Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Een robot die leert luisteren

Universiteit Gent
2026
Gaëlle
Snoeckx
Eenzaamheid bij ouderen is een groeiend gezondheidsprobleem, en sociale robots kunnen een aanvulling zijn op menselijk contact. Robots met een taalmodel praten vlot, maar luisteren slecht. Deze scriptie laat een tweede taalmodel meeluisteren dat de robot in realtime bijstuurt. In een test met zestien deelnemers en de robot Pepper werd de robot proactiever en reageerde hij in stressvolle gesprekken beter op emoties.
Meer lezen

Voorbij dysforie: betekenisgeving aan de vulva bij transmasculiene personen die geen genitale chirurgie ondergaan

Universiteit Gent
2026
Sem
Decraene
Bestaande literatuur focust hoofdzakelijk op lichaamsontevredenheid binnen de transgendergemeenschap en op de rol van chirurgie in het verhogen van lichaamsacceptatie. Hoewel genderdysforie vaak gepaard gaat met ongemak over de genitaliën, kiest een aanzienlijk aantal trans mannen er niet voor om phalloplastie te ondergaan. Eerder onderzoek wijst op zorgen over complicaties en ontevredenheid met de huidige mogelijkheden als belangrijke motiverende factoren voor de beslissing tegen chirurgie, maar besteedt nauwelijks aandacht aan de mogelijkheid dat sommige transmasculiene personen hun vulva als betekenisvol, neutraal of zelfs positief ervaren. Positieve lichaamsbeleving blijft daardoor grotendeels onderbelicht. Dit artikel onderzoekt daarom hoe transmasculiene personen die bewust geen phalloplastie ondergaan betekenis geven aan hun vulva, en doet dat aan de hand van dertien semi-gestructureerde diepte-interviews die werden geanalyseerd via een reflexieve thematische analyse.
Meer lezen

De bijdrage van groene infrastructuur aan koolstofopslag op campus Schoonmeersen

HOGENT
2026
Tristan
Kerger
Deze bachelorproef onderzoekt de koolstofopslag in de bodem van campus Schoonmeersen (HOGENT), en de wijze waarop bodemkoolstof meegenomen kan worden in het klimaatbeleid.
Meer lezen

ERVARINGEN VAN OUDERS VAN JONGE KINDEREN (3 T.E.M. 6 JAAR) MET EEN AANGEBOREN IMMUUNSTOORNIS: EEN KWALITATIEVE EXPLORATIEVE STUDIE

Universiteit Gent
2026
Lobke
Bonte
Achtergrond: Een aangeboren immuunstoornis (inborn error of immunity, IEI) beïnvloedt niet alleen de gezondheid van het kind, maar ook het dagelijks functioneren van ouders en de gezinsdynamiek. Over de ervaringen van ouders van jonge kinderen met IEI is nog weinig bekend.

Doel: inzicht verwerven in hoe ouders het leven ervaren met een kind van 2 tot 6 jaar oud met IEI.

Methode: In een tertiair universitair centrum in Vlaanderen werd een kwalitatief exploratief onderzoek uitgevoerd. Zeven moeders namen deel aan semigestructureerde diepte-interviews. De gegevens werden primair inductief geanalyseerd met reflexieve thematische analyse, met aandacht voor expliciete en onderliggende betekenissen.

Resultaten: De analyse resulteerde in vijf onderling verbonden thema’s. ‘Voortdurende waakzaamheid’ beschrijft hoe moeders alert blijven op ziektesignalen en ervaringskennis opdoen. ‘De onzichtbare prijs van voortdurende waakzaamheid’ omvat de lichamelijke, mentale, professionele, financiële en sociale gevolgen van de zorg. ‘Een moeizaam traject naar erkenning en ondersteuning’ toont de zoektocht naar een diagnose, erkenning en passende ondersteuning. ‘Het gezin en de omgeving in beweging’ beschrijft verschuivingen in partnerrelaties, aandacht voor broers en zussen, gezinskeuzes en het familienetwerk. ‘Verlies en groei naast elkaar’ laat zien hoe verlies, trots, veerkracht en betekenisgeving samen kunnen komen.

Conclusie: Leven met een jong kind met IEI werd door zeven moeders van kinderen van 3 tot 6 jaar ervaren als een aanhoudende mentale waakzaamheid die verschillende levensdomeinen en het gezin beïnvloedt. De bevindingen onderstrepen het belang van gezinsgerichte zorg die naast medische noden ook aandacht heeft voor de vaak onzichtbare cognitieve en emotionele belasting van ouders.
Meer lezen

RFID implementatie in het materiaalbeheerproces: Case Study StandPlus

Hogeschool VIVES
2026
Lennert
Camps
Mijn bachelorproef onderzoekt hoe RFID-technologie het materiaalbeheer bij StandPlus kan verbeteren. StandPlus is een standenbouwer uit Roeselare en werkt met meer dan 3.000 herbruikbare aluminium BeMatrix-kaders. Die worden vandaag voor vertrek manueel door twee medewerkers geteld, en bij retour gebeurt er geen systematische controle. Dat kost tijd, leidt tot fouten en zorgt voor een onbetrouwbare voorraadregistratie.

Het onderzoek combineert literatuurstudie met praktijkonderzoek. Eerst werd het huidige proces in kaart gebracht en werden de manuele controles met een stopwatch gemeten. Daarna werd samen met Geartracking een RFID-pilot opgezet, met 100 getagde kaders. Omdat metaal RFID-signalen verstoort, werden verschillende labels en tagposities getest. Een on-metal sticker net onder de klittenband aan de buitenkant van het kader gaf een betrouwbare detectie.

