Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

FROM SPATIAL ECOLOGY TO ECOSYSTEM IMPACT: LARGE GRAZERS IN HEATH AND DUNE LANDSCAPES LINKING MOVEMENT BEHAVIOUR, HABITAT SELECTION, AND VEGETATION DYNAMICS IN THE WESTHOEK AND KALMTHOUTSE HEIDE

Universiteit Gent
2026
Jobbe
Vermandere
Het inzetten van vrij rondlopende grote herbivoren vormt een hoeksteen van het natuurbeheer in Europa. De bedoeling is om via extensieve begrazing natuurlijke processen te herstellen, zoals het tegenhouden van snelle vegetatiesuccessie en het in stand houden van de structurele diversiteit van open landschappen. Hierdoor wordt dit type beheer ook wel procesbeheer genoemd. In voedselarme ecosystemen, zoals kustduinen en laaglandheiden, heeft de wijdverspreide stikstofdepositie en het wegvallen van historische verstoringen geleid tot een snelle structurele achteruitgang. Dit uit zich voornamelijk in de vestiging van sterk competitieve grassen en kruidachtigen (vergrassing of verruiging) en de vestiging van dicht struikgewas (verstruweling),
waardoor gespecialiseerde pioniersoorten worden verdrongen en de biodiversiteit afneemt. Hoewel begrazing voor natuurbeheer op grote schaal wordt ingezet om deze bedreigingen te verminderen, blijven de precieze ruimtelijke mechanismen waarmee deze dieren habitat selecteren en interageren met fysieke infrastructuur complex en contextgebonden. Deze studie evalueerde de ruimtelijke ecologie en het vermogen tot ecosysteembeïnvloeding van grote herbivoren in twee structureel verschillende landschappen: de kustduinen van de Westhoek (begraasd door een gemengde groep paardachtigen bestaande uit Konikpaarden en Shetlandpony’s en een kudde Schotse hooglanders) en de laaglandheide van de Kalmthoutse Heide (begraasd door een kudde Galloway-runderen). Om de kloof tussen de bewegingen van individuele dieren en successieveranderingen op landschapsschaal te overbruggen, maakte dit onderzoek gebruik van een meerledig
methodologisch kader dat was onderverdeeld in drie afzonderlijke werkpakketten (WP). Ten eerste
werd Continuous-Time Movement Modelling (ctmm) toegepast op GPS-telemetriegegevens om
het gebruik van ruimte met grensbeperkingen en ruimtelijke verzadiging in kaart te brengen (WP1).
Deze benadering corrigeerde wiskundig voor inherente temporele autocorrelatie en maakte gebruik
van Degrees of Freedom (DOF)-filtering om robuuste Autocorrelated Kernel Density Estimates
(AKDE) te extraheren. Ten tweede werden geïntegreerde Resource Selection Functions (iRSF)
ingezet om de habitatkeuze op kleine schaal en de onderliggende milieubeperkingen te evalueren
(WP2). De iRSF-modellen gebruikten specifiek het AKDE-gebied van elk dier als
beschikbaarheidsbasis, waardoor de habitatkeuze strikt werd geëvalueerd ten opzichte van het
toegankelijke landschap, terwijl tegelijkertijd rekening werd gehouden met continue variabelen
zoals topografie, afstand tot water en afstand tot antropogene infrastructuur (paden en hekken).
Ten slotte werden vegetatiehoogtekaarten met hoge resolutie uit 2020 en 2025 in de Westhoek
geanalyseerd om dit ruimtelijk gedrag te koppelen aan structurele landschapsveranderingen
(WP3). Door ruimtelijke pixels te categoriseren in vegetationele overgangstoestanden (Stabiel,
Regressie of Toename), werd de cumulatieve ruimtegebruiksintensiteit van de paarden
gemodelleerd tegen abiotische stressfactoren om de werkelijke drijvende krachten achter de
vegetatiedynamiek te bepalen.
De ruimtelijke modellen (WP1) brachten fundamentele verschillen in de ruimtelijke basisecologie
aan het licht, die worden bepaald door eigenschappen op soortniveau en de dynamiek binnen de
kudde. Uit de ruimtelijke tracking bleek dat noch de paardachtigen in de Westhoek (na de corridor
opening) noch de Galloway-runderen op de Kalmthoutse Heide biologisch verzadigd zijn. Hun
leefgebieden worden dus niet volledig bepaald door de fysieke grenzen van de reservaten, wat
wijst op actieve en doelgerichte ruimtelijke keuzes. De Galloway-runderen vertoonden relatief grote
seizoensgebonden schommelingen in de omvang van het leefgebied, wat wijst op dynamische
aanpassingen aan de beschikbaarheid van voedselbronnen. Omgekeerd vertoonden de
paardachtigen in de Westhoek het hele jaar door relatief stabiele leefgebieden, wat wijst op een
biologisch verschil waarbij paardachtigen minder gevoelig zijn voor seizoensgebonden fenologie.
De paardachtigen vertoonden echter wel significante seizoensgebonden verschuivingen in hun
kerngebieden, wat bevestigt dat, hoewel hun totale gebied stabiel blijft, hun interne foerageerfocus
dynamisch verschuift. Bovendien zorgde een lage interindividuele variatie voor een vrij
samenhangende kuddedynamiek bij de runderen, terwijl een hoge interindividuele variatie onder
de paardachtigen leidde tot duidelijke divergentie tussen subkuddes. Daarnaast evalueerde WP1
de impact van het herstel van de landschapsconnectiviteit in de Westhoek via de opening van een
corridor in de winter van 2022-2023. Hoewel de opening een aanzienlijke uitbreiding van de
absolute omvang van de leefgebieden van de paardachtigen veroorzaakte, werd deze uitbreiding
niet uniform door de hele groep overgenomen, wat benadrukt dat landschapsconnectiviteit wordt
gemedieerd door lokale locatietrouwheid en interne sociale structuren.
De evaluatie van de habitatkeuze op kleinschalig niveau (WP2) bevestigde deze verschillen op
soortniveau nog eens extra. Op de Kalmthoutse Heide fungeerden de runderen als biologische
filters: ze zochten actief habitat op met een begraasbare laag (bijvoorbeeld gras- of boomopslag)
en vermeden zuivere heidegebieden zonder begraasbare laag. Deze selectie was het sterkst
tijdens de voorjaarsgroei en werd geleidelijk breder naarmate het groeiseizoen ten einde liep. In
de Westhoek kozen paardachtigen onevenredig vaak voor open, grasrijke vegetatie boven dicht
struikgewas, hoewel morfologische verschillen de kleinere Shetlandpony's waarschijnlijk in staat
stelden om ijle vegetatie (bijv. Schaarsbegroeid) en laag struikgewas (Kruipwilg_laagstruweel)
gunstiger te exploiteren. Deze divergentie geeft aan dat kleinere paardachtigen niches kunnen
exploiteren die grotere paardachtigen negeren of waarin ze niet kunnen overleven door gebruik te
maken van andere biomechanische eigenschappen en kleinere beetgroottes, waardoor de totale
ecologische impact op het landschap wordt verbreed.
Naast de categorische vegetatie werd de ruimtelijke verspreiding aanzienlijk beïnvloed door
voortdurende abiotische en antropogene beperkingen. Nabijheid van water bleek in beide
reservaten geen beperkende factor te zijn; noch de paardachtigen, noch de runderen vertoonden
een afhankelijkheid van stilstaand oppervlaktewater, maar toonden ruimtelijke neutraliteit of actieve
vermijding. Topografisch gezien kozen de runderen (in de lente), de grotere Konik-paarden (in de
zomer en herfst) en de Shetlandpony (in de herfst) actief voor vlakker terrein, waarschijnlijk om de
metabolische bewegingskosten te minimaliseren. Hoewel de Shetlandpony deze voorkeur voor
vlakker terrein in de herfst deelde, week hij in de zomer af van de Koniks door topografisch neutraal
te blijven. Deze seizoensgebonden divergentie suggereert ofwel dat de kleinere lichaamsmassa
van de pony voor meer wendbaarheid zorgt, waardoor het relatieve metabolische nadeel van
voortbeweging op steilere hellingen afneemt, ofwel dat de solitaire pony door de Konik-kuddes of
de Schotse hooglander kudde competitief wordt verdrongen naar minder gunstige, steilere
topografie. Wat de menselijke infrastructuur betreft, dwongen de modellen een heroverweging af
van de visie van algemene antropogene vermijding. Terwijl de omheiningen van het reservaat
fungeerden als een ruimtelijke barrière voor de paardachtigen (in de lente en winter, voornamelijk
gedreven door de Shetlandpony), fungeerden ze als een ruimtelijk aantrekkingspunt voor de
Galloway-runderen in de lente. Gelijkaardig werkten de interne paden als ruimtelijke
aantrekkingspunten voor zowel de Shetlandpony als de Galloway-runderen. Dit toont aan dat grote
herbivoren, in plaats van menselijke infrastructuur universeel te vermijden, padennetwerken
potentieel kunnen gebruiken als navigatiecorridors, en omheiningen als structurele
oriëntatiepunten.
Terwijl WP1 en WP2 vaststelden hoe de paardachtigen in de Westhoek navigeren en hun habitat
selecteren, evalueert WP3 de wederzijdse ecologische impact: hoe de langdurige ruimtelijke
aanwezigheid van deze herbivoren actief het successietraject van de vegetatie in het reservaat
beïnvloedt. Door veranderingen in vegetatiehoogte te modelleren tegen de achtergrond van
cumulatieve ruimtegebruiksintensiteit en abiotische beperkingen, ontstaat een ruimtelijk verhaal
over de voordelen en beperkingen van top-downcontrole door grazers. De vegetatiemodellering
toonde aan dat een hoog cumulatief ruimtegebruik door paardachtigen fungeert als een effectieve
preventieve barrière tegen de initiële vorming en verspreiding van ruige vegetatie. De gegevens
definieerden echter tegelijkertijd de grenzen van deze top-down biologische controle. Zodra
houtige of ruige vegetatie de initiële herbivoriebarrière met succes doorbreekt, volstaat intens
ruimtegebruik niet meer om de terugtrekking ervan af te dwingen. Gedreven door een
synergetische combinatie van lokale nutriëntenafzetting, mechanische bodemverstoring en
verminderde concurrentie, kan intensief ruimtegebruik door paardachtigen zelfs de verticale groei
van gevestigd hoog struikgewas bevorderen. De ontmanteling van vegetatie in een laat, volwassen
stadium wordt uitsluitend aangedreven door bottom-up abiotische stressfactoren in plaats van top
down herbivorie. De diepte van het grondwater in het voorjaar had het meest uitgesproken effect
op de vegetatiedynamiek: het bepaalde de stabiliteit van pioniersmatrices, stimuleerde de
terugtrekking van ruige vegetatie en fungeerde als de belangrijkste natuurlijke stressfactor die de
voortdurende groei of aanwezigheid van laag en hoog struikgewas voorkwam. Bovendien werd de
dynamiek van ondieper gewortelde grassen en kruiden gedicteerd door hoge omgevingsstress,
waarbij deze matrices groeiden en afnamen in gebieden die gekenmerkt worden door diep
grondwater, steilere hellingen en een hoge blootstelling aan de zon.
Voor natuurbeheer biedt deze thesis duidelijke, op gegevens gebaseerde aanbevelingen met
betrekking tot het gebruik van vrij rondlopende grote herbivoren. Uiteindelijk toont deze studie aan
dat de impact van deze grote herbivoren als ecosysteemingenieurs niet uniform of absoluut is. De
ruimtelijke dynamiek bevestigt dat ruimtegebruik een effectief, gericht instrument kan zijn om
vroege successie te stoppen, open matrices in stand te houden en gedegradeerde habitats aan te
pakken. Omdat grazers echter geen gevestigd struikgewas kunnen ontmantelen, vereist het
terugdringen van volgroeide houtige begroeiing een strategische, dubbele beheersaanpak die
biologisch ruimtegebruik koppelt aan gerichte mechanische ingrepen. Bovendien benadrukt de
ruimtelijke divergentie van de Shetlandpony de cruciale waarde van morfologische diversiteit.
Specifiek geeft deze divergentie aan dat kleinere paardachtigen, door gebruik te maken van andere
biomechanische eigenschappen en een kleinere hapgrootte, niches kunnen benutten die grotere
paardachtigen negeren of waarop ze niet kunnen overleven, waardoor de totale ecologische impact
op het landschap wordt verbreed. Ten slotte wijst de aantrekkingskracht van paden en het
verspreidingseffect van corridors op nieuwe, proactieve beheersmogelijkheden. In plaats van
menselijke infrastructuur als een verstoring te beschouwen, kunnen beheerders strategisch interne
padennetwerken en corridors ontwerpen die als biologische trechters fungeren, waardoor grazers
naar specifieke doelgebieden worden geleid en de ecologische manipulatie (engineering) in het
bredere landschap wordt gemaximaliseerd.
Meer lezen

