voorspellen.

Toch heb ik het model alvast eens gebruikt om de impact van klimaatverandering op regenoverstromingen in te schatten. Dat doe ik door het geobserveerde klimaat van een bepaalde periode in het model in te laden en het zijn voorspellingen te laten doen. Vervolgens laadt ik een fictief klimaat in dat een wereld zonder klimaatverandering voorstelt, en laat het model opnieuw zijn voorspellingen maken. Het verschil tussen beide modelruns vertelt mij het effect van de klimaatverandering. In dit geval vind ik een toename van 0,5% terug. Dat is een waarde die een stuk lager ligt dan verwacht, wat wellicht te wijten is aan de beperkingen van het model. Wel zien we grote regionale verschillen, waarbij delen van Noord- en Midden-Amerika, Noord-Europa en Oost-Azië véél zwaarder getroffen worden dan het globale gemiddelde.
Meer lezen

Het gebruik van lentivirale partikels in CAR-T-Celtherapie.

Erasmushogeschool Brussel
2026
Tiebe
Kestelyn
Deze bachelorproef onderzoekt het gebruik van lentivirale partikels voor de productie van CD70-gerichte CAR-T-cellen. CAR-T-celtherapie is een innovatieve vorm van immuuntherapie waarbij T-cellen van een patiënt genetisch worden aangepast om kankercellen gericht te herkennen en te vernietigen. Lentivirale partikels worden hierbij gebruikt als vector voor de overdracht van het CAR-gen naar de T-cellen.

In deze studie werd een productieproces voor lentivirale partikels opgezet in HEK293SF-3F6-cellen door transfectie met vier plasmiden (CAR, Gag/Pol, VSV-G en REV). De fysieke titer van de geproduceerde lentivirale partikels werd bepaald met behulp van een HIV-1 p24-ELISA. Daarnaast werd onderzocht welke omstandigheden voor de benzonasebehandeling het meest geschikt zijn om vrij DNA af te breken, en wat het effect hiervan is op de steriele filtratie van de virusoogst.

De geproduceerde lentivirale partikels behaalden fysieke titers tussen 1,47 × 10⁹ en 2,62 × 10⁹ partikels. De benzonasebehandeling bleek onder alle geteste omstandigheden effectief voor de afbraak van residueel DNA. Bij de steriele filtratie gaf de PES-filter de hoogste opbrengst, terwijl celluloseacetaatfilters nauwelijks lentivirale partikels doorlieten. Opvallend was dat de benzonasebehandeling leidde tot een lagere opbrengst na filtratie, wat afwijkt van bevindingen uit de literatuur. De resultaten dragen bij aan de verdere optimalisatie van productieprocessen voor lentivirale vectoren binnen CAR-T-celtherapie.
Meer lezen

Van educatie tot zelfzorg: de impact van verpleegkundige ontslagvoorbereiding op herstel bij patiënten na cardiochirurgie

Thomas More Hogeschool
2026
Wouter
Notelteirs
Van educatie tot zelfzorg: de impact van verpleegkundige ontslagvoorbereiding op herstel bij patiënten na cardiochirurgie

Een cardiochirurgische ingreep is voor veel patiënten een ingrijpende gebeurtenis die gepaard gaat met een intensief en kwetsbaar herstelproces. Waar de zorg tijdens de ziekenhuisopname nauwgezet georganiseerd is, blijkt de uiteindelijke overgang van het ziekenhuis naar de thuissituatie in de praktijk vaak een kritiek moment. Patiënten kampen na de operatie niet alleen met fysieke ongemakken zoals pijn, vermoeidheid en een beperkte mobiliteit, maar worden thuis ook geconfronteerd met onzekerheid en angst. Vragen over wat veilig is qua beweging, hoe wondzorg moet worden uitgevoerd of hoe de medicatie correct moet worden ingesteld, zorgen regelmatig voor twijfels. Zonder adequate ondersteuning kan deze onzekerheid leiden tot een moeizamer herstel, problemen met therapietrouw en in het slechtste geval zelfs tot vermijdbare complicaties of ongeplande heropnames.

Om te onderzoeken hoe deze overgang beter kan worden begeleid, richtte dit Evidence-Based Nursing (EBN) onderzoek zich op de vraag welke rol verpleegkundige educatie en ontslagvoorbereiding spelen in het herstel en de zelfzorg van volwassen patiënten na cardiochirurgie. Aan de hand van een systematische literatuurstudie van zestien recente wetenschappelijke studies – waaronder gerandomiseerde gecontroleerde studies en systematische reviews – werden de effecten van verpleegkundige interventies op fysiek, psychologisch en klinisch vlak in kaart gebracht.

