Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Luchtdichtheid van historisch buitenschrijnwerk: evaluatie van de efficiëntie en optimalisatie van restauratietechnieken

Universiteit Gent
2026
Douwe
Neven
Deze masterproef onderzoekt de luchtdichtheidsprestaties van historisch houten buitenschrijnwerk door middel van een experimentele evaluatie van verschillende restauratiestrategieën. Het onderzoek situeert zich binnen het spanningsveld tussen erfgoedbehoud en eigentijdse energieprestatie-eisen.

De casestudie betreft 19e-eeuwse ramen uit het Materniteitsgebouw op de Bijlokesite te Gent, waarop door aannemersbedrijf Denys diverse restauratietechnieken werden toegepast in het kader van het HeriTACE-project (Universiteit Gent, EU-gefinancierd). Door systematische luchtdichtheidsmetingen volgens EN 1026, EN 12207 en EN 12114 werden vier hoofdconfiguraties vergeleken: originele staat, minimale restauratie met enkelvoudige dichting, experimentele restauratie met meervoudige dichtingen, en een reproductiemodel.

De resultaten tonen dat substantiële verbetering mogelijk is: een halvering van de luchtdoorlatendheid werd gerealiseerd (van q₅₀ ≈ 12 m³/(h·m) naar ≈ 6 m³/(h·m)), resulterend in een overgang van klasse 1 naar klasse 2 voor de minimale restauratie. Deze prestatie bleek echter sterk afhankelijk van drie kritische voorwaarden: een gesloten afdichtingscontour, geometrisch correct sluitend raam, en geverifieerd uniform contact tussen dichting en tegenvlak. Materiaalkeuze bleek secundair. Technieken die gebruik maken van (meervoudige) houten opdeklatten met geïntegreerde dichtingen bleken een meer succesvolle toepassing die de klasse kan verhogen tot klasse 3.

Het onderzoek identificeert de enkelvoudige dichting als een ‘gevoelig optimum’: technisch valide maar praktisch kwetsbaar, aangezien kleine uitvoeringsafwijkingen disproportioneel negatieve effecten hebben. Dit verklaart waarom achterzetramen in de praktijk een robuust alternatief vormen. De masterproef benadrukt dat luchtdichtheidsverbetering van historisch schrijnwerk primair een ontwerp- en procesvraagstuk is, eerder dan een materiaaltechnische interventie.
Meer lezen

Experimental and design evaluation of SrTiO3 as a nonlinear RF material for a quantum limited amplifier

KU Leuven
2026
Elien
Van Clemen
De inhoud van de scriptie moet confidentieel blijven.

Het uitlezen van qubits vindt plaats in het enkel-fotonregime. Daarom is versterking bij cryogene temperaturen noodzakelijk om de kwantuminformatie uit te lezen. Parametrische versterking vormt een veelbelovende methode, omdat het signaalversterking realiseert via gecontroleerde energieoverdracht in een niet-lineair medium met minimale toevoeging van ruis. Recent is aangetoond dat een dunne laag van het perovskiet SrTiO3 bij cryogene temperaturen een sterke tweede-orde niet-lineariteit vertoont in het optische domein. Vergelijkbaar niet-lineair gedrag wordt daarom verwacht in het RF-domein, wat SrTiO3 een geschikte kandidaat maakt voor parametrische versterking. Dit concept zou een alternatief kunnen vormen voor bestaande versterkers, zoals Josephson-parametrische versterkers (JPV) en kinetische inductie-parametrische versterkers (KIPV), die beperkingen kennen op het gebied van dynamisch bereik en gevoeligheid voor externe magnetische velden.

Dit project onderzoekt de haalbaarheid van een SrTiO3 parametrische versterker. Daartoe zijn de tweede- en derde-orde niet-lineaire susceptibiliteiten χ^(2) en χ^(3) gekarakteriseerd bij millikelvintemperaturen in het RF-domein. Het gevonden resultaat voor χ^(2) sluit goed aan bij een schatting op basis van de elektro-optische bijdrage. De waargenomen afhankelijkheid van de DC-spanning wordt toegeschreven aan de vorming van polarisatiedomeinen, die ontstaan door een voorkeursrichting van het centrale titaniumatoom in het SrTiO3-rooster.

Op basis van de gekwantificeerde niet-lineariteiten is een versterker ontworpen en geoptimaliseerd, en is de prestatie ervan theoretisch gemodelleerd. Dit voorspelt een sterke versterking met bandbreedtes met grootteordes van tientallen MHz, vergelijkbaar met JPV's en KIPV's. Dit type versterker is veelbelovend, aangezien het dynamisch bereik naar verwachting vergelijkbaar zal zijn met dat van KIPV's en zelfs groter dan dat van JPV's. Dit zou de voorgestelde versterker tot een competitief, ruisarm en cryogeen alternatief kunnen maken voor huidige technologieën. Experimentele bevestiging van deze voorspelde resultaten is echter nog noodzakelijk.
Meer lezen

Het/een/mijn huis als geconstrueerde grot

Hogeschool PXL
2026
Noa
Kuypers
In mijn project ‘Het/een/mijn huis als geconstrueerde grot’ onderzoek ik de spanning tussen verval en standvastigheid: hoe een gebouw transformeert en toch zijn kern behoudt, en hoe atmosfeer, dat ongrijpbare samenspel van licht, materiaal, geheugen en emotie, een lege schil omtovert tot een thuis. Het vertrekpunt is de observatie dat een huis nooit werkelijk leeg is; het draagt littekens van vroegere bewoning. Tijdens de renovatie van een woning uit 1830 leg ik deze verborgen lagen bloot, parallel aan een artistiek project waarin ik herinnering en materiaal met elkaar combineer. Door plattegronden te tekenen op basis van impressies, kleimodellen te stapelen en betonnen kubussen met uitgeholde gangen te gieten, vertaal ik het vluchtige van geheugen naar het tastbare van een fundament. Collage fungeert hierin als terugkerend ritueel, een proces van afbreken en herschikken dat het verbouwingsproces zelf weerspiegelt. Geïnspireerd door de praktijk van Do Ho Suh, Sara Bomans en Peter Zumthor, toon ik aan dat atmosfeer niet statisch is, maar draagbaar: een opeenstapeling van tijdlagen, materiële sporen en menselijke tussenkomst. Het resultaat is een visuele taal die het onzichtbare fundament en de dromerige invulling van een plek naast elkaar plaatst, en bevestigt dat een huis pas leeft in de spanning tussen wat was, wat is, en wat we met ons meedragen.
Meer lezen

Conflicted Playground: Erfgoed in een veelstemmig onderhandelingsproces

KU Leuven
2026
Emile
Vertriest
Conflicted Playground: Erfgoed in een veelstemmig onderhandelingsproces
Synthese Masterproef Emile Vertriest (Grand Tour 2025-2026)
KU Leuven Faculteit Architectuur Campus Sint-Lucas Gent
Promotor: Carl Bourgeois | Co-promotor: Hugo Vanneste

In deze masterproef onderzoek ik hoe we omgaan met postindustrieel erfgoed, meer bepaald de leegstand, herprogrammering en het onderhoud ervan. Als casestudy koos ik de voormalige steenkoolmijn Forte-Taille nabij Charleroi, een verlaten steenkoolmijn die sinds haar sluiting in 1935 geleidelijk werd overgenomen door spontane plantengroei, urbex-bezoekers en verval.

Het onderzoek vertrekt vanuit mijn 'Grand Tour' door Japan en België, waarbij verschillende erfgoedsites werden bezocht en geobserveerd. Daaruit ontstond de vaststelling dat omgang met erfgoed steeds het resultaat is van culturele subjectiviteit, maatschappelijke waarden en economische afwegingen. Waar de Belgische omgang met erfgoed vaak gericht is op restauratie, onderhoud en herbestemming, lijkt de Japanse benadering wat meer ruimte te laten voor vergankelijkheid, aanpassing en zelfs verdwijning.

Deze observaties deden mij de gekozen site steeds minder beschouwen als een toestand die om een oplossing vroeg, maar eerder als een proces dat voortdurend transformeert.
Tijdens het ontwerptraject bleek het dan ook moeilijk om een specifieke toekomstvisie voor de site te vormen. Forte-Taille is groot, gelaagd en kent verschillende mogelijke gebruikers, elk met hun eigen belangen en benaderingen ten opzichte van erfgoed. Een keuze voor één definitieve toekomstvisie betekende onvermijdelijk het uitsluiten van andere mogelijkheden. Die complexiteit werd uiteindelijk juist het uitgangspunt van mijn project.

Ik besloot Forte-Taille te vertalen naar een speculatief bordspel. Het spel als medium laat een vrijwel oneindig aantal ruimtelijke combinaties toe en maakt complexiteit zichtbaar zonder een voorkeur uit te spreken over bepaalde ruimtelijke keuzes. Het spel werkt als een simulatie van conflicten die ontstaan wanneer verschillende actoren met elk hun eigen logica belang hebben bij dezelfde plek. Vier protagonisten nemen het tegen elkaar op:

• De Conservator, die de gebouwen wil beschermen en consolideren.
• De Ontwikkelaar, die nieuwe programma’s en gebouwen introduceert.
• De Ecoloog, die ruimte vrijmaakt voor natuurlijke processen en vegetatie.
• De Verkenner, die zich de site toe-eigent via tijdelijke constructies opgebouwd uit
gerecupereerde materialen en industrieel puin.

