Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Het onzichtbare gemis in spoedzorg

Thomas More Hogeschool
2026
Lauren
Claes
  • Caress
    Bruyndonckx
Deze bachelorproef onderzoekt welke factoren de patiënttevredenheid op de spoedgevallendienst beïnvloeden, met bijzondere aandacht voor wachttijden, overbevolking en communicatie. Daarnaast wordt nagegaan welke interventies de tevredenheid van patiënten kunnen verbeteren.

Uit de literatuur blijkt dat overbevolking op spoeddiensten wereldwijd een toenemend probleem vormt. Lange wachttijden leiden niet alleen tot frustratie en stress bij patiënten, maar verhogen ook de kans dat patiënten vertrekken zonder gezien te worden. Daarnaast zorgen personeelstekorten, beperkte beddencapaciteit en een hoge instroom van niet-dringende patiënten voor extra druk op de spoedgevallendienst.

De studie toont aan dat patiënttevredenheid niet uitsluitend afhangt van de objectieve wachttijd, maar vooral van de manier waarop patiënten deze wachttijd ervaren. Onvoldoende communicatie over wachttijden, triage en zorgprocessen zorgt voor onzekerheid, wantrouwen en een negatieve zorgervaring. Daartegenover staan duidelijke uitleg, empathische communicatie en persoonsgerichte zorg, die de tevredenheid aanzienlijk kunnen verhogen, zelfs wanneer de wachttijd zelf niet korter wordt. Verpleegkundigen spelen hierin een cruciale rol door patiënten te begeleiden, verwachtingen te managen en ondersteuning te bieden tijdens het wachten.

Binnen de bachelorproef werden verschillende interventies onderzocht. Effectieve maatregelen zijn onder andere duidelijke wachtrijsystemen, visuele informatie over wachttijden, informatieve video’s, verbeterde wachtomgevingen en extra aanspreekpunten voor patiënten. Ook technologische toepassingen, zoals zelfmeetkiosken en digitale dashboards, kunnen bijdragen aan een betere doorstroming en meer transparantie. Daarnaast benadrukt de studie het belang van een sterkere eerstelijnszorg om de druk op spoeddiensten te verminderen.

Op basis van de onderzoeksresultaten ontwikkelden wij het prototype “MyTurn”, een digitale applicatie voor patiënten op de spoedgevallendienst. Via deze app krijgen patiënten realtime informatie over wachttijden, uitleg over triage en inzicht in de actuele drukte op de dienst. De applicatie bevat daarnaast een digitale vragenlijst volgens de AMPLE-structuur om relevante gezondheidsinformatie vooraf te verzamelen. Het doel van MyTurn is niet om wachttijden effectief te verkorten, maar wel om frustratie, onzekerheid en stress te verminderen door transparante communicatie en betere betrokkenheid van de patiënt.

De conclusie van de bachelorproef is dat patiënttevredenheid op de spoedgevallendienst vooral bepaald wordt door de beleving van de patiënt. Heldere communicatie, empathische begeleiding en een persoonsgerichte aanpak blijken essentieel om de negatieve impact van wachttijden en drukte te beperken. Verpleegkundigen vormen hierbij een centrale schakel binnen kwaliteitsvolle en patiëntgerichte spoedzorg.
Meer lezen

Van inzicht naar actie.

Thomas More Hogeschool
2026
Luci
Mioc
  • Stien
    Ceulemans
Therapieontrouw bij medicatie komt vaak voor, maar de onderliggende oorzaken blijven in de dagelijkse zorgpraktijk dikwijls onopgemerkt. Deze bachelorproef onderzoekt hoe zorgverleners therapieontrouw beter kunnen herkennen, de oorzaak ervan kunnen achterhalen en gerichte interventies kunnen inzetten.

Op basis van wetenschappelijke literatuur werden praktische hulpmiddelen ontwikkeld die zorgverleners ondersteunen in dit proces. De oplossing bestaat uit een digitale applicatie, de Therapietrouw Assistent Tool (TAT), aangevuld met praktische steekkaarten . Deze hulpmiddelen helpen zorgverleners om signalen van therapieontrouw systematisch te analyseren en evidence-based interventies toe te passen.

Met deze bachelorproef wordt de brug geslagen tussen wetenschappelijke inzichten en de dagelijkse praktijk. Het doel is de therapietrouw, de kwaliteit van zorg en leven en de patiëntgerichte begeleiding te verbeteren. Want therapieontrouw is geen falen van de patiënt of bewoner, maar een signaal naar de zorgverleners om beter te ondersteunen!
Meer lezen

FROM SPATIAL ECOLOGY TO ECOSYSTEM IMPACT: LARGE GRAZERS IN HEATH AND DUNE LANDSCAPES LINKING MOVEMENT BEHAVIOUR, HABITAT SELECTION, AND VEGETATION DYNAMICS IN THE WESTHOEK AND KALMTHOUTSE HEIDE

