Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Crack op de kaart: een onderzoek naar de opmars van crackgebruik in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Universiteit Gent
2025
Sien
Roosens
De media rapporteert steeds vaker over een zogenoemde ‘crackepidemie’ in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarbij crackgebruik wordt voorgesteld als een snel groeiend en onbeheersbaar probleem. Deze berichtgeving roept echter vragen op over de werkelijke omvang van het fenomeen en over de mate waarin dit beeld overeenstemt met de realiteit. Deze masterproef heeft tot doel inzicht te bieden in de percepties van lokale stakeholders met betrekking tot de aard en omvang van crackgebruik in Brussel, evenals in de uitdagingen en oplossingsstrategieën die zij voorstellen.

De centrale onderzoeksvraag die deze studie aanstuurt luidt: In welke mate ervaren stakeholders een crackgerelateerd probleem in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en welke uitdagingen en interventiestrategieën stellen zij voor om dit aan te pakken? Er werd gekozen voor een kwalitatief onderzoeksdesign, bestaande uit een literatuurstudie en semigestructureerde interviews met negen stakeholders, waaronder hulpverleners, politie, gerechtelijke actoren, academici en lokale bewoners.

De resultaten tonen aan dat stakeholders de term ‘crackepidemie’ als overdreven en stigmatiserend beschouwen, hoewel zij wel een toename in zowel zichtbaarheid als gebruik erkennen. Crackgebruik wordt voornamelijk geassocieerd met sociaal-economisch kwetsbare groepen, zoals dakloze personen en mensen zonder wettig verblijf, en wordt gezien als een symptoom van onderliggende problemen zoals armoede, dakloosheid en een gebrek aan toegang tot gezondheidszorg. Hoewel repressie nog steeds de dominante beleidsreactie vormt, beschouwen de meeste respondenten deze aanpak als inefficiënt en schadelijk. In plaats daarvan pleiten zij voor een geïntegreerde benadering, met meer aandacht voor harm reduction (zoals begeleide druggebruikruimtes), verbeterde samenwerking tussen zorgdiensten en politie, en structurele investeringen in huisvesting en sociale ondersteuning.

Deze studie concludeert dat crackgebruik in Brussel niet effectief in isolatie kan worden aangepakt, maar een geïntegreerde respons vereist die onmiddellijke harm-reductioninitiatieven combineert met langetermijnstrategieën gericht op sociale uitsluiting. Zij beveelt aan dat beleidsmakers afstappen van overwegend repressieve strategieën en prioriteit geven aan evidence-based interventies die de onderliggende structurele determinanten van crackgebruik aanpakken.
Meer lezen

Van penseelstreek tot pixel: de hedendaagse visuele cultuur en de waarneming van kunst

Universiteit Gent
2025
Malou
Perquy
Deze masterproef onderzocht welke voorwaarden nodig zijn om kunst ten volle te kunnen waarnemen en waarderen, en op welke manier deze voorwaarden beïnvloed worden door digitale media en de cognitieve toestand waarin deze media hun gebruikers achterlaten. De factoren die bepalend zijn voor de waarneming en ervaring van kunst werden afgewogen tegen de impact van digitale media op diezelfde factoren.

In het eerste hoofdstuk werd duidelijk dat de waarnemer geen neutrale observator is, maar een beïnvloede kijker, gevormd door culturele, sociale, historische, conventionele en psychologische factoren, die op hun beurt mede worden bepaald door digitale media. Digitale media creëren zowel een nieuwe kijker als een nieuwe manier van kijken naar kunst. Vervolgens werd onderzocht hoe digitale media de aard van het kunstwerk beïnvloeden, zowel wat de reproductie betreft als het fysieke kunstwerk. Het bleek dat digitale media niet enkel de inherente aard van het kunstwerk veranderen, maar ook betekenis, receptie, de relatie tot de toeschouwer en het concept van authenticiteit een andere invulling geven.

Tot slot werd ingegaan op de context waarin de waarneming plaatsvindt: de ervaring van kunst in musea tegenover die op digitale media. Beide contexten beïnvloeden hoe een beeld wordt opgevat, wat en hoe er wordt gezien, hoe men zich ertoe verhoudt en hoe erop gereageerd wordt. In tegenstelling tot de beperkte ruimte van musea, die zich onderscheidt van het dagelijkse leven, worden digitale media gekenmerkt door hun alomtegenwoordigheid en hun ontwerp dat gericht is op het genereren van constante betrokkenheid. Hierdoor dringt de invloed van digitale media door tot in de hedendaagse musea en in de perceptie van hun kunst. Dit heeft implicaties voor de tijdsbesteding in musea, het geheugen van wat wordt waargenomen en het vermogen om aandachtig waar te nemen.

Het is duidelijk dat digitale media zowel de waarnemer, het kunstwerk als de context van beschouwing aanzienlijk beïnvloeden. Wanneer deze factoren samenkomen in de kunstwaarneming, wordt hun onderlinge interactie – en bijgevolg de perceptie en de ervaring van kunst – in belangrijke mate mee bepaald.
Meer lezen

Framinganalyse van de zij-instromer in de Vlaamse pers tussen januari 2022 en juli 2025

KU Leuven
2025
Charlotte
Wright
In dit onderzoek werd nagegaan welke frames de Vlaamse kranten De Morgen, De Standaard, De Tijd, Het Laatste Nieuws, Het Nieuwsblad en het magazine Knack hanteren in hun berichtgeving over de zij-instromer tussen januari 2022 en juli 2025. Hiervoor werd een kwalitatieve, inductieve framinganalyse uitgevoerd. Naast deze centrale onderzoeksvraag werden ook twee deelvragen onderzocht. De eerste deelvraag richtte zich op mogelijke verschillen in de gebruikte frames tussen de
verschillende jaren binnen de onderzoeksperiode. De tweede deelvraag ging na hoe de frames verschillen tussen de kwaliteitsmedia (De Morgen, De Standaard, De Tijd en Knack) en de populaire media (Het Laatste Nieuws en Het Nieuwsblad).

Uit het onderzoek kwamen vier frames naar voren die het beeld van de zij-instromer in de Vlaamse pers tussen 2022 en midden 2025 vormgeven: ‘de uitvaller’, ‘de extra belasting’, ‘de meerwaarde’ en ‘de betekeniszoeker’. De eerste twee frames schetsen een eerder negatief beeld van de zij-instromer, terwijl de laatste twee frames juist een positief beeld uitdragen. Alle vier de frames kwamen terug in elk van de onderzochte jaren en waren aanwezig in zowel de kwaliteitsmedia als de populaire media.
Meer lezen

Claiming Responsibility, Narrating Solidarity: Discursive Legitimation of Turkey's Involvement in the Nagorno-Karabakh Conflict (1988–2020)

Universiteit Gent
2025
Görkem
Yavuz
Deze masterproef onderzoekt hoe Turkije tussen 1988 en 2020 zijn betrokkenheid bij het Nagorno-Karabachconflict discursief heeft geconstrueerd en gelegitimeerd. Het centrale uitgangspunt is dat politieke taal niet louter een communicatiemiddel is, maar een krachtig instrument dat legitimiteit creëert en internationale normen beïnvloedt. Het onderzoek hanteert een driedelig analytisch kader: (i) hoe Turkije zijn eigen discours opbouwde, (ii) hoe internationale actoren dit discours ontvingen en betwistten, en (iii) welke impact dit had op mondiale normen rond interventie. De bevindingen tonen een evolutie van voorzichtige diplomatieke steun naar een assertieve en veiligheidsgedreven retoriek. Deze verschuiving benadrukt hoe discursieve strategieën niet alleen de perceptie van legitimiteit vormgeven, maar ook bredere implicaties hebben voor internationale conflictoplossing en normontwikkeling.
Meer lezen