Mucus Diffusion of Apremilast Nanocrystals in Healthy and Cystic Fibrosis Models for Pulmonary Drug Delivery

Universiteit Gent
2026
Marion
Van Hulle
Dit onderzoek focust op nanogeneeskunde, in het bijzonder voor pulmonale geneesmiddeltoediening, waarbij zowel de beperkte wateroplosbaarheid van veel geneesmiddelen als de barrièrefunctie van mucus belangrijke formulatie uitdagingen vormen. Apremilast (APR), een slecht wateroplosbare fosfodiësterase 4 inhibitor met therapeutisch potentieel voor cystic fibrosis (CF), vereist een formulering die de oplosbaarheid verhoogt en diffusie door mucus mogelijk maakt. De centrale vraag is of APR nanokristallen (NCs) diffunderen door gezonde en CF-mucusmodellen en welke formulatie en mucusgerelateerde parameters deze diffusie bepalen. Hiervoor beoogt dit onderzoek de ontwikkeling en karakterisering van APR NCs, het formuleren van gezonde en CF mucusmodellen en de evaluatie van APR NC transport doorheen deze barrières.
APR NCs worden geproduceerd via geminiaturiseerde natte kogelmaling (WBM) en gestabiliseerd met Lutrol F127 (Lut), natriumcholaat (NaChol) of NaChol gecombineerd met chitosan HCl (Chit). De NCs worden gekarakteriseerd op deeltjesgrootte, polydispersiteit, zeta potentiaal (ZP) en structurele integriteit. Alle formuleringen leveren gemiddelde deeltjesgroottes onder 250 nm, ruim binnen het vereiste bereik van 200–400 nm en FT IR bevestigt dat APR zijn structuur behoudt. Na één maand opslag bij 4 °C worden kleine deeltjesgroottetoenames gezien voor APR NaChol en APR Chit NaChol. De ZP weerspiegelt de gebruikte stabilisator en duidt op matig stabiele dispersies. Gezonde en CF mucusmodellen met en zonder mucine worden ontwikkeld en gevalideerd via reologie. Shear thinning en visco elastisch gedrag wordt waargenomen, kenmerkend voor luchtwegmucus. CF modellen vertonen hogere viscositeiten en moduli dan gezonde modellen, conform met literatuurgegevens. De diffusie van APR NCs door de mucusmodellen wordt beoordeeld met Franz cellen en gekwantificeerd via HPLC. In alle mucinebevattende modellen is de permeatie van de drie APR NC formuleringen na 6 u consequent 14–40% lager dan in de mucinevrije varianten, wat aangeeft dat mucine een meer restrictieve en fysiologisch realistische diffusiebarrière vormt. In het CF-model met mucine vertoont APR Lut de hoogste permeatie na 6u, waarbij ongeveer 50% geneesmiddeldiffusie wordt bereikt, APR NaChol vertoont een zeer vergelijkbaar niveau en APR Chit NaChol vertoont duidelijk minder permeatie.
Dit onderzoek benadrukt dat WBM de controle over deeltjesgrootte en oppervlaktesamenstelling van NCs mogelijk maakt, waarbij de stabilisator de uiteindelijke oppervlakte eigenschappen en daarmee de mucusdiffusie bepaalt. Een geschikte stabilisator moet een muco inert, sterisch gehydrateerd en neutraal oppervlak creëren dat elektrostatische en hydrofobe interacties met mucine minimaliseert. Dit onderzoek bevestigt de waarde van alginaat/mucine hydrogels als reproduceerbaar platform voor vroege screening van mucustransport. Toekomstig werk omvat langetermijn stabiliteitsstudies, extra oppervlaktemodificaties van NCs en de incorporatie van meer CF specifieke componenten in de mucusmodellen.
Meer lezen

