Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Een gevoelige buik op school

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Guuske
Creël
Mijn bachelorproef gaat over hoe leerkrachten leerlingen met een gevoelige buik beter kunnen begrijpen en ondersteunen op school. Buikklachten hebben namelijk niet alleen een lichamelijke impact, maar kunnen ook zorgen voor stress, schaamte, angst en concentratieproblemen. Via literatuuronderzoek, gesprekken met leerlingen en leerkrachten en observaties onderzocht ik waar leerlingen in de klaspraktijk tegenaan lopen en wat leerkrachten kunnen doen om hen beter te ondersteunen. Vanuit dit onderzoek ontwikkelde ik een praktische infobundel voor leerkrachten en een laagdrempelig pijninstrument waarmee leerlingen hun pijn kunnen aangeven zonder dit klassikaal te moeten vertellen.
Meer lezen

Dragers van zorg

HOGENT
2026
Zoa
Engelen
Een herwaardering van het lichaam binnen het bestaande zorgsysteem. Dragers van zorg biedt een alternatief zorgidee aan waarin vier stemmen aan bod komen: een reactie op het binaire, medische zorgidee.
Meer lezen

Wat nog gebaard moet worden

Hogeschool PXL
2026
Anne-Lise
Krekels
Vertrekkend vanuit een persoonlijke ervaring met chronische gynaecologische klachten en diagnoses waar weinig wetenschappelijke kennis over bestaat, ontwikkelt dit onderzoek zich als een autobiografische zoektocht waarin feministische theorie, mythologie en mijn eigen artistieke praktijk met elkaar vervlochten werden.
De centrale vraag binnen deze paper is hoe kan ik opnieuw vat krijgen een soort taal zodat ik de lichamelijke ervaring kan benoemen, die zich niet laat vatten binnen de taal van bestaande medische of patriarchale structuren. In deze zoektocht is de verhouding tussen lichaam, materie, geheugen en taal erg belangrijk. Door middel van een artistiek onderzoek met zelfontgonnen klei uit de Rupelstreek wordt onderzocht of materie kennis kan dragen, oproepen en transformeren.
Theoretisch vertrekt de paper vanuit denkers zoals Simone de Beauvoir, Hélène Cixous, Luce Irigaray, Julia Kristeva, Maurice Merleau-Ponty en Lauren Fournier. Concepten die worden aangehaald zijn: écriture féminine, het semiotische, embodied knowlegde en autotheory. Daarnaast zijn er een aantal mythologische figuren die onvermijdelijk een plekje opeiste in deze paper: Hecate, Ishtar en Diana; als symbolische personificatie.
Deze paper pretendeert geen sluitende definitie van vrouwelijkheid te formuleren, maar creëert een interne denkruimte wat zelfreflectie mogelijk maakt.
Meer lezen

Tweedehands kopen bij De Kringwinkel West: motivaties en barrières. Een verkennende survey naar motivaties, barrières en gedragsverschillen.

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Sébastien
Vandenberghe
Deze bachelorproef onderzoekt welke motivaties en barrières samenhangen met het koopgedrag rond tweedehands goederen bij huidige en potentiële klanten van De Kringwinkel West. Het onderzoek combineert een literatuurstudie met een online hoofdbevraging bij 262 volwassenen en een afzonderlijk gerapporteerde aanvullende survey bij 52 respondenten.

Geld besparen, unieke of vintage vondsten en winkelplezier komen naar voren als de sterkste motivaties. Niet vinden wat men zoekt en onzekerheid over garantie, kwaliteit en hygiëne vormen de relatief sterkste gemeten drempels. Schaamte speelt binnen deze respondentengroep een kleinere rol.

Voor De Kringwinkel West wijzen de bevindingen op kansen om bekendheid en winkelbezoek beter te vertalen naar aankoop en herhaalbezoek. De aanbevelingen richten zich op een beter vindbaar assortiment, zichtbare kwaliteits- en netheidscommunicatie en een heldere prijs- en waardecommunicatie. Zo biedt de studie concrete aanknopingspunten voor de praktijk van een sociale circulaire onderneming. Door de niet-representatieve steekproef en de verschillen tussen beide bevragingen zijn de resultaten verkennend; de effecten van de voorgestelde verbeteringen werden niet getest.
Meer lezen

Fysische modellering en validatie van een krachtgeactiveerd afdaalsysteem

KU Leuven
2026
Wannes
Tijskens
Vrijwel elk zeker- en afdaaltoestel leidt het touw langs een vast pad in bochten om, waarbij de energie wordt omgezet in wrijvingswarmte in het contact tussen touw en toestel. Het touw is daardoor tegelijk draagelement en remelement. De Slow-Fall vertrekt van een ander uitgangspunt: de spanning in het touw wordt via de wigwerking van een V-vormige groef omgezet in een axiale kracht op een afzonderlijke wrijvingsrem, waar de energie wordt gedissipeerd. Het toestel werd iteratief ontwikkeld en werkt in de praktijk, maar waarom het werkt was niet gekend. Daardoor kon geen enkele ontwerpvraag beantwoord worden zonder opnieuw te bouwen en te beproeven, wat de verdere ontwikkeling uiteindelijk stillegde.

Deze masterproef bouwt daarom een experimenteel getoetst fysisch model van het toestel. Het mechanisme werd eerst ontleed tot zijn afzonderlijke krachtoverdrachts- en dissipatie-mechanismen, die vervolgens elk op een zelfontworpen testopstelling gekarakteriseerd werden. Het dynamisch gedrag van het klimtouw werd bepaald uit vrije-valproeven, waarbij uit de dempingsenveloppe en de ogenblikkelijke frequentie van het gemeten signaal een nieuw equivalent model werd afgeleid: het KVC-KV-model, waarin een Coulomb-demper als schakelend element de topologie van het touw laat afhangen van de systeemtoestand. Het geeft als enige zowel de tweeledige dempingsenveloppe als de stijgende oscillatiefrequentie tijdens het uitdempen weer. Daarnaast werden de wrijving tussen touw en cilinder, de belastingsafhankelijke capstanwerking van het gripwiel en het V-wiel, en het remkoppel tussen remschijf en remwiel gemeten en in wiskundige vorm gegoten; voor het gewikkelde touwcontact bleek een machtswetmodel nodig in plaats van de wet van Amontons-Coulomb.

De deelmodellen werden samengebracht in een dynamisch model van het volledige toestel, opgesteld met de methode van Lagrange, uitgebreid met een Rayleigh-dissipatiefunctie en met de droge wrijving als niet-conservatieve gegeneraliseerde krachten. Vier gegeneraliseerde coördinaten volstaan; de overgangen tussen de wrijvingsregimes werden als gebeurtenisgestuurde schakelingen geformuleerd en numeriek geïmplementeerd in Matlab. Om het model te toetsen met touw, wikkelingen, rem en last gelijktijdig actief, werd een hoofdtestopstelling ontworpen en gebouwd. Daarin legt een servoaandrijving op het zekeruiteinde een reproduceerbaar verplaatsingsprofiel op, terwijl de krachten over de volledige krachtweg gemeten worden: zekerkracht, lastkracht, axiale kracht op de remschijf en reactiekracht op het geleidingswiel.