Universiteit Gent
2026
Jobbe
Vermandere
Het inzetten van vrij rondlopende grote herbivoren vormt een hoeksteen van het natuurbeheer in Europa. De bedoeling is om via extensieve begrazing natuurlijke processen te herstellen, zoals het tegenhouden van snelle vegetatiesuccessie en het in stand houden van de structurele diversiteit van open landschappen. Hierdoor wordt dit type beheer ook wel procesbeheer genoemd. In voedselarme ecosystemen, zoals kustduinen en laaglandheiden, heeft de wijdverspreide stikstofdepositie en het wegvallen van historische verstoringen geleid tot een snelle structurele achteruitgang. Dit uit zich voornamelijk in de vestiging van sterk competitieve grassen en kruidachtigen (vergrassing of verruiging) en de vestiging van dicht struikgewas (verstruweling),
waardoor gespecialiseerde pioniersoorten worden verdrongen en de biodiversiteit afneemt. Hoewel begrazing voor natuurbeheer op grote schaal wordt ingezet om deze bedreigingen te verminderen, blijven de precieze ruimtelijke mechanismen waarmee deze dieren habitat selecteren en interageren met fysieke infrastructuur complex en contextgebonden. Deze studie evalueerde de ruimtelijke ecologie en het vermogen tot ecosysteembeïnvloeding van grote herbivoren in twee structureel verschillende landschappen: de kustduinen van de Westhoek (begraasd door een gemengde groep paardachtigen bestaande uit Konikpaarden en Shetlandpony’s en een kudde Schotse hooglanders) en de laaglandheide van de Kalmthoutse Heide (begraasd door een kudde Galloway-runderen). Om de kloof tussen de bewegingen van individuele dieren en successieveranderingen op landschapsschaal te overbruggen, maakte dit onderzoek gebruik van een meerledig
methodologisch kader dat was onderverdeeld in drie afzonderlijke werkpakketten (WP). Ten eerste
werd Continuous-Time Movement Modelling (ctmm) toegepast op GPS-telemetriegegevens om
het gebruik van ruimte met grensbeperkingen en ruimtelijke verzadiging in kaart te brengen (WP1).
Deze benadering corrigeerde wiskundig voor inherente temporele autocorrelatie en maakte gebruik
van Degrees of Freedom (DOF)-filtering om robuuste Autocorrelated Kernel Density Estimates
(AKDE) te extraheren. Ten tweede werden geïntegreerde Resource Selection Functions (iRSF)
ingezet om de habitatkeuze op kleine schaal en de onderliggende milieubeperkingen te evalueren
(WP2). De iRSF-modellen gebruikten specifiek het AKDE-gebied van elk dier als
beschikbaarheidsbasis, waardoor de habitatkeuze strikt werd geëvalueerd ten opzichte van het
toegankelijke landschap, terwijl tegelijkertijd rekening werd gehouden met continue variabelen
zoals topografie, afstand tot water en afstand tot antropogene infrastructuur (paden en hekken).
Ten slotte werden vegetatiehoogtekaarten met hoge resolutie uit 2020 en 2025 in de Westhoek
geanalyseerd om dit ruimtelijk gedrag te koppelen aan structurele landschapsveranderingen
(WP3). Door ruimtelijke pixels te categoriseren in vegetationele overgangstoestanden (Stabiel,
Regressie of Toename), werd de cumulatieve ruimtegebruiksintensiteit van de paarden
gemodelleerd tegen abiotische stressfactoren om de werkelijke drijvende krachten achter de
vegetatiedynamiek te bepalen.
De ruimtelijke modellen (WP1) brachten fundamentele verschillen in de ruimtelijke basisecologie
aan het licht, die worden bepaald door eigenschappen op soortniveau en de dynamiek binnen de
kudde. Uit de ruimtelijke tracking bleek dat noch de paardachtigen in de Westhoek (na de corridor
opening) noch de Galloway-runderen op de Kalmthoutse Heide biologisch verzadigd zijn. Hun
leefgebieden worden dus niet volledig bepaald door de fysieke grenzen van de reservaten, wat
wijst op actieve en doelgerichte ruimtelijke keuzes. De Galloway-runderen vertoonden relatief grote
seizoensgebonden schommelingen in de omvang van het leefgebied, wat wijst op dynamische
aanpassingen aan de beschikbaarheid van voedselbronnen. Omgekeerd vertoonden de
paardachtigen in de Westhoek het hele jaar door relatief stabiele leefgebieden, wat wijst op een
biologisch verschil waarbij paardachtigen minder gevoelig zijn voor seizoensgebonden fenologie.
De paardachtigen vertoonden echter wel significante seizoensgebonden verschuivingen in hun
kerngebieden, wat bevestigt dat, hoewel hun totale gebied stabiel blijft, hun interne foerageerfocus
dynamisch verschuift. Bovendien zorgde een lage interindividuele variatie voor een vrij
samenhangende kuddedynamiek bij de runderen, terwijl een hoge interindividuele variatie onder
de paardachtigen leidde tot duidelijke divergentie tussen subkuddes. Daarnaast evalueerde WP1
de impact van het herstel van de landschapsconnectiviteit in de Westhoek via de opening van een
corridor in de winter van 2022-2023. Hoewel de opening een aanzienlijke uitbreiding van de
absolute omvang van de leefgebieden van de paardachtigen veroorzaakte, werd deze uitbreiding
niet uniform door de hele groep overgenomen, wat benadrukt dat landschapsconnectiviteit wordt
gemedieerd door lokale locatietrouwheid en interne sociale structuren.
De evaluatie van de habitatkeuze op kleinschalig niveau (WP2) bevestigde deze verschillen op
soortniveau nog eens extra. Op de Kalmthoutse Heide fungeerden de runderen als biologische
filters: ze zochten actief habitat op met een begraasbare laag (bijvoorbeeld gras- of boomopslag)
en vermeden zuivere heidegebieden zonder begraasbare laag. Deze selectie was het sterkst
tijdens de voorjaarsgroei en werd geleidelijk breder naarmate het groeiseizoen ten einde liep. In
de Westhoek kozen paardachtigen onevenredig vaak voor open, grasrijke vegetatie boven dicht
struikgewas, hoewel morfologische verschillen de kleinere Shetlandpony's waarschijnlijk in staat
stelden om ijle vegetatie (bijv. Schaarsbegroeid) en laag struikgewas (Kruipwilg_laagstruweel)
gunstiger te exploiteren. Deze divergentie geeft aan dat kleinere paardachtigen niches kunnen
exploiteren die grotere paardachtigen negeren of waarin ze niet kunnen overleven door gebruik te
maken van andere biomechanische eigenschappen en kleinere beetgroottes, waardoor de totale
ecologische impact op het landschap wordt verbreed.
Naast de categorische vegetatie werd de ruimtelijke verspreiding aanzienlijk beïnvloed door
voortdurende abiotische en antropogene beperkingen. Nabijheid van water bleek in beide
reservaten geen beperkende factor te zijn; noch de paardachtigen, noch de runderen vertoonden
een afhankelijkheid van stilstaand oppervlaktewater, maar toonden ruimtelijke neutraliteit of actieve
vermijding. Topografisch gezien kozen de runderen (in de lente), de grotere Konik-paarden (in de
zomer en herfst) en de Shetlandpony (in de herfst) actief voor vlakker terrein, waarschijnlijk om de
metabolische bewegingskosten te minimaliseren. Hoewel de Shetlandpony deze voorkeur voor
vlakker terrein in de herfst deelde, week hij in de zomer af van de Koniks door topografisch neutraal
te blijven. Deze seizoensgebonden divergentie suggereert ofwel dat de kleinere lichaamsmassa
van de pony voor meer wendbaarheid zorgt, waardoor het relatieve metabolische nadeel van
voortbeweging op steilere hellingen afneemt, ofwel dat de solitaire pony door de Konik-kuddes of
de Schotse hooglander kudde competitief wordt verdrongen naar minder gunstige, steilere
topografie. Wat de menselijke infrastructuur betreft, dwongen de modellen een heroverweging af
van de visie van algemene antropogene vermijding. Terwijl de omheiningen van het reservaat
fungeerden als een ruimtelijke barrière voor de paardachtigen (in de lente en winter, voornamelijk
gedreven door de Shetlandpony), fungeerden ze als een ruimtelijk aantrekkingspunt voor de
Galloway-runderen in de lente. Gelijkaardig werkten de interne paden als ruimtelijke
aantrekkingspunten voor zowel de Shetlandpony als de Galloway-runderen. Dit toont aan dat grote
herbivoren, in plaats van menselijke infrastructuur universeel te vermijden, padennetwerken
potentieel kunnen gebruiken als navigatiecorridors, en omheiningen als structurele
oriëntatiepunten.
Terwijl WP1 en WP2 vaststelden hoe de paardachtigen in de Westhoek navigeren en hun habitat
selecteren, evalueert WP3 de wederzijdse ecologische impact: hoe de langdurige ruimtelijke
aanwezigheid van deze herbivoren actief het successietraject van de vegetatie in het reservaat
beïnvloedt. Door veranderingen in vegetatiehoogte te modelleren tegen de achtergrond van
cumulatieve ruimtegebruiksintensiteit en abiotische beperkingen, ontstaat een ruimtelijk verhaal
over de voordelen en beperkingen van top-downcontrole door grazers. De vegetatiemodellering
toonde aan dat een hoog cumulatief ruimtegebruik door paardachtigen fungeert als een effectieve
preventieve barrière tegen de initiële vorming en verspreiding van ruige vegetatie. De gegevens
definieerden echter tegelijkertijd de grenzen van deze top-down biologische controle. Zodra
houtige of ruige vegetatie de initiële herbivoriebarrière met succes doorbreekt, volstaat intens
ruimtegebruik niet meer om de terugtrekking ervan af te dwingen. Gedreven door een
synergetische combinatie van lokale nutriëntenafzetting, mechanische bodemverstoring en
verminderde concurrentie, kan intensief ruimtegebruik door paardachtigen zelfs de verticale groei
van gevestigd hoog struikgewas bevorderen. De ontmanteling van vegetatie in een laat, volwassen
stadium wordt uitsluitend aangedreven door bottom-up abiotische stressfactoren in plaats van top
down herbivorie. De diepte van het grondwater in het voorjaar had het meest uitgesproken effect
op de vegetatiedynamiek: het bepaalde de stabiliteit van pioniersmatrices, stimuleerde de
terugtrekking van ruige vegetatie en fungeerde als de belangrijkste natuurlijke stressfactor die de
voortdurende groei of aanwezigheid van laag en hoog struikgewas voorkwam. Bovendien werd de
dynamiek van ondieper gewortelde grassen en kruiden gedicteerd door hoge omgevingsstress,
waarbij deze matrices groeiden en afnamen in gebieden die gekenmerkt worden door diep
grondwater, steilere hellingen en een hoge blootstelling aan de zon.
Voor natuurbeheer biedt deze thesis duidelijke, op gegevens gebaseerde aanbevelingen met
betrekking tot het gebruik van vrij rondlopende grote herbivoren. Uiteindelijk toont deze studie aan
dat de impact van deze grote herbivoren als ecosysteemingenieurs niet uniform of absoluut is. De
ruimtelijke dynamiek bevestigt dat ruimtegebruik een effectief, gericht instrument kan zijn om
vroege successie te stoppen, open matrices in stand te houden en gedegradeerde habitats aan te
pakken. Omdat grazers echter geen gevestigd struikgewas kunnen ontmantelen, vereist het
terugdringen van volgroeide houtige begroeiing een strategische, dubbele beheersaanpak die
biologisch ruimtegebruik koppelt aan gerichte mechanische ingrepen. Bovendien benadrukt de
ruimtelijke divergentie van de Shetlandpony de cruciale waarde van morfologische diversiteit.
Specifiek geeft deze divergentie aan dat kleinere paardachtigen, door gebruik te maken van andere
biomechanische eigenschappen en een kleinere hapgrootte, niches kunnen benutten die grotere
paardachtigen negeren of waarop ze niet kunnen overleven, waardoor de totale ecologische impact
op het landschap wordt verbreed. Ten slotte wijst de aantrekkingskracht van paden en het
verspreidingseffect van corridors op nieuwe, proactieve beheersmogelijkheden. In plaats van
menselijke infrastructuur als een verstoring te beschouwen, kunnen beheerders strategisch interne
padennetwerken en corridors ontwerpen die als biologische trechters fungeren, waardoor grazers
naar specifieke doelgebieden worden geleid en de ecologische manipulatie (engineering) in het
bredere landschap wordt gemaximaliseerd.
Meer lezen