RFID-scanning bleek de controletijd met meer dan 85 procent te verminderen, en de controle kan door één persoon gebeuren in plaats van twee. In nagebootste scenario's werden ontbrekende, extra en vermengde items meteen gedetecteerd. Uit de kosten-batenanalyse blijkt een investering van ongeveer €12.677, tegenover een jaarlijkse besparing van €1.280 aan arbeidskosten. De grootste meerwaarde ligt echter in betere controle, foutreductie en voorraadnauwkeurigheid. Aanbevolen wordt om RFID gefaseerd in te voeren: eerst de kaders, daarna andere materialen.
Meer lezen

AI-ondersteunde vergelijkende analyse van internationale evoluties in de officina-apotheekpraktijk en hun relevantie voor de Belgische praktijk

Universiteit Antwerpen
2026
Cassandra
Krols
Deze masterproef onderzoekt hoe apothekers internationaal een ruimere rol opnemen in de zorg en wat België daarvan kan leren. Ik vergeleek twaalf landen aan de hand van veertien thema’s, waaronder bevoegdheden, opleiding, financiering en samenwerking met andere zorgverleners. Artificiële intelligentie ondersteunde het verzamelen en ordenen van informatie. De broncontrole en interpretatie voerde ik zelf uit. De vergelijking toont dat extra zorgtaken ook voldoende tijd, passende vergoeding, opleiding en toegang tot medische gegevens vragen. De bevindingen werden gebundeld in een interactief landenoverzicht.
Meer lezen

Deux Fantaisies pour la Guitare - Francesco Molino: A comparative study between a 19th-century and 21st-century guitar in a modern performance setting

LUCA School of Arts
2026
Nele
Vanmunster
De 19e-eeuwse of romantische gitaar verschijnt steeds vaker op het concertpodium, maar wordt vandaag anders gebruikt dan in haar oorspronkelijke context. Dit onderzoek onderzoekt hoe de romantische gitaar binnen een hedendaagse uitvoeringspraktijk kan worden ingezet zonder historische speelwijzen strikt na te bootsen. Hiervoor werden de 'Deux Fantaisies pour la Guitare', gecomponeerd door Francesco Molino (1768-1847), bestudeerd. Hoewel Molino in de eerste helft van de 19e eeuw een van de meest gekende gitaarleerkrachten en -componisten in Parijs was, worden zijn werken tegenwoordig zelden uitgevoerd.

Door de werken op zowel een romantische als een moderne klassieke gitaar uit te voeren, werd een directe vergelijking tussen beide instrumenten mogelijk. Daarnaast werden gitaarmethodes van Molino, Carulli en Sor geanalyseerd om inzicht te krijgen in de speel- en compositiepraktijk van de periode. Een logboek documenteerde het onderzoeks- en beslissingsproces.

Het onderzoek toont aan dat de romantische gitaar unieke klankkleuren en expressieve mogelijkheden biedt, vooral in 19e-eeuws repertoire. Dit is het gevolg van de meer cantabile- en legato-achtige speelstijl die op de romantische gitaar mogelijk wordt gemaakt. Dit vraagt echter enige aanpassing van de performer, aangezien men zowel de zich eigengemaakte techniek, houding en klankvorming opnieuw dient te herzien ten opzichte van onze gewoontes op de klassieke gitaar. Daarnaast zullen ook enkele bewuste keuzes gemaakt moeten worden door de performer rond het gebruik van nagels, type snaren en de gebruikte stemming op de gitaar.

Dit onderzoek toont eens te meer aan dat zowel de klassieke als de romantische gitaar tijdens performances naast elkaar gebruikt kunnen worden om het publiek op een unieke manier aan te spreken, zonder dat de ene als inferieur aan de andere dient te worden beschouwd. De romantische gitaar wordt hierbij best aanzien als een op zichzelf staand instrument met unieke eigenschappen dat de interpretatie van het 19e-eeuwse repertoire kan verrijken, zeker binnen een hedendaagse uitvoeringscontext.
Meer lezen

FinvictumX: Omdat iedereen recht heeft op financiële kennis

Hogeschool VIVES
2026
Sem
Bruynseraede
Dit eindwerk onderzoekt het belang van financiële educatie in een samenleving waarin steeds meer mensen zelfstandig toegang krijgen tot financiële markten. De drempel om te beleggen is sterk verlaagd, terwijl de hoeveelheid beschikbare financiële informatie voortdurend toeneemt. Die toegankelijkheid betekent echter niet automatisch dat mensen over voldoende kennis en vaardigheden beschikken om financiële producten, risico’s en beleggingsbeslissingen goed te begrijpen.

Het onderzoek gaat na welke rol financiële educatie kan spelen in het versterken van financiële kennis en vaardigheden. Daarbij wordt onderzocht welke kennis beleggers nodig hebben, hoe financiële concepten op een begrijpelijke en gestructureerde manier kunnen worden aangeleerd en welke factoren bijdragen aan een effectief leerproces. Naast financiële basiskennis wordt aandacht besteed aan onder meer risicobeheer, beleggingsstrategieën, beleggerspsychologie en het kritisch beoordelen van financiële informatie.

Ook wordt onderzocht hoe digitale technologie het aanbieden van financiële educatie kan ondersteunen. Daarbij komen onder meer gepersonaliseerde leertrajecten, interactieve leermethoden en artificiële intelligentie aan bod. Het onderzoek bekijkt daarnaast hoe financiële educatie kan worden opgebouwd voor verschillende niveaus van voorkennis, van beginnende tot meer ervaren beleggers.

Op basis van deze inzichten wordt een concreet concept voor een digitale leeromgeving uitgewerkt. Het eindwerk toont daarmee hoe financiële educatie kan bijdragen aan een beter begrip van financiële keuzes en mensen kan helpen om bewuster, kritischer en met meer inzicht met hun financiën en beleggingen om te gaan.
Meer lezen

Ontwikkeling van een informatieve brochure voor ouder(s) en kind bij pediatrische hartkatheterisatie

Hogeschool VIVES
2026
Britney
Soenen
Ouders van kinderen die een hartkatheterisatie ondergaan, blijven vaak met onzekerheden zitten, zelfs wanneer zorgverleners de nodige uitleg hebben gegeven. Tijdens mijn stage op de Pediatrische Intensive Care Unit van het UZ Gent merkte ik dat angst, informatie-overload en een gebrek aan afstemming tussen diensten ervoor zorgen dat ouders dezelfde vragen blijven stellen. Wetenschappelijke literatuur bevestigt dat mondelinge uitleg alleen onvoldoende is en dat schriftelijke informatie angst vermindert en het begrip versterkt. Daarom ontwikkelde ik een nieuwe, toegankelijke brochure met eenvoudige taal, kindvriendelijke illustraties en duidelijke antwoorden op veelgestelde vragen. Dit kleine document biedt ouders houvast, ondersteunt consistente communicatie tussen zorgverleners en draagt bij aan warmere, gezinsgerichte zorg.
Meer lezen

Zien we het kind achter de gebroken arm?

Hogeschool UCLL
2026
Eline
Gressens
Deze bachelorproef onderzoekt de kloof tussen de aangeboden zorg en zorgnoden van kinderen en jongeren (<18 jaar) met een psychiatrische achtergrond die agitatie vertonen op de spoedgevallendienst. De prikkelrijke en onvoorspelbare spoedomgeving sluit niet altijd aan bij hun psychische en emotionele behoeften, wat het risico op stress, escalatie, therapieweigering en vrijheidsbeperkende maatregelen kan vergroten.