De vergelijking met de metingen legde drie afwijkingen bloot, die elk aan een fysisch mechanisme werden toegewezen en met gerichte correcties opgevangen. Daaruit volgt een beschrijving van de werking: de Slow-Fall is een tweetraps krachtversterker. De wikkelingen rond het gripwiel slippen permanent, waardoor de eerste trap een vaste versterking van de zekerkracht levert; de tweede trap ligt niet vast, omdat de lastspanning volgt uit de beweging van de last zelf. Beide bepalen samen de axiale kracht op de rem, waardoor het toestel een teruggekoppeld systeem is: met de zekerkracht verschuift de gebruiker het werkpunt van die terugkoppeling. Het merendeel van de energie wordt effectief in de rem gedissipeerd, wat het uitgangspunt van het ontwerp bevestigt. Ten slotte rangschikt het model de ontwerp-parameters, waardoor ontwerpkeuzes voortaan eerst doorgerekend en pas daarna beproefd kunnen worden.
Meer lezen

De zorgvolmachtclausule in de huwelijkovereenkomst: een juridisch en praktijkgericht onderzoek naar de bescherming van echtgenoten bij wilsonbekwaamheid

Universiteit Hasselt
2026
Lisa
Winthaegen
Deze masterscriptie onderzoekt of de opname van een zorgvolmachtclausule in een huwelijksovereenkomst een meerwaarde kan bieden voor de bescherming van echtgenoten in geval van wilsonbekwaamheid, in het licht van artikel 12 van het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (IVRPH). Het uitgangspunt van het onderzoek is de vaststelling dat het Belgische recht geen automatische vertegenwoordigingsbevoegdheid toekent aan echtgenoten wanneer één van hen wilsonbekwaam wordt. Hoewel het huwelijk rechten en plichten met zich meebrengt, biedt het huidige recht geen sluitende regeling voor situaties waarin één van de partners zijn of haar belangen niet langer zelfstandig kan behartigen. Het onderzoek heeft een interdisciplinair karakter en combineert een rechtsdogmatische analyse met een empirisch onderzoek. In het juridisch luik worden de begrippen wilsonbekwaamheid, handelingsonbekwaamheid, bewindvoering en huwelijksovereenkomst verduidelijkt. Daarnaast wordt het normatieve kader van artikel 12 IVRPH onderzocht, waarin autonomie, zelfbeschikking en gelijkheid voor de wet centraal staan. Vervolgens worden de bestaande beschermingsmechanismen binnen het Belgische recht geanalyseerd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen buitengerechtelijke bescherming via de zorgvolmacht en gerechtelijke bescherming via bewindvoering. Ook verschillende huwelijksvermogensrechtelijke instrumenten, zoals de rechterlijke machtiging en de overdracht van bestuursbevoegdheden, worden besproken.
Uit deze analyse blijkt dat geen van de bestaande instrumenten een alomvattende oplossing biedt voor situaties van wilsonbekwaamheid binnen het huwelijk. Bewindvoering is een ingrijpende en formele maatregel, terwijl de zorgvolmacht afhankelijk blijft van een voorafgaand initiatief van de betrokken persoon. De huwelijksvermogensrechtelijke instrumenten zijn bovendien beperkt in hun toepassingsgebied en vereisen doorgaans rechterlijke tussenkomst. Tegen deze achtergrond wordt in deze masterscriptie voorgesteld om een regeling van zorgvolmacht te integreren in de huwelijksovereenkomst. Daarbij gaat het niet noodzakelijk om één afzonderlijke clausule, maar eerder om een geheel van samenhangende bepalingen die echtgenoten vooraf toelaten elkaar aan te duiden als vertegenwoordiger in geval van toekomstige wilsonbekwaamheid.
De voorgestelde regeling wordt vervolgens getoetst aan artikel 12 IVRPH. Uit deze toetsing blijkt dat een dergelijke regeling in belangrijke mate aansluit bij de beginselen van autonomie en ondersteunende besluitvorming die in het verdrag centraal staan. De zorgvolmacht vertrekt immers van een voorafgaande wilsuiting van de betrokkene en laat toe dat deze zelf bepaalt wie hem of haar zal vertegenwoordigen en onder welke voorwaarden. Tegelijkertijd wordt benadrukt dat voldoende waarborgen noodzakelijk zijn om misbruik te voorkomen en om het evenwicht tussen bescherming en zelfbeschikking te bewaren.
Het empirisch onderzoek bestaat uit tien diepte-interviews met notarissen uit de provincie Limburg. De interviews tonen aan dat de zorgvolmacht in de praktijk steeds belangrijker wordt als instrument van toekomstige bescherming. De notarissen erkennen de voordelen van een geïntegreerde regeling binnen de huwelijksovereenkomst, onder meer op het vlak van rechtszekerheid, efficiëntie en autonomie. Tegelijk wijzen zij op het belang van maatwerk, duidelijke formuleringen en aandacht voor veranderende familiale omstandigheden.
De masterscriptie besluit dat de integratie van een zorgvolmachtclausule in de huwelijksovereenkomst een waardevolle aanvulling kan vormen binnen het Belgische recht. Zij kan bijdragen tot een meer autonomiegerichte en efficiënte bescherming van echtgenoten bij wilsonbekwaamheid en sluit aan bij de doelstellingen van artikel 12 IVRPH. Deze meerwaarde is echter niet absoluut en vereist een zorgvuldige juridische uitwerking met voldoende waarborgen tegen misbruik.
Meer lezen

Rekenen op meer. Een cognitieve taakanalyse van differentiatie voor sterke rekenaars.

Universiteit Antwerpen
2026
Maxime
Bultheel
Het Vlaamse onderwijslandschap wordt de laatste jaren geconfronteerd met een toenemende bezorgdheid over de rekenvaardigheden van sterke leerlingen. Tegelijkertijd worden leraren in het basisonderwijs geconfronteerd met een toenemende diversiteit binnen hun klasgroep. Zo wordt het uitdagender om tegemoet te komen aan de onderwijsnoden van sterke rekenaars. Om toekomstig onderpresteren, motivatieverlies en talentverlies te voorkomen, zijn interventies in het basisonderwijs van cruciaal belang. Uit onderzoek blijkt dat sterke rekenaars nood hebben aan aangepaste instructie die aansluit bij hun leerstatus en leerpotentieel. Dit plaatst leerkrachten voor didactische en organisatorische vraagstukken. Enerzijds moeten keuzes gemaakt worden die toelaten om sterke rekenaars van instructietijd te voorzien. Anderzijds rijst de vraag welke didactische kenmerken deze instructie idealiter moet bevatten.
Deze masterproef onderzocht hoe leraren de beschikbare instructietijd optimaal kunnen benutten om het leerproces van sterke rekenaars te ondersteunen. Het onderzoek werd uitgevoerd aan de hand van een cognitieve taakanalyse. Eerst werden interventies voor divergente differentiatie geïdentificeerd via een literatuurstudie en de e-learningmodules van Project TALENT. Vervolgens werden rekenlessen geobserveerd en gefilmd, waarna stimulated recall interviews werden afgenomen bij twee expertleerkrachten uit contrasterende expertisecontexten. De voorlopige bevindingen werden ten slotte verdiept en gevalideerd via een semigestructureerd interview met een inhoudsdeskundige.
De resultaten tonen aan dat effectieve differentiatie voor sterke rekenaars in de eerste plaats vertrekt vanuit een krachtige brede basiszorg. Doelgericht werken, afstemming tussen leerdoelen, leeractiviteiten en evaluatie, uitdagende denkactiviteiten en formatieve evaluatie blijken essentiële bouwstenen. Tegelijkertijd volstaat een brede basiszorg niet voor alle sterke rekenaars. Opvallend is echter dat plusdoelen, daarop afgestemde instructietijd en gerichte evaluatie voor sterke rekenaars in de geobserveerde praktijk nauwelijks werd teruggevonden. Differentiatie krijgt er voornamelijk vorm via compacten en zelfstandige verwerking van verrijkingsmateriaal. Compacten en verrijken blijken waardevolle aanvullende interventies, op voorwaarde dat zij aansluiten bij de leerstatus van leerlingen, dat instructietijd gegarandeerd wordt en dat leeractiviteiten vertrekken vanuit plusdoelen.
Meer lezen

