Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

De wilde bij als sleutel tot duurzaamheidseducatie

Odisee Hogeschool
2026
Soeze
Windey
  • Ilinka
    Devillé
Biodiversiteit vormt de basis van goed functionerende ecosystemen en is onmisbaar voor het leven op aarde. Toch staat deze biodiversiteit wereldwijd onder druk. In Vlaanderen nemen steeds meer planten- en diersoorten af of verdwijnen ze volledig. Een van de groepen die bijzonder kwetsbaar is, zijn de wilde bijen. Hoewel ze vaak minder bekend zijn dan honingbijen, spelen wilde bijen een cruciale rol in de bestuiving van planten en gewassen. Hierdoor dragen ze niet alleen bij aan het behoud van
biodiversiteit, maar ook aan onze voedselproductie en de kwaliteit van onze leefomgeving.
De achteruitgang van wilde bijen wordt veroorzaakt door verschillende factoren, waaronder het verlies van geschikte leefgebieden, een afname van bloemenrijke omgevingen, het gebruik van bestrijdingsmiddelen en de gevolgen van klimaatverandering. Ondanks het grote belang van deze bestuivers merken we dat hun rol en betekenis binnen het onderwijs vaak beperkt aan bod komen.
Nochtans biedt dit thema tal van kansen om leerlingen bewust te maken van de samenhang tussen mens, natuur en milieu.
Vanuit deze vaststelling groeide onze interesse voor dit onderwerp. Natuur, biodiversiteit en duurzaamheid zijn thema’s die ons persoonlijk sterk aanspreken. Daarnaast geloven wij dat het onderwijs een belangrijke rol speelt in het ontwikkelen van kennis, vaardigheden en attitudes die bijdragen aan een duurzame samenleving. Door leerlingen inzicht te geven in het belang van wilde bijen en biodiversiteit, kunnen zij bewustere keuzes maken en een groter verantwoordelijkheidsgevoel ontwikkelen ten aanzien van hun omgeving. Binnen deze bachelorproef staat daarom de volgende onderzoeksvraag centraal: "Op welke manier kan duurzaamheidseducatie rond de wilde bij worden geïntegreerd in een betekenisvol en onderzoekend lessenpakket voor de derde graad van het lager onderwijs?"
Om deze onderzoeksvraag te beantwoorden, werd eerst een theoretisch kader uitgewerkt rond duurzaamheidseducatie, biodiversiteit, bestuiving, bestuivers en de wilde bij. Daarnaast werd onderzocht welke kenmerken van betekenisvol en onderzoekend leren aansluiten bij leerlingen uit de derde graad van het lager onderwijs. Op basis van deze inzichten werd een lessenpakket ontwikkeld dat bestaat uit zes lessen van telkens 100 minuten. Aan de hand van onderzoekende activiteiten,
observaties, samenwerking, reflectie en praktijkgerichte opdrachten ontdekken leerlingen stap voor stap het belang van wilde bijen binnen ecosystemen en biodiversiteit. Tegelijk worden zij gestimuleerd om kritisch na te denken over de impact van menselijk handelen op de natuur en over hun eigen rol binnen een duurzame samenleving.
Met deze bachelorproef willen we niet alleen een bruikbaar en onderbouwd lessenpakket aanbieden voor leerkrachten, maar ook bijdragen aan de ontwikkeling van ecologische bewustwording en handelingsbekwaamheid bij leerlingen. We willen hen laten ervaren dat zij, ondanks hun jonge leeftijd, een verschil kunnen maken voor biodiversiteit en bestuivers in hun eigen omgeving. Op die manier hopen we een bijdrage te leveren aan duurzaamheidseducatie en aan de vorming van betrokken burgers die zorg dragen voor natuur, milieu en toekomstige generaties.
Meer lezen

Ontwikkeling van een computationele ontwerppipeline die de ergonomische vormgeving van een parametrische 3D-geprinte bureaustoel automatiseert

Universiteit Gent
2026
Tom
De Deyn
De masterproef onderzoekt hoe computationeel en parametrisch ontwerpen kunnen worden ingezet om gepersonaliseerde ergonomische bureaustoelen automatisch te ontwerpen. Hiervoor werden bestaande methoden voor 3D-scanning, pose estimation en parametrische geometriegeneratie onderzocht en geëvalueerd. Op basis hiervan werd een computationele ontwerppipeline ontwikkeld die lichaamsgegevens vertaalt naar ergonomische ontwerpparameters en vervolgens automatisch een gepersonaliseerde stoel genereert.
Daarnaast werd een multivariaat regressiemodel ontwikkeld om de vorm van de rugleuning af te stemmen op de individuele lichaamshouding. De ontwikkelde methode werd gevalideerd aan de hand van verschillende lichaamsscans en rugleuningvarianten en beoordeeld op vlak van ergonomie, efficiëntie, betrouwbaarheid, stevigheid, gebruiksvriendelijkheid reproduceerbaarheid en maakbaarheid. Tot slot werd een volledig gepersonaliseerde bureaustoel op ware grootte geproduceerd met 3D-printtechnologie en fysiek geëvalueerd.
Meer lezen

De (on)zin van het 'tussenjaar': een kwalitatieve studie naar de betekenis van het 'tussenjaar' in een zinzoekende samenleving

Universiteit Gent
2026
Oona-Lisa
DeSmet
In Vlaanderen kiezen steeds meer jongeren voor een ‘tussenjaar’, een jaar na het secundair onderwijs waarin zij noch verder studeren, noch toetreden tot de arbeidsmarkt. Deze keuze situeert zich binnen een maatschappelijke context waarin jongeren geacht worden hun levensloop zelfstandig vorm te geven en verantwoordelijkheid te nemen voor hun keuzes. Zingeving wordt daarbij steeds vaker voorgesteld als een individuele opdracht. Tegen deze
achtergrond wordt het tussenjaar in de literatuur beschreven als een betekenisvolle overgangsperiode die jongeren ondersteunt in hun zoektocht naar richting en zingeving. Dit staat in contrast met tegenstemmen die benadrukken dat deze betekenis niet los kan worden gezien van bredere maatschappelijke verwachtingen. Daarom wil dit onderzoek exploreren
welke betekenis jongeren zelf geven aan hun tussenjaar in het kader van hun zoektocht naar zingeving en hoe deze betekenis zich verhoudt tot maatschappelijke verwachtingen en verdere studiekeuzes. Aan de hand van vijftien semigestructureerde interviews werden de perspectieven bevraagd van jongeren die gedurende de afgelopen vijf jaar een tussenjaar hebben genomen. De thematische analyse belicht de betekenis van een tussenjaar in de vorm van zes spanningsvelden en toont hoe autonomie een centrale rol speelt in de ervaring van het tussenjaar. Concluderend benadrukt dit onderzoek dat, hoewel jongeren het tussenjaar benaderen vanuit een individuele focus, de betekenis ervan zich in essentie ontwikkelt in relatie tot anderen. Het tussenjaar maakt zo zichtbaar hoe zingeving verschuift van een individuele verantwoordelijkheid naar een relationele ervaring.
Meer lezen

Ileus na abdominale chirurgie: herkennen en interventies.

Thomas More Hogeschool
2026
Mahmoud
Alsaid
Deze bachelorproef onderzoekt hoe verpleegkundigen postoperatieve ileus (POI) na abdominale chirurgie tijdig kunnen herkennen en met gerichte interventies kunnen bijdragen aan preventie en behandeling. POI is een tijdelijke verstoring van de darmbewegingen die gepaard kan gaan met een opgezette buik, misselijkheid, braken, verminderde voedingstolerantie en het uitblijven van windjes of stoelgang. Deze complicatie kan het herstel vertragen en de ziekenhuisopname verlengen.