Hormonale invloeden op zeeziekte

Antwerp Maritime Academy
2026
Margaux
Hermans
Zeeziekte is een veelvoorkomend fenomeen binnen de maritieme sector en kan een aanzienlijke
impact hebben op het functioneren en welzijn van zeevarenden. Hoewel bekend is dat vrouwen
mogelijk gevoeliger zijn voor zeeziekte dan mannen, is weinig onderzocht in welke mate hormonale
factoren hierin een rol spelen. Deze masterproef brengt dit onderbelichte thema in kaart aan de
hand van een observatiestudie uitgevoerd tijdens een vier weken durende zeereis aan boord van
het opleidingsschip Dar Mlodziezy.
In totaal registreerden 36 deelnemers dagelijks hun level van algemene gevoelstoestand,
misselijkheid, stress en hersenmist. Voor vrouwelijke deelnemers werd bijkomend het gebruik van
hormonale anticonceptie en, indien van toepassing, hun menstruele cyclus bijgehouden. Deze
systematische dataverzameling in een realistische maritieme setting bood een uitzonderlijke
mogelijkheid om patronen over langere tijd te analyseren zonder verstoringen van dagelijkse
omgeving.
Uit resultaten blijkt dat vrouwelijke deelnemers in deze groep gemiddeld meer zeeziekte
gerelateerde klachten rapporteerden dan mannelijke deelnemers. De verschillen waren zichtbaar
voor alle onderzochte variabelen en kwamen consequent terug doorheen de gehele
onderzoeksperiode. Binnen de vrouwelijke groep vertoonden vrouwen die hormonale
anticonceptie gebruikten op het merendeel van de dagen hogere symptoomscores dan vrouwen
zonder anticonceptie. In deze dataset werd dus geen aanwijzing gevonden dat anticonceptie
beschermend werkt tegen zeeziekte.
De analyses van de menstruele cyclus leverden geen duidelijke verschillen tussen cyclusfasen op,
voornamelijk door het beperkte aantal vrouwen met een natuurlijke cyclus. Hierdoor konden geen
uitspraken gedaan worden over variaties in gevoeligheid tijdens bijvoorbeeld menstruatie of
ovulatie. Daarnaast werd vastgesteld dat deelnemers die een zeeziektepil innamen gemiddeld
meer hersenmist rapporteerden. Dit sluit aan bij zowel de ernst van hun symptomen als bij bekende
bijwerkingen van dergelijke medicatie, zonder dat de oorzaak kon worden vastgesteld.
Deze bevindingen suggereren dat vrouwen in deze onderzoeksgroep gevoeliger waren voor
zeeziekte dan mannen, maar tonen geen duidelijk effect van de hormonale anticonceptie of
cyclusfasen op de ervaren klachten. De beperkte omvang van de subgroepen vraagt om
voorzichtigheid in de interpretatie. De resultaten benadrukken tegelijk de nood aan verder
onderzoek met grotere populaties en nauwkeurigere hormonale registratiemethoden, zodat de
relatie tussen hormonen en zeeziekte in de toekomst preciezer kan worden bepaald.
Meer lezen

Productie en evaluatie van elektrogesponnen TEOS-gebaseerde nanovezelmembranen als SALDI-substraten voor fecale metabolomics via LA-REIMS

Odisee Hogeschool
2026
Elia Amnon
Bar On
Binnen een klinische en biomedische context zijn snelle en robuuste analysemethoden voor untargeted metabolomics essentieel. Laser-assisted rapid evaporative ionisation massaspectrometrie (LA-REIMS) maakt directe analyse van biofluïda mogelijk, maar de analytische prestaties worden bepaald door de intrinsieke matrixeigenschappen van het staal. Elektrogesponnen nanovezelmembranen kunnen via surface-assisted laser desorption/ionisation (SALDI) de desorptie en ionisatie verbeteren en zo de analyses versterken. Het potentieel van silicagebaseerde nanovezelmembranen als SALDI-substraten binnen LA-REIMS-gebaseerde metabolomics is echter nog onvoldoende geëvalueerd.

In deze studie wordt onderzocht in welke mate elektrogesponnen tetraethylorthosilicaat (TEOS)-gebaseerde nanovezelmembranen de prestaties van LA-REIMS-analyses voor fecale metabolomics beïnvloeden.

De productie van TEOS-membranen omvat het elektrospinnen van een sol-geloplossing, gevolgd door een thermische behandeling om een superhydrofiel membraan te verkrijgen. De morfologie en hydrofiliciteit worden gekarakteriseerd met scanning-elektronenmicroscopie, watercontacthoekmetingen en infraroodspectrometrie. De analytische prestaties worden geëvalueerd via LA-REIMS-analyse van fecale stalen en vergeleken met rechtstreekse analyse van feces en met geoptimaliseerde MetaSAMP-membranen. Data-analyse omvat principal component analysis, evaluatie van reproduceerbaarheid en vergelijking van metabolomische dekking.

LA-REIMS-analyses tonen aan dat met fecale stalen geïmpregneerde TEOS-membranen een metabolomische vingerafdruk genereren die vergelijkbaar is met die van feces as-such, met detectie van een groter aantal features. Tegelijkertijd worden, vergeleken met zowel MetaSAMP-membranen als feces as-such, beperkingen vastgesteld in reproduceerbaarheid en signaalintensiteit, met lagere signaalintensiteiten en meer variabele features (p < 0,01).

Na optimalisatie van de membraandikte en het staalvolume worden TEOS-membranen verkregen die significant hogere signaalintensiteiten opleveren dan feces as-such (p < 0,01; g > 1), met een hoger aantal gedetecteerde features (p < 0,01) en een aanvaardbare reproduceerbaarheid (> 75 % van de features met een variatiecoëfficiënt ≤ 30 %).

De resultaten tonen aan dat elektrogesponnen TEOS-gebaseerde nanovezelmembranen doeltreffend zijn als SALDI-substraat binnen LA-REIMS-gebaseerde metabolomics. Toekomstige studies kunnen zich richten op het optimaliseren van de membraanproductie, functionalisatiestappen en het verder afstemmen van de LA-REIMS-methode.
Meer lezen

Zelfontdekking door naar Perzische tapijten te kijken

KU Leuven
2026
Kimia
Rabieh Mahmareh
Deze masterproefnota is vanuit een persoonlijke anekdote vertrokken. Toen ik van Perzië naar België verhuisde, voelde het als een reis van zelfontdekking. Ik worstelde constant met mijn eigenwaarde en mijn rol in de wereld. Het was alsof ik gevangen zat tussen twee onderscheidende identiteiten, en ik was vastbesloten om evenwicht en perfecte afstemming tussen hen te bereiken. Tijdens mijn onderzoek naar verhuizingen en het soort voorwerpen dat mensen meenemen om een nieuwe plek als thuis te laten voelen, ontdekte ik een veelgebruikt antwoord: 'Textiel'. Dit besef bracht me ertoe de overeenkomsten op te merken tussen mijn inheemse cultuur en de betekenis van textiel in de Perzische samenleving. De traditie van Perzische tapijten omvat duizenden jaren, met deze ingewikkeld vervaardigde meesterwerken die volledig met de hand zijn gemaakt door nauwgezette weef- en knooptechnieken. Met name Iran is bekend geworden als de bewaarder van deze oude kunstvorm, zowel bekend als Perzische tapijten als magische tapijten. Elk facet van deze tapijten is gemaakt met veel aandacht voor detail, waarbij elk element doordrenkt is met een verborgen betekenis die, eenmaal ontcijferd, een duidelijk verhaal onthult. Daarom vond ik het Perzisch tapijt als een boeiende metafoor om uit te drukken wie ik ben en daarmee het verhaal van mijn leven te vertellen. Naargelang mijn onderzoek vorderde, merkte ik dat ik buiten de muren van huizen werd getrokken. Tapijt weven en architectuur hebben in Iran een lange en diepe relatie met elkaar. Deze relatie wordt weerspiegeld in de traditionele ontwerpen, motieven en symbolen die in beide gebieden worden gebruikt. Ik raakte gefascineerd door de binnentuinen van traditionele huizen en de levendige flora van stadstuinen. De term "Hayat" vertaalt zich naar "ommuurde tuin", en de binnenplaats is typisch een vierkante of rechthoekige open ruimte, begrensd door kamers en gangen. Met kamers die aan een of meer zijden zijn gebouwd, ontstaat er een enorme ruimte zonder dak, die wordt beschouwd als het hart en het centrum van het huis. Hoewel het Hayat-gebied niet noodzakelijkerwijs in het geometrische middelpunt van een huis ligt, is het een cruciale ruimte voor het uitvoeren van verschillende activiteiten en het verbinden van verschillende delen van het huis. Hierna wordt het verder uitgezoomd en naar de stadstuinen gekeken. Het Iraanse tapijt is als een luchtfoto van een tuin, waardoor de kijker een transcendentale visie ervaart die goddelijk inzicht biedt. Het streven van de mens naar een aards paradijs wordt belichaamd door deze tuinen. Zij bevatten drie essentiële elementen: ingang, water en paviljoen. Nadat ik me had laten inspireren door het culturele en ruimtelijke belang van tuinen en tapijten, verdiepte ik me in gedegen onderzoek. Het resultaat was een gepersonaliseerde ruimtelijke installatie die mijn levensverhaal vertelde. Mijn ontwerp heeft drie verschillende interpretaties. De eerste is geworteld in de tapijten die ik heb gebruikt en roept gevoelens op van comfort en stabiliteit die ik in mijn reis zocht. De tweede is verbonden met de stadstuinen die in het ontwerp zijn opgenomen en die de dynamische en altijd veranderende aard van het leven vertegenwoordigen. De derde en laatste interpretatie is dat de hele installatie wordt gezien als een eindeloos lang symbolisch huis, waarin ik mentaal aanwezig ben.
Meer lezen