Preserving Urban Identity

KU Leuven
2026
Madeline
Smid
Deze thesis onderzoekt hoe ruimtelijke herinneringen richting kunnen geven aan de transformatie van zowel institutioneel als beleefd erfgoed binnen de naoorlogse stedelijke wederopbouw. De focus ligt voornamelijk op Podil, een district in de Oekraïense hoofdstad Kyiv, waar de deelnemers vandaan komen. De thesis vertrekt vanuit de vaststelling dat binnen de naoorlogse wederopbouw van Oekraïne vaak de nadruk ligt op officieel erkend erfgoed, terwijl de alledaagse ruimtelijke herinneringen en levenservaringen van de inwoners het risico lopen over het hoofd te worden gezien.

De onderzoeksvraag luidt: Hoe kan ruimtelijke herinnering richting geven aan de transformatie van zowel institutioneel als beleefd erfgoed binnen de stedelijke wederopbouw na een conflict? Om deze vraag te beantwoorden, werd een participatieve aanpak ontwikkeld waarbij rechtstreeks werd samengewerkt met Oekraïense deelnemers uit hetzelfde stedelijke gebied in Kyiv. Aan de hand van een stapsgewijs proces van gesprekken en co-creatieve sessies combineerde het onderzoek memory talks, mentale kaarten, representatieve kaarten, tekeningen, maquettes en desktoponderzoek. Op deze manier werden de geleefde ervaringen en herinneringen van de deelnemers geleidelijk vertaald naar ruimtelijke representaties. Elke fase bouwde voort op de vorige en bracht nieuwe en meer gedetailleerde inzichten aan het licht. Gedurende het proces werd een dagboek bijgehouden waarin de ontwikkeling van de methodologie stap voor stap werd gedocumenteerd.

De bevindingen tonen aan dat stedelijke identiteit niet alleen wordt gedragen door monumenten, maar ook door alledaagse ruimtelijke structuren en zintuiglijke ervaringen. Op basis van de verschillende fasen van de methodologie werd een identiteitsgericht kader ontwikkeld dat bestaat uit vijf elementen: dagelijkse routine, groen ademen, connectiviteit, historische continuïteit en zintuiglijke rijkdom. Samen kunnen deze elementen de naoorlogse wederopbouw ondersteunen en bijdragen aan het behoud van de stedelijke identiteit.

Het kader werd toegepast op een geselecteerd gebied rond Hostynyi Dvir en de omliggende publieke ruimtes. De toepassing toonde aan hoe het identiteitsgerichte kader kan worden vertaald naar een ontwerp. In plaats van een vastomlijnd ontwerpvoorstel te formuleren, biedt de thesis een kwalitatieve methode om te herkennen welke ruimtelijke kwaliteiten bijdragen aan een gevoel van verbondenheid, collectief geheugen en stedelijke continuïteit. Hoewel het kader werd toegepast op een specifieke locatie, is het overdraagbaar en kan het op verschillende schaalniveaus en in uiteenlopende contexten worden gebruikt, van één gebouw tot een volledig district of een hele stad.

Deze thesis stelt dat naoorlogs herstel verder moet gaan dan het beschermen van officieel erkend erfgoed en dat participatieve benaderingen moeten worden ingezet om te ontdekken welke alledaagse ruimtelijke kwaliteiten eveneens het bewaren waard zijn. Ruimtelijke herinnering vormt daarbij de belangrijkste basis voor een wederopbouw die niet alleen gebouwen herstelt, maar ook de voorwaarden creëert voor het voortzetten van het stedelijke leven. Op die manier kan toekomstige wederopbouw evolueren naar een meer bottom-up praktijk, geworteld in de herinneringen, ervaringen en dagelijkse realiteit van de mensen die de stad bewonen.
Meer lezen

Voorbij het monsterbeeld: de haai als slachtoffer

HOGENT
2026
Marlies
Hemelinckx
Shark species are declining and anthropogenic pressures are on the rise.
This study investigates the occurrence and characteristics of anthropogenic injuries in bull sharks and oceanic blacktip sharks at Aliwal Shoal, Umkomaas, South Africa. The aim is to assess injury frequency, origin, type, anatomical distribution and seasonal variation, as well as the influence of photographic coverage on injury detection.
A total of 383 sharks were analysed, consisting of 53 bull sharks and 330 oceanic blacktip sharks. For bull sharks, 3,975 photographs were systematically reviewed, while 25,354 photographs were analysed for oceanic blacktip sharks. Data was collected using photographic records and classified according to injury presence, number, origin, type and body location. Seasonal patterns were derived from the month of observation and grouped into seasonal categories.
Anthropogenic injuries were recorded in both species, with a substantial proportion of individuals affected. Fishing-related injuries were the most frequent in both bull sharks and oceanic blacktip sharks, followed by vessel-related injuries. Most sharks exhibited a single injury, although multiple injuries per individual were also observed, particularly in oceanic blacktip sharks. Retained fishing gear and associated wounds were the most common injury type, while fins were the most frequently affected body region in both species.
Seasonal variation in newly observed injuries indicated differences in distribution across seasons, with relatively higher frequencies during warmer periods. Photographic analysis showed that a considerable proportion of sharks did not have full-body coverage, suggesting that some injuries may not have been detected and that reported values likely underestimate true occurrence.
Overall, the results demonstrate widespread anthropogenic interaction with sharks at Aliwal Shoal and highlight the importance of fisheries as the main source of injury, as well as the need for improved monitoring methods to better assess impacts on shark populations.
Meer lezen

Recurite: Duurzaam afvalbeheer op intensieve zorgen

Universiteit Antwerpen
2026
Quinten
Hensbergen
Op de afdeling intensieve zorgen belandt gemiddeld 46% van het afval in de verkeerde container. Niet door onwil of onwetendheid, maar omdat de fysieke omgeving zorgverleners daar op het drukste moment van hun werkdag onbewust toe dwingt. Deze thesis onderzoekt de menskundige, technische en contextuele factoren die foutieve afvaltriage op intensieve zorgafdelingen beïnvloeden, en vertaalt die inzichten naar een ontwerpgedreven oplossing.

