Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Hormonale invloeden op zeeziekte

Antwerp Maritime Academy
2026
Margaux
Hermans
Zeeziekte is een veelvoorkomend fenomeen binnen de maritieme sector en kan een aanzienlijke
impact hebben op het functioneren en welzijn van zeevarenden. Hoewel bekend is dat vrouwen
mogelijk gevoeliger zijn voor zeeziekte dan mannen, is weinig onderzocht in welke mate hormonale
factoren hierin een rol spelen. Deze masterproef brengt dit onderbelichte thema in kaart aan de
hand van een observatiestudie uitgevoerd tijdens een vier weken durende zeereis aan boord van
het opleidingsschip Dar Mlodziezy.
In totaal registreerden 36 deelnemers dagelijks hun level van algemene gevoelstoestand,
misselijkheid, stress en hersenmist. Voor vrouwelijke deelnemers werd bijkomend het gebruik van
hormonale anticonceptie en, indien van toepassing, hun menstruele cyclus bijgehouden. Deze
systematische dataverzameling in een realistische maritieme setting bood een uitzonderlijke
mogelijkheid om patronen over langere tijd te analyseren zonder verstoringen van dagelijkse
omgeving.
Uit resultaten blijkt dat vrouwelijke deelnemers in deze groep gemiddeld meer zeeziekte
gerelateerde klachten rapporteerden dan mannelijke deelnemers. De verschillen waren zichtbaar
voor alle onderzochte variabelen en kwamen consequent terug doorheen de gehele
onderzoeksperiode. Binnen de vrouwelijke groep vertoonden vrouwen die hormonale
anticonceptie gebruikten op het merendeel van de dagen hogere symptoomscores dan vrouwen
zonder anticonceptie. In deze dataset werd dus geen aanwijzing gevonden dat anticonceptie
beschermend werkt tegen zeeziekte.
De analyses van de menstruele cyclus leverden geen duidelijke verschillen tussen cyclusfasen op,
voornamelijk door het beperkte aantal vrouwen met een natuurlijke cyclus. Hierdoor konden geen
uitspraken gedaan worden over variaties in gevoeligheid tijdens bijvoorbeeld menstruatie of
ovulatie. Daarnaast werd vastgesteld dat deelnemers die een zeeziektepil innamen gemiddeld
meer hersenmist rapporteerden. Dit sluit aan bij zowel de ernst van hun symptomen als bij bekende
bijwerkingen van dergelijke medicatie, zonder dat de oorzaak kon worden vastgesteld.
Deze bevindingen suggereren dat vrouwen in deze onderzoeksgroep gevoeliger waren voor
zeeziekte dan mannen, maar tonen geen duidelijk effect van de hormonale anticonceptie of
cyclusfasen op de ervaren klachten. De beperkte omvang van de subgroepen vraagt om
voorzichtigheid in de interpretatie. De resultaten benadrukken tegelijk de nood aan verder
onderzoek met grotere populaties en nauwkeurigere hormonale registratiemethoden, zodat de
relatie tussen hormonen en zeeziekte in de toekomst preciezer kan worden bepaald.
Meer lezen

Arbeidsongeschiktheid in Vlaamse gemeenten. Een kwalitatieve vergelijkende analyse

KU Leuven
2026
Rens
Vandenbussche
Het aantal langdurig arbeidsongeschikten in Vlaanderen is de afgelopen decennia sterk gestegen, maar deze stijging verliep niet gelijkmatig tussen gemeenten. Terwijl sommige gemeenten percentages langdurige arbeidsongeschiktheid boven de 11 procent kennen, blijven andere onder de 4 procent. Deze lokale verschillen suggereren dat gemeentelijke kenmerken een belangrijke rol spelen. Deze masterproef onderzoekt welke combinaties van sociaaleconomische, demografische en arbeidsmarktgerelateerde factoren samenhangen met een hoog of laag aandeel langdurig arbeidsongeschikten in Vlaamse gemeenten.

Om de onderzoeksvraag te beantwoorden werd gebruikgemaakt van Qualitative Comparative Analysis (QCA), meer specifiek crisp-set QCA. Deze methode laat toe om gemeenten te analyseren als configuraties van condities die samen leiden tot een bepaalde uitkomst. In totaal werden veertig Vlaamse gemeenten geselecteerd: de twintig gemeenten met de hoogste percentages langdurig arbeidsongeschikten en de twintig gemeenten met de laagste percentages.

De resultaten tonen aan dat langdurige arbeidsongeschiktheid niet verklaard kan worden door één afzonderlijke factor, maar het resultaat is van een complex samenspel tussen bevolkingskenmerken en arbeidsmarktstructuren. Gemeenten met hoge percentages langdurige arbeidsongeschiktheid worden vaker gekenmerkt door een sociaaleconomisch kwetsbare bevolking, een minder sterke arbeidsmarkt en arbeidsomstandigheden die het risico op uitval vergroten. Gemeenten met lage percentages langdurige arbeidsongeschiktheid vertonen daarentegen vaker gunstigere arbeidsomstandigheden en een bevolking met gemiddeld een sterkere sociaaleconomische positie.

De bevindingen onderstrepen dat langdurige arbeidsongeschiktheid een multidimensioneel en lokaal ingebed fenomeen is, waarbij verschillende condities elkaar versterken of compenseren. Deze studie biedt daardoor niet alleen inzicht in welke factoren relevant zijn, maar vooral in hoe specifieke combinaties van factoren leiden tot uiteenlopende gemeentelijke profielen.
Meer lezen

Een participatief actie-onderzoek naar inclusieve stadsvernieuwing en de integratie van de Comunidade do Pilar.

Universiteit Antwerpen
2026
Delphine
De Roy
Hoe kan een binnenstedelijke, gemarginaliseerde gemeenschap zoals de Comunidade do Pilar mee vormgeven aan inclusievere stadsvernieuwingsconcepten voor haar onmiddellijke en ruimere omgeving, en zo de noodzakelijke kennis ontwikkelen om haar recht op ruimtelijke inspraak beter te versterken en structureel te verankeren?
Meer lezen

EmbedLLM from legacy documents to embedded XR instructions: automatic context aware content generation to support manual task execution

Universiteit Hasselt
2026
Bram
Verstappen
This thesis addresses the cognitive friction associated with executing manual tasks using flat 2D documentation in spatial computing environments, where users must constantly shift attention between instructions, physical tools, and machinery. To solve this, we present EmbedLLM, the first automated, context-aware content reformatting framework that adapts both content design and presentation to the user’s environment and specific goal. EmbedLLM converts unstructured step-based PDF manuals into 3D spatially embedded instructions in Virtual Reality (VR). The system operates via a pipeline that abstracts the environment into a semantic scene graph, leverages a multi-stage Large Language Model (LLM) reasoning chain to construct step-based instruction nodes and semantic edges, and instantiates these panels using a novel, semantically aware force-directed 3D label placement algorithm to achieve spatial equilibrium and prevent visual clutter.
We evaluated EmbedLLM through a preliminary preference survey (n = 20) across diverse environments and a within-subjects user study (n = 12) comparing the framework to a traditional floating PDF window during 3D printer maintenance tasks. The preference survey showed that EmbedLLM achieves significantly higher environmental alignment than traditional baseline documents, with participants strongly favoring spatial orchestration for complex, structurally demanding procedures. However, the task execution study revealed a clear trade-off: active task support with EmbedLLM resulted in significantly longer completion times (996.93 s vs. 580.46 s) and increased cognitive load (3.00 vs. 2.31 on the NASA-TLX scale). Qualitative feed-back suggests these performance costs stem from the rigid sequential pacing of the generated interface and novices struggling with hardware terminology.
This work contributes the technical pipeline of EmbedLLM, a semantically enhanced physics layout algorithm, and empirical insights on context-aware XR instruction delivery. Future research directions include real-time situated action updates, user skill level adaptation, and integration with agentic GUI automation and text-to-3D models.
Meer lezen

Van abstracte data naar intuïtieve feedback: Het potentieel van Mixed Reality op de Meta Quest voor reanimatietraining binnen de geneeskunde.