Aan de hand van een literatuurstudie van recente wetenschappelijke literatuur werden verpleegkundige interventies en praktijkgerichte handvatten onderzocht die kunnen bijdragen aan een veiligere, effectievere en meer patiëntgerichte aanpak. De resultaten benadrukken het belang van vroegdetectie, omgevingsaanpassingen, verbale de-escalatie, therapeutische communicatie, familieparticipatie en multidisciplinaire samenwerking. Gestandaardiseerde zorgpaden en gerichte opleiding van verpleegkundigen kunnen helpen om de zorg beter af te stemmen op deze kwetsbare doelgroep.
Meer lezen

Computational fluid dynamics (CFD) simulatie en validatie van wandbevochtiging voor methanol poortbrandstofinjectie

Universiteit Gent
2026
Lien
Spruytte
De wereldwijde maritieme sector staat onder toenemende druk om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, onder meer door regelgevingen zoals het Europese Fit for 55-pakket. Methanol wordt daarbij gezien als een veelbelovende alternatieve brandstof voor bestaande motoren die worden omgebouwd naar een dual-fuelwerking. De hoge verdampingswarmte en lage vluchtigheid van methanol zorgen er echter voor dat de brandstof gemakkelijk op de cilinderwand neerslaat. Dit kan leiden tot problemen met de homogeniteit van het brandstof-luchtmengsel en de stabiliteit van de motor.

Als eerste stap wordt in deze thesis een uitgebreide literatuurstudie uitgevoerd. Hierbij wordt de achtergrond van methanol als alternatieve brandstof besproken, samen met de belangrijkste gevolgen ervan voor de werking van de motor. Vervolgens wordt de huidige stand van de kennis over wandbevochtiging (wall wetting) in systemen met poortbrandstofinjectie (Port Fuel Injection, PFI) kritisch geanalyseerd. Op basis van deze literatuurstudie wordt een duidelijke onderzoekskloof geïdentificeerd en worden de onderzoeksvragen geformuleerd.

In deze thesis wordt vervolgens een op Computational Fluid Dynamics (CFD) gebaseerd model ontwikkeld en gevalideerd in CONVERGE om het gedrag van methanol op de cilinderwand bij poortbrandstofinjectie te simuleren. Het model maakt gebruik van een Lagrangiaanse-Euleriaanse aanpak, gecombineerd met het Bai-Gosman-model voor de interactie tussen de brandstofspray en de wand en met conjugate heat transfer. Het numerieke model wordt gevalideerd aan de hand van experimentele gegevens en de beperkingen van het model worden besproken.

Tot slot wordt met behulp van een systematische Latin Heuristic Sampling-studie onderzocht welke invloed de injectiedruk, brandstoftemperatuur en omgevingstemperatuur hebben op de dikte, oppervlakte en massa van de brandstoffilm op de wand.
Meer lezen

Wandelend door de bewaakte stad. Tussen beleid en beleving: folk theories over CCTV-surveillance in Hasselt

KU Leuven
2026
Benthe
Peeters
Deze masterproef onderzoekt hoe burgers betekenis geven aan CCTV-surveillance in de publieke ruimte en hoe hun percepties zich verhouden tot de institutionele werking van cameratoezicht in Hasselt. Vertrekkend vanuit het concept van folk theories analyseert dit onderzoek hoe burgers intuïtieve verklaringen ontwikkelen over wie surveilleert (bron), waarom camera’s worden geplaatst (doel), hoe het systeem technisch werkt (mechanisme) en welke rol de locatie van camera’s speelt (plaats). Methodologisch hanteerde dit onderzoek tien data walks met 22 deelnemers, aangevuld met expertinterviews, een observatiebezoek en een analyse van webpagina’s van Stad Hasselt en Politie Limburg Regio Hoofdstad.

De resultaten tonen een discrepantie tussen het officiële luik en burgerpercepties. Terwijl lokale autoriteiten cameratoezicht beschrijven als een juridisch gereguleerd, grotendeels retroactief en doelgebonden systeem, ervaren burgers het cameranetwerk vaak als een ondoorzichtig systeem waarvan de werking onduidelijk blijft. Onvolledige informatie wordt aangevuld met folk theories, waarbij vooral onzekerheid bestaat over live monitoring, bewaartermijnen, datakoppeling, AI en gezichtsherkenning. Dit onderzoek identificeert plaats als een tot nu toe onderbelichte dimensie: dezelfde camera kan anders worden geïnterpreteerd afhankelijk van de locatie. Burgers hanteren verschillende copingstrategieën, van relativering en onverschilligheid tot actief vragen stellen of begrip tonen voor het officiële perspectief. Sociale identiteit en smart-citytoepassingen kleuren de betekenisgeving verder, onder meer via zorgen over sociale sortering, function creep en AI-bias.

Deze studie toont aan dat CCTV niet louter een technisch veiligheidsinstrument is, maar een sociotechnische assemblage waarin camera’s, signalisatie, regelgeving, locatie en communicatie samen betekenis produceren. De bevindingen onderstrepen het belang van transparantere
communicatie over cameratoezicht, zodat burgers beter geïnformeerd kunnen deelnemen aan het democratisch debat over surveillance in de publieke ruimte.
Meer lezen

The Mind of the UNHCR

KU Leuven
2026
Phebe
Vantomme
De Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor Vluchtelingen (UNHCR) wordt alom erkend voor zijn humanitaire rol, maar fungeert tevens als wereldwijde architect van het mondiale landschap van ontheemding. Deze thesis herpositioneert de organisatie als een centrale architecturale speler door te analyseren hoe haar interne richtlijnen en standaardcriteria, vastgelegd in een technisch handboek, fungeren als blauwdrukken voor vluchtelingenkampen wereldwijd. De digitalisering van dit handboek in 2015 markeerde een cruciaal keerpunt, waardoor het handboek veranderde van een handleiding in een dominant ruimtelijk instrument dat een proces van universalisering oplegt.

