Scriptiebank overzicht

De Vlaamse Scriptiebank is een vrij toegankelijke online databank. Het bevat intussen al meer dan 8.000 artikels en volledige scripties van bachelor- en masterstudenten die sinds 2002 hebben deelgenomen aan de Vlaamse Scriptieprijs.

Van wonderkruid tot tripthee: een eeuw ayahuasca in de Nederlandse pers, 1920-2019

Universiteit Gent
2026
Ava
Cornelis
De betekenisverandering van ayahuasca in de Nederlandse pers, 1920-2019.
Meer lezen

Neuro-inclusie als hefboom voor verandering. Empowerende ondersteuning van leerlingen met autisme en hun context

Odisee Hogeschool
2026
Steven
Van Delsen
Leerlingen met autisme botsen in het onderwijs nog te vaak op drempels die hun welbevinden, participatie, verbondenheid en positieve identiteitsontwikkeling onder druk zetten. Deze bachelorproef onderzoekt hoe een neurodiversiteitsaffirmatieve benadering richting kan geven aan neuro-inclusieve onderwijspraktijken die leerlingen met autisme en hun context versterken, binnen de bredere Vlaamse evolutie naar Scholen voor Iedereen.

De bachelorproef vertrekt vanuit een praktijkgerichte probleemverkenning in GO! SBSO Nautica en verbindt die met recente literatuur over neurodiversiteit, leerlingenstem, psycho-educatie, zelfacceptatie, zelfcompassie, zelfbehartiging, neuro-inclusieve pedagogiek en relationele samenwerking. De analyse maakt duidelijk dat inclusie niet kan worden herleid tot toegang tot onderwijs of individuele aanpassingen. Neuro-inclusie vraagt een verschuiving van tekortdenken en normalisering naar erkenning, waardigheid, contextafstemming, gedeelde verantwoordelijkheid en positieve autistische identiteit.

Op microniveau betekent dit dat leerlingen met autisme zich veilig, erkend en verbonden moeten kunnen voelen in de klaspraktijk. Daarvoor zijn voorspelbaarheid, prikkelbewuste leeromgevingen, ruimte voor leerlingenstem, zelfinzicht, zelfacceptatie en ondersteuning bij zelfbehartiging belangrijk. Op mesoniveau vraagt neuro-inclusie een schoolcultuur waarin gedeelde taal, ouderstem, sociale veiligheid, peer support, veilige plekken en samenwerking tussen leerlingen, ouders en onderwijsprofessionals structureel worden ingebed. Op macroniveau wordt duidelijk hoe neuro-inclusieve schoolontwikkeling kan bijdragen aan de Vlaamse evolutie naar Scholen voor Iedereen, op voorwaarde dat neurodiversiteitsaffirmatieve principes vanaf het begin worden meegenomen in visie, beleid, ondersteuning en schoolcultuur.

Als veranderingsstrategie wordt het neuro-inclusief schoolkompas voorgesteld. Dit kompas ondersteunt scholen om stapsgewijs, participatief en haalbaar te groeien naar neurodiversiteitsaffirmatieve schoolpraktijken. Binnen deze aanpak worden drie deelstrategieën uitgewerkt die samen een doorlopende leerlijn vormen: LEANS als klasbrede neurodiversiteitseducatie en gedeelde schooltaal, een lessenreeks rond leerlingenstem, zelfacceptatie, zelfbehartiging en transitie, en een posterreeks die de stem van neurodivergente jongeren zichtbaar maakt in de schoolomgeving. Zo ontstaat een beweging van bewustwording naar persoonlijke betekenisgeving en vervolgens naar schoolbrede verankering.

De meerwaarde van deze bachelorproef ligt in de vertaling van een neurodiversiteitsaffirmatief waardekader naar concrete, haalbare en schoolbrede veranderingsstrategieën. Neuro-inclusie wordt zo geen bijkomende zorgmaatregel naast het bredere schoolbeleid, maar een hefboom om onderwijscontexten toegankelijker, veiliger en betekenisvoller te maken voor leerlingen met autisme en hun context. Tegelijk reikt deze benadering verder dan één doelgroep of één school: neurodiversiteitsaffirmatieve schoolontwikkeling kan uitgroeien van ondersteuning voor individuele leerlingen tot een richtinggevend principe voor de school van morgen.
Meer lezen

Manifest voor autismevriendelijke schoolarchitectuur - ASPECTSS als methodiek voor een inclusieve brede school

Universiteit Hasselt
2026
Anouck
Cautaert
Genk is een zeer diverse en cultureel
rijke stad, waar ook sociaal-economische
ongelijkheden aanwezig zijn. Aan de hand
van deze scriptie probeer ik bij te dragen aan
de inclusie in de stad door in te zetten op
onder andere autismevriendelijk maken van
de schoolinfrastructuur van Zwartberg-Zuid.
De principes die later worden toegepast
voor de schoolsite De Appelboom en De
Wissel kunnen veralgemeend worden naar
de andere twee scholenclusters in Zwartberg.

Het eerste luik van de scriptie omvat dan
ook het onderzoek naar onder andere de
noden van mensen met autisme en het
algemeen gebrek - volgens Mostafa - aan
autismevriendelijke infrastructuur.
Hierna wordt er een link gemaakt naar
de projectlocatie, namelijk Zwartberg,
waarbij er een groeiende nood is aan
autismevriendelijke ondersteuning
binnen bestaande organisaties en
gebouwen, alsmede naar onderwijs- en
ontwikkelingskansen voor kinderen en
jongeren, te concluderen uit het interview met
de wijkmanager van Zwartberg. Momenteel
wordt er binnen deze infrastructuur minimaal
ingezet op autismeondersteunende
infrastructuur, waarbij datgene dat aanwezig
is niet kwalitatief is.
Ook wordt er een link gemaakt naar
Zwartberg door de relatie tussen autisme en
migratieachtergrond verder te onderzoeken,
onder andere blijkens het interview met
directeur Frank Bartholomé. Binnen deze
autismevriendelijke aanpak wordt er verder
ingegaan op de ASPECTSS-richtlijnen,
waarbij deze richtlijnen als ondersteunend
middel worden gezien.

Als tweede luik wordt er ingegaan op
het brede school-principe, waarbij in dit
beleidsidee wordt ingezet op onder andere
de maximale ontwikkelingskansen en de
brede leer- en leefomgeving van kinderen en
jongeren. Hierbij wordt er dieper ingegaan
op de organisatorische en ruimtelijke
organisatie van de brede school.
Als derde en tevens laatste luik wordt
voorgaande verzamelde info ruimtelijk
vertaald aan de hand van een case study
van twee projecten, die inzetten op
autismevriendelijke architectuur en het brede
school-principe.

De onderzoeksvraag van de scriptie is als
volgt: “Hoe kan architectuur bijdragen
om scholen, als ondersteunende
ontmoetingsplek, inclusiever te maken voor
kinderen en jongeren met autisme?”. Dit
wordt onder andere onderzocht aan de hand
van de theoretische ASPECTSS-richtlijnen
en het principe van de brede school. Echter
is het belangrijk om te benadrukken dat
de ASPECTSS-richtlijnen en het principe
van de brede school als hulpmiddel
dienen om de bestaande site in Zwartberg
autismevriendelijk te maken en in te zetten
op de sociale noden - in tegenstelling tot het
utopische beeld dat momenteel rond deze
principes hangt. Bijkomend dient vermeld
dat dit een persoonlijke interpretatie zal zijn
van hoe deze twee theoretische modellen
kunnen worden toegepast binnen een
nieuwbouw en herbestemming.