HOGENT
2026
Dogukan
Uyanik
Traditionele reanimatietraining voor verpleegkundigen steunt vaak op externe 2D-interfaces voor feedback, wat leidt tot het split-attention effect. De hulpverlener moet hierbij de aandacht verdelen tussen de fysieke handeling op de reanimatiepop en een extern scherm, wat de cognitieve belasting verhoogt en de leercurve belemmert. Deze bachelorproef onderzoekt hoe Mixed Reality (MR) technologie dit proces kan optimaliseren door real-time, intuïtieve feedback direct in het gezichtsveld
van de gebruiker te projecteren. Het doel van dit onderzoek was de ontwikkeling van een Proof of Concept (PoC) op de Meta Quest 3, waarbij sensordata van een reanimatiepop in real-time wordt gevisualiseerd via een Unity-applicatie. Een significante technische barrière in dit proces was de gesloten aard van de beschikbare communicatieprotocollen. Hoewel de fabrikant eigen ecosystemen aanbiedt, ontbreekt een publiek toegankelijke en gedocumenteerde SDK die directe integratie met de Meta Quest 3 en de Unityomgeving mogelijk maakt. Daarnaast vormt de beperkte native ondersteuning voor Bluetooth Low Energy (BLE) binnen de standaard Unity-ontwikkelomgeving voor Android-gebaseerde headsets een extra hindernis.
Om dit probleem te overbruggen, is een diepgaand technisch onderzoek uitgevoerd
naar het communicatieprotocol van de pop. Door middel van reverse engineering
technieken waaronder het decompileren van officiële software en het analyseren van Bluetooth Low Energy (BLE) pakketjes via HCI snoop logs en Wireshark op een gerouteerd Android-toestel zijn de verborgen handshakes en datacharacteristics
ontcijferd. Het resultaat is een werkend prototype dat live sensordata (zoals compressiediepte en frequentie) vertaalt naar ruimtelijke visualisaties, waaronder een ghost avatar en een dynamisch reagerend hartmodel. De voorlopige resultaten van deze PoC tonen aan dat MR in staat is om de kloof tussen haptische ervaring en visuele feedback te dichten. Dit onderzoek legt hiermee de technische fundamenten voor een nieuwe generatie medische simulatietools die verpleegkundigen effectiever kunnen voorbereiden op kritieke levensreddende situaties.
Meer lezen

Crack op de kaart: een onderzoek naar de opmars van crackgebruik in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Universiteit Gent
2025
Sien
Roosens
De media rapporteert steeds vaker over een zogenoemde ‘crackepidemie’ in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarbij crackgebruik wordt voorgesteld als een snel groeiend en onbeheersbaar probleem. Deze berichtgeving roept echter vragen op over de werkelijke omvang van het fenomeen en over de mate waarin dit beeld overeenstemt met de realiteit. Deze masterproef heeft tot doel inzicht te bieden in de percepties van lokale stakeholders met betrekking tot de aard en omvang van crackgebruik in Brussel, evenals in de uitdagingen en oplossingsstrategieën die zij voorstellen.

De centrale onderzoeksvraag die deze studie aanstuurt luidt: In welke mate ervaren stakeholders een crackgerelateerd probleem in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en welke uitdagingen en interventiestrategieën stellen zij voor om dit aan te pakken? Er werd gekozen voor een kwalitatief onderzoeksdesign, bestaande uit een literatuurstudie en semigestructureerde interviews met negen stakeholders, waaronder hulpverleners, politie, gerechtelijke actoren, academici en lokale bewoners.

De resultaten tonen aan dat stakeholders de term ‘crackepidemie’ als overdreven en stigmatiserend beschouwen, hoewel zij wel een toename in zowel zichtbaarheid als gebruik erkennen. Crackgebruik wordt voornamelijk geassocieerd met sociaal-economisch kwetsbare groepen, zoals dakloze personen en mensen zonder wettig verblijf, en wordt gezien als een symptoom van onderliggende problemen zoals armoede, dakloosheid en een gebrek aan toegang tot gezondheidszorg. Hoewel repressie nog steeds de dominante beleidsreactie vormt, beschouwen de meeste respondenten deze aanpak als inefficiënt en schadelijk. In plaats daarvan pleiten zij voor een geïntegreerde benadering, met meer aandacht voor harm reduction (zoals begeleide druggebruikruimtes), verbeterde samenwerking tussen zorgdiensten en politie, en structurele investeringen in huisvesting en sociale ondersteuning.

Deze studie concludeert dat crackgebruik in Brussel niet effectief in isolatie kan worden aangepakt, maar een geïntegreerde respons vereist die onmiddellijke harm-reductioninitiatieven combineert met langetermijnstrategieën gericht op sociale uitsluiting. Zij beveelt aan dat beleidsmakers afstappen van overwegend repressieve strategieën en prioriteit geven aan evidence-based interventies die de onderliggende structurele determinanten van crackgebruik aanpakken.
Meer lezen

The Role of Coffee Cooperatives in the Socio-Economic Transition of Rebel Returnees in Sulu, Southern Philippines

Universiteit Gent
2025
Moh. Shanizee
Sarabi
Reintegrating former rebels into civilian life remains a major challenge in post-conflict societies, where sustainable livelihoods and social cohesion are essential for long-term peace. The Philippines is one of the most conflict-affected countries in the world, sharing the 29th spot with Afghanistan and ranks second in ASEAN after Myanmar. The Bangsamoro Autonomous Region in Muslim Mindanao (BARMM) in the southern Philippines has been particularly affected by decades of armed conflict and
institutional weaknesses, notably in provinces such as Sulu. In response, the Philippine government is promoting the integration of returnees into coffee cooperatives as part of its peace and reintegration strategy. Despite persistent volatility, the BARMM, particularly Sulu province, has emerged as one of the country’s leading coffee-producing regions contributing over a quarter of national production and providing a strategic pathway to economic recovery. It is therefore crucial to understand how these cooperatives contribute to both livelihoods and social reintegration. This study examines how membership in a coffee cooperative is associated to the socio-economic transition of rebel returnees in Sulu. Based on the Disarmament, Demobilization, and Reintegration (DDR) framework and social capital theory, a comparative cross-sectional design with survey data from 101 returnees was used. Through regression analysis and structural equation modelling, we show that membership in a cooperative is associated with higher productivity, financial stability, and stronger social capital, even if infrastructural challenges, conflict vulnerabilities, governance, and market difficulties persist. The study demonstrates how locally rooted cooperatives can transform conflict legacies into peace dividends that foster economic gains, social cohesion, and inclusive development. These findings highlight the potential of cooperatives as a pathway for durable socio-economic transitions in fragile contexts. Moreover, the study underscores the importance of targeted support, capacity building, and improved market access to enable returnee cooperatives to fully realize their role in promoting sustainable livelihoods, facilitating social reintegration, and contributing to lasting peace.
Meer lezen

Nieuw kapitalisme: Juridische middelen om kapitaal te sturen naar ESG bedrijven

Vrije Universiteit Brussel
2025
Sara
Faes
Genomineerde shortlist NBN Sustainability Award
Mijn masterproef omvat een onderzoek naar welke ESG criteria reeds zijn opgenomen in de Belgische Corporate Governance Code en hoe deze laatste kan worden verbeterd opdat ESG de nieuwe bedrijfsfilosofie wordt.
Meer lezen