Geweld in pornografie: Percepties en attitudes van heteroseksuele mannen

KU Leuven
2025
Sien
Voets
In deze masterproef worden de percepties en attitudes van heteroseksuele mannen ten
aanzien van geweld in pornografie, en specifiek in titels van pornografische video’s,
bestudeerd. Om die doelstelling te bereiken zijn volgende twee hoofdonderzoeksvragen
opgesteld: ‘In welke mate beïnvloedt geweld in titels van pornografische video’s het
keuzeproces van heteroseksuele mannen?’ en ‘Welke variabelen hangen samen met een
voorkeur voor gewelddadige pornografie?’.
Om een antwoord te kunnen bieden op de vooropgestelde onderzoeksvragen werd een
kwantitatief onderzoek uitgevoerd waarbij Nederlandstalige heteroseksuele mannen tussen 18 en 60 jaar een online vragenlijst invulden. De finale steekproef bestaat uit 430 respondenten. In de vragenlijst werden concrete titels van pornografische video’s met uiteenlopende gradaties van geweld gepresenteerd aan de participanten. Bij elke titel dienden de participanten drie stellingen te beantwoorden om de geneigdheid om op de video te klikken, het begrip van de inhoud van de video, en de attitudes ten aanzien van de titel te onderzoeken.
De resultaten van het onderzoek tonen aan dat heteroseksuele mannen gemiddeld een
voorkeur hebben voor pornografische titels die niet verwijzen naar geweld. Verder wijst het onderzoek uit dat de voorkeur van de participanten steeds uitgaat naar lichte vormen van geweld ten opzichte van zwaardere vormen. Daarnaast werden titels waarin een gebrek aan toestemming beschreven werd consistent negatiever beoordeeld dan titels die verwezen naar fysiek geweld. Ten slotte toont het onderzoek aan dat een voorkeur voor gewelddadige pornografie in verband gebracht kan worden met hostiliteit ten aanzien van vrouwen alsook met het ervaren van positieve effecten van eigen pornoconsumptie.
Meer lezen

GenAI, MT en de vertaler van morgen

Vrije Universiteit Brussel
2025
Davina
Ferraris
De opkomst van generatieve artificiële intelligentie (GenAI) en machinevertaling (MT) verandert het beroep van vertaler drastisch, wat leidt tot toenemende onzekerheid over de toekomst van het beroep. Tegelijkertijd staan derdejaarsstudenten Toegepaste Taalkunde aan Vlaamse universiteiten voor belangrijke studie- en carrièrekeuzes, waaronder de keuze om vertaler te worden. Deze masterproef onderzoekt hoe zij het beroep van vertaler percipiëren in tijden van GenAI en MT en in hoeverre deze percepties hun keuze om vertaler te worden beïnvloeden.
Meer lezen

Making Sense: Materiality, Memory and Imagination in Max Porter’s Grief is the Thing with Feathers and Lanny

KU Leuven
2025
Nils
Van den Keybus
Hoewel 4E-narratologie zich bij uitstek leent voor het bestuderen van de interactie tussen belichaamde lezers en narratieve teksten, wordt de materialiteit van dat narratief vaak over het hoofd gezien. Materiële benaderingen daarentegen leggen juist de nadruk op de tekstuele materialiteit, maar besteden zelden aandacht aan de rol van belichaamde lezers. Door beide theoretische stromingen met elkaar te verbinden, probeer ik deze kloof te overbruggen en de onscheidbaarheid van tekst, materialiteit en belichaamde lezers aan te tonen.

Aan de hand van close readings van het werk van Max Porter illustreer ik de theoretische en methodologische meerwaarde van het integreren van tekstuele materialiteit in de 4E-theorie. De manieren waarop Grief is the Thing with Feathers en Lanny lezers uitnodigen om zich onbekende lichamen, bewegingen en vormen van waarneming voor te stellen, kunnen slechts ten volle worden begrepen wanneer zowel tekstuele als niet-tekstuele middelen in beschouwing worden genomen.

Ik argumenteer dan ook dat de interactie tussen lezers en materieel gevormde narratieve teksten niet zomaar kan worden opgedeeld in verbale en materiële componenten. Deze scheiding is kunstmatig en leidt tot een onvolledig beeld. Ik stel dat lezers narratieven begrijpen via zintuiglijke verbeelding, waarbij zij ervaringssporen combineren met aanwijzingen in verschillende modaliteiten om perceptuele ervaringen te ensceneren. Alleen door tekst en materialiteit gelijktijdig te onderzoeken kunnen we begrijpen hoe lezers betekenis geven aan narratief.
Meer lezen

Evaluating the Impact of Environmental Award Criteria in EU Construction Public Procurement: Assessing the Alignment of GPP with the Principles of Non-Discrimination and Competition

Universiteit Hasselt
2025
Lucas
Ricour
Deze masterproef onderzoekt hoe milieucriteria in publieke aanbestedingen de werking van de bouwmarkt binnen de Europese Unie beïnvloeden. Sinds de invoering van de Europese aanbestedingsrichtlijn van 2014 kunnen overheden bouwprojecten niet alleen op prijs, maar ook op duurzaamheid selecteren. Dat klinkt positief, maar de vraag is of dit systeem wel samenvalt met de Europese principes van eerlijke concurrentie en non-discriminatie.

Met behulp van gegevens uit de Europese aanbestedingsdatabank Tenders Electronic Daily (TED) analyseerde het onderzoek duizenden bouwopdrachten tussen 2012 en 2023. Daaruit blijkt dat wanneer milieueisen worden toegevoegd, het aantal inschrijvingen gemiddeld met 15 tot 24 procent daalt. Met andere woorden: minder bedrijven wagen zich aan zo’n “groene” aanbesteding. Daarnaast blijken projecten met milieueisen vaak duurder te zijn, gemiddeld 5 tot 17 procent, afhankelijk van hoe consequent de criteria worden toegepast.

De resultaten tonen aan dat duurzaamheidcriteria, hoewel goed bedoeld, onbedoeld de concurrentie binnen de Europese bouwsector kunnen beperken. De studie roept daarom op om de Europese regels rond groene aanbestedingen te herzien, zodat ecologische doelstellingen beter worden afgestemd op de basisprincipes van een eerlijke en open markt.
Meer lezen

Van koloniaal verleden naar inclusieve toekomst: De rol van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in de herwaardering en versterking van Congolees Immaterieel Cultureel erfgoed

Universiteit Antwerpen
2025
Ruth Iyombe
Busano
Cultureel erfgoed omvat meer dan objecten en kunstwerken; ook immaterieel cultureel erfgoed (zoals rituelen, muziek, orale tradities en ambachten) speelt een cruciale rol in de beeldvorming van gemeenschappen. Toch krijgt dit immateriële aspect vaak minder aandacht binnen museale contexten en restitutiedebatten, waar de focus doorgaans ligt op materiële collecties. Deze masterproef onderzoekt hoe het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (AfricaMuseum) kan bijdragen aan de herwaardering en versterking van Congolees immaterieel erfgoed, in het bijzonder binnen de actuele context van dekolonisatie, restitutie en maatschappelijke kritiek.
Het onderzoek combineert deskresearch, beleidsanalyse, literatuurstudie en interviews met diverse stakeholders, waaronder de Congolese diaspora. In de analyse wordt ingegaan op de historische rol van het museum, de huidige strategieën rond immaterieel erfgoed en de percepties van verschillende betrokken actoren.
De conclusies benadrukken dat een toekomstgerichte rol voor het AfricaMuseum enkel mogelijk is door het versterken van partnerschappen met Congolese gemeenschappen, het bieden van ruimte voor immateriële praktijken en het uitbouwen van inclusieve beleidsprocessen. Deze studie draagt zo bij aan het bredere debat rond dekolonisering van musea en sluit aan bij internationale kaders zoals de UNESCO 2003 Conventie voor het borgen van immaterieel erfgoed en de Duurzame Ontwikkelingsdoelen, in het bijzonder SDG 11, 16 en 17.
Meer lezen

GEMEENTEFACTOREN EN POPULISTISCH RADICAAL RECHTS STEMGEDRAG

Universiteit Gent
2025
Amaana
Vandenberghe
Genomineerde longlist Vlaamse Scriptieprijs
Deze studie onderzoekt welke gemeentelijke factoren in Vlaanderen in 2024 samenhangen met steun voor populistisch radicaal rechtse partijen, met Vlaams Belang als casus. Via een cross-sectionele multivariate regressie op 300 gemeenten worden drie theoretische modellen getoetst: sociaaleconomisch, demografisch-cultureel en psychologisch-institutioneel. We vinden sterkste samenhangen voor een lager aandeel hoger opgeleiden, hoger politiek wantrouwen en negatievere diversiteitshoudingen. Het eindmodel heeft R² ≈ 0,80. De resultaten bieden nieuwe inzichten in de lokale context van PRRP-steun en vormen zo een aanvulling op verklaringen die zich uitsluitend op het individuele niveau richten.
Meer lezen

