Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

"Het is niet omdat ik het versta, dat het de beste optie is" Begrip en beleving van anglicismen bij oudere kijkers van Het journaal tijdens de coronacrisis

Vrije Universiteit Brussel
2026
To
Baetens
Deze scriptie onderzoekt hoe Engelse woorden in Het journaal tijdens het begin van de coronacrisis in België begrepen en onthaalt werden door ouderen.
Meer lezen

Van wonderkruid tot tripthee: een eeuw ayahuasca in de Nederlandse pers, 1920-2019

Universiteit Gent
2026
Ava
Cornelis
De betekenisverandering van ayahuasca in de Nederlandse pers, 1920-2019.
Meer lezen

Handschrift 476

LUCA School of Arts
2026
Auke
Dezeure
Handschrift 476
Deze publicatie brengt een middeleeuws, handgeschreven kookboekje opnieuw tot leven. Door transcriptie, historisch onderzoek en vormgeving samen te brengen, wordt dit eeuwenoude manuscript vertaald naar een hedendaagse leeservaring. Onderzoek naar de geschiedenis van het handschrift en de visuele kenmerken en systemen in middeleeuwse manuscripten vormde de basis voor het ontwerp. Zo ontstaat een publicatie die niet alleen inzicht geeft in het verleden, maar ook de schoonheid van deze unieke documenten zichtbaar maakt. Daarnaast werden vijftien recepten uit het handschrift uitgewerkt en aangepast aan hedendaagse manieren van receptschrijven, zodat ook de smaken van de middeleeuwen vandaag opnieuw beleefd kunnen worden.
Meer lezen

Onterving van een kind: van familiale solidariteit naar familiale rechtvaardigheid?

KU Leuven
2026
Victoire
Delvaux
SAMENVATTING
Met de Erfwetten van 2017 en 2018 voerde de Belgische wetgever ingrijpende hervormingen door in het erfrecht. Nederland en Frankrijk hebben, zij het op verschillende tijdstippen, eveneens ingrijpende hervormingen in het erfrecht doorgevoerd. Hoewel deze hervormingen, tot ongenoegen van meerdere auteurs, niet hebben geleid tot de afschaffing van het voorbehouden erfdeel, hebben ze wel aanzienlijke wijzigingen aangebracht. Hierdoor geniet een onterfd kind vandaag minder bescherming dan onder het oude erfrecht, wat ten goede komt aan de beschikkingsvrijheid van de erflater. De centrale vraag doorheen dit onderzoek is dan ook of deze hervormingen hebben bijgedragen aan een evenwichtigere afweging tussen de bescherming van het onterfde kind en de vrijheid van de erflater om over zijn vermogen te beschikken.

In het verklarende onderdeel van deze masterscriptie zal er gekeken worden naar de grondslagen en de oorsprong van het voorbehouden erfdeel. Het bestuderen van deze grondslagen en oorsprong beoogt een antwoord te bieden op de vraag naar de rechtvaardiging van het bestaan van het voorbehouden erfdeel.

In het beschrijvende onderdeel van deze masterscriptie zullen de fundamenten van het voorbehouden erfdeel van de kinderen in België, Nederland en Frankrijk, worden uiteengezet en vergeleken. Daarnaast wordt telkens een kritische analyse verricht van de huidige stand van zaken in de drie rechtsstelsels met betrekking tot het evenwicht tussen de rechten van het onterfde kind en de beschikkingsvrijheid van de erflater. Ook de mogelijke impact van de hervormingen op dit evenwicht wordt in de analyse betrokken. Het evaluatieve onderdeel bouwt dus voort op het beschrijvende onderdeel.

Ter afsluiting van deze masterscriptie wordt in het normatieve onderdeel onderzocht welke regeling het meest passend is voor de verhouding tussen de bescherming van het onterfde kind en de beschikkingsvrijheid van de erflater. Als inspiratie voor het vinden van een passend evenwicht zal de hedendaagse visie op het bestaan van het voorbehouden erfdeel worden geanalyseerd.
Meer lezen

GENDER DIVERSITY MEETS BDSM-SUBCULTURE: Experiencing and sharing kinks online: a FetLife reception study

Universiteit Gent
2026
Marie-Anne
Craenen
Leden uit subculturele BDSM-gemeenschappen groeperen zich in digitale ruimtes als de FetLife-website. De toenemende interesse in kink en BDSM is weerspiegeld in het aantal academische studies die het onderwerp vanuit verschillende invalshoeken benaderen, maar The Next Generation (TNG), namelijk jongere leden tussen 18 en 35 jaar, blijft onderbelicht. Het doel van deze studie was om de lived experiences van TNG binnen de online community te bestuderen via walkthroughs en semigestructureerde interviews, gecodeerd door middel van close reading en thematische analyse. Onderzoeksvragen betroffen gebruik van het platform, doel van gebruik, ervaringen rond veiligheid en betekenisgeving van intimiteit. De resultaten tonen aan dat FetLife fungeert als hybride omgeving waarin gebruikerservaringen vorm krijgen doormiddel van interactie tussen platformarchitectuur, waarden van de gemeenschap en bredere sociale structuren. Ervaringen verschillen volgens genderidentiteit, ervaringsniveau en positionering binnen de community. Doelstellingen convergeren rond informatieverwerving en betrokkenheid tot de gemeenschap, maar verschillen in bewustzijn over risico’s, waarbij vrouwen en non-binaire gebruikers namelijk voorzichtiger omgaan met het platform en beschermende strategieën hanteren. Tenslotte wordt intimiteit ervaren als gelaagd concept dat verder reikt dan louter seksualiteit.
Meer lezen

Lokale en cloud-AI in webontwikkeling: Ecologische impact, kosten en een beslissingskader voor duurzame integratie

HOGENT
2026
Alexandru-George
Poenaru
Drie taalmodellen werden zowel lokaal als in de cloud getest. Op basis van 6.241 aanvragen werden energieverbruik, geschatte CO₂-uitstoot, snelheid, kosten en inhoudelijke juistheid vergeleken. Een correctie op de cloudschattingen bracht ook het energieverbruik voor het lezen van lange documenten in rekening. Voor de onderzochte toepassing bleek de cloud naar schatting gemiddeld vijf keer energiezuiniger en bij het verwachte bedrijfsvolume financieel aantrekkelijker. Tegelijk toonden de tests dat correct gevormde antwoorden inhoudelijke fouten kunnen bevatten.