Knowledge clips assisted instructions during English lessons

Odisee Hogeschool
2025
Tine
Vercauteren
Genomineerde longlist Klasseprijs
Deze bachelorproef onderzoekt het gebruik van kennisclips als didactisch hulpmiddel in het tweede jaar Engels (eerste graad, A-stroom) ter ondersteuning van het leren van grammatica. De studie is gebaseerd op de theorie van multimedia learning, die het gecombineerde gebruik van gesproken uitleg en visuele elementen benadrukt om het leerproces te versterken. Het onderzoek gaat na of kennisclips kunnen bijdragen aan een beter begrip en een verbeterde retentie van complexe grammaticale onderwerpen bij leerlingen. Op basis van de ontwerprichtlijnen uit de theorie van multimedia learning werd een checklist ontwikkeld om het ontwerp en de integratie van kennisclips in het lesonderdeel te ondersteunen. De resultaten tonen aan dat kennisclips grammatica lessen efficiënt kunnen ondersteunen, als ze goed ontworpen zijn, de checklist volgen en worden geïntegreerd in lessen met Generative Activities onder begeleiding van de leerkracht. Hoewel het onderzoek een beperkte reikwijdte heeft, suggereren de bevindingen dat een kennisclip-ondersteunde instructie ook toepasbaar en waardevol kan zijn in andere leerjaren en vakken binnen het secundair onderwijs, en zo een hulpmiddel biedt waarmee leerkrachten hun lespraktijk kunnen versterken.
Meer lezen

Probabilistic geotechnical calculations of dikes

Universiteit Gent
2025
Thibo
Verstrynge
Traditionele geotechnische ontwerpmethoden in België zijn in hoofdzaak gebaseerd op deterministische of semi-probabilistische benaderingen. Deze leiden vaak tot conservatieve schattingen die de inherente variabiliteit van het bodemgedrag slechts beperkt weerspiegelen. In deze thesis wordt de praktische toepassing van volledig probabilistische geotechnische berekeningen onderzocht, met specifieke aandacht voor het voorspellen van dijkzettingen.

Het onderzoek richt zich op het project voor dijkversterking te Groot Schoor (Bornem), dat deel uitmaakt van het bredere Vlaamse Sigmaplan voor waterveiligheid. Hierbij wordt uitgebreide veld- en laboratoriumdata geïntegreerd met geavanceerde probabilistische methoden.

Een omvattende methodologie wordt ontwikkeld, waarin PLAXIS 2D eindige-elementenmodellering wordt gecombineerd met Python-gebaseerde automatisering en probabilistische berekeningen. Via een sensitiviteitsanalyse worden de belangrijkste bodemparameters geïdentificeerd en gemodelleerd als stochastische variabelen, gebaseerd op kansverdelingen afgeleid uit CPT(u)-gegevens en laboratoriumproeven. Latin hypercube sampling wordt toegepast om representatieve inputsets te genereren, terwijl een response-surface model, getraind op een beperkt aantal PLAXIS-simulaties, een grootschalige probabilistische analyse mogelijk maakt. Bayesian updating, geïmplementeerd via de Markov Chain Monte Carlo-methode, verfijnt de probabilistische voorspellingen door de integratie van werkelijke zettingsmetingen uit de monitorcampagne.

De resultaten tonen aan dat probabilistische methoden niet alleen de variabiliteit en onzekerheid van zettingsgedrag accurater weergeven dan deterministische benaderingen, maar tevens waardevolle inzichten verschaffen in parametersensitiviteit en modelrobuustheid. Deze studie bevestigt de haalbaarheid en de voordelen van het structureel integreren van probabilistische technieken in geotechnisch ontwerp, wat de weg opent naar betrouwbaardere en kostenefficiëntere infrastructuurontwikkeling, evenals data-gestuurde besluitvorming.
Meer lezen

Oplossingsstrategieën voor het nieuwe demarcatieprobleem: een integratie van Resnik & Elliotts axiologische strategie met Wagners systemische strategie

Universiteit Gent
2025
Jan
Baecke
Niet-epistemische waarden spelen een onvermijdelijke rol bij alle fases van wetenschappelijk onderzoek. Hoe kunnen we legitieme waarde-invloeden onderscheiden van illegitieme? Ik stel een integratie voor van twee reeds bestaande strategieën in de literatuur: de axiologische strategie van David Resnik en Kevin Elliott (2023), en de systemische strategie van Wendy Wagner (2022). Beide strategieën kunnen elkaar in belangrijke mate aanvullen door elkaars individuele tekortkomingen wederzijds op te vangen en weg te werken. Zo zorgt Wagner er institutioneel voor dat de verschillende belangengroepen fysiek rond de discussietafel geraken, maar Resnik en Elliott helpen vervolgens om de “agenda” op te stellen van wat daar inhoudelijk
besproken moet worden indien we de onvermijdelijke waarde-invloeden in wetenschappelijk onderzoek kritisch voor het voetlicht willen brengen.
Meer lezen

Evaluating the Impact of Environmental Award Criteria in EU Construction Public Procurement: Assessing the Alignment of GPP with the Principles of Non-Discrimination and Competition

Universiteit Hasselt
2025
Lucas
Ricour
Deze masterproef onderzoekt hoe milieucriteria in publieke aanbestedingen de werking van de bouwmarkt binnen de Europese Unie beïnvloeden. Sinds de invoering van de Europese aanbestedingsrichtlijn van 2014 kunnen overheden bouwprojecten niet alleen op prijs, maar ook op duurzaamheid selecteren. Dat klinkt positief, maar de vraag is of dit systeem wel samenvalt met de Europese principes van eerlijke concurrentie en non-discriminatie.

Met behulp van gegevens uit de Europese aanbestedingsdatabank Tenders Electronic Daily (TED) analyseerde het onderzoek duizenden bouwopdrachten tussen 2012 en 2023. Daaruit blijkt dat wanneer milieueisen worden toegevoegd, het aantal inschrijvingen gemiddeld met 15 tot 24 procent daalt. Met andere woorden: minder bedrijven wagen zich aan zo’n “groene” aanbesteding. Daarnaast blijken projecten met milieueisen vaak duurder te zijn, gemiddeld 5 tot 17 procent, afhankelijk van hoe consequent de criteria worden toegepast.

De resultaten tonen aan dat duurzaamheidcriteria, hoewel goed bedoeld, onbedoeld de concurrentie binnen de Europese bouwsector kunnen beperken. De studie roept daarom op om de Europese regels rond groene aanbestedingen te herzien, zodat ecologische doelstellingen beter worden afgestemd op de basisprincipes van een eerlijke en open markt.
Meer lezen

Lesgeven in een andere taal CLIL in het Vlaams secundair onderwijs

AP Hogeschool Antwerpen
2025
Lien
Fack
  • Anne
    Vermeulen
Onze bachelorproef “Lesgeven in een andere taal – CLIL in het Vlaams secundair onderwijs” onderzoekt hoe CLIL (Content and Language Integrated Learning) vandaag in Vlaanderen wordt toegepast en welke factoren bijdragen tot kwaliteitsvol meertalig onderwijs.

We combineerden literatuuronderzoek met veldwerk in drie secundaire scholen (Brugge, Ekeren en Zottegem). Via observaties van zeven CLIL-lessen, een interview met een CLIL-leerkracht en een analyse van 149 schoolwebsites brachten we de sterktes, knelpunten en kansen van CLIL in kaart.

De resultaten tonen dat leerkrachten de doeltaal (meestal Engels) consequent gebruiken en leerlingen actief betrekken bij vaktaalverwerving. Tegelijk blijft samenwerking tussen leerlingen beperkt en worden taal- en inhoudsdoelen zelden expliciet gekoppeld. Ook de zichtbaarheid van CLIL op schoolwebsites is vaak laag.

Op basis van deze bevindingen formuleerden we tien aanbevelingen om CLIL verder te versterken. Ze richten zich tot scholen, lerarenopleidingen en beleid, en leggen nadruk op structurele samenwerking, professionalisering en de integratie van thuistalen.