Elke speler beweegt over een spelbord dat gebaseerd is op de werkelijke site. Door middel van claims, obstructies en tijdsgebonden gebeurtenissen proberen ze hun invloed op de site uit te breiden. Wanneer een speler terrein verliest verdwijnen de interventies niet, maar keren ze terug naar hun eigenaar om elders opnieuw ingezet te worden. Zo ontstaat een eindeloze cyclus van conflict, toe-eigening, verval en transformatie waarin geen definitieve winnaar mogelijk is. Door het conflict centraal te stellen legt het spel de complexiteit en subjectiviteit bloot van erfgoedbeleid, ruimtelijke keuzes en de vele actoren die betrokken zijn bij het vormgeven van de site. Tegelijk benadrukt het de rol van de architect als bemiddelaar: niet als ontwerper van één standpunt, maar als iemand die uiteenlopende belangen verenigt binnen een dynamisch en complex proces.
Meer lezen

Forensisch betrouwbare 3D-reconstructie met Gaussian Splatting

Universiteit Hasselt
2026
Jamie
Withofs
Deze masterproef onderzoekt de inzetbaarheid van Gaussian Splatting als betrouwbare techniek voor forensische 3D-reconstructie van misdaadscènes. Gaussian Splatting is een recente neurale weergavemethode die vanuit multi-view videobeelden fotorealistische 3D-modellen genereert via ellipsvormige volumetrische primitieven, zogenaamde splats, die samen een continue en vloeiende representatie van de scène vormen. De techniek onderscheidt zich van klassieke mesh-based methoden door haar uitzonderlijke visuele kwaliteit en efficiënte renderingpipeline, maar brengt tegelijkertijd een fundamenteel forensisch probleem met zich mee: tijdens de trainingsoptimalisatie heeft het model de neiging om geometrische informatie bij te verzinnen om gaten in de initialisatiedata op te vullen. Wanneer de reconstructie als juridisch bewijsmateriaal dient, is dergelijke hallucinatie onaanvaardbaar, omdat elke weergegeven vorm of afstand herleidbaar moet blijven tot authentieke, meetbare brondata.

Om dit probleem aan te pakken werd een volledige onderzoeks- en ontwikkelingspipeline opgezet in samenwerking met de Federale Gerechtelijke Politie Limburg. De dataverzameling combineerde videobeelden en meervoudige LiDAR-scans van een gecontroleerde testscène. De videobeelden werden verwerkt via een COLMAP-gebaseerde Structure from Motion (SfM) pipeline die de relatieve camera-poses en een sparse puntenwolk reconstrueerde. De LiDAR-scans werden samengebracht tot één dense referentiepuntenwolk via iteratieve ICP-gebaseerde registratie met outlier filtering op basis van IQR-analyse, radiale filtering en asgeoriënteerde filtering, en vervolgens geëxporteerd als een geïntegreerd .e57-bestand.

De kern van de bijdrage is een alignment pipeline die de sparse COLMAP-puntenwolk uitlijnt met de dense LiDAR-data. De resulterende transformatiematrix wordt toegepast op alle camera-extrinsieken, zodat de LiDAR-geometrie als initialisatiebasis kan dienen voor de Gaussian Splatting-training zonder de architectuur van de trainingsomgeving te wijzigen. Een eigen visibility-based downsampling-stap geeft daarbij prioriteit aan de LiDAR-punten die zichtbaar zijn vanuit de gecalibreerde camera-posities, wat de trainingsefficiëntie verhoogt zonder de geometrische volledigheid te compromitteren.

De Gaussian Splatting-training werd vervolgens uitgebreid met constraints die de geometrische trouw aan de LiDAR-meetdata waarborgen. In de volledig geconstrained variant worden zowel de positie-optimalisatie als de densification van Gaussians uitgeschakeld, waardoor elke splat exact op zijn initiële LiDAR-positie blijft staan. Dit levert een forensisch maximaal betrouwbaar model op, ten koste van visuele volledigheid in zones met beperkte LiDAR-dekking. Een uitgebreide parameterstudie onderzocht vervolgens tussenliggende configuraties, waarbij de interactie tussen de positie learning rate, de opacity learning rate, de opacity regularization en het MCMC-herplaatsingsmechanisme systematisch in kaart werd gebracht. De resultaten tonen aan dat een werkelijk compromis slechts beperkt haalbaar is: een gedeeltelijke vrijstelling van de positie-optimalisatie levert voor structurele elementen zoals wanden en vloer een aanvaardbare visuele kwaliteit op, maar biedt onvoldoende garantie voor dunne objecten met beperkte LiDAR-puntdichtheid. Op basis van de studie werden twee aanbevolen configuraties geformuleerd: één voor gebruik als visueel illustratiemateriaal voor rechters en jury's, en één als volledig geconstrained forensisch bewijsmiddel.

Aanvullend werd een forensische toolchain ontwikkeld die de integriteit van de reconstructie kwantitatief en visueel onderbouwt. De Lichtfeld Studio-module berekent per Gaussian een betrouwbaarheidsscore op basis van de afstand tot zijn initiële LiDAR-positie, en visualiseert deze als een groen-geel-rood kleuroverlay. Een hallucination mask maakt een binaire splitsing tussen originele en nieuw aangemaakte splats, met kleurcodering voor de mate van positionele drift. De juridische validatiemodule voert een kwantitatieve alignmentvalidatie uit op basis van RMSE en overlappercentage, en genereert een integriteitsgeborgd JSON-rapport met SHA-256-hashing over alle relevante velden, een gedocumenteerde chain of custody en een onafhankelijk verifieerbaar RFC 3161-tijdstempel. Tot slot werd een Electron-gebaseerde rechtbankviewer ontwikkeld die dit rapport omzet naar een formeel PDF-deskundigenverslag.

De evaluatie bevestigt dat Gaussian Splatting via de ontwikkelde constrained pipeline forensisch inzetbaar is, mits een duidelijk onderscheid wordt gehanteerd tussen het gebruik als illustratiemateriaal en het gebruik als geometrisch bewijsmiddel. In het laatste geval fungeert de Gaussian Splatting-reconstructie als visuele toelichting bij de LiDAR-puntenwolk, die als primaire meetreferentie bewaard en ingediend dient te worden. De ontwikkelde toolchain biedt de forensische praktijk een transparant en controleerbaar raamwerk om dit onderscheid procedureel te verankeren.
Meer lezen

Zelfontdekking door naar Perzische tapijten te kijken

KU Leuven
2026
Kimia
Rabieh Mahmareh
Deze masterproefnota is vanuit een persoonlijke anekdote vertrokken. Toen ik van Perzië naar België verhuisde, voelde het als een reis van zelfontdekking. Ik worstelde constant met mijn eigenwaarde en mijn rol in de wereld. Het was alsof ik gevangen zat tussen twee onderscheidende identiteiten, en ik was vastbesloten om evenwicht en perfecte afstemming tussen hen te bereiken. Tijdens mijn onderzoek naar verhuizingen en het soort voorwerpen dat mensen meenemen om een nieuwe plek als thuis te laten voelen, ontdekte ik een veelgebruikt antwoord: 'Textiel'. Dit besef bracht me ertoe de overeenkomsten op te merken tussen mijn inheemse cultuur en de betekenis van textiel in de Perzische samenleving. De traditie van Perzische tapijten omvat duizenden jaren, met deze ingewikkeld vervaardigde meesterwerken die volledig met de hand zijn gemaakt door nauwgezette weef- en knooptechnieken. Met name Iran is bekend geworden als de bewaarder van deze oude kunstvorm, zowel bekend als Perzische tapijten als magische tapijten. Elk facet van deze tapijten is gemaakt met veel aandacht voor detail, waarbij elk element doordrenkt is met een verborgen betekenis die, eenmaal ontcijferd, een duidelijk verhaal onthult. Daarom vond ik het Perzisch tapijt als een boeiende metafoor om uit te drukken wie ik ben en daarmee het verhaal van mijn leven te vertellen. Naargelang mijn onderzoek vorderde, merkte ik dat ik buiten de muren van huizen werd getrokken. Tapijt weven en architectuur hebben in Iran een lange en diepe relatie met elkaar. Deze relatie wordt weerspiegeld in de traditionele ontwerpen, motieven en symbolen die in beide gebieden worden gebruikt. Ik raakte gefascineerd door de binnentuinen van traditionele huizen en de levendige flora van stadstuinen. De term "Hayat" vertaalt zich naar "ommuurde tuin", en de binnenplaats is typisch een vierkante of rechthoekige open ruimte, begrensd door kamers en gangen. Met kamers die aan een of meer zijden zijn gebouwd, ontstaat er een enorme ruimte zonder dak, die wordt beschouwd als het hart en het centrum van het huis. Hoewel het Hayat-gebied niet noodzakelijkerwijs in het geometrische middelpunt van een huis ligt, is het een cruciale ruimte voor het uitvoeren van verschillende activiteiten en het verbinden van verschillende delen van het huis. Hierna wordt het verder uitgezoomd en naar de stadstuinen gekeken. Het Iraanse tapijt is als een luchtfoto van een tuin, waardoor de kijker een transcendentale visie ervaart die goddelijk inzicht biedt. Het streven van de mens naar een aards paradijs wordt belichaamd door deze tuinen. Zij bevatten drie essentiële elementen: ingang, water en paviljoen. Nadat ik me had laten inspireren door het culturele en ruimtelijke belang van tuinen en tapijten, verdiepte ik me in gedegen onderzoek. Het resultaat was een gepersonaliseerde ruimtelijke installatie die mijn levensverhaal vertelde. Mijn ontwerp heeft drie verschillende interpretaties. De eerste is geworteld in de tapijten die ik heb gebruikt en roept gevoelens op van comfort en stabiliteit die ik in mijn reis zocht. De tweede is verbonden met de stadstuinen die in het ontwerp zijn opgenomen en die de dynamische en altijd veranderende aard van het leven vertegenwoordigen. De derde en laatste interpretatie is dat de hele installatie wordt gezien als een eindeloos lang symbolisch huis, waarin ik mentaal aanwezig ben.
Meer lezen

