Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Op jacht naar de Wilde Jagers: Een vergelijkend onderzoek naar de karakterisering van de leider van de Wilde Jacht

KU Leuven
2026
Nele
Peeters
Dit paper onderzoekt de karakterisering van de leider van de Wilde Jacht. Dit gebeurde door middel van een reeks casestudies waarin verschillende figuren aan bod kwamen: Odin, vrouw Holle, Tilke, Herne the Hunter, Gwyn ap Nudd en Arawn. Van de eerste vijf personages uit deze selectie bestaan verhalen waarin ze functioneren als leider van de Wilde Jacht. Het laatste personage lijkt echter geen leider van de Wilde Jacht te zijn hoewel zijn attributen en karakterisering in zijn eigen mythologie verder grotendeels vergelijkbaar is met die van Gwyn ap Nudd die deze rol wel bekleed. Verder wordt ook de rol van het paard en de hond binnen de Wilde Jacht onder de loep genomen met Sleipnir, de Cŵn Annwn en de Britse black dog-folklore als voorbeelden. Bij het onderzoeken van de karakterisering van deze personages wordt er zowel naar hun eigen mythologie los van de Jacht, als naar hun Jachtverhalen gekeken. Wanneer deze personages vergeleken worden, blijkt dat er een archetype bestaat waaraan de leider van de Wilde Jacht moet voldoen: hij of zij moet zich vrij kunnen verplaatsen, is in staat om de grenzen tussen rijken over te steken, mag niet beperkt worden tot een normale menselijke levensspanne en moet moreel ambigu of kwaadaardig zijn.
Meer lezen

From soil to satellite: wildfire detection and vegetation recovery monitoring

Universiteit Gent
2026
Astrid
Peeters
Deze thesis onderzoekt de ecologische gevolgen van de bosbrand van 23 maart
2025 in de Clingse Bossen en evalueert het gebruik van satellietbeelden voor de
detectie van verbrande gebieden en de monitoring van vegetatieherstel. De brand
in Clinge vond plaats in een ecosysteem dat reeds onder druk stond door een
grootschalige fijnsparsterfte (Picea abies) als gevolg van aantastingen door de let
terzetter (Ips typographus). De resultaten tonen aan dat de brand, ondanks haar
relatief lage intensiteit, duidelijke effecten had op zowel de bodem als de vegetatie.
Verbrande bodems vertoonden veranderingen in waterafstotendheid, bulkdichtheid
en pH. Zowel de vegetatiebedekking als het aantal soorten namen toe tijdens het
eerste jaar na de brand, maar het herstel werd sterk gedomineerd door schapenzur
ing (Rumex acetosella), een pionierssoort die goed aangepast is aan droge, voed
selarme en verstoorde zandgronden.

Daarnaast werd onderzocht hoe verschillende spectrale indices op basis van Sentinel
2 kunnen worden ingezet voor branddetectie en post-brandmonitoring. Hiervoor
werden brandlocaties in Clinge, Arlon, Maasmechelen en Houffalize geanalyseerd.
Indices zoals NDVI, NDVI red edge, NBR, NBR+, NBR2, NDSWIR en BAI werden
vergeleken voor het detecteren van verbrande zones, waarbij NBR over het alge
meen de beste resultaten opleverde. Daarnaast werd de Post-Fire Stability Index
(PFSI), gebaseerd op NBR2, gebruikt om vegetatieherstel doorheen de tijd op te
volgen. De resultaten tonen aan dat Sentinel-2 en afgeleide indices waardevolle
instrumenten zijn voor het detecteren van natuurbranden en het monitoren van
herstelprocessen in België.
Meer lezen

Clean energy, but contaminated waters? Assessing the effects of indium and gallium emissions from offshore wind farms on Corophium volutator and Danio rerio

Universiteit Antwerpen
2026
Jens
Broeckx
Offshore windparken (OWF’s) breiden zich in hoog tempo uit als onderdeel van de wereldwijde energietransitie, maar de ecotoxicologische gevolgen van hun chemische emissies zijn nog steeds slecht begrepen. Opofferingsanodes die worden gebruikt voor kathodische bescherming in turbinefunderingen geven de voor de technologie essentiële elementen indium (In) en gallium (Ga) af aan het mariene milieu. Terwijl andere metalen afkomstig van OWF’s, waaronder aluminium, zink, koper, cadmium en lood, uitgebreid zijn onderzocht, zijn er nog steeds weinig ecotoxicologische gegevens over In en Ga beschikbaar. In deze studie werden de effecten van In en Ga op twee modelorganismen beoordeeld: de in marien sediment levende amfipode Corophium volutator, die gedurende 28 dagen werd blootgesteld aan met metalen verrijkt sediment, en de zoetwaterzebravis Danio rerio, die gedurende 120 uur na bevruchting afzonderlijk werd blootgesteld aan In en Ga in het water.

Bij geen van beide soorten werd bij de geteste concentraties een significante sterfte waargenomen. Bij C. volutator was de specifieke groeisnelheid bij de hoogste concentratie significant verhoogd, wat mogelijk wijst op hormesis. In het weefsel en het sediment van C. volutator werd een concentratieafhankelijke accumulatie van beide metalen aangetoond. Indium werd bijna volledig in de sedimentfase vastgehouden en bleef bij alle behandelingen onder de detectielimiet in het bovenliggende water. De accumulatiefactoren voor biota en sediment (BSAF’s) waren significant hoger voor In dan voor Ga, wat wijst op een onevenredig hogere biologische beschikbaarheid van In ondanks de lagere concentraties in opgeloste vorm. Bij D. rerio accumuleerden beide metalen op een concentratieafhankelijke manier. Gallium bleef overwegend opgelost (>80%) en vertoonde een duidelijke monotone dosis-respons in larvenweefsel. Indium daarentegen was grotendeels in de vorm van deeltjes (<2% opgelost), wat de blootstelling via het water beperkte. Een nieuwe bevinding was een mogelijke omgekeerde relatie tussen de blootstellingsconcentratie van In en de Ga-accumulatie bij aan In blootgestelde larven, wat wijst op remming van de Ga-opname door In, mogelijk via gedeelde ijzertransportroutes. Morfologische afwijkingen bij D. rerio kwamen zelden voor en konden niet op betrouwbare wijze worden toegeschreven aan blootstelling aan metalen.

Deze resultaten wijzen erop dat het belangrijkste ecologische risico van uit OWF’s afkomstig In en Ga in het sediment ligt, waarbij benthische organismen waarschijnlijk een groter risico op blootstelling aan deze metalen hebben dan pelagische organismen. Dit onderzoek vormt een basis voor toekomstige risicobeoordelingen en benadrukt de noodzaak om monitoring van de sedimentkwaliteit op te nemen in kaders voor milieurisicobeoordeling en -beheer met betrekking tot OWF’s.
Meer lezen

BelRAI in de praktijk: hoe vertalen we de resultaten naar zorg op maat?