Via een literatuurstudie van tien wetenschappelijke publicaties werden klinische signalen, verpleegkundige interventies en de rol van Enhanced Recovery After Surgery (ERAS) onderzocht. De bevindingen benadrukken het belang van systematische observatie en het gezamenlijk beoordelen van symptomen en hun verloop. Daarnaast staan vroege mobilisatie, aangepaste voedingsopbouw, opvolging van de vochtbalans en goede pijnzorg met beperking van opioïden waar mogelijk centraal. Kauwgom kan als aanvullende maatregel worden overwogen.

ERAS verbindt deze aandachtspunten in een samenhangend zorgtraject met duidelijke hersteldoelen en evaluatiemomenten. Verpleegkundigen spelen hierin een belangrijke rol door patiënten te begeleiden, uitleg te geven, veranderingen op te merken en tijdig te overleggen met het behandelteam.

Om de literatuur naar de praktijk te vertalen, werd een digitale verpleegkundige screeningshulp ontwikkeld. Dit prototype bundelt informatie over de operatie, klinische signalen en herstel volgens ERAS. Het geeft een signaalniveau met suggesties voor verdere opvolging. De tool ondersteunt het verpleegkundig oordeel, maar stelt geen diagnose en is nog niet klinisch gevalideerd. Een implementatieplan beschrijft hoe een pilootfase kan worden voorbereid, uitgevoerd en geëvalueerd.

De bachelorproef benadrukt dat samenhangende verpleegkundige zorg binnen ERAS kan bijdragen aan tijdige herkenning van POI en ondersteuning van het postoperatieve herstel.
Meer lezen

Effects of altered magnetic field environments on the growth and development of plants and fungi

KU Leuven
2026
Robbert
Meeus
Ik onderzocht wat de effecten waren van veranderingen in magnetische velden op de groei en ontwikkeling van planten en schimmels. Ik gebruikte verschillende lijnen van Arabidopsis thaliana en de schimmel Ganoderma lucidum in combinatie met permanente magneten en Helmholtz spoelen om het magnetische veld te wijzigen. De resultaten laten zien dat de algemene groei en ontwikkeling grotendeels ongewijzigd blijven, maar dat er opvallende observaties waren die verder onderzoek waard zijn. Deze observaties, zoals de afwezigheid van statolietstructuren in de wortels van de planten, veranderende wortelgroei, en veranderingen in groeisnelheid en -patronen in de schimmel wijzen op mogelijke subtielere invloeden van magnetische velden.
Meer lezen

DEATH LITERACY VANUIT HET HEDENDAAGSE JONGERENPERSPECTIEF Een kwalitatief onderzoek naar hoe religieuze en levensbeschouwelijke invloeden bijdragen aan de perceptie en omgang met sterfelijkheid bij jongvolwassenen in Vlaanderen en Brussel

Vrije Universiteit Brussel
2026
Mahdia
Bourouina
Deze masterproef onderzoekt hoe jongvolwassenen (18-30 jaar) hun Death Literacy ervaren en welke rol religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of de afwezigheid daarvan, hierin spelen. Er werden tien semigestructureerde interviews afgenomen met jongvolwassenen in Vlaanderen en Brussel, met een diverse levensbeschouwelijke achtergrond: praktiserende moslims, een praktiserende katholiek, een praktiserende boeddhist, niet-praktiserende moslims, atheïsten en agnosten.
Uit de resultaten blijkt dat persoonlijke verlieservaringen een centrale rol spelen in de ontwikkeling van Death literacy: wie een naaste verloor, beschikt over een uitgewerkter kader dan wie geen verlies meemaakte. Zowel moslim, katholieke als boeddhistische respondenten ervaren hun geloof als een krachtig houvast: het hiernamaals (islam en katholicisme) of wedergeboorte (boeddhisme), gebed of meditatie, en gemeenschappelijke rituelen bieden troost en structuur. Atheïstische en agnostische respondenten beschrijven zowel vrijheid als kwetsbaarheid; zij missen soms de gemeenschap en rituelen die religieuze jongeren als vanzelfsprekend ervaren.
De bevindingen benadrukken het belang van een levensbeschouwelijk sensitieve benadering in rouwbegeleiding. Voor de agogische praktijk betekent dit dat professionals oog moeten hebben voor diversiteit aan overtuigingen, én voor de betekenis van het ontbreken daarvan.
Meer lezen

Kwantificeren van agressief vaargedrag

Antwerp Maritime Academy
2026
Tristan
Aerts
De scheepvaart staat voor de uitdaging om haar energieverbruik en broeikasgasemissies te verminderen. Naast technologische maatregelen kan ook het gedrag van de persoon die het schip bestuurt hierbij een rol spelen. Dit onderzoek analyseert daarom of agressief vaargedrag kwantitatief kan worden beschreven aan de hand van Aggressive Dynamics Metrics (ADM’s).
Op basis van literatuur uit de autosector werden drie ADM’s geselecteerd: Average Judicative Element (AJE), Relatieve Positieve Versnelling (RPA) en Characteristic Acceleration (CA). Deze werden toegepast op seconde-per-secondegegevens van 21 deelnemers uit een simulatorexperiment van het GreenPort-project. Daarnaast werd het traject op basis van snelheids- en versnellingsgegevens onderverdeeld in regulier varen en manoeuvreren.
De ADM’s maakten duidelijke verschillen in dynamisch vaargedrag tussen deelnemers zichtbaar. AJE bleek het meest geschikt als hoofdparameter, voornamelijk door de beperkte afhankelijkheid van de gemiddelde snelheid. De rangschikkingen volgens de drie ADM’s vertoonden onderling een duidelijke overeenkomst (Kendall’s W = 0,744), maar minder met de rangschikking volgens brandstofverbruik (Kendall's W = 0,633). De resultaten tonen dat agressief vaargedrag kwantificeerbaar is, maar dat ADM’s steeds in combinatie met operationele omstandigheden en energieverbruik moeten worden geïnterpreteerd. Daarmee vormen ze een bruikbare basis voor verdere ontwikkeling van data gedreven ecovaren.
Meer lezen

Manifest voor autismevriendelijke schoolarchitectuur - ASPECTSS als methodiek voor een inclusieve brede school

Universiteit Hasselt
2026
Anouck
Cautaert
Genk is een zeer diverse en cultureel
rijke stad, waar ook sociaal-economische
ongelijkheden aanwezig zijn. Aan de hand
van deze scriptie probeer ik bij te dragen aan
de inclusie in de stad door in te zetten op
onder andere autismevriendelijk maken van
de schoolinfrastructuur van Zwartberg-Zuid.
De principes die later worden toegepast
voor de schoolsite De Appelboom en De
Wissel kunnen veralgemeend worden naar
de andere twee scholenclusters in Zwartberg.

Het eerste luik van de scriptie omvat dan
ook het onderzoek naar onder andere de
noden van mensen met autisme en het
algemeen gebrek - volgens Mostafa - aan
autismevriendelijke infrastructuur.
Hierna wordt er een link gemaakt naar
de projectlocatie, namelijk Zwartberg,
waarbij er een groeiende nood is aan
autismevriendelijke ondersteuning
binnen bestaande organisaties en
gebouwen, alsmede naar onderwijs- en
ontwikkelingskansen voor kinderen en
jongeren, te concluderen uit het interview met
de wijkmanager van Zwartberg. Momenteel
wordt er binnen deze infrastructuur minimaal
ingezet op autismeondersteunende
infrastructuur, waarbij datgene dat aanwezig
is niet kwalitatief is.
Ook wordt er een link gemaakt naar
Zwartberg door de relatie tussen autisme en
migratieachtergrond verder te onderzoeken,
onder andere blijkens het interview met
directeur Frank Bartholomé. Binnen deze
autismevriendelijke aanpak wordt er verder
ingegaan op de ASPECTSS-richtlijnen,
waarbij deze richtlijnen als ondersteunend
middel worden gezien.