Dit onderzoek wordt aan de hand van
literatuuronderzoek, interviews en case
onderzoek gevoerd, om op deze manier
meer inzicht te krijgen in onder andere de
noden van deze doelgroep.
Meer lezen

Effectiviteit van de TIMES-route op het emotioneel welzijn van ouderen in woonzorgcentra: een quasi-experimentele pilootstudie

Universiteit Antwerpen
2026
Beau
Van de Werf
Abstract

Achtergrond
De toenemende prevalentie van dementie stelt woonzorgcentra voor uitdagingen, waarbij naast lichamelijke zorg ook aandacht voor de psychosociale en emotionele behoeften van bewoners essentieel is. Hoge werkdruk en organisatorische beperkingen kunnen persoonsgerichte en emotionele zorg bemoeilijken. De TIMES-route werd ontwikkeld om zorgteams te ondersteunen bij het herkennen en beantwoorden van emotionele behoeften. Deze studie onderzocht de impact van de TIMES-route op depressieve symptomen, neuropsychiatrische symptomen en levenskwaliteit bij bewoners met dementie.

Methode
Een kwantitatieve quasi-experimentele pilootstudie met een longitudinaal repeated-measuresdesign werd uitgevoerd in 4 Vlaamse woonzorgcentra. Bewoners van ≥ 65 jaar werden op drie meetmomenten (T0,T1 en T2) geëvalueerd met de Cornell Scale for Depression in Dementia (CSDD), QUALIDEM en Neuropsychiatric Inventory (NPI). Veranderingen over de tijd werden geanalyseerd met lineaire mixed models.

Resultaten
Op baseline namen 112 bewoners deel. Er werden geen significante veranderingen over de tijd gevonden in depressieve symptomen (p=0,290) of neuropsychiatrische symptomen (p= 0,145). Voor levenskwaliteit werden significante tijdseffecten vastgesteld voor de QUALIDEM subschalen: Rusteloos gespannen gedrag
(p= 0,008), Sociale relaties (p= 0,048) en Iets om handen hebben (p= 0,013). Na Bonferroni-correctie bleef een significante verbetering in Rusteloos gespannen gedrag tussen T0 en T1 (p=0,021) en een significante afname in iets om handen hebben tussen T0 en T2 (p=0,012); voor Sociale relaties waren de paarsgewijze vergelijkingen niet significant. Een psychiatrische voorgeschiedenis was significant geassocieerd met hogere depressieve symptomen (p= 0,015); voor de overige bewonerskenmerken werden geen significante associaties gevonden.

Conclusie
De TIMES-route ging niet gepaard met significante veranderingen in depressieve of neuropsychiatrische symptomen. Voor levenskwaliteit werden gemengde resultaten gevonden, met een tijdelijke verbetering in rusteloos gespannen gedrag, een afname in iets om handen hebben en geen significante paarsgewijze verandering in Sociale relaties. Verder onderzoek met een grotere steekproef, een controlegroep en een langere follow-up is nodig om de effectiviteit van de TIMES-route verder te onderzoeken.
Meer lezen

Butyrate as a Potential Therapeutic Intervention for Chemotherapy-Induced Cognitive and Behavioural Impairments in a Hyper-CVAD Mouse Model

KU Leuven
2026
Amber
Gordts
Kanker is een veelvoorkomende en ingrijpende ziekte waarvan de prevalentie blijft toenemen. Tegelijkertijd hebben vooruitgang in de behandeling en vroegtijdige opsporing geleid tot een groeiende groep mensen die kanker overleven. Chemotherapie blijft een belangrijke pijler binnen de behandeling van veel kankers, maar de effecten ervan beperken zich niet tot kankercellen. Omdat chemotherapeutische middelen ook gezonde cellen kunnen aantasten, ervaren veel patiënten tijdens en na de behandeling ongewenste bijwerkingen. Een klinisch relevante klacht is chemotherapie-geïnduceerde cognitieve achteruitgang (chemotherapy-induced cognitive impairment; CICI), die zich kan uiten in moeilijkheden op het vlak van aandacht, concentratie, leren, geheugen, visueel-ruimtelijke vaardigheden en executief functioneren. Klachten gerelateerd aan chemotherapie beperken zich echter niet tot cognitieve functies, maar omvatten ook bredere lichamelijke, psychologische en sensorische veranderingen. Samen kunnen deze klachten het dagelijks functioneren en de levenskwaliteit negatief beïnvloeden.

Daarom onderzocht deze studie in welke mate het Hyper-CVAD-polychemotherapieregime cognitieve, gedragsmatige en sensorische veranderingen veroorzaakt in een preklinisch muismodel, en in welke mate gelijktijdige orale toediening van butyraat deze veranderingen kan verminderen. In tegenstelling tot veel preklinische studies die zich richten op afzonderlijke chemotherapeutische middelen of eenvoudige combinaties, werd in deze studie gebruikgemaakt van het klinisch relevante, uit meerdere middelen bestaande Hyper-CVAD-regime, wat de vertaalbaarheid naar de klinische praktijk vergroot. Butyraat, een korteketenvetzuur, werd onderzocht omdat eerder onderzoek wijst op gunstige effecten ervan op zowel het functioneren van de darmen als de hersenen, evenals op cognitieve, gedragsmatige en motorische beperkingen in andere preklinische modellen van neurodegeneratieve aandoeningen. Om de onderzoeksvragen te beantwoorden, werden 72 volwassen vrouwelijke C57BL/6J-muizen verdeeld over vier groepen: saline met controle-interventie, saline met butyraat, chemotherapie met controle-interventie en chemotherapie met butyraat. Na drie weken waarin enkel de interventie werd toegediend en vier weken waarin de interventie gelijktijdig met de behandeling werd toegediend, ondergingen de muizen een reeks gedragstesten. Deze brachten locomotorische activiteit (24-Hour Activity, Open Field), exploratief en angstgerelateerd gedrag (Open Field, Elevated Plus Maze), leren en geheugen (T-Maze, Passive Avoidance) en thermische pijngevoeligheid (Tail Flick) in kaart.

De resultaten ondersteunden de hypothesen gedeeltelijk. Het Hyper-CVAD-regime veroorzaakte gewichtsverlies en veranderde de spontane locomotorische activiteit in de 24-Hour Activity-test, evenals de locomotorische activiteit, exploratie en het angstgerelateerde gedrag in de Open Field-test en de thermische pijngevoeligheid in de Tail Flick-test. Butyraat verminderde deze veranderingen het duidelijkst in de Open Field- en Tail Flick-testen, terwijl de effecten op het lichaamsgewicht en de 24-Hour Activity-test minder consistent waren. Er werd geen duidelijk bewijs gevonden dat Hyper-CVAD of butyraat het angstgerelateerde gedrag in de Elevated Plus Maze, het ruimtelijk werkgeheugen in de T-Maze of het associatief leren en geheugen in de Passive Avoidance-test beïnvloedde.

