Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

DE ADOLESCENTE MOSLIM ALS IDENTITEITSZOEKER: EEN KWALITATIEVE STUDIE BIJ HULPVERLENERS NAAR RADICALISERING ALS EEN PROCES IN RELATIE TOT DE ADOLESCENTIE ALS LEVENSFASE

Universiteit Gent
2025
Rania
Ikoubaân
Deze masterproef onderzoekt hoe hulpverleners radicalisering bij adolescenten binnen een islamitische context begrijpen, met bijzondere aandacht voor de rol van identiteitsontwikkeling en de uitdagingen van de adolescentiefase. Sinds de aanslagen van 9/11 en de opkomst van homegrown terrorism is radicalisering een centraal thema geworden in zowel het publieke als wetenschappelijke discours. Desondanks ontbreekt een eenduidige definitie en worden radicalisering, extremisme en terrorisme vaak ten onrechte met elkaar en met de islam geassocieerd. Eerder onderzoek richtte zich vooral op justitiële dossiers of op de ervaringen van geradicaliseerde individuen, waardoor het perspectief van hulpverleners onderbelicht bleef. In dit kwalitatieve onderzoek werden twaalf bestaande, semi-gestructureerde interviews met Belgische hulpverleners geanalyseerd volgens een thematische analyse. De analyse toont dat hulpverleners radicalisering niet zien als een geïsoleerd ideologisch fenomeen, maar als een betekenisvolle oplossingspoging voor onderliggende psychische en sociale kwetsuren, vaak gerelateerd aan migratiepijn, structurele uitsluiting, intergenerationele conflicten en identiteitsproblemen. De adolescentiefase wordt door hulpverleners beschouwd als een periode van verhoogde kwetsbaarheid, waarin radicalisering kan fungeren als een poging om met gevoelens van onzekerheid, vervreemding en identiteitsvragen om te gaan. Deze bevindingen onderstrepen de noodzaak van een genuanceerde benadering van radicalisering, die oog heeft voor de individuele beleving en de bredere maatschappelijke context, en bieden waardevolle aanknopingspunten voor beleid en klinische praktijk.
Meer lezen

Geautomatiseerde Analyse van Waargenomen Objecten en Kijkduur met behulp van Hoofd Gemonteerde Eyetracking in Zorgsimulaties.

HOGENT
2025
Ilian
Bronchart
Observatievaardigheden zijn van belang voor zorgverleners, zowel voor accurate diagnoses als voor empathische patiëntondersteuning.
De huidige evaluatie van deze vaardigheden in gesimuleerde omgevingen steunt vaak op subjectieve methoden zoals zelfrapportage en directe observatie door docenten.
Hoewel de Tobii eyetracking-brillen in het Zorglab van HOGENT objectieve blikdata leveren,
ontbreekt er tot op heden geschikte software om automatisch te analyseren welke objecten studenten waarnemen en voor hoe lang.
Deze bachelorproef beantwoordt hoe computervisiemodellen geïntegreerd kunnen worden met eyetrackingdata van Tobii Glasses om de observatieprestaties van studenten automatisch te analyseren.
De analyses dienen de feedback door docenten in het Zorglab te versterken.

Deze doelstelling werd uitgewerkt door middel van van een proof-of-concept (PoC) softwareapplicatie.
Dit proces startte met een literatuurstudie naar eyetracking-analyse en relevante computervisiemodellen (o.a. YOLO, SAM, DINOv2).
Vervolgens werd een prototype applicatie ontworpen en geïmplementeerd (Python, FastAPI, HTMX), inclusief een semi-automatische labeling-tool die gebruik maakt van SAM2 voor objectsegmentatie en -tracking.
Om de PoC te valideren, werd een gecontroleerd experiment uitgevoerd in het Zorglab.
Hier genereerden studenten aan de hand van Tobii Pro Glasses 3, eyetrackingopnames tijdens gesimuleerde observatietaken.
Deze opnames, samen met twee specifieke kalibratieopnames, werden gelabeld met de ontwikkelde tool om een grondwaarheidsdataset te creëren.
Een analysepijplijn werd ontworpen en geëvalueerd. In deze analyse werd de trackingfunctionaliteit van FastSAM gecombineerd met blikgestuurde filtering en classificatie van objectsegmenten, middels een getraind YOLOv11-objectdetectiemodel.
De prestaties werden geëvalueerd aan de hand van precisie, recall en F1-score, na optimalisatie via een grid search van hyperparameters.

Uit de resultaten bleek dat de combinatie van FastSAM-tracking met een YOLOv11-objectdetector (getraind op 1000 samples per klasse) de beste prestaties opleverde, met een F1-score van 0.80, een precisie van 0.94 en een recall van 0.70.
De hoge precisie toont aan dat het systeem met grote zekerheid de correcte objecten identificeert, hoewel een significant deel van de fout-positieven in de werkelijkheid correct gedetecteerde objecten bleken te zijn, die niet in de grondwaarheid waren opgenomen.
De lagere recall wijst erop dat niet alle bekeken objecten consistent werden gedetecteerd, voornamelijk door problemen met kleine, transparante objecten en door inconsistenties tussen de FastSAM-segmentaties en de grondwaarheid.
De FastSAM-tracking bleek de meest beperkende factor in de pijplijn.