Key drivers and motivations for joining and participating in agricultural marketing cooperatives: The impact of farm size

KU Leuven
2025
Jef
Desmedt
  • Ariël
    Verschueren
  • Laurens
    Fievet
This thesis investigates the motivations and barriers that shape farmers’ participation in agricultural marketing cooperatives, with a focus on how farm size influences these dynamics. While established literature highlights economic, social, and governance-related drivers of participation, less is known about how these are perceived and prioritised by farmers of varying scales. Drawing on the Mutual Incentives Theory and elements of Self-Determination Theory, this study uses qualitative interviews with a diverse group of Flemish fruit and vegetable producers to explore motivational variation. Findings show that smaller farmers often highlight the cooperative’s stabilising role and deem their membership as critical, while larger farmers adopt a more strategic stance, valuing efficiency, autonomy, and access to alternative sales channels. Furthermore, the study reveals how collectivistic incentives, such as shared goals, are frequently internalised as individual business advantages. Ambitious, growth-oriented farmers, in particular, reported tensions between their entrepreneurial drive and the cooperative’s collective framework. This study contributes to the literature in three ways: by documenting how member motivations are interpreted through the lens of farm scale; by refining theoretical models of participation to account for strategic constraints; and by highlighting how motivation is shaped by context-specific perceptions, not fixed categories. These insights provide a more nuanced understanding of cooperative participation and offer broader relevance for motivation theory in collective organisational forms.
Meer lezen

Reframing Security in the Age of CLIMATE REfugees, A Comparative Study of Syria and Bangladesh Through Security Perspectives

Universiteit Gent
2025
ilkay
kesebir
This thesis examines how climate change reshapes security and mobility by comparing two distinct pathways of climate-related displacement: rapid-onset drought and agricultural collapse in Syria, and slow-onset sea-level rise and salinization in Bangladesh. Building on Environmental Security, Human Security, and Securitization Theory, the study argues that these frameworks illuminate important mechanisms—such as climate change as a “threat multiplier” and the political construction of (in)security—but remain limited by state- and anthropocentric assumptions. To address these limits, the thesis advances a Green Theory–informed perspective that centers ecological integrity and climate justice as core security referents. Methodologically, the research employs a comparative case design with process-tracing and pattern-matching across secondary data (peer-reviewed studies, attribution science, displacement statistics, and policy reports). The Syria case links multi-year drought, rural–urban migration, and governance failures to heightened social unrest and onward displacement. The Bangladesh case shows how chronic inundation, salinity intrusion, and livelihood erosion generate primarily internal, incremental mobility with long-term human security risks. Cross-case synthesis demonstrates convergent vulnerabilities (exposure, adaptive capacity, and institutional response) alongside divergent temporal dynamics and policy needs. The thesis contributes in two ways: empirically, by integrating visual and quantitative evidence on climate impacts and mobility patterns across contrasting contexts; and normatively, by proposing elements of a sui generis protection regime for climatedisplaced persons (eligibility criteria for planned relocation, responsibility-sharing formula, and dedicated financing and monitoring). Overall, it reframes security in the Anthropocene toward ecocentric and justice-oriented protection that better aligns with the lived realities of climate-affected populations.
Meer lezen

The Role of Coffee Cooperatives in the Socio-Economic Transition of Rebel Returnees in Sulu, Southern Philippines

Universiteit Gent
2025
Moh. Shanizee
Sarabi
Reintegrating former rebels into civilian life remains a major challenge in post-conflict societies, where sustainable livelihoods and social cohesion are essential for long-term peace. The Philippines is one of the most conflict-affected countries in the world, sharing the 29th spot with Afghanistan and ranks second in ASEAN after Myanmar. The Bangsamoro Autonomous Region in Muslim Mindanao (BARMM) in the southern Philippines has been particularly affected by decades of armed conflict and
institutional weaknesses, notably in provinces such as Sulu. In response, the Philippine government is promoting the integration of returnees into coffee cooperatives as part of its peace and reintegration strategy. Despite persistent volatility, the BARMM, particularly Sulu province, has emerged as one of the country’s leading coffee-producing regions contributing over a quarter of national production and providing a strategic pathway to economic recovery. It is therefore crucial to understand how these cooperatives contribute to both livelihoods and social reintegration. This study examines how membership in a coffee cooperative is associated to the socio-economic transition of rebel returnees in Sulu. Based on the Disarmament, Demobilization, and Reintegration (DDR) framework and social capital theory, a comparative cross-sectional design with survey data from 101 returnees was used. Through regression analysis and structural equation modelling, we show that membership in a cooperative is associated with higher productivity, financial stability, and stronger social capital, even if infrastructural challenges, conflict vulnerabilities, governance, and market difficulties persist. The study demonstrates how locally rooted cooperatives can transform conflict legacies into peace dividends that foster economic gains, social cohesion, and inclusive development. These findings highlight the potential of cooperatives as a pathway for durable socio-economic transitions in fragile contexts. Moreover, the study underscores the importance of targeted support, capacity building, and improved market access to enable returnee cooperatives to fully realize their role in promoting sustainable livelihoods, facilitating social reintegration, and contributing to lasting peace.
Meer lezen

Claiming Responsibility, Narrating Solidarity: Discursive Legitimation of Turkey's Involvement in the Nagorno-Karabakh Conflict (1988–2020)

Universiteit Gent
2025
Görkem
Yavuz
Deze masterproef onderzoekt hoe Turkije tussen 1988 en 2020 zijn betrokkenheid bij het Nagorno-Karabachconflict discursief heeft geconstrueerd en gelegitimeerd. Het centrale uitgangspunt is dat politieke taal niet louter een communicatiemiddel is, maar een krachtig instrument dat legitimiteit creëert en internationale normen beïnvloedt. Het onderzoek hanteert een driedelig analytisch kader: (i) hoe Turkije zijn eigen discours opbouwde, (ii) hoe internationale actoren dit discours ontvingen en betwistten, en (iii) welke impact dit had op mondiale normen rond interventie. De bevindingen tonen een evolutie van voorzichtige diplomatieke steun naar een assertieve en veiligheidsgedreven retoriek. Deze verschuiving benadrukt hoe discursieve strategieën niet alleen de perceptie van legitimiteit vormgeven, maar ook bredere implicaties hebben voor internationale conflictoplossing en normontwikkeling.
Meer lezen

MORE DRAMA, MORE HAPPINESS? EEN KWALITATIEF ONDERZOEK NAAR HET VERBAND TUSSEN DRAMALESSEN EN HET MENTAAL WELBEVINDEN VAN 2E-GRAADS DOORSTROOM-STUDENTEN

Universiteit Gent
2025
Matthew
Wright
Deze studie werd uitgevoerd om te bepalen hoe 2e-graads doorstroomstudenten het verband tussen dramalessen en hun mentaal welbevinden ervaren. Het zes dimensionaal mentaal welbevinden model, ontwikkeld door Ryff (1989), toont deels overlap met de in de literatuur gevonden effecten van drama en werd daarom als theoretische basis gebruikt in dit onderzoek. De onderzoeksgroep bestaat uit 6 jongeren die een 2e-graads doorstroomrichting volgen en die gedurende 40 weken 24 keer één uur per week dramales kregen als keuzevak. De studie werd uitgevoerd aan de hand van semigestructureerde diepte-interviews die aan het einde van het schooljaar bij de leerlingen werden afgenomen. Om de gegevens te verwerken en analyseren werd een thematische analyse volgens Braun & Clarke (2006) toegepast. Als resultaat van het onderzoek werd er een duidelijke, positieve invloed vastgesteld op de persoonlijke groei, positieve relaties met anderen en zelfacceptatie dimensies. De invloed op de autonomie is matig en op de omgevingsbeheersing is de invloed gering. Er ontbreken gegevens om een besluit te maken over de doelgerichtheid dimensie, maar de verwachting is dat deze laag is. Het algemeen mentaal welbevinden van de participanten lijkt te zijn toegenomen na het volgen van dramalessen. Uit het onderzoek blijkt dat de invloed groter is bij jongeren wiens mentaal welbevinden laag is dan bij jongeren met een matig tot hoog mentaal welbevinden, al dient verder onderzoek dit verder te staven. De belangrijkste, niet eerder gevonden resultaten zijn dat participanten aangeven zich minder aan te trekken van de mening van anderen, makkelijker hun mening te kunnen uiten, meer te durven, meer open te staan voor nieuwe ervaringen en meer onbekenden durven aan te spreken. Vele andere resultaten bevestigen wat eerdere literatuur al bewees. Het onderzoek sluit af met een pleidooi om educatief drama een standaardonderdeel te maken van het curriculum van de middelbare school of het ten miste als potentieel keuzevak aan te bieden.
Meer lezen