Assessing the environmental impact of trade agreements using the gravity model: the case of the EU-Mexico free trade agreement

Universiteit Gent
2026
Félix
Zaidi
Deze masterproef onderzoekt hoe het vrijhandelsakkoord tussen de Europese Unie en Mexico de internationale handel en de bijbehorende CO₂ uitstoot heeft beïnvloed. Aan de hand van een econometrisch gravity model worden handelsstromen en belichaamde CO₂ emissies vóór en na de invoering van het akkoord geanalyseerd.

De resultaten tonen dat het akkoord de bilaterale handel met ongeveer 26,4 procent verhoogde, terwijl de bijbehorende CO₂ uitstoot met 17,8 procent toenam. De uitstoot steeg dus minder sterk dan de handel. Dit komt doordat de bijkomende handel zich relatief meer concentreerde in minder CO₂ intensieve sectoren en doordat de uitstootintensiteit binnen sectoren afnam. Daarnaast nam ook de handel met derde landen toe, waardoor geen bewijs wordt gevonden voor klassieke handelsverschuiving. De studie toont zo hoe handelsbeleid niet alleen economische, maar ook ecologische gevolgen heeft.
Meer lezen

Eindelevensgesprekken met personen met een ernstige en persisterende psychiatrische aandoening (EPPA). Een kwalitatieve studie naar ervaringen met de Amforamethodiek.

Universiteit Gent
2026
Annelies
Cuypers
Personen met een ernstige en persisterende psychiatrische aandoening (EPPA) ervaren vaak langdurig psychisch lijden, waarbij existentiële vragen en levenseindethema’s een belangrijke rol kunnen spelen. Het voeren van existentiële eindelevensgesprekken binnen de geestelijke gezondheidszorg blijkt echter niet vanzelfsprekend, en hulpverleners ervaren hierbij regelmatig handelingsverlegenheid. Narratieve interventies, zoals het Amforagesprek, bieden een mogelijke ingang om deze thema’s bespreekbaar te maken, maar hun toepasbaarheid bij personen met een EPPA is nog weinig onderzocht.

Deze studie verkent hoe het Amforagesprek wordt ervaren door personen met een EPPA, hun naastbetrokkenen en Amforaschrijvers, en welke betekenis deze methodiek kan hebben in het omgaan met existentiële vragen aan het levenseinde.

Er werd gekozen voor een kwalitatief, multiperspectivistisch onderzoeksdesign. Data werden verzameld via semigestructureerde interviews met zes personen met een EPPA en zes naastbetrokkenen, aangevuld met schriftelijke reflecties en een groepsinterview met vier Amforaschrijvers. De data werden geanalyseerd via thematische analyse volgens Braun en Clarke (2006).

De resultaten tonen een ambivalent en gelaagd beeld van het Amforaproces. Participanten ervaarden het gesprek overwegend als betekenisvol, doordat het ruimte bood voor erkenning, emotionele expressie en het delen van hun levensverhaal. Het eindelevensverhaal kon bijdragen aan verbinding, begrip en afscheid, maar deze impact bleek vaak beperkt en contextafhankelijk. Daarnaast brachten de gesprekken ook uitdagingen met zich mee, zoals confrontatie met pijnlijke levensverhalen, ambivalentie rond het delen van het eindelevensverhaal en spanning tussen de noden van participanten en het oorspronkelijke Amforaconcept.

Deze studie suggereert dat narratieve interventies zoals het Amforagesprek een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan existentiële zorg bij personen met een EPPA, maar dat verdere theoretische, empirische en ethische uitdieping noodzakelijk blijft.
Meer lezen

Luchtdichtheid van historisch buitenschrijnwerk: evaluatie van de efficiëntie en optimalisatie van restauratietechnieken

Universiteit Gent
2026
Douwe
Neven
Deze masterproef onderzoekt de luchtdichtheidsprestaties van historisch houten buitenschrijnwerk door middel van een experimentele evaluatie van verschillende restauratiestrategieën. Het onderzoek situeert zich binnen het spanningsveld tussen erfgoedbehoud en eigentijdse energieprestatie-eisen.

De casestudie betreft 19e-eeuwse ramen uit het Materniteitsgebouw op de Bijlokesite te Gent, waarop door aannemersbedrijf Denys diverse restauratietechnieken werden toegepast in het kader van het HeriTACE-project (Universiteit Gent, EU-gefinancierd). Door systematische luchtdichtheidsmetingen volgens EN 1026, EN 12207 en EN 12114 werden vier hoofdconfiguraties vergeleken: originele staat, minimale restauratie met enkelvoudige dichting, experimentele restauratie met meervoudige dichtingen, en een reproductiemodel.

De resultaten tonen dat substantiële verbetering mogelijk is: een halvering van de luchtdoorlatendheid werd gerealiseerd (van q₅₀ ≈ 12 m³/(h·m) naar ≈ 6 m³/(h·m)), resulterend in een overgang van klasse 1 naar klasse 2 voor de minimale restauratie. Deze prestatie bleek echter sterk afhankelijk van drie kritische voorwaarden: een gesloten afdichtingscontour, geometrisch correct sluitend raam, en geverifieerd uniform contact tussen dichting en tegenvlak. Materiaalkeuze bleek secundair. Technieken die gebruik maken van (meervoudige) houten opdeklatten met geïntegreerde dichtingen bleken een meer succesvolle toepassing die de klasse kan verhogen tot klasse 3.

Het onderzoek identificeert de enkelvoudige dichting als een ‘gevoelig optimum’: technisch valide maar praktisch kwetsbaar, aangezien kleine uitvoeringsafwijkingen disproportioneel negatieve effecten hebben. Dit verklaart waarom achterzetramen in de praktijk een robuust alternatief vormen. De masterproef benadrukt dat luchtdichtheidsverbetering van historisch schrijnwerk primair een ontwerp- en procesvraagstuk is, eerder dan een materiaaltechnische interventie.
Meer lezen

DE KLEUTERKLAS ALS GENDERLANDSCHAP EEN OBSERVATIEONDERZOEK NAAR GENDERPRAKTIJKEN IN VLAAMSE KLEUTERKLASSEN

Universiteit Gent
2026
Elise
Roelandts
Gender speelt een belangrijke rol in de dagelijkse klaspraktijk, maar de manier waarop gendernormen en genderstereotypen precies zichtbaar worden in Vlaamse kleuterklassen blijft onderbelicht in bestaand onderzoek. In deze studie werd gebruikgemaakt van systematische en niet-participerende klasobservaties in Vlaamse kleuterklassen. Daarbij werd onderzocht hoe gender tot uiting komt in zowel de fysieke klasomgeving als in dagelijkse interacties, met specifieke aandacht voor
aanspreekvormen, spelbegeleiding, feedback en disciplinering. De resultaten tonen dat gender zowel via materialen en visuele middelen als via dagelijkse interacties wordt gereproduceerd, maar dat er ook genderverruimende praktijken aanwezig waren. Deze bevindingen bieden een genuanceerd inzicht in hoe gender in Vlaamse kleuterklassen wordt geconstrueerd en geven aan waar verdere verdieping mogelijk is.
Meer lezen