Deze bachelorproef levert een werkend PoC en een methodologie op die de haalbaarheid van geautomatiseerde analyse van observatievaardigheden aantoont.
Het biedt een objectieve, datagestuurde basis om de feedback aan studenten te verbeteren en de effectiviteit van simulatietraining in de zorg te verhogen.
Op deze manier legt het een fundament voor verder onderzoek naar robuustere analysemethoden.
Meer lezen

De representatie van transmannen in pornografie - een focusgroepstudie

Universiteit Gent
2025
Odamé
Blommaert
Het onderwerp van seksualiteitsbeleving bij volwassen transgender en gender diverse (TGD) personen is ernstig onderbelicht in de wetenschappelijke literatuur. TGD personen zijn vaak protagonisten in seksueel expliciet materiaal, maar hun ervaringen met en noden op vlak van gender divers materiaal zijn zelden geëxploreerd. Deze masterproef voerde een focusgroepstudie uit alsook drie individuele interviews met transmannen die zich in een beslissingsproces rond genitale chirurgie bevinden. We wensten te onderzoeken of beschikbare genderdiverse kanalen voor seksueel expliciet materiaal, hier Himeros.tv, een exploratie kon bieden, wat potentieel kan bijdragen in het ontwikkelen van een sekspositief zelfbeeld. Hiernaast wilden we te weten komen of dit op zijn beurt een effect heeft op het beslissingsproces rond genitale chirurgie. Vanuit de data werden er 3 overkoepelende thema’s gevonden: 1) De functies van pornografie, 2) Het effect op seksualiteit en transitie en 3) De representatie van transmannen. De resultaten toonden over het algemeen dat Himeros.tv een respectvoller, realistischer en diverser alternatief bood in tegenstelling tot mainstream pornografie waar TGD personen vaak gerepresenteerd worden aan de hand van stereotiepe, fetisjerende en objectiverende beelden en verhaallijnen. Door de nadruk op intimiteit, consent en plezier, alsook een minder expliciete focus op de geslachtsdelen, droeg Himeros.tv in zekere mate bij aan de exploratie en de ontwikkeling van een sekspositief zelfbeeld. Tegelijkertijd waren er enkele kritische bedenkingen aanwezig, zoals onder andere de stereotiepe representatie van translichamen (vooral na een borstoperatie, en voor een genitale chirurgie), de beperkte diversiteit in lichamen en de doelgroepgerichtheid op homo- en biseksuele mannen. Hierdoor voelden niet alle deelnemers zich gerepresenteerd in de video’s van Himeros.tv. Daarnaast speelde TGD pornografie voor velen een rol in het beslissingsproces rond genitale chirurgie, met name als visuele en laagdrempelige informatiebron over translichamen na een geslachtsoperatie in een seksuele context. Dit kon helpen om de chirurgische opties af te wegen, het idee te versterken dat een bevredigend seksleven zonder chirurgie mogelijk is en om alternatieve narratieven te bieden in het seksuele leven als TGD persoon. De impact hiervan verschilde sterk per individu en was afhankelijk van de fase in de transitie, persoonlijke behoeften binnen pornografie en het vermogen om de beelden kritisch te interpreteren.
Meer lezen

Cultuur als pedagogie: De ontwikkeling van ethische oriëntatie en burgerschapszin bij jongeren door middel van manga-literatuur 'One piece - een kader voor de leerkracht

Universiteit Gent
2025
Lander
Goossens
Deze studie bespreekt hoe leerkrachten aan de hand van fictieve literatuur – meer bepaald door manga-literatuur One Piece – jongeren kunnen begeleiden bij de ontwikkeling van hun ethische oriëntatie. De filosofie van de narratieve ethiek zoals geformuleerd door Martha Nussbaum biedt hierbij de basis, meer bepaald de drie centrale kenmerken die zij relevant acht: identificatie, empathie en multiperspectivisme.

Op basis van deze elementen is het leer- en leskader dat deze studie voorziet, ontwikkeld. Het bestaat uit een theoretisch en praktisch luik. Het theoretisch luik voorziet een analyse van een verhaallijn uit One Piece op basis van de drie centrale kenmerken uit de narratieve ethiek zoals beschreven door Nussbaum. Deze analyse maakt het mogelijk ook een praktisch luik te voorzien waarin concrete werkvormen worden aangeboden om met One Piece aan de slag te gaan in de klas wanneer het gaat over morele ontwikkeling en ethische oriëntatie.

Deze studie is gestoeld op de sleutelcompetenties en leerplandoelen voor de derde graad secundair onderwijs, doorstroomfinaliteit humane wetenschappen.
Meer lezen

STILL COMING-OF-AGE: THE STORIES WE NEED(ED): A COHORT-BASED STUDY OF QUEER VIEWERSHIP AND ENGAGEMENT WITH COMING-OF-AGE SERIES

Universiteit Gent
2025
Yari
Landuyt
Deze studie onderzoekt hoe queer coming-of-age (QCOA) series worden geconsumeerd
en geïnterpreteerd door queer mannelijke kijkers uit drie cohorten in Vlaanderen. Hoewel
QCOA verhalen vaak als relevant voor jongeren worden beschouwd, toont dit onderzoek
aan dat ze emotioneel betekenisvol zijn voor verschillende leeftijden. Vanuit een
theoretisch kader gebaseerd op queer theory, televisiestudies en life course onderzoek,
werden veertien diepte-interviews afgenomen met queer mannen tussen 18 en 67 jaar. De
deelnemers werden ingedeeld in drie cohorten: de Pre-Mainstream Cohort (PMC), de Early
Queer Normalization Cohort (EQNC) en de Queer Media Explosion Cohort (QMEC). Ze
reflecteerden op hun ervaringen met een selectie van QCOA series, waaronder
Heartstopper, wtFOCK, SKAM, Young Royals en Love, Victor. Aan de hand van
constructivistische grounded theory werd geanalyseerd hoe zij zich verhouden tot deze
series, met bijzondere aandacht voor seksuele identiteitsontwikkeling, het onderscheid
tussen herkenning en identificatie, en het gebruik van QCOA series als een emotionele
proxy. De bevindingen tonen aan dat hoewel sommige deelnemers toegang hadden tot
meer toegankelijke queer media, deze zichtbaarheid niet altijd leidde tot emotionele
resonantie. Anderen gebruikten QCOA series eerder retrospectief, om hun adolescentie te
herdenken of te verwerken. Over de cohorten heen absorbeerden deelnemers
representatie niet passief, maar gaven er actief betekenis aan, waarbij ze eigen
herinneringen, verlangens of onverwerkte gevoelens projecteerden. QCOA series
functioneren zo niet als universele spiegels, maar als emotioneel flexibele culturele teksten
die queer kijkers in staat stellen hun identiteit te verkennen, op het verleden te reflecteren
en alternatieve trajecten te verbeelden.
Meer lezen