“Kleine geluksmomentjes in het proces naar wie dat je bent”: De gendereuforische ervaringen van Vlaamse trans jongvolwassenen

Universiteit Gent
2025
Lukas
Deleu
Machtige medische instituties hebben de focus in transgenderstudies en andere domeinen van het sociale leven gelegd bij genderdysforie van trans mensen. Critici stellen dat deze focus eenzijdig, schadelijk en ontmenselijkend werkt. Vanuit de marge pleiten trans individuen voor het gebruik van de term gendereuforie. Gendereuforie verwijst naar positieve gevoelens, emoties, ervaringen en handelingen die verband houden met een bepaalde genderbeleving. Bestaande academische literatuur richt zich tot nu toe op Engelstalige westerse landen. Deze studie onderzoekt hoe transgender jongvolwassenen in Vlaanderen gendereuforie ervaren. Dit gebeurt via een kwalitatief onderzoek met vijftien semigestructureerde interviews. De data-analyse leverde drie thema’s op: (1) betekenissen van gendereuforie, (2) bronnen van gendereuforie, (3) impact van gendereuforie. Resultaten tonen aan dat gendereuforie een diep persoonlijke, veelzijdige en essentiële ervaring vormt voor trans jongvolwassenen. Het draagt bij aan hun mentaal, fysiek en sociaal welzijn. Deze studie benadrukt het belang om gendereuforie te erkennen en te bevorderen.
Meer lezen

Stadsvernieuwing in Santo Antônio door een vrouwelijke lens - Een participatief actieonderzoek naar de vrouwelijke beleving van de publieke ruimte

Universiteit Antwerpen
2025
Rosa
Hillebron
Dit onderzoek speelt zich af in het noordoosten van Brazilië, in de deelstaat Pernambuco. Recife heeft als hoofdstad van deze staat met ongeveer 1,5 miljoen inwoners te kampen met sociale uitdagingen. Onveiligheid in de publieke ruimte is een van deze uitdagingen, en is een veelbesproken onderwerp in de samenleving. Zo worden bepaalde plaatsen actief vermeden, zoals de wijk Santo Antônio, een historisch deel van het centrum van Recife. Wat ooit een bruisende en levendige wijk was, heeft nu plaatsgemaakt voor leegstand en criminaliteit. Het begrip onveiligheid is een belangrijk onderdeel van de identiteit van de wijk Santo Antônio, en wordt door iedereen anders ervaren. Zo kunnen vrouwen andere percepties hebben dan mannen in het ervaren van veiligheid, en is deze eerste groep vaak vergeten bij het betrekken van perspectieven voor nieuwe stadsontwikkelingen. In dit onderzoek wordt het genderaspect van veiligheid verder uitgewerkt, en wordt onderzocht hoe vrouwen in de krakersbeweging van Leonardo Cisneiros onveiligheid ervaren in hun mobiliteitspatronen in de wijk Santo Antônio. Hierbij wordt gefocust op aspecten van gendered fear of crime die impact kunnen hebben op de belevingswereld van vrouwen. Via een participatieve actie wordt de ervaring van vrouwen in de publieke ruimte als prioriteit genomen, en wordt er bewustwording gecreëerd rond de problemen die zij ervaren. Dit is een eerste stap in de richting van inclusieve stadsvernieuwing voor Santo Antônio, met de noden van de vrouwen als prioriteit.
Dit onderzoek maakt deel uit van de ISTT-onderzoeksgroep. Het uitgangspunt van deze studio is het doen van een participatief actiegericht onderzoek, ook wel PAR. Participatieve onderzoeksmethoden zoals gezamenlijke workshops en activiteiten staan hierbij centraal, waarbij de onderzoeksgroep meestuurt in de ontwikkeling van het onderzoek.
De resulterende gegevens gaven aan dat er een tekort aan buurtactiviteiten, bewoners, natural surveillance, maintenance en social management is in Santo Antônio. De reden van het gevoel van onveiligheid ligt hierbij vooral in het tekort aan mensen op straat, wat een gebrek aan sociale controle veroorzaakt. Er is behoefte aan activiteiten voor families in de buurt, en meer sociale voorzieningen. Als wordt gekeken naar fysieke aspecten van de publieke ruimte worden meer plaatsen voor kinderen om te spelen en meer faciliteiten zoals winkels en openbare toiletten benoemd die de publieke ruimte aangenamer zouden maken om te bezoeken. Hiervoor zijn zowel ruimtelijke ingrepen nodig die de stadsvernieuwingsdienst Recentro in hun masterplan zou kunnen opnemen, als het herzien van de huidige stedelijke planningspraktijken. Om aan inclusieve stedelijke ontwikkeling te doen vanuit het oogpunt van de vrouw moet er worden gekeken naar het actief opbouwen van nieuwe stedelijke identiteiten in de wijk, zowel op ruimtelijk als sociaal vlak. Ook moet er rekening worden gehouden met de nachtelijke identiteit in het ontwerpproces van de wijk. Kinderen moeten een centrale rol krijgen in het masterplan, omdat ouders en moeders in het specifiek hierdoor ook een plaats krijgen in de publieke ruimte. Tot slot wordt gepleit voor een inclusief investeringsplan, waarbij actief investeerders worden aangetrokken die oog hebben voor sociale initiatieven en verbeteringen in de wijk
Sleutelwoorden: informal feminist placemaking, feminist city, gender, gendered fear of crime, participatory walk, veiligheid, participatory action research, empowerment.
Meer lezen

Idealized bodies, internalized pain

Andere
2025
carlotta
cormegna
The body as a muse
How many times have we heard or read this phrase?
From a very young age, we are constantly bombarded
with images of the body—whether in cartoons portraying
ultra-thin, flawless princesses or superheroes with
hyper-muscular physiques. These images, which we car-
ry with us daily, are not harmless representations. They
are vehicles of aesthetic ideals that, much like those
seen throughout art history, have taught us to perceive
the body in specific, culturally determined ways.
Over the centuries, artistic depictions of the human
body—from classical Greek statues and Renaissance
works to Cubist interpretations and contemporary body
art—have played a key role in constructing and perpe-
tuating unattainable beauty standards, shaping both so-
cial and individual expectations. But how exactly has the
representation of the body in art history contributed to
the construction of these aesthetic ideals and canons—
so deeply rooted that they influence contemporary body
perception? And how has this influence, compounded by
the rise of social media and advertising, become a sour-
ce of psychological distress and a possible contributor to
mental health issues such as eating disorders?
This thesis seeks to explore these questions by tracing
the evolution of aesthetic canons from antiquity to their
modern-day rupture, and by offering a neuroscientific,
philosophical, and phenomenological investigation into
how humans perceive themselves—whether through the
imagery in paintings or the visuals that surround us daily.
To carry out this research, a combination of scientific,
artistic, and bibliographic sources has been employed,
alongside a qualitative analysis based on open inter-
views and the collection of personal diaries, as discus-
sed in Chapter 4.
This study does not merely observe how the body has
been represented; it questions how such representations
have shaped a collective imagination around the “ideal”
body—and how that imagination continues to impact in-
dividual self-perception. The aim is twofold: on one hand,
to understand how and where these mechanisms that
generate aesthetic norms originated—analyzing how the
body has been used as a foundational element for the
rules embedded in modern society; on the other, to in-
vestigate the psychological and social impact this exerts
on younger generations. To this the thesis is divided into
four chapters.
The first provides a historical-artistic overview of body
representation across different artistic periods. The se-
cond chapter explores the meaning of body perception,
including body image, body schema, and the distinction
between the lived body and the idealized body. The third
chapter examines the connection between the body and
aesthetic norms, offering a more philosophical and phe-
nomenological interpretation of reality.
.
Finally, the fourth chapter introduces the field resear-
ch conducted with students at KASK School of Arts
in Ghent, with reflections and analyses of the inter-
view responses. In a world that expects perfection
from us—professionally, socially, economically, and
even personally—there is no space for failure when
it comes to the body. This reality is so deeply woven
into our cultural fabric that it becomes nearly impos-
sible to detach ourselves from it. This thesis aims to
be a point of reflection—a space for questioning why
we are so profoundly conditioned by what we should
look like or become, rather than focusing on simply
living the one life we are given.
Meer lezen

Onderschatten we de zeekreeft (Homarus gammarus)