De zoete afstand

LUCA School of Arts
2026
Yasmin
Gheisari
Deze masterproef vertrekt vanuit een persoonlijke vraag: hoe kan baraka, een spirituele
kracht van goddelijke oorsprong die voorspoed en bescherming brengt, voelbaar
worden binnen beeldende kunst?
Baraka is voor mij geen abstract begrip. Ze zit in mijn culturele achtergrond, in mijn
familie, in mijn eigen zoektocht naar geloof en het spirituele. Vanuit die persoonlijke
basis kijk ik ook naar hoe baraka historisch en cultureel gevormd is binnen de
Marokkaanse context, hoe ze zich toont in mensen, materialen en alledaagse
handelingen.
Dit onderzoek beweegt zich tussen literatuur, gesprekken, inspirerende kunstenaars en
mijn eigen artistieke praktijk. Het resultaat is een werk waarin het maakproces een
ritueel karakter krijgt, en waarin kunst een ruimte opent waar het onzichtbare niet wordt
verklaard, maar voelbaar wordt.
Meer lezen

Where Terrorism Meets Armed Conflict: Cumulative Prosecution of Foreign Terrorist Fighters in the EU

Andere
2026
Floris
Prins
De conflicten in Syrië en Irak confronteerden de lidstaten van de Europese Unie met burgers die naar het buitenland reisden om zich aan te sluiten bij terroristische groeperingen, zoals Islamitische Staat in Syrië en Irak. Deze personen, doorgaans aangeduid als buitenlandse terroristische strijders, kunnen worden vervolgd op grond van nationale strafbaarstellingen waarmee Richtlijn (EU) 2017/541 inzake terrorismebestrijding is omgezet, maar eveneens op grond van bepalingen inzake oorlogsmisdrijven, wanneer zij dergelijke misdrijven hebben gepleegd. Vervolging op grond van beide juridische kaders wordt cumulatieve vervolging genoemd.

In dit onderzoek is vergeleken hoe België en Nederland buitenlandse terroristische strijders vervolgen en in hoeverre hun vervolgingsstrategie cumulatieve vervolging omvat. Nederland tracht buitenlandse terroristische strijders actief te vervolgen voor zowel oorlogsmisdrijven als terrorismemisdrijven. Niettemin blijven er aanzienlijke belemmeringen bestaan, waarvan bewijsrechtelijke moeilijkheden en de beperkte bestuurlijke en institutionele capaciteit om oorlogsmisdrijven te vervolgen de voornaamste zijn.

België heeft daarentegen cumulatieve vervolging gedurende lange tijd in de praktijk nagenoeg volledig uitgesloten. Dit hield gedeeltelijk verband met een paradoxale eigenaardigheid van het Belgische recht, namelijk een uitsluitingsclausule voor gedragingen die plaatsvinden in het kader van een gewapend conflict. Deze bepaling was oorspronkelijk bedoeld om de vervolging op grond van het internationaal humanitair recht te versterken. Daarnaast werd succesvolle cumulatieve vervolging bemoeilijkt door institutionele problemen die vergelijkbaar zijn met de problemen waarmee Nederland wordt geconfronteerd.

Dit onderzoek betoogt dat cumulatieve vervolging steviger als vervolgingsstrategie moet worden verankerd, zowel binnen de Europese Unie als in de afzonderlijke lidstaten. Om dit te verwezenlijken, dient Richtlijn (EU) 2017/541 inzake terrorismebestrijding te worden gewijzigd. Daarnaast moeten de lidstaten de institutionele capaciteit van hun opsporings- en vervolgingsautoriteiten versterken, zodat zij naast terrorismemisdrijven ook aanklachten wegens oorlogsmisdrijven doeltreffend kunnen onderzoeken en vervolgen.
Meer lezen

SENSORISCHE OVERPRIKKELING, HOOGSENSITIVITEIT EN PERSOONLIJKHEID: SURVEY-ONDERZOEK NAAR INDIVIDUELE VERSCHILLEN IN EEN PRIKKELRIJKE WERKOMGEVING

Universiteit Gent
2026
Maaike
Grootaert
In mijn masterproef onderzocht ik waarom sommige werknemers sneller sensorisch overprikkeld raken op het werk dan anderen. Daarbij richtte ik mij op de rol van hoogsensitiviteit en angstgevoeligheid.

Via een online vragenlijst bij werknemers uit verschillende sectoren onderzocht ik de relatie tussen hoogsensitiviteit, angstgevoeligheid en sensorische overprikkeling. De uiteindelijke analyses werden uitgevoerd bij 580 respondenten. De resultaten tonen aan dat hoogsensitieve werknemers gemiddeld meer overprikkeling ervaren. Zij scoren ook vaker hoger op angstgevoeligheid, wat een deel van het verband tussen hoogsensitiviteit en overprikkeling verklaart. Hoogsensitiviteit blijft echter ook rechtstreeks samenhangen met overprikkeling.
Meer lezen

Het synthetiseren van continue besturingsprogramma's vanuit een deep reinforcement learning-agent

Vrije Universiteit Brussel
2026
Anandu
Sreekumar
Deze thesis breidt een framework voor verklaarbare AI uit zodat het realistischere scenario's kan verwerken. Met behulp van reinforcement learning leert een AI-systeem autonoom taken uit te voeren en genereert het interpreteerbare computerprogramma's die zijn beslissingen verklaren. Dit verhoogt de transparantie, ondersteunt menselijke experts bij het valideren van AI-beslissingen en draagt bij aan betrouwbare AI-systemen.
Meer lezen

IMPROVING THE RELIABILITY OF GEOSPATIAL MODELS FOR TIMBER HARVEST PREDICTION BY MEANS OF CONFORMAL PREDICTION

Universiteit Gent
2026
Jitse
Deketelaere
Wereldwijde ontbossing blijft een alarmerend groot probleem, met de uitbreiding
van de landbouw en illegale houtkap als belangrijkste oorzaken. Illegaal verkregen
hout maakt 10–30 % uit van de totale wereldwijde handel in houtproducten.
Sinds juni 2023 heeft de Europese ontbossingsverordening (EUDR) de Europese
houtverordening (EUTR) vervangen, waarbij nog steeds wordt vertrouwd op een due
diligence approach. De EUDR erkent echter dat de volledige effectiviteit van deze
regelgeving fundamenteel afhangt van de beschikbaarheid van robuuste, wetenschappelijk
onderbouwde methoden waarmee de opgegeven geografische oogstlocatie
van risicovolle bosproducten (hout, soja. . . ) betrouwbaar kan worden geverifieerd.
In deze masterscriptie maken we gebruik van georefereerde datasets met
stabiele isotopen- en multi-elementgegevens van verschillende houtsoorten. We
ontwikkelen een nieuwe voorspellingsmethode op basis van conformal predictoin
(CP), met onderliggende Random Forest-modellen. Deze methodologie wordt gebruikt
om zowel landen als aaneengesloten gebieden te voorspellen. Voor de afzonderlijke
landen maken we gebruik van zowel Least Ambiguous set-valued Classifier
(LAC) CP als adaptive prediction set (APS) CP. Daarnaast vertalen we de voorspelde
aaneengesloten gebieden naar landen, waardoor een directe vergelijking tussen
de afzonderlijke en de aaneengesloten benadering mogelijk wordt. We constateren
dat het gebrek aan referentiegegevens de grootste beperking blijft bij het toewijzen
van de herkomst van hout. Onze resultaten tonen echter aan dat CP inderdaad in
staat is om voorspellingen betrouwbaarder en robuuster te maken, en om interpreteerbare
resultaten te leveren.
Meer lezen

Experimental and design evaluation of SrTiO3 as a nonlinear RF material for a quantum limited amplifier

KU Leuven
2026
Elien
Van Clemen
De inhoud van de scriptie moet confidentieel blijven.