Hogeschool VIVES
2026
Guillian
Vanhaelst
In woonzorgcentra wordt via BelRAI-LTCF veel informatie verzameld over het functioneren, de zorgnoden en de aandachtspunten van bewoners. De resultaten van deze inschaling worden echter niet altijd systematisch vertaald naar concrete en evalueerbare zorgdoelen en acties. Dit onderzoek ging daarom na hoe de resultaten van een BelRAI-inschaling systematisch kunnen worden vertaald naar SMART-zorgdoelstellingen en acties voor bewoners in een woonzorgcentrum.

Hiervoor werd eerst de bestaande wetenschappelijke literatuur en relevante richtlijnen onderzocht. Vervolgens werd het BelRAI-proces binnen de eigen voorziening in kaart gebracht en werd de werkwijze in twee andere zorgorganisaties onderzocht. Door deze bevindingen met elkaar te vergelijken, werden belangrijke stappen geïdentificeerd die nodig zijn om van een BelRAI-resultaat tot doelgerichte zorg te komen.

Uit het onderzoek bleek dat vooral het gericht verzamelen van aanvullende observaties, het multidisciplinair bespreken van resultaten, het betrekken van het perspectief van de bewoner en het concreet vastleggen en opvolgen van zorgdoelen belangrijke schakels vormen. Op basis hiervan werd een mogelijke werkwijze ontwikkeld, samen met ondersteunende hulpmiddelen zoals een observatiebundel, een voorstel voor taakverdeling, een voorbereiding voor het multidisciplinair overleg en een SMART-doelstellingensjabloon.

De ontwikkelde werkwijze en hulpmiddelen vormen een basis voor verdere implementatie en evaluatie in de praktijk. Zo wil het onderzoek bijdragen aan een zorgplanning waarin informatie uit BelRAI niet alleen wordt geregistreerd, maar ook daadwerkelijk wordt gebruikt om zorg af te stemmen op wat voor de individuele bewoner belangrijk is.
Meer lezen

Van kerk naar pedagogische ontmoetingsruimte

Hogeschool UCLL
2026
Maxime
Neven
Dit ontwerpgericht onderzoek verkent een mogelijke nieuwe indeling voor de Sint-Pieterskerk van Sint-Truiden. De kerkruimte fungeert iedere donderdagvoormiddag als spel- en ontmoetingsruimte bij de organisatie KOALA voor kwetsbare gezinnen met kinderen tussen de nul en drie jaar. De aanleiding voor dit onderzoek vloeit voort uit de signalen van de begeleiders over de indeling en inkleding van de kerkruimte. Die zou naar hun mening onvoldoende aansluiten bij hun eigen noden, hun visie, de noden van de ouders en die van de kinderen. De centrale onderzoeksvraag luidt: Hoe kan de kerkruimte van KOALA Sint-Truiden worden ingericht zodat ze aansluit bij de pedagogische noden en leefwereld van kwetsbare gezinnen met jonge kinderen (0-3 jaar)?
De studie is theoretisch onderbouwd met inzichten uit onder meer het ecocipatieperspectief (Cockx, 2007) en de visie omtrent de ruimte als derde pedagoog (Malaguzzi in Reggio Emilia Approach, 2022). Deze kader hielpen om de relevantie van die onderzoek te kaderen binnen de richting Sociale Readaptatiewetenschappen.
De onderzoeksmethode bestond enerzijds uit kwalitatieve dataverzameling via individuele, semigestructureerde interviews met de begeleiders en de ouders. Op deze manier werd de huidige beleving van de kerkruimte in kaart gebracht, alsook de noden en behoeften die er leefden. Anderzijds werden er na uit uitvoeren van een aantal aanpassingen participerende observaties gevoerd, om ook de jonge kinderen te laten participeren en mee te nemen in dit onderzoek. Daarnaast werden tussentijds de ouders en begeleiders bevraagd over de uitgevoerde aanpassingen.
Uit de resultaten van de interviews kwamen vijf belangrijke wensen naar boven: meer gebruik maken van de beschikbare speelruimte, duidelijkheid creëren omtrent de ingang (een warm welkom), zorgen voor herkenbaarheid en erkenbaarheid, een gezellige sfeer creëren en de koude overbruggen. Voor elk van deze wensen werd een ontwerp opgesteld en goedgekeurd.
Meer lezen

Late Antique Little Ice Age in North America: Insights from the oldest trees in the world

Universiteit Gent
2026
Janne
De Vreese
De Late Antieke Kleine Ijstijd (LALIA; 536-660 n.Chr.) is een periode van vulkanisch veroorzaakte klimaatafkoeling die goed gedocumenteerd is in Eurazië, maar onvoldoende gekarakteriseerd in West-Noord-Amerika. Deze studie onderzoekt de expressie van de LALIA in de White Mountains van Californië aan de hand van maximale laathoutdichtheid (MXD), verkregen via X-ray micro-computed tomography, en Raman-spectroscopische analyses van laathoutcellen in bristlecone pine (Pinus longaeva). De doelstellingen zijn het reconstrueren van regionale klimaatvariabiliteit, evalueren van het vermogen van Raman-spectroscopie om lignificatie-anomalieën geassocieerd met blue-ringvorming (BR) te detecteren, onderzoeken van de combinatie van MXD en Raman-gebaseerde proxies, en analyseren van hun respons op vulkanisch veroorzaakte afkoeling.
De MXD-reconstructie toont kortdurende afkoeling na de uitbarstingen van 536, 540 en 547 n.Chr., maar het LALIA-interval wordt gekenmerkt door uitgesproken interjaarlijkse variabiliteit en een relatief hoge gemiddelde temperatuur, eerder dan door langdurige aanhoudende afkoeling, in contrast met aanhoudende afkoeling gerapporteerd voor Euraziatische delen. Door de meest uitgebreide Raman-gebaseerde dendrochronologische dataset te construeren, toont deze studie dat Raman-spectroscopie lignificatie-anomalieën geassocieerd met BR-vorming detecteert, waarbij lignine-celluloseverhoudingen en lignine-celluloseverschillen de hoogste gevoeligheid vertonen en aanvullende onafhankelijke informatie bevatten ten opzichte van traditionele jaarringproxies. Zowel MXD als Raman-afgeleide lignificatiekenmerken vertonen consistent vertraagde responsen na grote uitbarstingen, wat suggereert dat combineren van proxies complementaire aspecten van fysiologische responsen op abrupte afkoeling vastlegt.
Deze resultaten ondersteunen een regionaal heterogene LALIA-expressie en tonen het potentieel aan van Raman-spectroscopie als dendroklimatologisch instrument. Instrumentele validatie, uitgebreide replicatie en grotere temporele dekking zijn noodzakelijke volgende stappen om Raman-afgeleide lignificatiekenmerken te vestigen als betrouwbare indicatoren van abrupte afkoeling.
Meer lezen

Oude meubels, nieuwe verbindingen : Een ontwerpend onderzoek naar hergebruik en combinatiemogelijkheden