Odisee Hogeschool
2025
Amber
Vroonen
Genomineerde longlist Bachelorprijs
Kreeften worden in culinaire contexten nog steeds vaak levend gekookt. Ze ondergaan lange,
stressvolle transporten, worden op zeer lage temperaturen gehouden, uitgehongerd, en blijven één
van de weinige consumptiedieren die levend verkocht en bereid worden. Deze praktijken krijgen
steeds meer kritiek naarmate het wetenschappelijk bewijs voor bewustzijn en lijdensvermogen van
schaaldieren groeit. Toch zijn kreeften in veel landen nog steeds uitgesloten van
dierenwelzijnswetgeving. Deze studie behandelt de wetenschappelijke en ethische urgentie rond de
behandeling van kreeften via een drieledig onderzoek: een literatuurstudie, een bevraging van de
publieke perceptie en een gedragsmatige trainingsproef.
We onderzochten hoe het publiek kijkt naar het welzijn van kreeften en in hoeverre dit overeenkomt
met de huidige praktijken. Daarnaast testten we of Europese kreeften (Homarus gammarus) kunnen
leren via operante conditionering, associaties kunnen vormen tussen prikkels en voedselbeloningen,
en hoe consistent ze aangeleerde gedragingen uitvoeren.
De literatuurstudie bespreekt biologie, cognitie, natuurlijk gedrag, leefomgeving, pijnperceptie en
ethische implicaties van het gebruik van kreeften in voedselsystemen. De bevindingen dagen
bestaande aannames over ongewervelden uit en roepen vragen op over de huidige omgangsvormen.
De publieksenquête (n = 334) bracht aan het licht dat, hoewel de meeste respondenten kreeft ooit
hadden geproefd, regelmatige consumptie zeldzaam was. Prijs, ethische bezwaren en gebrek aan
gelegenheid werden vaak genoemd, terwijl er sterke steun was voor betere bescherming en
humanere slachtmethoden.
Tot slot werd een gedragsmatige trainingsproef uitgevoerd met één Europese kreeft, Orion. Met
geurprikkels en een targetobject (een Kong-speeltje) vertoonde hij gedragingen die consistent zijn
met operante conditionering, zoals objectmanipulatie, probleemoplossend gedrag en doelgericht
zoeken, wat wijst op cognitieve flexibiliteit en leervermogen.
Deze bevindingen tonen een kloof tussen publieke houding, wetenschappelijk bewijs en
commerciële praktijken. Hoog-stressvolle dodingsmethoden, zoals levend koken, lijken steeds
moeilijker te rechtvaardigen. Deze studie benadrukt de nood aan wetgevende hervormingen, grotere
publieke bewustwording en verder onderzoek naar diervriendelijkere omgang met schaaldieren.
Meer lezen

Populierenhout als constructiehout

HOGENT
2025
Indy
Verheyen
Winnaar NBN Sustainability Award
Genomineerde longlist Vlaamse Scriptieprijs
Genomineerde shortlist Eosprijs
Deze bachelorproef onderzoekt hoe lokaal populierenhout kan worden ingezet als constructiehout in Vlaanderen. Populier is een van de meest voorkomende boomsoorten in het Vlaamse landschap, maar wordt slechts beperkt benut in de bouwsector. De heersende perceptie van lage kwaliteit, gecombineerd met onduidelijke normatieve kaders, belemmert een brede marktintroductie.
De centrale onderzoeksvraag luidt: Hoe kan lokaal populierenhout op een praktische en haalbare manier beschikbaar worden gesteld als constructiehout voor bouwbedrijven in Vlaanderen? Om deze vraag te beantwoorden werd een combinatie van methodes toegepast. Enerzijds werd een literatuurstudie uitgevoerd met focus op bosinventarisgegevens, mechanische eigenschappen en houtstromen. Anderzijds werden kwalitatieve gegevens verzameld via gesprekken, werkbezoeken en sectorale studiedagen, die inzichten boden in marktpercepties en praktische haalbaarheid. Bovendien werd een prototype ontwikkeld: een cross laminated timber (CLT)-paneel uit populier, opgebouwd uit drie kruislings verlijmde lagen en verbonden met Lignoloc®-houten nagels en een tand-en-groefverbinding. Dit prototype illustreert hoe de houtsoort kan worden toegepast in modulaire wandsystemen.
De resultaten tonen dat populierenhout mechanisch vergelijkbaar is met gangbare naaldhoutsoorten zoals vuren en grenen, mits correcte dimensionering en toepassing. Ecologisch scoort populier sterk dankzij de korte rotatieperiode, de hoge CO₂-opslag en de lokale beschikbaarheid. Toch blijven de praktische toepassingen beperkt door normatieve onzekerheden en een negatief imago in de sector.
Dit onderzoek bevestigt dat populier, mits verdere normatieve erkenning en bewustmaking bij bouwactoren, kan uitgroeien tot een waardevolle en duurzame grondstof in circulaire bouwmodellen.
Door de combinatie van lokale beschikbaarheid, korte rotatiecycli en de mogelijkheid tot verwerking in circulaire bouwsystemen draagt populier niet alleen bij aan een versterking van de Vlaamse houtsector, maar ook aan de realisatie van bredere klimaat- en duurzaamheidsdoelstellingen.
Meer lezen

Assisen in vraag gesteld: een kwantitatief onderzoek naar de publieke perceptie van lekenrechtspraak in België

Universiteit Gent
2025
Janne
Vandenberghe
Deze masterproef onderzoekt hoe het publiek het jurysysteem binnen het Belgische hof van assisen percipieert. Hoewel de assisenprocedure diep verankerd is in de Belgische rechtscultuur, staat zij steeds vaker onder druk door hedendaagse uitdagingen zoals budgettaire beperkingen en de roep om efficiëntie. Ondanks het fundamentele uitgangspunt van lekenparticipatie blijft de stem van de burger opvallend afwezig in academische en publieke debatten. Dit onderzoek vult die kenniskloof op door de centrale onderzoeksvraag te stellen: ‘Hoe wordt het systeem van de volksjury binnen het Belgische hof van assisen door het publiek ervaren?’

Om deze vraag te beantwoorden werd een gemengd juridisch-sociologisch kader ontwikkeld. De empirische kern van het onderzoek bestaat uit een kwantitatieve online survey (n=380). Deze survey onderzocht de houding van burgers tegenover de volksjury en hun voorkeuren inzake behoud of hervorming van het systeem. Sociodemografische kenmerken, juridische scholing en slachtofferschap werden meegenomen als verklarende variabelen. Het theoretisch kader werd opgebouwd via een kritische literatuurstudie en een vergelijkende rechtsanalyse met Frankrijk en Nederland.

De resultaten van de survey tonen een genuanceerde publieke houding. Enerzijds geniet de volksjury symbolische legitimiteit door haar democratisch karakter, anderzijds bestaan er aanhoudende twijfels over de juridische expertise van juryleden in complexe strafzaken. Twee derde van de respondenten steunt het systeem van de volksjury. Daarnaast verkiest maar liefst 83% een gemengd model waarin burgers en beroepsrechters samen beraadslagen. Juridische professionals en personen met een juridische opleiding stonden significant kritischer tegenover het huidige jurysysteem. Bovendien bleken attitudes ten aanzien van correctionele straffen een sterke voorspeller van steun voor de volksjury: respondenten die bestaande straffen te mild vonden, waren vaker voorstander van burgerparticipatie. Sociodemografische variabelen en slachtofferschap bleken daarentegen weinig verklarende waarde te hebben.