ML-gebaseerde survival analyse met intervalgecensureerde gegevens voor leeftijdsvoorspelling bij honden

Universiteit Gent
2025
Jennifer
Martlé
Puppy’s worden vaak op te jonge leeftijd verhandeld. Dit kan gezondheidsimplicaties voor
zowel de hond, als de menselijke bevolking met zich meebrengen. Hierbij spelen de
minimumleeftijden van acht en vijftien weken een cruciale rol. Deze zijn ingevoerd om te
voorkomen dat te jonge en ongevaccineerde honden verhandeld worden. Deze studie
ontwikkelt daarom met behulp van machinaal leren en survival analyse een techniek om de illegale puppyhandel te bestrijden. Dit gebeurt door middel van modellen die accuraat de leeftijd van een pup kunnen bepalen op basis van zijn gebit.
Meer lezen

Vergeten Conflicten: een blinde vlek van Vlaamse media?

KU Leuven
2025
Benthe
Vermeulen
In mijn scriptie onderzocht ik hoe het Nieuwsselectieproces van conflicten bijdraagt aan het voortbestaan van vergeten conflicten, door in gesprek te gaan met tien buitenlandjournalisten van uiteenlopende nieuwsmedia. De masterproef is opgebouwd uit vier delen. In het eerste deel wordt, op basis van de bestaande literatuur over vergeten conflicten en het nieuwsselectieproces, nagegaan welke theoretische kaders relevant zijn voor dit onderzoek. Deel twee omvat de probleemstelling en een uiteenzetting van de methodologische aanpak. In deel drie worden de resultaten van de interviews gepresenteerd. Deel vier sluit af met een bespreking van deze resultaten aan de hand van de in deel één besproken literatuur. Tot slot eindigt de masterproef met een algemene conclusie van het onderzoek.
Meer lezen

Het prijsgeven van de identiteit van daders en slachtoffers van misdrijven door de journalist

Universiteit Antwerpen
2025
Nathalie
Voss
Het idee van mijn onderzoek is ontstaan door de recente ontwikkelingen in de samenleving. De burger is verontwaardigd wanneer de identiteit van verdachten en daders op een niet consistente wijze wordt vermeld in de media. Wegens onwetendheid en frustratie laat de samenleving zich dan ook horen, met alle gevolgen vandien. Hoewel ik zelf eerst onbegrip toonde voor de niet-standvastigheid van de media inzake het prijsgeven van de identiteit, heeft dit mij aan het denken gezet: zijn er dan geen regels waaraan journalisten zich moeten houden?
Wegens deze bedenking viel mijn oog op de Code van de Raad voor de Journalistiek. Deze Code geldt als leidraad voor journalisten en bevat verschillende onderwerpen die worden uitgewerkt in artikels en richtlijnen. De belangrijkste richtlijnen voor dit onderzoek zijn te vinden in artikel 23 van de Code en omvatten: identificatie in gerechtelijke context, identificatie van slachtoffers en respect voor het privéleven van publieke figuren. Omdat een onderzoek naar de volledige Code ons te ver zou leiden, heb ik gekozen om mijn onderzoek af te bakenen tot dit artikel 23 (mits bepaalde kanttekeningen). Hiernaast wordt het onderzoek gevoerd vanuit de situatie van dader en slachtoffer. De focus ligt dus niet op de verdachte.
Zo heb ik de Code op zichzelf onderzocht en ging ik na wat de grenzen zijn aan het prijsgeven van identiteit van daders en slachtoffers van misdrijven door de journalist. Hierdoor is de vraag ontstaan hoe buurlanden dit invullen. Vooraleer ik dus een oordeel vel over onze Code, acht ik het noodzakelijk om te kijken hoe Nederland hiermee omgaat. Ik heb dan ook gekozen om een vergelijking te maken tussen de code in Nederland, namelijk de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek, en onze Code.
Uit deze vergelijking blijkt dat beide codes belang hechten aan een zorgvuldige afweging tussen het recht op privacy en het belang van het publiek om toegang te krijgen tot informatie. De Code is enorm gestructureerd met verwijzingen naar verschillende artikels en richtlijnen die per onderwerp uiteenzetten hoe de journalist moet handelen in een bepaalde situatie. Toch blijft de praktische toepassing afhankelijk van de journalist/redactie. Redacties beslissen binnen de marges van de Code zelf hoe zij identificeren, al geldt de Code wel als een minimumregel. De Raad treedt pas op wanneer een klacht wordt ingediend. Zij zal kijken of de Code effectief gevolgd werd of niet.
In België bestaat geen vaste praktijk zoals de Nederlandse initialenregel (voornaam, gevolgd door initiaal van de familienaam), hierdoor is er meer ruimte voor volledige identificatie, wat leidt tot inconsistentie. De Leidraad is op haar beurt minder gestructureerd en veel kleiner van omvang dan de Code. Ondanks dat de initialenregel niet bindend is, zorgt dit voor een brede toepassing in de praktijk door journalisten. Toch verwijst de Leidraad ook naar uitzonderingen waardoor er opnieuw ruimte is voor interpretatie. Dit leidt soms tot absurde situaties waarbij eerst de volledige naam wordt gegeven (bij een arrestatie) om nadien de initialenregel te gebruiken. Mijns inziens is het kwaad dan al geschied. Concluderend kan worden gesteld dat in Nederland de praktijk terughoudender is, terwijl België meer formele richtlijnen geeft maar minder terughoudend is in de uitvoering ervan.
Voor slachtoffers biedt de Code een expliciete richtlijn die de berichtgeving van hun identiteit streng reguleert. In de Leidraad staat dit ook, al wordt hier minder diep op ingegaan en is er geen aparte sectie voorzien. Hoewel de Leidraad minder structuur biedt, wordt impliciet een bredere invulling gegeven aan het begrip ‘identiteit’ door te verwijzen naar onder meer etniciteit of religie. Al leidt dit wel tot vragen over de volledigheid van de opsomming.
Nadat ik bovenstaande codes met elkaar heb vergeleken, dook een nieuwe vraag op: is onze Code van de Raad in overeenstemming met de grond- en mensenrechten van het EVRM, en hoe verhoudt de Code zich tot de rechtspraak van het EHRM? Om hier een antwoord op te kunnen bieden heb ik artikel 10 EVRM afgewogen tegen verschillende (grond)rechten, zoals recht op privacy, recht op afbeelding, recht op vergetelheid, recht op eer en goede naam, recht op antwoord en het vermoeden van onschuld als onderdeel van het recht op een eerlijk proces.
De hoofdonderzoeksvraag luidt dan ook als volgt: “In hoeverre is de deontologische code voor journalistiek met betrekking tot het prijsgeven van identiteit van daders en slachtoffers, in overeenstemming met de grondrechten en mensenrechten van het EHRM?”
De rechten en rechtspraak van het EHRM werden eerst apart besproken om vervolgens de Code hieraan te kunnen toetsen. Zo kon worden geconcludeerd dat de Code voor zowel het vrijgeven van de identiteit van daders als slachtoffers, in grote lijnen in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof. Er wordt nadruk gelegd op de afweging van het recht op privéleven en het recht op informatie. Hoewel de Code de mogelijkheid biedt tot beperkte of volledige identificatie, maakt het Hof dit onderscheid niet. Het Hof blijkt systematisch zijn eigen zes criteria af te toetsen voor de afweging tussen artikel 10 en 8 EVRM. Deze criteria worden niet expliciet opgesomd door de Code maar vallen hier impliciet grotendeels mee samen. Vooral wat betreft de richtlijn bij de identificatie van slachtoffers, sluit de Code nauw aan bij het Hof. Hier gelden strengere regels en minder bewegingsruimte voor de journalist. Het recht op afbeelding wordt, als onderdeel van artikel 8 EVRM, niet expliciet besproken in de Code. Wel wordt verwezen naar een hogere mate van voorzichtigheid bij het publiceren van herkenbaar beeldmateriaal. De terughoudendheid bij bekendmaking van beelden van slachtoffers wordt ook effectief bevolen door het Hof. Over het algemeen kan bij slachtoffers worden gesteld dat de Code de lijn volgt die wordt getrokken door het EHRM.
Vanuit het daderperspectief kon een bespreking van het recht op vergetelheid niet ontbreken. Artikel 23 verwijst naar de afweging van het belang van berichtgeving tegenover de reclassering en herintegratie van de veroordeelde. Toch mist de Code belangrijke aanvullingen die wel worden aangehaald in de criteria van het Hof: de verstreken tijd en toegankelijkheid van de publicatie. Ik ben dan ook van mening dat de Raad zou kunnen overwegen om deze factoren te benoemen in de Code. De toetsing aan het recht op eer en goede naam kon tevens niet ontbreken. Ook hier valt de Code te verzoenen met de rechtspraak van het Hof.
Wat betreft het recht van antwoord, in de zin van artikel 10 EVRM, voorziet de Code in een alternatieve bepaling inzake wederwoord. Opmerkelijk is dat het Hof ook verwijst naar deze mogelijkheid tot correctie als beslissend criterium. Zoals andere auteurs stel ik deze tendens tot inmenging in de redactionele vrijheid in vraag. Ook bij het vermoeden van onschuld wordt aan de alarmbel getrokken. De Code vereist een hoge mate van zorgvuldigheid en verantwoordelijkheid waardoor dit mogelijks de waakhondfunctie van de pers beperkt. Ik ben echter van mening dat voorzichtigheid mag worden verwacht van journalisten. Bij vrijheid hoort nu eenmaal verantwoordelijkheid.
Over het algemeen kan dus worden gesteld dat de Code in overeenstemming is met de besproken rechten en rechtspraak van het EHRM, mits gemaakte kanttekeningen en nuanceringen.
Omdat theorie niet alomvattend is, sloot ik mijn onderzoek af met een interview met een deskundige. Haar praktische kijk bracht nuance en bood een waardevolle reflectie op bepaalde delen van mijn onderzoek.
Meer lezen