Als tweede luik wordt er ingegaan op
het brede school-principe, waarbij in dit
beleidsidee wordt ingezet op onder andere
de maximale ontwikkelingskansen en de
brede leer- en leefomgeving van kinderen en
jongeren. Hierbij wordt er dieper ingegaan
op de organisatorische en ruimtelijke
organisatie van de brede school.
Als derde en tevens laatste luik wordt
voorgaande verzamelde info ruimtelijk
vertaald aan de hand van een case study
van twee projecten, die inzetten op
autismevriendelijke architectuur en het brede
school-principe.

De onderzoeksvraag van de scriptie is als
volgt: “Hoe kan architectuur bijdragen
om scholen, als ondersteunende
ontmoetingsplek, inclusiever te maken voor
kinderen en jongeren met autisme?”. Dit
wordt onder andere onderzocht aan de hand
van de theoretische ASPECTSS-richtlijnen
en het principe van de brede school. Echter
is het belangrijk om te benadrukken dat
de ASPECTSS-richtlijnen en het principe
van de brede school als hulpmiddel
dienen om de bestaande site in Zwartberg
autismevriendelijk te maken en in te zetten
op de sociale noden - in tegenstelling tot het
utopische beeld dat momenteel rond deze
principes hangt. Bijkomend dient vermeld
dat dit een persoonlijke interpretatie zal zijn
van hoe deze twee theoretische modellen
kunnen worden toegepast binnen een
nieuwbouw en herbestemming.

Dit onderzoek wordt aan de hand van
literatuuronderzoek, interviews en case
onderzoek gevoerd, om op deze manier
meer inzicht te krijgen in onder andere de
noden van deze doelgroep.
Meer lezen

Buurtwarmte Brugge

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Ilse
Maes
In de historische binnenstad van Brugge zijn grootschalige warmtenetten vaak onhaalbaar, terwijl individuele warmtepompen botsen op ruimtegebrek, geluidsoverlast en strikte erfgoedregels. Deze bachelorproef onderzoekt hoe 'micro-warmtenetten' op privaat terrein (voor clusters van 3 tot 10 woningen) een realistische, fossielvrije oplossing kunnen bieden voor deze complexe "warmte-eilanden".
Uit de analyse blijkt dat een collectieve lucht-waterwarmtepomp op middentemperatuur technisch de meest haalbare bron is voor de historische context. De grootste drempels zijn echter niet technisch, maar organisatorisch en juridisch, zoals de onderlinge samenwerking en de angst voor overlast. Om deze barrières weg te nemen, ontwikkelde de auteur twee complementaire draaiboeken. Het bewonersdraaiboek ontzorgt burgers stapsgewijs met checklists en modelcontracten, terwijl het draaiboek voor Stad Brugge een sturingskader biedt waarin een centrale rol is weggelegd voor de lokale 'Renovatiecoach'. Na toetsing aan drie Brugse casussen concludeert de scriptie dat micro-warmtenetten op privaat terrein de cruciale missing link vormen om de warmtetransitie in historische stadskernen te versnellen.
Meer lezen

Van der edelre hertoginne vrouwe johanne: De bestuursbijdrage van Johanna van Brabant in het hertogdom Brabant van 1376 tot 1380.

KU Leuven
2026
janneke
de keersmaecker
Deze masterproef onderzoekt de bestuursbijdrage van Johanna van Brabant in het hertogdom Brabant tussen 1376 en 1380. De bestaande historiografie reduceerde Johanna lange tijd tot een passieve zwakke vorstin naast haar echtgenoot, Wenceslas van Bohemen. Een beeld dat grotendeels steunde op narratieve bronnen of nationalistische en teleologische lezingen ervan. Dit onderzoek stelt dat beeld bij door praktijkbronnen te betrekken in het debat en de dagdagelijkse bestuurspraktijk zichtbaar te maken. Het gaat na hoe Johanna haar macht uitoefende, welke middelen zij daartoe inzette en hoe haar bestuursbijdrage zich verhield tot die van haar echtgenoot. De analyse is opgebouwd rond drie grote thema’s. Het eerste hoofdstuk behandelt de financiële basis van haar bestuur op een kleine schaal, via haar weduwegoeden na de dood van haar eerste echtgenoot, Willem IV van Henegouwen, Holland en Zeeland. Hoewel deze inkomsten beperkt waren en niet altijd vlot doorvloeiden, toont deze scriptie dat Johanna ze actief aanwendde voor lokaal bestuur. Het tweede hoofdstuk verlegt de focus naar haar diplomatieke rol en haar plaats op het internationale toneel. Johanna’s bemiddeling was geen uitzonderlijk optreden binnen grote politieke taferelen, maar een alledaagse bestuurspraktijk. Haar reizen, bodenverkeer, geschenkuitwisseling en het entertainment aan het hof bevestigen een duidelijke taakverdeling binnen het koppel. Waar Wenceslas zich richtte op het grote Europese en keizerlijke toneel, lag Johanna’s focus op de stabiliteit van Brabant en haar buurregio’s. Vervolgens komt een analyse aan bod van Johanna’s religieuze en literaire patronage. Ze zette religieuze schenkingen bewust in als politiek instrument en cultiveerde haar vroomheid als onderdeel van haar publieke rol. Het vermeende verval van de hofcultuur na Wenceslas’ dood was niet het gevolg van haar desinteresse, maar van de financiële uitputting na de reeks oorlogen die Brabant trof in deze periode. Het centrale argument doorheen deze scriptie is een van complementariteit. Johanna en Wenceslas opereerden als een gezamenlijk bestuur waarin zij vanuit een gedeeld Brabants perspectief verschillende, maar complementaire taken op zich namen. Johanna was geen bijfiguur, maar een zelfstandig medebestuurder wier handelingsruimte aandacht verdient ongeacht de afloop of het succes van haar beleid.
Meer lezen

FROM DRAINAGE TO RESERVOIR - The Ellewoutsdijk Peninsula as a Collective Freshwater Landscape

KU Leuven
2026
Carolina
Gonzales
Deze masterproef onderzoekt hoe de zoetwaterinfrastructuur in de polders langs de Westerschelde kan worden heringericht tot multifunctionele, collectieve waterlandschappen. Het project richt zich op Ellewoutsdijk, een polderdorp gevormd door dijken, afwateringssloten, landbouwvelden, de haven, het fort en het estuarium van de Westerschelde. Het speelt in op de toenemende druk van zeespiegelstijging, verzilting, seizoensgebonden droogte en veranderende neerslagpatronen.
In plaats van waterbeheer te beschouwen als een onzichtbaar technisch systeem, maakt het ontwerp van bestaande afwateringsroutes, bekkens en waterwerken zichtbare landschappen voor wateropvang, zuivering, herverdeling en collectief gebruik. Deze waterlandschappen ondersteunen de aanpassing van landbouw en aquacultuur en bieden tegelijk ruimte voor recreatie, verplaatsing en ontmoeting in de publieke ruimte.
De ontwerpstrategie verbindt kustmobiliteit en zoetwateropslag tot één samenhangend landschapssysteem. Een openbare route van oost naar west verbindt het voormalige station, het dorp, de dijk, de Wisselpolder, de haven, het fort en de Westerschelde. Tegelijk ordent een noord-zuidgerichte wateras de afwateringsroutes en bekkens opnieuw, dwars door productieve velden, langs ecologische randen en door collectieve ruimten. Op het kruispunt van beide wordt waterinfrastructuur zowel een dragend systeem voor het gebied als een toegankelijk onderdeel van het dagelijks leven.
Door voort te bouwen op de hydrologische en historische structuur van het schiereiland, verschuift het project van gecontroleerde afwatering naar een adaptief watersysteem dat deel uitmaakt van het dagelijks leven. Zo wordt zoetwaterinfrastructuur een ruimtelijk kader voor kustweerbaarheid, de aanpassing van productieve landschappen en het collectieve leven in Ellewoutsdijk.
Meer lezen