Het onderzoek is gestructureerd rond twee belangrijke analytische perspectieven: (1) Technisch perspectief: allereerst verdiepen we ons in ‘de gedachtegang van de UNHCR’ door bestaande literatuur en peer-reviewed artikelen te bestuderen, om zo de focus te verleggen van humanitaire hulp naar ruimtelijk ontwerp. Door deze academische inzichten te combineren met een grondige analyse van het digitale Emergency Handbook (2015) van de UNHCR, identificeren we de drie belangrijkste pijlers – tent, de context rondom de tent en het beheer – die samen het ‘ideale model’ van de organisatie vormen. Dit perspectief definieert het kader dat de organisatie wereldwijd als een ‘standaardscript’ zal implementeren. (2) Implementatieperspectief: dit ‘ideale model’ wordt geëvalueerd aan de hand van drie diepgaande wereldwijde casestudies: Griekenland (Europa), Kenia (Afrika) en Bangladesh (Azië). Aan de hand van een vergelijkende matrix onderzoeken we of dit ‘ideale model’ in al deze verschillende contexten consequent wordt toegepast. Hoewel het proces van universalisering impliceert dat het ruimtelijke resultaat in elke context identiek zou moeten zijn, brengt dit perspectief juist de specifieke situaties aan het licht waarin dit niet het geval is. Door ons te richten op deze inconsistenties, analyseren we de spanning tussen de universele normen van de UNHCR en de lokale realiteit.

Op deze manier wil deze thesis aantonen dat de regels en standaardmaten van de UNHCR geen neutrale technische vereisten zijn, maar invloedrijke ruimtelijke instrumenten. Inzicht in deze normen illustreert hoe de fysieke inrichting van vluchtelingenkampen zowel de beleving als de fysieke realiteit van een permanent systeem van tijdelijk wonen vormgeeft.
Meer lezen

Reframing Sexual Violence: The Female Gaze and the Reimagining of Female Sexual Trauma in Post-#MeToo Feature Films

Universiteit Antwerpen
2026
Ine
Maris
Deze thesis onderzoekt hoe post-#MeToo-films via een vrouwelijke blik (female gaze)
alternatieve representaties van seksueel geweld en het daaruit voortvloeide trauma creëren. Hierbij wordt gebruikgemaakt van een interdisciplinair theoretisch kader dat feministische filmtheorie, traumastudies, het post-#MeToo-discours en theorieën over handelingsvermogen en identiteit combineert. Aan de hand van visuele, narratieve en thematische analyses van The Tale (Jennifer Fox, 2018) en How To Have Sex (Molly Manning Walker, 2023), onderzoekt deze thesis hoe deze theorieën in praktijk worden toegepast. De analyses tonen aan dat representaties van seksueel geweld, gevormd door de female gaze en beïnvloed door #MeToo, kunnen leiden tot realistischere en genuanceerdere representaties. Bovendien brengen deze films noodzakelijke discussies over seksueel geweld op gang. Door vrouwelijke subjectiviteit en handelingsvermogen centraal te plaatsen, contrasteren ze met eerdere representaties die gevormd werden door patriarchale opvattingen en de male gaze. Uiteindelijk beargumenteert
deze thesis dat post-#MeToo-films over trauma als gevolg van seksueel geweld die een female gaze hanteren, het potentieel hebben om kijkers bewust te maken van de diepgaande identiteitsgerelateerde gevolgen van seksueel geweld.
Meer lezen

When does environmental destruction fall under Article II (c) of the Genocide Convention?

KU Leuven
2026
Matteo
Marsala
Mijn scriptie onderzoekt wanneer milieuvernietiging onder artikel II(c) van het Genocideverdrag kan vallen. Die bepaling omvat niet alleen rechtstreekse moord, maar ook het doelbewust opleggen van levensomstandigheden die een beschermde groep fysiek kunnen vernietigen. Aan de hand van verdragsinterpretatie en rechtspraak van het Rwanda- en Joegoslaviëtribunaal, het Internationaal Strafhof en het Internationaal Gerechtshof analyseer ik wanneer de vernietiging van water, voedselbronnen, landbouwgrond of bewoonbaar gebied zo’n indirecte vernietigingsmethode vormt. Hierbij ontwikkel ik een stapsgewijs juridisch toetsingskader om te beoordelen wanneer milieuschade zo’n indirecte vorm van genocide kan uitmaken. De scriptie concludeert dat milieuvernietiging als genocide kan worden beschouwd wanneer zij het fysieke voortbestaan van een beschermde groep bedreigt én gepaard gaat met de specifieke bedoeling die groep geheel of gedeeltelijk te vernietigen. Daarnaast verduidelijkt het onderzoek het onderscheid met ecocide en past het deze voorwaarden op een neutrale wijze toe op de situatie in Gaza.
Meer lezen

“Nous sommes des Eugénistes chrétiens”: Eugenetica in de Belgisch-katholieke Société de Saint-Luc (1922-1956)

KU Leuven
2026
Kaat
Goossens
De masterproef ‘“Nous sommes des Eugénistes chrétiens”: Eugenetica in de Belgisch-katholieke Société de Saint-Luc (1922-1956)’ onderzoekt hoe de Belgische katholieke vereniging van Saint-Luc keek naar eugenetica tussen 1922 en 1956. Aan de hand van discoursanalyse analyseert deze masterproef de eugenetische standpunten van de leden van Saint-Luc. In de historiografie over eugenetica werd lang aangenomen dat er alleen in protestantse landen aan eugenetica gedaan werd en dat het eugenetische denken verdween na de Tweede Wereldoorlog. Pas recent werd er ook aandacht besteed aan de positieve eugenetica in katholieke landen, maar die werd in sterke oppositie geplaatst met de negatieve eugenetica van protestantse landen. Aan de hand van de tot nu toe onderbelicht gebleven eugenetische casus van België toont deze thesis aan dat eugenetisch denken niet enkel aanwezig was in België, maar wijder verspreid was dan tot nu toe werd aangenomen. Positieve eugenetica werd gepropageerd en eugenetische terminologie was deel geworden van het gehanteerde discours. Hoewel eugenetische sterilisatie afgewezen werd, werden verschillende andere negatieve eugenetische maatregelen voorgesteld als alternatief, namelijk prenuptiale maatregelen, segregatie en therapeutische sterilisatie. Die maatregelen mochten niet verplicht opgelegd worden door de staat, maar moesten volgens de leden van Saint-Luc gepromoot worden onder de Belgische bevolking. Op die manier kon er een eugenetisch bewustzijn gecreëerd worden, dat verplichte eugenetische maatregelen overbodig maakte. Op die manier bleef de controle over de eugenetica in handen van leden van Saint-Luc. Daarnaast kon dat eugenetisch bewustzijn op termijn ook zorgen voor een grotere mate van acceptatie van meer verregaande eugenetische maatregelen. Vooral de Vlaamse leden van Saint-Luc waren op dat vlak radicaler dan de Waalse leden. Dat verschil en ook welke eugenetische maatregelen als noodzakelijk geacht werden, bleef consistent na de Tweede Wereldoorlog. Alleen in het discours dat gehanteerd werd was een duidelijk verschil te zien. In tegenstelling tot het idee dat België dus niet of alleen aan positieve eugenetica deed, toont deze thesis dus aan dat het eugenetische denken in België sterk aanwezig was en zowel positieve als negatieve eugenetische maatregelen promootte. De Belgische casus toont dus dat het dichotome beeld dat een strak onderscheid maakt tussen een katholieke positieve eugenetica en een protestantse negatieve eugenetica in vraag gesteld moet worden.
Meer lezen