Uit de resultaten blijkt overtuigend dat doelgerichte verpleegkundige begeleiding een cruciale succesfactor is. Vroegtijdige en gestructureerde patiënteneducatie vermindert angst- en depressiescores significant, verhoogt het inzicht in het ziektebeeld en leidt tot een hogere tevredenheid bij de patiënt. Op fysiek vlak draagt een goede voorbereiding bij aan een korter verblijf op de intensieve zorgen, betere ademhalingsparameters en een effectievere pijnbestrijding. Wanneer educatie bovendien wordt gecombineerd met een individueel afgestemd ontslagplan en een actieve opvolging na de hospitalisatie – bijvoorbeeld via telefonische contacten of naloopzorg – voelen patiënten zich aanzienlijk beter voorbereid op hun thuisherstel. Dit verhoogt de zogenaamde discharge readiness en dringt het aantal heropnames aantoonbaar terug.

Centraal in dit gehele proces staat het stimuleren van de zelfzorgcapaciteit. Zelfzorg gaat verder dan het opvolgen van medische voorschriften; het omvat de vaardigheden en het zelfvertrouwen (self-efficacy) die een patiënt nodig heeft om dagelijks de eigen gezondheid te bewaken en gepast te reageren op lichamelijke signalen. Omdat factoren zoals gezondheidsgeletterdheid (health literacy) sterk verschillen per persoon, werkt een standaardfolder of een eenmalig gesprek bij het afscheid niet. Informatie dient stapsgewijs, op maat en in begrijpelijke taal te worden aangeboden.

Dit onderzoek onderstreept dat verpleegkundigen de sleutelfiguur vormen in het overbruggen van de kloof tussen het ziekenhuis en de thuissituatie. Ontslagvoorbereiding mag niet worden beschouwd als een administratieve handeling op de dag van vertrek, maar als een doorlopend, gestandaardiseerd zorgpad dat reeds bij opname start en doorloopt tot in de eerstelijnszorg en hartrevalidatie. Door binnen verpleegkundige teams te streven naar een uniforme, evidence-based aanpak kan de continuïteit en kwaliteit van zorg naar een hoger niveau worden getild, met als ultiem doel dat patiënten met meer vertrouwen en veerkracht aan hun herstel bouwen.
Meer lezen

Tussen Management en Praktijk: Welzijn en Welbevinden van Roulementsmedewerkers binnen HIC-units in België

Universiteit Gent
2026
Simon
Praet
Deze masterproef onderzocht het welzijn van roulementsmedewerkers op Belgische High & Intensive Care-afdelingen (HIC). Via een mixed-methods onderzoek werd een nationale vragenlijst gecombineerd met interviews met medewerkers en management binnen één HIC-afdeling. De resultaten tonen dat welzijn niet eenvoudig samenhangt met demografische kenmerken zoals leeftijd, geslacht, functie of uurrooster. Wel kwamen belangrijke organisatorische factoren naar voren, waaronder personeelsbezetting, uurroosters, teamondersteuning, erkenning en de aanwezigheid van leidinggevenden. Vooral mentale distantie bleek een aandachtspunt. De bevindingen benadrukken daarom het belang van een welzijnsbeleid dat niet alleen inzet op individuele ondersteuning, maar ook op de organisatie van het werk en een goede afstemming tussen management en praktijk.
Meer lezen

HOE PARK & RIDES EEN ECHTE OPTIE WORDEN IN VLAANDEREN: OP WEG NAAR EEN DUURZAME MOBILITEITSSHIFT

Universiteit Gent
2026
Thomas
De Visscher
Park & Rides moeten autoverkeer aan de stadsrand opvangen en de omslag naar openbaar vervoer versterken, maar hun gebruik verschilt sterk van stad tot stad. Deze masterproef onderzoekt onder welke voorwaarden Park & Rides in Vlaanderen echt werken, en hoe beleid daarop kan inspelen. Via een sequential explanatory mixed-methods design werden eerst de voorkeuren van 400 respondenten in kaart gebracht met een Choice-Based Conjoint-enquête rond kostprijs, frequentie, parkeergarantie en uitstraling. Die resultaten werden vervolgens verdiept met zes interviews met experten en beleidsactoren.