THE EFFECTIVENESS OF THE TYP10 PROGRAM FOR FOURTH-GRADE CHILDREN WITH AND WITHOUT NEURODEVELOPMENTAL DISORDERS IN MAINSTREAM EDUCATION IN FLANDERS (BELGIUM)

Universiteit Gent
2026
Sara
Maes
  • Christel
    Callewaert
  • Delphine
    Bauwens
In deze longitudinale haalbaarheidsstudie volgden 35 leerlingen uit het vierde leerjaar een gestructureerd Typ10-programma. Hun typsnelheid en typnauwkeurigheid werden op vier momenten gemeten: vóór, tijdens en na de interventie, inclusief een follow-upmeting acht weken later.
De typsnelheid nam significant toe over de tijd (p < 0,001), met de grootste vooruitgang onmiddellijk na de lessen. Ook de typnauwkeurigheid verbeterde significant (p = 0,010), waarbij de vooruitgang geleidelijker verliep. Kinderen met (een vermoeden van) neurobiologische ontwikkelingsstoornissen (NDD) startten met een lagere typsnelheid, maar boekten eveneens duidelijke vooruitgang. Hun toename was wel significant kleiner dan bij kinderen zonder NDD (p = 0,043). Voor typnauwkeurigheid waren er geen significante verschillen tussen beide groepen.
Er werd een zwakke maar significante samenhang gevonden tussen typsnelheid en nauwkeurigheid (p < 0,001), wat erop wijst dat beide vaardigheden zich gedeeltelijk onafhankelijk van elkaar ontwikkelen. Hand schrijfvaardigheid en totale oefentijd hingen daarentegen niet significant samen met de typresultaten.
De leerlingen rapporteerden een positieve ervaring met Typ10, met een duidelijke ervaren vooruitgang en een hoge competentiebeleving. De resultaten tonen daarmee dat gestructureerd typonderwijs kan leiden tot aanzienlijke verbeteringen in typsnelheid en geleidelijke verbeteringen in nauwkeurigheid, zowel bij kinderen met als zonder (vermoeden van) NDD. Door de kleine steekproef moet deze studie worden beschouwd als een eerste haalbaarheidsstudie en vertrekpunt voor verder onderzoek met grotere onderzoekspopulaties.
Meer lezen

"ACCIDENTAL? VILLAGE URBANISM" WORKING WITH RESIDUAL SPACE: LESSONS FROM JAPAN FOR FLEMISH VILLAGES

KU Leuven
2026
Ciel
Dockx
Vlaanderen wordt gekenmerkt door een versnipperd landschap waarin de grens tussen stad en platteland steeds verder vervaagt. Terwijl de bebouwde ruimte blijft toenemen en de resterende open ruimte onder druk staat, onderzoekt "Accidental? Village Urbanism" hoe de restruimtes binnen het bestaande weefsel kunnen bijdragen aan een meer verbonden, ecologische en sociaal betrokken leefomgeving.

Aan de hand van cartografisch onderzoek, literatuurstudie en veldwerk wordt Vlaanderen vergeleken met Japan. Japan dient daarbij niet als rechtstreeks te kopiëren model, maar als een context die toont hoe zelfs kleine en ogenschijnlijk onbelangrijke ruimtes een rol kunnen opnemen in het dagelijkse leven, ecologische systemen en ruimtelijke verbindingen.

Deze inzichten worden vertaald naar een ontwerptoolbox waarmee restruimtes kunnen worden opgespoord, geanalyseerd en geactiveerd. Via ontwerpend onderzoek in Berlaar wordt getest hoe gerichte ingrepen het bestaande dorpsweefsel van binnenuit kunnen versterken. Zo benadert het onderzoek restruimte niet als overgebleven ruimte of nieuwe bouwgrond, maar als ruimtelijk materiaal met potentieel.
Meer lezen

Potential of African Diasporic Spatiality in Adaptive Reuse and Postcolonial Placemaking

Universiteit Hasselt
2026
Brenda Jerotich
Maswan
By examining the postcolonial condition of the European metropole, as influenced by colonial and postcolonial migration, this thesis explores how African diasporic communities in Brussels engage in spatial practices as a legitimate form of architectural knowledge. Focusing on Molenbeek-Saint-Jean and Matongé, it argues that the incremental, vernacular adaptations through which African migrants appropriate and reinterpret the European built environment constitute an alternative approach to placemaking. This approach has often been overlooked by conventional heritage and planning systems.
Drawing on postcolonial theory, diasporic urbanism, and African diasporic spatial
practice, this thesis develops a critical framework for reading African diasporic spatial
practice not as informality or deficit, but as a culturally embedded, socially driven
architectural knowledge. This framework is tested through ethnographic research of
Luce Beeckmans and site-writing, following Jane Rendell’s concept of critical spatial
practice, and applied through a design project for a former industrial complex at Rue
De Courtrai and Rue d’Ostende in Molenbeek.
The design proposes an adaptive reuse strategy grounded in the African diasporic
logic of negotiated visibility—the practice of managing presence and withdrawal
across the city and building scales simultaneously. By preserving existing street
façades, directing transformation inward through the inner block, and retaining existing
users, the project translates African diasporic spatial qualities into an architectural
methodology capable of producing an inclusive social infrastructure while resisting the
displacement pressures of ongoing urban renewal. In doing so, it positions adaptive
reuse not as a technical or aesthetic strategy but as a cultural and political redefinition
of space—one that recognises the African diaspora community in Molenbeek as
spatial agents in postcolonial placemaking.
Meer lezen

1/1 met Lieven Cruyl: een catalogus van en reflecties bij een grafisch oeuvre

Universiteit Gent
2026
Maarten
Op de Beeck
Lieven Cruyl (1634-1720) was een Gentse priester, tekenaar en architect wiens werk tot op heden slechts fragmentarisch werd bestudeerd. Hij geldt als een vroege vedute-tekenaar die, sterk beïnvloed door de architectuur van zijn tijd, stedelijke gezichten en bouwwerken vastlegde met oog voor architecturale precisie en ruimtelijke compositie. Sinds de laatste en enige monografische catalogus van zijn oeuvre, uit 1992, zijn er gestaag nieuwe tekeningen opgedoken. Over de man zelf is weinig geweten: zijn biografie steunt ook vandaag nog grotendeels op hiaten en veronderstellingen.