Een goed leven binnen planetaire grenzen in genk: focus op Warm Waterschei

Universiteit Hasselt
2025
Jade
Daems
Hoe kan het concept van coöperatieve en collectieve wijkwarmte specifiek worden toegepast in Waterschei, vertrekkende vanuit een milieu- en mensbewuste visie? Vanuit deze centrale vraagstelling vertrekt dit onderzoek.
De gedachtegang van Daniel Christian Wahl, waarbij het stellen van de juiste vragen vóór het handelen centraal staat, vormt de rode draad doorheen dit onderzoek. Volgens deze filosofie wijzen vragen, meer nog dan antwoorden, de weg naar collectieve wijsheid. Daarom worden vraagstellingen van verschillende auteurs gebruikt om elk hoofdstuk in te leiden en fungeren ze als leidraad bij het zoeken naar antwoorden.
Het bewuste gebruik van deze vragen heeft geleid tot diepere reflectie over ontwerpbeslissingen en tot een grondiger onderbouwd onderzoek.
Deze masterthesis is opgedeeld in drie grote delen. Het eerste deel begint met een korte situering om de lezer wegwijs te maken. Hierin worden de probleemstelling, onderzoeksvraag, gehanteerde methodologie, de geschiedenis van de locatie, het station van Waterschei en de relevantie binnen het masterplan toegelicht.

Het tweede deel is de ruggengraat van dit onderzoek en wordt gevormd door de literatuurstudie. Deze bestaat uit een theoretisch en een praktisch denkkader. Het theoretisch denkkader bundelt diverse boeken en wetenschappelijke artikels die het onderzoek onderbouwen. De literatuur wordt besproken in een logische volgorde van een brede visie naar een steeds specifiekere focus. Vertrekkende vanuit het boek The Good Ancestor: How to Think Long-Term in a Short-Term World van Roman Krznaric, wordt een eerste denkkader geschetst rond langetermijndenken en intergenerationele
verantwoordelijkheid. Vervolgens wordt de filosofie van Bruno Latour besproken aan de hand van Waar kunnen we landen. Latour toont aan dat er vandaag een gemeenschappelijke visie ontbreekt en dat menselijke en niet-menselijke actoren onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Hierna wordt dieper ingezoomd op regeneratief denken via Designing Regenerative Cultures van Daniel Christian Wahl. Dit
boek nodigt uit om verder te denken dan duurzaamheid en moedigt aan om de juiste vragen te stellen in plaats van vluchtige antwoorden te zoeken. Het theoretisch denkkader sluit af met het boek Postcapitalist Countrysides – From Commoning to Community Wealth Building dat bestaat uit een verzameling van essays. Hierbinnen wordt de essay Unpacking the energy commons geschreven door Thomas Bauwens and Robert Wade (pagina 327 tot 351) bestudeerd. Deze essay beschrijft specifiek hoe energie als gemeengoed kan beschouwd worden.

Het praktisch denkkader vertrekt vanuit het concept van coöperatieve en collectieve wijkwarmte. Deze worden toegelicht waarna er kenmerken voor coöperatieve en collectieve wijkwarmte worden gedefinieerd. Vervolgens worden verschillende relevante referentieprojecten onderzocht. Deze zijn onderverdeeld in twee categorieën: enerzijds warmtenetten, waarbij warmte netwerken als model worden bekeken, en
anderzijds energiestations, waarbij specifiek naar gebouwen wordt gekeken die functioneren als opslagen distributiesysteem. Beide categorieën worden geanalyseerd op basis van de eerder gedefinieerde kenmerken van coöperatieve wijkwarmte.
Het derde deel omvat de ontwerpstudie, deze vertrekt eveneens vanuit het concept van coöperatieve en collectieve wijkwarmte. Op stedelijke schaal wordt eerst de situatie in Genk onderzocht, waarna de focus verschuift naar de wijk Waterschei. In waterschei wordt een coöperatief en collectief warmtenet ontworpen dat werkt op basis van mijnwater. Het uitgangspunt is de herbestemming van het voormalige station tot
een energiestation met bijhorende botanische tuin. Beide functies worden inhoudelijk onderzocht en er wordt toegelicht hoe ze relevant kunnen zijn voor de gemeenschap.
Vanuit de hoofdfunctie van een energiestation wordt de technische werking uiteengezet, gevolgd door enkele basisberekeningen die nodig zijn om de dimensionering te bepalen, zoals de grootte van het warmteopslagtanks. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een overzicht van de noodzakelijke installaties. Voor de bijhorende botanische tuin wordt de typologie van botanische tuinarchitectuur onderzocht. Daarnaast bevat dit onderdeel een analyse van plantensoorten die bijdragen aan het binnenklimaat en de beleving van de ruimte versterken. Het architecturale ontwerp vertrekt vanuit het idee dat technische elementen integraal deel uitmaken van de beleefde ruimte. Aangezien het programma van een energiestation uitbreiding vraagt wordt het bestaande stationsgebouw als uitgangspunt genomen voor het verdere ontwerp. De herbestemming en uitbreiding van het gebouw worden benaderd vanuit een duurzaam perspectief. Het ontwerp baseert zich op drie samenhangende strategieën: ‘Trias Energetica’, ‘Trias Materia’ en ‘Trias
Aquatica’. Elk van deze strategieën wordt toegelicht wat betreft de betekenis en de doelstelling, waarna wordt verduidelijkt hoe ze concreet zijn toegepast in het ontwerp.

De conclusie bundelt de resultaten van het onderzoek en formuleert een mogelijke oplossing voor de oorspronkelijke onderzoeksvraag.
Meer lezen

STANDALONE ON-SITE LIGHTING MEA- SUREMENTS FOR INSECT STUDIES

Vrije Universiteit Brussel
2025
Zakaria
El Gharbaoui Ben Mekki
Voortgaande verstedelijking en de wereldwijde overstap naar energiezuinige LED-
verlichting vergroten de blootstelling aan kunstlicht ’s nachts, wat bezorgdheid
wekt over de effecten op gemeenschappen van nachtactieve insecten. De meeste
bestaande veldstudies zijn kort van duur en beperkt in ruimtelijke dekking van-
wege de arbeidsintensieve aard van traditionele bemonstering. Dit proefschrift
pakt deze lacune aan door het ontwerpen, implementeren en valideren van een
goedkope, op camera’s gebaseerde, op afstand werkende monitoringsunit voor
seizoenslange inzet in diverse buitenomgevingen. Het systeem registreert weerpa-
rameters (temperatuur, relatieve vochtigheid), locatie (GPS), verlichtingsparame-
ters (gecorreleerde kleurtemperatuur) en tijdgestempelde beelden van aangetrokken
insecten.
Om classificatiestrategieën te evalueren zonder grootschalige inzet, werd in een
kleinschalige casestudy het gebruik van twee algemene vision–language modellen
getest op zorgvuldig geselecteerde insectenbeelden met gezaghebbende ObsIdentify-
bepalingen. De resultaten positioneren vision–language modellen als effectieve
hulpmiddelen voor voorlopige tagging, triage en kwaliteitscontrole, terwijl geza-
ghebbende labels afkomstig moeten zijn van specialisten of gespecialiseerde soorten-
herkenningsdiensten.
Toekomstig werk dient eerst de minimaal vereiste taxonomische diepte voor ALAN-
impactstudies vast te stellen en vervolgens herkenningstools aan te passen om
aan deze eis te voldoen. Verdere stappen omvatten het uitbreiden van de pij-
plijn naar tellingen en abundantiematen, het ontwikkelen van een robuuste con-
tainergebaseerde implementatie-architectuur, het migreren van de database naar
een beveiligde cloud- of NAS-infrastructuur en het implementeren van sterke
cyberbeveiligingsmaatregelen voor externe units. Deze verbeteringen zullen ge-
standaardiseerde, seizoenslange, multisitecampagnes mogelijk maken die robu-
uste beoordelingen van ALAN-effecten onder door LED gedomineerde lichtom-
standigheden opleveren.
Meer lezen

Min of Meer Chambres d'Amis

Universiteit Gent
2025
Luca-Ray
Rogiers
  • Beth
    Lason
  • Angela
    De Roover
Een tentoonstelling is per definitie tijdelijk: kunstwerken worden
in een specifieke ruimte en gedurende een afgebakende periode
samengebracht. Na afloop blijven slechts sporen over - documentatie,
herinneringen, fysieke restanten - maar niet de tentoonstelling zelf als
geheel. Eenmaal voorbij, wordt het daarom vrijwel onmogelijk om haar
te herhalen. Toch zijn tentoonstellingen regelmatig het onderwerp van
retrospectie. Vaak wordt bij het terugblikken zo dicht mogelijk bij het
origineel gebleven, een poging om de oorspronkelijke ervaring opnieuw
vast te leggen. Dit roept onvermijdelijk een spanning op: tussen het
origineel en de reconstructie, tussen objectief feit en subjectieve
herinnering. Maar is het mogelijk om een tentoonstelling opnieuw te
vatten?