Dit onderzoek levert een bijdrage aan de juridische en criminologische literatuur door publieke houdingen tegenover het eeuwenoude instituut van participatieve justitie empirisch in kaart te brengen. Daarnaast is het beleidsmatig relevant, aangezien het de maatschappelijke steun voor hervormingsscenario’s in beeld brengt.
Meer lezen

Het prijsgeven van de identiteit van daders en slachtoffers van misdrijven door de journalist

Universiteit Antwerpen
2025
Nathalie
Voss
Het idee van mijn onderzoek is ontstaan door de recente ontwikkelingen in de samenleving. De burger is verontwaardigd wanneer de identiteit van verdachten en daders op een niet consistente wijze wordt vermeld in de media. Wegens onwetendheid en frustratie laat de samenleving zich dan ook horen, met alle gevolgen vandien. Hoewel ik zelf eerst onbegrip toonde voor de niet-standvastigheid van de media inzake het prijsgeven van de identiteit, heeft dit mij aan het denken gezet: zijn er dan geen regels waaraan journalisten zich moeten houden?
Wegens deze bedenking viel mijn oog op de Code van de Raad voor de Journalistiek. Deze Code geldt als leidraad voor journalisten en bevat verschillende onderwerpen die worden uitgewerkt in artikels en richtlijnen. De belangrijkste richtlijnen voor dit onderzoek zijn te vinden in artikel 23 van de Code en omvatten: identificatie in gerechtelijke context, identificatie van slachtoffers en respect voor het privéleven van publieke figuren. Omdat een onderzoek naar de volledige Code ons te ver zou leiden, heb ik gekozen om mijn onderzoek af te bakenen tot dit artikel 23 (mits bepaalde kanttekeningen). Hiernaast wordt het onderzoek gevoerd vanuit de situatie van dader en slachtoffer. De focus ligt dus niet op de verdachte.
Zo heb ik de Code op zichzelf onderzocht en ging ik na wat de grenzen zijn aan het prijsgeven van identiteit van daders en slachtoffers van misdrijven door de journalist. Hierdoor is de vraag ontstaan hoe buurlanden dit invullen. Vooraleer ik dus een oordeel vel over onze Code, acht ik het noodzakelijk om te kijken hoe Nederland hiermee omgaat. Ik heb dan ook gekozen om een vergelijking te maken tussen de code in Nederland, namelijk de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek, en onze Code.
Uit deze vergelijking blijkt dat beide codes belang hechten aan een zorgvuldige afweging tussen het recht op privacy en het belang van het publiek om toegang te krijgen tot informatie. De Code is enorm gestructureerd met verwijzingen naar verschillende artikels en richtlijnen die per onderwerp uiteenzetten hoe de journalist moet handelen in een bepaalde situatie. Toch blijft de praktische toepassing afhankelijk van de journalist/redactie. Redacties beslissen binnen de marges van de Code zelf hoe zij identificeren, al geldt de Code wel als een minimumregel. De Raad treedt pas op wanneer een klacht wordt ingediend. Zij zal kijken of de Code effectief gevolgd werd of niet.
In België bestaat geen vaste praktijk zoals de Nederlandse initialenregel (voornaam, gevolgd door initiaal van de familienaam), hierdoor is er meer ruimte voor volledige identificatie, wat leidt tot inconsistentie. De Leidraad is op haar beurt minder gestructureerd en veel kleiner van omvang dan de Code. Ondanks dat de initialenregel niet bindend is, zorgt dit voor een brede toepassing in de praktijk door journalisten. Toch verwijst de Leidraad ook naar uitzonderingen waardoor er opnieuw ruimte is voor interpretatie. Dit leidt soms tot absurde situaties waarbij eerst de volledige naam wordt gegeven (bij een arrestatie) om nadien de initialenregel te gebruiken. Mijns inziens is het kwaad dan al geschied. Concluderend kan worden gesteld dat in Nederland de praktijk terughoudender is, terwijl België meer formele richtlijnen geeft maar minder terughoudend is in de uitvoering ervan.
Voor slachtoffers biedt de Code een expliciete richtlijn die de berichtgeving van hun identiteit streng reguleert. In de Leidraad staat dit ook, al wordt hier minder diep op ingegaan en is er geen aparte sectie voorzien. Hoewel de Leidraad minder structuur biedt, wordt impliciet een bredere invulling gegeven aan het begrip ‘identiteit’ door te verwijzen naar onder meer etniciteit of religie. Al leidt dit wel tot vragen over de volledigheid van de opsomming.
Nadat ik bovenstaande codes met elkaar heb vergeleken, dook een nieuwe vraag op: is onze Code van de Raad in overeenstemming met de grond- en mensenrechten van het EVRM, en hoe verhoudt de Code zich tot de rechtspraak van het EHRM? Om hier een antwoord op te kunnen bieden heb ik artikel 10 EVRM afgewogen tegen verschillende (grond)rechten, zoals recht op privacy, recht op afbeelding, recht op vergetelheid, recht op eer en goede naam, recht op antwoord en het vermoeden van onschuld als onderdeel van het recht op een eerlijk proces.
De hoofdonderzoeksvraag luidt dan ook als volgt: “In hoeverre is de deontologische code voor journalistiek met betrekking tot het prijsgeven van identiteit van daders en slachtoffers, in overeenstemming met de grondrechten en mensenrechten van het EHRM?”
De rechten en rechtspraak van het EHRM werden eerst apart besproken om vervolgens de Code hieraan te kunnen toetsen. Zo kon worden geconcludeerd dat de Code voor zowel het vrijgeven van de identiteit van daders als slachtoffers, in grote lijnen in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof. Er wordt nadruk gelegd op de afweging van het recht op privéleven en het recht op informatie. Hoewel de Code de mogelijkheid biedt tot beperkte of volledige identificatie, maakt het Hof dit onderscheid niet. Het Hof blijkt systematisch zijn eigen zes criteria af te toetsen voor de afweging tussen artikel 10 en 8 EVRM. Deze criteria worden niet expliciet opgesomd door de Code maar vallen hier impliciet grotendeels mee samen. Vooral wat betreft de richtlijn bij de identificatie van slachtoffers, sluit de Code nauw aan bij het Hof. Hier gelden strengere regels en minder bewegingsruimte voor de journalist. Het recht op afbeelding wordt, als onderdeel van artikel 8 EVRM, niet expliciet besproken in de Code. Wel wordt verwezen naar een hogere mate van voorzichtigheid bij het publiceren van herkenbaar beeldmateriaal. De terughoudendheid bij bekendmaking van beelden van slachtoffers wordt ook effectief bevolen door het Hof. Over het algemeen kan bij slachtoffers worden gesteld dat de Code de lijn volgt die wordt getrokken door het EHRM.
Vanuit het daderperspectief kon een bespreking van het recht op vergetelheid niet ontbreken. Artikel 23 verwijst naar de afweging van het belang van berichtgeving tegenover de reclassering en herintegratie van de veroordeelde. Toch mist de Code belangrijke aanvullingen die wel worden aangehaald in de criteria van het Hof: de verstreken tijd en toegankelijkheid van de publicatie. Ik ben dan ook van mening dat de Raad zou kunnen overwegen om deze factoren te benoemen in de Code. De toetsing aan het recht op eer en goede naam kon tevens niet ontbreken. Ook hier valt de Code te verzoenen met de rechtspraak van het Hof.
Wat betreft het recht van antwoord, in de zin van artikel 10 EVRM, voorziet de Code in een alternatieve bepaling inzake wederwoord. Opmerkelijk is dat het Hof ook verwijst naar deze mogelijkheid tot correctie als beslissend criterium. Zoals andere auteurs stel ik deze tendens tot inmenging in de redactionele vrijheid in vraag. Ook bij het vermoeden van onschuld wordt aan de alarmbel getrokken. De Code vereist een hoge mate van zorgvuldigheid en verantwoordelijkheid waardoor dit mogelijks de waakhondfunctie van de pers beperkt. Ik ben echter van mening dat voorzichtigheid mag worden verwacht van journalisten. Bij vrijheid hoort nu eenmaal verantwoordelijkheid.
Over het algemeen kan dus worden gesteld dat de Code in overeenstemming is met de besproken rechten en rechtspraak van het EHRM, mits gemaakte kanttekeningen en nuanceringen.
Omdat theorie niet alomvattend is, sloot ik mijn onderzoek af met een interview met een deskundige. Haar praktische kijk bracht nuance en bood een waardevolle reflectie op bepaalde delen van mijn onderzoek.
Meer lezen