Deze masterproef stelt zich tot doel een zo volledig mogelijk overzicht te bieden van Cruyls oeuvre, grotendeels op ware grootte weergegeven, en analyseert daarnaast een aantal unieke tekeningen in detail. Hiertoe werd de catalogus uit 1992 aangevuld op basis van tekeningen die sindsdien opdoken in publieke (museum)collecties en op veilingen. Daarnaast werden enkele ongepubliceerde archiefbronnen geraadpleegd, wat toeliet een paar bijkomende, zij het beperkte, biografische puzzelstukken aan te reiken. Deze aanpak resulteerde vooral in een aanzienlijk uitgebreidere en actuelere catalogus van Cruyls werk. Door de tekeningen overwegend op ware grootte te tonen, wordt bovendien recht gedaan aan de fysieke en visuele impact die ze oorspronkelijk beoogden. Het resultaat is een overzicht dat Cruyls oeuvre niet louter presenteert als een abstracte lijst van tekeningen, maar dat de lezer de eigenheid en intrige van zijn werk op ware schaal laat ervaren, en dat hopelijk een steviger fundament legt voor toekomstig onderzoek naar deze onderbelichte figuur.
Meer lezen

ASSESSMENT OF DIAGNOSTIC PROTOCOLS OF ACUTE-PHASE APHASIA IN RELATION TO SIGN LANGUAGES [BEOORDELING VAN DIAGNOSTISCHE PROTOCOLLEN VOOR ACUTE AFASIE IN RELATIE TOT GEBARENTALEN]

Vrije Universiteit Brussel
2026
Nina
Driesmans
Deze studie onderzoekt acute afasiediagnostiek binnen de context van
de Vlaamse Gebarentaal (VGT). Afasie, een verworven neurologische
taalstoornis, wordt voornamelijk onderzocht vanuit een westers, eentalig
en audiocentrisch perspectief. Omdat gebarentaligen de visueel-gestuele
modaliteit gebruiken, in tegenstelling tot de oraal-auditieve modaliteit
van gesproken talen, zijn huidige diagnostische instrumenten niet
aangepast aan hun noden. Een rapid review onderzocht de neurale
representatie van gebarentalen in relatie tot afasie. Resultaten uit 29
beeldvormingsstudies tonen aan dat gebarentalen een
linksgelateraliseerd perisylvisch netwerk activeren, vergelijkbaar met
gesproken talen, maar met modaliteitsspecifieke aanpassingen.
Daarnaast leidt schade aan de linkerhersenhelft systematisch tot
verstoring van fundamentele taalaspecten, terwijl schade aan de
rechterhersenhelft visuospatiële vaardigheden selectief beïnvloedt. Een
enquête onder 20 Vlaamse clinici toont aan dat diagnostiek gebaseerd is
op Nederlandstalige instrumenten en informele vertaalmethoden, met
beperkte aandacht voor VGT-gebruikers. Deze bevindingen
onderstrepen de noodzaak van gevalideerde diagnostische instrumenten
voor gebarentaligen, verbeterde training van clinici, en een meer
rechtvaardige gezondheidszorg.
Meer lezen

Effectiviteit van de TIMES-route op het emotioneel welzijn van ouderen in woonzorgcentra: een quasi-experimentele pilootstudie

Universiteit Antwerpen
2026
Beau
Van de Werf
Abstract

Achtergrond
De toenemende prevalentie van dementie stelt woonzorgcentra voor uitdagingen, waarbij naast lichamelijke zorg ook aandacht voor de psychosociale en emotionele behoeften van bewoners essentieel is. Hoge werkdruk en organisatorische beperkingen kunnen persoonsgerichte en emotionele zorg bemoeilijken. De TIMES-route werd ontwikkeld om zorgteams te ondersteunen bij het herkennen en beantwoorden van emotionele behoeften. Deze studie onderzocht de impact van de TIMES-route op depressieve symptomen, neuropsychiatrische symptomen en levenskwaliteit bij bewoners met dementie.

Methode
Een kwantitatieve quasi-experimentele pilootstudie met een longitudinaal repeated-measuresdesign werd uitgevoerd in 4 Vlaamse woonzorgcentra. Bewoners van ≥ 65 jaar werden op drie meetmomenten (T0,T1 en T2) geëvalueerd met de Cornell Scale for Depression in Dementia (CSDD), QUALIDEM en Neuropsychiatric Inventory (NPI). Veranderingen over de tijd werden geanalyseerd met lineaire mixed models.

Resultaten
Op baseline namen 112 bewoners deel. Er werden geen significante veranderingen over de tijd gevonden in depressieve symptomen (p=0,290) of neuropsychiatrische symptomen (p= 0,145). Voor levenskwaliteit werden significante tijdseffecten vastgesteld voor de QUALIDEM subschalen: Rusteloos gespannen gedrag
(p= 0,008), Sociale relaties (p= 0,048) en Iets om handen hebben (p= 0,013). Na Bonferroni-correctie bleef een significante verbetering in Rusteloos gespannen gedrag tussen T0 en T1 (p=0,021) en een significante afname in iets om handen hebben tussen T0 en T2 (p=0,012); voor Sociale relaties waren de paarsgewijze vergelijkingen niet significant. Een psychiatrische voorgeschiedenis was significant geassocieerd met hogere depressieve symptomen (p= 0,015); voor de overige bewonerskenmerken werden geen significante associaties gevonden.

Conclusie
De TIMES-route ging niet gepaard met significante veranderingen in depressieve of neuropsychiatrische symptomen. Voor levenskwaliteit werden gemengde resultaten gevonden, met een tijdelijke verbetering in rusteloos gespannen gedrag, een afname in iets om handen hebben en geen significante paarsgewijze verandering in Sociale relaties. Verder onderzoek met een grotere steekproef, een controlegroep en een langere follow-up is nodig om de effectiviteit van de TIMES-route verder te onderzoeken.
Meer lezen

Een regeneratieve toekomst voor Zwartberg - Het productieve bos

Universiteit Hasselt
2026
Daan
Driessen
  • Rayna
    Bongaerts
  • Yarne
    Claes
  • Connor
    De Smet
  • Elias
    Doyen
  • Liza
    Hendrickx
  • Jorien
    Houben
  • Evelyne
    Gielkens
  • Joppe
    Loodts
  • Kato
    Martens
  • Rens
    Neyens
  • Arne
    Pellaers
  • Britt
    Raskin
  • Sara
    Simons
  • Anke
    Surinx
  • Tineke
    Vandekerkhof
Mijn masterproef onderzoekt hoe de productiebossen rond Genk kunnen evolueren naar biodiverse en klimaatrobuuste bossen, terwijl ze lokaal hout blijven leveren. In Zwartberg vertaal ik dit naar een lokale houtketen en houtzagerij, waarbij de ecologische draagkracht van het bos bepaalt hoeveel hout kan worden geoogst en gebruikt.
Meer lezen

Tussen-termen: een onderzoek naar de mogelijkheid tot wederkerige overdracht van ecofeministische concepten tussen film- en architectuurtheorie

Universiteit Antwerpen
2026
Fay
De Maesschalck
Doorgaans worden Film en architectuur als verschillende disciplines bestudeerd, met elk hun eigen media, methodes en theoretische tradities. Deze masterproef onderzoekt wat er gebeurt wanneer filmtheorie en architectuurtheorie niet langer als afzonderlijke kennisvelden worden benaderd, maar als wederzijds productieve praktijken van denken, kijken en maken. Het vertrekpunt is de vaststelling dat beide disciplines bovenop het representeren van werelden ook actief werelden construeren: via taal, beelden, ruimtelijke ordeningen en vormen van verbeelding. Vanuit die gedeelde productiviteit wordt bekeken welke kennis kan ontstaan wanneer theoretische concepten uit beide domeinen met elkaar in contact worden gebracht.
De analyse vertrekt vanuit een corpus van ecofeministische theorie, waarin de relatie tussen mens, materie, omgeving en macht centraal staat. Via een afgebakend lexicon worden sleutelbegrippen uit architectuur- en filmtheorie geïdentificeerd, geordend en vervolgens systematisch met elkaar geconfronteerd. Een matrix dient hierbij als instrument voor kennisoverdracht (‘kruisbestuiving’), waarin begrippen hun oorspronkelijke disciplinaire context tijdelijk verlaten en nieuwe relaties aangaan.
De resulterende contaminatie maakt zichtbaar dat concepten zoals trans-corporeality, spatial imagination, medianatures en material memoir niet exclusief tot één veld behoren. Ze openen alternatieve manieren om ruimte, beeld, lichaam en omgeving te begrijpen. De masterproef stelt daarmee dus geen nieuwe synthese van film en architectuur voor. Het doel is het aftoetsen van de mogelijkheid om een theorie / kritiek haar productiviteit te doen ontlenen aan een andere theorie / kritiek.
Meer lezen