Het uitlezen van qubits vindt plaats in het enkel-fotonregime. Daarom is versterking bij cryogene temperaturen noodzakelijk om de kwantuminformatie uit te lezen. Parametrische versterking vormt een veelbelovende methode, omdat het signaalversterking realiseert via gecontroleerde energieoverdracht in een niet-lineair medium met minimale toevoeging van ruis. Recent is aangetoond dat een dunne laag van het perovskiet SrTiO3 bij cryogene temperaturen een sterke tweede-orde niet-lineariteit vertoont in het optische domein. Vergelijkbaar niet-lineair gedrag wordt daarom verwacht in het RF-domein, wat SrTiO3 een geschikte kandidaat maakt voor parametrische versterking. Dit concept zou een alternatief kunnen vormen voor bestaande versterkers, zoals Josephson-parametrische versterkers (JPV) en kinetische inductie-parametrische versterkers (KIPV), die beperkingen kennen op het gebied van dynamisch bereik en gevoeligheid voor externe magnetische velden.

Dit project onderzoekt de haalbaarheid van een SrTiO3 parametrische versterker. Daartoe zijn de tweede- en derde-orde niet-lineaire susceptibiliteiten χ^(2) en χ^(3) gekarakteriseerd bij millikelvintemperaturen in het RF-domein. Het gevonden resultaat voor χ^(2) sluit goed aan bij een schatting op basis van de elektro-optische bijdrage. De waargenomen afhankelijkheid van de DC-spanning wordt toegeschreven aan de vorming van polarisatiedomeinen, die ontstaan door een voorkeursrichting van het centrale titaniumatoom in het SrTiO3-rooster.

Op basis van de gekwantificeerde niet-lineariteiten is een versterker ontworpen en geoptimaliseerd, en is de prestatie ervan theoretisch gemodelleerd. Dit voorspelt een sterke versterking met bandbreedtes met grootteordes van tientallen MHz, vergelijkbaar met JPV's en KIPV's. Dit type versterker is veelbelovend, aangezien het dynamisch bereik naar verwachting vergelijkbaar zal zijn met dat van KIPV's en zelfs groter dan dat van JPV's. Dit zou de voorgestelde versterker tot een competitief, ruisarm en cryogeen alternatief kunnen maken voor huidige technologieën. Experimentele bevestiging van deze voorspelde resultaten is echter nog noodzakelijk.
Meer lezen

Mucus Diffusion of Apremilast Nanocrystals in Healthy and Cystic Fibrosis Models for Pulmonary Drug Delivery

Universiteit Gent
2026
Marion
Van Hulle
Dit onderzoek focust op nanogeneeskunde, in het bijzonder voor pulmonale geneesmiddeltoediening, waarbij zowel de beperkte wateroplosbaarheid van veel geneesmiddelen als de barrièrefunctie van mucus belangrijke formulatie uitdagingen vormen. Apremilast (APR), een slecht wateroplosbare fosfodiësterase 4 inhibitor met therapeutisch potentieel voor cystic fibrosis (CF), vereist een formulering die de oplosbaarheid verhoogt en diffusie door mucus mogelijk maakt. De centrale vraag is of APR nanokristallen (NCs) diffunderen door gezonde en CF-mucusmodellen en welke formulatie en mucusgerelateerde parameters deze diffusie bepalen. Hiervoor beoogt dit onderzoek de ontwikkeling en karakterisering van APR NCs, het formuleren van gezonde en CF mucusmodellen en de evaluatie van APR NC transport doorheen deze barrières.
APR NCs worden geproduceerd via geminiaturiseerde natte kogelmaling (WBM) en gestabiliseerd met Lutrol F127 (Lut), natriumcholaat (NaChol) of NaChol gecombineerd met chitosan HCl (Chit). De NCs worden gekarakteriseerd op deeltjesgrootte, polydispersiteit, zeta potentiaal (ZP) en structurele integriteit. Alle formuleringen leveren gemiddelde deeltjesgroottes onder 250 nm, ruim binnen het vereiste bereik van 200–400 nm en FT IR bevestigt dat APR zijn structuur behoudt. Na één maand opslag bij 4 °C worden kleine deeltjesgroottetoenames gezien voor APR NaChol en APR Chit NaChol. De ZP weerspiegelt de gebruikte stabilisator en duidt op matig stabiele dispersies. Gezonde en CF mucusmodellen met en zonder mucine worden ontwikkeld en gevalideerd via reologie. Shear thinning en visco elastisch gedrag wordt waargenomen, kenmerkend voor luchtwegmucus. CF modellen vertonen hogere viscositeiten en moduli dan gezonde modellen, conform met literatuurgegevens. De diffusie van APR NCs door de mucusmodellen wordt beoordeeld met Franz cellen en gekwantificeerd via HPLC. In alle mucinebevattende modellen is de permeatie van de drie APR NC formuleringen na 6 u consequent 14–40% lager dan in de mucinevrije varianten, wat aangeeft dat mucine een meer restrictieve en fysiologisch realistische diffusiebarrière vormt. In het CF-model met mucine vertoont APR Lut de hoogste permeatie na 6u, waarbij ongeveer 50% geneesmiddeldiffusie wordt bereikt, APR NaChol vertoont een zeer vergelijkbaar niveau en APR Chit NaChol vertoont duidelijk minder permeatie.
Dit onderzoek benadrukt dat WBM de controle over deeltjesgrootte en oppervlaktesamenstelling van NCs mogelijk maakt, waarbij de stabilisator de uiteindelijke oppervlakte eigenschappen en daarmee de mucusdiffusie bepaalt. Een geschikte stabilisator moet een muco inert, sterisch gehydrateerd en neutraal oppervlak creëren dat elektrostatische en hydrofobe interacties met mucine minimaliseert. Dit onderzoek bevestigt de waarde van alginaat/mucine hydrogels als reproduceerbaar platform voor vroege screening van mucustransport. Toekomstig werk omvat langetermijn stabiliteitsstudies, extra oppervlaktemodificaties van NCs en de incorporatie van meer CF specifieke componenten in de mucusmodellen.
Meer lezen

Hoe kunnen evidence-informed didactische principes uit de twaalf wijze lessen toegankelijk gemaakt worden voor ervaren leerkrachten via een praktische toolkit?

Arteveldehogeschool Gent
2026
Amke
Deduytsche
Hoe kunnen wetenschappelijk onderbouwde inzichten over effectief lesgeven toegankelijk gemaakt worden voor ervaren leerkrachten? Vanuit die vraag onderzocht deze bachelorproef hoe de Twaalf Wijze Lessen van Tim Surma vertaald kunnen worden naar een praktisch hulpmiddel voor de klaspraktijk. Uit een literatuurstudie, een digitale bevraging en gesprekken met leerkrachten uit een West-Vlaamse basisschool bleek dat veel leerkrachten de didactische principes al onbewust toepassen, maar weinig vertrouwd zijn met het theoretische kader. Daarnaast gaven zij aan nood te hebben aan een overzichtelijk en onmiddellijk bruikbaar hulpmiddel.

Op basis van deze bevindingen werd een praktijkgerichte toolkit ontwikkeld rond zes geselecteerde Wijze Lessen. Per bouwsteen bevat de toolkit een beknopte theoretische toelichting, concrete klasvoorbeelden, mogelijke valkuilen, een mini-checklist en een QR-code naar extra verdieping. De toolkit slaat een brug tussen wetenschappelijk onderzoek en de dagelijkse klaspraktijk en ondersteunt leerkrachten om evidence-informed didactische keuzes bewust, efficiënt en zonder extra werkdruk toe te passen.
Meer lezen

Calibrating gravitational wave detectors using scattered light

Universiteit Gent
2026
Arthur
Callens
Zwaartekrachtsdetectoren zoals Virgo meten uiterst kleine lengteveranderingen in hun kilometerslange laserarmen om zwaartekrachtsgolven van botsende zwarte gaten en neutronensterren te detecteren. De betrouwbaarheid van deze metingen (massa, afstand en locatie van de bron) hangt volledig af van de nauwkeurigheid waarmee het instrument geijkt is. Een bekende bron van systematische fouten is verstrooid licht: een klein deel van het laserlicht lekt door de eindspiegels van de detector en kan, wanneer het weerkaatst en opnieuw de arm binnendringt, een echte zwaartekrachtsgolf nabootsen.

Deze scriptie onderzoekt of dit ongewenste effect net bewust kan worden opgewekt en gebruikt als onafhankelijke ijkingsmethode. Een piëzo-elektrisch plaatje, geplaatst achter de eindspiegel, wordt op een gekozen frequentie in trilling gebracht om gecontroleerd verstrooid licht te genereren. Twee sensoren, één ter hoogte van het plaatje, één aan het einde van de detector, meten het resulterende signaal, waarna een zelfijkende methode toelaat om het spiegellek te berekenen.