Ons onderzoek bevestigt dat CLIL niet enkel taalvaardigheid bevordert, maar ook inclusie, motivatie en toekomstgerichte competenties versterkt.
Meer lezen

Child Rights Lanka

Hogeschool UCLL
2025
Sofie
Voets
In Sri Lanka groeien veel jongeren op zonder kennis van hun kinderrechten. Tijdens een stage bij Child Action Lanka (CAL), een organisatie die zich richt op het ondersteunen van kwetsbare en straat-gerelateerde jongeren, leidde die vaststelling tot een onderzoek naar hoe een duurzame kinderrechtencultuur kan ontstaan in hun afterschool. Op basis van de Zelfdeterminatietheorie en gesprekken met jongeren, leerkrachten en een lokale onderwijsexpert werd een 8-stappenplan ontwikkeld dat veiligheid, verbondenheid en motivatie centraal stelt. Zo kunnen jongeren hun rechten niet enkel leren, maar ook beleven. Echte verandering begint bij een veilige basis, waar elk kind zich gezien en gehoord voelt, iets wat een kinderrechtencultuur op een duurzame en effectieve manier kan bieden.
Meer lezen

Social acceptance of eVTOL UAM drone: characterization of background noise

Vrije Universiteit Brussel
2025
Evy
Heymans
  • Brent
    Van Ginderdeuren
De opkomst van elektrische Vertical Take-Off and Landing (eVTOL) vliegtuigen roept vragen op over hun akoestische integratie in dichtbevolkte stedelijke omgevingen. Een belangrijke uitdaging is te onderzoeken in hoeverre het karakteristieke tonale geluid van eVTOL’s wegvalt in of juist afsteekt tegen de stedelijke achtergrond. Deze masterproef behandelt deze problematiek aan de hand van de centrale onderzoeksvraag: “Hoe kan een goedkoop en autonoom akoestisch meetsysteem worden ontworpen, gebouwd en gekalibreerd om op betrouwbare wijze stedelijke achtergrondgeluiden vast te leggen en de akoestische impact van eVTOL-vliegtuigen te evalueren?

Om deze vraag te beantwoorden werd een goedkoop, autonoom meetsysteem ontwikkeld en gevalideerd voor langdurige geluidsmonitoring in stedelijke context. Het prototype combineert een MEMS-microfoon, een Raspberry Pi met data-acquisitiesysteem, 4G-connectiviteit en een op zonne-energie gebaseerde energievoorziening in een robuuste configuratie die buitenshuis kan
functioneren met minimale interventie. Kalibratie tegen een referentiemicrofoon beperkte het betrouwbare frequentiebereik tot 500–3000 Hz. Binnen dit bereik registreerde een eerste meting op de VUB-campus stedelijke geluidsdrukniveaus tussen 42 en 57 dB SPL. De metingen tonen zowel geleidelijke variaties als kortstondige pieken, vermoedelijk veroorzaakt door verkeersintensivering en sirenes van hulpdiensten. Daarnaast werden tonale componenten waargenomen, met name rond 1 kHz en 2 kHz. Dit illustreert de capaciteit van het systeem om smalbandige kenmerken in het geluidslandschap te detecteren. Een vergelijking met numerieke voorspellingen van eVTOL-rotorgeluid suggereert dat tonale pieken het stedelijke achtergrondniveau met meer dan 10 dB kunnen overstijgen direct onder het toestel, terwijl waarnemers opzij deels maskering kunnen ervaren. Deze eerste resultaten tonen aan dat het ontwikkelde systeem een veelbelovend en betaalbaar proof-of-concept vormt voor de evaluatie van de akoestische voetafdruk van eVTOL’s in stedelijke context. Verdere metingen zijn echter noodzakelijk om de betrouwbaarheid en robuustheid volledig te onderbouwen.
Meer lezen

BURN-OUT BIJ VROEDVROUWEN IN HET ZIEKENHUIS Impact op de kwaliteit van de zorg, preventie en re-integratie

Arteveldehogeschool Gent
2025
Camille
Hendrickx
Burn-out onder vroedvrouwen in ziekenhuizen vormt een groeiend probleem dat niet alleen het welzijn van de zorgverleners bedreigt, maar ook de kwaliteit van de verstrekte zorg significant vermindert. Deze bachelorproef onderzoekt de impact van burn-out op vroedvrouwen en de directe en indirecte gevolgen voor de patiëntenzorg. Centraal staat de vraag: Welke maatregelen kunnen de impact van burn-out bij vroedvrouwen op de kwaliteit van de zorg verkleinen? Door een uitgebreide literatuurstudie en analyse van bestaande preventie- en re-integratiestrategieën wordt een overzicht geboden van effectieve interventies op micro-, meso- en macroniveau. Daarnaast wordt een preventiebrochure ontwikkeld, gericht op vroedvrouwen en hun leidinggevenden, met praktische tips voor vroegtijdige herkenning en zelfzorg. Uit de bevindingen blijkt dat factoren zoals werkdruk, emotionele belasting en persoonlijke kenmerken bijdragen aan de ontwikkeling van burn-out. Daarnaast worden de negatieve gevolgen voor de zorgkwaliteit benadrukt, waaronder verminderde empathie, toename in fouten en een hogere intentie om het beroep te verlaten. Het belang van preventieve maatregelen en ondersteuning is evident om de veerkracht van vroedvrouwen te versterken en de zorgstandaard te waarborgen. Concluderend onderstrepen de resultaten dat een holistische aanpak, gericht op zowel preventie als re-integratie, essentieel is om burn-out te voorkomen en de continuïteit en kwaliteit van de verloskundige zorg te garanderen.
Meer lezen

Een vergeten zijde van de Verlichting? Een kritische analyse van het beeld van de Verlichting in Vlaamse geschiedenishandboeken

Universiteit Gent
2025
Natan
Maes
Deze masterproef onderzoekt in hoeverre recente historiografische en filosofische nuances over de Verlichting weerspiegeld worden in het Vlaamse geschiedenisonderwijs. In de academische literatuur wordt de Verlichting steeds minder als een homogeen en eenduidig fenomeen beschouwd, en er is toenemende aandacht voor de interne spanningen, contradicties en exclusieve aspecten binnen deze intellectuele stroming. Dit onderzoek analyseert of en hoe deze kritische perspectieven doordringen in de onderwijspraktijk, met specifieke aandacht voor de manier waarop verlichtingsdenkers en hun ideeën worden gepresenteerd in geschiedenishandboeken. Finaal betoogt dit onderzoek dat de incorporatie van een genuanceerd narratief over de Verlichting pedagogische voordelen met zich meebrengt inzake het bereiken en behandelen van de eindtermen van de sleutelcompetentie historisch bewustzijn.

De studie combineert een literatuuronderzoek met een handboekanalyse. Vier veelgebruikte Vlaamse geschiedenishandboeken werden geanalyseerd op hun benadering van de Verlichting, nl. de mate waarin zij aandacht besteden aan de diversiteit binnen de beweging en de integratie van recente historiografische inzichten. De resultaten tonen aan dat de handboeken nog grotendeels vasthouden aan een klassiek en lineair vooruitgangsnarratief. Hoewel sommige handboeken, zoals Sapiens, pogingen doen om een kritische en multiperspectivistische benadering te hanteren, blijft de uitwerking hiervan vaak beperkt. Andere handboeken presenteren de Verlichting voornamelijk als een eenduidig succesverhaal zonder diepgaande reflectie op haar interne spanningen en beperkingen.

Deze bevindingen wijzen op het potentieel voor verdere didactische ontwikkeling die een kritische en genuanceerde benadering van de Verlichting binnen het geschiedenisonderwijs bevordert, met duidelijke pedagogische voordelen als resultaat. De studie onderstreept het belang van een lespraktijk die niet alleen oog heeft voor de emancipatorische idealen van de Verlichting, maar ook ruimte maakt voor de schaduwzijden en historiografische discussies. Zo kunnen leerlingen een genuanceerd en historisch onderbouwd beeld ontwikkelen, wat tegelijkertijd bijdraagt aan een rijkere leerervaring en het behalen van de eindtermen.
Meer lezen

MAG DE LEERLING OOK CREËREN? EEN BLIK OP KUNST EN CREATIVITEIT IN HET SECUNDAIR ONDERWIJS: DE IMPLEMENTATIE VAN MINIMUMDOEL 16.04.