Development and Validation of a CFD Multiphase Model for Micro‐channels

Universiteit Hasselt
2025
Sven
Jaspers
Deze masterscriptie beschrijft de ontwikkeling en validatie van een Computational
Fluid Dynamics-model voor adiabatische en diabatisch twee-fasenstroming in een mi-
crokanaal, met focus op toepassingen in Microkanaal-Warmtewisselaars voor Small
Modular Reactors. De Euleriaans–Euleriaanse methode werd toegepast en meerdere
interfaciale krachten en warmteoverdrachtsmodellen werden getest op toepasbaarheid
binnen experimentele configuraties. Een modulaire strategie werd gevolgd, van een
adiabatisch basismodel (verticale kleine kanaal), tot een verfijnd adiabatisch model
(horizontaal microkanaal), naar een volledig kookmodel (verticaal microkanaal). De
eerste twee modellen toonden sterke overeenkomst met experimentele data voor vol-
umefracties, snelheidsprofielen, stromingsregimes en drukverliezen. Voor horizontale
stroming vormde het gebrek aan gedetailleerde data en geschikte submodellen echter
een beperking. De kooksimulaties voorspelden drukverliezen en wandoververhitting
correct, maar toonden gevoeligheid voor de stabiliteit van de vloeistoffilm aan de wand.
De modellen vormen een degelijke basis voor thermo-hydraulisch gedrag in annulair
regime, maar zijn beperkt bij extremere condities. Toekomstig werk moet zich richten
op horizontale data en robuustere krachtmodellen voor bredere stromingsregimes.
Meer lezen

Exploring Dilution Strategies and Prechamber Ignition on a Marine Engine Retrofitted to Methanol SI Operation

Universiteit Gent
2025
Sebastiaan
Malfait
  • Matthijs
    Van Duyse
Winnaar mtech+prijs
Genomineerde shortlist NBN Sustainability Award
In deze masterproef onderzochten we hoe bestaande scheepsdieselmotoren kunnen worden omgebouwd om te draaien op methanol, een veelbelovende duurzame brandstof. Methanol is vloeibaar, eenvoudig op te slaan en kan klimaatneutraal geproduceerd worden. We testten een grote scheepsmotor op methanol en zochten naar manieren om de motor tegelijk efficiënt en schoon te laten draaien. Daarbij bleken twee technieken, extra lucht toevoegen en een deel van de uitlaatgassen terugvoeren, veelbelovend om zowel de uitstoot te verlagen als de zuinigheid te verbeteren. Daarnaast ontwierpen we een innovatieve prechamber die de verbranding stabieler kan maken. Zo toont dit onderzoek dat scheepsmotoren een groener leven kunnen krijgen zonder dat ze volledig vervangen moeten worden.
Meer lezen

Productconditie-evaluatie via multisensoriële beeldverwerking

KU Leuven
2025
Jan
Van Huffel
  • Kavishk
    Kathayat
Deze masterproef pakt de beperkingen van manuele kwaliteitscontrole aan door een modulair, hybride inspectiesysteem te ontwikkelen. Het platform combineert 3D-scans voor geometrische analyse (deuken, ontbrekende onderdelen) met 2D-beeldanalyse voor oppervlaktedefecten. Centraal staat een innovatieve AI-aanpak die zowel flexibele 'zero-shot' detectie (objecten vinden op basis van tekst) als hypernauwkeurige, getrainde modellen inzet. Door het fuseren van verschillende sensoren (RGB, diepte, nabij-infrarood) is het systeem gevalideerd op industriële steigerpijpen en e-bike batterijen, wat de brede toepasbaarheid voor veiligere en efficiëntere productie aantoont.
Meer lezen

Understanding the effect of microclimate on marram grass

Universiteit Gent
2025
Samantha
De Gottal
Mijn masterscriptie beantwoordt de vraag hoe de groei van helmgras, een ecosysteemingenieur van onze Belgische kust, beïnvloedt wordt door de kleine, lokale klimaatschommelingen in een duin.

Ik heb mijn onderzoek gedaan door helmgras in een natuurlijke duinomgeving te planten en nauwkeurig de groei en de abiotische omgeving op te volgen. Zo meette ik wekelijks verschillende planteigenschappen alsook hoe warm de grond was, hoe vochtig de bodem en hoeveel zand er verplaatste aan de hand van loggers. Dit onderzoek toonde aan dat, hoewel de lokale omstandigheden enorm verschilden doorheen de duin, de groei van het helmgras hierdoor niet significant werd beïnvloed.

De conclusie is dat de duinbouwer onverwacht veerkrachtig is. Dit suggereert dat onze duinen meer stabiliteit bezitten tegen geleidelijke klimaatschommelingen dan we dachten. Dit inzicht is cruciaal, omdat het directe toepassing heeft op het ontwerp van duurzame kustbescherming in de toekomst.
Meer lezen

De faciliterende rol van lokale besturen in inclusieve co-creatie: een vergelijkende casestudie van co-creatieprojecten in twee Vlaamse steden

KU Leuven
2025
Ella
Hermans
Lokale besturen spelen een sleutelrol in het creëren van een inclusieve samenleving. Toch ervaren kwetsbare groepen, zoals mensen in armoede, migranten, laaggeletterden en digitaal uitgesloten personen, vaak drempels om deel te nemen aan beleid en dienstverlening. Taalbarrières, wantrouwen en beperkte digitale vaardigheden zorgen ervoor dat hun stem minder gehoord wordt, terwijl hun betrokkenheid net cruciaal is om uitsluiting en ongelijkheid tegen te gaan.

Deze scriptie onderzoekt hoe inclusieve co-creatie vorm krijgt in Vlaanderen, via een vergelijkende casestudie in Genk en Beringen. Beide steden zetten sterk in op participatie, maar kiezen daarbij voor uiteenlopende strategieën. Genk werkt vanuit formele structuren met participatieambtenaren, wijkmanagers en instrumenten zoals het 'Burgerbudget'. Beringen kiest voor een relationele aanpak, waar nabijheid en vertrouwen centraal staan, en intermediairs zoals SAAMO Limburg bruggen bouwen naar moeilijk bereikbare groepen.

De analyse toont dat er geen universele succesformule bestaat. Duurzame co-creatie vraagt een geïntegreerde aanpak waarin structuren, netwerken, cultuur en middelen elkaar versterken. Een ondersteunende organisatiecultuur met vertrouwen, flexibiliteit en gedeeld leiderschap blijkt onmisbaar. Tegelijk zijn middelen zoals tijd, budget en expertise noodzakelijke voorwaarden om participatiedrempels daadwerkelijk te verlagen.

De kracht van co-creatie ligt dus in de combinatie van stabiliteit en nabijheid. Lokale besturen kunnen leren door structurele participatieverankering te koppelen aan relationele netwerken die aansluiten bij de leefwereld van burgers. Co-creatie wordt zo meer dan een methode: het is een proces van geduld, empathie en langdurige inzet, met het potentieel om inclusie in beleid en dienstverlening effectief te versterken.
Meer lezen

Mapping the Margin

KU Leuven
2025
Riet
Nonneman
This thesis explores how architectural practice engages with the socio-
political realities of displacement through methods of subjective storytelling
and spatial observation. Set within the broader frameworks of
temporality and marginality, the focus lies on two reception centres for
asylum seekers in Flanders: Opvangcentrum Westakkers – Rode Kruis
and Rode Kruisopvangcentrum Beveren. It does so by mapping how individuals
negotiate homemaking practices within these temporary and
institutionalised contexts.
By adopting a position of critical proximity, the analysis draws on sketching,
informal interviews, and on-site presence as tools to map space in
both a physical and emotional sense. Through this approach, personal
subjectivity is not masked, but embraced as a lens through which to reveal
hidden spatial narratives and to question the traditional role of the
architect.
This socio-spatial reflection is grounded in intersectional theory, building
on the work of researchers such as Luce Beeckmans, Huda Tayob and
Seethaler-Wari. It seeks to reframe the architectural gaze towards the
margin, as defined by bell hooks, not as a zone of lack or exclusion, but
as a space of resilience, improvisation, and agency. Rather than offering
a design solution, this thesis proposes a method of architectural engagement
that centres listening, mapping, and the empowering of voices that
are often left unheard.
Ultimately, this thesis aims to challenge dominant architectural modes by
foregrounding the potential of alternative, slower, and more humane ways
of reading and working with space, particularly in contexts where uncertainty
and hope coexist.
Meer lezen