Een fenomenologische exploratieve studie naar de ervaring van ECMO-overlevenden

Universiteit Gent
2026
Loran
Buelens
Deze masterproef omvat een kwalitatief exploratief fenomenologisch onderzoek naar de ervaringen van ECMO-overlevenden. Er werd onderzocht hoe zij hun ECMO-traject hebben beleefd en hoe hun leven na de ziekenhuisopname werd beïnvloed. Via semigestructureerde interviews met negen ECMO-overlevenden werd onderzocht welke gevolgen zij ervaarden en hoe zij hun leven na ECMO vormgaven.
Meer lezen

Butyrate as a Potential Therapeutic Intervention for Chemotherapy-Induced Cognitive and Behavioural Impairments in a Hyper-CVAD Mouse Model

KU Leuven
2026
Amber
Gordts
Kanker is een veelvoorkomende en ingrijpende ziekte waarvan de prevalentie blijft toenemen. Tegelijkertijd hebben vooruitgang in de behandeling en vroegtijdige opsporing geleid tot een groeiende groep mensen die kanker overleven. Chemotherapie blijft een belangrijke pijler binnen de behandeling van veel kankers, maar de effecten ervan beperken zich niet tot kankercellen. Omdat chemotherapeutische middelen ook gezonde cellen kunnen aantasten, ervaren veel patiënten tijdens en na de behandeling ongewenste bijwerkingen. Een klinisch relevante klacht is chemotherapie-geïnduceerde cognitieve achteruitgang (chemotherapy-induced cognitive impairment; CICI), die zich kan uiten in moeilijkheden op het vlak van aandacht, concentratie, leren, geheugen, visueel-ruimtelijke vaardigheden en executief functioneren. Klachten gerelateerd aan chemotherapie beperken zich echter niet tot cognitieve functies, maar omvatten ook bredere lichamelijke, psychologische en sensorische veranderingen. Samen kunnen deze klachten het dagelijks functioneren en de levenskwaliteit negatief beïnvloeden.

Daarom onderzocht deze studie in welke mate het Hyper-CVAD-polychemotherapieregime cognitieve, gedragsmatige en sensorische veranderingen veroorzaakt in een preklinisch muismodel, en in welke mate gelijktijdige orale toediening van butyraat deze veranderingen kan verminderen. In tegenstelling tot veel preklinische studies die zich richten op afzonderlijke chemotherapeutische middelen of eenvoudige combinaties, werd in deze studie gebruikgemaakt van het klinisch relevante, uit meerdere middelen bestaande Hyper-CVAD-regime, wat de vertaalbaarheid naar de klinische praktijk vergroot. Butyraat, een korteketenvetzuur, werd onderzocht omdat eerder onderzoek wijst op gunstige effecten ervan op zowel het functioneren van de darmen als de hersenen, evenals op cognitieve, gedragsmatige en motorische beperkingen in andere preklinische modellen van neurodegeneratieve aandoeningen. Om de onderzoeksvragen te beantwoorden, werden 72 volwassen vrouwelijke C57BL/6J-muizen verdeeld over vier groepen: saline met controle-interventie, saline met butyraat, chemotherapie met controle-interventie en chemotherapie met butyraat. Na drie weken waarin enkel de interventie werd toegediend en vier weken waarin de interventie gelijktijdig met de behandeling werd toegediend, ondergingen de muizen een reeks gedragstesten. Deze brachten locomotorische activiteit (24-Hour Activity, Open Field), exploratief en angstgerelateerd gedrag (Open Field, Elevated Plus Maze), leren en geheugen (T-Maze, Passive Avoidance) en thermische pijngevoeligheid (Tail Flick) in kaart.

De resultaten ondersteunden de hypothesen gedeeltelijk. Het Hyper-CVAD-regime veroorzaakte gewichtsverlies en veranderde de spontane locomotorische activiteit in de 24-Hour Activity-test, evenals de locomotorische activiteit, exploratie en het angstgerelateerde gedrag in de Open Field-test en de thermische pijngevoeligheid in de Tail Flick-test. Butyraat verminderde deze veranderingen het duidelijkst in de Open Field- en Tail Flick-testen, terwijl de effecten op het lichaamsgewicht en de 24-Hour Activity-test minder consistent waren. Er werd geen duidelijk bewijs gevonden dat Hyper-CVAD of butyraat het angstgerelateerde gedrag in de Elevated Plus Maze, het ruimtelijk werkgeheugen in de T-Maze of het associatief leren en geheugen in de Passive Avoidance-test beïnvloedde.

Concluderend veroorzaakte het Hyper-CVAD-regime veranderingen in verschillende, maar niet alle, onderzochte cognitieve, gedragsmatige en sensorische uitkomsten, terwijl butyraat een gedeeltelijk potentieel vertoonde om deze veranderingen tegen te gaan. Butyraat biedt daarom perspectief voor verder onderzoek naar chemotherapie-geïnduceerde cognitieve, gedragsmatige en sensorische klachten.
Meer lezen

Cancer onset prediction by applying extreme value theory

Universiteit Gent
2026
Lisa
Slachmuylders
Colorectal cancer (CRC) is increasingly diagnosed at younger ages, with early-onset CRC (EO-CRC) rising despite declining incidence among older adults. These early diagnoses form the lower tail of the age-at-diagnosis distribution, where observations are sparse and may be difficult to predict accurately using models fitted to the full distribution. Extreme value theory (EVT) provides a framework for directly modelling this tail behaviour.

Using SEER data, a Weibull accelerated failure time (AFT) model fitted to the full distribution was compared with a generalized Pareto distribution (GPD) fitted to threshold exceedances below age 50. The Weibull systematically underestimated early-diagnosis quantiles by one to two years, whereas the GPD closely tracked empirical quantiles across the tail, supporting the use of EVT for direct modelling of the lower tail.

The GPD framework was then applied to the GECCO consortium to investigate whether genetic burden contributes to earlier diagnosis. Eleven genetic variants were forward-selected by AIC as covariates on the scale parameter, and were summarized into a genetic scale score. This score was used to compute theoretical endpoint and expected age at diagnosis across representative percentiles of its distribution. Genetic burden was associated with progressively earlier EO-CRC diagnosis: individuals in the 90th percentile of the genetic scale score had a theoretical endpoint age 8.8 years younger (95% CI: 6.6, 11.0) and an expected age 3.3 years younger (95% CI: 2.5, 4.4) than those in the 10th percentile.

Applied to an external test cohort, the model retained good calibration, and the genetic
scale score discriminated early-onset from late-onset CRC (AUC = 0.618, 95% CI: 0.549, 0.688). Separately, an interaction test confirmed that the genetic effect was specific to CRC cases rather than age in general.

These findings demonstrate that EVT offers a more accurate characterization of the lower tail of the CRC age-at-diagnosis distribution than conventional bulk models, and that genetic burden measurably alters the timing of diagnosis within the early-onset range, with potential relevance for personalized screening.
Meer lezen

Buiten of binnen: een analyse van de toegang van Vlaamse huiskatten tot de buitenwereld

Odisee Hogeschool
2026
Anaïs
Neyt
In deze bachelorproef werd de buitentoegang en buitenomgeving van de Vlaamse huiskat onderzocht, evenals de factoren die deze keuzes bij katteneigenaars beïnvloeden. Hierbij werd gefocust op kenmerken van de eigenaar, de kat en de woonomgeving. Het onderzoek werd uitgevoerd aan de hand van een combinatie van online enquêtes en live-bevragingen.