"We worden een deel van de omstandigheden". Een intersectionele en familiehistorische analyse van de postkoloniale migratie van een Belgisch koppel naar Congo en Burundi (1964-1969)

Universiteit Antwerpen
2026
Emmelie
Degreef
Met een intersectionele en familiehistorische analyse van de microcasus van mijn grootouders, Floris Degreef en Maria Billet, onderzoekt deze masterthesis gelaagde relaties van ras, klasse en gender in de Congolese en Burundese samenleving in de jaren zestig. Dit microhistorisch onderzoek belicht de alledaagse sociale dynamieken die door een focus op postkoloniale macroconflicten vaak overschaduwd worden. De familiehistorische benadering maakte de bespreking van zowel gevoelige en emotionele als alledaagse ervaringen mogelijk. De methodologische valkuilen die gepaard gaan met de beperkte afstand tot de historische actoren zijn via bronnenverweving en discoursanalyse opgevangen. De intersectionele analyse benadert de categorieën ras, gender en klasse als verschuivende processen die met elkaar in verband staan en een invloed uitoefenen op machtsverhoudingen. Individuele privileges veranderden in de Congolese en Burundese postkoloniale context van de jaren zestig voortdurend en zijn heel plaatsafhankelijk. Binnen de bedrijfscontext werd Floris’ positie gekenmerkt door een oudkoloniale ‘witte’ dominantie en ontwikkelingsideologie. Daarbuiten werd de wisselwerking tussen Floris’ ras en klasse complexer. Als witte vrouw bevond Maria zich daarnaast op een complex kruispunt. Binnen de transformerende raciale hiërarchieën ervaarde ze angst, maar tegelijkertijd verkreeg ze een meer egalitaire positie binnen een expatgemeenschap waarin rigide sociale conventies vervaagden. De geografische vergelijking benadrukt tot slot dat het Hutu-Tutsi-conflict in Burundi door blijvende etnisch-koloniale structuren gedomineerd werd, waardoor de raciale concurrentie, zoals die in Congo duidelijk aanwezig was, naar de achtergrond gedrukt werd.
Meer lezen

Generatieve AI in het programmeeronderwijs: Kansen, uitdagingen en de stand van zaken in Vlaanderen

Universiteit Gent
2026
Maxime
Debosschere
Generatieve artificiële intelligentie heeft zich op korte tijd stevig verankerd in softwareontwikkeling en beïnvloedt ook steeds vaker het programmeeronderwijs. Deze masterpraktijkproef onderzoekt de implicaties hiervan voor het leren en onderwijzen van programmeren en de wijze waarop lesgevers hiermee omgaan in hun onderwijspraktijk.

Het eerste luik bestaat uit een literatuurstudie over de invloed van generatieve AI op het aanleren van programmeervaardigheden en over didactische strategieën die hierbij kunnen worden ingezet. De literatuur beschrijft kansen op het vlak van ondersteuning, evaluatie, differentiatie en motivatie. Tegelijk worden uitdagingen aangehaald op het vlak van academische integriteit, afhankelijkheid en bias.

Het tweede luik omvat een vragenlijstonderzoek bij programmeerlesgevers in Vlaanderen (N = 37), met aandacht voor hun gebruik, ervaringen en opvattingen met betrekking tot generatieve AI. De resultaten wijzen erop dat generatieve AI inmiddels zowel bij lesgevers als bij lerenden een vaste plaats heeft verworven. De visies op het gebruik ervan lopen echter sterk uiteen: sommige lesgevers benadrukken het belang van een stevige programmeerbasis en kiezen voor een restrictieve aanpak, terwijl anderen generatieve AI beschouwen als een onmisbaar onderdeel van hedendaags programmeren en deze bewust integreren in hun onderwijspraktijk. Respondenten benadrukken daarnaast het groeiende belang van vaardigheden zoals probleemanalyse, het kritisch beoordelen en debuggen van code en het doordacht aanwenden van AI-hulpmiddelen.

Deze studie concludeert dat generatieve AI het programmeeronderwijs niet overbodig maakt, maar wel vraagt om een heroriëntatie van leerdoelen, didactiek en evaluatie.
Meer lezen

Van 'hey matekes' tot 'beste burgers': een vergelijkende analyse naar de communicatie van jonge en oudere politici

Universiteit Antwerpen
2026
Max
Mooring
Jongeren zijn structureel ondervertegenwoordigd in Westerse parlementen, en de aanwezigheid van jonge politici wordt vaak naar voren geschoven als een brug tussen jongeren en politiek. Of die aanwezigheid zich ook reflecteert in andere communicatie blijft onderbelicht, zeker in een gemediatiseerde omgeving zoals sociale media. Vertrekkend vanuit theorieën over descriptieve en substantieve representatie worden vijf dimensies van politieke communicatie geanalyseerd: tijdsoriëntatie, representatieclaims gericht op jongeren, privatisering, emotioneel taalgebruik en informaliteit. Een grote dataset aan Facebookberichten (N = 239.525) werd geclassificeerd met behulp van large language models en geanalyseerd aan de hand van logistische regressie. Daarnaast werd een loopbaananalyse uitgevoerd om communicatieveranderingen doorheen politieke loopbanen in kaart te brengen. De bevindingen bieden slechts beperkte steun voor leeftijdsgebonden verschillen in politieke communicatie. Van de vijf dimensies wordt er slechts één consistent bevestigd: jonge politici communiceren informeler dan oudere politici. In de meeste modellen blijken de partij en tijd sterkere voorspellers dan de leeftijd. Bovendien communiceren politici van alle leeftijden na verloop van tijd steeds toekomstgerichter, jongerengerichter, meer over hun privéleven, positiever en informeler. De resultaten suggereren dat de descriptieve aanwezigheid van jonge politici zich niet automatisch vertaalt in inhoudelijk andere communicatie. In de Vlaamse context lijken partij- en mediatiseringsdynamieken zwaarder door te wegen dan de meeste leeftijdsgebonden verschillen, waarbij informaliteit een uitzondering vormt.
Meer lezen