Universiteit Gent
2025
Magali
Du Four
Wat als kunst op school even vanzelfsprekend was als wiskunde of sport? In deze masterproef onderzoek ik hoe creativiteit vandaag een plek krijgt in de derde graad van het secundair onderwijs. Het resultaat is een pleidooi voor meer verbeelding tussen de schoolmuren. Want creatief leren is ook leren over het leven.

Kunst en cultuur spelen een essentiële rol in de persoonlijke en intellectuele ontwikkeling van jongeren. Toch worden kunstvakken in het secundair onderwijs vaak gemarginaliseerd, zo ook binnen de doorstroomrichtingen. De invoering van de nieuwe eindtermen had de ambitie om de rol van kunstvakken te versterken, onder andere door een bredere integratie van artistieke vorming binnen het curriculum. Of deze ambitie in de praktijk is waargemaakt, blijft de vraag.

In deze masterproef wil ik onderzoeken hoe sleutelcompetentie 16 – cultureel bewustzijn en expressie – concreet wordt ingevuld in de derde graad van het doorstroomonderwijs in Gentse katholieke scholen. De focus ligt specifiek op het minimumdoel 16.04: "De leerlingen doorlopen een artistiek-creatief proces vanuit verbeelding". Dit onderzoek kadert binnen bredere discussies over de plaats van kunstvakken in het onderwijs en de mate waarin ze bijdragen aan de algemene vorming van leerlingen. Met dit onderzoek wil ik specifiek nagaan in hoeverre en hoe het artistiek-creatieve aspect aan bod komt in de derde graad van het algemeen leerplichtonderwijs.


Meer lezen

Hoe kan je als leerkracht outdoor educatie integreren in het secundair onderwijs?

Hogeschool VIVES
2025
Steen
Luca
Dit onderzoek richt zich op hoe leerkrachten in het secundair onderwijs outdoor educatie kunnen
integreren. Via een literatuurstudie wordt onderzocht wat outdoor educatie inhoudt, welke
voordelen en nadelen eraan verbonden zijn. We bekijken ook hoe Noorwegen, een land met een
sterke reputatie rond outdoor educatie, hiermee omgaat.
Daarnaast werd er een enquête afgenomen bij leerkrachten uit het secundair onderwijs in België.
Daarbij werd gepeild naar hun ervaring met outdoor educatie, de drempels die zij ervaren en wat
hen zou kunnen ondersteunen. Uit de resultaten blijkt dat outdoor educatie bijdraagt aan de
cognitieve, fysieke en mentale ontwikkeling van leerlingen en vaardigheden zoals plannen,
communiceren en verantwoordelijkheid nemen. Toch ervaren leerkrachten obstakels zoals
tijdsgebrek, beperkte infrastructuur en een gebrek aan ervaring. Investeren in een groene
leeromgeving en praktische voorbeelden aanbieden kunnen helpen om deze drempels te verlagen.
Integratie begint bij durven: door te experimenteren, te leren door te doen en naar buiten te gaan.
Meer lezen

De rol van schuldinzicht, berouw en spijtbetuigingen in het kader van de verslaggeving van de psychosociale dienst van de gevangenis

Universiteit Antwerpen
2025
Claudie
Van Opstal
In deze meesterproef zal aan de hand van een combinatie van klassiek juridisch en empirisch onderzoek onderzocht worden welke rol schuldinzicht, berouw en spijtbetuigingen in de verslaggeving van de psychosociale dienst (PSD) van de gevangenis spelen.

Beslissingnemers inzake de straftenuitvoerlegging zoals de strafuitvoeringsrechter (SUR), de strafuitvoeringsrechtbank (SURB) en de (vertegenwoordiger van de) minister van Justitie, in het bijzonder de centrale gevangenisadministratie sectie externe rechtspositie van de Directie Detentiebeheer (DDB) hebben grote vrijheid bij het nemen van beslissingen over de toekenning van strafuitvoeringsmodaliteiten.

Aan de veroordeelde kunnen verschillende strafuitvoeringsmodaliteiten worden toegekend voor zover er in hoofde van deze veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan niet tegemoet kan worden gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Deze tegenaanwijzingen hebben onder andere betrekking op het gevaar dat de veroordeelde het slachtoffer zou lastigvallen, een manifest risico voor de fysieke integriteit van derden, het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten, de houding van de veroordeelde ten aanzien van de slachtoffers, enzovoort.

Bij de inschatting van deze tegenindicaties kan de ingesteldheid van de veroordeelde tegenover de feiten en het slachtoffer en meer specifiek de aan- of afwezigheid van schuldinzicht, berouw en spijtbetuigingen in hoofde van de veroordeelde een relevante factor zijn.

Om te kunnen beoordelen of deze tegenaanwijzingen al dan niet aanwezig zijn, dienen de beslissingnemers aldus een goed beeld te hebben over de persoon van de veroordeelde. Daarom voorziet de Wet externe rechtspositie (WER) een verplicht advies van de gevangenisdirecteur met betrekking tot de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit. Voor de opmaak van zijn advies zal de gevangenisdirecteur zich laten inspireren door het verslag van de PSD, een orgaan dat deel uitmaakt van het Directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen (DGEPI) en een lokale vestiging heeft in iedere strafinrichting.

De kerntaak van de PSD bestaat er immers in advies te verlenen over de toekenning van een bepaalde strafuitvoeringsmodaliteit in het kader van de uitvoering van een vrijheidsberovende straf. In het PSD-verslag wordt daarom aan de hand van de criminogene domeinen of een formele risicotaxatie een inschatting van de mogelijke risico’s gemaakt. Deze inschatting dient om vervolgens de tegenindicaties te kunnen beoordelen en een advies over de toekenning van de gevorderde modaliteit te kunnen opstellen.

De verslagen van de PSD blijken in de praktijk een belangrijke rol te hebben bij de besluitvorming over de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit. Ondanks het grote belang van de PSD-verslagen is er nauwelijks informatie over het PSD-verslag beschikbaar. Het is immers onduidelijk of de PSD met schuldinzicht, berouw en spijtbetuigingen rekening houdt, hoe zij deze begrippen invult, hoe zij de aanwezigheid en oprechtheid ervan beoordeelt, waar deze begrippen in het PSD-verslag aan bod kunnen komen alsook welke impact schuldinzicht, berouw en spijtbetuigingen op het uiteindelijke advies hebben. Het doel van het onderzoek is dan ook om hierover meer inzicht te vergaren.
Meer lezen

Een grote wereld aan een kleine universiteit. Buitenlandse studenten aan de Katholieke Universiteit Leuven, 1900 – 1968