Concluderend veroorzaakte het Hyper-CVAD-regime veranderingen in verschillende, maar niet alle, onderzochte cognitieve, gedragsmatige en sensorische uitkomsten, terwijl butyraat een gedeeltelijk potentieel vertoonde om deze veranderingen tegen te gaan. Butyraat biedt daarom perspectief voor verder onderzoek naar chemotherapie-geïnduceerde cognitieve, gedragsmatige en sensorische klachten.
Meer lezen

Buiten of binnen: een analyse van de toegang van Vlaamse huiskatten tot de buitenwereld

Odisee Hogeschool
2026
Anaïs
Neyt
In deze bachelorproef werd de buitentoegang en buitenomgeving van de Vlaamse huiskat onderzocht, evenals de factoren die deze keuzes bij katteneigenaars beïnvloeden. Hierbij werd gefocust op kenmerken van de eigenaar, de kat en de woonomgeving. Het onderzoek werd uitgevoerd aan de hand van een combinatie van online enquêtes en live-bevragingen.

De resultaten tonen aan dat er, voornamelijk in de online enquête, een vrijwel gelijke verdeling bestaat tussen katten die permanent binnenshuis worden gehouden (46,53%; n = 610) en katten met buitentoegang (50,50%; n = 662). Bij de live-bevragingen werd een grotere kloof tussen deze groepen vastgesteld, waarbij 68,83% (n = 53) van de katten toegang heeft tot de buitenomgeving en 23,38%
(n = 18) permanent binnenshuis leeft. Daarnaast werd vastgesteld dat het type kat (raskat of niet) en het al dan niet volgen van een diergerelateerde opleiding door de eigenaar significante factoren zijn in relatie tot buitentoegang. Eigenaars motiveren hun keuzes voornamelijk vanuit veiligheidsoverwegingen, dan wel vanuit het belang van vrijheid en het kunnen uitoefenen van natuurlijk gedrag.

De resultaten wijzen erop dat de keuze rond buitentoegang multifactorieel is en dat er een duidelijk spanningsveld bestaat tussen veiligheid en vrijheid. Opvallend is dat de impact van katten op de omgeving en inheemse prooisoorten slechts beperkt werd aangehaald door de respondenten.

Een mogelijke evenwichtige oplossing is het gebruik van afgeschermde buitenruimtes, zoals een catio, die voordelen biedt voor zowel kat, eigenaar als omgeving. Verdere sensibilisering van katteneigenaars rond deze alternatieve vorm van huisvesting is aangewezen.
Meer lezen

Diagnostische vertraging bij endometriose

Arteveldehogeschool Gent
2026
Lineke
van Niejenhuis
In deze bachelorproef is literatuurstudie gedaan naar de oorzaken van de diagnostische vertraging bij endometriose en welke impact dit heeft op het psychologisch welzijn, de vruchtbaarheid en de levenskwaliteit bij vrouwen met een kinderwens. Uit de literatuurstudie kwam naar voren dat veel vertraging ontstaat door patiëntgerelateerde factoren. Jongeren en volwassenen hebben weinig kennis over normale en abnormale menstruatieklachten. Hierdoor is als praktijkdeel een educatief bordspel ontwikkelt wat bij kan dragen aan meer kennis over endometriose.
Meer lezen

Onzichtbare helden zichtbaar maken

Arteveldehogeschool Gent
2026
Fien
Vervaet
  • Uma
    Claeys
  • Helin
    Can
  • Julia
    Delmeire
  • Xander
    De Maesschalck
  • Marit
    Degrendel
  • Mirte
    Van Steenkiste
Jonge mantelzorgers nemen thuis zorgtaken op die voor hun omgeving vaak onzichtbaar blijven. Deze bachelorproef onderzoekt hoe jongeren tussen 12 en 18 jaar die opgroeien met een ouder met psychische problemen of een afhankelijkheidsproblematiek beter ondersteund kunnen worden op lokaal niveau. De praktijkvraag werd aangebracht door Stad Gent.

Via een literatuurstudie, interviews met professionals en jonge mantelzorgers, een groepsgesprek en een enquête brachten we hun ervaringen en noden in kaart. Erkenning, begrip, ruimte om jong te zijn en laagdrempelige ondersteuning kwamen daarbij naar voren. Veel jongeren ervaren hun zorgtaken als vanzelfsprekend en herkennen zichzelf niet als mantelzorger. Contact met lotgenoten kan hen helpen om zich minder alleen te voelen.

Op basis van deze inzichten ontwikkelden we het concept ‘Onzichtbare helden zichtbaar maken’: een interactieve tentoonstelling met foto’s, getuigenissen, een kortfilm, creatieve workshops en een muur waarop bezoekers ervaringen kunnen delen. Het concept wil jonge mantelzorg zichtbaar en bespreekbaar maken en jongeren de weg naar ondersteuning tonen. Daarnaast formuleren we aanbevelingen voor een mobiele tentoonstelling en een toolbox waarmee scholen jonge mantelzorgers beter kunnen herkennen en begeleiden.
Meer lezen

Zintuiglijke beleving in WZC Wilgendries te Voorde

HOGENT
2026
Jan
Desmet
  • Stephanie
    De Vreese
  • Hannah
    Libbrecht
  • Kim
    Robrecht
Deze bachelorproef onderzoekt hoe laagdrempelige zintuiglijke prikkeling dwaalgedrag bij mensen met (jong)dementie kan ombuigen naar rust en geborgenheid. Aan de basis ligt een cruciale paradigmaverschuiving: afstappen van een medisch tekortmodel dat dwaalgedrag ziet als ‘probleemgedrag’, naar een sociaal-relationele benadering waarin dwaalgedrag wordt erkend als een betekenisvolle, menselijke zoektocht naar veiligheid en identiteit.

In woonzorgcentrum Wilgendries te Voorde werd een ingetogen gang van 140 meter getransformeerd op basis van onderzoeksmethodes, de levensverhalen en zintuiglijke voorkeuren van de bewoners. Interventies zoals houten voelboxen met een schapenvacht, een vogelhuisje op bewegingssensor en snuistermandjes tonen aan dat eenvoudige, herkenbare voorwerpen effectiever en duurzamer kunnen zijn dan dure technologie. Ook werd een praktijkgids ontwikkeld met onderbouwde gebruikerstips en toekomstige ideeën, voor een duurzame verankering.
Meer lezen

Een regeneratieve toekomst voor Zwartberg - Naar een inclusieve en prikkelregulerende leeromgeving: Architectuur voor kinderen met een autismespectrumstoornis