Event-Based Neural Network for Embedded Deployment: Representation-Model Co-Design and Event-Data Acquisition System

KU Leuven
2025
Enmin
Lin
Diepgaand leren heeft het visueel waarnemingsvermogen bij autonoom rijden aanzienlijk verbeterd, maar conventionele camera's blijven beperkt door bewegingsonscherpte, een beperkt dynamisch bereik en hoge latentie. Gebeurteniscamera's, geïnspireerd door biologische visie, overwinnen deze beperkingen door asynchroon veranderingen in pixelhelderheid te detecteren. Dit mechanisme levert datastromen die schaars, temporeel nauwkeurig en zeer efficiënt zijn voor embedded toepassingen. De inherente schaarste en het gebrek aan intensiteitsinformatie in gebeurtenisgegevens bemoeilijken echter het extraheren van onderscheidende kenmerken en vormen uitdagingen voor de training van neurale netwerken. Daarnaast lijden gangbare datasets zoals CIFAR10-DVS aan een niet-uniforme verdeling van gebeurtenissen door het gebruik van lineaire of polygonaal gevormde bewegingstrajecten tijdens de opname, wat leidt tot periodieke artefacten.
Om deze beperkingen te overwinnen, evalueert dit proefschrift systematisch gebeurtenisrepresentaties—waaronder gestapelde afbeeldingen, voxelrasters en tijdoppervlakken—met standaard CNNs om optimale architecturen voor embedded implementatie te identificeren. Door gebruik te maken van transfer learning met vooraf getrainde ImageNet-modellen wordt de nauwkeurigheid onder beperkte dataomstandigheden aanzienlijk verbeterd. Experimentele resultaten tonen aan dat volledige fine-tuning van het hele netwerk noodzakelijk is om zich aan te passen aan de unieke eigenschappen van gebeurtenisgebaseerde gegevens. Het voorgestelde model integreert dropout, L2-regularisatie en een meerfasig leersnelheidsschema om de trainingsstabiliteit en generalisatie te bevorderen. Met deze co-designbenadering behaalt EfficientNetB0 een nauwkeurigheid van 81,05% op CIFAR10-DVS bij verwerking van gebeurtenissen binnen één temporeel venster.
Voor implementatie identificeert inspectie met het Xilinx Vitis Al-platform TensorFlow's MobileNetV2 als de optimale keuze dankzij volledige compatibiliteit met DPU-hardwareversnellers. Hoewel post-training pruning op basis van globale kanaalrangschikking is onderzocht, is de effectiviteit beperkt door het inherent gebrek aan redundantie in het model. Daarentegen compenseert quantization-aware training (QAT) succesvol het nauwkeurigheidsverlies tijdens INT8-kwantisatie, waarmee real-time prestaties (2,8 ms/frame) bij een ultralaag energieverbruik (1,77 mW) worden bereikt op het KV260 embedded platform.
Gemotiveerd door de beperkingen van bestaande datasets wordt een nieuw acquisitieplatform voorgesteld, waarbij gebruik wordt gemaakt van een Dobot-robotarm voor continue cirkelvormige beweging geïnspireerd op biologische oogbewegingen. Deze methode genereert uniforme gebeurtenisverdelingen en elimineert periodieke artefacten die aanwezig waren in eerdere datasets, wat robuustere training en evaluatie van neurale netwerken op gebeurtenisgegevens ondersteunt.
Meer lezen

Improving RNA interference-based pest control using cationic polymethacrylate polymers: a case study in Spodoptera frugiperda and Leptinotarsa decemlineata

Universiteit Gent
2025
Simon
Vermeulen
Biotische factoren, zoals landbouwplagen, dragen wereldwijd aanzienlijk bij aan oogst- en voedselverliezen. Momenteel worden synthetische pesticiden nog vaak ingezet om deze organismen te bestrijden. Vanwege problemen met persistente residuvorming, risico’s voor de volksgezondheid en het ontstaan van resistentie, gecombineerd met een toenemende stimulans voor geïntegreerde plaagbeheersing, is een geleidelijke vervanging door nieuwe, veilige bestrijdingsstrategieën, zoals RNAi, noodzakelijk. Om complicaties met genetische modificatie te vermijden, kan een sproei-gebaseerde aanpak worden toegepast. Echter, hierbij blijft er onwetendheid bestaan. Deze scriptie onderzocht de potentie van de polymeren PAEMA en PGUMA, in verschillende configuraties, om deze uitdagingen te helpen overwinnen aan de hand van vier functionele parameters: de stabiliteit van dsRNA in larvale darmextracten via ex vivo degradatie-assays, niet-doelwit toxiciteit via in vitro assays, en cellulaire opname alsook polyplexvrijgave middels confocale microscopie.
Meer lezen

Duurzaamheidsrapportering en de Erosie van het EU-Concurrentievermogen: Een Pad Naar Industriële Vernieuwing

Universiteit Gent
2025
LAURENZ MAXIMUS
BOURGONJON
Deze thesis onderzoekt de groeiende spanning tussen de ambitieuze duurzaamheidsagenda van de EU en het afnemende concurrentievermogen van haar kernindustrieën. De centrale vaststelling is dat niet de duurzaamheidsdoelen zelf, maar de diepgewortelde beleidsonzekerheid—veroorzaakt door inconsistente regels, hoge energiekosten en een gebrek aan een gelijk speelveld—de voornaamste rem op investeringen en concurrentiekracht is. Aan de hand van diepte-interviews met sleutelfiguren uit de industrie (ArcelorMittal), de politiek en de academische wereld, analyseert het onderzoek de concrete impact op strategische sectoren zoals staal, energie en kritieke grondstoffen. De conclusie is dat een succesvolle industriële heropleving enkel mogelijk is als de EU een proactief en voorspelbaar beleid voert dat een eerlijk speelveld garandeert, waardoor haar duurzaamheidsagenda een motor voor innovatie wordt in plaats van een bron van onzekerheid.
Meer lezen

Metastable strings in the Early Universe: Stability & gravitational wave signal

Vrije Universiteit Brussel
2025
Maxime
Grandjean
When fundamental symmetries break during early universe phase transitions the resulting scalar field can develop non trivial space dependent configurations of non-vanishing energy density, known as defects; examples of which include domain walls, cosmic strings and monopoles. These defects form a network of extended object, which can play an active role in the dynamics of the early universe, such as generating a gravitational wave background (GWB). Remarkably, Pulsar Timing Array (PTA) experiments have recently reported the first evidence of a GWB, making the study of defects particularly timely and relevant. While the PTA excess is most likely of astrophysical origin, an exciting prospect is a GWB of cosmological origin. In this thesis, a GWB generated by cosmic strings in the early universe is studied. In particular, a model of two subsequent phase transitions is considered in which, under certain conditions, metastable cosmic strings can emerge during the second transition. Specifically, metastable strings have a probability to decay through a quantum tunneling process in which monopoles are nucleated along the strings, effectively reducing their lifetime. Within this model, we will perform a classical stability analysis on the string solutions in order to investigate whether they are long lived enough to have any impactful phenomenology. Finally, we discuss the implications of the determined stability conditions on the predicted gravitational wave spectrum, and how it affects the detectability of this scenario in GW experiments, including PTA.
Meer lezen

Balancing Sovereignty, Solidarity and EU Discourse: Türkiye’s Contradictory Approaches to Kurdish Autonomy and Palestinian Rights

KU Leuven
2025
Zozan
Arslan
Mijn masterscriptie onderzoekt hoe de Europese Unie reageert op het standpunt van Turkije over twee gevoelige kwesties: de onderdrukking van de Koerdische minderheid in eigen land en de steun voor de Palestijnse zaak in het buitenland. Door EU-rapporten en toespraken van president Erdoğan te analyseren, laat ik zien hoe Europa haar politieke principes inconsistent toepast. Als het om Koerdische rechten gaat, zijn EU-documenten voorzichtig en bureaucratisch. Maar in het geval van Turkije's steun aan Hamas wordt de taal van de EU scherp en moreel. Deze vergelijking laat zien dat de reacties van de EU niet altijd worden geleid door universele mensenrechtennormen, maar vaak door geopolitieke belangen.
Meer lezen

China en Zuid-Korea: Vriend of vijand? Onderzoek naar het discours van presidenten Moon Jae-in en Yoon Suk-yeol over de bilaterale relatie tussen China en Zuid-Korea