Navigating Post-mortem Genetic Data Protection in the Digital Hereafter: If DNA Decays, Does Privacy Stay?

KU Leuven
2025
Thierry
Torfs
Deze scriptie onderzoekt het juridische landschap rond post-mortem genetische gegevens binnen de Europese Unie (EU) en gaat in op de vraag hoe individuen na hun overlijden controle kunnen houden over hun genetische gegevens. Hoewel de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG, GDPR) in de eerste plaats de rechten van levende personen beschermt, zorgt het relationele karakter van genetische gegevens, waarbij genetische informatie over overledenen ook informatie over biologische familieleden kan onthullen, voor unieke uitdagingen voor het beheer van postmortale gegevens.
Het onderzoek analyseert het gefragmenteerde juridische landschap in de EU-lidstaten en benadrukt het gebrek aan geharmoniseerde wetgeving en de daaruit voortvloeiende onzekerheid over de bescherming van postmortale genetische gegevens. Door nationale wetten, EU-richtlijnen en relevante jurisprudentie te bekijken, identificeert het proefschrift hiaten in zowel de wettelijke bescherming als de handhaving.
Het onderzoek maakt gebruik van een gemengde methodologie, waarbij juridisch doctrinair onderzoek, vergelijkende juridische analyse en casestudy's worden gecombineerd om een uitgebreide analyse te bieden. Belangrijke rechterlijke uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) worden geanalyseerd om inzicht te krijgen in de voortdurend evoluerende beginselen rond de bescherming van postmortale genetische gegevens.
Technologische ontwikkelingen, zoals geavanceerde toestemmingsbeheersystemen en privacyversterkende technologieën, worden geëvalueerd op hun potentieel om de controle op postmortale gegevens te verbeteren. De integratie van deze instrumenten in bestaande wettelijke kaders blijft echter onduidelijk. Deze thesis concludeert met de aanbeveling voor een meer coherente Europese aanpak, waarbij juridische verduidelijking, technologische waarborgen en betrokkenheid van belanghebbenden worden gecombineerd om ervoor te zorgen dat genetische privacy postmortaal wordt gerespecteerd.
Meer lezen