Deze masterproef onderzoekt de uitdagingen van de retrospectieve
aan de hand van Chambres d’Amis. Deze tentoonstelling bracht in
1986 kunst buiten de muren van het museum. 51 Kunstenaars werden
door Jan Hoet uitgenodigd om hun werk te tonen op 57 locaties in
Gent, voornamelijk privéwoningen. Drie maanden lang openden
bewoners hun deuren en veranderden hun leefruimtes tijdelijk in
tentoonstellingsruimtes. De kunst ging zo een directe dialoog aan met
de alledaagsheid van de architectuur. In 2026 viert Chambres d’Amis
haar veertigste verjaardag, waarbij sprake is van een retrospectieve. Het
concept van de oorspronkelijke tentoonstelling maakt het herinneren
echter heel lastig: veel werken zijn verdwenen, sommige huizen zijn
grondig verbouwd en meerdere bewoners zijn verhuisd. Bovendien
waren veel van de werken onlosmakelijk verbonden met de architectuur
waarin ze ontstonden.

Deze masterproef vertrekt vanuit het besef dat een retrospectieve
altijd gepaard gaat met een gevoel van verlies. Een exacte herhaling is
onmogelijk en resulteert onvermijdelijk in een vereenvoudiging. Het is
net in de erkenning van die complexiteit dat aan betekenis kan worden
gewonnen. Verlies hoeft niet noodzakelijk als verlies te worden ervaren;
wat ontbreekt is in zijn afwezigheid veelzeggend.

Vanuit die gedachte onderzoekt deze masterproef de mogelijkheden
voor een retrospectieve voor Chambres d’Amis. Om tot
tentoonstellingsvoorstellen te komen worden er drie posities ingenomen:
de onderzoeker, de ontwerper en de tentoonstellingsmaker. Deze
posities verwijzen respectievelijk naar de figuur die het archiefmateriaal
verzamelt, de figuur die de ruimtelijke drager vormgeeft, en de figuur
die daarmee de uiteindelijke tentoonstelling maakt. Dit resulteert in
drie voorstellen voor een retrospectieve, elk met een eigen positie ten
opzichte van het origineel. De tentoonstellingen werken verkennend, en
zijn elk op hun eigen manier Min of Meer Chambres d’Amis.
Meer lezen

[de leegte in het landschap en het gecureerd verval.]

Universiteit Hasselt
2025
Thomas
Cuyt
We leven in een wereld vol met dingen die zijn achtergelaten door degenen die vóór ons kwamen, maar we pikken een aantal van deze dingen eruit voor onze aandacht en zorg. We vragen bepaalde gebouwen, objecten en landschappen om te functioneren als
geheugensteuntjes, om het verleden te herinneren dat hen heeft voortgebracht, en om dit verleden beschikbaar te maken voor onze overpeinzing en zorg. Die geheugensteuntjes, of junk-space zoals Rem Koolhaas (Koolhaas & Foster, 2013) het omschrijft, is het residu dat de mensheid op deze planeet achterlaat. Het product van modernisme is niet moderne architectuur, maar junkspace, ruimteafval of gecureerd verval.
Hoe kan er worden omgegaan met dat verval wat bij wegnemen leidt tot littekens in het landschap en hoe kan deze leegte opnieuw een plaats krijgen?

In het samengaan van leegte en verval ontstaat een dialoog. Het landschap, datgene wat ooit de achtergrond was van menselijke activiteit, neemt langzaam zijn plek terug. Gras groeit door scheuren in het asfalt, klimop verslindt de bakstenen huid van verlaten panden. Wat ooit strak en gecontroleerd was, wordt nu een canvas voor de natuur, voor de tijd. De architectuur vertelt verhalen van tijd en vergankelijkheid, laat los wat het vasthield. De perfecte symmetrie van muren wordt vervangen door grillige lijnen en onvolmaakte vormen. De leegte in het landschap benadrukt dit proces; het biedt een podium zonder afleiding. In de leegte die hierdoor ontstaat, openbaart zich een nieuwe ruimte: een plek waar natuur en herinnering zich verstrengelen. Het is juist door het ontpitten en cureren van gebouwen in verval, of structuren die hun functie verloren, dat leegte ontstaat. Deze leegte, als een litteken in het landschap, kan uitgroeien tot een schakel. Een fluïde zone waar natuurlijke en menselijke processen elkaar ontmoeten. De grens tussen het kunstmatige en het natuurlijke vervaagt, verschuift, en wordt geen harde lijn meer, maar een overgangsgebied, een ademende ruimte die verbindt in plaats van scheidt.
Het is juist deze “junkspace”, zoals Koolhaas (Koolhaas & Foster, 2013) het noemt, of het “gecureerd verval” waar Caitlin DeSilvey (DeSilvey, 2017) over schrijft, die kan worden ingezet als verbinder. Een transitiegebied dat een dubbel doel dient: zowel als collectieve ruimte voor een omliggende woonwijk, als schakel tussen natuur en woonomgeving. Hier ontstaat geen nieuwe scheiding, maar een netwerk waarin de grenzen vervagen en een nieuwe harmonie kan groeien.
Meer lezen

De Metamorfose van Zwartberg: Een Industrieel Landschap in Beweging

Universiteit Hasselt
2025
Robine
Lemmens
De voormalige mijnsite van Zwartberg kent een rijke gelaagde geschiedenis. Van een heidelandschap, naar een mijsite, tot een industrieterrein. Vandaag is het gebied geëvolueerd tot een anonieme gefragmenteerde plek. Mijn project wil identiteit en verbondenheid herstellen, vertrekkend vanuit het idee van voortdurende verandering. Via een flexibele, modulaire structuur die inspeelt op de noden van de gemeenschap, ontstaat ruimte voor diverse functies: winkels, bedrijven, recreatie en verblijf. Deze structuur groeit mee met de transitie van industrie naar natuur en weerspiegelt de vergankelijkheid van het landschap. Het masterplan stelt een clustering van functies voor. Oude industriegebouwen maken plaats voor zones met halfopen binnengebieden, ingericht voor zachte circulatie en rust. Met inheemse beplanting, water en heidefragmenten ontstaan plekken van ontmoeting en verstilling. Het contrast tussen bedrijvigheid en rustplekken creëert gelaagdheid en karakter. Zo krijgt deze generieke plek opnieuw betekenis in een toekomstgerichte visie
Meer lezen

Objectdetectie in sonardata met behulp van semi- en self-supervised learning

HOGENT
2025
Yoran
Gyselen
Sinds de opkomst van krachtige AI- en deep learning-modellen is data uitgegroeid tot een essentiële en vaak beperkende factor in het ontwikkelingsproces. Waar eenvoudige modellen vaak kunnen volstaan met beperkte en eenvoudige datasets, vereisen complexere modellen – zoals die voor objectdetectie – steeds grotere en rijkere hoeveelheden gelabelde data. Dit vormt een belangrijk probleem in domeinen zoals sonarbeeldvorming, waar dergelijke datasets niet beschikbaar zijn als kant-en-klare bronnen en handmatige annotatie buitengewoon tijdsintensief en kostbaar is. Dit onderzoek richt zich daarom op de centrale vraag: hoe kunnen semi-supervised en self-supervised leermethoden het labelproces bij objectdetectie in sonardata versnellen, zonder significant verlies aan nauwkeurigheid?

Om deze vraag te beantwoorden is een experimenteel kader opgezet waarin drie benaderingen zijn onderzocht: een volledig supervised baseline gebaseerd op Faster R-CNN, een semi-supervised model met FixMatch, en een self-supervised strategie waarbij een BYOL-model wordt gepretraind en vervolgens gebruikt als backbone binnen een Faster R-CNN-architectuur. De experimenten zijn uitgevoerd op een publieke sonardataset bestaande uit 7600 gelabelde sonarbeelden. Voor de supervised baseline is het model getraind op verschillende hoeveelheden gelabelde data: 1%, 5%, 10%, 50% en 100%. De bijbehorende mAP-scores tonen een sterke daling in nauwkeurigheid naarmate de hoeveelheid gelabelde data afneemt, met resultaten variërend van 0.7717 (100%) tot slechts 0.2799 bij gebruik van 1% van de data.

In het semi-supervised scenario is FixMatch toegepast met 5% en 10% gelabelde data, terwijl de resterende data werd gebruikt als ongelabelde input. Deze aanpak resulteerde in mAP-scores van respectievelijk 0.6649 en 0.6828, wat duidelijk betere prestaties zijn dan het supervised model op dezelfde labelniveaus. Voor het self-supervised model werd BYOL gepretraind op de volledige dataset zonder labels. De representaties die dit opleverde zijn vervolgens geïntegreerd in Faster R-CNN, waarbij opnieuw 5% en 10% van de data gelabeld werd gebruikt voor training. Deze benadering leverde de hoogste nauwkeurigheid binnen de lage-labelscenario's, met mAP-scores van respectievelijk 0.6452 en 0.7230.