Samen lesgeven in de wetenschap: De perceptie van leerkrachten op co-teaching

Universiteit Gent
2025
Tim
De Bels
Co-teaching wint aan belang. Meer en meer leerkrachten gebruiken het als een tool om hun lessen interessanter te maken. Daarbuiten is het een perfecte manier om van je school een lerende organisatie te maken. (Larock et al., 2017)
Onderzoek naar co-teaching is niets nieuw, maar het onderzoek in Vlaamse context ontbreekt gedeeltelijk. Percepties zijn een goed beginpunt en werden al onderzocht voor zowel leerkrachten als leerlingen uit het beroepssecundair onderwijs in Vlaanderen door Gotelaere (2020). Er werd hierbij gekeken naar de perceptie over co-teaching in het algemeen, hun co-teachingpraktijken en de uitkomstvariabelen bij de leerlingen. De literatuur gaat niet verder waardoor er ruimte is om de vraag te stellen wat leerkrachten denken over co-teaching. Om het onderzoek te beperken, en omdat ik een educatieve master in een wetenschapsvak volg, wordt er enkel gekeken naar leerkrachten uit het secundair onderwijs die wetenschapsvakken geven.
De hoofdonderzoeksvraag voor deze masterpraktijkproef luidt daarom als volgt:
1)
Wat is de perceptie van leerkrachten van wetenschapsvakken ten opzichte van co-teaching in het secundair onderwijs in Vlaanderen?
Aangezien dit een heel breed gegeven is, probeer ik de vraag iets concreter te maken. Dit wordt gedaan door de vraag te leiden naar volgende deelonderzoeksvragen:
2)
Welke invloed heeft de schoolcultuur op de perceptie van leerkrachten van wetenschapsvakken ten opzichte van co-teaching in het secundair onderwijs in Vlaanderen?
3)
Welke invloed heeft de finaliteit op de perceptie van leerkrachten van wetenschapsvakken ten opzichte van co-teaching in het secundair onderwijs in Vlaanderen?
4)
Welke invloed heeft het vak op de perceptie van leerkrachten van wetenschapsvakken ten opzichte van co-teaching in het secundair onderwijs in Vlaanderen?
2
Dit onderzoek bestaat uit verschillende hoofdstukken. In de eerste plaats wordt er een literatuurstudie gedaan die het theoretische kader biedt voor de rest van het onderzoek. Het tweede hoofdstuk beschrijft hoe het onderzoek wordt uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek worden besproken in hoofdstuk 3 waarna hoofdstuk 4 deze resultaten bediscussieert.
Meer lezen

De mate van etnische discriminatie in wervings- en selectieprocedures binnen de publieke en private sector in Vlaanderen

Hogeschool UCLL
2025
Yousri
Meniaoui
Deze scriptie focust op de mate van etnische discriminatie binnen de wervings- en selectieprocedures van de publieke en private sector in Vlaanderen. Ondanks de aanwezigheid van wettelijke kaders, zoals de Antidiscriminatiewet van 2007 en CAO nr.38 blijken, kandidaten met een migratieachtergrond in de praktijk nog steeds minder vaak te worden uitgenodigd voor sollicitatiegesprekken (Devos, Lippens & Baerts, 2024). Het doel van deze scriptie is om te onderzoeken in welke mate er verschillen bestaan tussen beide sectoren en welke structurele factoren hieraan bijdragen.
Het onderzoek bestaat uit een uitgebreide literatuurstudie, een analyse van wetgeving en bestaand kwantitatief onderzoek. Daarnaast werd een praktijkonderzoek uitgevoerd met correspondentietesten. Hiervoor werden twee fictieve kandidaten met gelijkwaardige profielen, maar met respectievelijk een Vlaamse naam en een niet-Vlaams klinkende naam ingezet om te solliciteren naar administratieve/klantgerichte functies binnen de private sector in Vlaanderen. Uit de resultaten blijkt dat de kandidaat met een Vlaamse naam vaker werd uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek dan de kandidaat met een niet-Vlaamse naam, ondanks vergelijkbare of zelfs sterkere kwalificaties. De kandidaat met de Vlaamse naam werd in 43,2% van de gevallen uitgenodigd, tegenover 29,7% voor de kandidaat met de niet-Vlaamse naam.
In de publieke sector blijkt uit onderzoek van de Vrije Universiteit Brussel en de Universiteit Gent (2023) dat in de eerste fases van de selectieprocedure geen statistisch significante etnische discriminatie voorkomt. Dit wordt deels verklaard door het gebruik van gestandaardiseerde en objectieve procedures binnen de publieke sector. In de latere fases van de selectie zoals sollicitatiegesprekken blijken ook daar subtiele vormen van discriminatie voor te komen.
De bevindingen bevestigen dat transparante en gestandaardiseerde wervingsprocedures discriminatie kunnen beperken in de eerste fases. In de private sector blijft het risico op (onbewuste) discriminatie aanwezig. De resultaten wijzen op de noodzaak van aanvullende maatregelen zoals bias-training, het hanteren van objectieve selectiecriteria en het structureel inzetten van praktijktesten als monitoringinstrument.
Hoewel dit onderzoek qua schaal beperkt is en zich enkel richt op de eerste fase van het selectieproces binnen de private sector, sluiten de bevindingen aan bij bestaande literatuur en bieden ze duidelijke aanwijzingen voor structurele ongelijkheid. Verdere studies zijn nodig om het volledige selectieproces in kaart te brengen en ook andere sectoren te betrekken.
Meer lezen

Gepercipieerde recente veranderingen in Slotermeer

Andere
2025
Diego
Garzon
O.b.v. 14 kwalitatieve interviews is er veel data over hoe bewoners veranderingen in hun wijk ervaren. Hierbij komt naar voren welke spanningen er zijn, hoe die ontstaan en wat hen opvalt aan de nieuwe bewoners. Een belangrijke inzicht is dat de gepercipieerde veranderingen in bevolkingssamenstelling niet overeenkomt met de feitelijke cijfers, wat laat zien dat langwonenden geen contact hebben met deze groepen en de sociale cohesie door de nieuwe groepen niet bevorderd wordt, ondanks dat beleid dit wel beoogt.
Meer lezen

De schoolbel boven de beltoon: een onderzoek naar het smartphonebeleid op scholen

Universiteit Gent
2025
Jiska
Kuys
Deze studie onderzoekt welke motivaties en percepties een rol spelen in de vormgeving van het smartphonebeleid bij scholen in Vlaanderen. Smartphones zijn uitgegroeid tot onmisbare apparaten in het dagelijks leven, maar leiden in onderwijscontexten tot polariserende debatten over hun educatief potentieel en disruptieve impact. De paradoxale aard van smartphones als zowel hulpmiddel en risicofactor vormt het kernpunt van discussies bij stakeholders in het onderwijs. Deze studie maakt gebruik van semigestructureerde interviews met beleidsmedewerkers, leerkrachten en opvoeders, aangevuld met focusgroepen met leerlingen uit acht Vlaamse scholen om deze motivaties en percepties bloot te leggen. De onderzoeksvragen richtten zich op stakeholderpercepties tegenover smartphones, motivaties voor beleidsvorming, attitudes tegenover het smartphonebeleid en verschillen in percepties met het laptopbeleid. De resultaten tonen dat alle stakeholders de paradoxale aard van smartphones erkennen waarbij educatieve, sociale en gezondheidsgerichte motivaties centraal staan bij beleidsvorming. Beleidsmedewerkers associëren smartphones primair met concentratieverlies, terwijl leerkrachten en opvoeders een ambivalente houding hanteren en leerlingen openlijk hun smartphone-afhankelijkheid erkennen. Het onderzoek onthult spanningen tussen bescherming en zelfregulatie, waarbij een gefaseerde beleidsimplementatie per leeftijdsgroep wordt aanbevolen. De bevindingen onderstrepen de noodzaak van een geïntegreerd beleid voor alle digitale apparaten in het onderwijs waarbij de stakeholders beamen dat digitale geletterdheid en het aanleren van 21e-eeuwse vaardigheden onmisbaar zijn geworden.
Meer lezen

A New Approach to Accounting Education (NABO): The Impact on Student Performance

Universiteit Gent
2025
Jens
Verhofstadt
This study investigates the effectiveness of the New Approach to Accounting Education (NABO), a teaching method designed to introduce accounting to novice students in Belgian secondary schools. Specifically, we examine whether students taught using the NABO method demonstrate higher academic performance compared to those taught through traditional approaches. Additionally, we investigate the role of student motivation and engagement in influencing academic outcomes. A quasi-experimental design was employed, combining between- and within-subjects elements, including a control group with a pretest-posttest setup. Data were collected over four academic years (2018-2022) from 582 high school students. Structural equation modeling was used to test the proposed hypotheses. Results show that students taught with the NABO method significantly outperform their peers in traditional settings. Moreover, motivation and engagement have a strong positive effect on academic achievement. These findings contribute to accounting education by showing that innovative teaching methods can enhance learning outcomes for novice students, while also offering practical recommendations and avenues for future research on improving introductory accounting courses.
Meer lezen

Hoe beïnvloeden AI-gegenereerde virtuele influencers de merkperceptie en aankoopintentie van de jongere consumenten binnen influencer marketingcampagnes?