Universiteit Hasselt
2026
Paulien
Ceyssens
In Vlaanderen vormt het aanwezige meubilair bij renovaties van oudere woningen en bij multigenerationele woonvormen, zoals kangoeroewonen, vaak een uitdaging voor overeenstemming tussen generaties. Gebrek aan consensus tussen generaties leidt er regelmatig toe dat waardevolle oude Vlaamse meubels en erfstukken worden afgedankt. Deze thesis onderzoekt op welke manier hergebruik en herontwerp van typische oude Vlaamse meubels uit woningen van (groot)ouders een verbindende rol kunnen spelen binnen multigenerationeel samenleven in bestaande Vlaamse woningen.
Het onderzoek richt zich op de omgang met aanwezige oudere meubelstukken en verkent hoe deze kunnen worden geïnventariseerd, herbestemd en opnieuw samengesteld tot hedendaagse meubels die door meerdere generaties als functioneel, bruikbaar en esthetisch waardevol worden ervaren. Het bestaande interieur wordt daarbij benaderd als een materialenbank, waarbij behoud en herinterpretatie worden onderzocht als alternatief voor afdanken. Daarnaast wordt het principe van urban mining toegepast op de schaal van meubels en interieur, met specifieke aandacht voor typische oude Vlaamse meubelstukken.
Methodologisch combineert de thesis literatuurstudie met ontwerpgericht onderzoek. Relevante theoretische kaders rond meubelhergebruik, duurzaamheid en intergenerationele verbondenheid worden aangevuld met drie eigen casestudy’s, die worden uitgewerkt aan de hand van 3D uitwerkingen en fotocollages als visuele en ontwerpende dragers van het onderzoek. Het hieraan gekoppelde masterproject bestaat uit een hands-on ontwerpend onderzoek naar hergebruik en combinatiemogelijkheden van oude meubels, die ik effectief op schaal 1/1 uitwerk.
De verworven inzichten monden uit in de ontwikkelingen van een methode en concrete ontwerpvoorbeelden voor het hergebruik en herontwerp van oude meubels als verbindende elementen binnen een multigenerationele woning. Deze methode wordt toegepast op verschillende oude meubels, waardoor de herontworpen meubelstukken een centrale rol innemen. De thesis biedt zo zowel een theoretische onderbouwing als een ontwerpgerichte vertaling van meubelhergebruik, met aandacht voor duurzaamheid, erfgoed en intergenerationele samenhang.
Meer lezen

Financiële geletterdheid bij jongeren Jongeren en hun gezin educatief ondersteunen richting meer financiële zelfredzaamheid

Odisee Hogeschool
2026
Sofie
Smits
Deze bachelorproef onderzoekt hoe ouders, onderwijs en hulpverlening kinderen en jongeren krachtgericht kunnen ondersteunen bij financiële zelfredzaamheid. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar wat jongeren zelf kunnen leren, maar ook naar de omgeving waarin ze opgroeien. Vanuit deze inzichten werd de toolbox Groeien met centjes ontwikkeld zodat financiële opvoeding meegroeit met de leeftijd. Zo biedt de toolbox ouders, scholen en hulpverleners concrete manieren om financiële thema’s bespreekbaar te maken en jongeren te laten oefenen. De belangrijkste conclusie is dat financiële zelfredzaamheid geen individuele opdracht is. Jongeren hebben niet alleen kennis en vaardigheden nodig, maar ook een stabiele basis, ondersteuning en ruimte om te leren, fouten te maken en te groeien. Samenwerking tussen gezin, onderwijs en hulpverlening kan zo bijdragen aan een sterkere financiële start en aan de preventie van financiële problemen en (generatie)armoede.
Meer lezen

Ethiek in de Vlaamse schoolboeken filosofie

KU Leuven
2026
Tomas
Bruyland
Deze masterproef stelt de vraag hoe ethiek benaderd wordt in de Vlaamse schoolboeken filosofie voor de derde graad. Om deze vraag te beantwoorden ontwikkelen we een eigen methodologie. Voor de inhoudelijke analyse wordt uit de meta-ethiek een schema afgeleid. Het analsyeschema voor de vaardigheden wordt opgebouwd vanuit het onderscheid tussen filosofisch-ethische vorming en morele vorming. Deze tweeledige methodologie wordt eerst toegepast op de minimumdoelen en vervolgens op de drie schoolboeken: Filosofie, Agora en Antropia.
De analyse toont een grote verscheidenheid in aanpak bij de drie schoolboeken, maar laat ook een aantal terugkerende zaken zien. Wat meta-ethiek is, wordt niet geëxpliciteerd waardoor ethiek en meta-ethiek niet onderscheiden (kunnen) worden. Ook de meta-ethische positie van de ethische inhoud wordt niet geëxpliciteerd. Morele oordelen komen aan bod zonder dat hun statuut als overtuiging, emotie of feitelijke uitspraak wordt geëxpliciteerd. Hierdoor ontstaat de indruk dat leerlingen verschillende impliciete opvattingen over ethiek aangereikt krijgen, zonder dat deze geëxpliciteerd of bevraagd kunnen worden.
Daarenboven stellen we vast dat de grens tussen filosofisch-ethische vorming en morele vorming vervaagt. In de drie schoolboeken worden leerlingen aangezet tot moreel oordelen en soms zelfs tot moreel handelen, maar deze opdrachten worden in de handleidingen niet expliciet geduid als morele vorming. Hierdoor ontstaat onduidelijkheid over het doel en de aanpak van de opdrachten, wat problematisch is voor leerkracht én leerling. De nadruk van de minimumdoelen op filosofisch-ethische vorming met focus op reflecterend denken wordt niet altijd zuiver nagestreefd in de schoolboeken. Het reflecterend denken wordt regelmatig vermengd met morele vorming.
Inhoudelijk analyseren we de gekozen aanpak als veelal te weinig zuiver descriptief en vaak impliciet normatief. Zowel uit de selectie en ordening van ethische theorieën als uit de concrete uitwerking van voorbeelden en opdrachten menen we bepaalde impliciete visies op ethiek te kunnen afleiden. Omdat deze visies niet expliciet worden verantwoord, zijn er geen mogelijkheden om deze filosofisch ter discussie te stellen.
In de aanpak van de vaardigheden stellen we vast dat de drie schoolboeken in meer of mindere mate inzetten op dialogisch spreken. Dit sluit aan bij de doelstelling van filosofieonderwijs om ruimte te scheppen voor zelfstandig denken. Tegelijk blijkt dat de gekozen werkvormen niet altijd voldoende didactisch worden ondersteund, in het bijzonder wat betreft het filosofisch reflecteren. Het blijft vaak onduidelijk wat onder reflectie precies wordt verstaan en hoe deze vaardigheid systematisch kan worden opgebouwd.
Samenvattend kunnen we concluderen dat ethiekonderwijs in de Vlaamse schoolboeken filosofie meer nood heeft aan explicitering van zowel het statuut van morele uitspraken, de gehanteerde meta-ethische uitgangspunten alsook de doelstellingen van de werkvormen. Een betere explicitering kan bijdragen tot ethiekonderwijs waarin leerlingen meer ruimte krijgen om zelf te reflecteren over wat het betekent om over morele oordelen na te denken.
Meer lezen

Unraveling the Scent of Perfume Dupes

Universiteit Gent
2026
Frances
Aelbrecht
Parfumdupes zijn betaalbare alternatieven voor designerparfums die steeds populairder worden, mede dankzij sociale media zoals TikTok. Maar ruiken ze echt hetzelfde, en zijn ze even veilig? Deze masterproef vergelijkt twee designerparfums met vijftien dupes via chemische analyses en brengt zo hun geurverschillen en mogelijke veiligheidsrisico's in kaart.