De resultaten van dit onderzoek tonen aan dat zowel semi-supervised als self-supervised technieken effectief zijn in het verminderen van de afhankelijkheid van handmatig gelabelde data, terwijl de modelprestaties grotendeels behouden blijven. Met name self-supervised pretraining via BYOL blijkt zeer waardevol in situaties met beperkte gelabelde data. Deze bevindingen bieden praktische aanknopingspunten voor het ontwikkelen van efficiëntere workflows in sonarbeeldanalyse, en zijn relevant voor bredere toepassingen in domeinen waar gelabelde data schaars of moeilijk te verkrijgen is. Hoewel de resultaten veelbelovend zijn, is vervolgonderzoek nodig om de generaliseerbaarheid naar andere types sonardata of real-time toepassingen te evalueren.
Meer lezen

De representatieve voorzijde: sporen van de historische 'goede kamer' in het Vlaanderen van vandaag

Universiteit Gent
2025
Femke
Blum
Deze masterproef onderzoekt enerzijds de historische goede kamer en
anderzijds de hedendaagse Vlaamse wooncultuur en architectuurpraktijk.
Die twee facetten worden met elkaar verbonden via de onderzoeksvraag:
hoe vinden aspecten van de historische goede kamer hun weg in de
hedendaagse woning en op welke manier blijven ze toepasbaar?
Meer lezen

Productconditie-evaluatie via multisensoriële beeldverwerking

KU Leuven
2025
Jan
Van Huffel
  • Kavishk
    Kathayat
Deze masterproef pakt de beperkingen van manuele kwaliteitscontrole aan door een modulair, hybride inspectiesysteem te ontwikkelen. Het platform combineert 3D-scans voor geometrische analyse (deuken, ontbrekende onderdelen) met 2D-beeldanalyse voor oppervlaktedefecten. Centraal staat een innovatieve AI-aanpak die zowel flexibele 'zero-shot' detectie (objecten vinden op basis van tekst) als hypernauwkeurige, getrainde modellen inzet. Door het fuseren van verschillende sensoren (RGB, diepte, nabij-infrarood) is het systeem gevalideerd op industriële steigerpijpen en e-bike batterijen, wat de brede toepasbaarheid voor veiligere en efficiëntere productie aantoont.
Meer lezen

Denken of doen over de auto: Mindset-analyse van stadsplanners tijdens de heropbouw van Antwerpen (1940-1973)

KU Leuven
2025
Lenn
De Buysscher
Deze scriptie onderzoekt de evolutie van de gedachten van stadsplanners tijdens de heropbouw van Antwerpen in de periode 1940 tot 1973. Daarbij heeft deze scriptie specifieke aandacht voor de auto en bijhorende ontwikkelingen. Dit onderzoek gebruikt daarvoor bronnen uit het Felixarchief, het Vlaams Architectuur Instituut, het Rijksarchief te Antwerpen en verschillende bibliotheken van KULeuven. Die bronnen tonen via een close reading aan dat de gedachten van de stadsplanners doorheen de jaren heen evolueerden. Die evolutie was weliswaar niet rechtlijnig en verschillende elementen zoals stedelijk groen of historische monumenten kregen, afhankelijk van de periode, meer of minder aandacht binnen de gedachten van stadsplanners. Daarnaast beïnvloedde een combinatie van verschillende internationale tendensen de gedachten van de stadsplanners. Hun gedachten waren namelijk eerder een combinatie van verschillende invloeden uit andere landen zoals Groot-Brittannië, Duitsland of de Verenigde Staten.
Meer lezen

Meer-dan-Menselijk ontwerp, zes exploraties van groenblauw ontwerpend onderzoek in Zwartberg, Genk

Universiteit Hasselt
2025
Estée
Scavone
  • Ruth
    Ubachs
  • Jitte
    Jansen
  • Merel
    Dessent
  • Lore
    Gijsenberg
  • Dilara
    Ayvaz
De collectieve masterscriptie vertrekt vanuit ‘More-than-human-ontwerpen’: een visie waarin mens, natuur en energie samen onze leefomgeving vormgeven. Ze verkent hoe architectuur en ruimtelijke ordening kunnen bijdragen aan een rechtvaardige en duurzame toekomst.

Het onderzoek situeert zich in Zwartberg (Genk), een voormalige mijnsite waar natuur, erfgoed en diverse gemeenschappen samenkomen. Vanuit een gezamenlijke contextanalyse en theoretisch kader werd een masterplan ontwikkeld dat inzet op groenblauwe netwerken als dragers voor een klimaatbestendig en sociaal inclusief Genk.

Binnen dit masterplan werden zes individuele cases uitgewerkt, elk met een eigen focus op de relatie tussen mens en meer-dan-mens. Mijn case ‘De energieke wijk’ onderzoekt hoe de energietransitie in een tuinwijk van Zwartberg collectiever en inclusiever kan worden aangepakt. De energietransitie is een van de grootste maatschappelijke uitdagingen van onze tijd. In Europa is 40% van het energieverbruik afkomstig van gebouwen. Toch blijft de renovatiegraad laag en wordt de energietransitie vaak gezien als een individuele verantwoordelijkheid, wat leidt tot ongelijkheid. Immers, wie geld, kennis of eigenaarschap mist, blijft achter. In sociaal kwetsbare wijken, zoals de Zuiderwijk in Zwartberg, is die kloof bijzonder voelbaar. De energietransitie is meer dan een technische operatie en een individuele verantwoordelijkheid. Het is een hefboom voor sociale rechtvaardigheid, ruimte om te delen en collectieve veerkracht. Mijn case toont hoe een kwetsbare wijk een pionier kan worden. Niet door te isoleren, maar door te verbinden.
Meer lezen

Een goed leven binnen planetaire grenzen in Genk: Wijkhub Zwartberg

Universiteit Hasselt
2025
Britt
Pauwels
Deze masterscriptie onderzoekt hoe architectuur kan bijdragen aan een goed leven binnen de planetaire grenzen met de wijk Zwartberg in Genk als casestudy. Vanuit de thema’s duurzame mobiliteit, circulair bouwen en gemeenschapsvorming wordt de wijkhub ontworpen als een katalysator voor verandering. De scriptie combineert theoretisch onderzoek naar de evolutie van mobiliteit en duurzame strategieën met een concreet ruimtelijk ontwerp dat het mijnverleden van Zwartberg verbindt met een regeneratieve toekomst. Zo toont het project hoe infrastructuur meer kan zijn dan verplaatsing alleen, een middel tot verbinding tussen mens, omgeving en planeet.
Meer lezen

Resight — An Adaptive Typographic and Reading System for Central Vision Loss

Hogeschool PXL
2025
Monica
Hutama
Age-related macular degeneration (AMD) is the leading cause of blindness in developed countries and currently affects over 200 million people worldwide—a figure projected to reach 300 million by 2040 (Wong et al., 2014). Despite this high prevalence, most assistive reading technologies continue to prioritize magnification or contrast enhancements, offering limited support for the specific visual challenges posed by central vision loss. In particular, the potential of typography, despite its ubiquity, remains underutilized as an adaptive tool for addressing the specific demands of peripheral vision.

This thesis responds to this gap by proposing a hypothesis-driven reading system that integrates adaptive typography, kinetic text presentation, and eccentric viewing support. Grounded in interdisciplinary evidence from typographic research, vision science, low vision rehabilitation, and reading technology, the project repositions typography as an active contributor to accessible reading.

Two key outcomes were developed: Locus Serif, a variable typeface optimized for peripheral legibility through research-led modifications of multiple typographic parameters, including stroke weight (set between 22–33% of x-height), low stroke contrast, increased x-height, adjustable letter width (narrowing in the foveal region and widening toward the periphery), and scalable serif length (shortened progressively to maintain spatial balance with wider forms). These coordinated adjustments also influence the typeface’s visual rhythm, aiming to achieve an effective balance between heterogeneity and homogeneity—critical for supporting word segmentation and perceptual clarity in peripheral reading. The second component, ReSight, is a horizontal scrolling reading interface aligned to the user’s Preferred Retinal Locus (PRL), incorporating optional PRL calibration via a simplified Amsler grid, high-contrast display, fixation support, and adjustable scrolling controls.

Together, these components demonstrate how typographic design, when grounded in scientific research and implemented responsively, can enhance reading accessibility for individuals with central vision loss. The project offers a design-led framework that invites future empirical validation and potential integration into assistive reading technologies across platforms and scripts.
Meer lezen

High-Throughput CCSDS Baseband Modem with GPU Support for Satellite SDR Modem Application

KU Leuven
2025
Tijn
De Wever
Satellietcommunicatiesystemen hebben af te rekenen met verschillende vormen van interferentie en vereisen robuuste communicatiemethoden om betrouwbare dataoverdracht te kunnen garanderen. Dit leidt tot extra complexiteit bij zowel de zender als de ontvanger, die hiervoor vaak specifieke hardware nodig hebben om rekenintensieve bewerkingen uit te voeren. Software-defined radio (SDR) modems vormen een software-gebaseerde alternatief dat meer flexibiliteit biedt. Het nadeel is echter dat ze doorgaans minder goed presteren.