KU Leuven
2025
Alexe
Heleu
Deze thesis onderzoekt hoe de internationalisering van de KU Leuven zich heeft ontwikkeld tussen 1900 en 1968. Het doel is om een antwoord te bieden op de vraag: In welke mate ontwikkelde de KU Leuven zich tot ‘internationale’ universiteit? Daarvoor analyseer ik enerzijds het relatieve aantal internationale inschrijvingen en de diversiteit. Anderzijds besteedt de thesis aandacht aan het beleid en het imago van de KU Leuven. Een breed onderzoek, over een langere periode, naar studentenmobiliteit vanuit het oogpunt van een Belgische universiteit vormt een lacune in de bestaande academische historiografie. Daarnaast combineert het onderzoek kwantitatieve en kwalitatieve bronnen om de internationaliseringsgraad van de universiteit te bepalen. Voor het kwantitatieve aspect digitaliseerde ik de inschrijvingsgegevens, afkomstig uit de Jaarboeken van de KU Leuven, in een databank. Daarnaast analyseerde ik correspondenties, rapporten en artikelen, uit de Archieven van voormalige rectoren Ladeuze en Van Waeyenbergh, om het kwalitatieve aspect vorm te geven. Het eerste hoofdstuk analyseert de evolutie van de inschrijvingen van buitenlandse studenten aan de KU Leuven om zo het ‘internationale’ karakter te bepalen. Daaruit bleek dat de aantallen relatief beperkt bleven, maar dat de afkomst van de studenten enorm divers was, zeker na de Tweede Wereldoorlog. Daarna onderzocht ik aan de hand van correspondenties en rapporten hoe de KU Leuven en de rectoren hun beleid voerden ten opzichte van internationale studenten: de rectoren gebruikten de vernieling van de oorlogen als uitgangsbord om de Leuvense universiteit opnieuw te doen groeien. Ze deden dit door het beeld van de KU Leuven als een werelduniversiteit te propageren. Daarnaast gebruikten ze het katholieke karakter als bindmiddel. Tot slot ondersteunden ze opkomende organisaties om internationale studenten te helpen in Leuven. In het derde hoofdstuk ligt de nadruk op de individuele levensbelevingen van studenten. De analyse toont aan dat het eeuwenoude imago van de KU Leuven, haar katholieke karakter en culturele netwerken met de universiteit een positieve invloed hadden op de motivaties van studenten. Daarentegen vormden complexe, administratieve procedures en integratieproblemen struikelblokken. Het Frans, het financiële aspect en de geopolitieke situaties waren dubbelzinnige factoren, die zowel bevorderend als belemmerend werkten. Uit de analyse volgde dat Leuven zich in de vroege twintigste eeuw al ontwikkelde tot een internationale universiteit. Ze gebruikte de internationalisering in eerste instantie als een strategisch middel voor de wederopbouw na de oorlogen, maar geleidelijk aan evolueerde het naar een institutionele prioriteit. In de periode 1900 – 1968 legde ze de fundamenten voor een explosieve toename van internationale inschrijvingen vanaf 1970. Het ‘internationale’ karakter van de universiteit kwam dus naar voren dankzij een diverse studentengroep en was niet enkel afhankelijk van het aantal inschrijvingen.
Meer lezen

High-Throughput CCSDS Baseband Modem with GPU Support for Satellite SDR Modem Application

KU Leuven
2025
Tijn
De Wever
Satellietcommunicatiesystemen hebben af te rekenen met verschillende vormen van interferentie en vereisen robuuste communicatiemethoden om betrouwbare dataoverdracht te kunnen garanderen. Dit leidt tot extra complexiteit bij zowel de zender als de ontvanger, die hiervoor vaak specifieke hardware nodig hebben om rekenintensieve bewerkingen uit te voeren. Software-defined radio (SDR) modems vormen een software-gebaseerde alternatief dat meer flexibiliteit biedt. Het nadeel is echter dat ze doorgaans minder goed presteren.

Deze thesis onderzoekt of een graphics processing unit (GPU) ingezet kan worden om een snellere dataverwerking toe te laten in een SDR-modem, met als doel de prestaties aanzienlijk te verbeteren. De focus ligt hierbij op een suppressed carrier demodulator, een veelgebruikte maar rekenintensieve stap binnen SDR-ontvangers.

Er werd uitgebreid onderzoek gedaan naar de werking van de suppressed carrier demodulator, een belangrijke stap bij het optimaliseren ervan. Daarnaast werd de GPU-technologie bestudeerd, met aandacht voor architectuur, geheugenhiërarchie, programmeermodellen en de selectie van een geschikte GPU-kaart. SYCL werd gekozen als programmeermodel vanwege zijn flexibiliteit, platformonafhankelijkheid en ontwikkeld ecosysteem.

De bestaande demodulator werd geanalyseerd om knelpunten en kritische componenten in kaart te brengen. Op basis daarvan zijn twee parallellisatiestrategieën voorgesteld, elk met een verschillend niveau van parallelisme. Voor één van deze strategieën werd een proof of concept ontwikkeld, waarbij vier belangrijke componenten van de demodulator werden geparallelliseerd. Aan de hand van testbenches werden deze componenten afzonderlijk geëvalueerd. Hierbij werd het potentieel van GPU-parallellisatie duidelijk aangetoond, met snelheidsverbeteringen tot 12,5 keer onder de typische werkomstandigheden van de demodulator. Tijdens de integratie in de demodulator werd echter een onverwachte overhead vastgesteld, wat de prestaties negatief beïnvloedde. Door deze te compenseren werd de snelheidslimiet van 8 Msym/s op 11 Msym/s gebracht, wat overeenkomt met een versnelling van 37,5%.

Ondanks de beperkte prestatiewinst bij de integratie, toonden de afzonderlijke componenten aan dat door GPU-parallellisatie aanzienlijke datasnelheden behaald kunnen worden. De aparte componenten zijn momenteel al in staat tot deze hogere prestaties, maar worden beperkt door de architectuur van de demodulator. Deze studie vormt daarmee een stevige basis voor verdere ontwikkeling, waarbij het upgraden van dit proof of concept naar de tweede parallellisatiestrategie aanbevolen wordt om het volledig potentieel van de GPU te benutten.
Meer lezen

Meer dan marktwaarde: strategisch grondbeleid als hefboom voor sociale huisvesting in Gent

Universiteit Gent
2025
Annelien
Nevens
Deze masterproef onderzoekt hoe Gent haar sociale huisvesting kan versterken via actief grondbeleid. Centraal staan twee actieve grondbeleidstrategieën: het voorkooprecht en land value capture. Via een mix van theoretische analyses, interviews en casestudies van kleinschalige projecten en grootschalige ontwikkelingen wordt onderzocht hoe deze strategieën sociale woningen opleveren en bijdragen aan architecturale, ruimtelijke en sociale kwaliteit.

De thesis toont dat actief grondbeleid een hefboom vormt voor sociale huisvesting in Gent, maar dat de slagkracht beperkt blijft door het ontbreken van een overkoepelende strategie en een beperkte institutionele inbedding. Het voorkooprecht ondersteunt kleinschalige, kwalitatief sterke projecten, terwijl land value capture sociale woningen integreert in grootschalige projecten. Beide instrumenten dragen bij aan een evenwichtige spreiding van sociale woningen en versterken de integratie, kwaliteit en leefbaarheid van het stadsweefsel.
Meer lezen

Event-Based Neural Network for Embedded Deployment: Representation-Model Co-Design and Event-Data Acquisition System