KU Leuven
2025
Basile
Moyaerts
Deze thesis onderzoekt hoe de Zuid-Koreaanse presidenten Moon Jae-in (2017–2022) en Yoon Suk-yeol (2022–) hun relatie met China construeren in officiële toespraken. Uit een analyse van de speeches blijkt een opvallende continuïteit: economische samenwerking met China wordt systematisch benadrukt, terwijl gevoelige thema’s zoals Taiwan, Hongkong en de Zuid-Chinese Zee vrijwel onbesproken blijven of enkel in neutrale termen verschijnen. Ondanks hun verschillende politieke kleur volgen beide presidenten dezelfde lijn: zakelijk warm, politiek koel. Dit patroon toont hoe Zuid-Korea als middenmacht bewust inzet op “double hedging”: handel koesteren, confrontatie vermijden en zo manoeuvreerruimte behouden tussen Washington en Beijing.
Meer lezen

Gletsjertoerisme: laatste kans in een vicieuze cirkel

Erasmushogeschool Brussel
2025
Runa
Swiggers
Gletsjers smelten wereldwijd steeds sneller. Dit heeft niet alleen een lokale impact, maar ook een globale. Toeristen worden dan ook wel eens aangemoedigd om gletsjers een laatste keer te zien. Hierdoor komt juist een vicieuze cirkel tot stand waarbij er meer aandacht wordt gevestigd op het probleem, maar tegelijkertijd meer uitstoot vrijkomt bij die reis, wat bijdraagt aan klimaatverandering.
Meer lezen

Crustatieve zorg voor mensen met ernstige persisterende psychiatrische aandoeningen : De meerwaarde door de ogen van patiënten

Universiteit Gent
2025
Nina
Harth
Probleemstelling : Personen met ernstige, persisterende psychiatrische aandoeningen (EPPA), zoals schizofrenie, zware depressie of eetstoornissen, ervaren langdurige en complexe zorgnoden. In de huidige zorgcontext dreigen personen met EPPA echter onder- of overbehandeld te worden. Om die reden werd crustatieve zorg ontwikkeld: een innovatief zorgmodel dat palliatieve principes toepast binnen de psychiatrie en focust op kwaliteit van leven. Hoewel eerste ervaringen met dit zorgmodel wijzen op een verbeterd welzijn van patiënten, ontbreekt wetenschappelijke onderbouwing. Dit onderzoek wil dit hiaat vullen door het belevingsperspectief van personen met EPPA binnen crustatieve zorg te verkennen

Methode : Er werden 15 semigestructureerde interviews afgenomen bij personen met EPPA in drie Vlaamse voorzieningen die crustatieve zorg aanbieden Bijkomend werd foto-elicitatie ingezet om het narratief te ondersteunen. De interviews werden onderworpen aan een thematische analyse.

Resultaten : Uit de analyse kwamen vier hoofdthema’s naar voren: (1) sociale connectie; (2) zorg; (3) zingeving; en (4) identiteit. De analyse identificeerde spanningsvelden rond dwang en autonomie, sociale isolatie en organisatorische belemmeringen, die het welzijn beïnvloeden. Bewoners waardeerden vooral stabiliteit, structuur en nabijheid van zorgverleners, maar gaven ook aan nood te hebben aan meer inspraak, minder dwang en meer sociale connectie.

Conclusie : De resultaten tonen dat crustatieve zorg belangrijke (zorg)noden weet in te vullen. Tegelijkertijd beperken spanningsvelden het potentieel van het model. Het verminderen van deze spanningsvelden vraagt om versterking van inspraak in zorgtrajecten, actieve doorbreking van sociale isolatie, proactieve somatische zorg, en organisatorische ruimte om maatwerk te bieden.
Meer lezen

Development of Braided Peltier Devices to Achieve Thermoelectric Cooling in Shape Memory Alloy Actuation Mechanisms

Universiteit Gent
2025
Cynthia
Wang
This dissertation investigates the design and development of braided Peltier devices for achieving active thermoelectric cooling in shape memory alloy (SMA) actuation mechanisms. The research focuses on the integration of periodically nickel-electroplated thermoelectric fibres into flexible braided textile structures that thermally couple and act as a sheath to SMA wires. By leveraging the Peltier effect within the braid architecture, the system is designed to enhance the thermal management and dynamic response of the SMA-based actuators. The work includes fibre fabrication, braid prototyping, electrical and thermal characterisation, and performance testing of the integrated thermoelectric-SMA smart textile. Results indicate that while passive thermoelectric integration modestly improves actuation timing and force response, active Peltier cooling alone was unable to overcome the dominant effects of Joule heating in the current system. Nonetheless, the trends observed suggest potential for improving thermal management in smart textile systems through enhanced thermoelectric design. The findings contribute to the advancement of flexible, textile-integrated thermoelectric devices and their application in wearables and responsive materials.
Meer lezen

'Netwerk niet beschikbaar' De impact van ouderlijk schermgebruik op de ontwikkeling van het kind

Thomas More Hogeschool
2025
Roos
Leten
Deze bachelorproef onderzoekt de impact van problematisch schermgebruik door ouders op de ontwikkeling van hun kind tijdens het eerste levensjaar. In een tijd waarin ouders gemiddeld vijf uur per dag op hun smartphone actief zijn, moet hun baby die cruciale eerste levensfase vaak concurreren met een scherm. Dit fenomeen, bekend als parental technoference of phubbing, kan zowel de ouder-kindinteractie als de ontwikkeling van het kind ernstig verstoren.
In deze literatuurstudie werd er systematisch gezocht naar recente wetenschappelijke inzichten over ouderlijk schermgebruik en de effecten ervan op baby’s in hun eerste levensjaar.
Resultaten tonen aan dat afgeleid ouderschap negatieve effecten heeft op meerdere
ontwikkelingsdomeinen van het jonge kind. Minder ouderlijke betrokkenheid leidt tot een
beperking van motorische stimulatie en exploratie, verminderde cognitieve prikkels en taalinput, en meer stress- en protestgedrag bij baby’s. Dit kan de veilige hechting bemoeilijken, waardoor het belangrijk is extra aandacht te besteden aan vertrouwen, emotionele stabiliteit en verbondenheid om blijvende negatieve gevolgen te voorkomen.
Een vroedvrouw volgt als professional gezinnen in het eerste levensjaar intensief op. Tijdens deze begeleiding kan zij ouders sensibiliseren rond de risico’s van overmatig schermgebruik. Door observaties, gesprekken en praktische tools kan de vroedvrouw ouders bewustmaken en ondersteunen in het creëren van warme, responsieve en authentieke interacties met hun baby.
Deze bachelorproef onderstreept de maatschappelijke relevantie van bewuster omgaan met technologie in de eerste levensfase van een kind en pleit voor een actieve rol van de vroedvrouw in dit actuele thema.
Meer lezen

Sincerity, Strength, and Spin: Putin’s Brand in a Decade of Direct Line. Applying Aaker’s Brand Personality Framework to Authoritarian Image Management.

KU Leuven
2025
Sofie
Poestovit
This thesis examines how Vladimir Putin has adjusted his personal brand over a ten-year period by analyzing three episodes of the televised program Direct Line with Vladimir Putin from 2014, 2019, and 2024. In modern authoritarian regimes, popularity and public legitimacy are crucial for maintaining power. This research applies Jennifer Aaker’s Five Dimensions of Brand Personality: Sincerity, Excitement, Competence, Ruggedness, and Sophistication, as a coding framework to assess how Putin constructs and adapts his image in response to changing political and social contexts. Four hypotheses were tested: (1) that Putin’s brand primarily uses Sincerity, Excitement, and Competence; (2) that Competence is emphasized during economically stable periods; (3) that Ruggedness and Daring increase during international crises and (4) that Excitement becomes more prominent when public mobilization is needed. The findings affirm the first two hypotheses. Sincerity, Excitement, and Competence consistently dominate Putin’s image, with a notable emphasis on Competence in 2019. The third hypothesis receives partial support, as Ruggedness increases during crisis years, though mainly in domestic contexts. The fourth hypothesis is not supported, as no significant rise in Excitement was observed in 2024. This study contributes to the field of political marketing in authoritarian regimes and offers a deeper understanding of how contemporary autocrats use media and personal branding to maintain legitimacy and control.
Meer lezen

TRIPI door doet_ Bouwstenen van duurzaam design

Thomas More Hogeschool
2025
Lucas
Desmet
Genomineerde shortlist Bachelorprijs
Deze masterproef onderzoekt hoe een stenen tafel ontworpen kan worden met een minimum aan onderdelen, gemaakt uit reststromen natuursteen, en toch volledig demonteerbaar blijft. Het resultaat is TRIPI, een circulaire tafel, gemakkelijk transporteerbaar, modulair, zonder gebruik van vaste verbindingen.