Odisee Hogeschool
2025
Assiya
El Youssfi
Virtuele influencers zijn digitale personages die door artificiële intelligentie worden gegenereerd en actief zijn op sociale media. In deze bachelorproef wordt onderzocht hoe jongeren tussen 18 en 30 jaar deze virtuele profielen ervaring in marketingcampagnes, met focus op hun impact op merkperceptie en aankoopintentie. Het onderzoek werd uitgevoerd aan de hand van een survey bij 388 jongeren, in het kader van hypothetische campagnes voor Philips, uitgevoerd door communicatiebureau AKQA Brussels PR. De resultaten tonen dat jongeren kritisch blijven ten opzichte van virtuele profielen, al erkennen sommigen hun potentieel binnen innovatieve en transparante campagnes. De studie biedt concrete aanbevelingen voor het geloofwaardig inzetten van virtuele influencers in toekomstige communicatie.
Meer lezen

Collegiale visitatie binnen de aanvangsbegeleiding

Odisee Hogeschool
2025
Heleen
Dewaele
Om in kaart te kunnen brengen in welke mate er al collegiaal gevisiteerd wordt in secundaire scholen
te Sint-Niklaas, en hoe deze visitaties worden ingericht, werden er d.m.v. semigestructureerde
interviews enkele scholen bevraagd. Hieruit blijkt dat collegiale visitatie in opmars is; alle
aanvangsbegeleiders leggen deze professionaliseringsmethode op als een verwachting aan de
startende leerkrachten, of willen dit in de nabije toekomst doen. Ook worden er regelmatig initiatieven
op poten gezet om het gebruik van dit instrument aan te wakkeren bij de meer ervaren leerkrachten,
al blijkt het gewenste effect van deze initiatieven vaak van korte duur.
De startende leerkrachten van de Broederschool te Sint-Niklaas geven aan het gevoel te hebben zich
verder geprofessionaliseerd te hebben dankzij collegiale visitatie. Het verwerven van een uitgebreider
pakket aan instructiestrategieën, betere lesprestaties leveren en met meer zelfvertrouwen voor de
klas staan, zijn voordelen die ze hebben ervaren. Collegiale visitatie inbedden in een schoolcultuur is
daarentegen geen eenvoudige opdracht; de meer ervaren leerkrachten blijken namelijk vaak nog
weerstand te bieden.
Collegiale visitatie opleggen als een verplichting aan een lerarenkorps, werkt averechts. Er moet een
voldoende draagvlak zijn om een visitatiecultuur te creëren op school. Je kan collegiale visitatie laten
meegroeien met leraren via de aanvangsbegeleiding. Ook kunnen er enkele andere aanbevelingen
gedaan worden aan de Broederschool om het gebruik van deze professionaliseringsmethode in te
bedden in de schoolcultuur: informeer leerkrachten helder en uniform over de voordelen van deze
visitaties, geef hen de mogelijkheid om collegiale visitatie in te geven als een gevolgde bijscholing,
breng collegiale visitatie regelmatig ter sprake bij personeelsvergaderingen, tuchtklassenraden,
vakvergaderingen…
Meer lezen

Collaborative Filmmaking and the Sonic Ecology of Adivasi Landscapes: How can multisensory and decolonial approaches contribute to a better understanding of Adivasi land dispossession and enhance transcultural resonance?

Universiteit Antwerpen
2025
Luca
Verhaeghe
Dit etnografisch onderzoek situeert zich in de context van Adivasi-landonteigening ten gevolge van de koolmijnontginning in Jharkhand (Oost-India). Door de integratie van dekoloniale en multisensorische methoden gaat deze studie verder dan rationele discoursen en erkent het belang van onze zintuiglijke waarneming. De verkenning van het Adivasi-geluidslandschap gaat gepaard met deze geschreven reflectie op het participatieve en collaboratief filmmaakproces. Multisensorische en feministische
kaders zoals ‘Standpoint Theory’, ‘Speaking Nearby’, ‘Triangular Relationship’ en ‘Sonic Ecology’ vormen de blauwdruk van de bijhorende kortfilm, waarin de echo’s van deze benaderingen verweven worden in het narratief.

Dit onderzoeksproject streeft naar het vestigen van een driehoeksverhouding tussen
etnograaf/subject/zintuig op een cultureel gevoeligere manier. Het draagt vandaar bij aan de dekolonisatie van de visuele etnografie. Door verschillende kwalitatieve onderzoeksmethodes zoals interviews, visuele bronanalyse en perceptie-analyses samen te brengen werd een cultuursensitiever, participatief en collaboratief filmproject ontwikkeld. De data van dit ‘embodied’ luik werd voornamelijk verzameld door middel van auditieve indrukken. Desondanks, was visueel materiaal noodzakelijk om de context van Adivasi-ontheming op een begrijpelijke manier te schetsen.
Experimentele audiovisuele composities brengen conflicterende Adivasi land- en geluidscapes samen om gevoelens van resonantie op te wekken. De kortfilm, genaamd ‘de Sonic Ecology of Adivasi Landschapes’, draagt vandaar bij aan een versterking van cross-culturele intimiteit tussen de perceptor en contrasterende, sonische Adivasi-ecologieën beïnvloed door de dreiging van extractivisme.
Meer lezen

Game changers? De rol van sociale media bij de gelijkheid van gender in de internationale topsport

KU Leuven
2024
Fleur
De Laet
Genderongelijkheid in de sport is een probleem dat zich ook in de media manifesteert. Deze studie probeert dit fenomeen als een vicieuze cirkel voor te stellen en gaat daarom op zoek naar een antwoord op de vraag: Hoe staat de vertegenwoordiging van atleten op sociale media, vergelijkend op basis van gender, in relatie tot de attitudes van het publiek ten opzichte van deze atleten? Zowel de mediadekking, media representatie en de publieke attitudes van en tegenover atleten werden onderzocht via de Instagramaccounts van twee prominente Vlaamse mediabedrijven. Hierdoor konden patronen ontdekt worden die bewijs leveren voor de relatie tussen de portrettering van mannelijke en vrouwelijke atleten en de publieke attitudes ten opzichte van hen. Een inhoudsanalyse is uitgevoerd op zowel de berichten die geplaatst zijn rond belangrijke sportevenementen van 12 verschillende sporten, alsook op de publieke reacties op Instagram op deze berichten. De resultaten bevestigen dat vrouwelijke atleten ook op Instagram ondervertegenwoordigd blijven in vergelijking met mannelijke atleten en dat sportgerelateerde genderstereotypen nog steeds aanwezig zijn in de actuele berichtgeving over sport. Wat betreft de publieke attitudes waren er enige tegenstrijdigheden te bemerken: hoewel het publiek gemiddeld een positievere houding had ten opzichte van vrouwelijke atleten, ontvingen zij tegelijk wel de meeste haatreacties. Bepaalde atleten of sporten konden meer betrokkenheid ontvangen vanwege de aard van hun berichtgeving, wat aantoont dat er een relatie is tussen mediarepresentatie en publieke attitudes. Een opvallende bevinding is dat het publiek ook kritiek uitte op het aanbod van de zender, omdat het programma naar hun mening niet voldoende gevarieerd was. Vervolgonderzoek zou zich kunnen richten op hoe de houding van het publiek ten opzichte van atleten kan veranderen na verloop van tijd, door het zien van sociale media posts. Daarnaast zou het interessant zijn om een experiment uit te voeren om een causaal verband tussen beide variabelen aan te tonen.
Meer lezen

Sociale confrontatie in huis: wat rijke mensen vertellen over hun huispersoneel

Universiteit Gent
2024
Carole
Kesteloot
Groepen met een hogere sociaaleconomische status worden in geringe mate onderzocht in de sociale wetenschappen. Nochtans genieten ze van veel privileges en vormen van macht waar velen niet over beschikken. Wat brengt een ontmoeting in hun woning teweeg met iemand die minder bevoorrecht is en die hun huishoudelijke en zorgtaken komt verrichten? Deze thesis bestudeert de percepties en opvattingen van mensen met een hoge sociaaleconomische status in het Brusselse aan de hand van 20 diepte-interviews. De resultaten duiden op een ambivalent antwoord. Ze zijn bewust van hun privilege en geluk, maar tegelijk zien ze hun personeel als een onmisbaar onderdeel van hun leven en stellen ze deze positie niet in vraag. Ze hebben hun personeel nodig, want zonder hen kunnen ze hun levensstijl niet behouden. Machtsmechanismen van seksisme, racisme en klassisme worden in stand gehouden binnenin het privégebied van mensen met hoge sociaaleconomische status.