De resultaten zijn vertaald naar een praktische beslissingsboom die bedrijven helpt kiezen op basis van onder meer privacy, beschikbare apparatuur, gebruiksvolume, stroommix en antwoordkwaliteit.
Meer lezen

De (on)zin van het 'tussenjaar': een kwalitatieve studie naar de betekenis van het 'tussenjaar' in een zinzoekende samenleving

Universiteit Gent
2026
Oona-Lisa
DeSmet
In Vlaanderen kiezen steeds meer jongeren voor een ‘tussenjaar’, een jaar na het secundair onderwijs waarin zij noch verder studeren, noch toetreden tot de arbeidsmarkt. Deze keuze situeert zich binnen een maatschappelijke context waarin jongeren geacht worden hun levensloop zelfstandig vorm te geven en verantwoordelijkheid te nemen voor hun keuzes. Zingeving wordt daarbij steeds vaker voorgesteld als een individuele opdracht. Tegen deze
achtergrond wordt het tussenjaar in de literatuur beschreven als een betekenisvolle overgangsperiode die jongeren ondersteunt in hun zoektocht naar richting en zingeving. Dit staat in contrast met tegenstemmen die benadrukken dat deze betekenis niet los kan worden gezien van bredere maatschappelijke verwachtingen. Daarom wil dit onderzoek exploreren
welke betekenis jongeren zelf geven aan hun tussenjaar in het kader van hun zoektocht naar zingeving en hoe deze betekenis zich verhoudt tot maatschappelijke verwachtingen en verdere studiekeuzes. Aan de hand van vijftien semigestructureerde interviews werden de perspectieven bevraagd van jongeren die gedurende de afgelopen vijf jaar een tussenjaar hebben genomen. De thematische analyse belicht de betekenis van een tussenjaar in de vorm van zes spanningsvelden en toont hoe autonomie een centrale rol speelt in de ervaring van het tussenjaar. Concluderend benadrukt dit onderzoek dat, hoewel jongeren het tussenjaar benaderen vanuit een individuele focus, de betekenis ervan zich in essentie ontwikkelt in relatie tot anderen. Het tussenjaar maakt zo zichtbaar hoe zingeving verschuift van een individuele verantwoordelijkheid naar een relationele ervaring.
Meer lezen

DEATH LITERACY VANUIT HET HEDENDAAGSE JONGERENPERSPECTIEF Een kwalitatief onderzoek naar hoe religieuze en levensbeschouwelijke invloeden bijdragen aan de perceptie en omgang met sterfelijkheid bij jongvolwassenen in Vlaanderen en Brussel

Vrije Universiteit Brussel
2026
Mahdia
Bourouina
Deze masterproef onderzoekt hoe jongvolwassenen (18-30 jaar) hun Death Literacy ervaren en welke rol religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of de afwezigheid daarvan, hierin spelen. Er werden tien semigestructureerde interviews afgenomen met jongvolwassenen in Vlaanderen en Brussel, met een diverse levensbeschouwelijke achtergrond: praktiserende moslims, een praktiserende katholiek, een praktiserende boeddhist, niet-praktiserende moslims, atheïsten en agnosten.
Uit de resultaten blijkt dat persoonlijke verlieservaringen een centrale rol spelen in de ontwikkeling van Death literacy: wie een naaste verloor, beschikt over een uitgewerkter kader dan wie geen verlies meemaakte. Zowel moslim, katholieke als boeddhistische respondenten ervaren hun geloof als een krachtig houvast: het hiernamaals (islam en katholicisme) of wedergeboorte (boeddhisme), gebed of meditatie, en gemeenschappelijke rituelen bieden troost en structuur. Atheïstische en agnostische respondenten beschrijven zowel vrijheid als kwetsbaarheid; zij missen soms de gemeenschap en rituelen die religieuze jongeren als vanzelfsprekend ervaren.
De bevindingen benadrukken het belang van een levensbeschouwelijk sensitieve benadering in rouwbegeleiding. Voor de agogische praktijk betekent dit dat professionals oog moeten hebben voor diversiteit aan overtuigingen, én voor de betekenis van het ontbreken daarvan.
Meer lezen

THE EFFECTIVENESS OF THE TYP10 PROGRAM FOR FOURTH-GRADE CHILDREN WITH AND WITHOUT NEURODEVELOPMENTAL DISORDERS IN MAINSTREAM EDUCATION IN FLANDERS (BELGIUM)

Universiteit Gent
2026
Sara
Maes
  • Christel
    Callewaert
  • Delphine
    Bauwens
In deze longitudinale haalbaarheidsstudie volgden 35 leerlingen uit het vierde leerjaar een gestructureerd Typ10-programma. Hun typsnelheid en typnauwkeurigheid werden op vier momenten gemeten: vóór, tijdens en na de interventie, inclusief een follow-upmeting acht weken later.
De typsnelheid nam significant toe over de tijd (p < 0,001), met de grootste vooruitgang onmiddellijk na de lessen. Ook de typnauwkeurigheid verbeterde significant (p = 0,010), waarbij de vooruitgang geleidelijker verliep. Kinderen met (een vermoeden van) neurobiologische ontwikkelingsstoornissen (NDD) startten met een lagere typsnelheid, maar boekten eveneens duidelijke vooruitgang. Hun toename was wel significant kleiner dan bij kinderen zonder NDD (p = 0,043). Voor typnauwkeurigheid waren er geen significante verschillen tussen beide groepen.
Er werd een zwakke maar significante samenhang gevonden tussen typsnelheid en nauwkeurigheid (p < 0,001), wat erop wijst dat beide vaardigheden zich gedeeltelijk onafhankelijk van elkaar ontwikkelen. Hand schrijfvaardigheid en totale oefentijd hingen daarentegen niet significant samen met de typresultaten.
De leerlingen rapporteerden een positieve ervaring met Typ10, met een duidelijke ervaren vooruitgang en een hoge competentiebeleving. De resultaten tonen daarmee dat gestructureerd typonderwijs kan leiden tot aanzienlijke verbeteringen in typsnelheid en geleidelijke verbeteringen in nauwkeurigheid, zowel bij kinderen met als zonder (vermoeden van) NDD. Door de kleine steekproef moet deze studie worden beschouwd als een eerste haalbaarheidsstudie en vertrekpunt voor verder onderzoek met grotere onderzoekspopulaties.
Meer lezen