Het eerste luik - ontwerp - vertrekt vanuit de vraag hoe een tafel enkel door massa en stabiliteit gedragen kan worden. Inspiratie werd gehaald uit kunstwerken zoals ‘Props’ van Richard Serra en prehistorische megalithische architectuur, aangevuld met een historische analyse van de monopode als archetypische en rituele vorm. Parallel werd de praktijk van hergebruik in steenproductie bestudeerd, zowel in een historische als hedendaagse context. Dit vormde de basis voor TRIPI als een eigentijdse monopode die diepe wortels in de geschiedenis verbindt met circulaire innovatie. Het ontwerpproces omvatte onderzoek naar reststromen natuursteen, marktonderzoek naar prijs en vraag, en de ontwikkeling van een ontwerpmethodiek met meerdere prototypes, waarin circulaire principes centraal stonden: het hergebruik van kleinere reststukken natuursteen van steenkappers als volwaardige bouwstenen voor een nieuw meubel.

Het tweede luik - uitvoering - vertaalt het ontwerp naar een concreet uitvoeringsdossier. TRIPI bestaat uit drie poten, drie bladdelen en één sluitstuk in gerecycled staal. In het dossier werden constructief-technische tekeningen uitgewerkt, aangevuld met materiaalanalyses en prototyping in terrazzo, staal, hout en EPDM. Daarnaast bevat dit luik een handleiding voor montage, een materialenpaspoort en een technische fiche. Dankzij de modulaire opbouw weegt geen enkel onderdeel meer dan 10 kilogram, waardoor de tafel niet alleen licht en verplaatsbaar is, maar ook eenvoudig flatpack te transporteren.

Het derde luik - marketing - bekijkt TRIPI als product binnen de meubelmarkt. Er werd een kostprijsberekening opgesteld, inclusief de prijs van de dummy, verzekeringswaarde en verkoopprijs, om het economische potentieel in kaart te brengen. Door reststromen natuursteen te valoriseren in een modulair designmeubel, kan dit systeem bijdragen aan de verduurzaming van de steenverwerkende sector, terwijl het consumenten een circulaire én luxueuze tafel aanbiedt die levenslang kan meegroeien met hun woonomstandigheden.

De scriptie toont zo hoe ontwerp, technische uitvoering en marktbenadering samenkomen in een concreet product dat een antwoord biedt op twee uitdagingen: de verspilling van waardevolle natuursteenresten en de vraag naar lichtere, duurzamere tafels. TRIPI is dus meer dan een tafel: het zijn bouwstenen van duurzaam design.
Meer lezen

Tussen voelen en vertellen: De emotionele cultuur tijdens de jaren 1960 in Vlaanderen

KU Leuven
2025
Lies-An
Desaever
Dit onderzoek focust zich op het voelen en het vertellen. Centraal staan de emotionele
herinneringen en herinnerde emoties van vertellers die opgroeiden tijdens de jaren 1960. Aan de hand van mondelinge interviews werd onderzocht hoe de emotionele cultuur in Vlaanderen tijdens dit decennium verschoof, en hoe de emotionele stijlen tussen stad en platteland verschilden. Daarvoor werden achttien vertellers geselecteerd die zowel op het West- en Oost-Vlaamse platteland als in de steden Kortrijk en Gent opgroeiden tijdens hun tienerjaren.

De analyse onderscheidt drie thema’s die inzicht geven in de toenmalige emotionele cultuur: het emotionele zelf, het gezin en de gemeenschap, en de invloed van technologie en de opkomst van de consumptiecultuur. De interviews tonen aan dat er een overgangsfase plaatsvond in de emotionele beleving, waarin de externe en relationele emoties aan belang verloren ten voordele van het interne zelf. Binnen de emotionele opvoeding is er vooral een verschil te zien, waarbij autoriteitsfiguren streefden naar stabiliteit en discipline, terwijl jongeren naar vrijheid en verbondenheid verlangden. De opkomst van de consumptiecultuur en de verspreiding van technologie beïnvloedde eveneens het emotioneel zijn. Er ontstond een tendens van verbondenheid en afstand, collectief geluk, maar vooral een stijgend individualisme.

Dit onderzoek biedt een andere kijk op het verleden door de focus te leggen op het belang van emoties. Het brengt de belevingsdimensie van het persoonlijke en geleefde verleden in beeld en toont hoe jongeren hun emoties ontwikkelden in een veranderende samenleving. Het theoretische fundament van dit onderzoek combineert inzichten uit de emotiegeschiedenis en mondelinge geschiedenis, en vult hiaten aan met multidisciplinaire literatuur. Zo levert dit onderzoek zowel methodologisch als inhoudelijk een bijdrage aan de historiografie. Het bewijst een vruchtbaar pad voor verder onderzoek naar de wisselwerking tussen emotie, herinnering en identiteit in verschillende historische contexten.
Meer lezen

Bouwen aan vertrouwen: de wisselwerking tussen politie en socio-preventieve actoren in de strijd tegen radicalisering in West-Vlaanderen

Universiteit Gent
2025
Zoë
Bouttry
Inleiding en literatuuroverzicht
Sinds 9/11 is de beleidsaandacht voor radicalisering aanzienlijk toegenomen. In België leidde dit tot de oprichting van een multidisciplinair coördinatieorgaan, dat zowel preventieve als repressieve benaderingen hanteert. Vertrouwen wordt daarbij gezien als de sleutel tot succesvolle samenwerking en effectieve resultaten. Het is dan ook cruciaal om te onderzoeken hoe vertrouwen wordt opgebouwd en hoe mogelijke barrières daarbij worden aangepakt. De context waarin deze coördinatie plaatsvindt, kan bovendien beïnvloed worden door uiteenlopende factoren, zoals politieke dynamieken, bevolkingsgroei en casusgebonden verschillen. De specifieke impact van deze factoren is echter nog niet onderzocht in Vlaanderen. Dit onderzoek heeft tot doel beide elementen te bestuderen door de volgende onderzoeksvraag te beantwoorden:
‘Hoe beïnvloedt het niveau van vertrouwen tussen politie en socio-preventieve actoren de effectiviteit van hun samenwerking bij de preventie van radicalisering in gemeenten in West-Vlaanderen?’

Methodologie
Deze masterproef maakt gebruik van semigestructureerde, kwalitatieve interviews. In totaal werden tien interviews afgenomen, waarvan de transcripties nadien geanalyseerd werden met behulp van NVivo. De respondenten werden geselecteerd uit verschillende gemeenten in West-Vlaanderen.

Resultaten
Uit de analyse kwamen twee belangrijke thema’s naar voren: de rol van vertrouwen in multidisciplinaire samenwerking rond radicaliseringspreventie en de contextuele factoren die deze samenwerking beïnvloeden.

Het eerste thema betreft vertrouwen. De meeste gemeenten rapporteren een sterk vertrouwen, opgebouwd door rechtstreeks contact, duidelijke afspraken, open communicatie, netwerking, stabiliteit en alertheid voor valkuilen. Eén gemeente, die zich nog in een beginfase bevindt, is nog bezig deze basis te leggen. Wantrouwen kan echter ontstaan, vooral bij partners die verbonden zijn aan onderwijsinstellingen. Ook personeelswissels kunnen wantrouwen in de hand werken.

Het tweede thema gaat in op de contextuele factoren. Sinds de verkiezingen van oktober 2024 zijn er in enkele gemeenten bestuurderswissels geweest. Deze veranderingen hebben geleid tot logistieke aanpassingen, zoals de vergaderfrequentie, maar niet tot een verminderde prioriteit. Casusgebonden verschillen worden vooral gestuurd door supralokale fenomenen, niet door veranderingen binnen de gemeenten zelf. Ten slotte blijkt dat veel gemeenten geen systematische evaluatieprocessen hanteren, waardoor mogelijkheden om de effectiviteit van hun aanpak te beoordelen en verbeteren beperkt blijven.

Conclusie
Dit onderzoek benadrukt de centrale rol van vertrouwen in de samenwerking tussen politie en socio-preventieve actoren, aangezien dit rechtstreeks invloed heeft op informatie-uitwisseling en operationele slagkracht. Externe factoren, zoals de beschikbaarheid van middelen en de politieke context, dragen sterk bij aan verschillen in effectiviteit tussen gemeenten. Belangrijke uitdagingen zijn blijvend wantrouwen, het ontbreken van systematische evaluaties en complexiteiten zoals bovenlokale dossiers. Het aanpakken van deze tekortkomingen is essentieel om de impact van de LIVC-R-werkingen in West-Vlaanderen te versterken.
Meer lezen