De resultaten zijn verrassend. Dupes slagen er goed in de openingsaroma’s na te bootsen, maar naarmate de geur evolueert op de huid, worden de verschillen merkbaar. Diepere noten worden vaak vervangen door goedkopere ingrediënten of simpelweg weggelaten. Een dupe overtuigt dus bij de eerste indruk, maar is niet altijd een volwaardig alternatief.

Wat betreft veiligheid bleek er geen duidelijk verband tussen de prijs van een parfum en de aanwezigheid van problematische stoffen. De allergenen die opdoken in de dupes, waren dezelfde als in de designerparfums. Zorgwekkender was de vondst van safrol en isosafrol in twee parfums van een toeristenmarkt. Deze stoffen zijn in de Europese Unie verboden in cosmetica en worden beschouwd als potentieel kankerverwekkend. Hoewel bijkomende analyses nodig zijn om hun aanwezigheid definitief te bevestigen, is hun detectie opvallend en wijst ze op een mogelijk risico bij parfums die buiten het reguliere handelscircuit worden verkocht.

Of een dupe dus het origineel waard is, hangt uiteindelijk af van wat je zoekt: de geur, de beleving, of een betaalbare prijs. Maar één ding is zeker: weten wat er in je flesje zit, is nooit een overbodige luxe. Want een parfum kies je met je neus, maar de veiligheid ervan verdient een kritische blik.
Meer lezen

Autogenic Pressure Carbonisation of Mixed Non-Recyclable Plastic Waste for Carbon Capture Applications

KU Leuven
2026
Wout
Deconninck
Deze masterproef onderzoekt of moeilijk recycleerbaar plasticafval, zoals PET-afval en sigarettenfilters, kan worden omgezet in poreuze actieve kool voor CO₂-capture. Hiervoor werd autogene drukcarbonisatie (APC) gecombineerd met KOH-activatie. Vooral PET-afval leverde veelbelovende resultaten op: het specifieke oppervlak steeg tot 1205 m²/g en er ontstond een sterk microporeuze structuur die geschikt is voor CO₂-adsorptie. Sigarettenfilters konden eveneens worden omgezet in koolstofrijk materiaal, terwijl een mengsel van beide afvalstromen geen positieve synergie vertoonde. De CO₂-opnametesten toonden hoge, maar nog verkennende waarden. Het onderzoek toont zo het potentieel om moeilijk recycleerbaar afval te valoriseren tot een materiaal met een mogelijke toepassing in CO₂-afvang.
Meer lezen

Assessing nutrition in sarcoma patients throughout their treatment: malnutrition risk and dietary shifts

Universiteit Gent
2026
Mathilde
Majchrzak
  • Emiel
    De Moerloose
Ondervoeding blijft een onderschat probleem bij kankerpatiënten, terwijl de gevolgen voor behandelingstolerantie, herstel en levenskwaliteit groot zijn. Toch wordt de ondervoeding nog onvoldoende systematisch beoordeeld in de oncologische zorg. Sarcoompatiënten vormen daarbij een bijzonder kwetsbare groep: ze ondergaan vaak lange, intensieve therapieën, maar worden zelden opgenomen in bredere nutritionele studies door de zeldzaamheid van hun aandoening.
Deze masterproef toont dat bovenarmomtrek (mid-upper arm circumference, MUAC) een laagdrempelige en bruikbare manier is om voedingstoestand op te volgen, zowel in het ziekenhuis als thuis. De praktische haalbaarheid van deze meting maakt niet alleen vroegdetectie van achteruitgang mogelijk, maar biedt patiënten ook de kans actief betrokken te blijven bij hun eigen zorg via eenvoudige zelfmonitoring.
Ten slotte werpt deze studie licht op de vraag in welke mate sarcoompatiënten voedingsadvies ontvangen, via welke kanalen dit gebeurt en welke veranderingen zij zelf in hun eetpatroon doorvoeren. Zo laat de studie zien hoe eenvoudige, betrouwbare metingen gecombineerd met inzicht in patiëntgedrag kunnen bijdragen aan vroegtijdige opsporing van ondervoeding, versterking van patiënten hun autonomie en een meer systematische, patiëntgerichte voedingszorg in de oncologie.
Meer lezen

‘Kom mee op het leerpad van je kind!’ Groeien naar een educatief partnerschap in Basisschool Brugge Centrum

Arteveldehogeschool Gent
2026
Leilah
Lierman
Mijn scriptie beschrijft een verandertraject rond educatief partnerschap binnen Basisschool Brugge Centrum. Uit een praktijkonderzoek bleek dat zowel leerkrachten als ouders kansen zien om de samenwerking rond het leren van kinderen te versterken. Wetenschappelijke literatuur bevestigt bovendien dat een sterke samenwerking tussen school en ouders een positieve invloed kan hebben op de leerontwikkeling, motivatie en het welbevinden van leerlingen.

Op basis van een literatuurstudie, bevragingen bij ouders en leerkrachten en gesprekken binnen het schoolteam ontwikkelde ik aanbevelingen voor een schooleigen, evidence-informed visie op educatief partnerschap. Deze visie vormt het fundament voor een verandertraject van drie jaar, waarbij ouders steeds meer als partners worden betrokken bij het leerproces van hun kind.