Universiteit Hasselt
2026
Kato
Martens
  • Rayna
    Bongaerts
  • Yarne
    Claes
  • Connor
    De Smet
  • Elias
    Doyen
  • Daan
    Driessen
  • Liza
    Hendrickx
  • Jorien
    Houben
  • Evelyne
    Gielkens
  • Joppe
    Loodts
  • Rens
    Neyens
  • Arne
    Pellaers
  • Britt
    Raskin
  • Sara
    Simons
  • Anke
    Surinx
  • Tineke
    Vandekerkhof
Deze masterproef onderzoekt hoe architectuur, materialiteit en bouwfysische principes kunnen bijdragen aan een prikkelregulerende en voorspelbare leeromgeving voor kinderen met een autismespectrumstoornis (ASS). Het onderzoek combineert literatuurstudie, case study-analyse en materiaalonderzoek en vertaalt de inzichten naar concrete ontwerpprincipes. Deze worden toegepast in een nieuw schoolontwerp voor De Wissel in Zwartberg, waarin ruimtelijke leesbaarheid, verschillende gradaties van prikkels, natuur, overgangsruimtes en comfort samenkomen. Het project wordt gekaderd binnen een bredere regeneratieve toekomstvisie voor Zwartberg, waarin ecologische, sociale en maatschappelijke aspecten met elkaar worden verbonden.
Meer lezen

Mondeling advies over de huisvesting van konijnen (Oryctolagus cuniculus) in Vlaamse dierenspeciaalzaken

Hogeschool VIVES
2026
Yasmine
Degroot
Dit onderzoek analyseert het mondelinge advies dat medewerkers van Vlaamse dierenspeciaalzaken geven over de huisvesting van gezelschapskonijnen (Oryctolagus cuniculus) en in welke mate dit overeenkomt met de richtlijnen van Dierenwelzijn Vlaanderen. Correcte huisvesting is essentieel voor konijnenwelzijn, maar eigenaars zijn sterk afhankelijk van het advies dat zij in winkels ontvangen.
In totaal werden 25 medewerkers uit vijf verschillende winkelketens geïnterviewd via een gestructureerde vragenlijst. De vragen bevroegen de achtergrond van medewerkers, advies over hokformaat, sociale huisvesting en kennis van de Vlaamse dierenwelzijnsrichtlijnen. Slechts 6 van de 25 medewerkers hebben een diergerelateerde opleiding; de overige baseren hun advies op interne opleiding of
ervaring, wat leidt tot grote variatie in gegeven advies.
Advies over hokgrootte is zeer uitlopend, 14 medewerkers noemen enkel een minimale lengte, waarvan acht medewerkers 1,20 m aanhalen. Anderen geven het aan in oppervlakte, zoals 1 of 4 m² of benadrukken dat een hok “zo groot mogelijk” moet zijn. Slechts vier medewerkers adviseren spontaan een ren, hoewel literatuur
het belang hiervan duidelijk aantoont. Het winkelassortiment beïnvloedt het advies bij 16 medewerkers. Zij geven aan dat het beschikbare aanbod hun aanbevelingen stuurt, waarbij traliekooien het vaakst worden verkocht.
Wat verrijking betreft, bevelen 15 medewerkers knaagmateriaal, speelgoed of schuilplaatsen aan, maar ondanks bekende gezondheidsrisico’s verwijzen twee nog naar knaagstenen. Advies over sociale huisvesting is eveneens inconsistent. Hoewel 11 medewerkers aangeven dat konijnen niet alleen gehouden mogen worden, vinden 16 medewerkers dat andere diersoorten zoals cavia’s geschikt gezelschap zijn. Dit is tegenstrijdig met de soortspecifieke behoeften en de Vlaamse dierenwelzijnsrichtlijnen. De bekendheid met de richtlijnen van Dierenwelzijn Vlaanderen is bijzonder laag.
Achttien medewerkers kennen ze niet en geen enkele kan minimale afmetingen benoemen. Hierdoor ontvangen eigenaars vaak onvolledige of foutieve informatie.
De resultaten tonen een duidelijke kloof tussen wetenschappelijke aanbevelingen en het verstrekte advies. Beperkte opleiding, variatie in ervaring, commerciële assortimentskeuzes en onbekendheid met richtlijnen leiden tot inconsistente en soms incorrecte aanbevelingen. Het onderzoek benadrukt de nood aan gerichte opleidingen, een welzijnsgericht assortiment en betere opvolging van de Vlaamse richtlijnen, om het welzijn van gezelschapskonijnen systematisch te kunnen verbeteren.
Meer lezen

De taken en verantwoordelijkheden van de mondhygiënist in de oncologische zorgsetting binnen het ziekenhuis

Hogeschool UCLL
2026
Laura
Janssens
  • Mauranne
    Lazard
Mondproblemen komen vaak voor tijdens kankerbehandelingen en kunnen een aanzienlijke impact hebben op het welzijn van patiënten en het verloop van de behandeling. Toch blijft mondzorg binnen de oncologische zorg vaak onderbelicht en ontbreekt een vast aanspreekpunt. Uit een literatuurstudie en interviews met zorgprofessionals blijkt dat de mondhygiënist een belangrijke rol kan spelen in preventie, screening en opvolging van mondproblemen. Voor een succesvolle integratie zijn echter duidelijke taakafspraken, structurele financieringen multidisciplinaire samenwerking noodzakelijk.
Meer lezen

Aangepaste Mindfulness-Based Cognitive Therapy voor ouderen met levensmoeheid in een woonzorgcentrum

Hogeschool West-Vlaanderen
2026
Yoran
Vansteelandt
Probleemstelling met onderzoeksvraag: Levensmoeheid en een verminderd psychisch welbevinden komen regelmatig voor bij ouderen in woonzorgcentra. Mindfulness wordt steeds vaker ingezet om mensen te helpen beter om te gaan met moeilijke gedachten, gevoelens en stress. In deze bachelorproef werd een bestaand Mindfulness-Based Cognitive Therapy (MBCT)-programma aangepast aan de noden van ouderen met levensmoeheid in WZC Ter Linden. Het onderzoek ging na in welke mate deelname aan dit achtweekse programma een invloed had op het ervaren welbevinden en de kwaliteit van leven van de deelnemers.
Meer lezen

ERVARINGEN VAN STRAATVERPLEEGKUNDIGEN IN DE ZORG AAN DAK- EN THUISLOZEN IN VLAANDEREN EN BRUSSEL:

Universiteit Gent
2026
Margeaux
Lefevere
  • Enya
    Neiring
Deze masterproef onderzoekt hoe straatverpleegkundigen in Vlaanderen en Brussel de zorgverlening aan dak- en thuisloze personen ervaren en welke factoren hun werk beïnvloeden. Dak- en thuislozen kampen vaak met complexe lichamelijke, psychische en sociale problemen, terwijl de toegang tot reguliere gezondheidszorg voor hen vaak moeilijk blijft.
Met een mixed-methods onderzoek werden enerzijds bestaande registratiedata geanalyseerd en anderzijds vijftien straatverpleegkundigen geïnterviewd. De resultaten tonen dat straatverpleegkundigen hun werk ervaren als betekenisvol en noodzakelijk, maar tegelijkertijd als intens, complex en onvoorspelbaar. Somatische zorg, zoals wondzorg of hygiënische ondersteuning, blijkt vaak het startpunt om vertrouwen op te bouwen en cliënten verder te begeleiden naar psychosociale en medische hulp.
De studie maakt duidelijk dat straatverpleegkundigen veel meer doen dan medische zorg verlenen. Ze fungeren als brugfiguren tussen een kwetsbare doelgroep en een gefragmenteerd zorg- en welzijnssysteem. Daarbij proberen ze niet alleen gezondheidsproblemen aan te pakken, maar ook menswaardigheid, vertrouwen en sociale verbinding te herstellen. Tegelijk botsen zij op structurele drempels zoals stigma, administratieve barrières, beperkte samenwerking tussen diensten en een gebrek aan duurzame financiering. Daarnaast toont het onderzoek aan dat de huidige registratiesystemen onvoldoende inzicht geven in de relationele en langdurige aard van straatverpleegkundige zorg. Op basis van de bevindingen worden aanbevelingen geformuleerd voor een betere registratie van dak- en thuisloosheid, meer aandacht voor deze doelgroep in zorgopleidingen en een sterkere structurele verankering van straatverpleegkunde binnen het Belgische zorglandschap.