Recurite is een modulaire verzorgingskar die correcte afvalsortering structureel integreert in de bestaande workflow van de zorgverlener. Door PMD, karton en niet-risicohoudend medisch afval op te vangen op de exacte plaats en het exacte moment waarop die stromen ontstaan tijdens de zorghandeling, wordt correct sorteren een vanzelfsprekend onderdeel van de zorgroutine in plaats van een bewuste extra stap.

Het project werd initieel aangevraagd door ZAS Middelheim en is inmiddels opgenomen binnen het Ontzorg-project van het ReuseLab van de Universiteit Antwerpen. Recurite is het eerste product dat afvaltriage aan de bron faciliteert en tegelijkertijd een fysieke inzameloplossing biedt voor circulaire initiatieven rechtstreeks op de ziekenhuisvloer.
Meer lezen

Systematische substitutie van hoog risicochemicaliën in organische onderwijs-laboratoria aan Quy Nhon Universiteit

Universiteit Antwerpen
2026
Jenno
Vanassche
Deze scriptie onderzoekt hoe bestaande organische onderwijspractica aan de Quy Nhon University (Vietnam) veiliger en duurzamer kunnen worden herontworpen. Een bestaand Excel-gebaseerd risicoanalyse-instrument werd hiervoor uitgebreid met een functionele analyse van de chemicaliën en het gebruik van Hansen solubility parameters (HSP) voor solventselectie. Uit een screening van 98 experimenten werden de meest risicovolle proeven geselecteerd, waarna voor drie hoog-risico experimenten succesvol veiligere alternatieven werden voorgesteld en geëvalueerd. De studie toont aan dat gevaarlijke reagentia en solventen effectief vervangen kunnen worden, waarbij een optimale afweging wordt gemaakt tussen een lagere gevarenscore, materiaalefficiëntie (atoomeconomie), kostprijs en het behoud van de didactische waarde.
Meer lezen

Houding, de ruggengraat van ergonomie: De rol van (student)verpleegkundigen in de preventie van werkgerelateerde musculoskeletale aandoeningen in ziekenhuizen

Thomas More Hogeschool
2026
Lotte
Willio
Deze bachelorproef onderzoekt hoe (student)verpleegkundigen kunnen bijdragen aan de preventie van werkgerelateerde musculoskeletale aandoeningen (WMSD) door ergonomisch te handelen binnen de ziekenhuiscontext.

WMSD zijn lichamelijke klachten aan spieren, gewrichten en pezen die ontstaan door het werk, zoals rug-, nek- en schouderpijn. Ze komen opvallend vaak voor bij verpleegkundigen en zelfs al bij studenten, door een combinatie van fysieke belasting, psychosociale druk en organisatorische knelpunten.

Verpleegkundigen staan dicht bij de zorgvrager en voeren veel fysieke handelingen uit, maar ervaren daarbij vaak twijfel, tijdsdruk of een gebrek aan ondersteuning om ergonomisch te werken.

Deze bachelorproef brengt in kaart welke kennis, vaardigheden en hulpmiddelen zij nodig hebben om die belasting te verminderen. Uit de literatuur blijkt dat effectieve preventie steunt op educatie, ergonomische hulpmiddelen en een gedragen ergonomiecultuur op de werkvloer.

Op basis van deze inzichten werd een praktisch prototype ontwikkeld dat verpleegkundigen duidelijke handvatten biedt om ergonomie haalbaar en toepasbaar te maken. Het onderzoek toont dat vroege sensibilisering tijdens de opleiding en structurele ondersteuning essentieel zijn om zorgprofessionals duurzaam te beschermen.
Meer lezen

Real-Time Remote AI Segmentation over 4G/5G Networks for Assistive Navigation on Custom Trails for Visually Impaired Persons (VIPS)

Vrije Universiteit Brussel
2026
Maarten
Dequanter
De scriptie onderzoekt of artificiële intelligentie en publieke 4G/5G-netwerken kunnen worden ingezet om blinde en slechtziende personen in real time te ondersteunen bij het volgen van wandelpaden. Een camera maakt beelden van de omgeving, waarna een AI-model het begaanbare pad herkent en omzet in eenvoudige richtingsinformatie, zoals links, rechts of rechtdoor. Daarbij wordt onderzocht of die beeldanalyse best lokaal op een klein toestel gebeurt of op een krachtige computer op afstand.

Uit de experimenten blijkt dat een energiezuinig toestel zoals een Raspberry Pi 5 onvoldoende snel is voor lokale real-time beeldsegmentatie, terwijl verwerking op een externe GPU via een publiek 5G-netwerk wel voldoende snel kan reageren. Tijdens veldmetingen werd een gemiddelde 5G-latency van ongeveer 24 ms gemeten en bleef de totale reactietijd bij geschikte instellingen onder ongeveer 200 ms, wat bruikbaar is voor begeleiding aan wandelsnelheid.

De scriptie ontwikkelt daarnaast een veilige en reproduceerbare testmethode met een digitaal park in Unreal Engine en vormde de technische basis voor de smartphone-app Stay On Trails en het vervolgproject BlindNavParks, dat steun kreeg van de Koning Boudewijnstichting.

Kort samengevat: de scriptie toont aan dat cloudondersteunde AI via bestaande 5G-netwerken technisch haalbaar is als basis voor betaalbare assistieve navigatie voor mensen met een visuele beperking.
Meer lezen

Assessing the Impact of Volume- to Weight-Based Household Waste Pricing: A Staggered Difference-in-Differences Approach

Universiteit Gent
2026
Jef
Bruggeman
De afgelopen jaren zijn de politieke debatten in heel Vlaanderen over de milieulast die gepaard gaat met de inzameling van huishoudelijk afval geïntensiveerd. Om de doelstellingen uit het regionale Lokaal Materialenplan 2023-2030 te behalen, hebben lokale overheden de traditionele, op volume gebaseerde huisvuilzakken uitgefaseerd ten gunste van gedifferentieerde, op gewicht gebaseerde tariefmodellen (DIFTAR) die gebruikmaken van gechipte afvalcontainers. Ondanks de internationale steun voor op gewicht gebaseerd beleid, toont historische empirische literatuur uit Vlaanderen aan dat de initiële afname-effecten binnen vijf jaar wegebben. Tegelijkertijd is er een gebrek aan gedetailleerde inzichten over meerdere afvalfracties heen met betrekking tot het substitutiegedrag van huishoudens. Deze masterproef pakt deze hiaten aan door een uitgebreide longitudinale paneldataset te evalueren die 17 huishoudelijke afvalstromen in 266 niet-gefuseerde Vlaamse gemeenten volgt van 2017 tot 2024.