ASSESSMENT OF DIAGNOSTIC PROTOCOLS OF ACUTE-PHASE APHASIA IN RELATION TO SIGN LANGUAGES [BEOORDELING VAN DIAGNOSTISCHE PROTOCOLLEN VOOR ACUTE AFASIE IN RELATIE TOT GEBARENTALEN]

Vrije Universiteit Brussel
2026
Nina
Driesmans
Deze studie onderzoekt acute afasiediagnostiek binnen de context van
de Vlaamse Gebarentaal (VGT). Afasie, een verworven neurologische
taalstoornis, wordt voornamelijk onderzocht vanuit een westers, eentalig
en audiocentrisch perspectief. Omdat gebarentaligen de visueel-gestuele
modaliteit gebruiken, in tegenstelling tot de oraal-auditieve modaliteit
van gesproken talen, zijn huidige diagnostische instrumenten niet
aangepast aan hun noden. Een rapid review onderzocht de neurale
representatie van gebarentalen in relatie tot afasie. Resultaten uit 29
beeldvormingsstudies tonen aan dat gebarentalen een
linksgelateraliseerd perisylvisch netwerk activeren, vergelijkbaar met
gesproken talen, maar met modaliteitsspecifieke aanpassingen.
Daarnaast leidt schade aan de linkerhersenhelft systematisch tot
verstoring van fundamentele taalaspecten, terwijl schade aan de
rechterhersenhelft visuospatiële vaardigheden selectief beïnvloedt. Een
enquête onder 20 Vlaamse clinici toont aan dat diagnostiek gebaseerd is
op Nederlandstalige instrumenten en informele vertaalmethoden, met
beperkte aandacht voor VGT-gebruikers. Deze bevindingen
onderstrepen de noodzaak van gevalideerde diagnostische instrumenten
voor gebarentaligen, verbeterde training van clinici, en een meer
rechtvaardige gezondheidszorg.
Meer lezen

Cancer onset prediction by applying extreme value theory

Universiteit Gent
2026
Lisa
Slachmuylders
Colorectal cancer (CRC) is increasingly diagnosed at younger ages, with early-onset CRC (EO-CRC) rising despite declining incidence among older adults. These early diagnoses form the lower tail of the age-at-diagnosis distribution, where observations are sparse and may be difficult to predict accurately using models fitted to the full distribution. Extreme value theory (EVT) provides a framework for directly modelling this tail behaviour.

Using SEER data, a Weibull accelerated failure time (AFT) model fitted to the full distribution was compared with a generalized Pareto distribution (GPD) fitted to threshold exceedances below age 50. The Weibull systematically underestimated early-diagnosis quantiles by one to two years, whereas the GPD closely tracked empirical quantiles across the tail, supporting the use of EVT for direct modelling of the lower tail.

The GPD framework was then applied to the GECCO consortium to investigate whether genetic burden contributes to earlier diagnosis. Eleven genetic variants were forward-selected by AIC as covariates on the scale parameter, and were summarized into a genetic scale score. This score was used to compute theoretical endpoint and expected age at diagnosis across representative percentiles of its distribution. Genetic burden was associated with progressively earlier EO-CRC diagnosis: individuals in the 90th percentile of the genetic scale score had a theoretical endpoint age 8.8 years younger (95% CI: 6.6, 11.0) and an expected age 3.3 years younger (95% CI: 2.5, 4.4) than those in the 10th percentile.

Applied to an external test cohort, the model retained good calibration, and the genetic
scale score discriminated early-onset from late-onset CRC (AUC = 0.618, 95% CI: 0.549, 0.688). Separately, an interaction test confirmed that the genetic effect was specific to CRC cases rather than age in general.

These findings demonstrate that EVT offers a more accurate characterization of the lower tail of the CRC age-at-diagnosis distribution than conventional bulk models, and that genetic burden measurably alters the timing of diagnosis within the early-onset range, with potential relevance for personalized screening.
Meer lezen

“‘Oh, maar je komt van andere achtergrond.’ Dat maakt niet uit, mijn brein werkt even goed.” Factoren die de instroom van studenten met een migratieachtergrond in het hoger onderwijs in Vlaanderen beïnvloeden

Universiteit Gent
2026
Eef
Soete
Internationaal onderzoek naar de instroom in het hoger onderwijs beschouwt lage inschrijvingskosten, beperkte toelatingsexamens en alternatieve doorstroomroutes als belangrijke voorwaarden voor inclusie. Vlaanderen vormt daarom een opvallende casus: hoewel deze formele drempels er grotendeels ontbreken, stromen studenten met een migratieachtergrond relatief weinig door naar het hoger onderwijs. Deze masterproef onderzoekt welke minder zichtbare mechanismen deze paradox helpen verklaren. Daartoe werden 31 semigestructureerde interviews met studenten aan de Universiteit Gent geanalyseerd via reflectieve thematische analyse. De resultaten tonen hoe systeemkennis, sociale netwerken, ouderlijke betrokkenheid, financiële mogelijkheden, de secundaire schoolloopbaan en institutionele representatie de instroom vormgeven. Daarbij loopt een dunne scheidslijn tussen drempel en hulpbron: dezelfde factor kan studenten ondersteunen of hun instroom bemoeilijken, afhankelijk van de context en de andere hulpbronnen waarop zij kunnen terugvallen. De formele toegangspoort mag in Vlaanderen dan openstaan, de wegen ernaartoe zijn niet voor iedereen even begaanbaar.
Meer lezen

When prediction is not enough: multimodal causal discovery from ICU vasospasm data

Universiteit Gent
2026
Maico
Bruyneel
Cerebraal vasospasme na een aneurysmatische subarachnoïdale bloeding (aSAH) is moeilijk te bestuderen in routinematige intensievezorggegevens omdat het niet als één consistente variabele wordt geregistreerd. Bewijs kan voorkomen in diagnosecodes, ontslagbrieven, radiologieverslagen, behandelingsgegevens of monitoringpatronen, en deze bronnen beschrijven niet altijd hetzelfde klinische beeld. Deze thesis onderzoekt of zulke heterogene informatie kan worden gecombineerd tot een representatie op opnameniveau voor exploratieve causale ontdekking rond vasospasme.