De noden, verwachtingen en percepties van verpleegkundigen over de implementatie van het bedside scannen van medicatie: een kwalitatief onderzoek

Universiteit Antwerpen
2024
Tine
Jughmans
Medicatiefouten in ziekenhuizen zijn een regelmatig voorkomend probleem en kunnen de patiënt schaden. Als preventieve maatregel tegen medicatiefouten kan barcode-medicatietoedieningstechnologie ingezet worden. Onderzoeken tonen aan dat bedside scannen van medicatie (BSS) de fouten aanzienlijk vermindert. Verpleegkundigen besteden veel tijd aan medicatiegerelateerde activiteiten, dus hun acceptatie van een BSS- systeem is essentieel voor de patiëntveiligheid. Deze studie richt zich op het verwerven van inzicht in de noden, verwachtingen en percepties van verpleegkundigen over de BSS-implementatie. Daarnaast worden barrières en facilitatoren geanalyseerd om het implementatieproces te optimaliseren en de acceptatie van deze technologie te verhogen.
Dit kwalitatief descriptief onderzoek bestond uit focusgroepen met een doelgerichte steekproef van verpleegkundigen, waarbij variatie werd nagestreefd in ziekenhuisdiensten en het aantal jaren werkervaring in het Jessa Ziekenhuis. Voor de focusgroepen werd er gewerkt met een topiclijst gebaseerd op het Technology Acceptance Model. Data-analyse verliep aan de hand van een thematische analyse.
Er zijn zes thema’s bekomen uit vijf focusgroepen, namelijk (1) veiligheid, (2) workflow, (3) impact van BSS op de patiënt, (4) perceptie van de verpleegkundige op het gebruik van BSS, (5) workload en (6) opleiding en ondersteuning als inzichten over de implementatie van BSS. Nadien werden barrières en facilitatoren voor de BSS-implementatie geïdentificeerd uit de verkregen thema’s.
Verpleegkundigen ervaren uiteenlopende behoeften en percepties over de BSS-implementatie. Veiligheid staat centraal, waarbij betrouwbare technologie belangrijk is ten aanzien van patiëntveiligheid. Om de BSS-workflow op verpleegafdelingen efficiënter te laten verlopen, moeten procedures geoptimaliseerd worden, rekening houdend met aspecten zoals workload, gebruiksgemak en benodigde apparatuur. Verpleegkundigen vermoeden dat patiënten het BSS-systeem 's nachts patiëntonvriendelijk vinden, waarbij patiëntinformatie kan helpen. Bezorgdheid over verhoogde workload en de organisatiecultuur beïnvloeden de BSS-acceptatie, waarbij opleiding en voortdurende ondersteuning belangrijk zijn. De geïdentificeerde facilitatoren en barrières bieden waardevolle inzichten voor optimalisatie en het vergroten van de acceptatie van BSS.
Meer lezen

Belonging Beyond Borders: Identity Narratives and Feelings of Belonging among South Sudanese Refugees in Northern Uganda

KU Leuven
2024
Nina
SOUDAN
Genomineerde shortlist Vlaamse Scriptieprijs
Continued mobility has spawned a renewal of interest in the saliency of borders, opposing strengthened border securitisation to a borderless and globalised world. Current representations of the modern sovereign territorial nation-state and reification of territorial borders are increasingly contested, argued to be inconsistent with the construction and delineation of borders and boundaries in non-territorial terms.

Drawing on a micro-analysis of borders and boundaries, the purpose of this thesis is to uncover a ‘thick description’ of the ways in which South Sudanese refugees navigate borders during their mobility trajectories across the borderland between Uganda and South Sudan. Following refugees’ mobility trajectories, this thesis further aims to explore the threefold relation between subjective perceptions of borders and boundaries, the circumscription of communities of belonging, and evolving identity narratives. The particular borderland between Uganda and South Sudan, used as case study for this thesis, is characterised by a range of dynamic cross-border interactions and relations between both sides of the international border. While borders can divide sub-ethnic and/or linguistic communities, borderlands also lead to the creation of new and complex identities, often interrelated through linguistic, tribal, and cultural ties, as the findings of this research have indicated.

Based on semi-structured interviews conducted in different refugee settlements in northern Uganda, the results highlight a multidimensional perception of borders among refugees: both in a literal and symbolic sense. Although a deep sense of longing for South Sudan, and subsequent national identification, remains, refugees have demonstrated differing nationalistic, tribal, and linguistic identifications. As identification is not a linear process, affected by the evolution of time and space, refugees have demonstrated a multi- layered and interrelated process of nationalistic, tribal, and linguistic identification, grounded across multiple locations at once. By rethinking the logic of borders beyond their territorial materialisation, and by including a symbolic dimension (referring to cross-border tribal and linguistic boundaries), this thesis illustrates the diversity and complexity underlying refugee’s sense of belonging and interrelated identity narratives, subjected to continuous processes of identity negotiations.
Meer lezen

Monstrosity as Metaphor: A Trans* Feminist Analysis of Rage and Its Potential for Change within the Academy

Universiteit Gent
2024
Hanne
Vogelaers
Deze masterproef onderzoekt het historische gebruik van 'monstruositeit als allegorie voor trans ervaringen, waarbij zowel transfobe als -vriendelijke literatuur geanalyseerd wordt. Het kijkt naar hoe 'het monster' opnieuw werd opgeëist in een poging om ruimte te claimen voor ‘trans’ binnen de academische wereld. Verder exploreert deze masterproef noties van representatie en (on)zichtbaarheid in verband met trans personen, waarbij een aantal alternatieve strategieën worden onderzocht om ‘difference’ te begrijpen en af te beelden: 'het haptische', 'disidentificatie', 'transing.’ Door te kijken naar hoe trans kunstenaars vandaag de dag monstruositeit opnieuw verbeelden, hoopt het een directer en meer belichaamd contact met het concept te bieden. Het eindigt met een analyse van het gebruik van metaforen binnen gemarginaliseerde gemeenschappen. In essentie wil deze masterproef aangeven hoe (trans) 'monstruositeit' – en het bijbehorende gevoel van woede – heeft gefunctioneerd als een middel voor verzet en hoe het nu nog steeds relevant is.
Meer lezen