Meer lezen

De noden, verwachtingen en percepties van verpleegkundigen over de implementatie van het bedside scannen van medicatie: een kwalitatief onderzoek

Universiteit Antwerpen
2024
Tine
Jughmans
Medicatiefouten in ziekenhuizen zijn een regelmatig voorkomend probleem en kunnen de patiënt schaden. Als preventieve maatregel tegen medicatiefouten kan barcode-medicatietoedieningstechnologie ingezet worden. Onderzoeken tonen aan dat bedside scannen van medicatie (BSS) de fouten aanzienlijk vermindert. Verpleegkundigen besteden veel tijd aan medicatiegerelateerde activiteiten, dus hun acceptatie van een BSS- systeem is essentieel voor de patiëntveiligheid. Deze studie richt zich op het verwerven van inzicht in de noden, verwachtingen en percepties van verpleegkundigen over de BSS-implementatie. Daarnaast worden barrières en facilitatoren geanalyseerd om het implementatieproces te optimaliseren en de acceptatie van deze technologie te verhogen.
Dit kwalitatief descriptief onderzoek bestond uit focusgroepen met een doelgerichte steekproef van verpleegkundigen, waarbij variatie werd nagestreefd in ziekenhuisdiensten en het aantal jaren werkervaring in het Jessa Ziekenhuis. Voor de focusgroepen werd er gewerkt met een topiclijst gebaseerd op het Technology Acceptance Model. Data-analyse verliep aan de hand van een thematische analyse.
Er zijn zes thema’s bekomen uit vijf focusgroepen, namelijk (1) veiligheid, (2) workflow, (3) impact van BSS op de patiënt, (4) perceptie van de verpleegkundige op het gebruik van BSS, (5) workload en (6) opleiding en ondersteuning als inzichten over de implementatie van BSS. Nadien werden barrières en facilitatoren voor de BSS-implementatie geïdentificeerd uit de verkregen thema’s.
Verpleegkundigen ervaren uiteenlopende behoeften en percepties over de BSS-implementatie. Veiligheid staat centraal, waarbij betrouwbare technologie belangrijk is ten aanzien van patiëntveiligheid. Om de BSS-workflow op verpleegafdelingen efficiënter te laten verlopen, moeten procedures geoptimaliseerd worden, rekening houdend met aspecten zoals workload, gebruiksgemak en benodigde apparatuur. Verpleegkundigen vermoeden dat patiënten het BSS-systeem 's nachts patiëntonvriendelijk vinden, waarbij patiëntinformatie kan helpen. Bezorgdheid over verhoogde workload en de organisatiecultuur beïnvloeden de BSS-acceptatie, waarbij opleiding en voortdurende ondersteuning belangrijk zijn. De geïdentificeerde facilitatoren en barrières bieden waardevolle inzichten voor optimalisatie en het vergroten van de acceptatie van BSS.
Meer lezen

De Digitale Spiegel: Exploratie van zelfstigma in online eetstoornisgemeenschappen - Een kwalitatieve verkenning van stigma binnen digitale omgevingen

KU Leuven
2024
Artemis
Devaux
Het onderzoeken van zelfstigma in online eetstoornisgemeenschappen is relevant vanwege de toenemende invloed van digitale platforms, waar mensen steun en erkenning zoeken. Het is essentieel om te begrijpen hoe zelfstigma zich ontwikkelt in deze online omgevingen, om effectieve interventies en ondersteuningsmechanismen te ontwikkelen die kunnen leiden tot stigmareductie. Deze studie maakt gebruik van een kwalitatieve, fenomenologische benadering om te onderzoeken hoe zelfstigma zich manifesteert in online eetstoornisgemeenschappen. Door middel van diepgaande interviews met leden van deze gemeenschappen en thematische analyse, werden patronen en thema's in hun ervaringen geïdentificeerd. Het onderzoek richtte zich op persoonlijke ervaringen met eetstoornissen, percepties van publieke stigma, sociaal isolement en de invloed van online gemeenschappen. De fenomenologische methode werd gekozen om subjectieve ervaringen vast te leggen en te begrijpen hoe individuen stigma waarnemen en internaliseren. De studie concludeert dat zelfstigma in online eetstoornisgemeenschappen een complex fenomeen is dat wordt beïnvloed door verschillende factoren zoals publieke stigma, trauma en de dynamiek van online interacties. Deze gemeenschappen spelen een dubbele rol, zowel steun biedend als mogelijk schade veroorzakend, afhankelijk van de aard van de interacties binnen deze platforms. De bevindingen suggereren dat interventies gericht op het verminderen van zelfstigma rekening moeten houden met de specifieke dynamiek van online gemeenschappen. Strategieën zouden het bevorderen van positieve, op herstel gerichte interacties kunnen omvatten en hulpmiddelen kunnen bieden om individuen te helpen kritisch om te gaan met online inhoud. Uiteindelijk kan een beter begrip van hoe zelfstigma zich ontwikkelt en wordt versterkt, leiden tot betere ondersteuningssystemen en het herstel van mensen met eetstoornissen bevorderen.
Meer lezen

'Gekleurde huid' op het witte scherm. Een exploratief onderzoek naar de ervaringen van Vlaamse niet-witte actrices en/of actrices met een migratieachtergrond.

Universiteit Gent
2024
Souad
Boukhatem
Deze masterproef onderzoekt de professionele ongelijkheden waarmee niet-witte actrices en actrices met een migratieachtergrond geconfronteerd worden in de Vlaamse film- en televisiesector, met een focus op de intersectionaliteit van ras en gender. De studie identificeert specifieke uitdagingen en barrières die deze actrices ervaren, uiteengezet in vier deelvragen die de complexe lagen van ongelijkheid binnen de sector blootleggen.

Ten eerste ervaren niet-witte actrices psychologische belasting door hun representatieve last en het gevoel van isolatie in een overwegend witte omgeving. Ze worden vaak gecast in stereotiepe rollen die hun echte identiteiten en ervaringen niet weerspiegelen, wat leidt tot professionele frustraties en psychologische stress. Daarnaast versterkt hun casting de dominantie van witte en mannelijke perspectieven, wat hun marginalisatie bevordert.

Het onderzoek toont verder aan dat discriminatie op basis van ras en gender leidt tot significante professionele, sociale en economische nadelen. Deze actrices stuiten op structurele barrières zoals beperkte en vaak stereotiepe rollen die hun carrièremogelijkheden beperken. Ze ervaren subtiele tot expliciete discriminatie, die samen met ontransparante loonstructuren hun financiële welzijn en professionele groei beïnvloeden.

Persoonlijk welbevinden van de actrices lijdt ook onder deze ongelijkheden. De cumulatieve effecten van discriminatie schaden hun geestelijke gezondheid, resulterend in symptomen van angst, onzekerheid en een verlaagd zelfvertrouwen. Ondanks deze uitdagingen ontwikkelen de actrices diverse copingstrategieën zoals het vormen van netwerken voor steun, het initiëren van eigen projecten, en het ontwikkelen van onverschilligheid om emotionele energie te bewaren.

De masterproef concludeert met aanbevelingen voor de sector, waaronder de noodzaak voor herziening van narratieve structuren en een meer inclusieve representatie in de media. Er moet een effectief diversiteitsbeleid komen met concrete, meetbare doelen voor inclusiviteit. Het Vlaams Audiovisueel Fonds kan een belangrijkere rol spelen door het bevorderen van diversiteit zowel voor de camera als in creatieve en leiderschapsposities achter de schermen. Onderwijs speelt een cruciale rol in het bevorderen van een meer inclusieve en minder Eurocentrische wereldvisie. Bovendien is dekolonisatie van het curriculum en aan toneelscholen noodzakelijk om een meer inclusieve opleiding te bieden. Ook het aanstellen van diversiteitscoördinatoren en het trainen van vertrouwenspersonen in discriminatie-herkenning zou bijdragen aan een inclusiever werkklimaat. Tot slot benadrukt deze masterproef de behoefte aan verder onderzoek naar de specifieke ervaringen van niet-witte actrices, acteurs en andere identiteitsaspecten zoals seksuele oriëntatie en disability om effectieve beleidsmaatregelen en interventies te ontwikkelen.
Meer lezen