Met behulp van MIMIC-IV werd een cohort van waarschijnlijke aSAH-opnames samengesteld door gestructureerde selectie van kandidaatopnames, gevolgd door extractie met een groot taalmodel uit ontslagbrieven en radiologieverslagen. Het uiteindelijke cohort bevatte 470 opnames. Gestructureerde EHR-variabelen werden gecombineerd met informatie die uit klinische verslagen was afgeleid over bewijs voor vasospasme, de ernst van de bloeding, hydrocefalie, behandeling van het aneurysma, de aanwezigheid van een externe ventrikeldrain en fysiologische toestanden. Een vergelijking tussen verschillende modaliteiten toonde aan dat vasospasme bij 13,8% van de opnames gecodeerd was, terwijl ontslagbrieven en radiologieverslagen aanwijzingen voor vasospasme gaven bij respectievelijk 48,3% en 52,6% van de beoordeelde opnames. Dit suggereert dat op LLM gebaseerde extractie uit klinische tekst bewijs voor vasospasme vollediger kon vastleggen dan ICD-codering alleen, terwijl de bronspecifieke verschillen tussen ontslagbrieven en radiologieverslagen behouden bleven.

Vervolgens werd causale ontdekking toegepast met PC-stable, FGES en FCIT over verschillende hyperparameterinstellingen en stabiliteitsanalyses. De meest terugkerende structuur verbond de hoeveelheid bloedstolsel, hydrocefalie, EVD, leukocytose, hyperglykemie en vasospasme. Opvallend was dat de hoeveelheid bloedstolsel niet naar voren kwam als een stabiele directe buur van vasospasme, ondanks het feit dat dit een van de sterkst bekende klinische risicofactoren is. In plaats daarvan verscheen het vooral als een stroomopwaarts signaal van ernst dat verbonden was met hydrocefalie, intensievere zorgtrajecten en latere inflammatoir-metabole ontregeling. Hyperglykemie was de meest consistente systemische buur van vasospasme binnen FGES en FCIT, terwijl leukocytose vaker via hyperglykemie verbonden was dan als een stabiele directe buur. Deze bevindingen suggereren een biologisch plausibele hypothese waarin leukocytose en hyperglykemie mogelijk directer verband houden met vasospasme, mogelijk als weerspiegeling van inflammatoire en metabole stress die de kwetsbaarheid van bloedvaten zou kunnen vergroten.

Over het geheel genomen suggereren de resultaten dat multimodale causale ontdekking administratieve, tekstuele, fysiologische en zorgprocesgerelateerde signalen rond vasospasme explicieter kan maken en nuttige hypotheses kan opleveren voor gerichte vervolgstudies.
Meer lezen

Langlezend!

Hogeschool PXL
2026
Nina
Reumers
Binnen deze bachelorproef werd onderzocht hoe bibliotheken en scholen sterker kunnen
samenwerken rond leesbevordering binnen de eerste graad A-stroom. Aan de hand van
literatuuronderzoek, interviews met bibliotheken en leerkrachten, analyses van leerplannen
en methodes en overlegmomenten binnen het project Langlezend! werd nagegaan welke
noden er vandaag bestaan rond leesmotivatie en leesbevordering binnen de
onderwijspraktijk.

Uit het onderzoek bleek dat veel leerkrachten nood hebben aan overzichtelijke, betrouwbare en direct bruikbare materialen rond lezen en literatuur. Tegelijk organiseren bibliotheken al heel wat sterke initiatieven, maar vinden deze niet altijd hun weg naar de klaspraktijk, of proberen ze veel dezelfde dingen uit in hun regio en zouden ook zij graag inspiratie opdoen.

Vanuit deze vaststellingen werd in samenwerking met smartICT een databank ontwikkeld waarin leesbevorderend materiaal, bibliotheekinitiatieven en lesideeën centraal verzameld worden. Deze databank zal in september 2026 officieel gelanceerd worden.

Daarnaast werd ook gewerkt rond een samenleesapp die in de toekomst gelanceerd zal
worden. Op basis van deze app werd een interactieve lessenreeks ontwikkeld waarin leerlingen samen lezen, reageren op teksten en deelnemen aan digitale leesgroepen. De lessenreeks werd geïntegreerd binnen de databank als voorbeeld van innovatief leesbevorderend materiaal.

Deze bachelorproef toont aan hoe belangrijk de ondersteuning van leerkrachten is binnen leesbevordering en hoe scholen en bibliotheken elkaar hierin kunnen versterken.
Meer lezen

Teddy’s Little Helper. Three Years of (Moderately) Controlled Chaos

Hogeschool PXL
2026
Ekaterina
Chistyakova
Deze scriptie onderzoekt hoe neurodivergentie en artistieke praktijk elkaar kunnen beïnvloeden aan de hand van een samenwerking tussen twee kunstenaars met verschillende manieren van denken, communiceren en werken. Het onderzoek resulteerde in twee met elkaar verbonden graphic novels. De eerste, Ted: 36 years on the move, brengt de 36-jarige artistieke praktijk van sieraadkunstenaar Ted Noten in beeld aan de hand van verhalen, anekdotes, archiefmateriaal en tekeningen. De tweede, Teddy’s Little Helper. Three Years of (Moderately) Controlled Chaos, reflecteert op het proces achter dit boek en onderzoekt hoe taal, tekenen, communicatie en verschillende manieren van informatie verwerken het artistieke samenwerkingsproces beïnvloeden. Tekenen wordt hierbij niet enkel als illustratiemiddel ingezet, maar als een manier van denken, onderzoeken, structureren en communiceren.
Meer lezen

The Effect of Intralingual Subtitles on Incidental Vocabulary Acquisition in A1-A2 Learners of Spanish as a Foreign Language for Specific Purposes

Universiteit Antwerpen
2026
Elisa
Mames Antuna
Deze scriptie onderzoekt het effect van Spaanse ondertitels op het leren van nieuwe woordenschat bij beginnende studenten Spaans voor Bedrijf en Economie. Aan de hand van een experiment met 172 studenten wordt nagegaan of video’s met Spaanse ondertitels bijdragen aan de verwerving van nieuwe woordenschat. Daarnaast wordt gekeken naar de invloed van tekstbegrip, voorkennis van het Spaans en kennis van andere talen op het leerproces.
Meer lezen

DE KRACHT VAN HET N-WOORD Van scheldwoord tot identiteitsmarker?