Positieve hemoculturen - casusbespreking

Erasmushogeschool Brussel
2024
Karin
Kabiran
Een bacteriëmie duidt op de aanwezigheid van bacteriën in het bloed. Bacteriëmie kan het gevolg zijn van dagelijkse handelingen zoals tandenpoetsen en flossen. In die gevallen verloopt bacteriëmie meestal asymptomatisch en elimineert het immuunsysteem de binnengedrongen bacterie. Wanneer het immuunsysteem hierin faalt, evolueert bacteriëmie naar een septicemie dat een systemisch inflammatoir respons en infectie omvat. Onbehandeld leidt dit septische shock en mogelijks sterfte. Deze infecties zijn ziekenhuis-geassocieerd of community-acquired en gaan gepaard met hoge morbiditeit en mortaliteit. Preventieve maatregelen en een tijdige behandeling zijn noodzakelijk. In dit laatste vervult het microbiologische labo een onontbeerlijke rol (Christaki & Giamarellos-Bourboulis, 2014; Smith & Nehring, 2023).

In het literatuurgedeelte van dit eindwerk worden bacteriëmie en septicemie algemeen besproken. Er wordt gestart met een introductie van bacteriëmie gevolgd door de klinische verschijnselen. In het deel etiologie wordt omschreven welke criteria bepalen of de bacteriëmie primair of secundair is, alsook ziekenhuis-geassocieerd of community-acquired. De meest frequente oorzaken worden eveneens aangehaald. In het deel incidentie wordt omschreven welke micro-organismen regelmatig geïsoleerd worden bij nosocomiale infecties en met welke hulpmiddelen deze infecties geassocieerd zijn. Hierna volgt de algemene pathogenese van bacteriëmie. De verschillende stappen van het infectieproces en daarbij gebruikte virulentiefactoren worden besproken. Vervolgens wordt de rol van het immuunsysteem in bacteriëmie beschreven. Dit deel start met de immunologische afweermechanismen, gevolgd door de bacteriële virulentiefactoren ter evasie en triggering van het immuunsysteem. De literatuurstudie wordt afgesloten met de antibacteriële therapie in bacteriëmie. In dit deel worden de neveneffecten van breedspectrumantibiotica omschreven en het belang van de terugschroeving tot smalspectrumantibiotica.

In het deel van de casusbespreking worden vijf positieve hemoculturen uitgewerkt. Dit deel start met de omschrijving van de algemene procedure voor de verwerking van positieve hemoculturen. Nadien volgt het principe van de gebruikte toestellen en analyses tijdens het routinewerk. Daarna volgen de uitwerkingen van hemoculturen. Elke casus start met een korte achtergrond en probleemstelling waarin de patiënt zich bevindt. Vervolgens worden de gebruikte materialen en methoden omschreven. Hierna volgen de verkregen resultaten en besprekingen. In de conclusie worden de belangrijkst bevindingen kort aangehaald.
Meer lezen

Optimalisatie van een isolatieprotocol en een protocol voor het genereren van kwalitatieve DNA- extracten voor de karakterisering van Clostridium botulinum

Erasmushogeschool Brussel
2024
Chehrazad
Rahouti
Clostridium botulinum (C. botulinum) is een Gram-positieve, sporenvormende bacterie die een van de krachtigste neurotoxinen, het botulineneurotoxine (BoNT), produceert. Deze bacterie vormt een ernstig risico voor de volksgezondheid vanwege de mogelijke aanwezigheid in voedingsmiddelen met een lage zuurgraad, zoals ingeblikte producten en gerookt vlees. Dit onderzoek richt zich op de isolatie en karakterisering van C. botulinum, met als doel de ontwikkeling en optimalisatie van isolatiemethoden en moleculaire technieken voor nauwkeurige detectie en identificatie. Het onderzoek bestaat uit twee delen: het eerste deel richt zich op het optimaliseren van isolatieprotocollen van C. botulinum uit verschillende voedingsmiddelen door het evalueren van diverse methoden en parameters. Het tweede deel ontwikkelt een protocol voor het verkrijgen van hoogwaardige DNA-extracten, geschikt voor whole genome sequencing (WGS). Het onderzoek beoogt de verbetering van isolatie- en DNA-extractiemethoden, wat kan bijdragen aan verbeterde detectie- en preventiestrategieën tegen C. botulinum.
Meer lezen

Who wants to live forever. The reconfiguring of the experiences of time caused by HIV/AIDS as visualized in fiction films

Andere
2024
Anne-Sophie
De Mey
The majority of queer scholars studying the AIDS crisis tend to take being sick as always already a socially mediated condition; such politically sensitive analyses primarily aim to disclose the normative structures informing HIV/AIDS. In this thesis, I suggest that the lived experience of HIV/AIDS is also about biological processes which cannot always be understood through a social/political analysis. I thus use both queer studies and medical humanities theories on the lived experience of chronic diseases as theoretical framework. Applying this framework on feature films about HIV/AIDS enables me to analyze the rich temporal dimensions that can be found in this corpus, which conveys temporality in medium-specific ways. I suggest that feature films enable the viewer to interpret the whole film, understood as the combination of camera movement, montage and narrative, as the transformed, accessible perception of the characters. In chapter 2, I distinguish two main causes for conflicting temporalities in AIDS films regarding infection with HIV. First, the impossibility to determine (retrospectively) the moment of infection with HIV, which often results in conflicting ways of dealing with temporality. Secondly, films relate differently to the lost culture of sexual possibility of pre-AIDS crisis time, showing how an individual or collective sexual past can either be rejected or reactivated in the present. When it comes to the time in which the illness itself is experienced and reflected upon (chapter 3), temporalities become even more complex. I elaborate on how the experience of physical pain because of AIDS-related illnesses is visualized in AIDS films; the ‘suspended animation’ (§3.3.2) of ‘stagnated suffering’ (§3.4.1), in particular, caught my attention. Especially present-day filmmakers working outside of Hollywood manage to create phenomenologically poignant scenes where the complex temporalities of suffering are visualized. All of those aspects of living with HIV/AIDS oppose, in their particular way, what Elizabeth Freeman has called ‘chrononormative’ structures that favour heteronormative and capitalist temporalities. AIDS films tend to visualize time in such a way that chrononormative structures become visible as not just ‘ordinary bodily tempos and routines’, but as normative power structures that do not favour those who are ill, queer, or both. AIDS films show that alternative, non-normative temporalities do exist; those queer temporalities all share, however, a fragmentarily and, above all, temporarily character.
Meer lezen