KU Leuven
2025
Enmin
Lin
Diepgaand leren heeft het visueel waarnemingsvermogen bij autonoom rijden aanzienlijk verbeterd, maar conventionele camera's blijven beperkt door bewegingsonscherpte, een beperkt dynamisch bereik en hoge latentie. Gebeurteniscamera's, geïnspireerd door biologische visie, overwinnen deze beperkingen door asynchroon veranderingen in pixelhelderheid te detecteren. Dit mechanisme levert datastromen die schaars, temporeel nauwkeurig en zeer efficiënt zijn voor embedded toepassingen. De inherente schaarste en het gebrek aan intensiteitsinformatie in gebeurtenisgegevens bemoeilijken echter het extraheren van onderscheidende kenmerken en vormen uitdagingen voor de training van neurale netwerken. Daarnaast lijden gangbare datasets zoals CIFAR10-DVS aan een niet-uniforme verdeling van gebeurtenissen door het gebruik van lineaire of polygonaal gevormde bewegingstrajecten tijdens de opname, wat leidt tot periodieke artefacten.
Om deze beperkingen te overwinnen, evalueert dit proefschrift systematisch gebeurtenisrepresentaties—waaronder gestapelde afbeeldingen, voxelrasters en tijdoppervlakken—met standaard CNNs om optimale architecturen voor embedded implementatie te identificeren. Door gebruik te maken van transfer learning met vooraf getrainde ImageNet-modellen wordt de nauwkeurigheid onder beperkte dataomstandigheden aanzienlijk verbeterd. Experimentele resultaten tonen aan dat volledige fine-tuning van het hele netwerk noodzakelijk is om zich aan te passen aan de unieke eigenschappen van gebeurtenisgebaseerde gegevens. Het voorgestelde model integreert dropout, L2-regularisatie en een meerfasig leersnelheidsschema om de trainingsstabiliteit en generalisatie te bevorderen. Met deze co-designbenadering behaalt EfficientNetB0 een nauwkeurigheid van 81,05% op CIFAR10-DVS bij verwerking van gebeurtenissen binnen één temporeel venster.
Voor implementatie identificeert inspectie met het Xilinx Vitis Al-platform TensorFlow's MobileNetV2 als de optimale keuze dankzij volledige compatibiliteit met DPU-hardwareversnellers. Hoewel post-training pruning op basis van globale kanaalrangschikking is onderzocht, is de effectiviteit beperkt door het inherent gebrek aan redundantie in het model. Daarentegen compenseert quantization-aware training (QAT) succesvol het nauwkeurigheidsverlies tijdens INT8-kwantisatie, waarmee real-time prestaties (2,8 ms/frame) bij een ultralaag energieverbruik (1,77 mW) worden bereikt op het KV260 embedded platform.
Gemotiveerd door de beperkingen van bestaande datasets wordt een nieuw acquisitieplatform voorgesteld, waarbij gebruik wordt gemaakt van een Dobot-robotarm voor continue cirkelvormige beweging geïnspireerd op biologische oogbewegingen. Deze methode genereert uniforme gebeurtenisverdelingen en elimineert periodieke artefacten die aanwezig waren in eerdere datasets, wat robuustere training en evaluatie van neurale netwerken op gebeurtenisgegevens ondersteunt.
Meer lezen

Silent Spread: Using a digital serious game on Phytophthora cinnamomi to facilitate cognitive thinking processes and inspire the creation of a cognitive sustainability compass

Universiteit Gent
2025
Charl Justine
Darapisa
Deze studie onderzoekt het gebruik van serious games in het bevorderen van kennisverwerving over Phytophthora cinnamomi (Pc), een invasieve bodemaandoening die het Mediterrane eikecosysteem in Spanje bedreigt. Gebaseerd op de cognitieve taxonomie van Bloom heeft het onderzoek als doel te evalueren welke specifieke spelelementen (trivia, quiz, spelbeheer en spelsituaties) de vijf cognitieve denkprocessen ondersteunen, en of serious games kunnen dienen als effectieve hulpmiddelen om via de Cognitive Sustainability Compass reflectie over duurzaamheid te stimuleren.

Silent Spread, een digitaal bordspel, werd ontwikkeld en gespeeld door 35 studenten op universitair niveau. De PLS-SEM-analyse toont aan dat Silent Spread middelhoge tot hogere denkvaardigheden bevordert, waarbij analyseren de sterkste rol speelt in het aanleren van verspreidingsmechanismen.

De sessies met de Cognitive Sustainability Compass tonen aan dat vooral de sociale pijler van duurzaamheid werd benadrukt, met thema’s als samenwerkend leren en een sterkere verbondenheid met rurale realiteiten. De studie onderstreept dat serious games vooral het toepassen van kennis stimuleren in plaats van enkel het onthouden van feiten. Daarom moet toekomstig onderzoek nagaan hoe deze spellen het leren binnen én buiten de virtuele omgeving kunnen versterken. Daarnaast stelt de studie het hiërarchisch model van Bloom in vraag en benadrukt ze dat de 21e eeuw nood heeft aan vaardigheden zoals samenwerking, probleemoplossend denken en systeemdenken, die spelers met succes hebben aangetoond.
Meer lezen

Towards a circular turn in heritage. Spolia, a bridge between past and present in Brussels' and Flemish contemporary preservation practices.

Vrije Universiteit Brussel
2025
Judith
Cools
De klimaatopwarming is een feit, en onderzoekers vertellen ons al jaren over de snel aankomende gevolgen daarvan. Één van de transities die we kunnen maken om de klimaatopwarming een halt toe te roepen is overstappen naar een circulaire economie, en voor de constructiesector is dat niet anders. Een circulaire bouweconomie introduceren kan op verschillende manieren: 1. Het omkeerbaar ontwerpen van gebouwen, zodat wanneer ze niet meer van dienst kunnen zijn, we hun onderdelen elders opnieuw kunnen gebruiken 2. Het retrofitten van bestaande gebouwen 3. Materialen en bouwelementen recupereren en hergebruiken na volledige of gedeeltelijke demontage. De bouwsector volledig circulair maken kan dus niet door enkel in de toekomst slim te ontwerpen, maar ook alle bestaande gebouwen zijn deel van deze transitie. In Brussel en Vlaanderen tezamen hebben meer dan 130.000 van deze gebouwen erfgoedwaarde. Maar hoe kunnen we circulariteit en erfgoed laten samengaan om ook deze gebouwen van cultureel en historisch belang in de transitie te betrekken? Binnen de erfgoedpraktijk is traditioneel en strikt beschermen en behouden vaak dé strategie bij uitstek. Deze gebouwen strikt beschermen én conform houden aan onze duurzaamheidsvereisten van vandaag kost veel tijd, aandacht, geld, etc. Gebruik van deze strategie is onhaalbaar en onwenselijk voor al die 130.000 gebouwen. Daarnaast heeft een evoluerende maatschappij ook steeds veranderende noden. Zo werd het herbestemmen van gebouwen waarbij flexibiliteit, aanpassingen maken en respect voor het erfgoed gecombineerd en steeds gangbaarder onder titel 'adaptive reuse'. Alhoewel dit al een enorme stap is richting duurzaamheid voor zowel mens als maatschappij, wordt er vaak over het hoofd gezien dat er bij flexibele erfgoedbewaarstrategieën fragmenten overblijven die de selectie niet halen en zo later ‘afval’ worden. Daarom beargumenteer ik in dit onderzoek waarom ook het demonteren, verplaatsen en herintegreren van architecturale erfgoedfragmenten deel is van een volledige transitie naar een circulaire bouweconomie. Echter is de erfgoedpraktijk nog sceptisch over het transporteren van erfgoedfragmenten als bewaarstrategie. Met een betoog, uitgediept op niveau van theoretische debatten, lokale beleidsdocumenten en praktijkvoorbeelden, toont deze thesis aan dat het verplaatsen van erfgoedfragmenten ook bijdraagt aan een inclusievere erfgoedzorg. Indien toegepast onder voorwaarden, kan het verplaatsen van erfgoedfragmenten bijdragen aan een rijker begrip van erfgoedwaarden en -betekenissen. In deze masterproef wordt er getracht de complexe match tussen hergebruik van bouwmaterialen en architecturale erfgoedfragmenten te benutten en aan te tonen dat beide disciplines op deze manier de volgende stap kunnen zetten richting duurzaamheid. Tenslotte is er niet enkel een ecologische voetafdruk verbonden aan materialen en fragmenten, maar dus ook een culturele/historische voetafdruk. Niet alleen biedt deze masterproef een grondige basis, gebaseerd op theorie, beleid en praktijk voor stakeholders uit beide disciplines om dit innovatief debat verder te voeren, ze biedt ook een concrete uiteenzetting hoe deze transitie in de praktijk gerealiseerd kan worden. Dit gebeurt met een voorstel om erfgoed- en bouwbeleid te integreren en zo niet alleen geschiedenis en cultuur, maar ook de 'embodied carbon en energy' te waarborgen.
Meer lezen