Een gegarandeerde parkeerplaats blijkt voor gebruikers veruit het belangrijkste, gevolgd door kostprijs en frequentie — terwijl beleidsactoren vooral op locatie en betrouwbaarheid van het openbaar vervoer focussen. Die kloof tussen gebruikersvoorkeuren en beleidspraktijk vormt een centrale bevinding. Het onderzoek mondt uit in concrete aanbevelingen op gebruikers-, stedelijk en Vlaams niveau, met als kern: parkeergarantie, herkenbare communicatie en een geïntegreerd Vlaams kader.
Meer lezen

Wandelen als artistiek-pedagogische methode in woonzorgcentra

Erasmushogeschool Brussel
2026
Marthe
Verschaeve
Deze scriptie onderzoekt hoe wandelen als artistiek-pedagogische methode ingezet kan worden in een woonzorgcentrum. Vertrekkend vanuit de vaststelling dat veel bewoners geconfronteerd worden met beperkte mobiliteit, routines en een verlies aan autonomie, gaat het onderzoek na hoe wandelen kan bijdragen aan aandacht, verwondering, betekenisgeving en verbinding. Centraal staat daarbij de wisselwerking tussen wandelen en kunst: wandelopdrachten worden geïnspireerd door kunstenaars, artistieke praktijken en kunstzinnige manieren van kijken.

Via participatief actieonderzoek worden verschillende wandelopdrachten ontwikkeld en getest met drie bewoners van een woonzorgcentrum. Naast fysieke wandelingen wordt ook geëxperimenteerd met alternatieve vormen van wandelen, zoals fotografie, tekenen, herinneringen, geluiden en virtuele verplaatsingen. Deze opdrachten nodigen bewoners uit om hun omgeving en leefwereld op een andere manier waar te nemen en hier actief betekenis aan te geven.

De resultaten tonen aan dat wandelen, wanneer het verbonden wordt met artistieke processen, meer is dan een fysieke activiteit. Het kan bijdragen aan autonomie, verwondering, verbeeldingskracht, ontmoeting en zingeving. Daarnaast blijkt dat ook imaginaire en niet-fysieke vormen van wandelen waardevol kunnen zijn voor bewoners met een beperkte mobiliteit. De scriptie mondt uit in een toolbox met artistieke wandelopdrachten die verder kunnen worden ingezet en onderzocht binnen woonzorgcentra.
Meer lezen

Zero-Density Estimates for the Riemann Zeta Function

KU Leuven
2026
Stev
Fivez
The Riemann zeta function is one of the most extensively studied functions in pure mathematics. This is for good reason: the theory surrounding this function has many profound implications across analytic number theory and beyond. In particular, it is deeply connected with the prime numbers. While initially introduced by Euler, it was Riemann who extended this function to a complex variable and thereby discovered the relation between its zeros and the distribution of primes in his revolutionary paper from 1859. At the same time, he formulated his most famous conjecture, which later became known as the Riemann hypothesis. Namely, he suggested that all non-trivial zeros of the zeta function lie on the so-called critical line, i.e. the line in the complex plane with real part 1/2. This problem has remained unsolved for over 150 years, with few major breakthroughs, and mathematicians still have no clear idea of where to look for a solution. Fortunately, over the past century, mathematicians have gained the insight that the full generality of the Riemann hypothesis is not always required in order to deduce good arithmetic consequences. Notably, in the search for zeros of the zeta function, special attention has been given to zero-density estimates. Rather than improving known zero-free regions, this subject aims to bound the number of zeros in certain rectangles inside the critical strip, the region of the complex plane consisting of all elements with real part between 0 and 1. This has become a central topic in analytic number theory, with several applications to prime number theory. In this thesis, our aim is to provide a thorough account of the techniques used to prove zero-density estimates. This begins with the description of the standard zero-detection method, and proceeds with two examples, one of which is the current record in a certain interval. We then exploit recent advances in the field to prove a new zero-density estimate that improves the current best bounds in a small interval, effectively breaking a world record. An essential tool in proving zero-density estimates is the study of moment estimates for the Riemann zeta function on the critical line, as they arise naturally in the zero-detection method. This subject has plenty of unsolved problems itself, and we will prove some of the current best results. The thesis concludes with an application of zero-density estimates to the theory of primes in short intervals.
Meer lezen