Broeikasgassen en ESG: een BPM aanpak

Universiteit Hasselt
2024
Cobe
Pieters
  • Cobe
    Pieters
In de huidige bedrijfswereld wordt de integratie van milieuverantwoordelijkheid met bedrijfsresultaten steeds belangrijker. Een van de grootste uitdagingen hierbij is het gebrek
aan transparantie en kwaliteit van broeikasgasdata (BKG) in Environmental, Social, and
Governance (ESG) rapporten. Dit probleem belemmert een nauwkeurige beoordeling van
de milieu-impact van bedrijven en vermindert het vertrouwen van stakeholders. In deze
studie wordt een procesgerichte benadering voorgesteld om de kwaliteit en transparantie
van BKG-data in ESG-rapporten te verbeteren. We ontwikkelen een methode die gebruik
maakt van Business Process Model and Notation (BPMN) en proces mining technieken om
BKG-data op een gedetailleerd en gestandaardiseerd niveau te integreren en te visualiseren. Deze aanpak maakt gebruik van een BPMN-extensie om nauwkeurige en verifieerbare data te verkrijgen en te rapporteren. De bevindingen laten zien dat de integratie van
BPMN en proces mining gedetailleerde inzichten kan bieden in de emissiehotspots binnen
bedrijfsprocessen. Dit kan bedrijven in staat stellen om gerichte emissiereductie KPI’s
vast te leggen en de algehele datakwaliteit en transparantie van hun ESG-rapportering te
verbeteren. Deze studie is een fundamentele stap richting een verbeterde standaard voor
ESG-rapportering die kan leiden tot betere vergelijkbaarheid en verhoogd vertrouwen
onder belanghebbenden.
Meer lezen

Using reprocessed public proteomic data to detect cell line specific protein patterns

Universiteit Gent
2023
Sam
van Puyenbroeck
In deze scriptie wordt een pipeline geoptimaliseerd dat vertrekkende van publieke proteoomdata van cellijnen een model traint cellijnen te herkennen.
Meer lezen

Turning Competency Data into Actionable Insights for Teachers

KU Leuven
2023
Lara
Roosens
Winnaar Klasseprijs
Deze masterthesis richt zich op het ontwerpen, ontwikkelen en evalueren van een learning analytics dashboard, specifiek gericht op leraren in het middelbaar onderwijs. Het dashboard biedt een visueel overzicht van essentiële informatie. Het doel is om leraren in het secundair onderwijs te ondersteunen door hen de nodige informatie te bieden om een beter begrip van hun studenten te krijgen, weloverwogen beslissingen te nemen en administratieve taken te verminderen.
Meer lezen

Deep learning voor automatische materiaalidentificatie in elektronen energieverlies spectroscopie

Universiteit Antwerpen
2023
Arno
Annys
Genomineerde longlist mtech+prijs
Elektronen energieverlies spectroscopie (EELS) is een populaire analytische techniek die zeer direct informatie levert over de chemische samenstelling van een materiaal. Deze thesis gebruikt deep learning en en eigen gesimuleerde EELS dataset om automatisch EELS data te vertalen naar chemische info. Hierbij wordt de tussenkomst van een menselijke expert overbodig.
Meer lezen

Screening van pyrrolizidine-alkaloïden in theematrices door IM-MS: eerste stappen van methodeoverdracht naar een gebruiksvriendelijke QqQ-spectrometer voor routinematige kwantificering

Universiteit Gent
2023
Marie
Smet
Deze scriptie bevat onderzoek naar meer efficiënte en routinematige screening en kwantificatie-methoden voor Pyrrolizidine-alkaloïden in commerciële thee preparaten.
Meer lezen

The potential impact of banning titanium dioxide in the development and use of medicinal and self-care products: a scoping review and semi-structured interviews

KU Leuven
2023
Margot
Suetens
Titaniumdioxide (TiO2) is een wijdverspreid ingrediënt in allerlei producten gebruikt voor het ondersteunen van de gezondheid van de mens. Sinds februari 2022 is het verboden in voeding in de EU. Aangezien in de EU de wetgeving voor het gebruik van additieven in geneesmiddelen zich baseert op de toegelaten voedingsmiddelenadditieven, had dit een rechtstreeks gevolg op het gebruik in geneesmiddelen. Hoewel de Europese Commissie voorlopig het gebruik van TiO2 toelaat in geneesmiddelen, dient het EMA een evaluatie uit te voeren tegen april 2024, waarna de Europese Commissie deze beslissing zal herevalueren. Onvoldoende wetenschappelijk bewijs en tegenstrijdige studieresultaten zorgen ervoor dat de orale toxiciteit van TiO2 een omstreden kwestie blijft. Aangezien TiO2 in veel orale geneesmiddelen aanwezig is, zou een verbod een enorm aantal producten treffen. Daarom was meer onderzoek nodig, startende met het in kaart brengen van de bestaande literatuur om een beter inzicht te krijgen in de reeks producten die beïnvloed zouden zijn. Verder was het nodig om de impact te schetsen die een mogelijk verbod zou hebben. Om deze kwestie te verduidelijken, waren meer empirisch onderbouwde inzichten uit de literatuur nodig, evenals meer inzicht in de standpunten van belanghebbenden. Hoewel eerder onderzoek naar de veiligheid van TiO2 plaatsvond, werd er geen onderzoek gedaan met als doel inzicht te verschaffen in de meningen van de verschillende belanghebbenden en hoe zij geïmpacteerd zouden zijn als een verbod zou worden ingevoerd. Belangrijke belanghebbenden zijn de zelfzorg- en farmaceutische industrie, academische onderzoekers, handelsorganisaties zoals EFPIA en AESGP, patiënten en patiëntenorganisaties, regelgevers, beleidsmakers, overheidsinstanties, artsen en apothekers. Deze inzichten waren nodig omdat al deze belanghebbenden beïnvloed zouden worden door een mogelijk verbod op TiO2. Bijgevolg kunnen ze verschillende perspectieven en prioriteiten hebben, wat kan resulteren in verschillende meningen. Daarom was het belangrijk om inzicht te verschaffen in hun visies, zodanig de nodige toekomstige stappen omtrent deze problematiek in kaart werden gebracht en adviezen werden geformuleerd.
Meer lezen