Samen met een kernteam en het schoolteam werken we aan concrete, leergerichte ouderactiviteiten en initiatieven die de verbinding tussen school en thuis versterken. Daarbij vertrekken we vanuit wat al goed werkt binnen de school en bouwen we stap voor stap verder. Het uiteindelijke doel is om het educatief partnerschap duurzaam te verankeren in de schoolwerking en zo bij te dragen aan maximale leerwinst en ontwikkelingskansen voor elke leerling.
Meer lezen

Gepersonaliseerde cognitieve controletraining ter preventie van depressieherval: een single-case experimentele studie

Universiteit Gent
2026
Caro
Bruynen
Herval na een depressieve episode vormt nog steeds een belangrijk klinisch knelpunt,
hoewel behandelingen in de acute fase doorgaans doeltreffend zijn. Een mogelijke interventie om dit te voorkomen is cognitieve controletraining (CCT), gericht op onderliggende cognitieve kwetsbaarheden. Binnen dit domein wordt de adaptieve Paced Auditory Serial Addition Task (aPASAT) beschouwd als een van de meest veelbelovende en veelbestudeerde varianten. Deze studie onderzocht hoe depressieve symptomen zich doorheen de tijd ontwikkelen bij personen met depressie in remissie, en welke rol aPASAT hierin kan spelen. Zes participanten werden opgevolgd via een single-case experimenteel design met een multiple-baseline-opzet, waarbij de
duur van de baselinefase (twee, drie of vier weken) varieerde tussen groepen om toeval en tijdseffecten uit te sluiten. Gedurende drie fasen (baseline, interventie, monitoring) werden symptomen dagelijks gemeten via een visuele analoge schaal (VAS) 0-100. De resultaten tonen een heterogeen en overwegend bescheiden responspatroon. Slechts bij een deel van de participanten werd een significante symptoomdaling vastgesteld, terwijl bij anderen geen effect of zelfs een tijdelijke toename optrad. Bij een deel van de participanten trad de symptoomverbetering pas op tijdens de monitoringfase, wat wijst op een mogelijk vertraagde werkzaamheid van CCT. Symptomen daalden niet geleidelijk, maar bleven eerder stabiel binnen elke fase. De ernst van de klachten bij aanvang leek modererend. Participanten met hogere beginscores vertoonden eerder een merkbaar effect. Toekomstig onderzoek met grotere, meer diverse steekproeven is nodig om na te gaan hoe individuele kenmerken het effect van CCT modereren, hoe de behandeling hierop afgestemd kan worden, en wanneer en hoe lang behandeleffecten optreden. Daarnaast verdient de verkenning van aanvullende of alternatieve interventies verdere aandacht om herval bij depressie effectiever te voorkomen.
Meer lezen

Ingenieur in de Maak? De Impact van een Projectmatige STEM-Interventie op de Ingenieursidentiteit van Vlaamse Scholieren

KU Leuven
2026
Lola
Demol
Om maatschappelijke uitdagingen aan te pakken, is de vraag naar sterke STEM-profielen en ingenieurs groot. De instroom blijft echter beperkt doordat jongeren vaak een stereotiep beroepsbeeld hebben en drempels ervaren om zich met het vakgebied te identificeren. Projectmatige STEM-interventies in het secundair onderwijs trachten jongeren te motiveren door de kloof met de praktijk te dichten. De impact hiervan op de ontwikkeling van de ingenieursidentiteit is echter onvoldoende systematisch onderzocht. Deze masterproef brengt de ingenieursidentiteit van Vlaamse leerlingen in de derde graad secundair onderwijs in kaart. Specifiek wordt onderzocht welke factoren hiermee samenhangen aan de startlijn en hoe deze evolueert na deelname aan een STEM-interventie.

In dit onderzoek werd een kwantitatief design met een voor- en nameting via vragenlijsten gehanteerd om de impact van verschillende projectmatige STEM-interventies doorheen het schooljaar te evalueren. De initiële steekproef bestond uit 459 leerlingen uit de derde graad van het secundair onderwijs met minstens enige interesse in ingenieurswetenschappen. Voor de effectmeting werd een subset van 283 leerlingen geanalyseerd die zowel de pre- als de post-test voltooiden. De data werden geanalyseerd via t-testen, variantieanalyses en meervoudige lineaire regressies. Uit de startmeting bleken significante structurele verschillen: binnen de geïnteresseerde groep scoorden jongens hoger dan meisjes op alle componenten van ingenieursidentiteit: interesse, competentie en erkenning. Daarnaast rapporteerden leerlingen van wie de ouders een master- of doctoraatsdiploma bezaten een hogere perceptie van de eigen competentie dan de leerlingen van wie de ouders een bachelor diploma bezaten. Wat betreft de psychologische componenten toonden de regressiemodellen aan dat sense of belonging (het gevoel erbij te horen) met voorsprong de sterkste verklarende factor was voor de opbouw van een ingenieursidentiteit, met een aanzienlijk grotere invloed dan louter de initiële interesse in engineering of STEM. Verder wezen de pre-post analyses op een algemene daling van de ingenieursidentiteit na de projecten, ongeacht het type interventie of de periode in het schooljaar. Bij leerlingen met een matige interesse (de 'twijfelaars') vertaalde dit zich in een afname op alle identiteitsschalen. Bij sterk geïnteresseerde leerlingen daalde enkel de interesse, terwijl hun gevoel van competentie en erkenning stabiel bleef.

De resultaten suggereren dat sense of belonging een fundamentelere laag vormt voor de ontwikkeling van een ingenieursidentiteit dan louter inhoudelijke interesse. Dit impliceert dat onderwijsinterventies niet uitsluitend moeten inzetten op technologische uitdagingen, maar expliciet moeten investeren in een inclusief leerklimaat om drempels voor ondervertegenwoordigde groepen, zoals meisjes, weg te werken. De geobserveerde daling in identiteitsscores hoeft niet als falen geïnterpreteerd te worden. Naast ongemeten doelen zoals leerwinst, fungeerde de interventie voor velen immers als een realistische oriëntatietool om verwachtingen te kalibreren voor het hoger onderwijs.
Meer lezen

Training Klebsiella phage KP32 and engineered variants to improve effectiveness against the RBP2-specific host

Universiteit Gent
2026
Elian
Lievens
De verspreiding van multiresistente bacteriën heeft geleid tot een antibioticaresistentie-crisis. Hierdoor is er een noodzaak voor het ontwikkelen van nieuwe antimicrobiële strategieën en een mogelijke oplossing is het gebruik van faagtherapiën. Fagen zijn virussen die specifiek bacteriën aanvallen. Ze bezitten receptor-bindende proteïnen (RBPs) die tijdens een infectie worden gebruikt voor het herkennen en hechten aan hun gastheer. In deze thesis werd onderzocht hoe fagen kunnen getraind worden om hun RBPs aan te passen om beter gewenste bacteriën aan te vallen.
Meer lezen

Hoe kan je kleuters op een zelfsturende manier aan de nieuwe minimumdoelen van wiskunde laten werken?