Paper-based multiplex devices voor de detectie van lichaamsvloeistoffen

Erasmushogeschool Brussel
2025
Stien
Lambrechts
Presumptieve testen zijn snelle, goedkope en eenvoudige indicatieve testen die op een plaats delict uitgevoerd worden. Hedendaags dienen deze testen allemaal afzonderlijk gehanteerd te worden, dit kan resulteren in een reeks van vele testen om een uiteindelijke indicatie te verkrijgen. Hierdoor is minder sample over voor eventuele nabewerking.
Deze studie richt zich tot de integratie van verschillende presumptieve testen tot één multiplex paper-based device. Hierbij wordt rekening gehouden met de individuele eigenschappen van de verschillende testen. Door de individuele optimalisatie van de verschillende protocollen, konden eigenschappen zoals gevoeligheid, bewaring en houdbaarheid onderling vergeleken worden alvorens de testen samengevoegd werden. Gebruik makend van positieve controles (10² verdund bloed, zwarte thee, speeksel en urine) en dH2O als negatieve controle werden de verschillende testen uitgevoerd. Het device werd aangemaakt door gebruik te maken van wax-printing om een hydrofobe barrière te creëren.
Verkregen resultaten tonen aan dat interpretatie na toevoeging van het sample onmiddellijk dient te gebeuren om vals positieve reacties te vermijden.
Het is bijgevolg mogelijk om diverse testen succesvol te combineren door rekening te houden met individuele beperkingen. Echter is verdere optimalisatie nodig om huidige gebreken en onvolledigheden te verhelpen en te focussen op veldtoepassingen.
Meer lezen

Elimination of Priority Indoor Volatile Organic Compounds by Active Botanical Biofilters: Experimental and Modeling Approach

Universiteit Antwerpen
2025
Seppe
Vandeweghe
Genomineerde shortlist Vlaamse Scriptieprijs
Dit proefschrift onderzoekt de eliminatie van prioritaire vluchtige organische stoffen (VOS) door middel van actieve botanische biofilters via een gecombineerde experimentele en modelleringsbenadering. Het onderzoek richt zich op de verwijdering van benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xyleen, formaldehyde en acetaaldehyde (BTEXFA)-verbindingen, die vertegenwoordigers zijn van binnenluchtverontreinigingen die een reële bedreiging vormen voor de menselijke gezondheid. De experimentele benadering gebruikte een actief botanisch biofilter (ABB) en microbiële biofilters (MB's) om de prestaties van VOC-verwijdering onder verschillende randvoorwaarden te evalueren. Eerst werd een studie naar ABB-acclimatisatie uitgevoerd. Zodra de filters volledig operationeel waren en VOS verwijderden, werd een studie naar luchtsnelheidsvariatie uitgevoerd om de verwijdering bij verschillende luchtstroomsnelheden te documenteren. Tegelijkertijd werd een nieuw 3D multiphysics-model ontwikkeld op basis van computationele vloeistofdynamica om de aerodynamica van het MB-substraat, VOC-transport, en verwijderingsfenomenen te karakteriseren.

De effecten van acclimatisatie op VOC-verwijdering varieerden afhankelijk van de specifieke VOC, met verschillende patronen zichtbaar tussen BTEX, formaldehyde en acetaaldehyde. Verder werd aangetoond dat acclimatisatie door herhaalde VOC-blootstelling de efficiëntie van BTEX-verwijdering significant verbeterde. De studie naar luchtsnelheidsvariatie onthulde een complexe mix van effecten die de prestaties van ABB beïnvloeden, met veel verschillende reacties op luchtstroomverhoging tussen VOS. Een aerodynamisch submodel werd succesvol gevalideerd met experimentele gegevens, terwijl het volledige voorlopige model ruimte voor verbetering liet.

Dit onderzoek vergroot het begrip van botanische biofiltratiemechanismen en biedt praktische inzichten voor het optimaliseren van op ABB-gebaseerde binnenluchtzuiveringssystemen, en draagt bij aan duurzame toepassingen in stedelijke biowetenschap en engineering.
Meer lezen

Genetische kennis in de opleiding geneeskunde: het ontwikkelen van een vragenlijst die peilt naar de zelfgepercipieerde en feitelijke kennis bij laatstejaarsstudenten geneeskunde.

Universiteit Gent
2025
Emilia
Flyps
Probleemstelling: De snelle vooruitgang in genetisch onderzoek en de toenemende integratie van genetische toepassingen in de eerstelijnszorg stellen hoge eisen aan de kennis en competenties van toekomstige artsen. Hoewel genetica is opgenomen in het Vlaamse geneeskundecurriculum, blijft onduidelijk in welke mate laatstejaarsstudenten beschikken over voldoende feitelijke genetische kennis en in hoeverre hun zelfinschatting hiermee overeenkomt. Psychologische factoren zoals motivatie en zelfeffectiviteit kunnen hierin een rol spelen, maar worden zelden in samenhang onderzocht.
Methode: In deze masterpraktijkproef werd een vragenlijst ontwikkeld die peilt naar zelfgepercipieerde en feitelijke genetische kennis bij Vlaamse laatstejaarsstudenten geneeskunde. Daarnaast bevat het instrument metingen van motivatie, zelfeffectiviteit en zekerheidsinschatting. Het onderzoek heeft een kwantitatief, cross-sectioneel ontwerp en richt zich uitsluitend op de constructie en theoretische onderbouwing van het meetinstrument. De inhoud is gebaseerd op bestaande gevalideerde instrumenten, waaronder de International Genetic Literacy and Attitudes Survey (iGLAS), de General Self-Efficacy Scale (GSES) en de Intrinsic Motivation Inventory (IMI). De afname en data-analyse maken geen deel uit van deze masterpraktijkproef, maar kunnen plaatsvinden in vervolgonderzoek.
Resultaten en Conclusie: Het eindresultaat is een theoretisch onderbouwd en praktijkgericht meetinstrument dat genetische competenties benadert vanuit zowel inhoudelijke als psychologische invalshoeken. Door de integratie van diverse cognitieve niveaus en inhoudsdomeinen biedt de vragenlijst een breed inzetbaar kader voor toekomstig onderzoek naar genetische kennis bij geneeskundestudenten. Het instrument is beschikbaar in het Nederlands en het Engels en is klaar voor vervolgonderzoek.
Meer lezen

Stilstaan om vooruit te gaan. Hoe kunnen meditatiepraktijken binnen het bestaande aanbod van jeugdhulpverlening bijdragen aan het verminderen van stress en het bevorderen van veerkracht bij jongeren van 14 tot 18 jaar?

Odisee Hogeschool
2025
Isa
Vanderseijpen
Deze bachelorproef onderzocht hoe meditatiepraktijken binnen de jeugdhulpverlening kunnen bijdragen aan het verminderen van stress en het bevorderen van veerkracht bij jongeren van 14 tot 18 jaar.
Uit een uitgebreide literatuurstudie blijkt dat meditatie, in het bijzonder liefdevolle-aandachtsmeditatie en ademhalingsoefeningen, aantoonbaar een positief effect heeft op de regulatie van stress en het herstel van veerkracht. De polyvagaaltheorie onderbouwt hoe meditatie via activering van de nervus vagus zorgt voor fysiologisch herstel bij stress. Jongeren in deze leeftijdsgroep bevinden zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase en zijn extra gevoelig voor mentale druk, terwijl veerkracht net dan essentieel is. Aanvullend onderzoek via enquêtes bij jongeren en jeugdhulpverleners en interviews met professionals van Art of Living bevestigen deze bevindingen. 80% van de bevraagde jongeren ervaart stress, en velen staan open voor meditatie, mits deze laagdrempelig en aangepast wordt aangeboden. 90% van de jeugdhulpverleners heeft interesse in meditatie als werkvorm, al zijn er uitdagingen zoals gebrek aan tijd,
kennis en omkadering. De ontwikkelde meditatietool beantwoordt aan deze noden en is concreet inzetbaar binnen de jeugdhulppraktijk. De meerwaarde van deze bachelorproef ligt in de concrete omzetting van wetenschappelijke inzichten naar een bruikbare, evidence-based en respectvolle meditatietool voor jeugdhulpverleners. De tool biedt een laagdrempelige methode om stress te verminderen en veerkracht te versterken bij jongeren, met aandacht voor context, haalbaarheid en betrokkenheid van zowel jongeren als begeleiders.
Meer lezen