HOE CONSTRUCTIEVE FEEDBACK GELINKT IS MET AFFECTIEVE BETROKKENHEID VAN LEERKRACHTEN IN HET VLAAMS ONDERWIJS: DE ROL VAN EMPOWERMENT.

Universiteit Gent
2022
Paavo
Vernimmen
Genomineerde longlist Klasseprijs
Wat is de relatie tussen constructieve feedback en affectieve betrokkenheid in het Vlaams onderwijs en wat is de invloed van empowerment hierop? Hoe draagt constructieve feedback bij aan het behoud van leerkrachten?
Meer lezen

De toegankelijkheid van mondzorg in kansarme wijken in Gent.

Arteveldehogeschool Gent
2022
Dania
Imad Abed
  • Dania
    Imad Abed
Het is onbekend in hoeverre bewoners van Nieuw-Gent en Ledeberg de toegankelijkheid van mondzorg ervaren. Aan de hand van deze bachelorproef werden de baseline gegevens verzameld.
Meer lezen

The role of SLC7A11 in chemotherapy response of T-cell acute lymphoblastic leukemia

Universiteit Gent
2022
Amber
Boutens
Er is een gebrek aan kennis over resistentiemechanismen in T-cel acute lymfatische leukemie (T-ALL). Om dit kennistekort te verkleinen wordt in deze thesis de rol van SLC7A11 in de therapierespons van T-ALL onderzocht.
Meer lezen

Communicatieprofessionals van attractie- en dierenparken aan het woord: Kwalitatief onderzoek naar het gebruik van influencer marketing binnen de Belgische, Nederlandse en Duitse leisure sector

Universiteit Gent
2022
Elien
Goethals
Ondanks het wereldwijde belang en de stijgende populariteit van influencer marketing is onderzoek hiernaar binnen de leisure sector schaars. Aan de hand van 16 diepte-interviews met 18 communicatieprofessionals uit verschillende Belgische, Nederlandse en Duitse attractie- en dierenparken wordt nagegaan hoe influencer marketing binnen de leisure sector wordt geïmplementeerd. Uit het onderzoek blijkt dat influencer marketing binnen deze bedrijven veelvuldig wordt gebruikt, maar dat er voornamelijk heel wat onwetendheid heerst over de wettelijke bepalingen in verband met het gebruik van reclamelabels.
Meer lezen

The Language of Trauma in Ken Saro-Wiwa's "Sozaboy"

Universiteit Gent
2022
Christopher
Hebert
De experimentele taal “Rotten Engels” die Ken Saro-Wiwa creëert in zijn veelgeprezen anti-oorlogsroman 'Sozaboy' is een bijzonder effectief middel om het trauma van oorlog en de ecologische impact van oorlog weer te geven.
Meer lezen

Kennis en doorverwijsgedrag van stotteren bij professionals uit de eerstelijnszorg: Een meta-analyse en het ontwikkelen van een website en een informatievideo

Thomas More Hogeschool
2022
Steffi
Snijders
Uit eerdere bevragingen bij huisartsen, kinderartsen, kleuterleerkrachten, zorgcoördinatoren, artsen van Kind & Gezin en verpleegkundigen van Kind & Gezin in Vlaanderen blijkt dat hun kennis over stotteren bij kleuters niet up-to-date is. Bijgevolg sluit hun doorverwijsgedrag niet aan op de recente bevindingen in de literatuur. In dit onderzoek werd nagegaan waar de hiaten in hun kennis zitten. Om de kennis over stotteren in de eerstelijnszorg te vergroten werden informatiematerialen ontwikkeld.
Meer lezen

Sea star (Asteroidea, Echinodermata) diversity in the Magellanic region (South-Chile) and their affinities within the Southern Ocean

Universiteit Gent
2022
Luka
Vantomme
In dit onderzoek identificeerden we twaalf verschillende zeestersoorten in een onderbestudeerde regio (zuid-Chili) door identificatie doormiddel van morfologie en DNA barcoding te combineren. Soortenlijsten zijn belangrijk om soorten en regio's te monitoren en verandering door de klimaatopwarming te volgen. Bijkomend evalueerden we biogeografische patronen van deze zeesterren in de volledige Zuidelijke Oceaan.
Meer lezen

Hoe staan burgers in Vlaanderen tegenover stemmen via het internet?: Een casestudie bij jonge, Vlaamse universiteitsstudenten

Vrije Universiteit Brussel
2022
Loranne
Janssens
Hoe staan burgers in Vlaanderen tegenover stemmen via het internet?: Een casestudie bij jonge, Vlaamse universiteitsstudenten
Meer lezen

Identificatie van Ascarophis sp. in Scorpaena porcus door morfologische analyse

Hogeschool VIVES
2022
Matisse
Decaluwe
24 Scorpaena porcus stalen werden onderzocht op de aanwezigheid van nematodes, meer specifiek Ascarophis sp. De identificatie van Ascarophis sp. leidde tot de ontdekking van de aanwezigheid van Ascarophis filiformis samen met een nieuwe gastheer en locatie.
Meer lezen