Universiteit Gent
2026
Maria
Nkanu Nkanu
Deze masterproef onderzoekt hoe zwarte Nederlanders het N-woord ervaren en welke betekenis zij eraan geven. Uit 22 interviews blijkt dat het woord sterk verbonden blijft met racisme en geschiedenis, maar dat de betekenis ook afhangt van persoonlijke ervaringen, context en wie het woord gebruikt. Het onderzoek toont vooral dat er geen eenduidige ‘zwarte’ visie op het N-woord bestaat.
Meer lezen

Ethiek in de Vlaamse schoolboeken filosofie

KU Leuven
2026
Tomas
Bruyland
Deze masterproef stelt de vraag hoe ethiek benaderd wordt in de Vlaamse schoolboeken filosofie voor de derde graad. Om deze vraag te beantwoorden ontwikkelen we een eigen methodologie. Voor de inhoudelijke analyse wordt uit de meta-ethiek een schema afgeleid. Het analsyeschema voor de vaardigheden wordt opgebouwd vanuit het onderscheid tussen filosofisch-ethische vorming en morele vorming. Deze tweeledige methodologie wordt eerst toegepast op de minimumdoelen en vervolgens op de drie schoolboeken: Filosofie, Agora en Antropia.
De analyse toont een grote verscheidenheid in aanpak bij de drie schoolboeken, maar laat ook een aantal terugkerende zaken zien. Wat meta-ethiek is, wordt niet geëxpliciteerd waardoor ethiek en meta-ethiek niet onderscheiden (kunnen) worden. Ook de meta-ethische positie van de ethische inhoud wordt niet geëxpliciteerd. Morele oordelen komen aan bod zonder dat hun statuut als overtuiging, emotie of feitelijke uitspraak wordt geëxpliciteerd. Hierdoor ontstaat de indruk dat leerlingen verschillende impliciete opvattingen over ethiek aangereikt krijgen, zonder dat deze geëxpliciteerd of bevraagd kunnen worden.
Daarenboven stellen we vast dat de grens tussen filosofisch-ethische vorming en morele vorming vervaagt. In de drie schoolboeken worden leerlingen aangezet tot moreel oordelen en soms zelfs tot moreel handelen, maar deze opdrachten worden in de handleidingen niet expliciet geduid als morele vorming. Hierdoor ontstaat onduidelijkheid over het doel en de aanpak van de opdrachten, wat problematisch is voor leerkracht én leerling. De nadruk van de minimumdoelen op filosofisch-ethische vorming met focus op reflecterend denken wordt niet altijd zuiver nagestreefd in de schoolboeken. Het reflecterend denken wordt regelmatig vermengd met morele vorming.
Inhoudelijk analyseren we de gekozen aanpak als veelal te weinig zuiver descriptief en vaak impliciet normatief. Zowel uit de selectie en ordening van ethische theorieën als uit de concrete uitwerking van voorbeelden en opdrachten menen we bepaalde impliciete visies op ethiek te kunnen afleiden. Omdat deze visies niet expliciet worden verantwoord, zijn er geen mogelijkheden om deze filosofisch ter discussie te stellen.
In de aanpak van de vaardigheden stellen we vast dat de drie schoolboeken in meer of mindere mate inzetten op dialogisch spreken. Dit sluit aan bij de doelstelling van filosofieonderwijs om ruimte te scheppen voor zelfstandig denken. Tegelijk blijkt dat de gekozen werkvormen niet altijd voldoende didactisch worden ondersteund, in het bijzonder wat betreft het filosofisch reflecteren. Het blijft vaak onduidelijk wat onder reflectie precies wordt verstaan en hoe deze vaardigheid systematisch kan worden opgebouwd.
Samenvattend kunnen we concluderen dat ethiekonderwijs in de Vlaamse schoolboeken filosofie meer nood heeft aan explicitering van zowel het statuut van morele uitspraken, de gehanteerde meta-ethische uitgangspunten alsook de doelstellingen van de werkvormen. Een betere explicitering kan bijdragen tot ethiekonderwijs waarin leerlingen meer ruimte krijgen om zelf te reflecteren over wat het betekent om over morele oordelen na te denken.
Meer lezen

Gepersonaliseerde cognitieve controletraining ter preventie van depressieherval: een single-case experimentele studie

Universiteit Gent
2026
Caro
Bruynen
Herval na een depressieve episode vormt nog steeds een belangrijk klinisch knelpunt,
hoewel behandelingen in de acute fase doorgaans doeltreffend zijn. Een mogelijke interventie om dit te voorkomen is cognitieve controletraining (CCT), gericht op onderliggende cognitieve kwetsbaarheden. Binnen dit domein wordt de adaptieve Paced Auditory Serial Addition Task (aPASAT) beschouwd als een van de meest veelbelovende en veelbestudeerde varianten. Deze studie onderzocht hoe depressieve symptomen zich doorheen de tijd ontwikkelen bij personen met depressie in remissie, en welke rol aPASAT hierin kan spelen. Zes participanten werden opgevolgd via een single-case experimenteel design met een multiple-baseline-opzet, waarbij de
duur van de baselinefase (twee, drie of vier weken) varieerde tussen groepen om toeval en tijdseffecten uit te sluiten. Gedurende drie fasen (baseline, interventie, monitoring) werden symptomen dagelijks gemeten via een visuele analoge schaal (VAS) 0-100. De resultaten tonen een heterogeen en overwegend bescheiden responspatroon. Slechts bij een deel van de participanten werd een significante symptoomdaling vastgesteld, terwijl bij anderen geen effect of zelfs een tijdelijke toename optrad. Bij een deel van de participanten trad de symptoomverbetering pas op tijdens de monitoringfase, wat wijst op een mogelijk vertraagde werkzaamheid van CCT. Symptomen daalden niet geleidelijk, maar bleven eerder stabiel binnen elke fase. De ernst van de klachten bij aanvang leek modererend. Participanten met hogere beginscores vertoonden eerder een merkbaar effect. Toekomstig onderzoek met grotere, meer diverse steekproeven is nodig om na te gaan hoe individuele kenmerken het effect van CCT modereren, hoe de behandeling hierop afgestemd kan worden, en wanneer en hoe lang behandeleffecten optreden. Daarnaast verdient de verkenning van aanvullende of alternatieve interventies verdere aandacht om herval bij depressie effectiever te voorkomen.
Meer lezen