Methodologisch gezien implementeert de studie een conditioneel 'staggered Difference-in-Differences' schattingskader dat corrigeert voor multi-periode selectiebias en problemen met negatieve weging, terwijl er via de Belfius-gemeentetypologie wordt gecontroleerd op structurele en demografische variaties. De bevindingen tonen aan dat de overgang naar op gewicht gebaseerde mechanismen resulteert in een statistisch significante, algehele reductie van 11,80% in de productie van huishoudelijk restafval, met een piek van 17,27% tijdens het eerste volledige jaar na de implementatie. Hoewel er in de laatste jaren een uitdoofeffect wordt waargenomen, blijft deze trend voorlopig nog tentatief vanwege databeperkingen en een beperkte observatieperiode na de implementatie voor gemeenten die het systeem recent hebben ingevoerd.

Cruciaal is dat de multi-fractie substitutieanalyse aantoont dat positieve substitutie-effecten beperkt blijven tot klein gevaarlijk afval (KGA) (+6,97%) en plantaardige en dierlijke oliën/vetten (+5,10%). Het merendeel van het afgewende gewicht valt echter in de categorie van netto voorkomen afval of afwending buiten het systeem, zoals thuiscomposteren. Stratificaties van subgroepen geven aan dat, terwijl landelijke gebieden organisch afval opvangen via thuiscomposteren en substitueren via het sorteren van plastic, inwoners van stedelijke centra materialen verschuiven naar de gemeentelijke bioafval- of gft-fracties.

Tot slot minimaliseren gerichte configuraties, zoals niet-lineaire, getrapte prijsmodellen, het traditionele uitdoofeffect en leiden ze tot een sterkere daling van het restafval van ongeveer 20%. Deze empirische inzichten bieden een basis voor lokale overheden om de operationele afvallogistiek aan te passen, gerichte communicatiecampagnes op te zetten en strategische plannen voor publieke infrastructuur te optimaliseren.
Meer lezen

Conflicthantering op de speelplaats - Een praktijkonderzoek naar ondersteuning bij conflicthantering

HOGENT
2026
Ada
Zaman
Deze bachelorproef onderzoekt hoe leerkrachten en toezichters van Freinetschool De Spiegel beter ondersteund kunnen worden bij conflicthantering op de speelplaats. Via observaties, interviews en literatuuronderzoek werden de noden in kaart gebracht. Op basis daarvan werd een praktisch en herstelgericht adviesrapport ontwikkeld.
Meer lezen

Naamgeving in het digitale tijdperk: Een kwalitatieve studie naar de rol van traditionele media, sociale media, apps in het keuzeproces van voornamen bij jonge ouders

Universiteit Antwerpen
2026
Marieke
Vanooteghem
Het kiezen van een voornaam is een betekenisvolle beslissing waar ouders veel tijd en moeite in steken. Eerder onderzoek toonde al de rol van traditionele media in naamgevingspraktijken aan, maar de invloed van sociale media en apps op dit proces blijft onderbelicht. Deze studie onderzoekt de rol van traditionele media, sociale media en apps in het beslissingsproces in de voornaamkeuze bij jonge ouders. Aan de hand van semigestructureerde diepte-interviews met 21 respondenten, waaronder tien koppels die samen geïnterviewd werden en één alleenstaande moeder, werd het naamgevingsproces in kaart gebracht volgens het fasenmodel van Aldrin (2014), dat loopt van de inspiratiefase tot de narratieve fase. De resultaten tonen aan dat media een rol spelen in verschillende fasen van het naamgevingsproces, al is dat niet in alle fasen het geval en verschilt de mate van invloed. De inspiratiefase vertoonde de sterkste media-betrokkenheid. Websites, en in het bijzonder de databank van Kind en Gezin, werden systematisch gebruikt, Instagram fungeerde als een belangrijke bron van zowel toevallige als gerichte blootstelling aan namen, en babynaam-apps hielpen koppels bij het opstellen van een eerste shortlist. In de vergelijkingsfase vervulden media-gerelateerde associaties een filterfunctie, terwijl media in de narratieve fase een betekenisgevende rol op zich namen. Een opmerkelijke bevinding was het opkomende gebruik van AI-tools bij enkele respondenten, wat wijst op een trend die verder onderzoek verdient. Deze bevindingen tonen aan dat het naamgevingsproces in het digitale tijdperk sterk verweven is geraakt met dagelijks mediagebruik, en roepen op tot verder onderzoek naar de rol van platformen zoals TikTok en AI-tools.
Meer lezen

The instant messaging use of secondary school teachers and its implications for teacher well-being

Universiteit Gent
2026
Kyra
De Keyser
Instant messaging wordt steeds vaker gebruikt op de werkvloer. Eerder onderzoek heeft aangetoond dat werkgerelateerd gebruik van instant messaging zowel positieve als negatieve implicaties met zich meebrengt. Omdat werkcontexten sterk kunnen verschillen, focust deze studie specifiek op het secundair onderwijs. Aan de hand van diepte-interviews met 15 Vlaamse leerkrachten secundair onderwijs wordt hun gebruik van instant messaging met collega's en/of leerlingen in kaart gebracht. Daarnaast wordt nagegaan in welke mate leerkrachten op de hoogte zijn van het socialemediabeleid van hun school en hoe ze dit beleid ervaren. De resultaten tonen aan dat instant messaging vooral onder collega's voorkomt en in mindere mate met leerlingen. Participanten ervaren voordelen (snelheid en versterken van onderlinge banden), nadelen (gebrek aan overzicht, informatie-overload, storende meldingen en verstoorde werk-privébalans) en ambivalente implicaties (informaliteit en grotere toegankelijkheid). Ongeveer de helft van de bevraagde leerkrachten is niet op de hoogte van de richtlijnen rond werkgerelateerde communicatie (deconnectie en (on)gewenste kanalen). Op basis daarvan worden enkele aanbevelingen geformuleerd voor het socialemediabeleid van scholen.
Meer lezen

Linking genotype to behaviour: the genetic and regulatory basis of predator-induced plasticity in Daphnia magna

KU Leuven
2026
Anton
de Jong
Deze thesis onderzoekt hoe de watervlo Daphnia magna haar gedrag aanpast als reactie op de aanwezigheid van vis-predatoren, en welke genen daaraan ten grondslag liggen. Met een gedragsassay werd bij 101 klonen uit 20 Vlaamse vijvers gemeten hoe blootstelling aan chemische vis-signalen (kairomonen) de verticale positie in de waterkolom en de zwemsnelheid beïnvloedt. Klonen uit vijvers zonder historische vis-predatie vertoonden geen (of een omgekeerde) ontwijkingsrespons, wat wijst op verlies van plasticiteit bij afwezigheid van predatiedruk.

Een genoombrede associatiestudie (GWAS) koppelde de basale verticale positie aan een opsine-achtig gen, en plasticiteit in zwemsnelheid aan genen die lijken op Rotund-eiwitten, mogelijk betrokken bij geurwaarneming. Transcriptoomanalyse toonde daarnaast brede metabole en neurologische veranderingen na kairomoonblootstelling, en door dit te combineren met ATAC-seq-data werd een voorlopig genregulatorisch netwerk opgebouwd rond twee centrale transcriptiefactoren. Samen leveren deze resultaten nieuwe inzichten op in de moleculaire basis van gedragsplasticiteit bij predatiegevaar.
Meer lezen

Van Draagkracht naar Teamveerkracht

Hogeschool UCLL
2026
Marylène
Hoho
Onderzoek binnen een specifieke zorgcontext binnen de jeugdzorg over het effect van welzijn op de werkprestaties, draagkracht en veerkracht van de medewerkers en het volledige team.
Meer lezen

Kinderwens, fertiliteit en ouderschap voorbij de norm. Een belevingsonderzoek bij trans en non-binaire koppels binnen een cisgender heteronormatieve context.