Meer lezen

Ontwikkeling van een interactief voorleesboek voor kinderen over stemproblemen en over de impact van stemproblemen bij leerkrachten.

HOGENT
2026
Pauline
Morel
Veel kinderen in het lager onderwijs ervaren stemproblemen, maar deze worden vaak pas laat opgemerkt, zowel door de kinderen zelf als door hun ouders en leerkrachten. Nochtans kunnen stemproblemen op jonge leeftijd een aanzienlijke impact hebben op sociaal, emotioneel en schools vlak. Ondanks het belang van vroegtijdige aandacht voor stemproblemen is er momenteel weinig aantrekkelijk, kindgericht en educatief materiaal beschikbaar. Deze bachelorproef heeft daarom als doel een interactief voorleesboek te ontwikkelen dat dit tekort aan aangepast psycho-educatief materiaal helpt opvangen.
Meer lezen

ALTIJD AAN, OOK NA DE LAATSTE SCHOOLBEL. EEN ONDERZOEK NAAR DIGITALE BEREIKBAARHEID EN HET RECHT OP DECONNECTIE BIJ LEERKRACHTEN IN HET SECUNDAIR ONDERWIJS

Universiteit Gent
2026
Mattice
Suetens
Mijn onderzoek gaat over hoe leerkrachten omgaan met digitale bereikbaarheid buiten de schooluren. Ik kijk vooral naar de vraag hoe zij omgaan met mails, Smartschool en andere werkgerelateerde communicatie wanneer hun werkdag eigenlijk voorbij is. Daarnaast onderzoek ik hoe leerkrachten het recht op deconnectie ervaren en of dit hen helpt om een betere grens tussen werk en privé te behouden. Uit de gesprekken blijkt dat leerkrachten hier heel verschillend mee omgaan: sommigen reageren snel omdat ze dat zelf handig vinden, terwijl anderen bewust meldingen uitschakelen of hun laptop dichtklappen. Mijn onderzoek laat vooral zien dat deconnectie niet alleen gaat over technologie uitzetten, maar ook over werkdruk, verwachtingen en het mentaal kunnen loslaten van je werk.
Meer lezen

Verbetering van Betrokkenheid van Sociale Robots door het Genereren van Real-Time Backchannels

Universiteit Gent
2026
Stef
Laurent
Eén op de tien ouderen voelt zich eenzaam (WHO, 2025). Dat raakt niet alleen het welzijn, maar verhoogt ook het risico op onder meer hart- en vaatziekten en depressie. Sociale robots kunnen een aanvullende rol spelen in woonzorgcentra. Niet om het menselijk contact te vervangen, maar om het te versterken.

Een robot die écht een gesprek kan voeren, is echter minder evident dan het lijkt. Dankzij taalmodellen kunnen robots tegenwoordig inhoudelijk een zinvol antwoord geven, maar het gesprek voelt vaak onnatuurlijk aan. De robot heeft moeite met het einde van een zin te bepalen, een bepaald dialect te kunnen verstaan of te kunnen aangeven dat die actief aan het luisteren is. Dat laatste laten we voortdurend merken, met korte signalen zoals "mhm", "ja" of "oh wow", of met een knik. In de literatuur heten die signalen: "backchannels".

Naar aanleiding van deze masterproef werd een module ontwikkeld die Pepper, een sociale robot, laat bepalen wanneer die best een backchannel teruggeeft en welk type (een eerder neutrale "mhm" of een inhoudelijke reactie zoals "wow"). Daarbij werden twee methodes getest om dat moment te voorspellen, een regelgebaseerde en een machine-learningaanpak. Hieruit bleek dat de machine-learningaanpak voor een verhoogde betrokkenheid zorgt met de robot. Zo voelt de robot niet enkel meer natuurlijk aan, maar zorgt dit er ook voor dat mensen langer met de robot in interactie gaan.
Meer lezen

De nood aan (begrensde) menselijkheid - Jongeren over generatieve AI-chatbots ter ondersteuning van hun mentaal welzijn

Vrije Universiteit Brussel
2026
Eline
Sleewaegen
Deze masterproef onderzocht hoe jongeren generatieve AI-chatbots al dan niet als ondersteuning voor hun mentale welzijn ervaren. Aan de hand van kwalitatieve interviews met dertien jongeren tussen 12 en 25 jaar werd nagegaan welke kansen, grenzen en risico’s zij zien in het gebruik van AI-chatbots voor mentale ondersteuning en hoe deze zich verhouden tot menselijke hulpverlening.

De data werden geanalyseerd aan de hand van een reflexieve thematische analyse. Hieruit kwam naar voren dat de aantrekkingskracht van AI niet hoofdzakelijk lijkt te liggen in de menselijke kenmerken die het vertoont. Respondenten leken zich dus niet tot chatbots te wenden ondanks hun artificiële aard, maar juist daarom: om bepaalde menselijke kenmerken te vermijden.

Hiermee nuanceert deze masterproef het terugkerende discours waarin AI-chatbots binnen mentale welzijnsondersteuning voornamelijk worden begrepen als vervanging voor ontbrekende menselijke hulpverlening. De bevindingen wijzen niet alleen op een blijvende nood aan menselijke ondersteuning, maar ook op een behoefte om bepaalde welzijnsnoden net buiten menselijke interactie te reguleren. Deze masterproef conceptualiseerd deze dubbele behoefte als de nood aan (begrensde) menselijkheid, en verschuift daarmee de focus van de vraag in welke mate AI-chatbots menselijke hulpverlening kunnen nabootsen naar de vraag welke autonome vorm van ondersteuning zij eigenlijk vertegenwoordigen.
Meer lezen

Tussen Management en Praktijk: Welzijn en Welbevinden van Roulementsmedewerkers binnen HIC-units in België

Universiteit Gent
2026
Simon
Praet
Deze masterproef onderzocht het welzijn van roulementsmedewerkers op Belgische High & Intensive Care-afdelingen (HIC). Via een mixed-methods onderzoek werd een nationale vragenlijst gecombineerd met interviews met medewerkers en management binnen één HIC-afdeling. De resultaten tonen dat welzijn niet eenvoudig samenhangt met demografische kenmerken zoals leeftijd, geslacht, functie of uurrooster. Wel kwamen belangrijke organisatorische factoren naar voren, waaronder personeelsbezetting, uurroosters, teamondersteuning, erkenning en de aanwezigheid van leidinggevenden. Vooral mentale distantie bleek een aandachtspunt. De bevindingen benadrukken daarom het belang van een welzijnsbeleid dat niet alleen inzet op individuele ondersteuning, maar ook op de organisatie van het werk en een goede afstemming tussen management en praktijk.
Meer lezen