Karel de Grote Hogeschool
2026
Noor
Van Hoeydonck
Vanuit de praktijk heb ik in mijn bachelorproef onderzoek gevoerd naar een manier hoe kleuters zelfsturend aan de slag kunnen gaan met de nieuwe wiskundige minimumdoelen. Bij de uitwerking van mijn activiteiten ligt de nadruk ook op het ontwikkelen van de executieve functies naast het behalen van de nieuwe wiskundige minimumdoelen via open, speelse en betekenisvolle activiteiten in een wiskundige kieskast. Uit observaties en screening heb ik enkele besluiten getrokken voor een verdere uitwerking van de kieskast daar dit wel een middel is tot het behalen van de wiskundige minimumdoelen en het ontwikkelen van executieve functies op een zelfsturende manier.
Meer lezen

"Natuur zorgt voor de wereld": definities en percepties van het concept natuur bij Vlaamse lagereschoolkinderen en de verschillen daarin tussen rurale en urbane omgevingen

Universiteit Gent
2026
Manon
Dhelft
De band tussen kinderen en de natuur staat onder druk. Toenemende verstedelijking en digitalisering reduceren hun tijd buiten en in natuur, terwijl natuurcontact juist veel mentale en fysieke voordelen heeft voor het kind. Bovendien zijn die ervaringen cruciaal voor de ontwikkeling van milieubewust gedrag op latere leeftijd. Hoe kinderen natuur mentaal vormgeven vormt daarbij de basis van de mens-natuurrelatie. Toch is onderzoek naar hun conceptualisatie van natuur schaars en is het nog nooit uitgevoerd in Vlaanderen, of zelfs maar in België. De centrale onderzoeksvraag luidt daarom: “Welke definities en percepties hebben Vlaamse lagereschoolkinderen van het concept natuur en hoe verschillen die tussen rurale en urbane omgevingen?”. Voor dit onderzoek werd een vergelijkende casestudie uitgevoerd waarbij 56 Vlaamse kinderen uit het vierde leerjaar (9-10 jaar) werden bevraagd in de Westhoek (ruraal) en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (urbaan). Hiervoor werd gebruikgemaakt van verschillende methodes, bestaande uit de draw, write & tell-methode, de Connection to Nature Index, een vragenlijst en interviews met de schooldirecties. De kinderen bouwen natuur op vanuit een biotische kern (bomen, gras, bloemen, vogels), aangevuld met abiotische elementen zoals de zon. Een opvallende bevinding is dat de mens een prominente plaats inneemt in hun conceptualisatie van natuur. Daarnaast zien de kinderen natuur als een plek voor spel en exploratie. Rurale kinderen vertonen een grotere soortenkennis en een sterker gevoel van eenheid met hun omgeving, terwijl urbane kinderen natuur vaker associëren met sport en een goede luchtkwaliteit. Natuur wordt overwegend positief beleefd door de kinderen, roept rust op en wordt gewaardeerd om haar nut en haar intrinsieke waarde. Hun gedrag wijst echter ook op een kloof. Vrije tijd wordt namelijk vaker achter een scherm gespendeerd dan in de natuur. Vlaamse lagereschoolkinderen blijken zo een rijk, betrokken, maar kwetsbaar natuurbeeld te hebben. Inzicht in dat beeld is essentieel om leervolle momenten in natuur- en milieueducatie op te zetten en hen op een effectieve manier terug naar de natuur te krijgen.
Meer lezen

The effects of urban environments and air pollution on precipitation microphysics: an exploratory study using disdrometers in Belgium

Universiteit Gent
2026
Armani
Passtoors
Deze thesis onderzoekt hoe verstedelijking en luchtvervuiling de microfysische eigenschappen van neerslag in België beïnvloeden. Hiervoor werden meerjarige metingen van regendruppels nabij Brussel, Gent en Luik gecombineerd met meteorologische, landgebruiks- en luchtkwaliteitsgegevens. De resultaten tonen dat grootschalige weersomstandigheden de neerslagmicrofysica het sterkst bepalen. De invloed van verstedelijking is zwak en wisselend, terwijl fijnstof een duidelijker, maar regime-afhankelijk verband vertoont: hogere fijnstofconcentraties hangen samen met minder intense neerslag en kleinere druppels op dagelijkse schaal, terwijl vervuilde onweersbuien juist grotere druppels en meer kinetische energie vertonen.
Meer lezen

Developing eDNA as a tool for assessing fish diversity on East African coral reefs

Vrije Universiteit Brussel
2026
Tara
Sarwar
In deze studie werd onderzocht in welke mate environmental DNA (eDNA) geschikt is om de biodiversiteit van vissen in Keniaanse koraalriffen te bestuderen. In totaal werden er 41 vissenfamilies en 71 soorten gedetecteerd. De geografische liggen van de riffen had een duidelijke invloed op de soortensamenstelling, terwijl beschermingsstatus geen significant effect vertoonde. Bovendien bleek eDNA-metabarcoding in staat om soorten te detecteren die tijdens visuele tellingen niet werden opgenomen. Hoewel beide methoden een vergelijkbare aantal taxa identificeerden, verschilde ze in de soorten die ze detecteren. Deze resultaten toonden aan dat beide methoden elkaar aanvullen en dat eDNA een veelbelovende en minder invasieve techniek is voor de monitoring van koraalriffen, ondanks de technische beperkingen ondervonden in deze studie.

Beschermingsstatus had geen duidelijk effect op de soortengemeenschappen in tegenstelling tot geografische locatie. Bovendien bleek eDNA meer succesvol in het detecteren van taxa dan visuele tellingen die tijdens het verzamelen van de stalen plaatsvonden. Beide methoden vonden wel een gelijkaardig aantal taxa, maar namen riffen op een fundamentele manier anders waar. Deze studie toonde aan dat beide methoden elkaar complementeerde en dat eDNA een veelbelovende en minder invasieve methode voorsteld voor het monitoiren van koraalriffen ondanks de technische beperkingen ondervonden in deze thesis.
Meer lezen

Digital Payment Use Intensity and Consumer Spending Behavior Among Young Adults in Morocco

Andere
2026
Yassmine
Bassain
Deze scriptie omvat een onderzoek naar het verband tussen digitaal betalen en het doen van impulsaankopen en het beheersen van je budget. 53 Marokkanen uit mijn omgeving vulden een vragenlijst in over hun aankoopgedrag. Uit de analyses bleek dat digitaal betalen samenhangt met impulsaankopen maar niet met meer zelfcontrole over je uitgaven. Voor het precieze verband is meer onderzoek nodig. Ik doe enkele aanbevelingen om impulsaankopen tegen te gaan.
Meer lezen

De Mannenpil: (on)gewenst?