Pictogrammen als ondersteunend hulpmiddel bij medicatiemanagement voor mensen met een taalbarrière in de eerstelijnszorg

Universiteit Antwerpen
2026
Hanne
Jacobs
De toenemende diversiteit in de maatschappij brengt uitdagingen in de gezondheidszorg met zich mee. Patiëntgerichte zorg en veiligheid worden bedreigd door taalbarrières, wat kan leiden tot medicatiefouten en frustraties. Eerstelijnszorginstellingen gebruiken tolkdiensten en vertaalapplicaties om deze barrières te overbruggen. Bovendien tonen studies aan dat hulpmiddelen, zoals pictogrammen met medicatie-instructies, de kennis en therapietrouw kunnen verbeteren. Culturele afstemming van pictogrammen is echter cruciaal voor
effectieve begrijpelijkheid. Deze studie onderzoekt de begrijpelijkheid en moeilijkheidsgraad van USP-pictogrammen voor geneesmiddeleninstructies bij mensen met een taalbarrière in de eerstelijnszorg. Ook relaties met en de invloed van sociodemografische factoren worden geanalyseerd.
Er werd een kwantitatieve cross-sectionele studie uitgevoerd. Twee huisartsenpraktijken, wijkgezondheidscentra en het opvangcentrum Fedasil in Arendonk namen deel. De datacollectie werd uitgevoerd met behulp een digitale, meertalig vertaalde vragenlijst. Begrijpelijkheid van USP-pictogrammen werd beoordeeld volgens de ISO-normen.
Meer lezen

Een rog als venster op plasticvervuiling

Vrije Universiteit Brussel
2026
Lize
Gijs
Deze thesis onderzoekt de aanwezigheid van microplastics in de blauwgevlekte maskerrog (Neotrygon indica) aan de oostkust van Sri Lanka. In 24 maagdarmkanalen werden microplastics geïdentificeerd en gekarakteriseerd op basis van hun hoeveelheid, grootte en polymeertype. In 16 van de 24 onderzochte roggen (66,7%) werden microplastics aangetroffen, waarbij PET het dominante polymeertype was. Daarnaast werd onderzocht of de hoeveelheid microplastics samenhing met de lichaamsgrootte van de roggen. Ten slotte werd een praktische en contaminatie-gecontroleerde methode ontwikkeld en geëvalueerd voor het extraheren en identificeren van microplastics uit het maagdarmkanaal van Elasmobranchen, met aandacht voor toepassing in laboratoria met beperkte middelen. De resultaten leveren zowel nieuwe informatie over microplasticblootstelling bij N. indica als een methodologische basis voor toekomstig onderzoek naar microplastics bij haaien en roggen.
Meer lezen

Normativiteit in het "niet-opvangbeleid"

KU Leuven
2026
Manon
Rupus
In 2023 kondigde Staatssecretaris voor Asiel en Migratie Nicole de Moor aan dat alleenstaande mannelijke asielzoekers tijdelijk geen opvang meer zullen krijgen in het netwerk van Fedasil. Terwijl deze maatregel vaak wordt voorgesteld als een praktisch antwoord op een capaciteitstekort, stelt dit onderzoek de vraag in hoeverre onderliggende cis-heteronormatieve ideeën over gender, gezin en kwetsbaarheid doorwerken in deze beleidskeuze.

Enerzijds kijkt een kritische discoursanalyse naar hoe beleid, media en middenveldorganisaties spreken over (mannelijke) asielzoekers en hun "deservingness" voor opvang. Anderzijds wordt aan de hand van interviews en via narratieve en visuele methoden ingezoomd op de ervaringen van queer asielzoekers in België. Hoe worden zij geconfronteerd met deze normatieve assumpties? Hoe beïnvloeden die hun traject naar en binnen huisvesting? En hoe gaan ze daarmee om in hun dagelijkse leven?

Het onderzoek toont dat "deservingness" voor opvang sterk afhankelijk is van normatieve constructies van herkenbaarheid en kwetsbaarheid, wat resulteert in inclusie of exclusie van de opvang. Alleenstaande mannelijke asielzoekers worden binnen het dominante discours zelden als inherent kwetsbaar erkend en hun nood aan opvang komt vooral voor in de vorm van uitzonderingen. De voorrang van gezinnen en kinderen blijkt bovendien ingebed in cisheteronormatieve ideeën over het ‘normale’ en herkenbare asielzoekers. En hoewel men vaak stelt dat queer asielzoekers kwetsbaar zijn, wordt ook hun toegang tot opvang beïnvloed door hun gender, hun gezinsstatus en hoe hun kwetsbaarheid wordt ingeschat. Echter negotiëren ze die assumpties ook zelf. In hun huisvestingstraject bewegen ze tussen hun queerness zichtbaar maken of juist niet, ze benadrukken hun kwetsbaarheid wanneer dat nodig is tegenover overheidsinstanties, maar kloppen ook aan bij hulporganisaties en informele netwerken. Bovendien passen queer asielzoekers strategieën toe in hun dagelijks leven in asielopvang om het leven daar leefbaar te houden.

Deze thesis stelt dat uitsluiting in het opvangbeleid niet los kan worden gezien van bredere normatieve structuren rond gender, seksualiteit en kwetsbaarheid. Door deze mechanismen bloot te leggen, draagt het onderzoek bij aan een kritischer begrip van huisvesting voor asielzoekers als politiek en normatief geladen domein. Tegelijk wil de thesis aanzetten tot verder onderzoek én tot reflectie in beleid en praktijk. In een context waarin het recht op opvang steeds meer onder druk staat en het debat verhardt, pleit dit onderzoek voor een benadering die vertrekt vanuit menselijke waardigheid, in plaats van uit normatieve vooringenomenheid.
Meer lezen

Transformatie van residentiële ouderenzorg: Een sociaal ruimtelijke analyse van ruimte, organisatie en gebruik - Case Lemberge, Merelbeke, Zorgband Leie en Schelde