Simulaties tonen aan dat deze methode, ondanks de beperkte tijdsvensters waarin het signaal bruikbaar is, het spiegellek kan bepalen met een nauwkeurigheid van ruim onder één procent, over een breed bereik van trilfrequenties. Een prototype van het plaatje en zijn positioneersysteem werd gebouwd en getest, wat een onverwacht thermisch probleem blootlegde: het kale oppervlak absorbeert te veel laserlicht en warmt op in vacuüm. Een reflecterende coating (spectralon) wordt voorgesteld als oplossing.

Eenmaal operationeel op Virgo, biedt deze methode een volledig onafhankelijke ijkingscontrole naast bestaande technieken, en draagt ze zo bij aan de betrouwbaarheid van toekomstige zwaartekrachtgolfdetecties.
Meer lezen

Comparison of Smartphone-Based 3D Body Measurements with Traditional Anthropometry and 4D Stereophotogrammetry: Reliability, Validity, and Accuracy in Healthy Adults

Universiteit Antwerpen
2026
Femke
Van Orden
  • Emma
    Van den Hoek
Deze scriptie onderzoekt de betrouwbaarheid, validiteit en nauwkeurigheid van smartphonegebaseerde 3D-scantoepassingen voor lichaamsmetingen in vergelijking met traditionele antropometrische metingen en 4D-stereofotogrammetrie. In een cross-sectionele studie werden 35 gezonde volwassenen gemeten met twee smartphone-apps (3D Measure Me en MeThreeSixty), een 4D-stereofotogrammetriesysteem en conventionele meetinstrumenten. De resultaten tonen aan dat 4D-stereofotogrammetrie en de app 3D Measure Me over het algemeen goede tot uitstekende overeenstemming vertonen met traditionele metingen, terwijl MeThreeSixty minder nauwkeurige en consistente resultaten oplevert. Vooral metingen van de ledematen bleken betrouwbaar, terwijl rompmetingen meer variatie vertoonden. De bevindingen suggereren dat smartphonegebaseerde 3D-scans, en in het bijzonder 3D Measure Me, een veelbelovend en toegankelijk alternatief kunnen vormen voor antropometrische metingen in de klinische praktijk, mits de beperkingen van bepaalde lichaamsregio's in acht worden genomen.
Meer lezen

Stilt voedselhulp alle honger?

Hogeschool VIVES
2026
Tessa
Pijlijser
“Je bent wat je eet”, maar wat betekent dat wanneer toegang tot voeding niet vanzelfsprekend is?
Deze bachelorproef onderzoekt hoe klanten van sociale kruidenier De Antenne in Oostende de werking beleven en hoe dit raakt aan hun levenskwaliteit. De groeiende structurele rol van voedselhulp in Vlaanderen en het beperkte centraal stellen van de stem van gebruikers vormen de aanleiding voor dit kwalitatief en participatief onderzoek. Hoewel sociale kruideniers inzetten op keuzevrijheid, participatie en menswaardigheid, blijft vaak onduidelijk hoe klanten dit aanbod ervaren en welke betekenis zij eraan geven.
Het onderzoek vertrekt vanuit een brede interpretatie van de werking, waarbij naast voedselhulp ook toegankelijkheid, begeleiding, ontmoeting en sociale contacten centraal staan. De centrale onderzoeksvraag luidt: “Welke betekenis geven klanten aan het aanbod van De Antenne, en hoe raken hun ervaringen aan verschillende aspecten van hun levenskwaliteit?” Daarbij werd aandacht besteed aan ervaringen, drempels, de afstemming van de werking op de leefwereld van klanten en het gebruik van praatkaarten als participatieve gespreksmethodiek.
Het literatuuroverzicht situeert voedselhulp binnen een historisch, maatschappelijk, beleidsmatig en mensenrechtelijk kader, waarin toegang tot voeding beschouwd wordt als een fundamenteel recht. De resultatenanalyse steunt op het WHOQOL-kader van de Wereldgezondheidsorganisatie en de capability approach van Amartya Sen en Martha Nussbaum.
Methodologisch werd gekozen voor semigestructureerde interviews. Tijdens de gesprekken werd vertrokken vanuit een open startvraag, waarna praatkaarten in de vorm van beeld- en emotiekaarten werden ingezet om gevoelens en ervaringen toegankelijker bespreekbaar te maken. De interviews werden opgenomen, getranscribeerd en aangevuld met observaties. Om de kwaliteitszorg van het onderzoek te bewaken werd gewerkt met een vast draaiboek, gestandaardiseerde kaartensets en een voorafgaande testfase.
De resultaten tonen dat De Antenne voor veel klanten meer betekent dan enkel een plaats waar betaalbare voeding aangeboden wordt. Respondenten beschrijven de werking als een plek van rust, ontmoeting en sociale verbondenheid. De warme sfeer, het respectvolle contact met medewerkers en vrijwilligers en de mogelijkheid om zelf keuzes te maken worden sterk gewaardeerd. Tegelijkertijd kwamen ook drempels naar voren, zoals schaamte, taalbarrières en gevoelens van afhankelijkheid. Kleine elementen zoals een warme ontvangst, duidelijke communicatie en een rustige sfeer blijken een belangrijke invloed te hebben op hoe klanten de werking beleven.
Daarnaast kwamen aanbevelingen naar voren rond toegankelijkheid, taaldiversiteit, ontmoeting en participatie. Ook de praatkaarten werden positief geëvalueerd omdat ze hielpen om gesprekken op gang te brengen en ervaringen bespreekbaar te maken. Tegelijk bleek dat hun meerwaarde sterk afhangt van de manier waarop ze door de interviewer worden ingezet en door respondenten worden geïnterpreteerd.
Deze bachelorproef besluit dat voedselhulp een complexe en persoonlijke invloed heeft op levenskwaliteit. Levenskwaliteit hangt niet enkel samen met toegang tot voeding, maar ook met waardigheid, keuzevrijheid, sociale relaties en de manier waarop hulp ervaren wordt. Daarom bepleit dit onderzoek het belang van écht luisteren naar klanten en hen actief te betrekken binnen voedselinitiatieven.
Meer lezen

Application of Optical Genome Mapping for the detection of structural variants in sarcomas

Universiteit Gent
2026
Jason
Legein
Sarcomen zijn zeldzame kankers die ontstaan in bindweefsel zoals bot, spier en vet. Door hun grote genetische diversiteit is een correcte diagnose vaak complex en vereist ze meerdere aparte moleculaire testen (FISH, copy number-analyse, RNA-sequencing), die elk maar een deel van het genetische plaatje tonen.
Deze masterthesis onderzocht of Optical Genome Mapping (OGM), een nieuwe techniek die het DNA rechtstreeks visualiseert in plaats van het uit te lezen, dit diagnostische traject kan vereenvoudigen. OGM werd toegepast op rhabdomyosarcoom-cellijnen en op patiënt-afgeleide tumoroïden, en de resultaten werden vergeleken met de klassieke cytogenetische technieken. Daarnaast werd het protocol voor het isoleren van ultra-hoogmoleculair DNA uit primair tumorweefsel geoptimaliseerd, aangezien dit de belangrijkste praktische hindernis bleek voor een betrouwbare toepassing van de techniek.
De resultaten tonen dat OGM klinisch relevante afwijkingen kan detecteren in één enkele test, waaronder de kenmerkende PAX3::FOXO1-fusie bij rhabdomyosarcoom en complexe genomische herschikkingen bij een maligne perifere zenuwschedetumor (MPNST), met volledige overeenstemming met de standaardtechnieken. Tegelijk bleek de kwaliteit van het DNA sterk af te hangen van weefseltype, staalgrootte en de tijd tussen operatie en invriezing, factoren die nu voor het eerst systematisch in kaart werden gebracht.
Deze thesis toont aan dat OGM een waardevolle aanvulling kan zijn op de bestaande diagnostische aanpak bij sarcomen, en legt de basis voor verdere optimalisatie richting klinische implementatie.
Meer lezen