Kunstgeïntegreerde actie- en rustmomenten ontworpen voor leerlingen met ADHD en ASS: Painted Pause

Odisee Hogeschool
2026
Emma
Ghysels
  • Jolien
    Gits
Leerlingen met ADHD en ASS ervaren in de lagere school aanzienlijke moeilijkheden op het vlak van aandacht, prikkelverwerking, flexibiliteit en zelfregulatie. Zoals in het document staat: “Leerlingen met ontwikkelingsstoornissen zoals ADHD en ASS ondervinden dagelijks moeilijkheden die hun leerproces en het klasgebeuren beïnvloeden.” Deze uitdagingen worden vooral zichtbaar tijdens lange instructies, drukke situaties en overgangsmomenten, waar concentratieverlies, impulsiviteit en overprikkeling vaker optreden. Zowel literatuur als praktijk tonen dat bestaande ondersteuning vaak reactief blijft en niet altijd afgestemd is op de specifieke noden van deze leerlingen (Horeweg, 2024).

Daarom bestaat het onderzoeksdoel van deze bachelorproef uit het ondersteunen van leerlingen met ADHD en/of ASS door bewegingsmomenten via kunst te integreren, met als doel hun concentratievermogen en algemeen welzijn te versterken. De centrale onderzoeksvraag luidde: Wat is het effect van structureel aangeboden bewegingsmomenten die via kunst worden geïntegreerd op de aandacht en het algemeen welzijn van lagereschoolkinderen met ADHD en/of ASS?

Om deze onderzoeksvraag te beantwoorden, werd gebruikgemaakt van observaties en semi gestructureerde bevragingen bij leerkrachten, zorgleerkrachten en externe ondersteuners. Hieruit bleek dat scholen reeds hulpmiddelen inzetten zoals koptelefoons, visuele planningen en friemelmateriaal, maar dat de nood aan een proactieve, haalbare en doelgerichte aanpak groot blijft. Leerkrachten zoeken vooral korte interventies die rust of beweging bieden zonder extra werkdruk. Tegelijk wijst onderzoek erop dat kunstzinnige activiteiten bijdragen aan zelfsturing, metacognitieve vaardigheden en sociaal emotioneel functioneren. Mieras (2024) benadrukt dat kunst “leerlingengroepen daadwerkelijk helpt om kansen in het leven te grijpen”.

Vanuit deze bevindingen werd de educatieve tool Painted Pause ontwikkeld. Deze tool combineert kunstbeleving met korte actie en rustmomenten en biedt leerlingen de keuze tussen een actief of rustgevend tussendoortje. Via een digitale schilderijengalerij bekijken leerlingen kunstwerken, beantwoorden ze korte kijkvragen en voeren ze aansluitend een bewegingstussendoortje uit. De activiteiten richten zich op concentratie, samenwerking, emotieregulatie en zelfsturing. De vaste structuur en visuele ondersteuning sluiten aan bij de uiteenlopende noden van leerlingen met ADHD en ASS (Horeweg, 2025).

Tijdens twee testperiodes in verschillende leerjaren werd Painted Pause positief onthaald. Leerlingen met ADHD begonnen na een tussendoortje rustiger en meer gefocust aan het volgende werkmoment; leerlingen met ASS profiteerden vooral van de voorspelbaarheid en prikkelreductie. Ook leerlingen zonder ontwikkelingsstoornis ervaarden de tool als motiverend en prettig. De combinatie van kunstbeleving aan de hand van kijkvragen en een doelgericht bewegingstussendoortje zorgde voor een betere sfeer, verhoogde betrokkenheid en een meer gereguleerde klasgroep. De resultaten tonen dat structureel aangeboden, kunstgebaseerde bewegingsmomenten een waardevolle aanvulling vormen binnen de brede basiszorg. Ze ondersteunen leerlingen met specifieke noden zonder hen te stigmatiseren en versterken tegelijk het algemeen welzijn van de volledige klas. Hoewel verdere verfijning en langdurige evaluatie wenselijk zijn, biedt Painted Pause een veelbelovende, preventieve en inclusieve manier om aandacht en zelfregulatie te bevorderen.
Meer lezen

Leucose bij katten in Vlaanderen

Odisee Hogeschool
2026
Tine
Raes
Leucose (FeLV) is een virale infectieziekte bij katten met mogelijk ernstige symptomen. De prevalentie van FeLV is op sommige plekken in de afgelopen jaren gedaald, door het toepassen van (verschillende) preventieve maatregelen (vaccinatie, positieve dieren gescheiden houden of verwijderen en castratie). Maar er zijn geen recente cijfers over de prevalentie van FeLV in Vlaanderen. Deze cijfers kunnen een inzicht geven over de nood en het toepassen van preventieve maatregelen. Daarom wordt in deze bachelorproef de prevalentie van FeLV in Vlaanderen bepaald aan de hand van bevragingen bij organisaties die katten opvangen. Ook wordt het testbeleid van deze organisaties vergeleken met (internationale) richtlijnen. Daarnaast zijn er ook enkele risicofactoren (leeftijd, geslacht, leefwijze, gezondheidstoestand) waar rekening mee gehouden kan worden. Deze informatie kan richting geven aan aanbevelingen voor een (aangepast) (preventie)beleid.

Uit de FeLV-testresultaten van bevraagde organisaties in Vlaanderen kwam een prevalentie van 1%. Maar minder dan de helft van de bevraagde organisaties houdt de testresultaten van FeLV en bijhorende gegevens bij, waardoor er te weinig data is om een uitspraak te doen over de algemene prevalentie en/of mogelijke risicofactoren in Vlaanderen. Het testbeleid van de bevraagde organisaties komt op sommige vlakken overeen met de internationale richtlijnen en op sommige vlakken niet. Maar een testbeleid kan, zeker bij een lage prevalentie en bij zwerfkatten, complex zijn. Recent werd er wel terecht beslist om de verplichte vaccinatie van FeLV bij het verhandelen voor asielen af te schaffen. Vaccinatie kan een belangrijke preventiemaatregel zijn, maar is niet voor elke kat nodig of nuttig.
Meer lezen

Samenwerking tussen onderwijs en welzijn in de evolutie naar inclusieve scholen

Universiteit Antwerpen
2026
Lotte
Janssens
De onderwijsnoden van leerlingen worden steeds complexer, waardoor de draagkracht van leraren en scholen
vaker onder druk komt te staan en het bieden van passend, kwaliteitsvol onderwijs een uitdaging vormt. In
Vlaanderen groeit het besef dat structurele partnerschappen tussen onderwijs en welzijn een belangrijke
hefboom zijn om deze uitdagingen aan te pakken en een inclusiever onderwijssysteem te realiseren. Deze
masterproef onderzoekt een praktijkgericht samenwerkingsinitiatief tussen een multifunctioneel centrum (MFC)
en reguliere kleuterscholen. Daarbij wordt gebruikgemaakt van een kwalitatief onderzoeksdesign, gebaseerd op
semigestructureerde interviews met leraren en zorgcoördinatoren. Op die manier wordt inzicht verkregen in
zowel de werking als de effecten van deze samenwerking.