De resultaten tonen aan dat er, voornamelijk in de online enquête, een vrijwel gelijke verdeling bestaat tussen katten die permanent binnenshuis worden gehouden (46,53%; n = 610) en katten met buitentoegang (50,50%; n = 662). Bij de live-bevragingen werd een grotere kloof tussen deze groepen vastgesteld, waarbij 68,83% (n = 53) van de katten toegang heeft tot de buitenomgeving en 23,38%
(n = 18) permanent binnenshuis leeft. Daarnaast werd vastgesteld dat het type kat (raskat of niet) en het al dan niet volgen van een diergerelateerde opleiding door de eigenaar significante factoren zijn in relatie tot buitentoegang. Eigenaars motiveren hun keuzes voornamelijk vanuit veiligheidsoverwegingen, dan wel vanuit het belang van vrijheid en het kunnen uitoefenen van natuurlijk gedrag.

De resultaten wijzen erop dat de keuze rond buitentoegang multifactorieel is en dat er een duidelijk spanningsveld bestaat tussen veiligheid en vrijheid. Opvallend is dat de impact van katten op de omgeving en inheemse prooisoorten slechts beperkt werd aangehaald door de respondenten.

Een mogelijke evenwichtige oplossing is het gebruik van afgeschermde buitenruimtes, zoals een catio, die voordelen biedt voor zowel kat, eigenaar als omgeving. Verdere sensibilisering van katteneigenaars rond deze alternatieve vorm van huisvesting is aangewezen.
Meer lezen

“‘Oh, maar je komt van andere achtergrond.’ Dat maakt niet uit, mijn brein werkt even goed.” Factoren die de instroom van studenten met een migratieachtergrond in het hoger onderwijs in Vlaanderen beïnvloeden

Universiteit Gent
2026
Eef
Soete
Internationaal onderzoek naar de instroom in het hoger onderwijs beschouwt lage inschrijvingskosten, beperkte toelatingsexamens en alternatieve doorstroomroutes als belangrijke voorwaarden voor inclusie. Vlaanderen vormt daarom een opvallende casus: hoewel deze formele drempels er grotendeels ontbreken, stromen studenten met een migratieachtergrond relatief weinig door naar het hoger onderwijs. Deze masterproef onderzoekt welke minder zichtbare mechanismen deze paradox helpen verklaren. Daartoe werden 31 semigestructureerde interviews met studenten aan de Universiteit Gent geanalyseerd via reflectieve thematische analyse. De resultaten tonen hoe systeemkennis, sociale netwerken, ouderlijke betrokkenheid, financiële mogelijkheden, de secundaire schoolloopbaan en institutionele representatie de instroom vormgeven. Daarbij loopt een dunne scheidslijn tussen drempel en hulpbron: dezelfde factor kan studenten ondersteunen of hun instroom bemoeilijken, afhankelijk van de context en de andere hulpbronnen waarop zij kunnen terugvallen. De formele toegangspoort mag in Vlaanderen dan openstaan, de wegen ernaartoe zijn niet voor iedereen even begaanbaar.
Meer lezen

The Coalition Politics Behind Sudden Welfare Reform A Multiple Streams Analysis of Belgian Unemployment Benefit Reform

KU Leuven
2026
Dahlia
Deweer
In mijn thesis onderzoek ik waarom de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd, die onder de regering-Michel I politiek geblokkeerd bleef, onder de bredere regering-De Wever I in amper zes maanden werd gerealiseerd. Aan de hand van twaalf elite-interviews wordt aangetoond dat niet alleen de ideologische samenstelling van een coalitie van belang is, maar ook de relatieve positie van partijen, gedeeld politiek eigenaarschap en de controle over cruciale momenten in het besluitvormingsproces. Onder Michel I bevonden CD&V en MR zich in politiek kwetsbare posities en raakte het voorstel niet tot de echte coalitieonderhandelingen. Onder De Wever I konden vijf partijen de hervorming vanuit verschillende politieke verhalen ondersteunen, terwijl de sterkste voorstanders bovendien de institutionele hefbomen in handen hadden. De studie toont zo hoe coalitiepolitiek kan verklaren waarom een jarenlang geblokkeerde welvaartsstaatshervorming plots bijzonder snel mogelijk wordt.
Meer lezen

Bepaling van vers- en drooggewicht van sla op basis van RGB-camerabeelden met een convolutional neural network (CNN)

KU Leuven
2026
Brent
Beyers
Het doel van deze scriptie was om de mogelijkheden te onderzoeken voor het gebruik van CNN's met RGB-afbeeldingen voor de bepaling van het vers- en drooggewicht van sla gedurende een gehele teeltronde onder praktijkomstandigheden.
Van verschillende sla-cultivars (Emeldia RZ, Limambo RZ en Volumia) werden RGB
afbeeldingen verzameld. De cultivars Emeldia RZ en Limambo RZ werden elks twee keer zelf opgekweekt om slaplanten afkomstig van twee verschillende teeltrondes te bekomen. Daarnaast waren de slaplanten van de cultivar Volumia afkomstig van een externe slateler en van éénzelfde teeltronde. Van de slaplanten werden RGB-afbeeldingen verzameld onder een camerahoek van 0°, 45° en 90° ten opzichte van het grondoppervlak. Na verzameling van de RGB-afbeeldingen van de slaplanten werd een CNN-model ontworpen met het meest accurate
schattingsvermogen. Tenslotte werd het schattings- en generalisatievermogen van het
ontwikkelde CNN-model onderzocht.
De resultaten tonen aan dat het meest accurate CNN-model, afgestemd op een relatief kleine dataset, bestond uit 5 convolutielagen en volgende hyperparameters: een leerfrequentie van 0,001; een batchgrootte van 10 en 200 epochs. Het ontwikkelde model schat het vers- en drooggewicht van sla accuraat, met R2 ~ 0,92 – 0,97 en NRMSE ~ 0,19 – 0,34, voor cultivars die in de trainingsdata aanwezig zijn en onder gelijkaardige omstandigheden werden geteeld, mits voldoende trainingsdata. De schattings- en generalisatieprestaties variëren echter sterk
per cultivar, mogelijks door morfologische verschillen. Het model toont een zekere robuustheid voor variatie in camerahoeken, al resulteerden de beelden onder een camerahoek van 45° en 90° in de beste schattingen.
Meer lezen

When prediction is not enough: multimodal causal discovery from ICU vasospasm data

Universiteit Gent
2026
Maico
Bruyneel
Cerebraal vasospasme na een aneurysmatische subarachnoïdale bloeding (aSAH) is moeilijk te bestuderen in routinematige intensievezorggegevens omdat het niet als één consistente variabele wordt geregistreerd. Bewijs kan voorkomen in diagnosecodes, ontslagbrieven, radiologieverslagen, behandelingsgegevens of monitoringpatronen, en deze bronnen beschrijven niet altijd hetzelfde klinische beeld. Deze thesis onderzoekt of zulke heterogene informatie kan worden gecombineerd tot een representatie op opnameniveau voor exploratieve causale ontdekking rond vasospasme.

Met behulp van MIMIC-IV werd een cohort van waarschijnlijke aSAH-opnames samengesteld door gestructureerde selectie van kandidaatopnames, gevolgd door extractie met een groot taalmodel uit ontslagbrieven en radiologieverslagen. Het uiteindelijke cohort bevatte 470 opnames. Gestructureerde EHR-variabelen werden gecombineerd met informatie die uit klinische verslagen was afgeleid over bewijs voor vasospasme, de ernst van de bloeding, hydrocefalie, behandeling van het aneurysma, de aanwezigheid van een externe ventrikeldrain en fysiologische toestanden. Een vergelijking tussen verschillende modaliteiten toonde aan dat vasospasme bij 13,8% van de opnames gecodeerd was, terwijl ontslagbrieven en radiologieverslagen aanwijzingen voor vasospasme gaven bij respectievelijk 48,3% en 52,6% van de beoordeelde opnames. Dit suggereert dat op LLM gebaseerde extractie uit klinische tekst bewijs voor vasospasme vollediger kon vastleggen dan ICD-codering alleen, terwijl de bronspecifieke verschillen tussen ontslagbrieven en radiologieverslagen behouden bleven.