Onzichtbare helden zichtbaar maken

Arteveldehogeschool Gent
2026
Fien
Vervaet
  • Uma
    Claeys
  • Helin
    Can
  • Julia
    Delmeire
  • Xander
    De Maesschalck
  • Marit
    Degrendel
  • Mirte
    Van Steenkiste
Jonge mantelzorgers nemen thuis zorgtaken op die voor hun omgeving vaak onzichtbaar blijven. Deze bachelorproef onderzoekt hoe jongeren tussen 12 en 18 jaar die opgroeien met een ouder met psychische problemen of een afhankelijkheidsproblematiek beter ondersteund kunnen worden op lokaal niveau. De praktijkvraag werd aangebracht door Stad Gent.

Via een literatuurstudie, interviews met professionals en jonge mantelzorgers, een groepsgesprek en een enquête brachten we hun ervaringen en noden in kaart. Erkenning, begrip, ruimte om jong te zijn en laagdrempelige ondersteuning kwamen daarbij naar voren. Veel jongeren ervaren hun zorgtaken als vanzelfsprekend en herkennen zichzelf niet als mantelzorger. Contact met lotgenoten kan hen helpen om zich minder alleen te voelen.

Op basis van deze inzichten ontwikkelden we het concept ‘Onzichtbare helden zichtbaar maken’: een interactieve tentoonstelling met foto’s, getuigenissen, een kortfilm, creatieve workshops en een muur waarop bezoekers ervaringen kunnen delen. Het concept wil jonge mantelzorg zichtbaar en bespreekbaar maken en jongeren de weg naar ondersteuning tonen. Daarnaast formuleren we aanbevelingen voor een mobiele tentoonstelling en een toolbox waarmee scholen jonge mantelzorgers beter kunnen herkennen en begeleiden.
Meer lezen

Sterren komen, Sterren gaan

Universiteit Antwerpen
2026
Helena
Remans
Deze masterscriptie onderzoekt hoe de taal van het rouwen tot uiting komt en wordt begrepen in online herdenkingsberichten op sociale media na het overlijden van publieke figuren. Op basis van onderzoek naar digitaal rouwen, parasociale relaties en publieke emoties op sociale media benadert deze studie rouwen als een communicatief, cultureel en normatief proces dat plaatsvindt in openbare, gemedieerde omgevingen. Hoewel de bestaande literatuur aanzienlijke aandacht besteedt aan online uitingen van verdriet, blijft het minder duidelijk hoe dergelijke uitingen worden ontvangen, gevalideerd of betwist in openbare digitale contexten.
Om deze leemte te onderzoeken, maakt deze studie gebruik van een kwalitatieve, multimodale en vergelijkende casestudiebenadering. Concreet werden 1.200 reacties geanalyseerd op Facebook- en Instagram-berichten met betrekking tot het overlijden van Matthew Perry en Charlie Kirk. De analyse richtte zich op zes dimensies: uitingen van verdriet, verhalen en betekenisvorming, parasociale articulatie, reacties op betekenis, normativiteit en legitimiteit, en platformlogica.
De resultaten tonen aan dat digitaal rouwen in hoge mate gestandaardiseerd en multimodaal is, maar toch afhankelijk blijft van de culturele positie van de overledene. In het geval van Matthew Perry domineren affectieve, nostalgische en verbindende reacties, terwijl reacties op Charlie Kirk meer gepolariseerd, ideologisch geladen en normatief omstreden zijn. Bovendien lijkt het erop dat Facebook vaker narratieve diepgang mogelijk maakt, terwijl Instagram meer beknopte en visuele uitingen aanmoedigt. Dit onderzoek toont dus aan dat digitaal rouwen niet louter een uitdrukking van verlies is, maar ook een publieke praktijk waarin voortdurend wordt
onderhandeld over emoties, betekenissen en sociale normen.
Meer lezen

Behaviour of the invasive lionfish Pterois miles in the Aegean Sea

HOGENT
2026
Wout
Vandenberghe
Onderzoek van het gedrag en de activiteit van de invasieve Indische koraalduivel Pterois miles in de Egeïsche Zee, meer specifiek rond het Griekse eiland Samos.
Meer lezen

Een robot die leert luisteren

Universiteit Gent
2026
Gaëlle
Snoeckx
Eenzaamheid bij ouderen is een groeiend gezondheidsprobleem, en sociale robots kunnen een aanvulling zijn op menselijk contact. Robots met een taalmodel praten vlot, maar luisteren slecht. Deze scriptie laat een tweede taalmodel meeluisteren dat de robot in realtime bijstuurt. In een test met zestien deelnemers en de robot Pepper werd de robot proactiever en reageerde hij in stressvolle gesprekken beter op emoties.
Meer lezen

ERVARINGEN VAN OUDERS VAN JONGE KINDEREN (3 T.E.M. 6 JAAR) MET EEN AANGEBOREN IMMUUNSTOORNIS: EEN KWALITATIEVE EXPLORATIEVE STUDIE

Universiteit Gent
2026
Lobke
Bonte
Achtergrond: Een aangeboren immuunstoornis (inborn error of immunity, IEI) beïnvloedt niet alleen de gezondheid van het kind, maar ook het dagelijks functioneren van ouders en de gezinsdynamiek. Over de ervaringen van ouders van jonge kinderen met IEI is nog weinig bekend.