De resultaten tonen aan dat effectieve samenwerking wordt gekenmerkt door zes bevorderende factoren:
gemeenschappelijke doelen, afstemming en taakafbakening, communicatie, wederzijds respect en vertrouwen,
relatie en betrokken actoren. Deze factoren versterken elkaar en dragen bij tot een gedeelde
verantwoordelijkheid en een sterk ‘wij-gevoel’ tussen onderwijs- en welzijnsprofessionals. Op het niveau van de
leraar en zorgcoördinator blijkt de samenwerking een positief effect te hebben op hun zelfeffectiviteit. Zij voelen
zich competenter in het interpreteren van gedrag en het afstemmen van hun pedagogisch-didactisch handelen.
Op leerlingniveau worden positieve effecten vastgesteld op sociale en academische participatie, al blijft deze
participatie sterk afhankelijk van de individuele verschillen tussen leerlingen en haalbare aanpassingen. Tegelijk
worden ook belangrijke uitdagingen zichtbaar, waaronder schoolbrede implementatie en de grenzen van inclusie
in de klaspraktijk. De masterproef concludeert dat samenwerking tussen onderwijs en welzijn een belangrijke
hefboom vormt voor inclusie, maar dat duurzame verankering en structurele partnerschappen noodzakelijk zijn
om deze meerwaarde op lange termijn te realiseren.

Kernwoorden: inclusief onderwijs, effectieve samenwerking, zelfeffectiviteit, sociale participatie en academische participatie
Meer lezen

Tussen hoop en herval: Een hulpverlenersperspectief op chroniciteit en veranderingsresistentie bij cliënten in de langdurige verslavingszorg

Universiteit Gent
2026
Thyra
Janssens
Deze masterproef onderzoekt hoe hulpverleners in de chronische Belgische drughulpverlening de veranderingsresistentie en chroniciteit bij cliënten beleven, en welke impact dit heeft op hun zorghouding, werkrelatie en emotioneel welzijn. Via een kwalitatief onderzoeksdesign werden negentien semigestructureerde interviews afgenomen bij hulpverleners uit vijf verslavingszorgsettings: een ambulante voorziening, twee residentiële settings, een CRA-georiënteerde werking en een spoedpsychiatrische context. De data werden geanalyseerd aan de hand van thematische analyse volgens Braun en Clarke (2021).

De analyse resulteerde in zeven thema's, van stigma en veranderingsresistentie tot emotionele belasting en structurele uitdagingen. Twee bevindingen springen er uit. Ten eerste is er een structurele kloof tussen wat hulpverleners conceptueel weten over herval en hoe zij dit emotioneel beleven. Ten tweede blijken de dimensies verbondenheid, hoop en betekenis, die centraal staan in herstel bij cliënten, ook voor hulpverleners zelf een bron van professionele veerkracht. Op basis van de bevindingen wordt een empirisch onderbouwde hypothese geformuleerd: naarmate de therapeutische relatie minder diepgaand is, neemt de kans op objectivering en dehumanisering van de cliënt toe. De conclusie luidt dat herstelgerichte zorg gelijktijdige investeringen vereist op het niveau van de hulpverlener, de organisatie en het zorglandschap. Individuele veerkracht kan niet als vervanging dienen voor structurele bescherming.
Meer lezen

Responses to rosemary-based olfactory enrichment A behavioural analysis of captive chimpanzees (Pan troglodytes) at Fundació MONA

Odisee Hogeschool
2026
Ann
Ieven
Een chimpansee in een opvangcentrum heeft alles wat hij nodig heeft, behalve een oerwoud. Om zijn dagen toch boeiend te houden krijgt hij klimtouwen, hangmatten en puzzels met lekkers erin verstopt. Dat werkt, zolang hij meedoet. Maar in elk opvangcentrum of asiel zit een dier dat nergens meer op ingaat. Geur zou dat dier wél bereiken: die hangt er gewoon, en een neus staat altijd open.

Het experiment voor mijn bachelorproef duurde vier weken en vond plaats in de buitenverblijven van tien geredde chimpansees, verdeeld over twee groepen, in Fundació MONA nabij Girona in Spanje. Op vier dagen lagen er geurende sokken in hun verblijf, geweekt in rozemarijnthee en gevuld met gedroogde rozemarijn. Op vier andere dagen lagen er identieke sokken zónder geur, en op nog eens vier dagen lagen er helemaal geen sokken. Op de rozemarijndagen vertoonden de dieren minder stressgedrag en foerageerden ze meer — het rustige zoeken naar eten waar wilde chimpansees hun dag mee vullen. Het verrassendste: dat zoeken nam niet enkel toe bij de apen die met de sok speelden, maar bij de hele groep. De geur hing in de lucht en bereikte ook de dieren die de sokken nauwelijks aanraakten.
Meer lezen

Motivational Factors and Psychophysical Experiences of Recreational Cold-Water Swimmers in Club Settings

Vrije Universiteit Brussel
2026
Elias
Buysse
  • Kyan
    Vervoort
Koudwaterzwemmen is een steeds zichtbaardere vorm van recreatieve sport, waarbij mensen zich vrijwillig en herhaaldelijk blootstellen aan lichamelijk ongemak en koude. Deze mixed-methods studie onderzocht welke motivaties en psychofysische ervaringen een rol spelen bij duurzame deelname aan recreatief koudwaterzwemmen in georganiseerde clubcontexten in Vlaanderen. Hiervoor vulden 191 recreatieve koudwaterzwemmers een vragenlijst in en werden 18 deelnemers geïnterviewd. Mentaal welzijn en stressvermindering vormden de meest gerapporteerde primaire motivatie (38,2%), gevolgd door fysieke fitheid en gezondheid (27,7%). Uit de interviews kwam een terugkerend patroon naar voren van aarzeling, lichamelijke intensiteit, actieve regulatie via ademhaling en aandacht, en een positieve ervaring na het zwemmen. De resultaten suggereren dat het ongemak van koud water niet noodzakelijk verdwijnt met ervaring, maar wel voorspelbaarder, beheersbaarder en betekenisvoller kan worden. Ook de sociale context en natuurlijke omgeving spelen een belangrijke rol. Koudwaterzwemmen kan daardoor worden begrepen als een psychofysieke praktijk waarin ongemak wordt gereguleerd, geïnterpreteerd en geïntegreerd in routine en identiteit.
Meer lezen