Universiteit Gent
2026
Josefien
Boelens
Mijn masterproef onderzoekt hoe ruimte, organisatie en dagelijks gebruik samen vorm geven aan een woonzorgcentrum. Aan de hand van observaties, gesprekken, focusgroepen en co-creatieve workshops onderzocht ik de afdeling Kastanjebos van woonzorgcentrum Lemberge, die binnenkort wordt herontwikkeld. Het onderzoek toont dat een nieuwe zorgomgeving niet alleen afhangt van architectuur: ook routines, werkorganisatie en de manier waarop bewoners en medewerkers ruimtes gebruiken, bepalen hoe er wordt gewoond en gewerkt. De inzichten werden teruggekoppeld naar het ontwerptraject en vormden mee input voor de verdere projectdefinitie.
Meer lezen

Verplichte Anticonceptie bij onverantwoord Ouderschap: Een juridisch-interdisciplinaire analyse van de toelaatbaarheid in het Belgisch recht

Universiteit Antwerpen
2026
Sven
Lams
Deze scriptie onderzoekt of verplichte anticonceptie bij onverantwoord ouderschap op juridisch en ethisch vlak mogelijk is in België.
Meer lezen

Hey Alexa, help mij leren!

Universiteit Hasselt
2026
Liese
Dewyngaert
Diversiteit wint steeds meer aan belang. Om hierop in te spelen, moeten leerkrachten inzetten op inclusief onderwijs. Tegelijkertijd moet het onderwijs meegaan in een steeds ontwikkelende digitale wereld met AI en virtuele spraakassistenten (VSA’s). Deze technologieën bieden veel potentieel, maar er ontbreekt empirisch onderzoek naar de meerwaarde ervan in het basisonderwijs. Deze masterproef onderzoekt in welke mate de inzet van een VSA voor verlengde instructie bijdraagt aan inclusie en welke vaardigheden de leerlingen nodig hebben om deze technologie te gebruiken. Om dit te beantwoorden, werd een mixed-method quasi-experimentele interventiestudie uitgevoerd bij 30 leerlingen uit het basisonderwijs. Een VSA bood een verlengde instructie binnen de vakdiscipline wiskunde aan. De dataverzameling gebeurde via logboeken, vragenlijsten en transcripties van de gesprekken. De kwantitatieve gegevens werden beschrijvend geanalyseerd en de kwalitatieve gegevens werden verwerkt via een thematische analyse. De resultaten tonen aan dat een VSA een waardevolle ondersteuning kan zijn tijdens een inclusieve verlengde instructie. De extra uitleg werd door de leerlingen als ondersteunend ervaren en stimuleerde actieve participatie en actief denken, wat bijdroeg aan een beter leerstofbegrip. De effectiviteit blijft wel afhankelijk van een doordachte inzet en de kwaliteit van de interactie. Omdat de VSA regelmatig fouten maakte, blijken kritisch denken en andere hogere-orde-denkvaardigheden essentieel. Vooral oudere leerlingen konden deze fouten beter zelfstandig herkennen. Leerlingen hebben daarom aanvankelijk ondersteuning nodig om de VSA doelgericht en kritisch te leren gebruiken.
Meer lezen

Contextafhankelijke modellering van de vervangratio bij autodelen in Vlaamse gemeenten: Een beslissingsondersteunend model voor onderbouwde inschattingen van privéautovervanging

Universiteit Hasselt
2026
Ole
Siemons
In deze masterproef wordt onderzocht hoe lokale factoren in een gemeente van invloed kunnen zijn op het aantal privéauto's dat vervangen wordt door één deelwagen. Aan de hand van twee gebruikerspopulaties die doen aan autodelen worden contextafhankelijke factoren geïdentificeerd en gemodelleerd. De resultaten worden vertaald naar een rekenmodel en een beslissingsondersteunend model waarmee voor Vlaamse gemeenten een onderbouwde, contextafhankelijke vervangratio kan worden ingeschat. De praktische toepasbaarheid hiervan wordt getoetst aan de hand van een Use Case in de Stad Gent.
Meer lezen

Rekentaal in prentenboeken

Arteveldehogeschool Gent
2026
Kika
Boden
  • Elise
    Siau
Deze bachelorproef onderzoekt de rol van rekentaal in prentenboeken en de invloed hiervan op de ontwikkeling van voorbereidende en latere rekenvaardigheden. Rekentaal is essentieel voor het begrip en gebruik van wiskundige begrippen. Er worden vijf indelingen van rekentaal besproken. Daarnaast wordt de rol van leerkrachten en ouders aangehaald bij het stimuleren van rekentaal via interactief voorlezen.

Het onderzoek richt zich op de mate waarin rekentaal voorkomt in prentenboeken die niet expliciet bedoeld zijn om rekenvaardigheden te stimuleren. Daarnaast wordt onderzocht welke begrippen het meest en het minst vaak voorkomen. De 40 prentenboeken worden geanalyseerd volgens een eigen indeling, aan de hand van de categorieën hoeveelheden, meten en metend rekenen, meetkunde, bewerkingen en tijd. Dit toont aan dat rekentaal vaak onbewust wordt geïntegreerd, maar dat abstractere begrippen niet vaak voorkomen. Het benadrukt het belang van een bewuste boekkeuze bij het ondersteunen van voorbereidende rekenvaardigheden. In deze bachelorproef worden enkele prentenboeken aangeraden.
Meer lezen

“Van motivatie naar maatschappelijk handelen: de rol van projectonderwijs in de ontwikkeling van actiecompetentie bij Vlaamse leerlingen”

Universiteit Antwerpen
2026
Britta Quinevere Davina
Vandervorst
Deze masterscriptie onderzoekt de rol van projectonderwijs in het versterken van motivatie, basispsychologische behoeften en maatschappelijk engagement binnen het Vlaamse secundair onderwijs. De studie vertrekt vanuit signalen van lage betrokkenheid bij leerlingen, waarbij eerdere bevragingen wijzen op beperkte motivatie en participatie in onderwijscontexten.

Methodologisch wordt een sequentieel verklarend mixed-methods design gehanteerd. In een eerste, kwantitatieve fase worden de relaties tussen autonomie-ondersteuning, basispsychologische behoeften en motivatie onderzocht aan de hand van gevalideerde meetschalen. Vervolgens wordt in een kwalitatieve fase via semigestructureerde
interviews dieper ingegaan op de context en mechanismen achter deze verbanden.