Universiteit Gent
2026
Maximo
Meerschaut
Deze masterproef onderzocht de beleving van genderdiverse koppels aangaande hun kinderwens, fertiliteitstraject en ouderschap binnen een cisgender heteronormatieve context, afgestemd op beleidsprotocollen van fertiliteitscentra. Een fertiliteitsproblematiek is een koppelprobleem, echter blijft het koppelperspectief onderbelicht. Bijgevolg is het belangrijk om hun beleving te exploreren en te kaderen teneinde genderinclusieve en sensitieve (fertiliteits)zorg te kunnen verlenen en negatieve ervaringen vermeden worden. Dit onderzoek betreft kwalitatieve, semigestructureerde interviews met 18 genderdiverse en cisgender participanten. Via thematische analyse werden vier thema’s geïdentificeerd: kinderwens, het fertiliteitstraject, ouderschap en invloed van een cisgender heteronormatieve context. Bevindingen tonen aan dat een kinderwens vaak al vroeg ontstaat en dat beslissingen hierover onder (leef)tijdsdruk genomen moeten worden, waardoor het traject als intens en complex wordt ervaren. Communicatie binnen het koppel en met zorgverleners blijkt fundamenteel, maar genderinclusieve zorg is nog onvoldoende aanwezig. Beleid en juridische kaders sluiten onvoldoende aan bij de realiteit van genderdiverse koppels. De resultaten benadrukken de nood aan inclusieve, flexibele en psychosociale ondersteuning in fertiliteitszorg.
Meer lezen

Van blauwe plek tot rode vlag

Thomas More Hogeschool
2026
Fran
De Block
Kindermishandeling herkennen is niet altijd eenvoudig. Signalen kunnen lichamelijk, gedragsmatig of emotioneel zijn en zijn zelden op zichzelf doorslaggevend. Verpleegkundigen op spoed- en pediatrische afdelingen staan dicht bij kinderen en kunnen daardoor belangrijke signalen opmerken, maar botsen in de praktijk vaak op twijfel: wat betekent wat ik zie, hoe bespreek ik mijn bezorgdheid en welke stappen mag of moet ik zetten?

Deze bachelorproef brengt in kaart welke kennis en ondersteuning verpleegkundigen nodig hebben om die onzekerheid beter te hanteren. Daarbij gaat het niet alleen om het herkennen van signalen, maar ook om objectief observeren en rapporteren, communiceren met kind en ouders, samenwerken binnen het team en inzicht krijgen in het juridisch kader en de meldstructuur.

Vanuit die bevindingen werd een interactieve bijscholing uitgewerkt, samen met een praktisch document waarin de belangrijkste informatie overzichtelijk wordt gebundeld. Zo krijgen verpleegkundigen concrete houvast op momenten waarop iets niet klopt, zonder te verwachten dat zij meteen zekerheid hebben.

De kern van deze bachelorproef is dan ook eenvoudig: twijfel hoeft niet te verdwijnen, maar ze mag ook niet betekenen dat een belangrijk signaal verloren gaat.
Meer lezen

"Samen ontplooien we ons tot schattenjagers" - Onderzoek naar en het optimaliseren van de speel- en leerkansen bij de kinderen en jongeren in Mon Refuge (Togo).

Hogeschool VIVES
2026
Ade
BAEKE
  • Lize
    Verschelde
Deze bachelorproef kwam tot stand binnen het OPO Internationaal project van de VIVES Hogeschool in samenwerking met Togo Debout en ONG Ange. Het project situeert zich binnen een internationale uitwisseling in het centrum Mon Refuge, dat deel uitmaakt van ONG Ange. Dit centrum richt zich op kinderen en jongeren in kwetsbare leefsituaties. Tijdens onze eerste weken hebben we vooral geobserveerd en kregen we zicht op de lokale noden en behoeften. We merkten dat er veel spel- en activiteitenmateriaal aanwezig was, maar dat dit niet altijd overzichtelijk of toegankelijk was. Daarnaast wensten de begeleiders extra ondersteuning en inspiratie om meer verschillende educatieve en recreatieve activiteiten te organiseren. Vanuit deze noden ontwikkelden we het project: “Samen ontplooien we ons tot schattenjagers”.

Met deze bachelorproef probeerden we de begeleiders en animatoren handvaten te bieden om een gevarieerd spelaanbod te creëren. Enerzijds ontwikkelden we een activiteitengids met ludieke en pedagogische activiteiten die de begeleiders en animatoren kunnen ondersteunen. Hierin creëerden we vier categorieën; creatief, educatief, sportief en groepsspelen. We ontwikkelden een vast sjabloon met bijhorende uitleg over hoe je dit kan invullen. Zelf schreven we ook al heel wat verschillende soorten spelen uit en gaven we enkele tips en tricks voor het organiseren van een activiteit. Anderzijds werkten we een uitleensysteem uit om het aanwezige spelmateriaal toegankelijker en overzichtelijker te maken. Dit deden we door drie spelboxen te maken. Hierin maakten we een onderscheid tussen creatief spelmateriaal, gezelschapsspelletjes en materiaal voor buiten. Dit met als doel bij te dragen aan het uitbreiden van speelkansen en ontwikkelingskansen voor de kinderen en jongeren van Mon Refuge.

De bachelorproef steunt op theoretische kaders rond wenselijke preventie en ervaringsgericht werken. Hierbij leggen we voortdurend de link tussen theorie en praktijkervaring binnen Mon Refuge. We besteden ook aandacht aan de internationale en interculturele context waarin dit project gerealiseerd werd. Uit de praktijkervaring en evaluaties bleek dat het invoeren van een gevarieerde activiteitengids en een spelotheek een positieve invloed hadden op de speelkansen van de kinderen en jongeren. Zo zagen we meer gevarieerd spel ontstaan en waren de kinderen en jongeren doorheen de vrije momenten actiever dan voorheen. Tijdens het schrijven van deze bachelorproef kijken we met een kritische blik naar het proces en de resultaten. We merkten een enorme betrokkenheid van alle actoren doorheen het hele proces en bereidheid om ons project verder te zetten.
Meer lezen

Innovatieve Thermische Responstesten voor Geothermische Boorvelden

KU Leuven
2026
Bart
Vandenhout
Geothermische warmtepompen kunnen gebouwen efficiënt en duurzaam verwarmen en koelen, maar de hoge kost van boringen blijft een belangrijke drempel. Om een boorveld correct te dimensioneren, wordt daarom vaak een thermische responstest uitgevoerd. Zo’n test meet hoe goed de bodem warmte kan opnemen en afgeven, maar duurt doorgaans meerdere dagen.