Strategisch taalbeleid in het secundair onderwijs: een kwalitatieve studie naar professionalisering van leraren in functie van functioneel meertalig onderwijs

Universiteit Gent
2026
Michiel
Debaere
De toenemende meertaligheid in het Vlaamse secundair onderwijs stelt leerkrachten voor
uitdagingen. Functioneel meertalig onderwijs (FML) biedt een kader om de thuistaal van leerlingen als leerkapitaal in te zetten. Het schooltaalbeleid kan hierin een ondersteunende rol spelen door leerkrachten te professionaliseren. Deze masterproef onderzoekt in welke mate het schooltaalbeleid van secundaire scholen met een meertalige leerlingenpopulatie een sterke leeromgeving voor leerkrachten creëert die de implementatie van FML ondersteunt. Binnen een kwalitatief onderzoeksdesign werden 31 schooldocumenten geanalyseerd en semigestructureerde interviews afgenomen bij acht leerkrachten uit drie secundaire scholen. Hiervoor werd een deductieve checklist gebaseerd op het raamwerk van Merchie et al. (2016b) gebruikt en een thematische analyse van de schooldocumenten en interviews uitgevoerd. Op deze manier werden
de effectieve kenmerken van professionaliseringsinitiatieven, kenmerken van FML, en de invloed op de klaspraktijk in kaart gebracht. De bevindingen tonen dat de drie scholen in verschillende mate een sterke leeromgeving creëren. De inhoudelijke focus op FML en collectieve participatie binnen professionalisering bleken het meest bij te dragen aan de implementatie van FML. De aanwezigheid van effectieve kenmerken van professionalisering in het schooltaalbeleid is echter niet voldoende; afstemming tussen de taalvisie van het schooltaalbeleid en de professionalisering van leerkrachten bleek doorslaggevend te zijn voor de implementatie van FML. Opvolging van professionalisering bleef onderbelicht, terwijl leerkrachten dit net als een cruciale vorm van ondersteuning aanduiden. De implementatie van FML bleek bovendien leerkrachtafhankelijk te zijn. Deze studie benadrukt het belang van een schooltaalbeleid dat meertaligheid waardeert en
professionalisering hierop afstemt, en formuleert implicaties voor schoolbeleid en de Vlaamse onderwijscontext.
Meer lezen

Mandatory shifts in participatory food cooperatives: Members’ experiences and perceptions

KU Leuven
2026
Emma
Vannerom
  • Kobe
    Theylaert
Participatieve voedselcoöperaties streven ernaar duurzaam voedsel betaalbaarder te maken door hun leden te verplichten maandelijks enkele uren onbetaald werk te verrichten, waardoor de arbeidskosten dalen. Hoewel de bestaande literatuur over coöperaties veel aandacht besteedt aan de motivatie van leden om te participeren, is er weinig literatuur over participatie via verplichte shiften. De literatuur over vrijwilligerswerk benadrukt daarentegen hoe gevoelens van verplichting de motivatie negatief kunnen beïnvloeden. Daarnaast uiten sommige onderzoekers bezorgdheid over twee specifieke paradoxen in het model van participatieve voedselcoöperaties, namelijk het uitsluitende karakter van de shiften en hun onbedoelde gevolgen op macroniveau. Dit onderzoek bouwt voort op deze bestaande literatuur en maakt gebruik van gegevens uit 18 diepgaande interviews met leden van participatieve voedselcoöperaties in Vlaanderen en Brussel om de motivaties en percepties van leden te verkennen, evenals de paradoxen die in het model aanwezig zijn. De bevindingen benadrukken het belang van collectivistische motivaties, in het bijzonder het gemeenschaps- en eigenaarschapsgevoel dat leden ervaarden. De verplichte shiften bleken deze motivatie te versterken, omdat ze leden ertoe verplichten betrokken te blijven of een opstap bieden naar meer engagement. Hoewel leden de paradoxen van het model erkenden, zoals het uitsluitende karakter, bleven de meeste leden voorstander van de verplichte shiften, omdat zij deze shiften beschouwen als een cruciaal element van wat hun lidmaatschap waardevol maakt. Dit onderzoek draagt bij aan de bestaande literatuur door een beter inzicht te bieden in hoe leden verplichte vormen van participatie ervaren en door de houding van leden ten aanzien van de ethische paradoxen van participatieve voedselcoöperaties te verkennen.
Meer lezen

Unravelling endothelial cell-based anti-tumor immunity

Universiteit Gent
2026
Rafal
Hanc
Deze masterthesis onderzoekt hoe endotheelcellen, die van nature niet gespecialiseerd zijn in antigeenpresentatie, toch een actieve rol kunnen spelen in de opwekking van anti-tumor T-celrespons. Wanneer kankercellen sterven via immunogene celdood (ICD), stoten ze specifieke signalen (DAMPs) uit die het omliggende weefsel activeren. Het onderzoek toont expliciet aan dat endotheelcellen, ondanks dat ze geen professionele antigeenpresenterende cellen (APC's) zijn zoals dendritische cellen, door deze ICD-signalen "opgeleid" kunnen worden om toch antigenen van tumorcellen op te nemen en te presenteren via MHC-moleculen. Zo fungeren ze als niet-professionele APC's die bijdragen aan de anti-tumor immuunrespons.
Met behulp van co-cultuursystemen (MS1 en HUVEC endotheelcellen), CRISPR-Cas9 knockouts (CD74, CD80, H2-D1) en in vivo vaccinatiemodellen werd onderzocht in welke mate deze niet-professionele antigeenpresentatie door endotheelcellen bijdraagt aan het activeren van T-cellen tegen tumoren. Dit werk draagt bij aan het begrijpen van de tumor micro-omgeving en biedt mogelijk nieuwe aanknopingspunten voor kankerimmuuntherapie.
Meer lezen

WUSSY: het artistiek onderzoek achter het theaterdoek

LUCA School of Arts
2026
Roisin
Callaerts
Mijn scriptie is een artistiek onderzoek over mezelf als artiest die een toneelstuk maakt waarin ze komaf wil maken met haar eigen onzekerheid. Een stap die ze moet zetten voor ze als actrice in het werkveld kan stappen. Een onderzoek naar zelfacceptatie en wat ik als speler en maker nodig heb om mijn woorden tot bij een publiek over te brengen en hen te raken.
Meer lezen

Gehoorverlies in het kinderdagverblijf

Arteveldehogeschool Gent
2026
Julie
Wauman
In kinderdagverblijven is de kennis over de begeleiding van jonge kinderen met gehoorverlies vaak beperkt. Hierdoor hebben begeleiders weinig houvast in de dagelijkse praktijk. Deze bachelorproef brengt de kennis en noden van deze kinderverzorg(st)ers in kaart en werkt een mogelijke ondersteuning uit. Drie kinderdagverblijven werden bevraagd aan de hand van een gestructureerde vragenlijst. De resultaten tonen aan dat de kennis over gehoorverlies, hoorhulpmiddelen en luisteromstandigheden vaak beperkt en wisselend is. Begeleiders geven aan dat ze nood hebben aan praktische en eenvoudig toepasbare informatie. Op basis van deze bevindingen en een literatuurstudie werd een informatiebrochure ontwikkeld. De brochure bevat basisinformatie en concrete tips voor in de praktijk. Ze sluit aan bij de noden uit het werkveld. De brochure ondersteunt, maar vervangt geen externe begeleiding of samenwerking met externe partners zoals revalidatiecentra.
Meer lezen

Postoperatieve pijnbehandeling na chirurgie met blokverdoving.

Hogeschool PXL
2026
Judith
Debacker
Mijn scriptie gaat over postoperatieve pijn na een orthopedische ingreep waarbij blokanesthesie is toegepast, ook wel reboundpijn genoemd. Ik heb de incidentie van pijn onderzocht en samen met artsen en anesthesisten een nieuw protocol samengesteld waarbij ik vooral de rol als verpleegkundige mee uitwerkte.
Meer lezen

The Metabolic Phenotype of Post-ICU Patients: Energy Metabolism After Critical Illness

Vrije Universiteit Brussel
2026
Eline
Verheyen
Na een opname op de intensieve zorg begint het herstel vaak pas echt. Toch weten we nog verrassend weinig over hoeveel energie deze patiënten nodig hebben en hoeveel energie uit hun voeding uiteindelijk werkelijk door het lichaam wordt opgenomen.