KU Leuven
2026
Inès
Mammerickx
Deze scriptie onderzoekt attitudes tegenover mannelijke anticonceptie en gedeelde anticonceptieverantwoordelijkheid bij Nederlandstalige volwassenen in België. Hoewel zowel mannen als vrouwen positief staan tegenover toekomstige mannelijke anticonceptiemethoden, blijven vertrouwen, controle en traditionele rolpatronen belangrijke factoren in de acceptatie ervan. De resultaten tonen aan dat de invoering van mannelijke anticonceptie niet alleen een medische, maar ook een sociale en relationele uitdaging vormt.
Meer lezen

Sterren komen, Sterren gaan

Universiteit Antwerpen
2026
Helena
Remans
Deze masterscriptie onderzoekt hoe de taal van het rouwen tot uiting komt en wordt begrepen in online herdenkingsberichten op sociale media na het overlijden van publieke figuren. Op basis van onderzoek naar digitaal rouwen, parasociale relaties en publieke emoties op sociale media benadert deze studie rouwen als een communicatief, cultureel en normatief proces dat plaatsvindt in openbare, gemedieerde omgevingen. Hoewel de bestaande literatuur aanzienlijke aandacht besteedt aan online uitingen van verdriet, blijft het minder duidelijk hoe dergelijke uitingen worden ontvangen, gevalideerd of betwist in openbare digitale contexten.
Om deze leemte te onderzoeken, maakt deze studie gebruik van een kwalitatieve, multimodale en vergelijkende casestudiebenadering. Concreet werden 1.200 reacties geanalyseerd op Facebook- en Instagram-berichten met betrekking tot het overlijden van Matthew Perry en Charlie Kirk. De analyse richtte zich op zes dimensies: uitingen van verdriet, verhalen en betekenisvorming, parasociale articulatie, reacties op betekenis, normativiteit en legitimiteit, en platformlogica.
De resultaten tonen aan dat digitaal rouwen in hoge mate gestandaardiseerd en multimodaal is, maar toch afhankelijk blijft van de culturele positie van de overledene. In het geval van Matthew Perry domineren affectieve, nostalgische en verbindende reacties, terwijl reacties op Charlie Kirk meer gepolariseerd, ideologisch geladen en normatief omstreden zijn. Bovendien lijkt het erop dat Facebook vaker narratieve diepgang mogelijk maakt, terwijl Instagram meer beknopte en visuele uitingen aanmoedigt. Dit onderzoek toont dus aan dat digitaal rouwen niet louter een uitdrukking van verlies is, maar ook een publieke praktijk waarin voortdurend wordt
onderhandeld over emoties, betekenissen en sociale normen.
Meer lezen

Ontwerpgerichte methodiek voor herbestemmingen van religieus erfgoed.

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Fleur
Sanchez
Overal ter wereld staan religieuze erfgoedsites onder druk. Door de secularisering van de maatschappij verliezen kerken en andere religieuze gebouwen hun oorspronkelijke functie en komen ze leeg te staan. Een nieuwe functie kan een gebouw een toekomst geven, maar een herbestemming is meer dan het simpelweg invullen van een nieuwe functie. Het is een complex proces waarin erfgoedwaarden, ontwerp, regelgeving, gebruikers en verschillende actoren voortdurend op elkaar inspelen.

Daarom onderzocht ik hoe een methodiek ontwikkeld kan worden die ontwerpers houvast biedt bij herbestemmingsprojecten van religieus erfgoed. Via literatuuronderzoek, analyse van bestaande procesmodellen, interviews en praktijkgerichte validatie bracht ik de verschillende aspecten, actoren en knelpunten van het proces in kaart. Ik onderzocht onder meer het Godshuis De Lichtervelde en het Begijnhof in Hasselt. Vervolgens toetste ik de ontwikkelde methodiek aan de Abdij van Herkenrode als testcase.

Uit het onderzoek bleek dat herbestemming geen strikt lineair proces is. Beslissingen veranderen voortdurend door nieuwe inzichten, randvoorwaarden en input van verschillende actoren. Daarom ontwikkelde ik een methodologisch model dat het proces opdeelt in vijf fases: vooronderzoek, haalbaarheidsstudie, ontwerp, uitvoering en ingebruikname. Terugkoppelingen verbinden deze fases met elkaar en maken zichtbaar wanneer eerdere keuzes opnieuw moeten worden onderzocht.

Daarnaast vormen ontwerpmethodieken en ruimtelijke ontwerpstrategieën een belangrijke schakel tussen analyse en ontwerp. Ze helpen ontwerpers om erfgoedwaarden, randvoorwaarden, het programma en ruimtelijke kwaliteit te vertalen naar concrete ontwerpkeuzes. Het model wordt aangevuld met digitale informatiefiches die per fase extra uitleg en praktische handvatten bieden.

Het eindresultaat is geen vast stappenplan dat voor elke kerk hetzelfde antwoord geeft. Het biedt ontwerpers een flexibel houvast om het complexe herbestemmingsproces te structureren, keuzes te onderbouwen en het ontwerp voortdurend af te toetsen. Zo bundelt de methodiek versnipperde kennis in één praktisch hulpmiddel voor toekomstige herbestemmingsprojecten van religieus erfgoed.
Meer lezen

Werk-Woorden-Ruimte

LUCA School of Arts
2026
Nick
Proot
Voor mijn educatieve masterscriptie onderzocht ik hoe studenten in het deeltijds kunstonderwijs zelf richting kunnen geven aan hun artistieke proces wanneer ze vastlopen. Daarvoor ontwikkelde ik Werk-Woorden-Ruimte: een doos met werkwoordkaarten, focuskaarten, een lexicon en een handleiding. Studenten combineren woorden, interpreteren ze vanuit hun eigen onderzoek en formuleren instructies voor zichzelf.

Gedurende vijf weken volgde ik het gebruik in twee groepen van het Projectatelier, bij volwassenen in de vierde graad Beeld. Via hun procesboeken onderzocht ik hoe de kaarten het experimenteren, reflecteren en benoemen van keuzes ondersteunden. Verschillende studenten vonden na een blokkade zelf een nieuwe werkrichting. Het onderzoek verkent zo hoe een open structuur houvast kan bieden en tegelijk ruimte laat voor autonomie en een eigen artistieke stem.
Meer lezen

Familie, migratie en de vele gezichten van verbondenheid. Sense of beloning binnen het Belgisch-Vlaams landbouwmigrantengezin Walraet in Frankrijk (1920-1967).

Universiteit Antwerpen
2026
Kaat
Vanderstukken
Deze masterproef onderzoekt hoe gevoelens van verbondenheid vorm kregen binnen het Belgisch-Vlaamse landbouwersgezin Walraet, dat zich in 1920 vanuit Vlaanderen in Frankrijk vestigde. Vertrekkend vanuit de vraag met welke gemeenschappen de gezinsleden zich verbonden voelden, analyseert dit onderzoek hoe sense of belonging werd gevormd, beleefd en onderhandeld tussen 1920 en 1967. De studie situeert zich binnen de migratiegeschiedenis van Belgische migranten in Frankrijk en kiest voor een microhistorische en cultureel-historische benadering waarin de subjectieve beleving van migratie centraal staat.
Het onderzoek vertrekt vanuit de eigen familiegeschiedenis als casus, wat toegang biedt tot moeilijk traceerbare ervaringen en aansluit bij “history from within”. De familie Walraet fungeert zo als venster op bredere processen van migratie en identiteitsvorming.
Theoretisch steunt het onderzoek op het concept place-belongingness van Marco Antonsich, waarin verbondenheid wordt begrepen als een dynamisch en relationeel proces. Methodologisch wordt orale geschiedenis gecombineerd met familiale bronnen en archiefmateriaal, waaronder interviews, postkaarten en naturalisatiedossiers.
De analyse toont dat verbondenheid geen homogeen of lineair proces was, maar het resultaat van een complexe wisselwerking tussen familiale, culturele, economische en persoonlijke factoren. De gezinsleden ontwikkelden uiteenlopende en soms contra-intuïtieve vormen van verbondenheid met België, Frankrijk en lokale gemeenschappen. Onderwijs, huwelijk en nationaliteitskeuzes speelden hierin een belangrijke rol. De studie benadrukt dat verbondenheid niet samenvalt met taal, nationaliteit of geboorteplaats, maar voortdurend wordt heronderhandeld in dagelijkse praktijken en familiale relaties.
Meer lezen

In welke mate worden grote klimaatprotesten in België (2018–2025) vertaald in parlementaire agendering van energie- en klimaatgerelateerde thema’s?