Deze thesis onderzoekt of een graphics processing unit (GPU) ingezet kan worden om een snellere dataverwerking toe te laten in een SDR-modem, met als doel de prestaties aanzienlijk te verbeteren. De focus ligt hierbij op een suppressed carrier demodulator, een veelgebruikte maar rekenintensieve stap binnen SDR-ontvangers.

Er werd uitgebreid onderzoek gedaan naar de werking van de suppressed carrier demodulator, een belangrijke stap bij het optimaliseren ervan. Daarnaast werd de GPU-technologie bestudeerd, met aandacht voor architectuur, geheugenhiërarchie, programmeermodellen en de selectie van een geschikte GPU-kaart. SYCL werd gekozen als programmeermodel vanwege zijn flexibiliteit, platformonafhankelijkheid en ontwikkeld ecosysteem.

De bestaande demodulator werd geanalyseerd om knelpunten en kritische componenten in kaart te brengen. Op basis daarvan zijn twee parallellisatiestrategieën voorgesteld, elk met een verschillend niveau van parallelisme. Voor één van deze strategieën werd een proof of concept ontwikkeld, waarbij vier belangrijke componenten van de demodulator werden geparallelliseerd. Aan de hand van testbenches werden deze componenten afzonderlijk geëvalueerd. Hierbij werd het potentieel van GPU-parallellisatie duidelijk aangetoond, met snelheidsverbeteringen tot 12,5 keer onder de typische werkomstandigheden van de demodulator. Tijdens de integratie in de demodulator werd echter een onverwachte overhead vastgesteld, wat de prestaties negatief beïnvloedde. Door deze te compenseren werd de snelheidslimiet van 8 Msym/s op 11 Msym/s gebracht, wat overeenkomt met een versnelling van 37,5%.

Ondanks de beperkte prestatiewinst bij de integratie, toonden de afzonderlijke componenten aan dat door GPU-parallellisatie aanzienlijke datasnelheden behaald kunnen worden. De aparte componenten zijn momenteel al in staat tot deze hogere prestaties, maar worden beperkt door de architectuur van de demodulator. Deze studie vormt daarmee een stevige basis voor verdere ontwikkeling, waarbij het upgraden van dit proof of concept naar de tweede parallellisatiestrategie aanbevolen wordt om het volledig potentieel van de GPU te benutten.
Meer lezen

Mapping the Margin

KU Leuven
2025
Riet
Nonneman
This thesis explores how architectural practice engages with the socio-
political realities of displacement through methods of subjective storytelling
and spatial observation. Set within the broader frameworks of
temporality and marginality, the focus lies on two reception centres for
asylum seekers in Flanders: Opvangcentrum Westakkers – Rode Kruis
and Rode Kruisopvangcentrum Beveren. It does so by mapping how individuals
negotiate homemaking practices within these temporary and
institutionalised contexts.
By adopting a position of critical proximity, the analysis draws on sketching,
informal interviews, and on-site presence as tools to map space in
both a physical and emotional sense. Through this approach, personal
subjectivity is not masked, but embraced as a lens through which to reveal
hidden spatial narratives and to question the traditional role of the
architect.
This socio-spatial reflection is grounded in intersectional theory, building
on the work of researchers such as Luce Beeckmans, Huda Tayob and
Seethaler-Wari. It seeks to reframe the architectural gaze towards the
margin, as defined by bell hooks, not as a zone of lack or exclusion, but
as a space of resilience, improvisation, and agency. Rather than offering
a design solution, this thesis proposes a method of architectural engagement
that centres listening, mapping, and the empowering of voices that
are often left unheard.
Ultimately, this thesis aims to challenge dominant architectural modes by
foregrounding the potential of alternative, slower, and more humane ways
of reading and working with space, particularly in contexts where uncertainty
and hope coexist.
Meer lezen

Over dikke dozen op gevoelige grond

Universiteit Gent
2025
Senne
De Ridder
  • Cas
    Neels
Charleroi is een stad gevormd door haar industriële verleden en getekend door socio-economische breuken. Deze thesis onderzoekt hoe de industriële kavels – restanten van een cyclisch patroon van gebruik en verwaarlozing – opnieuw betekenis kunnen krijgen in het stedelijk weefsel. Via de lens van fytoremediatie, successie en typologisch onderzoek groeit een voorstel: de dikke doos. Deze grote vorm balanceert tussen industriële robuustheid en historische verfijning. Zo tekent zich een nieuw landschap af waarin vergeten gronden, architectuur en sociale relaties elkaar ontmoeten.
Meer lezen

Neural-netwerk gebaseerde audioverwerkingsalgoritmen voor cochleaire implantaten.

Universiteit Gent
2025
Julie
Van Heghe
Deze masterproef ontwikkelt en onderzoekt een nieuw audioverwerkingsalgoritme voor cochleaire implantaten, met als doel de geluidswaarneming dichter bij het normaal gehoor te brengen. Hiervoor werd een gesloten-lusarchitectuur ontworpen waarin een model van een normaalhorend systeem wordt vergeleken met een slechthorend systeem met implantaat. Via deep learning wordt het verschil tussen beide systemen geminimaliseerd, zodat het implantaatmodel geoptimaliseerd kan worden.
Meer lezen

Altijd in twee woorden. Erfgoed en verval volgens Caitlin DeSilvey

Universiteit Gent
2025
Fay
De Maesschalck
Deze masterproef onderzoekt hoe erfgoedtheoretica Caitlin DeSilvey met behulp van paradoxaal taalgebruik en oxymorons een alternatief discours over erfgoed en verval heeft ontwikkeld. In plaats van het behoud en de fixatie van objecten centraal te stellen, pleit DeSilvey voor een ‘postpreservation paradigm’, waarin vergankelijkheid, transformatie en zelfs verdwijnen worden erkend als volwaardige erfgoedprocessen. De thesis is opgebouwd als een essaybundel rond vier paradoxen: ‘ephemeral commemoration’, ‘mutable matter’, ‘experimental preservation’ en ‘ruin porn’. Elk essay bespreekt DeSilveys concepten in dialoog met literatuur, filosofie en concrete casussen, en wordt vergezeld van vier lexicons waarin sleuteltermen staan gedefinieerd. De centrale vraag is hoe erfgoedpraktijken kunnen verschuiven van statisch en objectgericht naar fluïde en procesmatig. Wat betekent het om architectuur te ontwerpen of conserveren met oog voor verandering, verval en onvermijdelijke fragmentatie? DeSilveys vocabulaire toont aan dat taal zelf richtinggevend is: haar tweeledige begrippen creëren ruimte om voorbij binaire tegenstellingen te denken. Deze thesis wil geen alternatieve doctrine formuleren, maar eerder een reflectieve ruimte openen waarin ontwerp en erfgoedzorg zich kunnen positioneren tegenover fragiliteit en eindigheid.
Meer lezen

Towards a circular turn in heritage. Spolia, a bridge between past and present in Brussels' and Flemish contemporary preservation practices.

Vrije Universiteit Brussel
2025
Judith
Cools
De klimaatopwarming is een feit, en onderzoekers vertellen ons al jaren over de snel aankomende gevolgen daarvan. Één van de transities die we kunnen maken om de klimaatopwarming een halt toe te roepen is overstappen naar een circulaire economie, en voor de constructiesector is dat niet anders. Een circulaire bouweconomie introduceren kan op verschillende manieren: 1. Het omkeerbaar ontwerpen van gebouwen, zodat wanneer ze niet meer van dienst kunnen zijn, we hun onderdelen elders opnieuw kunnen gebruiken 2. Het retrofitten van bestaande gebouwen 3. Materialen en bouwelementen recupereren en hergebruiken na volledige of gedeeltelijke demontage. De bouwsector volledig circulair maken kan dus niet door enkel in de toekomst slim te ontwerpen, maar ook alle bestaande gebouwen zijn deel van deze transitie. In Brussel en Vlaanderen tezamen hebben meer dan 130.000 van deze gebouwen erfgoedwaarde. Maar hoe kunnen we circulariteit en erfgoed laten samengaan om ook deze gebouwen van cultureel en historisch belang in de transitie te betrekken? Binnen de erfgoedpraktijk is traditioneel en strikt beschermen en behouden vaak dé strategie bij uitstek. Deze gebouwen strikt beschermen én conform houden aan onze duurzaamheidsvereisten van vandaag kost veel tijd, aandacht, geld, etc. Gebruik van deze strategie is onhaalbaar en onwenselijk voor al die 130.000 gebouwen. Daarnaast heeft een evoluerende maatschappij ook steeds veranderende noden. Zo werd het herbestemmen van gebouwen waarbij flexibiliteit, aanpassingen maken en respect voor het erfgoed gecombineerd en steeds gangbaarder onder titel 'adaptive reuse'. Alhoewel dit al een enorme stap is richting duurzaamheid voor zowel mens als maatschappij, wordt er vaak over het hoofd gezien dat er bij flexibele erfgoedbewaarstrategieën fragmenten overblijven die de selectie niet halen en zo later ‘afval’ worden. Daarom beargumenteer ik in dit onderzoek waarom ook het demonteren, verplaatsen en herintegreren van architecturale erfgoedfragmenten deel is van een volledige transitie naar een circulaire bouweconomie. Echter is de erfgoedpraktijk nog sceptisch over het transporteren van erfgoedfragmenten als bewaarstrategie. Met een betoog, uitgediept op niveau van theoretische debatten, lokale beleidsdocumenten en praktijkvoorbeelden, toont deze thesis aan dat het verplaatsen van erfgoedfragmenten ook bijdraagt aan een inclusievere erfgoedzorg. Indien toegepast onder voorwaarden, kan het verplaatsen van erfgoedfragmenten bijdragen aan een rijker begrip van erfgoedwaarden en -betekenissen. In deze masterproef wordt er getracht de complexe match tussen hergebruik van bouwmaterialen en architecturale erfgoedfragmenten te benutten en aan te tonen dat beide disciplines op deze manier de volgende stap kunnen zetten richting duurzaamheid. Tenslotte is er niet enkel een ecologische voetafdruk verbonden aan materialen en fragmenten, maar dus ook een culturele/historische voetafdruk. Niet alleen biedt deze masterproef een grondige basis, gebaseerd op theorie, beleid en praktijk voor stakeholders uit beide disciplines om dit innovatief debat verder te voeren, ze biedt ook een concrete uiteenzetting hoe deze transitie in de praktijk gerealiseerd kan worden. Dit gebeurt met een voorstel om erfgoed- en bouwbeleid te integreren en zo niet alleen geschiedenis en cultuur, maar ook de 'embodied carbon en energy' te waarborgen.
Meer lezen