De kwantitatieve resultaten tonen dat autonomie-ondersteuning sterk samenhangt met de vervulling van de basisbehoeften autonomie, competentie en verbondenheid, waarbij vooral autonomie centraal staat in het motivationele proces. Autonomie blijkt bovendien de enige significante directe voorspeller van autonome motivatie, terwijl competentie en verbondenheid enkel indirect bijdragen via hun relatie met autonomie. Mediatieanalyses bevestigen dat het effect van autonomie-ondersteuning op motivatie volledig wordt gemedieerd door ervaren autonomie.

Daarnaast worden geen significante verschillen gevonden in motivatie tussen leerlingen binnen en buiten projectonderwijs, noch een modererend effect van deze werkvorm op de relatie tussen autonomie-ondersteuning en basisbehoeften. Dit suggereert dat projectonderwijs op zich geen directe invloed uitoefent op motivationele
processen.

De kwalitatieve resultaten tonen dat de implementatie en effectiviteit van projectonderwijs sterk afhankelijk zijn van contextuele factoren zoals tijdsdruk, organisatorische randvoorwaarden, samenwerking en de mate van
leerkrachtondersteuning. Deze elementen beïnvloeden in belangrijke mate de manier waarop basisbehoeften in de praktijk worden ondersteund.

De integratie van beide onderzoeksfasen wijst erop dat autonomie de centrale schakel vormt in het motivationele proces, terwijl de impact van projectonderwijs vooral indirect en contextgebonden is. Dit onderzoek benadrukt dat de effectiviteit van projectonderwijs niet inherent is aan de werkvorm zelf, maar afhankelijk van de mate waarin de leeromgeving structureel behoefte-ondersteunend wordt ingericht.
Meer lezen

Kortverhalen in de klas: een kwalitatieve analyse van "Literatuur op School"

KU Leuven
2026
Rosa
Cleiren
Deze masterproef situeert zich binnen twee parallelle ontwikkelingen in het Vlaams onderwijs: een dalende leesvaardigheid bij leerlingen en een steeds beperktere plaats voor literatuur in het curriculum.
In 2024-2025 startte het Xaveriuscollege in Borgerhout met het driejarig project “Literatuur op School”, dat op een innovatieve manier op die uitdagingen inspeelt door meer literatuur te integreren in het curriculum. Deze masterproef onderzoekt enerzijds hoe het project pedagogisch wordt onderbouwd en praktisch wordt vormgegeven, en anderzijds hoe de betrokken leerkrachten en leerlingen het ervaren op basis van kwalitatief onderzoek.
Het project werd ontwikkeld door Dennis Melsen, een leerkracht Nederlands en filosofie, en heeft als doel om een coherente aanpak van literatuuronderwijs over alle (moderne) talen en graden heen te implementeren. Kortverhalen functioneren daarbij als centraal didactisch instrument: als toegankelijke en meerduidige literaire vorm worden ze zowel in taalvakken als in niet-taalvakken ingezet. Door kortverhalen te koppelen aan concrete lesonderwerpen, verbindt het project vakinhoudelijke doelstellingen met bredere vormende ambities. De lessen binnen het project verlopen via een vast stappenplan, dat de uitvoering van het dialogisch en perspectivisch lezen ondersteunt. Dat stappenplan nodigt de leerlingen uit om zich persoonlijk te betrekken bij de tekst door hun vragen bij
het verhaal te expliciteren en om daarna de antwoorden in groep te bespreken. Onderzoek van Applebee et al. koppelt die vraaggestuurde leeshouding en de uitwisseling van ideeën in een open klasgesprek aan een verhoogde leesvaardigheid. Door eerst met de tekst in dialoog te treden en vervolgens met elkaar, bouwen de leerlingen hun kennis en interpretaties gezamenlijk op en groeit ook hun openheid voor andere perspectieven.
Dit onderzoek gaat na hoe deze principes vertaald worden naar de klaspraktijk. Uit interviews met leerkrachten, focusgesprekken met leerlingen en klasobservaties blijkt dat de doelstellingen van het project grotendeels worden gerealiseerd. Leerkrachten en leerlingen ervaren de lessen als leerrijk, activerend en verfrissend. De dialogische klasdynamiek stimuleert rijke uitwisselingen over de verhalen en de maatschappelijke thema’s die ze aanreiken, waardoor leerlingen tot een ruimer begrip van de
lesinhoud komen. Daarnaast zorgt de herhaalde confrontatie met kortverhalen voor meer
vertrouwdheid met literatuur en voor de frequente oefening van het gebruik van literaire begrippen.

Tegelijk wijst de analyse op enkele praktische en structurele uitdagingen: klasgrootte, tijdsduur, evaluatie, leesvaardigheid en de nood aan meer didactische ondersteuning voor leerkrachten en leerlingen vormen aandachtspunten voor tijdens het laatste projectjaar. Ook de structurele verankering van de methode binnen de taalvakken en de uitbouw van een duurzame leescultuur op school vragen verdere ontwikkeling. Deze masterproef concludeert daarom dat “Literatuur op School” een veelbelovend model is voor een geïntegreerd literatuurbeleid, waarvan de impact nog kan worden versterkt door gerichte ondersteuning en meer systematische inbedding.
Meer lezen

MEROO Ondersteuning bij verslaglegging tijdens de zorgronde

Universiteit Antwerpen
2026
Eva
Visser
Gebruik hiervoor een korte, zakelijke samenvatting. Bijvoorbeeld:
Korte inhoud van je scriptie
Mijn scriptie onderzoekt hoe zorgverleners in de ouderenzorg ondersteund kunnen worden bij het vastleggen van observaties tijdens of direct na een zorgmoment. Uit interviews, een enquête en workflowanalyse bleek dat rapportage vaak pas later gebeurt, waardoor zorgverleners veel informatie moeten onthouden tijdens een drukke zorgronde. Dit vergroot de mentale belasting en kan ervoor zorgen dat details verloren gaan.
Als antwoord hierop ontwikkelde ik MEROO: een product-service-systeem met een borstgedragen wearable, NFC-tags, een laadstation en een digitale inbox. Zorgverleners kunnen korte observaties inspreken op het moment dat ze ontstaan. De opnames worden later verwerkt tot conceptnotities, die de zorgverlener controleert voordat ze in het cliëntendossier worden overgenomen.
Met een proof of concept testte ik de technische haalbaarheid van opnemen, transcriberen en controleren. MEROO wil administratieve druk verminderen, zonder de zorgverlener te vervangen. Het systeem brengt rapportage dichter bij het zorgmoment en creëert meer ruimte voor directe, menselijke zorg.
Meer lezen