KU Leuven
2026
Nore
Deconinck
Deze masterproef onderzoekt de mate waarin grootschalige klimaatprotesten in België tussen 2018 en 2025 de parlementaire agenda rond klimaat en energie beïnvloeden. Via een mixed-methods opzet, een kwantitatieve trendanalyse en een kwalitatieve inhoudsanalyse van 103 parlementaire vragen en 153 krantenartikels, wordt de doorwerking van protest naar het federale parlement in kaart gebracht.
De resultaten tonen aan dat protesten de parlementaire agenda wel degelijk beïnvloeden, maar dat dit traag en veelal verborgen verloopt via mediaberichtgeving. Ten eerste blijkt de Belgische particratie een rigide institutionele filter. Hierdoor reageerden politici in de kalmere pre-crisisjaren niet sneller of directer dan tijdens de latere crisisjaren. Ten tweede veroorzaakte de energiecrisis vanaf 2022 een duidelijke verschuiving in het parlement. De nadruk verschoof van de klimaaturgentie naar crisismanagement, met een sterke focus op betaalbaarheid en bevoorrading. Tot slot is de politieke reactie vaak louter symbolisch, al verschilt dit sterk per ideologie. Rechtse partijen stellen vooral symbolische vragen, bijvoorbeeld over ordehandhaving, terwijl linkse partijen het instrument vaker inzetten voor inhoudelijke beleidsdruk.
Kortom, massamobilisatie is onvoldoende voor snelle beleidsverandering in een consensusdemocratie. Klimaatbewegingen passen in crisistijd best hun framing aan en richten zich strategisch tot linkse oppositiepartijen om impact te maken.
Meer lezen

artificiële intelligentie in de oncologische diëtetiek: digitale tool en promptgids voor diëtisten

Odisee Hogeschool
2026
Jonathan
Hoes
  • Emma
    Vico
Deze bachelorproef onderzoekt de mogelijkheden van artificiële intelligentie (AI) binnen de oncologische diëtetiek om de werkdruk van oncologische diëtisten te verlagen. Probleemstelling: De aanleiding voor dit onderzoek is de toenemende zorgvraag binnen de oncologie, gecombineerd met een hoge administratieve belasting en beperkte tijd voor individuele begeleiding. Hoewel AI theoretisch veel mogelijkheden biedt binnen de gezondheidszorg, blijkt de implementatie in de praktijk momenteel nog beperkt.
Methode: In deze bachelorproef werd onderzocht hoe Large Language Models via gestructureerde prompt engineering op een betrouwbare manier kunnen worden ingezet binnen de oncologische voedingszorg. Hiervoor werd eerst een bevraging afgenomen bij oncologische diëtisten om huidige noden, werkdruk, AI-gebruik en bezorgdheden rond AI in kaart te brengen. Daarnaast werd een literatuuronderzoek uitgevoerd naar recente prompttechnieken zoals role prompting, few-shot prompting, Chain-of-Thought prompting en Retrieval Augmented Generation. Vervolgens werden verschillende prompts en AI-modellen met elkaar vergeleken op basis van zowel kwantitatieve als kwalitatieve evaluatiecriteria. Met al deze bekomen informatie werd een praktische promptgids ontwikkeld en een prototype gebouwd waarmee gepersonaliseerde voedingsschema’s gegenereerd kunnen worden op basis van patiëntengegevens en nutritionele richtlijnen.
Resultaten: Uit de resultaten bleek dat oncologische diëtisten een hoge werkdruk ervaren en momenteel slechts beperkt gebruikmaken van AI, voornamelijk door bezorgdheden rond betrouwbaarheid, privacy en transparantie. De vergelijking tussen verschillende prompttechnieken toonde aan dat gestructureerde prompts die gebruik maken van gerichte prompttechnieken duidelijk betere resultaten opleverden dan eenvoudige prompts. De aangepaste prompts genereerden accuratere en consistenter voedingsschema’s die beter aansloten bij de ESPEN-richtlijnen en de klinische context van de patiënt. Daarnaast werden verschillen vastgesteld tussen de onderzochte AI-modellen. Sommige modellen slaagden er beter in om richtlijnen, symptomen en voedingsvereisten correct te integreren, terwijl andere modellen meer inconsistenties en afwijkingen vertoonden.
Besluit: Deze bachelorproef toont aan dat artificiële intelligentie een waardevolle ondersteunende rol kan spelen binnen de oncologische diëtetiek. Gestructureerde prompt engineering kan bijdragen aan meer consistente en klinisch relevante output.

Meer lezen

Closing the Carbon Loop: Integrated Process Design and Techno-Economic analysis of CO₂ capture and valorization pathways from chemical looping process of Blast Furnace Gas

Universiteit Gent
2026
Gunel
Rahimli
Hoogovengas is de grootste CO₂-bron van een geïntegreerde staalfabriek, maar het lage CO₂-gehalte maakt conventionele afvang duur. Deze masterthesis onderzoekt een geïntegreerd concept dat het hoogovengas eerst concentreert via een chemical-looping-proces met ijzeroxide (H2Loop) en daarna de CO₂ afvangt met twee alternatieve routes: cryogene destillatie en calciumlooping. Na een literatuurstudie van de beschikbare afvangtechnologieën (onder meer aminewassing, membranen, adsorptie, cryogene scheiding en calciumlooping) werden beide routes gemodelleerd in Aspen Plus voor een basisgeval van 1.000 Nm³/h hoogovengas. Een technisch-economische analyse met factoriële kostenraming en discounted cash flow vergelijkt de routes. De cryogene route levert vloeibare CO₂ met een zuiverheid van ≥ 99,9 mol% tegen ongeveer 351 €/t CO₂, de calciumloopingroute ongeveer 393 €/t CO₂. Op industriële schaal wordt enkel de cryogene route haalbaar. De resultaten worden weergegeven als een bandbreedte tussen een optimistische bovengrens en een conservatieve ondergrens.
Meer lezen

Behaviour of the invasive lionfish Pterois miles in the Aegean Sea

HOGENT
2026
Wout
Vandenberghe
Onderzoek van het gedrag en de activiteit van de invasieve Indische koraalduivel Pterois miles in de Egeïsche Zee, meer specifiek rond het Griekse eiland Samos.
Meer lezen