Handgeschept papier als ontwerpstrategie voor een interieur in ontwikkeling

KU Leuven
2025
Charlotte
Deconinck
Deze masterproef onderzoekt hoe handgeschept papier kan functioneren als een ontwerpstrategie binnen de interieurarchitectuur. Waar papier traditioneel gezien wordt als decoratief of tijdelijk, wordt het hier benaderd als een actief en zintuiglijk materiaal dat voortdurend in dialoog staat met ruimte, gebruiker en omgeving. Het project vertrekt vanuit een cyclische praktijk van papier scheppen, verwerken en opnieuw integreren: wat scheurt of vervaagt wordt herwerkt tot nieuwe pulp en opnieuw toegepast. Zo ontstaat een interieur dat nooit af is, maar zich voortdurend ontwikkelt in relatie tot tijd, gebruik en omstandigheden.
De oude stal waarin dit onderzoek plaatsvindt fungeert als laboratorium, waar papier wordt bevestigd op muren, houten structuren en een mobiel stalen frame. Het materiaal reageert op licht, vochtigheid en aanraking, waardoor de ruimte verandert en een actieve betrokkenheid vraagt. Dit proces toont hoe interieurarchitectuur kan verschuiven van een objectmatig eindresultaat naar een procesmatige praktijk waarin zorg, toewijding en zintuiglijke ervaring centraal staan.
Door het ambacht van papier scheppen te verbinden met de ontwerppraktijk ontstaat een methode van Thinking Through Making, waarin handeling en ontwerp samenvallen. Het project stelt daarmee vragen bij de dominante logica van afwerking en standaardisatie en biedt een alternatief dat inzet op traagheid, cyclische tijd, imperfectie en verbondenheid. Zo toont deze scriptie dat ook fragiele en vergankelijke materialen een krachtige motor voor duurzaamheid en betekenisvolle interieurarchitectuur kunnen zijn.
Meer lezen

Productive Campus: Future-proofing Vienna's economy through productive education

KU Leuven
2025
Britt
Van Gulck
Productive Campus is a pilot project reimagining the relationship between vocational
education and urban production by exploring a hybrid infrastructure that enables
them to coexist, and benefits both the employees and students in building a resilient,
local, and circular economy.

In a time where many cities struggle with issues such as congestion, affordability, in-
adequate infrastructure, and unemployment, Vienna repeatedly tops the ranking of
the most livable cities in Europe. Due to rapid demographic expansion, infrastructural
demands, and evolving economic systems, the search for sustainable development
strategies of the post-industrial city has been dominating political discourse on urban
transformation over the last decades.

However, a different voice is heard, one that advocates for a re-appreciation of
productive economies as a driver for sustainable urban development. Production
has become an indispensable component of an innovative, sustainable urban econ-
omy due to the increasing interrelationships with knowledge, research and develop-
ment, and services. These productive industries are essential for instigating econom-
ic growth, creating jobs for a wide range of workers, and stimulating infrastructure
development. Additionally, their high contribution to Vienna’s value creation and
collaboration with businesses, communities and governments can further facilitate
urban development by addressing specific challenges. Hence, the City of Vienna developed the ‘Produktive Stadt’ in 2017 in close partnership with the Vienna Chamber
of Commerce and the Federation of Austrian Industry.

The mutual benefits of collaboration between on the one hand knowledge institutions in favour of innovation, adaptability, and on the other hand a more networked,
collaborative economy, no longer need to be the domain of universities and larger
research facilities. This thesis takes as a stance the potential for Austria’s wide range
of vocational disciplines in specialized schools for students at the Upper Secondary
Level. Such education trajectories prepare them for future employment in the pro-
ductive sector. It raises the question whether we can develop alternative models from
this collaboration for an inclusive environment for makers with various financial and
expert backgrounds, as well as ensuring qualitative, sustainable education through
early hands-on experience.

Through literature and policy evaluation, spatial analysis, and design research, a personal design proposal seeks to integrate socio-economic, and architectural strategies
in a newly emerging urban context through the architecture of a future-proof mixed-use productive education building.

The resulting architecture envisions adaptable, hybrid spaces that cater to traditional
and new industries, providing a flexible and sustainable environment for small businesses, self-employed people, and start-ups. The integration of these real-world working conditions in addition to the required general infrastructure for education, creates
an environment in which students are motivated to become good craftspeople. The
focus on inspiring makers goes even beyond the student population, since the local
diy’er, teachers and professionals are able to enjoy lifelong practical and theoretical
skill building. The importance of qualitative education and the re-integration of production on a mixed-use site, will by extension have a positive impact on enforcing
this economic growth and stability as well as creating a local identity for its residents.
Meer lezen

AI jury-assistent voor het herkennen van rope skipping skills in videos

HOGENT
2025
Mike
De Decker
Genomineerde longlist Bachelorprijs
Door de evolutie van de sport is het jureren van ropeskipping freestyles op hoog niveau moeilijk geworden. Zowel het aantal skills in de routine, alsook de snelheid waarmee ze worden uitgevoerd neemt toe. Dit is vooral te merken in Double Dutch freestyles. Daarom worden deze routines zowel live (creativiteit, variatie, muziekgebruik) als vertraagd (moeilijkheidsgraad) gejureerd.
Ondanks het feit dat freestyles op halve snelheid worden herbekeken en hierdoor jureerfouten worden vermeden, merkt men dat er nog enig verschil zit op scores toegekend door juryleden. Door de toegenomen toegankelijkheid van kunstmatige intelligentie, voornamelijk neurale netwerken, werd de vraag gesteld of een AI juryassistent ontwikkeld kan worden die helpt een betere en objectievere score zou opleveren.
Dit onderzoek verkent de mogelijkheid tot het bouwen van zo een juryassistent, de benodigde technieken en uitdagingen. De huidige vorm van de juryassistent bestaat uit drie hoofdzakelijke delen. Het eerste deel gaat over het lokaliseren van springers in de opnames. Niet alle videos zoomen in op de springer of zijn net eerder statische opname. Dit deel is noodzakelijk om computationele overhead te beperken, daar springers soms minder dan een vijfde van het beeld in beslag nemen.
De tweede groote stap is het splitsen van volledige routines in elke uitgevoerde skill. Dit wordt gedaan aangezien het onbegonnen werk zou zijn op om dit manueel te doen.
Het derde deel omvat het herkennen van de gesprongen skill. Voor Double Dutch Freestyles betekent dit een combinatie van uitvoering door draaiers en springers.
Door louter presentatieskills of moeilijk zichtbare skills te makeren als 'unknown' (e.g. wanneer een draaier tussen de springer en camera staat), wordt er verwacht dat het model aangeeft wanneer het niet zeker is.
Voor het lokaliseren slaagde YOLOv11 er in om een mAP50 te behalen tussen de 93-95\%, waarbij het succesvol publiek filterde van atleten, mits kleine foutjes. Hierdoor het Multiscale Vision Transformer model skills ingezoomde crops gebruiken om acties van elkaar te onderscheiden. Deze konden vervolgens herkend herkend worden hetzelfde MViT model of een doormiddel van een Swin Transformer. Het gemiddelde f1 macro gemiddelde van deze modellen lagen tussen de 49 en de 53 procent, door de lage representatie van minder vaak voorkomende skills. Immers lag de totale accuraatheid hoger, tussen de 89 en de 94 procent.
Dit zorgde ervoor dat juryscores door het model konden toegewezen, deze lagen -28 tot -20 procent onder de score toegekend door juryleden.
Verdere onderzoek is nodig om de accuraatheid van de architectuur te verhogen.
Meer lezen

Trends in opnames en overlevingskansen bij raamslachtoffers in Opvangcentrum vogels en wilde dieren Oostende

Hogeschool VIVES
2025
Angel
Molendijk
De druk op vogelpopulaties neemt wereldwijd toe door een breed scala aan menselijke invloeden, variërend van grootschalig verlies van leefgebied tot directe sterfte door factoren als vervuiling en infrastructuur. Deze gecombineerde stressfactoren leiden op grote schaal tot de afname van vogelpopulaties. De impact hiervan mag niet onderschat worden aangezien vogels zowel ecologisch als economisch een cruciale rol spelen voor mens en milieu.