In mijn thesis onderzocht ik beide aspecten van de energiebalans. Ik combineerde systematische literatuurstudies met analyses van patiëntgegevens uit het UZ Brussel. Mijn resultaten tonen aan dat post-ICU-patiënten gemiddeld niet méér energie verbruiken in rust dan andere gehospitaliseerde patiënten, maar dat de verschillen tussen patiënten groot zijn. Dat maakt objectieve metingen belangrijk om de voeding af te stemmen op de individuele patiënt. Daarnaast bracht ik als eerste de beschikbare kennis over energieabsorptie bij post-ICU-patiënten in kaart en werkte ik mee aan de opstart van een prospectieve studie. Daarmee toont mijn thesis niet alleen aan waar de huidige kennis stopt, maar ook welke stappen nodig zijn om de voedingszorg voor deze patiëntengroep verder te verbeteren.
Meer lezen

Welke operationele, technologische en regelgevende voorwaarden moeten vervuld zijn zodat ING stablecoin-gebaseerde betalingsnetwerken kan gebruiken om internationale transacties sneller en goedkoper te maken dan het huidige correspondentbankmodel?

Karel de Grote Hogeschool
2026
Johan
Van Steen
Stap 3 gaat over je scriptie zelf. Per veld:
Korte inhoud van je scriptie. Een beknopte samenvatting, neutraler van toon dan je artikel. Dit kun je gebruiken:
Deze bachelorproef onderzoekt onder welke operationele, technologische en regelgevende voorwaarden ING stablecoin-gebaseerde betalingsnetwerken kan inzetten om internationale transacties sneller en goedkoper te maken dan het huidige correspondentbankmodel. Via een kwalitatieve casestudy, gebaseerd op literatuur van onder meer de BIS en de ECB, de MiCA-verordening en expertgesprekken, wordt een voorwaardenkader uitgewerkt op drie niveaus: technologie, organisatie en regelgeving. De analyse toetst dit kader aan drie marktinitiatieven (JPMorgan Kinexys, Société Générale EURCV en het Qivalis-consortium) en mondt uit in een concreet stappenplan voor een MiCA-conforme implementatie.
Meer lezen

Het/een/mijn huis als geconstrueerde grot

Hogeschool PXL
2026
Noa
Kuypers
In mijn project ‘Het/een/mijn huis als geconstrueerde grot’ onderzoek ik de spanning tussen verval en standvastigheid: hoe een gebouw transformeert en toch zijn kern behoudt, en hoe atmosfeer, dat ongrijpbare samenspel van licht, materiaal, geheugen en emotie, een lege schil omtovert tot een thuis. Het vertrekpunt is de observatie dat een huis nooit werkelijk leeg is; het draagt littekens van vroegere bewoning. Tijdens de renovatie van een woning uit 1830 leg ik deze verborgen lagen bloot, parallel aan een artistiek project waarin ik herinnering en materiaal met elkaar combineer. Door plattegronden te tekenen op basis van impressies, kleimodellen te stapelen en betonnen kubussen met uitgeholde gangen te gieten, vertaal ik het vluchtige van geheugen naar het tastbare van een fundament. Collage fungeert hierin als terugkerend ritueel, een proces van afbreken en herschikken dat het verbouwingsproces zelf weerspiegelt. Geïnspireerd door de praktijk van Do Ho Suh, Sara Bomans en Peter Zumthor, toon ik aan dat atmosfeer niet statisch is, maar draagbaar: een opeenstapeling van tijdlagen, materiële sporen en menselijke tussenkomst. Het resultaat is een visuele taal die het onzichtbare fundament en de dromerige invulling van een plek naast elkaar plaatst, en bevestigt dat een huis pas leeft in de spanning tussen wat was, wat is, en wat we met ons meedragen.
Meer lezen

GOL(L)D ALS REFLECTIEKADER BINNEN CONSULTATIEVE LEERLINGENBEGELEIDING EEN PRAKTIJKGERICHT KWALITATIEF ONDERZOEK NAAR DE PROFESSIONELE POSITIONERING VAN CLB-MEDEWERKERS

Universiteit Gent
2026
Safae
El Ksisar
Deze masterproef onderzoekt hoe CLB-medewerkers hun rol invullen binnen consultatieve leerlingenbegeleiding: niet als expert die een diagnose stelt, maar als partner die samen met de leerkracht zoekt naar oplossingen. Negen CLB-medewerkers werden gevolgd tijdens een vormingstraject via focusgroepen, individuele gesprekken en een visuele oefening met poppetjes. Het onderzoek toont dat deze rolverschuiving zich afspeelt binnen drie spanningsvelden: tussen expert en procesbegeleider, tussen verbinding en weerstand, en tussen ideaal en praktijkrealiteit. Het GOL(L)D-kader functioneert daarbij niet als een expliciete methodiek, maar als een impliciete reflectieve lens. De studie besluit dat duurzame verandering niet enkel professionele groei vraagt, maar ook structurele voorwaarden zoals tijd, continuïteit en rechtstreeks contact met leerkrachten.
Meer lezen

Hormonale invloeden op zeeziekte

Antwerp Maritime Academy
2026
Margaux
Hermans
Zeeziekte is een veelvoorkomend fenomeen binnen de maritieme sector en kan een aanzienlijke
impact hebben op het functioneren en welzijn van zeevarenden. Hoewel bekend is dat vrouwen
mogelijk gevoeliger zijn voor zeeziekte dan mannen, is weinig onderzocht in welke mate hormonale
factoren hierin een rol spelen. Deze masterproef brengt dit onderbelichte thema in kaart aan de
hand van een observatiestudie uitgevoerd tijdens een vier weken durende zeereis aan boord van
het opleidingsschip Dar Mlodziezy.
In totaal registreerden 36 deelnemers dagelijks hun level van algemene gevoelstoestand,
misselijkheid, stress en hersenmist. Voor vrouwelijke deelnemers werd bijkomend het gebruik van
hormonale anticonceptie en, indien van toepassing, hun menstruele cyclus bijgehouden. Deze
systematische dataverzameling in een realistische maritieme setting bood een uitzonderlijke
mogelijkheid om patronen over langere tijd te analyseren zonder verstoringen van dagelijkse
omgeving.
Uit resultaten blijkt dat vrouwelijke deelnemers in deze groep gemiddeld meer zeeziekte
gerelateerde klachten rapporteerden dan mannelijke deelnemers. De verschillen waren zichtbaar
voor alle onderzochte variabelen en kwamen consequent terug doorheen de gehele
onderzoeksperiode. Binnen de vrouwelijke groep vertoonden vrouwen die hormonale
anticonceptie gebruikten op het merendeel van de dagen hogere symptoomscores dan vrouwen
zonder anticonceptie. In deze dataset werd dus geen aanwijzing gevonden dat anticonceptie
beschermend werkt tegen zeeziekte.
De analyses van de menstruele cyclus leverden geen duidelijke verschillen tussen cyclusfasen op,
voornamelijk door het beperkte aantal vrouwen met een natuurlijke cyclus. Hierdoor konden geen
uitspraken gedaan worden over variaties in gevoeligheid tijdens bijvoorbeeld menstruatie of
ovulatie. Daarnaast werd vastgesteld dat deelnemers die een zeeziektepil innamen gemiddeld
meer hersenmist rapporteerden. Dit sluit aan bij zowel de ernst van hun symptomen als bij bekende
bijwerkingen van dergelijke medicatie, zonder dat de oorzaak kon worden vastgesteld.
Deze bevindingen suggereren dat vrouwen in deze onderzoeksgroep gevoeliger waren voor
zeeziekte dan mannen, maar tonen geen duidelijk effect van de hormonale anticonceptie of
cyclusfasen op de ervaren klachten. De beperkte omvang van de subgroepen vraagt om
voorzichtigheid in de interpretatie. De resultaten benadrukken tegelijk de nood aan verder
onderzoek met grotere populaties en nauwkeurigere hormonale registratiemethoden, zodat de
relatie tussen hormonen en zeeziekte in de toekomst preciezer kan worden bepaald.
Meer lezen