Doel: inzicht verwerven in hoe ouders het leven ervaren met een kind van 2 tot 6 jaar oud met IEI.

Methode: In een tertiair universitair centrum in Vlaanderen werd een kwalitatief exploratief onderzoek uitgevoerd. Zeven moeders namen deel aan semigestructureerde diepte-interviews. De gegevens werden primair inductief geanalyseerd met reflexieve thematische analyse, met aandacht voor expliciete en onderliggende betekenissen.

Resultaten: De analyse resulteerde in vijf onderling verbonden thema’s. ‘Voortdurende waakzaamheid’ beschrijft hoe moeders alert blijven op ziektesignalen en ervaringskennis opdoen. ‘De onzichtbare prijs van voortdurende waakzaamheid’ omvat de lichamelijke, mentale, professionele, financiële en sociale gevolgen van de zorg. ‘Een moeizaam traject naar erkenning en ondersteuning’ toont de zoektocht naar een diagnose, erkenning en passende ondersteuning. ‘Het gezin en de omgeving in beweging’ beschrijft verschuivingen in partnerrelaties, aandacht voor broers en zussen, gezinskeuzes en het familienetwerk. ‘Verlies en groei naast elkaar’ laat zien hoe verlies, trots, veerkracht en betekenisgeving samen kunnen komen.

Conclusie: Leven met een jong kind met IEI werd door zeven moeders van kinderen van 3 tot 6 jaar ervaren als een aanhoudende mentale waakzaamheid die verschillende levensdomeinen en het gezin beïnvloedt. De bevindingen onderstrepen het belang van gezinsgerichte zorg die naast medische noden ook aandacht heeft voor de vaak onzichtbare cognitieve en emotionele belasting van ouders.
Meer lezen

Ontwikkeling van een informatieve brochure voor ouder(s) en kind bij pediatrische hartkatheterisatie

Hogeschool VIVES
2026
Britney
Soenen
Ouders van kinderen die een hartkatheterisatie ondergaan, blijven vaak met onzekerheden zitten, zelfs wanneer zorgverleners de nodige uitleg hebben gegeven. Tijdens mijn stage op de Pediatrische Intensive Care Unit van het UZ Gent merkte ik dat angst, informatie-overload en een gebrek aan afstemming tussen diensten ervoor zorgen dat ouders dezelfde vragen blijven stellen. Wetenschappelijke literatuur bevestigt dat mondelinge uitleg alleen onvoldoende is en dat schriftelijke informatie angst vermindert en het begrip versterkt. Daarom ontwikkelde ik een nieuwe, toegankelijke brochure met eenvoudige taal, kindvriendelijke illustraties en duidelijke antwoorden op veelgestelde vragen. Dit kleine document biedt ouders houvast, ondersteunt consistente communicatie tussen zorgverleners en draagt bij aan warmere, gezinsgerichte zorg.
Meer lezen

Wandelend door de bewaakte stad. Tussen beleid en beleving: folk theories over CCTV-surveillance in Hasselt

KU Leuven
2026
Benthe
Peeters
Deze masterproef onderzoekt hoe burgers betekenis geven aan CCTV-surveillance in de publieke ruimte en hoe hun percepties zich verhouden tot de institutionele werking van cameratoezicht in Hasselt. Vertrekkend vanuit het concept van folk theories analyseert dit onderzoek hoe burgers intuïtieve verklaringen ontwikkelen over wie surveilleert (bron), waarom camera’s worden geplaatst (doel), hoe het systeem technisch werkt (mechanisme) en welke rol de locatie van camera’s speelt (plaats). Methodologisch hanteerde dit onderzoek tien data walks met 22 deelnemers, aangevuld met expertinterviews, een observatiebezoek en een analyse van webpagina’s van Stad Hasselt en Politie Limburg Regio Hoofdstad.

De resultaten tonen een discrepantie tussen het officiële luik en burgerpercepties. Terwijl lokale autoriteiten cameratoezicht beschrijven als een juridisch gereguleerd, grotendeels retroactief en doelgebonden systeem, ervaren burgers het cameranetwerk vaak als een ondoorzichtig systeem waarvan de werking onduidelijk blijft. Onvolledige informatie wordt aangevuld met folk theories, waarbij vooral onzekerheid bestaat over live monitoring, bewaartermijnen, datakoppeling, AI en gezichtsherkenning. Dit onderzoek identificeert plaats als een tot nu toe onderbelichte dimensie: dezelfde camera kan anders worden geïnterpreteerd afhankelijk van de locatie. Burgers hanteren verschillende copingstrategieën, van relativering en onverschilligheid tot actief vragen stellen of begrip tonen voor het officiële perspectief. Sociale identiteit en smart-citytoepassingen kleuren de betekenisgeving verder, onder meer via zorgen over sociale sortering, function creep en AI-bias.

Deze studie toont aan dat CCTV niet louter een technisch veiligheidsinstrument is, maar een sociotechnische assemblage waarin camera’s, signalisatie, regelgeving, locatie en communicatie samen betekenis produceren. De bevindingen onderstrepen het belang van transparantere
communicatie over cameratoezicht, zodat burgers beter geïnformeerd kunnen deelnemen aan het democratisch debat over surveillance in de publieke ruimte.
Meer lezen

The Mind of the UNHCR

KU Leuven
2026
Phebe
Vantomme
De Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor Vluchtelingen (UNHCR) wordt alom erkend voor zijn humanitaire rol, maar fungeert tevens als wereldwijde architect van het mondiale landschap van ontheemding. Deze thesis herpositioneert de organisatie als een centrale architecturale speler door te analyseren hoe haar interne richtlijnen en standaardcriteria, vastgelegd in een technisch handboek, fungeren als blauwdrukken voor vluchtelingenkampen wereldwijd. De digitalisering van dit handboek in 2015 markeerde een cruciaal keerpunt, waardoor het handboek veranderde van een handleiding in een dominant ruimtelijk instrument dat een proces van universalisering oplegt.