Raamcollisies zijn wereldwijd een belangrijke, maar vaak onderschatte oorzaak van vogelsterfte. Ondanks toenemende wetenschappelijke aandacht blijft Europese data schaars, waardoor het moeilijk is om de impact volledig in te schatten. Deze studie wil daaraan bijdragen door trends in aantallen en overlevingskansen van raamslachtoffers te analyseren op basis van een unieke langetermijndataset (1984–2024) uit het Opvangcentrum voor Vogels en Wilde Dieren Oostende.

In totaal werden 3.804 gevallen van raamimpact bij inheemse vogelsoorten onderzocht. De resultaten laten een duidelijke toename zien in het aantal jaarlijkse opnames. Die stijgende trend kan slechts deels verklaard worden door factoren zoals een hogere meldingsbereidheid en de grotere bekendheid van het VOC. Ook het aandeel raamslachtoffers binnen het totaal aantal opnames nam toe, wat wijst op een structureel groeiend probleem.

Raamimpact bleek sterk seizoensgebonden: de meeste opnames vonden plaats in de herfst, gevolgd door zomer en lente. Vooral trekvogels, en dan met name nachtelijke trekkers, waren oververtegenwoordigd. De houtsnip (Scolopax rusticola), goudhaan (Regulus regulus) en zanglijster (Turdus philomelos) kwamen opvallend vaak voor. De houtsnip was met 651 opnames (17%) de meest getroffen soort, veel meer dan verwacht op basis van haar aandeel in de Belgische vogelpopulatie. Door gedrags- en lichaamskenmerken, zoals lage vlucht en beperkt binoculair zicht, is de soort bijzonder kwetsbaar voor botsingen.

Slechts de helft van de opgenomen slachtoffers kon opnieuw worden vrijgelaten. Overlevingskansen varieerden per soort en seizoen, en waren het hoogst in de herfst. Tegelijkertijd viel op dat soorten zoals de huismus (Passer domesticus) en groene specht (Picus viridis) veel lagere overlevingskansen hadden.

De studie bevestigt dat raamimpact geen selectieve doodsoorzaak is aangezien zowel algemene als bedreigde soorten worden getroffen. Zo behoorde 17% van de slachtoffers tot Rode Lijst-soorten. Bovendien tonen de opvangcijfers slechts een deel van het werkelijke beeld. Veel vogels sterven ter plaatse of blijven onopgemerkt, waardoor het totale sterftecijfer aanzienlijk hoger ligt.

Hoewel raamimpact zelden als klassiek dierenwelzijnsprobleem wordt erkend, veroorzaakt het vaak ernstig trauma en onzichtbare verwondingen. Vanuit zowel ecologisch als ethisch oogpunt is preventie daarom noodzakelijk. Deze studie laat zien dat systematische analyse van opvangdata waardevolle inzichten biedt voor risico-inschatting en beleid. Vogelvriendelijke architectuur, aangepaste verlichting en standaardisering van registratie bij opvang zijn cruciale pijlers voor een geïntegreerde aanpak van deze onderschatte vorm van dierenleed en biodiversiteitsverlies.
Meer lezen

"Un genre qui lui appartient en toute propriété." Marie-Antoinette Marcotte (1867-1929) en de weergave van de serre in de West-Europese schilderkunst tussen 1850 en 1930.

Universiteit Gent
2025
Marie
Harteel
Aan het einde van de 19e eeuw maakte de Frans-Belgische kunstenares Marie-Antoinette Marcotte haar handelsmerk van een uniek artistiek onderwerp: de serre. Talloze contemporaine recensies prijzen haar talent om de zonnige kleuren en broeierige atmosfeer op doek vast te leggen. Het originele onderwerp speelde tegelijk in op de maatschappelijke belangstelling voor de serrecultuur in Europa. Aan de hand van historisch en iconografisch onderzoek van het oeuvre van Marcotte en een 100-tal schilderijen door andere Europese kunstenaars wordt nagegaan hoe verschillende waarden, praktijken en sociale problematieken omtrent de serrebouw in de West-Europese samenleving tussen 1850 en 1930 in de schilderkunst zichtbaar worden. Het uitgangspunt van dit onderzoek is om primaire bronnen, archiefmateriaal en secundaire literatuur te combineren met iconografische analyse om de artistieke afbeelding van serres diepgaand te begrijpen.

Het eerste hoofdstuk belicht de sociaalhistorische bestaansvoorwaarden die de idylle van de serrecultuur mogelijk maken. Zowel de lokale en internationale populariteit van horticulturele tentoonstellingen als de koloniale botanica worden onderzocht. Om de planten in leven te houden was verder veel werk en zorg nodig. Afbeeldingen van de arbeidersklasse in de serres zijn uitzonderlijk, maar vormen belangrijke getuigenissen van het anders onzichtbare werk dat beladen is met complexe sociale en genderdynamieken. De actieve arbeid die in de schilderijen terug te vinden is, is op zijn best in een verwaterde versie herkenbaar in afbeeldingen van de bourgeoisie in de plantenkas.
Hoofdstuk twee belicht de weergave van de burgerij, voor wie de serres vooral ruimtes waren voor vrijetijd en ontspanning, alleen of met gezelschap. Daarnaast was de serre een locus van sociale interactie. Gaande van intieme relaties in de domestieke plantenkassen tot zien en gezien worden in de publieke wintertuinen, en van moederschap tot romantische allusies – de schilderijen brengen een brede waaier aan interpersoonlijke dynamieken in beeld.
In het laatste hoofdstuk wordt Marcottes oeuvre geanalyseerd vanuit een specifiek kunsthistorisch standpunt: het genre van het serreschilderij wordt uitgeklaard vanuit het perspectief van het bloemstuk en de daarmee geassocieerde genrehiërarchie en genderconnotaties. Ondanks dit traditioneel verwantschap worden conventies uitgedaagd door de vormelijke kracht van de architectuur enerzijds en de symbolische verbondenheid ervan aan ideeën van technologische vooruitgang en moderniteit anderzijds.

Gekaderd in de kunsthistorische evolutie van het bloemstuk, de sociaalhistorische relevantie van de serrebouw en het werk van haar tijdgenoten toont dit onderzoek de relevantie aan van Marcottes deeloeuvre als zijnde zowel vernieuwend als symptomatisch voor de tijdsgeest waarin het gemaakt werd.
Meer lezen

TRIPI door doet_ Bouwstenen van duurzaam design

Thomas More Hogeschool
2025
Lucas
Desmet
Genomineerde shortlist Bachelorprijs
Deze masterproef onderzoekt hoe een stenen tafel ontworpen kan worden met een minimum aan onderdelen, gemaakt uit reststromen natuursteen, en toch volledig demonteerbaar blijft. Het resultaat is TRIPI, een circulaire tafel, gemakkelijk transporteerbaar, modulair, zonder gebruik van vaste verbindingen.

Het eerste luik - ontwerp - vertrekt vanuit de vraag hoe een tafel enkel door massa en stabiliteit gedragen kan worden. Inspiratie werd gehaald uit kunstwerken zoals ‘Props’ van Richard Serra en prehistorische megalithische architectuur, aangevuld met een historische analyse van de monopode als archetypische en rituele vorm. Parallel werd de praktijk van hergebruik in steenproductie bestudeerd, zowel in een historische als hedendaagse context. Dit vormde de basis voor TRIPI als een eigentijdse monopode die diepe wortels in de geschiedenis verbindt met circulaire innovatie. Het ontwerpproces omvatte onderzoek naar reststromen natuursteen, marktonderzoek naar prijs en vraag, en de ontwikkeling van een ontwerpmethodiek met meerdere prototypes, waarin circulaire principes centraal stonden: het hergebruik van kleinere reststukken natuursteen van steenkappers als volwaardige bouwstenen voor een nieuw meubel.

Het tweede luik - uitvoering - vertaalt het ontwerp naar een concreet uitvoeringsdossier. TRIPI bestaat uit drie poten, drie bladdelen en één sluitstuk in gerecycled staal. In het dossier werden constructief-technische tekeningen uitgewerkt, aangevuld met materiaalanalyses en prototyping in terrazzo, staal, hout en EPDM. Daarnaast bevat dit luik een handleiding voor montage, een materialenpaspoort en een technische fiche. Dankzij de modulaire opbouw weegt geen enkel onderdeel meer dan 10 kilogram, waardoor de tafel niet alleen licht en verplaatsbaar is, maar ook eenvoudig flatpack te transporteren.

Het derde luik - marketing - bekijkt TRIPI als product binnen de meubelmarkt. Er werd een kostprijsberekening opgesteld, inclusief de prijs van de dummy, verzekeringswaarde en verkoopprijs, om het economische potentieel in kaart te brengen. Door reststromen natuursteen te valoriseren in een modulair designmeubel, kan dit systeem bijdragen aan de verduurzaming van de steenverwerkende sector, terwijl het consumenten een circulaire én luxueuze tafel aanbiedt die levenslang kan meegroeien met hun woonomstandigheden.

De scriptie toont zo hoe ontwerp, technische uitvoering en marktbenadering samenkomen in een concreet product dat een antwoord biedt op twee uitdagingen: de verspilling van waardevolle natuursteenresten en de vraag naar lichtere, duurzamere tafels. TRIPI is dus meer dan een tafel: het zijn bouwstenen van duurzaam design.
Meer lezen