Geïntegreerde zorg als normatief kompas: Beleidslogica’s en spanningen in België

KU Leuven
2026
Maartje
Reyniers
Geïntegreerde zorg is een belangrijk begrip in de Belgische gezondheidszorg en welzijnssector. Het verwijst naar een betere samenwerking tussen zorgverleners en organisaties, zodat mensen meer samenhang ervaren in hun zorg en ondersteuning. Het gaat daarbij niet alleen om medische zorg, maar ook om hulp in het dagelijks leven, zoals ondersteuning vanuit sociale en welzijnsdiensten. Hoewel er brede overeenstemming bestaat over het belang hiervan, vullen mensen die betrokken zijn bij het beleid dit begrip in de praktijk verschillend in. Deze studie onderzoekt hoe zij geïntegreerde zorg begrijpen, welke doelen zij belangrijk vinden en hoe zij omgaan met spanningen tussen die doelen.
Hiervoor werd eerst gekeken naar belangrijke beleidsdocumenten over geïntegreerde zorg, gevolgd door gesprekken met beleidsactoren op Vlaams en federaal niveau. Op basis daarvan werd onderzocht welke accenten zij leggen en hoe zij hun keuzes toelichten.
De resultaten tonen dat vaak dezelfde doelen terugkomen, zoals zorgkwaliteit, betaalbaarheid, gelijke toegang tot zorg en ziektepreventie. Toch verschillen betrokkenen in welke doelstellingen ze het belangrijkst vinden en hoe ze die interpreteren. Sommigen leggen meer nadruk op efficiënt gebruik van middelen, terwijl anderen vooral focussen op toegankelijkheid of de wensen van de patiënt. Deze verschillen brengen spanningen met zich mee. Zo kan efficiëntie botsen met persoonlijke zorg, en kan centrale aansturing moeilijk samengaan met lokale flexibiliteit. In de praktijk worden deze spanningen niet opgelost, maar wordt gezocht naar manieren om verschillende benaderingen te combineren.
Deze manier van werken hangt samen met hoe geïntegreerde zorg in deze studie wordt begrepen, namelijk niet als één vast model met duidelijke regels, maar als een soort “kompas”. Dat kompas geeft geen vaste antwoorden en schrijft ook niet voor hoe keuzes moeten worden gemaakt. In plaats daarvan helpt het beleidsactoren om hun eigen ideeën, prioriteiten en manier van kijken op geïntegreerde zorg expliciet te maken en in verhouding tot elkaar te plaatsen.
Door deze verschillen zichtbaar te maken, wordt het eenvoudiger om ze te bespreken en beter te begrijpen hoe ze zich tot elkaar verhouden. In sommige gevallen kunnen verschillende visies elkaar versterken of aanvullen. In andere situaties is het nodig om een evenwicht te zoeken tussen uiteenlopende accenten. Het kompas helpt zo vooral om dit gesprek te structureren en om tot een meer gedeelde, maar niet noodzakelijk uniforme invulling van geïntegreerde zorg te komen. Op die manier biedt deze studie nieuwe inzichten in de uitdagingen en mogelijkheden van geïntegreerde zorg in België en in hoe samenwerking tussen zorg en ondersteuning in de praktijk vorm krijgt.
Meer lezen

Verpleegkundige aandachtspunten bij gebruik van antipsychotica tijdens een zwangerschap

Thomas More Hogeschool
2026
Ramona
Westerveld
Deze bachelorproef onderzoekt welke verpleegkundige aandachtspunten belangrijk zijn bij de begeleiding van zwangere zorgvragers die antipsychotica gebruiken. Een zwangerschap in combinatie met een psychiatrische aandoening brengt een complex zorgvraagstuk met zich mee: zorgverleners moeten de mogelijke risico’s van medicatie afwegen tegen de risico’s van onbehandelde psychiatrische problematiek voor ouder en kind.

Aan de hand van een literatuurstudie werd onderzocht welke effecten antipsychotica tijdens de zwangerschap kunnen hebben en welke rol verpleegkundigen kunnen opnemen in de begeleiding. Uit de huidige wetenschappelijke literatuur blijkt geen duidelijk verhoogd risico op ernstige aangeboren afwijkingen. Wel worden verbanden beschreven met onder andere vroeggeboorte, een lager geboortegewicht en tijdelijke aanpassingsproblemen bij pasgeborenen. Tegelijk is het moeilijk om deze effecten rechtstreeks toe te schrijven aan de medicatie, omdat ook de onderliggende psychiatrische aandoening en andere factoren een belangrijke rol spelen.

De resultaten benadrukken het belang van een individuele en multidisciplinaire aanpak. Verpleegkundigen spelen daarbij een belangrijke rol in monitoring, educatie, ondersteuning en zorgcoördinatie. Zowel bij het verderzetten als bij het afbouwen of stopzetten van antipsychotica is een zorgvuldige opvolging van het psychische en lichamelijke welzijn van de zwangere zorgvrager essentieel.
Meer lezen

Bouw multifunctioneel sportcomplex Benin (Cotonou)

Hogeschool VIVES
2026
Fenna
Vanhoutte
Mijn eindproef onderzoekt de haalbaarheid en ontwikkeling van een multifunctioneel sportcomplex in Cotonou, Benin, op vraag van de Port Autonome de Cotonou. Het project vertrekt vanuit de vaststelling dat er nood is aan kwalitatieve en toegankelijke sportinfrastructuur die aansluit bij de lokale context en behoeften.

De centrale onderzoeksvraag luidt: Hoe kan de ontwikkeling van een multifunctioneel sportcomplex in Cotonou bijdragen aan sportparticipatie en talentontwikkeling en bovendien maatschappelijke meerwaarde creëren binnen een financieel haalbaar en duurzaam exploitatiemodel?

Om deze vraag te beantwoorden, bracht ik de lokale sportcontext, bestaande infrastructuur, behoeften van verschillende doelgroepen en relevante stakeholders in kaart. Op basis van dit onderzoek deed ik aanbevelingen voor de mogelijke realisatie van het sportcomplex. Daarbij werd niet alleen gekeken naar de ruimtelijke en sportieve invulling, maar ook naar de manier waarop het complex op lange termijn kan functioneren.

De eindproef resulteert in een totaalconcept voor een sportsite waarin verschillende sporten en gebruikers samenkomen. Naast het ruimtelijke voorstel omvat de studie ook een businessplan, financieel plan, risicoanalyse en een faseringsplan. Zo biedt de eindproef een onderbouwd kader voor de mogelijke verdere ontwikkeling van een sportcomplex dat sportieve, maatschappelijke en economische doelstellingen met elkaar verbindt.
Meer lezen

Van Draagkracht naar Teamveerkracht

Hogeschool UCLL
2026
Marylène
Hoho
Onderzoek binnen een specifieke zorgcontext binnen de jeugdzorg over het effect van welzijn op de werkprestaties, draagkracht en veerkracht van de medewerkers en het volledige team.
Meer lezen

Determinaten van werkgerelateerde burn-out bij verpleegkundigen op kritieke diensten:een literatuurstudie

HOGENT
2026
Anouk
Domah
Deze bachelorproef onderzoekt welke factoren het ontstaan van werkgerelateerde burn-out bij verpleegkundigen op kritieke diensten beïnvloeden. Hiervoor werd een systematische literatuurstudie uitgevoerd in PubMed en Web of Science. Uit de resultaten blijkt dat burn-out ontstaat door een combinatie van factoren, waaronder een hoge werkdruk, personeelstekorten, onregelmatige werkuren, emotionele belasting en onvoldoende steun. Sociale steun, een positieve werkomgeving en toegankelijke leidinggevenden kunnen een beschermende rol spelen. Preventie moet daarom niet alleen gericht zijn op de individuele verpleegkundige, maar ook op structurele verbeteringen binnen de zorgorganisatie.
Meer lezen