Het onderzoek is gestructureerd rond twee belangrijke analytische perspectieven: (1) Technisch perspectief: allereerst verdiepen we ons in ‘de gedachtegang van de UNHCR’ door bestaande literatuur en peer-reviewed artikelen te bestuderen, om zo de focus te verleggen van humanitaire hulp naar ruimtelijk ontwerp. Door deze academische inzichten te combineren met een grondige analyse van het digitale Emergency Handbook (2015) van de UNHCR, identificeren we de drie belangrijkste pijlers – tent, de context rondom de tent en het beheer – die samen het ‘ideale model’ van de organisatie vormen. Dit perspectief definieert het kader dat de organisatie wereldwijd als een ‘standaardscript’ zal implementeren. (2) Implementatieperspectief: dit ‘ideale model’ wordt geëvalueerd aan de hand van drie diepgaande wereldwijde casestudies: Griekenland (Europa), Kenia (Afrika) en Bangladesh (Azië). Aan de hand van een vergelijkende matrix onderzoeken we of dit ‘ideale model’ in al deze verschillende contexten consequent wordt toegepast. Hoewel het proces van universalisering impliceert dat het ruimtelijke resultaat in elke context identiek zou moeten zijn, brengt dit perspectief juist de specifieke situaties aan het licht waarin dit niet het geval is. Door ons te richten op deze inconsistenties, analyseren we de spanning tussen de universele normen van de UNHCR en de lokale realiteit.

Op deze manier wil deze thesis aantonen dat de regels en standaardmaten van de UNHCR geen neutrale technische vereisten zijn, maar invloedrijke ruimtelijke instrumenten. Inzicht in deze normen illustreert hoe de fysieke inrichting van vluchtelingenkampen zowel de beleving als de fysieke realiteit van een permanent systeem van tijdelijk wonen vormgeeft.
Meer lezen

Generatieve AI in het programmeeronderwijs: Kansen, uitdagingen en de stand van zaken in Vlaanderen

Universiteit Gent
2026
Maxime
Debosschere
Generatieve artificiële intelligentie heeft zich op korte tijd stevig verankerd in softwareontwikkeling en beïnvloedt ook steeds vaker het programmeeronderwijs. Deze masterpraktijkproef onderzoekt de implicaties hiervan voor het leren en onderwijzen van programmeren en de wijze waarop lesgevers hiermee omgaan in hun onderwijspraktijk.

Het eerste luik bestaat uit een literatuurstudie over de invloed van generatieve AI op het aanleren van programmeervaardigheden en over didactische strategieën die hierbij kunnen worden ingezet. De literatuur beschrijft kansen op het vlak van ondersteuning, evaluatie, differentiatie en motivatie. Tegelijk worden uitdagingen aangehaald op het vlak van academische integriteit, afhankelijkheid en bias.

Het tweede luik omvat een vragenlijstonderzoek bij programmeerlesgevers in Vlaanderen (N = 37), met aandacht voor hun gebruik, ervaringen en opvattingen met betrekking tot generatieve AI. De resultaten wijzen erop dat generatieve AI inmiddels zowel bij lesgevers als bij lerenden een vaste plaats heeft verworven. De visies op het gebruik ervan lopen echter sterk uiteen: sommige lesgevers benadrukken het belang van een stevige programmeerbasis en kiezen voor een restrictieve aanpak, terwijl anderen generatieve AI beschouwen als een onmisbaar onderdeel van hedendaags programmeren en deze bewust integreren in hun onderwijspraktijk. Respondenten benadrukken daarnaast het groeiende belang van vaardigheden zoals probleemanalyse, het kritisch beoordelen en debuggen van code en het doordacht aanwenden van AI-hulpmiddelen.

Deze studie concludeert dat generatieve AI het programmeeronderwijs niet overbodig maakt, maar wel vraagt om een heroriëntatie van leerdoelen, didactiek en evaluatie.
Meer lezen

Voor als ik het even niet meer weet

LUCA School of Arts
2026
Timo
Schmeits
Hij weet niet altijd wie hij is of waar zijn plek is in de wereld. Daarom schrijft en tekent hij. Door kleine, absurde dingen serieus te nemen, ontstaan verhalen die me helpen om grote vragen te onderzoeken. Zijn scriptie heeft niet alle antwoorden, maar helpen hem zijn vergaarde wijsheid te onthouden.
Timo vergeet snel. Gelukkig maar dat het allemaal op papier staat. Voor als hij het even niet meer weet.
Meer lezen

Hey Alexa, help mij leren!

Universiteit Hasselt
2026
Liese
Dewyngaert
Diversiteit wint steeds meer aan belang. Om hierop in te spelen, moeten leerkrachten inzetten op inclusief onderwijs. Tegelijkertijd moet het onderwijs meegaan in een steeds ontwikkelende digitale wereld met AI en virtuele spraakassistenten (VSA’s). Deze technologieën bieden veel potentieel, maar er ontbreekt empirisch onderzoek naar de meerwaarde ervan in het basisonderwijs. Deze masterproef onderzoekt in welke mate de inzet van een VSA voor verlengde instructie bijdraagt aan inclusie en welke vaardigheden de leerlingen nodig hebben om deze technologie te gebruiken. Om dit te beantwoorden, werd een mixed-method quasi-experimentele interventiestudie uitgevoerd bij 30 leerlingen uit het basisonderwijs. Een VSA bood een verlengde instructie binnen de vakdiscipline wiskunde aan. De dataverzameling gebeurde via logboeken, vragenlijsten en transcripties van de gesprekken. De kwantitatieve gegevens werden beschrijvend geanalyseerd en de kwalitatieve gegevens werden verwerkt via een thematische analyse. De resultaten tonen aan dat een VSA een waardevolle ondersteuning kan zijn tijdens een inclusieve verlengde instructie. De extra uitleg werd door de leerlingen als ondersteunend ervaren en stimuleerde actieve participatie en actief denken, wat bijdroeg aan een beter leerstofbegrip. De effectiviteit blijft wel afhankelijk van een doordachte inzet en de kwaliteit van de interactie. Omdat de VSA regelmatig fouten maakte, blijken kritisch denken en andere hogere-orde-denkvaardigheden essentieel. Vooral oudere leerlingen konden deze fouten beter zelfstandig herkennen. Leerlingen hebben daarom aanvankelijk ondersteuning nodig om de VSA doelgericht en kritisch te leren gebruiken.
Meer lezen