In deze thesis onderzocht ik hoe deze testen sneller en efficiënter kunnen. Daarvoor ontwierp en bouwde ik zelf een nieuw meettoestel dat twee verschillende soorten thermische responstesten kan uitvoeren. Met dit toestel voerde ik praktijktesten uit op een boorveld en vergeleek ik beide methodes rechtstreeks onder dezelfde omstandigheden. De klassieke methode met constant vermogen bleek daarbij het meest robuust en praktisch inzetbaar.

Daarnaast ontwikkelde ik een nauwkeuriger thermisch model waarmee ook de eerste uren van een meting kunnen worden benut. Hierdoor kon de benodigde testduur gemiddeld met tot 24% worden verkort. Snellere en betrouwbare metingen kunnen de kosten van geothermische projecten verlagen en zo bijdragen aan een bredere toepassing van duurzame verwarming en koeling.
Meer lezen

Effectieve verpleegkundige hulpmiddelen en communicatiestrategieën bij medicatie-educatie voor anderstalige patiënten

Hogeschool UCLL
2026
Sushma
Paudel
Deze bachelorproef onderzoekt welke verpleegkundige hulpmiddelen en communicatiestrategieën kunnen bijdragen aan veilige en begrijpelijke medicatie-educatie voor anderstalige patiënten. Taalbarrières kunnen leiden tot misverstanden, foutief medicatiegebruik en verminderde therapietrouw, waardoor ook de patiëntveiligheid in het gedrang kan komen.

Aan de hand van een systematische literatuurstudie werden zes recente wetenschappelijke artikelen geselecteerd en kritisch beoordeeld. De resultaten tonen aan dat een gecombineerde en patiëntgerichte aanpak het meest aangewezen is. Medicatie-informatie in de voorkeurstaal van de patiënt, vereenvoudigde instructies, pictogrammen en de teach-backmethode kunnen het begrip ondersteunen. Digitale vertaalhulpmiddelen kunnen een aanvullende rol spelen, maar zijn bij complexe medische informatie geen volwaardige vervanging voor professionele tolken of menselijke communicatie.

Op basis van de bevindingen werden praktische aanbevelingen en hulpmiddelen uitgewerkt voor de verpleegkundige praktijk, waaronder medicatiekaarten met pictogrammen, een beslisboom voor het omgaan met taalbarrières en een implementatieplan. Hiermee wil deze bachelorproef bijdragen aan toegankelijke, patiëntgerichte en veilige medicatiezorg voor anderstalige patiënten.
Meer lezen

Van Kunst naar Kunstmatigheid. Het gebruik van literaire werken uit schaduwbibliotheken bij de training van generatieve AI-modellen in het licht van het Europese auteursrecht

KU Leuven
2026
Eva
Van Remoortel
De opkomst van grote taalmodellen, zoals OpenAI’s ChatGPT, zet het Europese auteursrecht onder druk door de grootschalige verwerking van beschermde literaire werken als trainingsdata. Uit recente Amerikaanse procedures tegen Meta en Anthropic bleek dat dergelijke trainingsdata miljoenen illegaal verspreide boekkopieën omvatten. Deze masterproef onderzoekt de juridische toelaatbaarheid van het gebruik van auteursrechtelijk beschermde literaire werken uit digitale schaduwbibliotheken, zoals Library Genesis, voor de training van commerciële generatieve AI-modellen binnen het huidige Europese auteursrechtelijke kader en of dit kader toereikend is.

Het onderzoek vertrekt vanuit een analyse van het Unierechtelijk normatieve kader, met bijzondere aandacht voor het reproductierecht, het gesloten systeem van wettelijke uitzonderingen en de commerciële TDM‑uitzondering van artikel 4 DSM‑richtlijn. Centraal staat de interpretatie van ‘rechtmatig toegankelijke werken’, een constitutief vereiste voor de toepasbaarheid van de TDM‑uitzondering. Tegen deze normatieve achtergrond kwalificeert het onderzoek schaduwbibliotheken als structureel inbreukmakende bronnen. Commerciële AI‑aanbieders die dergelijke bronnen gebruiken, kunnen zich bijgevolg niet beroepen op de commerciële TDM‑uitzondering. Zelfs indien AI‑training onder het begrip TDM zou vallen, blijft deze bronvereiste een absolute drempel.

Een rechtsvergelijkende analyse met de Amerikaanse fair use-doctrine toont een structureel verschil met het continentaal Europese gesloten systeem van uitzonderingen, maar ook een opvallende convergentie in uitkomst. De Amerikaanse schikking in Bartz v. Anthropic illustreert dat AI-aanbieders een enorm juridisch risico lopen bij het gebruik van trainingsdata uit schaduwbibliotheken.

De thesis onderzoekt vervolgens de effectiviteit van het Europese handhavingskader. Verschillende obstakels die de praktische afdwingbaarheid ondermijnen, komen aan bod. Hoewel de AI‑verordening aanvullende verplichtingen inzake transparantie en naleving auteursrecht introduceert, blijven deze voorlopig onvoldoende uitgewerkt om effectieve private handhaving te waarborgen.

De masterproef concludeert dat het gebruik van werken uit digitale schaduwbibliotheken voor AI‑training onverenigbaar is met het Europese auteursrecht. Hoewel het normatieve kader juridisch duidelijk is, schiet de praktische handhaving tekort. Een norm die niet afdwingbaar is, verliest onvermijdelijk haar regulerende kracht in een digitale economie die grenzen moeiteloos overschrijdt.
Meer lezen

Determinaten van werkgerelateerde burn-out bij verpleegkundigen op kritieke diensten:een literatuurstudie

HOGENT
2026
Anouk
Domah
Deze bachelorproef onderzoekt welke factoren het ontstaan van werkgerelateerde burn-out bij verpleegkundigen op kritieke diensten beïnvloeden. Hiervoor werd een systematische literatuurstudie uitgevoerd in PubMed en Web of Science. Uit de resultaten blijkt dat burn-out ontstaat door een combinatie van factoren, waaronder een hoge werkdruk, personeelstekorten, onregelmatige werkuren, emotionele belasting en onvoldoende steun. Sociale steun, een positieve werkomgeving en toegankelijke leidinggevenden kunnen een beschermende rol spelen. Preventie moet daarom niet alleen gericht zijn op de individuele verpleegkundige, maar ook op structurele verbeteringen binnen de zorgorganisatie.
Meer lezen

Evaluatie en optimalisatie van DLC-scanmethode voor de bepaling van de radiochemische zuiverheid van technetium-99m-radiofarmaca: vergelijking met de “knip-en meetmethode”

Erasmushogeschool Brussel
2026
Fleur
Patteaux
In de nucleaire geneeskunde is de bepaling van de RCP essentieel voor de patuëntveiligheid en beeldkwaliteit. Deze studie evalueert of een geautomatiseerde TLC-scanner een betrouwbaar en efficiënt alternatief vormt voor de arbeidsintensieve "knip-en-meetmethode".