Vervolgens werd causale ontdekking toegepast met PC-stable, FGES en FCIT over verschillende hyperparameterinstellingen en stabiliteitsanalyses. De meest terugkerende structuur verbond de hoeveelheid bloedstolsel, hydrocefalie, EVD, leukocytose, hyperglykemie en vasospasme. Opvallend was dat de hoeveelheid bloedstolsel niet naar voren kwam als een stabiele directe buur van vasospasme, ondanks het feit dat dit een van de sterkst bekende klinische risicofactoren is. In plaats daarvan verscheen het vooral als een stroomopwaarts signaal van ernst dat verbonden was met hydrocefalie, intensievere zorgtrajecten en latere inflammatoir-metabole ontregeling. Hyperglykemie was de meest consistente systemische buur van vasospasme binnen FGES en FCIT, terwijl leukocytose vaker via hyperglykemie verbonden was dan als een stabiele directe buur. Deze bevindingen suggereren een biologisch plausibele hypothese waarin leukocytose en hyperglykemie mogelijk directer verband houden met vasospasme, mogelijk als weerspiegeling van inflammatoire en metabole stress die de kwetsbaarheid van bloedvaten zou kunnen vergroten.

Over het geheel genomen suggereren de resultaten dat multimodale causale ontdekking administratieve, tekstuele, fysiologische en zorgprocesgerelateerde signalen rond vasospasme explicieter kan maken en nuttige hypotheses kan opleveren voor gerichte vervolgstudies.
Meer lezen

Ontwikkeling van een Energy Management System voor slim energiebeheer van een biogasinstallatie

Hogeschool UCLL
2026
Antoon
Grauls
Guilliams Green Power is een biogasinstallatie, opgericht door Ruben, Rohald en Reinout Guilliams, gelegen te Boutersem. Deze installatie verwerkt dagelijks 250 ton mest en organisch afval, wat overeenkomt met ongeveer 90.000 ton per jaar. Bij de vergisting van dit afval ontstaat biogas, dat in drie WKK-installaties wordt verbrand en zo 2.8 MW aan groene elektriciteit oplevert.
Anderhalf jaar vóór de start van deze stage werden op de site 24 elektrische loggings geïnstalleerd. Kort daarna werd ook een accu van 1MW/2MWh geplaatst om in te spelen op de FCR-markt, deze markt stabiliseert afwijkingen van de netfrequentie binnen 30 seconden rond 50 Hz. Verder werd tijdens de stageperiode door Fluvius een snelle digitale meter geïnstalleerd om het totaalvermogen van de site nauwkeuriger te monitoren.
De stageopdracht bestond uit het ontwikkelen van een Energy Management System (EMS) dat als doel heeft de import van elektriciteit te minimaliseren en overmatige injectie boven het contractueel vermogen te vermijden. In de eerste fase werden de teller- en loggingsgegevens theoretisch geanalyseerd en gevisualiseerd in Excel. In de tweede fase werd, in samenwerking met de externe programmeur, een eerste versie van de EMS-applicatie ontwikkeld.
Dit EMS automatiseert het aan- en uitschakelen van toestellen binnen de installatie op basis van de het gemeten totaalvermogen en de actuele energieprijs. Zo wordt de energie-import beperkt wanneer er te weinig opwekking is, en worden injectiepieken afgevlakt wanneer de accu injecteert en de WKK’s maximaal vermogen leveren. Dit EMS geeft Guilliams Green Power een duidelijk verbeterde controle over het energiebeheer van hun biogasinstallatie.
Meer lezen

POEMBAKterie: A characterisation of the household kitchen sink microbiome

Universiteit Antwerpen
2026
Jozefien
Mellebeek
The environmental microbiome plays a well-established role in influencing human health. While bacterial communities associated with hospital sinks have been extensively documented due to their relevance in infection control, the microbiome of sinks in non-clinical, domestic settings remains comparatively underexplored.
Therefore, the ongoing POEMBAKterie project in our research group aims to characterise the microbial composition of household kitchen sinks in Antwerp. In this thesis, a citizen science approach was employed to collect household kitchen sink samples and associated household metadata as part of the POEMBAKterie project.
Full-length 16S rRNA gene sequencing was performed to characterise bacterial community composition at high taxonomic resolution. In addition, cultivation-based methods using selective media were applied to detect viable opportunistic bacteria, with a focus on the detection of Escherichia coli. Sequencing data were analysed to assess
bacterial community composition, alpha and beta diversity and differences between sample types and households.
Sequencing revealed diverse microbial communities dominated by the phyla Pseudomonadota, Actinomycetota, Bacillota and Bacteroidota, consistent with previously described built-environment microbiomes. At the genus level, taxa such as Microbacterium, Acinetobacter, Paracoccus, Pseudomonas, Moraxella and Stenotrophomonas were most abundant, many of which have previously been associated with water systems, food-related environments, and human microbiota. Significant differences in bacterial community composition were observed between sample types, although substantial overlap and within-group variability were present. In contrast, variation between household locations was limited, likely due to the small sample size. Potential opportunistic bacterial taxa, including E. coli, were detected through both sequencing and cultivation-based approaches. However, overlap between the two methods was only partial, highlighting methodological differences related to viability assessment and methodological sensitivity. Importantly, the presence of these taxa alone is insufficient to infer pathogenicity or infection risk.
Overall, these findings indicate that kitchen sinks represent complex microbial ecosystems shaped by multiple environmental and human inputs and demonstrate the value of combining sequencing and cultivation to characterise both microbial diversity and viability.
Meer lezen

Zijn patronen de basis van de wiskunde?

Universiteit Antwerpen
2026
Goedele
Mertens
Deze studie onderzoekt het effect van een kortdurende interventie gericht op herhalende en groeiende patronen
bij 4-5 jarigen en de mogelijke transfer naar numerieke vaardigheden. In een quasi-experimenteel pretest
posttestdesign namen 116 kleuters deel, verdeeld over een interventie- en controlegroep. De interventie omvat
twaalf lessen, gespreid over vier weken. Tijdens de interventie verwerven kleuters inzicht in de structuur van
patronen via bewegingsactiviteiten, het identificeren van de patrooneenheid, expliciete instructie in wiskundige
taal en het gebruik van abstracte labels (bv. ABAB, AABAAB), ondersteund door spel, prentenboeken, concreet
materiaal en herhaling. Patroonvaardigheid en numerieke vaardigheden worden gemeten aan de hand van
gestandaardiseerde pre- en posttests, bestaande uit taken rond het uitbreiden, generaliseren en structureren
van zowel herhalende als groeiende patronen enerzijds en basisvaardigheden zoals tellen, vergelijken en
eenvoudige rekenhandelingen anderzijds. De interventie heeft een sterk significant effect op patroonvaardigheid
en een significant effect op numerieke vaardigheid. Voor patroonvaardigheid lijkt de interventie bovendien bij
te dragen aan het verkleinen van verschillen naar sociaaleconomische status. Deze bevindingen ondersteunen
het belang van expliciete directe instructie in patroonstructuren bij kleuters en dragen bij aan het debat rond
transfer in vroeg wiskundeonderwijs.
Meer lezen