De studie beoogt de bruikbaarheid van een TLC-scanner als alternatief voor de conventionele methode te beoordelen en te onderzoeken of het optimaliseren van chromatografische condities meerwaarde biedt ten opzichte van de standaard SKP-richtlijnen voor zes specifieke Tc-99m-radiofarmaca (HDP,DMSA, MAG3, Pulmocis, Nanoscint en Myoview).

RCP-waarden werden parallel bepaald met de TLC-scanner en de knip-en meetmethode. Er werden experimenten uitgevoerd met geoptimaliseerde condities om de piekscheiding te verbeteren. Statistische analyse werd uitgevoerd met t-testen en een Bland-Altman-analyse om de bias en de grenzen van overeenstemming te bepalen.

De resultaten tonen aan dat de TLC-scanner betrouwbare RCP-waarden levert onder zowel SKP- als geoptimaliseerde condities, waarbij consistent aan de acceptatiecriteria wordt voldaan. Er werd geen statistisch significant verschil (p > 0,05) gevonden tussen de SKP- en de geoptimaliseerde methoden. Hoewel de RCP vergelijkbaar bleef, leidde optimalisatie tot scherpere pieken en een minder subjectieve interpretatie van de chromatogrammen. De Bland-Altman-analyse bevestigde een sterke correlatie met de knip-en-meetmethode met een verwaarloosbare bias.

De TLC-scanner is een valide, reproduceerbaar alternatief dat de efficiëntie, standaardisatie en stralingsbescherming in de routinepraktijk verhoogt. Hoewel de huidige protocollen robuust zijn, bieden geoptimaliseerde methoden duidelijke voordelen voor de dagelijkse interpretatie van de kwaliteitscontrole.
Meer lezen

Tussen Twee Stoelen: Een geschiedenis van lesbische netwerken, organisaties en ruimtes in Antwerpen (1970-1990).

Universiteit Gent
2026
Lotte
Dötsch
Deze masterproef onderzoekt lesbische ruimtes, organisaties en netwerken in Antwerpen tijdens de jaren 1970 en 1980, met af en toe een uitwijking naar de bredere tweede helft van de 20ste eeuw. Aan de hand van literatuuronderzoek, archiefonderzoek en oral history-interviews analyseert de studie hoe lesbische vrouwen zich organiseerden binnen een context van dubbele uitsluiting: binnen de door mannen gedomineerde homobeweging en binnen de heteroseksuele vrouwenbeweging. De thesis belicht de rol van autonome organisaties zoals Atthis en Chatterbox, de betekenis van fysieke ontmoetingsplaatsen en de werking van formele en informele netwerken. Daarnaast wordt onderzocht hoe feminisme, radicale politiek en het idee van lesbianisme als politieke keuze bijdroegen aan de ontwikkeling van een eigen lesbische cultuur en gemeenschap. Door historische bronnen te combineren met persoonlijke getuigenissen brengt deze studie de leefwerelden van lesbische vrouwen in Antwerpen in kaart en draagt ze bij aan de beperkte historiografie rond lesbische geschiedenis in België.
Meer lezen

Lezen om jezelf en de ander te zien: Validatie van de TREQ-C en een dialogische literatuurinterventie bij tien- tot twaalfjarigen

Universiteit Antwerpen
2026
Steffi
Struys
Vanaf schooljaar 2026-2027 moeten Vlaamse basisscholen binnen de vakdiscipline Nederlands ook literatuur onderwijzen als elementair onderwerp. Het nieuwe minimumdoel 1.5.7 stelt dat leerlingen verbanden moeten leggen tussen elementen uit de tekst en hun eigen emoties en gedachten en deze met medeleerlingen bespreken. Hoewel er een groeiende evidentie is dat het lezen van literatuur zelfinzicht, empathie en inlevingsvermogen kan bevorderen, ontbreekt empirisch onderzoek binnen de Vlaamse basisschoolcontext. Deze masterproef adresseert deze lacune met twee gerelateerde
onderzoeksdoelen.
Het eerste doel was het valideren van de Transformative Reading Experiences Questionnaire (TREQ) voor gebruik in de basisschool, in de vorm van een aangepaste basisschoolversie (TREQ-C). De vragenlijst werd ingevuld door 368 leerlingen (leeftijd 10-13) uit elf Vlaamse basisscholen. Een principale componentenanalyse, aangevuld met een exploratieve factoranalyse en betrouwbaarheidsanalyse, toonde aan dat de originele zeven-dimensionale structuur niet volledig repliceerde. Een herziene vierdimensionale versie bleek wel robuust: Verbeelding, Zelfinzicht en inzicht in de ander, Oordelen over personages en Emotionele en esthetische respons. De TREQ-C
vertoonde een aanvaardbare tot goede betrouwbaarheid, met Zelfinzicht en inzicht in de ander als de sterkste schaal (α = .84).
Het tweede doel was het verkennen van het effect van een interventie bestaande uit zes dialogische literatuurlessen, gebaseerd op Transformative Dialogic Literature Teaching (TDLT), op 59 leerlingen uit het vijfde en zesde leerjaar. Een pre-post design zonder controlegroep toonde een klein maar significant positief effect op Zelfinzicht en inzicht in de ander (t(58) = 2.07, p = .043, d = 0.27); op de andere schalen werden geen significante effecten gevonden.
Samen leggen deze bevindingen een voorlopige empirische basis voor het evalueren en ondersteunen van transformatief literatuuronderwijs in Vlaamse basisscholen, in lijn met de verwachtingen in het vernieuwde curriculum
Meer lezen

WIENS STEM TELT IN HET DEBAT? Een onderzoek naar brondiversiteit en publieksbekendheid over dwingende controle in de Vlaamse pers

Vrije Universiteit Brussel
2026
Bruna
Rodrigues Bastos
Dwingende controle is een vorm van partnergeweld waarbij iemand stap voor stap de vrijheid van zijn of haar partner overneemt, via dreiging, isolatie en voortdurende controle. Fysiek geweld hoeft daar niet bij te horen. Toch geldt het als een van de belangrijkste voorspellers van femicide.

Daarom onderzoekt deze masterproef of dat begrip zichtbaar is in de Vlaamse pers, en of nieuwsgebruikers het kennen. Dat gebeurde op twee manieren. Een kwantitatieve inhoudsanalyse bracht de berichtgeving over partnergeweld in Het Laatste Nieuws en Het Nieuwsblad in kaart, met een vergelijking tussen 2022 en 2025, dus voor en na de femicidewet. Daarnaast peilde een online bevraging bij 150 respondenten hun kennis en hun beoordeling van de berichtgeving.

Uit de analyse blijkt dat de term dwingende controle in 2025 in amper 0,1 tot 0,2 procent van de artikelen expliciet voorkomt, terwijl het bijbehorende gedrag wel volop wordt beschreven. De berichtgeving leunt sterk op politie en gerecht, en verwijst zelden naar hulplijn 1712. Aan de ontvangstzijde voelt 84 procent van de bevraagden zich onvoldoende geïnformeerd om de signalen te herkennen.

Samen legt het onderzoek een duidelijke informatiekloof bloot tussen de journalistieke praktijk en wat nieuwsgebruikers nodig hebben, en formuleert het concrete aanbevelingen voor redacties.
Meer lezen